U bent hier

Commissievergadering

donderdag 8 november 2018, 9.56u

Voorzitter
De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Voorzitter, elke spijbeldag doet het risico op zittenblijven toenemen. Uit een analyse van het Steunpunt Onderwijsonderzoek (SONO) blijkt dat de kans dat een leerling voor een schooljaar slaagt, afneemt per extra dag dat hij onwettig afwezig is. Het onderzoek stelt dat leerlingen die vaak spijbelen ook sneller te laat op school aankomen en vaker een ziektebriefje of doktersattest indienen. Vooral tijdens die eerste fase dienen spijbelaars vaak ziektebriefjes in, waardoor hun spijbelgedrag minder zichtbaar is en ze het kunnen maskeren.

In Vlaanderen neemt het aantal spijbelaars al enkele jaren toe. In het schooljaar 2016-2017 waren 35.107 leerlingen uit het secundair onderwijs minstens vijftien halve dagen niet op school. In 2013-2014 ging het om 25.794 leerlingen: een stijging met 36 procent over vier schooljaren.

Om spijbelen tegen te gaan werd een actieplan Samen tegen Schooluitval met 52 acties voorgesteld. Reeds heel wat acties lopen of zijn gerealiseerd: na vijftien halve dagen problematische afwezigheid, de B-codes, moet melding worden gemaakt aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI). Het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) volgt spijbelaars op ten laatste vanaf vijf halve dagen problematische afwezigheid

Spijbelen is een voorbode van schoolachterstand en zittenblijven. Dat weten we al enige tijd, maar we worden steeds weer met de neus op de feiten gedrukt. Het actieplan Samen tegen Schooluitval loopt, maar toch zien we dat het aantal spijbelaars blijft toenemen.

Minister, kan u hiervoor een verklaring geven? Hoe wil u leerlingen opnieuw motiveren om naar school de gaan en een diploma te behalen? Welke bijkomende maatregelen wil u nemen om spijbelen tegen te gaan?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Op vraag van de minister van Onderwijs onderzochten de sociologen Gil Keppens en Bram Spruyt van de VUB het spijbelgedrag van leerlingen uit de tweede en derde graad secundair onderwijs.

Uit hun studie blijkt dat ongeveer de helft van de jongeren in het onderzochte jaar geen enkele dag onwettig afwezig was. In die groep niet-spijbelaars was 70 procent van de leerlingen geslaagd, terwijl in de groep leerlingen die minstens negen halve dagen afwezig waren amper 49 procent probleemloos kon doorstromen naar het volgende jaar. Van de groep met 18 halve spijbeldagen slaagde slechts 36 procent en waren er 13 procent zittenblijvers. De onderzoekers stellen heel duidelijk dat elke dag spijbelen er een te veel is. Spijbelen zorgt hoe dan ook voor een leerachterstand die kan uitmonden in zittenblijven of vroegtijdig schoolverlaten.

De correlatie tussen problematische afwezigheden en leerachterstand met eventueel zelfs ongekwalificeerd uitstromen lijkt duidelijk. Ze blijkt niet enkel uit het vermelde onderzoek, maar ze is ook af te leiden uit de gegevens van de Vlaamse Regionale Indicatoren en AGODI, waarin correlatie merkbaar is tussen spijbelen en leervertraging, en ook tussen leervertraging en ongekwalificeerde uitstroom.

In mijn vraag om uitleg van 2 april 2015 over spijbelen heb ik verwezen naar vroeger onderzoek van Keppens, Spruyt en Roggemans: ‘Van occasionele tot reguliere spijbelaar: een onderzoek naar het profiel van spijbelaars en de invloed van school en omgeving op spijbelen (OBPWO 11.03)’. Daarin was duidelijk dat het voorkomen van spijbelgedrag sterk samenhangt met bepaalde groepen leerlingen en onderwijsvormen.

Uit het meest recente onderzoek blijkt opnieuw dat spijbelgedrag meer voorkomt bij sommige leerlingenkenmerken. Spijbelgedrag komt minder voor bij leerlingen met ‘binding’, met andere woorden, wanneer ze zich verbonden voelen met de school of met hun leerlingengroep in die school. Het onderzoek stelt ook dat het aantal gemelde problematische afwezigheden eigenlijk een onderschatting is van de realiteit, want spijbelgedrag wordt in sommige gevallen toegedekt door ziektebriefjes. Ondertussen is er ook al enige tijd het Spijbelactieplan en de jaarlijkse monitoring in het AGODI-rapport.

Uit cijfers blijkt dat het aantal spijbelaars in het Vlaamse onderwijs gemiddeld meevalt  –95 procent spijbelt nooit, tegenover een OESO-gemiddelde van 80 procent – maar het neemt wel toe en het is ook sterker in bepaalde groepen leerlingen.

