U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 15 februari 2017, 14.05u

Voorzitter
De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet houdende de ondersteuning van cultureelerfgoedwerking in Vlaanderen.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Yamila Idrissi (sp·a)

Dit ontwerp van decreet heeft tot doel de zorg voor en omgang met cultureel erfgoed te bevorderen door een cultureel erfgoedveld uit te bouwen en kwaliteitsvolle en duurzame cultureel erfgoedwerken te bevorderen en de maatschappelijke inbedding van cultureel erfgoed te vergroten. Aanvankelijk was er een hoopvolle conceptnota met een participatief visietraject met de erfgoedsector. Dat was zeker een stap voorwaarts. We waren er echt van overtuigd dat er met die conceptnota een stap voorwaarts kon worden gezet in de culturele erfgoedsector. Vandaag blijkt, ondanks de goede elementen, dat de verwachtingen die door de conceptnota werden geschapen, niet worden ingelost. Het is een conserverend ontwerp van decreet geworden, met weinig visie, ambitie of innovatie.

We zijn als sp.a niet te beroerd om de positieve elementen aan te halen: het feit dat de beleidsaccenten worden neergeschreven of dat in het decreet de mogelijkheid wordt ingeschreven dat er een visienota moet komen, het principe van de projectsubsidies, het tot stand komen van het ontwerp met een participatief karakter, het kwaliteitslabel dat wordt behouden, en zo kan ik nog een hele resem elementen aanhalen die positief zijn in het ontwerp van decreet.

Maar we hebben ook wel een aantal fundamentele bezorgdheden. Een daarvan is dat de nadruk eigenlijk te fel op het collectiebeheer ligt. Alleen organisaties met een volledige culturele erfgoedwerking komen in aanmerking voor subsidies. Terecht vrezen heel wat erfgoedverenigingen dat dat tot een verschraling zal leiden. We denken dat het zal leiden tot een terugplooien op de erfgoedsector.

De rol van de diverse erfgoedverenigingen, zoals die voor volkscultuur, heemkunde en familiekunde zal ingeperkt of omgevormd worden tot een dienstverlenende rol. Vandaag wordt in het decreet nog niet duidelijk gepreciseerd wat die dienstverlenende rollen inhouden. Om dit op te vangen wordt gezegd dat er een dynamische ruimte zal worden gecreëerd, die ademruimte en impulsen zal geven. Ook daarover zijn er nog veel vragen. De projectsubsidies die daarvoor worden ingesteld, zijn beperkt tot de cultureelerfgoedorganisaties. We hebben daar de afgelopen dagen van verschillende kanten nogmaals bemerkingen over gehoord, bijvoorbeeld van de Universiteit Gent. Zij vrezen dat organisaties die cultureel erfgoed niet als kerntaak hebben, worden uitgesloten van subsidies. Het gaat dan om onderwijsinstellingen zoals de UGent, maar ook publieke archiefinstellingen, openbare bibliotheken, enzovoort. Dit kan leiden tot een decimering van het cultureelerfgoedveld. Ik ben blij dat de heer Caron straks een amendement zal indienen om dit open te trekken.

Buiten deze fundamentele bezorgdheden zijn er ook heel wat punctuele bezorgdheden die we in de commissie ook al besproken hebben, zoals de nood aan heldere en realistische definities van de rollen. Het is niet duidelijk wat de scope en scale zal zijn van die rollen. De dienstverlenende rol moet verder gedefinieerd worden. De financiële implicaties voor het opnemen van dienstverlenende rollen zijn vandaag nog niet duidelijk. En zo is er nog een hele resem onduidelijkheden.

Daarnaast is er heel het flankerend beleid waarover vandaag nog geen duidelijkheid is. Ik denk aan het depotbeleid en het bovenbouwbeleid, die niet opgenomen zijn in het decreet en waarover in de commissie geruststellende woorden zijn gebruikt. Er werd aangekondigd dat dit zou worden opgenomen in het Bovenbouwdecreet, maar het staat niet langer in dit decreet. Het digitaliseringsbeleid, het vrijwilligersbeleid, de visie op de internationale werking, de reorganisatie van provinciale rollen en diensten, de opvolging rond auteursrechten, de beschikbare middelen, de uitwerking van financiële elementen zoals de indemniteitsregeling en de taxshelter zijn allemaal zaken die niet in dit decreet zijn opgenomen. Nochtans is het belangrijk juist om daarover voor het veld duidelijkheid te creëren.

U vraagt ons om u te vertrouwen dat het in orde zal komen en dat heel wat verduidelijkt zal worden in de visienota. Wat niet in de visienota zal staan, zal in andere decreten worden opgenomen. Waarom hebben we vandaag die decreten dan niet, zodat we weten waarover we gaan stemmen? Nu gaat het hier om een heel beperkte scope.

Tijdens de vorige regeerperiode was er al een sterke roep om meer financiële slagkracht, om een inhaalbeweging, en dat is op het laatste moment niet doorgegaan. Ik herinner mij nog de beelden van de mensen uit de sector die op het Martelarenplein kwamen demonstreren met potten en pannen om de vraag naar meer middelen kracht bij te zetten. Over het financiële plaatje weten we vandaag nog niets. We weten nog maar weinig over de financiële contouren waarbinnen dit decreet zal opereren.

Minister, daarom zullen we ons bij de stemming over dit decreet onthouden.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Voorzitter, collega’s, minister, dit ontwerp van decreet over het culturele erfgoed bouwt voort op de fundamenten van het vorige decreet. Dat is op zich een goede zaak. We hebben in Vlaanderen een rijk cultureel en immaterieel erfgoed. Elke stap vooruit is een stap vooruit. U hoort nu al dat wij zeker niet zullen tegenstemmen. Maar er zijn toch wel een aantal opmerkingen te maken.

Ik moet net als mevrouw Idrissi even de principes aanhalen: de introductie van die functies in de museumwereld en in de bredere culturele-erfgoedwereld; het inbrengen van een visienota van de minister, die preciseert en concretiseert welke beleidsopties wij in de toekomst willen honoreren; de versterking op zich, maar minstens het behoud van het kwaliteitslabel als basisentree tot subsidie; de invoering van een aantal dienstverlenende rollen, met alle twijfels er nog bij. Ik kijk dan uit naar die visienota, maar het is op zich een interessant idee. Expertise delen met elkaar; het afstemmen van de beleidsperiodes, zodat de erfgoedsector wat meer mondigheid kan hebben als de subsidiedatum eraan komt. Remember de kunstensector die wat dat betreft aan mondigheid te over heeft. Het voortwerken met erfgoedconvenanten en erfgoedcellen; de culturele erfgoedgemeenschappen die als begrip bewaard bleven; het immaterieel cultureel erfgoed, dat in dit decreet een zeer erkentelijke en terechte plaats krijgt als deel van ons cultureel erfgoed. Er is al heel veel rond gebeurd, maar nu krijgt het ook een sterke decretale verankering.