Kan men op basis van de meest recente cijfers stellen dat het aantal problematische afwezigheden in het onderwijs verder toeneemt? Zijn er in die context aanvullingen nodig bij het Spijbelactieplan? Welke aanbevelingen uit de studie zijn mogelijke en haalbare opties om plaatselijk of overkoepelend het problematisch spijbelgedrag tegen te gaan?

Het onderzoek heeft het over scholen die resultaat boeken met ‘responsieve’ en ‘autoritatieve’– ik bedoel dus niet ‘autoritaire’ stijl. Welke stimulans kunt u daartoe realiseren?

Kan er actie ondernomen worden om gericht de groepen aan te pakken waarbinnen problematisch spijbelen het meest voorkomt? Zo ja, welke?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Deze vragen keren jaarlijks weer. Het is ook iets wat me fel zorgen baart.

Mevrouw De Meulemeester, in uw vraag hebt u een aantal spijbelcijfers genoemd. Dat zijn de cijfers die ik vorig jaar vrijgaf. Ondertussen zijn er kersverse nieuwe cijfers voorhanden, die ik graag even toelicht. Ik heb dat vorig jaar ook gedaan, toen u een vraag over spijbelen stelde. De meest recente cijfers zijn steeds te vinden op de website van onze administratie. Ik zal eerst wat duiding geven bij onze aanpak dit jaar, omdat we een aantal effecten zien van het beleid. Het is nuttig om dat in de cijfers te duiden.

Voor het basisonderwijs stellen we vast dat het spijbelen voor het derde jaar op rij status quo blijft. In de schooljaren 2015-2016 en 2016-2017 spijbelden 0,65 procent van de leerlingen basisonderwijs. Daar situeert zich dus niet het grootste probleem. Dat is ook logisch, want de kinderen zijn jonger. In het secundair onderwijs is er wel een probleem. Dat hebben we al enkele jaren vastgesteld. We zien een evolutie naar een zekere stabilisering van de cijfers. Sinds een aantal schooljaren is er, ook omdat we heel kort op de bal registreren, een stijging. In het schooljaar 2015-2016 was die stijging 0,3 procent, vorig schooljaar zien we dat de stijging nog 0,16 procent is.

We nemen wel de leerlingen die dertig dagen afwezig zijn omdat je dan sancties kunt nemen en om de basis van vergelijking dezelfde te houden. Het gaat dus niet om 30.000 leerlingen, zoals u zei. De cijfers liggen een pak lager. Bij vijftien dagen, en zelfs nog vroeger, kan het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) ingrijpen. Bij dertig dagen kan ook de school ingrepen doen. In het vorig schooljaar waren 10.532 scholieren of 2,63 procent in het secundair onderwijs minstens dertig halve dagen ongewettigd afwezig.

Het goede nieuws is dat het aantal definitieve uitsluitingen in het secundair onderwijs – de tucht, zoals dat heet – is gedaald in de voorbije twee schooljaren. In het schooljaar 2015-2016 werd nog 0,87 procent van de leerlingen definitief uitgesloten. In het schooljaar 2017-2018 is dat gedaald naar 0,73 procent. Dat is belangrijk omdat de leerlingenaantallen in het secundair onderwijs stijgen, maar er toch een daling is van het aantal uitsluitingen. Als een leerling wordt uitgesloten, dan is er geen alternatief meer.

We hebben onze analyses ook wat aangepast omdat we een aantal zaken misten. Zo is het van belang om het verschil te zien tussen de A-stroom en B-stroom. Dat is nu voor de eerste keer gebeurd en er is een heel groot onderscheid te zien tussen de A-stroom en B-stroom. Ik ben er echt van geschrokken. In de A-stroom gaat het om 0,3 procent van de leerlingen en in de B-stroom gaat het om 4,8 procent.

We hebben ook de OKAN-leerlingen (onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers) in het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso) eruit gefilterd. De OKAN-leerlingen werden de vorige jaren meegenomen in het totaal van de dbso-leerlingen. Nu hebben we dat gesplitst. We zien dat OKAN-leerlingen in dbso iets minder problematisch spijbelen dan de andere dbso-leerlingen. Ook dit is wel te begrijpen. OKAN’ers hebben een traject en misschien wordt die groep leerlingen via de deeltijdse leertijd wat meer aangezet tot leren, terwijl het voor veel dbso-leerlingen de laatste halte is die ze bereiken in het onderwijs. Toch blijven de cijfers heel hoog. Voor OKAN-leerlingen is dat 47,7 procent en voor dbso bijna 52 procent.

Tot slot hebben we de cijfers voor het buitengewoon secundair onderwijs uitgesplist naar de verschillende opleidingsvormen (OV). Zo wordt voor het eerst zichtbaar dat leerlingen in OV2 en OV3 het meeste spijbelen. OV1 en OV4 hebben lage spijbelcijfers met 3,5 en 3,7 procent. In OV3 gaat dat zelfs tot 14,2 procent. Om oplossingen te zoeken, moet je in de diepte werken en kijken hoe er een doelgroepenbeleid kan worden gevoerd, want met een grote maatregel zal het niet lukken.

Het is ook voor het eerst dat we een aantal effecten zien van lokale maatregelen. Ik kom daar straks nog op terug. Als steden of gemeenten een aanklampend beleid voeren, dan levert dat resultaten op. Dat is de reden waarom we een spijbelambtenaar hebben aangesteld in Vlaanderen en provinciale coördinatoren. Ik heb dat niet gedaan omdat ik vanuit Vlaanderen alles wil regelen, maar om diepteanalyses te kunnen doen van wat er werkt en hoe lokale overheden resultaten kunnen boeken. Ik zal daar straks dieper op ingaan omdat het ons allemaal fel beroert.

Het SONO-onderzoek van Keppens en Spruyt is afgerond. Zij tonen aan dat niet alleen de problematische afwezigheden maar ook andere vormen van afwezigheid, zoals laattijdigheid en ziekteperiodes, een relatie hebben met problematische afwezigheden. Ze wijzen erop dat het belangrijk is dat scholen aandacht hebben voor elke vorm van afwezigheid.

Een leerling die bijvoorbeeld tien B-codes verzamelde, blijkt gemiddeld 28 halve dagen school gemist te hebben en dus 18 halve dagen afwezigheid gewettigd te hebben. Deze vaststelling sluit aan bij het bindingsperspectief, dat we in vorige SONO-onderzoeken al zagen: spijbelen ontstaat wanneer de leerling binding verliest met de school, zich er niet thuis voelt en niet aangesproken wordt op zijn verantwoordelijkheid om aanwezig te zijn. In een vroeg stadium gaan leerlingen meer strategisch te werk en wordt ongewettigde afwezigheid vaak gecombineerd met gewettigde afwezigheid. Zodra de binding met de school afneemt, zal de leerling zijn afwezigheden minder camoufleren en vervalt men in problematisch spijbelen.

Dat wil zeggen dat spijbelen in het begin bijzonder moeilijk zichtbaar is, maar dat het ontzettend belangrijk is dat de school aan elke vorm van afwezigheid aandacht geeft en zo vroeg mogelijk probeert in te grijpen. Bij een afwezigheid van de leerling contact opnemen met de ouders, vind ik daarom een belangrijke stap. Ook ouders – ik weet dat ik mij altijd op gevaarlijk terrein begeef als ik dergelijke dingen zeg – hebben de verantwoordelijkheid om samen met de school en het CLB ervoor te zorgen dat hun kind in de klas zit. Het is dus van belang dat ouders worden verwittigd.

Wat zeker nog relevant is, is dat deze onderzoekers vaststelden dat een school die de leerlingen voldoende uitdaagt, hierin veeleisend is en discipline vraagt maar dat steeds doet vanuit een warme en ondersteunende vertrouwensrelatie tussen de leerling en de leraar, spijbelen helpt tegengaan. Ik heb al vaker gezegd dat je een kind niets ergers kunt aandoen dan geen verwachtingen te hebben. Je mag dus duidelijke doelen en duidelijke verwachtingen stellen, maar vanuit een vertrouwensvolle context. Dit heet, zoals de heer De Meyer correct aanhaalde, het autoritatieve schoolklimaat. Een gezonde ambitie naar elke leerling helpt dus tegen spijbelen.

Ik was in dat kader eergisteren op bezoek in het Ensorinstituut in Oostende, een school die bijzonder veel zorgleerlingen heeft. We zijn daar ontvangen door de hotelafdeling en hebben een bijzonder interessante uiteenzetting gekregen van de directrice. Ze hebben heel veel leerlingen die uit de B-stroom komen. Ze legde uit dat ze de eerste maand van het schooljaar volledig wijden aan schoolklimaat, aan kaders stellen en aan gedrag. U zou misschien kunnen denken dat de leerlingen daardoor een maand kwijt zijn, maar ze halen dat in tijdens de maanden daarna omdat er een vertrouwenscontext ontstaat. Daardoor wordt de leergierigheid aangescherpt. Ze investeren daar enorm in want anders verliezen ze hun jongeren. Het was een zeer gedreven jongedame en het was heel interessant om de uitleg vanuit dit perspectief te horen, want de ene schoolpopulatie is de andere niet. Ze hebben daar dus heel wat ervaring mee.