De conceptnota van de minister van een aantal maanden geleden illustreert die ambities. Maar ik moet samen met mijn collega vaststellen dat de vertaling van conceptnota naar decreet tot een stevig afslanking heeft geleid. Daardoor is het ontwerp van decreet niet echt een visionair decreet. Het is niet het decreet dat ons Vlaams cultureel erfgoed de hoogte zal injagen. Het is veeleer, zoals mevrouw Idrissi zei, een conserverend decreet, ik zou zelfs bijna zeggen een conservatief decreet. Het schermt vooral de posities van cultureel erfgoed in de samenleving af. Ik zal verduidelijken wat ik bedoel met dat afschermen.

Het is wat je zou kunnen noemen een sectorafbakenend decreet. Dat is ingegeven door een financiële beheersingslogica. Er zijn blijkbaar de komende jaren niet veel middelen voor cultuur en alvast niet voor cultureel erfgoed. Daarom doet men de deuren zoveel mogelijk dicht. Men bouwt hekken en muren rond het veld. Het zal nog heel veel jaren duren vooraleer we nog een stap vooruit kunnen zetten. Dat is jammer. Dat afbakenende komt onder meer tot uiting in het feit dat alleen organisaties die een cultureelerfgoedwerking als hoofdopdracht hebben hier tot een erkenning/subsidiëring kunnen evolueren. Voor alle andere cultureelerfgoedwerkingen, die ingebed zijn in een gemeente – ik kom daar straks nog op terug – is er wel een zekere ruimte. Maar met de kunstensector, of met de academische wereld waar bijvoorbeeld heel veel kunsthistorisch onderzoek gebeurt, worden geen bruggen geslagen. Meer zelfs, ze krijgen niet alleen geen toegang tot het decreet in de structurele meerjarige subsidies, ze krijgen zelfs geen toegang tot de projectsubsidies. Ze kunnen het wel als ze samenwerken met een erkende organisatie, maar ze moeten in ieder geval een partner hebben die een voetje zet om over de muur te geraken die rond de sector is gebouwd.

Ik begrijp het. We willen niet te veel mee-eters hebben. De pot, of de taart, is al klein en beperkt. Maar toch, ik vind het toch heel jammer dat we het begrip cultureel erfgoed niet breed interpreteren en ook de toegang tot dat decreet niet mogelijk maken. Ik kom daar straks nog op terug, want ik heb een amendementje dat daarover gaat.

Mijn volgend punt betreft het beoordelingssysteem. Op zich is dit een prima systeem. We moeten er wel voor opletten dat dit beoordelingssysteem niet tot dezelfde harde situatie leidt die we in de kunstensector hebben ervaren. Erfgoed, zoals de benaming zelf zegt, gaat over duurzaamheid. Het gaat om de zorg voor zaken die oud zijn, die van ons zijn of die onze identiteit kenmerken. We willen en moeten hier goed voor zorgen.

We kunnen niet, bij wijze van spreken, vandaag een museum erkennen, dat museum morgen niet meer erkennen en het dan binnen vijf jaar opnieuw erkennen. We moeten beschikken over een beoordelingssysteem dat de waarde van een werking op een goede wijze beoordeelt, maar dat ook een werking op lange termijn en een evolutie mogelijk maakt. Dit is niet zoals een artistieke loopbaan, die vaak hoogtes en laagtes kent. Dit gaat om instellingen en organisaties, zoals lokale besturen en hun musea, waarvan duurzaamheid een belangrijk aspect is.

Ik beweer niet dat het ontwerp van decreet hiertoe zal leiden. Ik wil er enkel voor waarschuwen dat we niet in dezelfde situatie mogen terechtkomen als het Kunstendecreet heeft veroorzaakt.

Mijn volgend punt betreft de belangrijke mate waarin dit ontwerp van decreet het accent op het collectiebeheer en de zorg voor collecties legt. De collectiebeherende instellingen zijn musea, archieven, erfgoedbibliotheken en dergelijke. Zij vormen de basis van het ontwerp van decreet.

Ik begrijp dat de pendel wat in die richting terugkeert. De voorbije jaren hebben we meer aandacht voor de publieke kant gehad, en nu is er weer meer aandacht voor de intrinsieke kant. We moeten echter opletten. Erfgoed heeft enkel zin en betekenis in die mate dat het in de samenleving betekenis krijgt. Erfgoed zonder betekenisgeving is een lege doos.

Die betekenisgeving, die ik ook de vermaatschappelijking zou kunnen noemen, houdt in dat de zorg voor ons cultureel erfgoed publieksparticipatie omvat. Er moet aandacht zijn voor de publiekswerking, het educatief werk en de samenwerking met scholen. Ondanks de nadruk op de collectiebeherende instellingen mogen we die facetten niet verliezen.

Zoals ik in het begin al heb vermeld, is dit een veeleer afschermend ontwerp van decreet. Er zijn veel blinde vlekken, tekorten en problemen in de erfgoedsectoren die met dit ontwerp van decreet niet worden aangepakt. Wat zal er met de culturele archieven gebeuren? Zullen we er in de toekomst al dan niet meer erkennen? Zullen we dit beheersen? Wat zal er gebeuren met de erfgoedbibliotheken? Er zijn er momenteel een aantal, maar eigenlijk wordt nu enkel een koepelorganisatie erkend. Dat zal wellicht ook in de toekomst het geval zijn. Wat zal er gebeuren met die andere collecties waarvoor de erfgoedbibliotheken zorgen?

Hoe zit het met de convenants? Ik denk dan niet aan de bestaande convenants, maar aan de convenants die nog niet bestaan. Wat doen we met de lege vlekken die in Vlaanderen overblijven? Hoewel er zeer waardevol erfgoed is, bestaat er dan geen erfgoedwerking. We moeten hier iets aan doen. Hoe zit het met de digitaliseringsproblematiek, die met de dag groter wordt?

Wat zal er gebeuren ten aanzien van de infrastructurele problemen? Zoals ik al heb vermeld, zal minister Weyts de musea de komende jaren vanuit de toeristische middelen meer betoelagen dan vanuit de culturele middelen zal gebeuren. Het is fijn dat minister Weyts dat wil doen, maar dit zou ook van de minister van Cultuur mogen uitgaan.

Minister, wat zal er gebeuren met de bovenbouw, al die ondersteunende organisaties waarvoor nog geen kader is uitgetekend? Ik denk dan aan het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed (FARO), aan de Vlaamse Kunstcollectie, aan de databank Lukas enzovoorts. Daar moet duidelijkheid over komen. Ik kijk uit naar uw visienota.

Wat zal het toekomstig depotbeleid inhouden? De provincies en de steden hebben samen depots gebouwd. In het nieuw ontwerp van decreet wordt hun positie niet duidelijk geschetst.

Wat is de toekomst van de erfgoedconsulenten, de medewerkers en de experts die momenteel in alle Vlaamse provincies aan het werk zijn? We mogen die knowhow niet verloren laten gaan. Er staat geen enkele regeling in het ontwerp van decreet. Ik kan me indenken dat dit tot het beleidsdomein van minister Homans behoort. Het gaat immers over personeelszaken en binnenlands bestuur. Niettemin zou ik graag zien dat die expertise in de sector minstens wordt opgevangen. Dit kan binnen de Vlaamse Gemeenschap of in ondersteunende organisaties. Dit mag zeker niet verloren gaan.

Hoe zit het met de indemniteitsregeling? Die regeling betreft het uitlenen van topkunstwerken aan elkaar en aan binnen- en buitenlandse musea of tentoonstellingen. Wij betalen hiervoor met publiek geld peperdure verzekeringspremies. In onze directe buurlanden zijn hiervoor regelingen gecreëerd waardoor het uitlenen of in bruikleen geven een schijntje kost van wat wij er nu aan besteden.

Er zijn nog zeer veel problemen die moeten worden opgelost. We mogen het omkaderend aspect niet vergeten. Ik denk dan aan het regionaal cultuurbeleid. Ik heb het daarnet al over de provinciale erfgoedconsulenten gehad. Hoe verhouden de lokale musea die geen subsidies ontvangen zich eigenlijk tot dat veld? Dit zijn allemaal zeer moeilijke kwesties.

Minister, dit ontwerp van decreet hanteert overigens ook een heel expliciete managementtaal. Ik heb daar zelf de nodige moeite mee. Ik heb dat ook gezegd tijdens de bespreking in commissie. We hebben erfgoedcellen die via erfgoedconvenants met gemeenten en intergemeentelijke structuren worden afgesloten, maar die heten nu interbestuurlijke dienstverlenende rollen of zoiets. Ik bedoel maar dat er een jargon wordt gebruikt waarbij het gaat over efficiëntie en management. Het mag goed georganiseerd zijn, dat spreekt voor zich, maar laten we toch vertrekken vanuit de intrinsieke waarde van dat culturele erfgoed en niet vanuit het management van dat culturele erfgoed, en het kind een mooie Vlaamse naam geven en niet dit soort van bevreemdende titels zoals de dynamische ruimte. Collega’s, kunt u zich voorstellen wat dat zou kunnen zijn? Dat zijn de projectsubsidies, dat zijn vernieuwende initiatieven voor projectsubsidies. Ik hou niet van dergelijk woordgebruik. Ik ben absoluut voor projectsubsidies maar niet voor die term.

Er zijn nog twee voor mij moeilijke punten. Ten eerste wordt er bijna geen enkele band gemaakt tussen lokale besturen en de Vlaamse overheid. Een deel van de culturele archieven van alle musea van regionaal belang en ook heel veel van landelijk belang zijn stedelijke of gemeentelijke musea. Die worden bij wijze van spreken opgesloten in hun eigen bestuursniveau. Zij kunnen niet eens projectsubsidies aanvragen op hun eentje, en er is geen enkele band, behalve de vijfjaarlijkse beoordeling die externe experten over hun werking zullen maken. Moeten we elkaar niet meer stimuleren en prikkelen en ideeën uitwisselen? Ik ben niet voor een sterke regulering van die musea, maar ik ben voor meer interactie tussen de bestuursniveaus en de competenties.

We hebben in de commissie al een kleine correctie doorgevoerd op artikel 48 door een aantal gemeentelijke archieven die een culturele werking hebben – het gaat niet over de bestuurlijke archieven – toegang te geven tot het decreet, maar eigenlijk hebben we met zijn allen een fout gemaakt. We hebben dat beperkt tot de centrumsteden, en dat is niet fijn van ons. Zijn steden als Tongeren en Ieper, die een heel belangrijk cultureel archief hebben en die tot de kern van Vlaanderen behoren, dan voortaan uitgesloten? Ik heb nog aan de collega’s van de meerderheid voorgesteld om dat eventueel recht te zetten.

Minister, ik denk dat dit absoluut moet gebeuren. Ik wil de deur niet wagenwijd openzetten, maar er zijn twee steden die een onwaarschijnlijk cultureel erfgoed hebben en wier subsidie, in het geval van Ieper, zelfs wordt afgenomen. In het geval van andere steden wordt de deur op een kier gezet.

En dan de grote instellingen. In dit ontwerp van decreet komt er een Champions League, een play-off 1 van het Vlaamse museumvoetbal. Dat is ook gebeurd in het Kunstendecreet. Collega’s, wanneer ik hier voor de vuist vraag welke volgens u de grotere erfgoedinstellingen in Vlaanderen zijn, dan antwoordt u wellicht de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten (KMSK) en het Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen (M HKA). En dan begint de competitie. De vraag is of het een meerwaarde heeft om boven op de musea van landelijk belang, die de facto ook een internationaal bereik moeten hebben, nog een Champions League te organiseren. Luister naar de Vlaamse instellingen van topniveau, naar de stedelijke instellingen van topniveau en beloon en ondersteun hen voor de waarde van hun collecties en hun werking. U hoeft daar geen categorie voor in te stellen, dat is niet nodig. Dat krijgen we straks de competitie of Bokrijk daarin mag, en het Groeningemuseum in Brugge en het Museum aan de Stroom (MAS) in Antwerpen.

Dat zal dan resulteren in mijn grote kritiek op dit ontwerp van decreet, met name het financiële plaatje. We weten met zijn allen dat cultureel erfgoed jarenlang het ondergeschoven kind is geweest van het cultuurbeleid. Een groot museum bij ons krijgt evenveel subsidie als een klein theatergezelschap bij ons, om maar even de ordegrootte te vergelijken. Iets als het Groeningemuseum heeft hetzelfde budget als een innovatief klein theater- of dansgezelschap. Die verhoudingen kloppen niet meer, totaal niet.

Als we willen dat onze musea een internationale uitstraling hebben, dan zullen we meer dan een tand moeten bijsteken. Al is dit ontwerp van decreet zo beperkend en met muren omringd, het is niet uitvoerbaar zonder een redelijke stijging van de middelen. Die middelen moeten worden gebruikt voor wat ik daarnet de witte vlekken noemde. Maar ik vrees dat die vooral zullen worden gebruikt voor de Champion’s League. Die instellingen mogen meer middelen hebben van mij, ze verdienen dat ook vaak, maar het hele veld zit met dezelfde thematiek en problematiek. Dus moeten we veel breder kijken dan dat.

Collega's, ik heb nog twee opmerkingen van punctuele aard voor ik mijn amendement toelicht. Minister, ik zou willen vragen dat uw diensten ook wel de parlementaire regels en stappen in dit verhaal volgen. Uw administratie heeft een brief gestuurd aan de administratie van de provincie Vlaams-Brabant – misschien ook aan een andere provincie, dat weet ik niet – om het huidige decreet, met name de toekenning van kwaliteitslabels en de indeling, dit jaar niet meer toe te passen. Dat is niet alleen een overtreding van artikel 94 van het voorliggende ontwerp van decreet. Je kunt zeggen dat het nog niet eens is goedgekeurd, maar dan is het alleszins een overtreding, want in het huidige decreet mogen provincies nog dit jaar die kwaliteitslabels en indelingen toekennen.

Oké, volgend jaar worden ze overgenomen door de Vlaamse overheid en zal de Vlaamse overheid ze subsidiëren. Dus beslist de provincie misschien over subsidies die ze niet zelf zal toekennen. Dat is zo, maar naar mijn bescheiden mening moet je nog altijd de wet volgen. Ofwel verander je het decreet en pas je dat aan, maak je daar een overgangsbepaling voor, ofwel pas je de wet toe. Er zijn geen andere wegen. Maar de werkelijkheid is dat daardoor al die instellingen die op de drempel stonden van een kwaliteitslabel/indeling minstens een jaar langer zullen moeten wachten op een erkenning en een subsidiëring. Het is dus eigenlijk helaas voor het jaar 2018 een besparingsronde. We zijn dan al in 2019 vooraleer die instellingen kunnen intreden in dat decreet.

Het gaat over deze brief. Minister, het is niet gepast dat een administratie een brief stuurt naar een andere, provinciale administratie over de toepassingen van het ontwerp van decreet dat hier nog niet eens is goedgekeurd. Ik wil daar heel duidelijk over zijn. Dit is niet in orde. Dat je anticipeert op veranderingen, oké, maak er dan decretale bepalingen voor, organiseer overleg, maar het had minstens van respect voor het parlement getuigd te wachten tot morgen voor die brief zou worden verstuurd. Dat vind ik heel erg jammer. Daarenboven, wat zou er fout zijn aan het feit dat de provincies in 2017 nog kwaliteitslabels kunnen toekennen? Niks, niks. Ik weet dat het hard klinkt, maar ik zal het toch zeggen: ik vind dit een redelijk schaamteloze, ambtelijke interventie. Minister, u bent politiek verantwoordelijk. Ik vind dat dit soort dingen niet kunnen.

Een ander element gaat over de DAC-subsidies (Derde Arbeidscircuit). We slepen in de cultuursector al vele jaren DAC-middelen mee. De mensen zelf zijn al geregulariseerd, maar de subsidiestromen naar de instellingen niet. Ik betreur dat dit laatste amendement, neen, ik herneem: we betreuren – ik heb het mee ondertekend – dat we een aantal bokkensprongen maken. Daarnet hebben we gediscussieerd over de intercommunales. Daar gaat het over, minister. In de overgangsbepalingen voor DAC’ers staat dat musea die erkend maar niet ingedeeld zijn, de middelen voor DAC’ers kunnen toevoegen aan de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden – begrijp: de erfgoedcellen –, ook als ze niet tot het gebied van de intergemeentelijke samenwerking behoren. Hoe dat moet gaan, dat weet ik niet, al die gemeenten financieren en die intergemeentelijke samenwerking, komt er plots een museum bij dat 100.000 of 200.000 euro DAC-middelen krijgt waar het IGS-decreet moet voor zorgen, waarin het gemeentebestuur niet is vertegenwoordigd enzovoort. Ik denk dat minister Homans dat bestuurlijke verrommeling zou noemen. Wel, dat noem ik ook zo. Dat is niet netjes, en dat moeten we rechtzetten, net zoals de bepaling in artikel 48, waarbij alleen de centrumsteden voor een culturele archiefwerking in de toekomst subsidie kunnen krijgen.

Zo kom ik bij mijn amendement op dat artikel 48. Het is symbolisch, ik weet het, en u zult het wellicht wegstemmen. Zoveel illusie maak ik me niet, maar ik wil het toch maar even gezegd hebben.

In artikel 48 wordt de sector afgeschermd en kunnen alleen instellingen met een hoofdzakelijke cultureelerfgoedwerking subsidie krijgen. Wel, daarmee gaat u instellingen versnipperen. U zult ervoor zorgen dat morgen de Universiteit Gent – voor de mensen die het werkveld kennen en het opiniestuk in De Standaard van vorige week hebben gelezen … We kunnen natuurlijk dat nieuwe museum in Gent niet erkennen. Ofwel zal dat museum dan een vzw oprichten, een hele administratieve mallemolen moeten doorlopen om permanente bruiklenen te regelen voor dat museum, en om personeel aan te werven op een andere personeelsrol. Allerlei complicaties komen erbij om enkele jaren later toch een subsidieaanvraag in te dienen. Is het dat wat we willen? Willen we dat echt? Ik denk van niet. We willen een open en hedendaags erfgoedbeleid, open in de geesten, open op het terrein.

Daarom heb ik een amendement ingediend na bespreking in de commissie, dat voorstelt: “(…) indien de aanvrager, in het kader van de aanvraag voor een kwaliteitslabel, kan aantonen dat een werking die onderdeel is van een andere werking, wat betreft de cultuureelerfgoedwerking een inhoudelijke autonomie heeft en zakelijk efficiënter kan worden bestuurd dan een afzonderlijke opzichzelfstaande werking”. Ik denk dat we het op vlak van openheid voor het erfgoedbeleid daarmee veel beter doen dan de heel ingewikkeld situatie die nu in de praktijk voorkomt. (Applaus bij Groen)

De voorzitter

Mevrouw Coudyser heeft het woord.

Voorzitter, minister, dames en heren, het ontwerp van decreet dat hier vandaag voorligt, is tot stand gekomen na een lang traject in nauw overleg met de sector. Dat is heel belangrijk. Het is gebaseerd op de conceptnota van de Vlaamse Regering waarin de krachtlijnen voor een nieuwe erfgoedwerking werden uitgezet. Die conceptnota heeft zich vertaald in het voorliggend ontwerp van decreet.

Het nieuwe ontwerp van decreet schept een kader om de cultureelerfgoedwerking in Vlaanderen naar een hoger niveau te tillen, de sector verder te professionaliseren en orde te scheppen in het versnipperde veld van organisaties en instellingen. En ja, nu moet het decreet verder concreet worden ingevuld. De sector is jong, verrichtte heel vaak pionierswerk en verdient nu meer slagkracht.

Namens mijn fractie wil ik graag een aantal sterke, positieve punten onderstrepen.

We willen duidelijk de nadruk leggen op de hernieuwde en geactualiseerde basistaken van de cultureelerfgoedorganisaties. Onze fractie vraagt daar al lang naar.

Het is ook positief dat we in een netwerkcontext zitten, waarmee we op een georganiseerde manier inzetten op samenwerking en complementariteit. Dat komt sterk naar voren in dit ontwerp van decreet.

We maken ook werk van schaalvergrotingen, en dat zorgt voor efficiëntieoefeningen.

Ook het herbevestigen van het kwaliteitslabel als toetssteen voor de kwaliteit van onze erfgoedwerking, is bijzonder belangrijk.

We integreren ook de visienota Cultureel Erfgoed om onze beleidsbeslissingen en onze keuzes op te enten. De visienota maakt werkelijk onderdeel uit van het ontwerp van decreet.

Evenwaardige aandacht voor het materiële en immateriële culturele erfgoed is een bijzondere meerwaarde. Het erfgoedverhaal is immers een inclusief verhaal.

Het ontwerp van decreet houdt ook een verbeterde afstemming in, zowel met het onroerend erfgoed als met de andere beleidsdomeinen. Zo vinden we het een goede zaak dat het beleidsdomein Toerisme extra middelen en impulsen kan geven aan de erfgoedsector. Ik denk aan de vele projecten over de Vlaamse meesters, waarbij we extra zuurstof kunnen geven aan de sector maar waarbij we ook echt de erfgoedzorg en onze publiekswerking blijven vooropstellen.

Verder worden via het nieuwe Cultureelerfgoeddecreet enkele grote instellingen erkend en aangeduid. Die dienen werkelijk als voorbeeld voor de sector. Ze krijgen een aantal extra taken en ze moeten zowel landelijk maar vooral ook internationaal een vuurtoren van en voor Vlaanderen zijn, als we het zo mogen noemen. Mijnheer Caron, hier hebben we een andere mening. Ik denk dat het toch goed is dat we dat apart erkennen.

De andere instellingen worden dan ingedeeld in organisaties van landelijk belang en organisaties van regionaal belang. Het samenspel tussen steden en gemeenten, tussen het landelijke niveau, de intergemeentelijke samenwerkingen en de erfgoedcellen wordt daarmee krachtiger. Zeker in een periode waar de provincies hun rol afstaan, moeten we echt op zoek gaan naar goede netwerken en stevige samenwerkingen. Ik denk dat het ontwerp van decreet dat hier voorligt daar zeker eerste aanzetten tot oplossingen voor geeft.

Naast de basistaken die we actualiseren, waar we sterk de nadruk op leggen en die ook essentieel zijn in de erfgoedwerking, hebben we er ook voor gezorgd dat ofwel collectiebeheer in de instellingen ofwel andere organisaties naast die basistaken – ik wil hier de nadruk op leggen: los van of naast die basistaken – een dienstverlenende rol kunnen opnemen. Die belangrijke oefening inzake functies en rollen loopt nu nog. Ik wil er de nadruk op leggen dat het voor onze fractie echt belangrijk is dat we de slagkracht van die organisaties vergroten. Vlaanderen neemt hier nu een regisseursrol op, maar daarbinnen moet het veld zich organiseren. Ik denk dat dat niet anders kan dan door clustering, fusies of partnerschappen. Door partnerschappen of fusies aan te gaan, kunnen we expertise delen, goede praktijkvoorbeelden versterken en zaken uitwisselen. Daardoor gaan we net die efficiëntiewinsten boeken die uiteindelijk ten goede zullen komen aan de hele sector.

Positief in het decreet is ook de extra aandacht die we geven aan het internationaal belang van ons erfgoed. Vlaanderen staat aan de top wat betreft bijvoorbeeld Vlaamse Meesters, speelt ook een belangrijke rol in het International Council of Museums (ICOM) en bij al die internationale netwerken van musea. Ik denk dat het belangrijk is om die posities te valoriseren.

We zijn ook bijzonder tevreden dat de erfgoedbibliotheken niet enkel binnen dit decretale kader ingedeeld worden, maar voor het eerst ook in aanmerking kunnen komen voor een werkingssubsidie. Dat is toch wel nieuw. De werking van de erfgoedbibliotheek moet dan uiteraard wel verzelfstandigd zijn, want met dit decreet volgen we het principe ‘bijzaak volgt hoofdzaak’. Hierdoor kunnen enkel instellingen die als hoofddoel de erfgoedwerking hebben, structureel gesubsidieerd worden vanuit dit decreet. Maar het decreet is open genoeg om uiteraard ook partnerschappen aan te gaan met instellingen die die basistaken hebben. Ook is er de mogelijkheid om projectsubsidies aan te vragen voor dat deel van de erfgoedwerking, ook al hebben ze een andere hoofdtaak. Ik denk dat daar toch wel mogelijkheden gecreëerd worden.

Op vraag van de meerderheidspartijen hebben we erin toegestemd om op het principe ‘bijzaak volgt hoofdzaak’ een uitzondering te maken voor de stadsarchieven van centrumsteden. Toch willen we ook hier waarschuwen om geen open deuren in te trappen, want met dit decreet willen we echt wel blijven focussen op de Vlaamse relevantie.

Een laatste punt betreft het ontbreken van de bepalingen rond een steunpunt en een belangenbehartiger. De N-VA erkent in elk geval zowel het werk van het bestaande steunpunt als de rol die een belangenbehartiger moet opnemen. We waarderen dat ten zeerste. Dat ze geen van beide opgenomen zijn in dit ontwerp van decreet, betekent absoluut niet dat wij als fractie hun rol zouden miskennen, maar het lijkt ons wel logisch en consequent dat we in dit ontwerp van decreet geen voorafnames doen op de globale oefening die gemaakt wordt rond de bovenbouw.

Natuurlijk beseft de N-VA-fractie dat dit ontwerp van decreet op zichzelf niet zaligmakend is voor de cultureelerfgoedsector. Net zo belangrijk zijn immers de oefeningen die inderdaad nu nog lopen: denken we maar aan de oefeningen inzake de bovenbouw, het depotbeleid, het vrijwilligersbeleid, het topstukkenbeleid en de oefening inzake digitalisering. We willen ook nog eens benadrukken dat het zoeken naar een goede indemniteitsregeling toch ook nog moet worden voortgezet om die sector extra kansen en zuurstof te geven. We willen er ook over waken dat al die oefeningen die nu nog lopen, echt wel als puzzelstukken van een mooie puzzel in elkaar passen. Mochten we in de loop van het traject vaststellen dat er zaken opduiken die nog kunnen worden verbeterd, ook wat dit ontwerp van kaderdecreet betreft, dan zullen we dat heel constructief bekijken en er een goede oplossing voor vinden.

Tot slot wil ik nog meegeven dat we beseffen dat de transitie die nu wordt teweeggebracht door dat Cultureelerfgoeddecreet, absoluut niet gemakkelijk is voor de sector. Wij willen er echter wel op aandringen om vooral het algemeen belang voorop te stellen, en die efficiëntieoefeningen, en dat out of the box nadenken over wie welke rol het best kan opnemen en hoe je die partnerschappen tot stand kunt brengen. Dan willen wij er ook garant voor staan dat op het einde van deze oefening de reeds lang gestelde vraag naar een terechte inhaalbeweging, waarbij meer middelen aan die erfgoedsector worden gegeven, ook moet worden beantwoord, uiteraard binnen de mogelijkheden en de beschikbare budgettaire ruimte. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Bastiaens heeft het woord.

Caroline Bastiaens (CD&V)

Voorzitter, minister, collega’s, zoals collega’s ook al hebben aangehaald, is dit ontwerp van decreet tot stand gekomen na een lang en intensief traject, zowel met de erfgoedsector als in dit huis. Het ontwerp van decreet introduceert een nieuwe manier van indelen en ondersteunen van de erfgoedsector. Deze toch wel ingrijpende operatie heeft de afgelopen periode geleid tot onrust en onzekerheid in het rijk geschakeerde erfgoedveld. Die bezorgdheid was te begrijpen, want de indeling van het veld op basis van rollen en functies in een matrix, de mogelijkheid van clustering tussen instellingen en organisaties, de onzekerheid over de budgettaire enveloppe, de afbouw van het provinciaal erfgoedbeleid en andere wijzigingen waarin dit ontwerp voorziet, zijn heel veel wijzigingen die tegelijk en ook wel op korte tijd moeten worden verteerd.

Maar toch, misschien zal net dat uitgangspunt ook de sterkte worden van dit decreet. Immers, de schotten die er nu bestaan tussen de diverse erfgoedspelers, zoals de musea, de archieven en de collectiebeheerders, worden gesloopt. Dat zal mogelijkheden bieden om te komen tot cross-overs en andere boeiende verbanden tussen bijvoorbeeld museumcollecties en archiefinstellingen. Het is ook goed dat de versnippering van dienstverlenende organisaties in de erfgoedsector, die doorheen de tijd organisch was gegroeid, zal worden gerationaliseerd, onder meer omdat net samenwerking als een pluspunt zal worden beoordeeld en gehonoreerd. Een belangrijke randvoorwaarde daarbij is evenwel dat organisaties niet worden verplicht om te fuseren. Het kan immers soms interessanter zijn om een goede samenwerking te stimuleren tussen autonome organisaties dan om containerorganisaties te organiseren die daardoor hun identiteit en hun slagkracht verliezen. CD&V gelooft absoluut in de verbindende mogelijkheden van dit nieuwe ontwerp van erfgoeddecreet, en we zullen het dan ook met veel overtuiging goedkeuren.

Minister, we hebben u tijdens de bespreking in de commissie wel opgeroepen om bij de implementatie van het decreet rekening te houden met een aantal belangrijke randvoorwaarden. Ik denk dan onder andere aan de noodzaak om blijvend het gesprek te voeren met de sector en met de belangenbehartiger OCE. U moet natuurlijk ook voldoende kansen geven, ook financieel, aan de dynamische ruimte van het erfgoedmiddenveld. Zorg dus voor een faire verdeling van het budget over de hele erfgoedsector. Heb respect voor de eigenheid van de erfgoedsector, want deze sector is een heel jonge sector in het Vlaamse culturele landschap. Het is ook een sector waarin de rol van de steden en gemeenten groot is. De lokale besturen zijn immers de feitelijke aandeelhouders van de cultureelerfgoedsector.

Wij vragen u ook om aandacht te hebben voor een goede overheveling van de provinciale bevoegdheden en engagementen, want de initiatieven die de provincies tot nu toe op het vlak van cultureel erfgoed namen, waren steeds complementair ten opzichte van het Vlaamse en het lokale erfgoedbeleid. Erken het belang en versterk de cultureelerfgoedwerking van de erfgoedcellen op intergemeentelijk niveau. Zij spelen immers een cruciale rol in het betrokken maken van burgers bij hun cultureel erfgoed, juist doordat ze dit op een laagdrempelige manier doen en omdat ze het erfgoed dicht bij huis deel laten zijn van het cultureel leven in een streek.

We keuren hier vandaag een kaderdecreetgoed, maar – het werd al aangehaald – het werk is daarmee nog niet af. We zullen alle opportuniteiten in het ontwerp van decreet moeten uitpuren en misschien eventueel verbeteren om op de vragen die op dat moment leven een antwoord te kunnen bieden. Ik denk aan de vragen van de UGent of van het stadsarchief in Ieper.

Over enkele weken volgt het belangrijke debat over uw strategische visienota met de beleidsprioriteiten en dat debat zullen wij met veel plezier samen met u in dit parlement voeren. Deze visienota moet een richtinggevend kader bieden voor de beoordeling van de subsidievragen. Belangrijk hierbij is de overlegronde met de steden en gemeenten als essentiële stakeholders nu de provinciale erfgoedbevoegdheid stopt. Tegen de zomer volgen dan de uitvoeringsbesluiten met de concrete bepalingen zodat de organisaties dit najaar hun beleidsplannen kunnen opstellen.

Tijdens al die fases zult u in onze fractie een waakzame maar absoluut constructieve partner vinden.

De voorzitter

De heer De Gucht heeft het woord.

Dit ontwerp van decreet is inderdaad een kaderdecreet. De krijtlijnen die de minister in de conceptnota stelde, zijn volgens mij de juiste uitgangspunten. We moeten inderdaad nastreven om op de meest professionele kwalitatief hoogstaande wijze met ons erfgoed om te gaan. We moeten naast ons roerend erfgoed nog meer aandacht besteden aan ons immaterieel erfgoed, door het een volwaardige plaats te geven in ons erfgoedbeleid. We moeten werk maken van een meer slagkrachtige organisatie en de enorme versnippering in deze sector tegengaan.

Daarnaast ­­– en het komt duidelijk aan bod – gaan we voor participatie, want ons erfgoed is van heel onze samenleving. Dat zijn allemaal elementen die heel duidelijk aan bod komen in het ontwerp van decreet. Betekent dit dat het een perfect stuk is? Neen, ik denk het niet, slechts weinig zaken zijn perfect. Het is wel een poging om ervoor te zorgen dat er een kader is waar we kunnen van vertrekken en dat inderdaad later kan worden geoptimaliseerd. Er zijn al aanpassingen gebeurd, ik denk daarbij aan de archieven van de centrumsteden. We gaan na wat de andere mogelijkheden zijn om dat op een goede manier te structureren en financieel draaglijk te houden.

De heer Caron haalde net aan dat er te weinig geld is voor de erfgoedsector, dat er te weinig geld is voor onze musea om dat allemaal juist te doen. U hebt daarin gelijk, mijnheer Caron. Ik denk dat de minister u daar ook gelijk in zal geven. Ik ben daar zelfs zeker van, maar men moet mij toch eens tonen waar men dat allemaal gaat vinden. Ik vind inderdaad dat Cultuur meer geld moet krijgen en dat we ervoor moeten zorgen dat dat allemaal op een goede manier beheerd wordt. Maar dat kunnen we enkel en alleen door te gaan voor een minder versnipperd veld, voor een juist gebruik van het geld, en dan vervolmaken we met dit ontwerp van decreet de tekening.

Moeten we daar nog verder aan werken? Ja, we moeten daar verder aan werken. Maar de efficiëntiewinst en de slagkracht vergroten we duidelijk met dit ontwerp van decreet. We mogen niet vergeten dat het ontwerp van decreet moet worden gezien binnen een nieuwe bestuurlijke context. Enerzijds hebben we het lokale bestuursniveau dat autonoom verantwoordelijk is geworden voor dat lokale cultuurbeleid, anderzijds leidt de afslanking van de provincies ertoe dat zij niet langer een rol zullen spelen bij de ondersteuning van deze sector.

Het lijkt me dat vooral deze bestuurlijke hertekening de oorzaak is voor de meeste bezorgdheden die er vandaag leven. Het zal dan ook de taak zijn nieuwe en goede afspraken te maken met de steden en gemeenten en de VGC in het belang van het gezamenlijk cultureel erfgoedbeleid. Met de financiering van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, het geïnstitutionaliseerde overleg tussen gemeenten en steden en Vlaanderen en het toekomstig decreet Regionaal Cultuurbeleid kunnen hopelijk deze zorgen, deze terechte zorgen, worden weggenomen. Ik ben er alvast van overtuigd dat dit decreet een belangrijke, noodzakelijke en uitstekende stap is voor een sterkere erfgoedsector.

Daarnet is het even aangehaald: natuurlijk zijn er naast de subsidies die binnen de erfgoedsector worden gegeven, die structurele, nog altijd projectsubsidies. Die zijn nog altijd mogelijk en dat mogen we ook in het hele verhaal niet missen.

Wat betreft de versterking van die sector – en het is al aan bod gekomen bij een vorige collega en ik heb het ook al tijdens een vorige legislatuur en tijdens deze legislatuur aangehaald –, zijn er duidelijke stappen gezet om te werken aan een uitwerking van een indemniteitsregeling die noodzakelijk is voor die sector. Daarnaast – en dat zal de heer Caron onmiddellijk bevestigen – moeten we verder het pad op van samen te werken met private collecties om ervoor te zorgen dat die worden ontsloten binnen de musea en binnen de erfgoedtoegankelijke diensten.

Ten slotte sluit ik af met te zeggen dat ook de samenwerking – en deze legislatuur heeft deze minister daar duidelijke stappen in gezet en hij zal dat zeker en vast nog doen – tussen de verschillende gemeenschappen en tussen de federale overheid aangaande erfgoed van ongelooflijk belang is. We moeten daar verder op inzetten om ook in de toekomst die collecties te ontsluiten voor het publiek. Per slot van rekening, de enige manier om inderdaad internationaal samen te werken en internationaal op de kaart te staan, is om in dit land de collecties, die soms in kelders van federale instellingen staan, te ontsluiten voor het publiek. Dan moet je aan tafel gaan zitten en daarover de dialoog voeren in plaats van daar stoere taal over te spreken in kranten en dergelijke meer.

Bart Caron (Groen)

Ik wil op een paar punten reageren, vooral van de heer De Gucht. We doen dat graag, daarover debatteren. Er moeten me toch een paar dingen van het hart.

Het geld halen waar het te vinden is en dan moeten we minder versnipperen. Collega’s, als u een beetje cultureel geheugen hebt, dan zou u weten dat we al sinds 1998 bezig zijn met de moeizame opbouw van een erfgoedbeleid en dat we gedurende die achttien jaar al heel veel versnippering hebben weggewerkt, al die lokale musea die vaak te klein waren. Samen met het hele museumbeleid van de voorgangers in die periode heeft dit geleid tot een sterk gestructureerd veld.

Mijnheer De Gucht, zijn er te veel musea in Vlaanderen? Zijn er te veel archieven in Vlaanderen? Er is straks één instelling voor immaterieel cultureel erfgoed. Zijn er te veel erfgoedbibliotheken? Neen toch. Versnippering tegengaan? We hebben al lang, al lang een heel erg belangrijke sanering gedaan.

De erfgoedcellen en de erfgoedconvenanten die intergemeentelijk zijn, hebben ervoor gezorgd dat al dat ‘verweesd erfgoed’ een plaats heeft gekregen in de samenleving zonder dat er aparte musea voor moesten worden erkend. Ze hebben daarenboven een groot sensibiliserend effect gehad. Ik zou dus durven te zeggen: sorry, maar dit verhaal van versnippering klopt vandaag echt niet meer voor het cultureel erfgoed.

Samenwerking, ja, die moeten we ook bevorderen. Dat moeten we zeker doen. Ik hoop dat we via de projectmiddelen daarvoor een stukje weg kunnen afleggen.

En dan over de centen. Ik wil wel iets zeggen over de centen. Waar gaat u die centen vinden? Als ik u zou zeggen, mijnheer De Gucht, dat we op korte termijn 15 miljoen euro nodig hebben om het cultureel erfgoed op een behoorlijk redelijk niveau te brengen in Vlaanderen, gaat u mij dan nog vragen waar ik het wil halen?

Politiek is een kwestie van keuzes maken, waar je wel en niet voor kiest. En het spijt me, maar als Vlaanderen zichzelf graag ziet en zijn eigen verleden en identiteit wil koesteren, vind ik dat een schijntje van een bedrag. Dat is natuurlijk een politieke afweging die je moet maken. Je moet die middelen misschien elders afhalen, dat zou kunnen. Maar wat mij betreft, gaat het om een balans tussen bevoegdheden en terreinen. Sorry, maar dat is puur een kwestie van keuze. Ik kan ze zo vinden voor u. Als u dat wilt, kan ik dat perfect voor u doen.

Ten slotte, over die muren rond de erfgoedsector. Mijnheer De Gucht, u haalt het zelf aan. Ik ben absoluut voor de samenwerking, niet alleen tussen musea van onze gemeenschappen en andere actoren, maar ook met de federale musea en buitenlandse musea en ook met buitenlandse en Waalse archieven. Maar zegt u eens: in welke instrumenten voorziet dit decreet hiervoor?

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Dank aan allen die nog interessante elementen met betrekking tot dit erfgoeddebat vandaag hebben bijeengebracht.

Ik ga – en dat zult u mij vergeven – niet op alle vragen of opmerkingen antwoorden, omdat ik denk dat we toch een vrij breed debat hebben gevoerd in de commissie, met woord en wederwoord.

Ik wil nog een drietal zaken aanhalen. Ik wil even in herinnering brengen wat de doelstellingen van het ontwerp van decreet zijn, zeer in het algemeen, los van de combinaties van de functies en de rollen en de manier waarop die op elkaar inspelen binnen dit nieuwe Erfgoeddecreet.

Er zijn drie elementen. Ten eerste is er in dit ontwerp van decreet wel degelijk ambitie, omdat we ook – en ik zal dat woord vaak gebruiken, dus niet exclusief – de nadruk leggen op grotere instellingen en collectiebeherende activiteiten, met als doel om vooral ook met het internationale ijkpunt goed mee te kunnen. Wij kunnen dat. In die zin zit die ambitie daar wel in.

Een tweede element is dat dat in grote mate door samenwerking zal moeten gebeuren. Dat wordt hier door niemand tegengesproken. De ruimte voor een betere samenwerking is toch nog wel mogelijk, zeker in de erfgoedsector. Dat moet niet allemaal worden gezien in een element van alleen maar tegengaan van versnippering of alleen maar efficiëntiewinsten. De samenwerking tussen verschillende erfgoedactoren zit zeer sterk in het ontwerp van decreet verweven.

Een derde element is dat ik wil tegenspreken wat sommigen hier hebben proberen aan te tonen, namelijk dat dit een ontwerp van decreet zou zijn dat een aantal grotere spelers zou kunnen bevoordelen. De erfgoedgemeenschappen staan nog steeds centraal – in de breedst mogelijk zin van het woord – in dit ontwerp van decreet. Wij hopen dat een aantal middelgrote en grote, sterke spelers nader tot een aantal erfgoedgemeenschappen aan de basis kunnen komen en vice versa, om op die manier de samenwerking waarnaar ik daarnet verwees, ook een nieuwe dimensie te geven. Het gaat dus niet alleen over samenwerking tussen bestaande instellingen en organisaties, maar ook samenwerking om de verbreding en verdieping van de erfgoedgemeenschappen, dus niet alleen met professionals, waardevoller te maken dan vandaag het geval is.

En ja, wanneer men met de loep de sprong van de conceptnota – die vrij omvattend was – naar het ontwerp van decreet bekijkt, zult u inderdaad zien dat een aantal zaken niet in het ontwerp van decreet staan, omdat het een kaderdecreet is. Dat is ook een kwestie van legistieke hygiëne, zou ik bijna durven te zeggen. U zult zien dat in de visienota – het derde element: conceptnota, decreet, visienota – er weer een aantal elementen van dat flankerend beleid terug zullen opduiken om op die manier de vleugels van het decreet weer wat te vergroten.

Natuurlijk weten wij allemaal dat, wanneer die trilogie achter de rug is, het tijd is om op basis van hopelijk zoveel mogelijk goede dossiers, de centen te verdelen. En dat is natuurlijk ook wel een belangrijk element. Maar u weet dat we dat doen zoals het hoort, met de begrotingsopmaak per jaar. En zelfs al kunnen wij – of sommigen in dit halfrond – daarover allerlei dromen uiten, toch zullen we moeten wachten tot bij de opmaak van het begrotingsjaar voor 2018.

Ik denk dat de basis in elk geval sterk genoeg is om een volgende sprong te maken met ons erfgoedbeleid, voor de mensen onderling, maar tegelijkertijd ook om mee te spelen en mee te blijven spelen op internationaal vlak.

Er zijn nu twee elementen die nog aan bod kwamen met betrekking tot de amendementen die werden ingediend, waar ik nog even kort een repliek op wil geven. Het is inderdaad zo dat in de commissie de bespreking om de stedelijke archieven, weliswaar met een culturele-erfgoedwerking, dus niet de loutere archiefwerking, en met een kwaliteitslabel, dat de erkenning daarvan beperkt zou blijven tot degene die behoren tot de centrumsteden.

Ik wil daar toch de volgende nuance bij maken. Dit staat allemaal in artikel 48 van het ontwerp van decreet. Als men dat in artikel 94 van het ontwerp van decreet bekijkt, is het toch mogelijk dat ook stedelijke culturele erfgoedarchieven worden meegenomen bij de aanvraag van een intergemeentelijke samenwerkingsverband wanneer een werkingssubsidie zou worden aangevraagd voor een dienstverlenende rol op regionaal niveau. Met andere woorden: daarin participeren alle culturele erfgoedactoren op het grondgebied, ongeacht of ze voldoen aan de criteria voor regionale indeling.

De deur is dus zeker niet volledig dicht, en ik heb ook oor om de volgende maanden verder te bekijken hoe we hier de particuliere problematiek van een aantal provinciale steden verder kunnen oplossen, hoe we dat kunnen doen. Maar ik roep toch op om vandaag, met dit perspectief, het ontwerp van decreet zoals het hier voor u ligt, straks goed te keuren.

Het andere element is dit: er is inderdaad de laatste dagen wat te doen geweest – ik zal het niet op één instelling plakken, want het had evengoed een andere kunnen zijn, theoretisch – over een universiteit die een culturele-erfgoedwerking wil uitbouwen rond een collectie. Los van het feit dat er met de betrokken instelling kortelings wel degelijk een gesprek is geweest bij mij op het kabinet en dat wij hen hebben kunnen overtuigen van het feit dat het decreet voor hen niet gesloten is, wil ik u toch nog eens oproepen om artikel 48 te lezen en te herlezen. Het is daarbij wel degelijk mogelijk voor nieuwe spelers om in het decreet in te treden.

Ik wil evenwel eerlijk zijn met u. Het zal u niet verwonderen dat ik zeg dat wij met dit ontwerp van decreet vooral de bedoeling hebben om met de bestaande spelers in een nieuwe decretale plooi te vallen, met ook – dat zal dan blijken bij de opmaak van de begroting – bijkomende financiële ondersteuning, omdat een en ander wel hand in hand dient te gaan. Maar ik heb geen ontwerp van decreet willen maken – en ik denk dat het ook niet de bedoeling kan zijn van een verantwoordelijk parlementslid – dat hier bepaalde zaken plots zou gaan voorspiegelen die niet of zeer moeilijk kunnen worden waargemaakt.

Het is in het verleden misschien – en ik heb mij daar in het verleden als parlementslid misschien ook aan bezondigd, dat zou kunnen – in een aantal decreten wel gebeurd, maar het is mooi om de maan te beloven, maar op het einde moet men nog altijd kunnen, niet alleen met de bestaande, maar ook met nieuwe middelen, de bestaande spelers een duw in de rug geven. En daar gaan we met dit ontwerp van decreet resoluut voor, in overleg en dialoog, zoals de voorbije maanden ook gebleken is.

Bart Caron (Groen)

Op het laatste punt wil ik gewoon nog dit toevoegen, minister. Ik begrijp uw bekommernis: artikel 48 en het al dan niet open karakter ervan, dat de erfgoedsector zelf geen vragende partij is om dat af te sluiten. Ik kreeg vandaag nog een mail van de belangenbehartiger, dat zij die openheid die ik in het amendement voorstel, ondersteunen. Maar dat ter informatie. Ik weet dat er wellicht financiële beperkingen zijn die spelen, maar het is jammer.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 1014/4)

– De artikelen 1 tot en met 47 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel 48. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 1014/5)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen 49 tot en met 100 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.