Hoe gaan we hiermee beleidsmatig aan de slag? Het is mijn stokpaardje dat een verbindend schoolklimaat erg belangrijk is. Scholen kunnen daar elke dag opnieuw op inzetten. Sinds 1 september 2018 is er het nieuwe decreet op de leerlingenbegeleiding waarbij dit vanaf nu ook een erkenningsvoorwaarde is voor elke school en waarop de inspectie een bindend advies kan geven. Het kan dus mee worden gecontroleerd.

Daarnaast is het van belang om elke jongere uit te dagen op school. Spijbelen is niet alleen gelinkt aan leerachterstand. Die associatie wordt snel gemaakt, maar is niet helemaal correct.

Cruciaal blijft dat we, als we kort op de bal willen spelen, de spijbelcijfers moeten blijven monitoren en analyseren welke tendensen erin zitten en welke doelgroepen het meest vatbaar zijn voor spijbelen. Daarom hebben we er uitdrukkelijk voor gekozen om de spijbelcijfers op lokaal niveau te rapporteren zodat er dicht bij de jongere, op maat van de lokale noden, actie ondernomen kan worden. Het is interessant om daar eens naar te kijken.

Een aantal centrumsteden slaagt er goed in om het spijbelen terug te dringen in vergelijking met het voorgaande schooljaar. Ik geef enkele voorbeelden. Mechelen realiseert bij de moeilijke doelgroep van dbso-leerlingen een daling. Ze zitten nu op 31,06 procent problematische spijbelaars in het dbso, maar doen het veel beter dan het Vlaamse gemiddelde van 58 procent. Dat grote verschil heeft uiteraard te maken met de aanpak. Leuven kon zijn algemeen spijbelcijfer, van alle onderwijsvormen samen, op 1,69 procent stabiel houden. Dat is een zeer goed resultaat.

Turnhout, dat, zoals u weet, wat dat betreft ook met een probleem zit, verlaagt de spijbelcijfers in zo goed als elke onderwijsvorm en zit met 1,5 procent spijbelaars stevig onder het Vlaamse gemiddelde van 2,63 procent. Vooral de daling bij OKAN-leerlingen (onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers) is zeer opvallend: van 14,8 procent naar 4,8 procent.

Ik zou nog voorbeelden kunnen geven. Ik wil alleen maar aantonen dat de keuze om te investeren in een lokaal aanklampend beleid een goede keuze is. De gemeenten vragen terecht om de cijfers, om daarmee aan de slag te kunnen gaan. Een lokaal gemeentebestuur kan wel degelijk een belangrijke bijdrage leveren aan de spijbelproblematiek.

Meten is weten. De spijbelcijfers zijn vrij te gebruiken en te vinden op agodi.be. Ze rapporteren het aantal spijbelaars die schoollopen in de gemeente. Wij geven nog niet de cijfers van de scholen vrij. De lokale besturen kunnen wel met de scholen samenzitten. Als de scholen er vertrouwen in krijgen dat de stad of de gemeente ermee aan de slag wil, kunnen zij de cijfers vrijgeven.

De suggestie is nu om contact op te nemen met de netwerken Samen tegen Schooluitval, die sinds 1 september 2016 bestaan. Zij maken een omgevingsanalyse op en werken concrete acties uit. In Antwerpen bijvoorbeeld zet het netwerk hard in op samenwerking met de lokale besturen. Zij leveren daar een concreet draaiboek en lokale afsprakenkaders aan. In Brussel hebben ze gewerkt rond uitsluiting en leefregels. In Oost- en West-Vlaanderen werken ze aan een vlotte toeleiding naar het juiste aanbod voor kwetsbare jongeren voor wie schooluitval dreigt.

Al deze voorbeelden staan ook op de website samentegenschooluitval.be. Je ziet dat men afhankelijk van de provinciale problematieken en de grootstedelijkheid die er al dan niet is, andere recepten gaat gebruiken.

Onderneem actie op maat van uw gemeente. Het Gemeentefonds verdeelt 100 miljoen euro in het criterium ‘centrumfunctie’ a rato van het aantal leerlingen dat schoolloopt in een stad of gemeente. Hierdoor krijgt een stad als Antwerpen 12 miljoen euro, Turnhout 2,5 miljoen euro en Sint-Niklaas 2,9 miljoen euro. Het is de bedoeling dat daarmee een beleid wordt gevoerd. Daar is de aanpak van het spijbelen ook van belang.

Niet alles hoeft geld te kosten: het samenbrengen van de juiste actoren en het afstemmen van inspanningen op elkaar levert vaak al resultaten op.

Wat kunnen we nog meer doen? Zo goed als elke actie uit het actieplan ‘Samen tegen schooluitval’ is op dit ogenblik in uitvoering. Een actie is nog niet opgestart. Bij de uitvoering houden we rekening met nieuwe inzichten, bijvoorbeeld met de inzichten uit nieuwe onderzoeken. Maar dus ook met de vaststelling dat we globaal genomen stilaan een dam aan het opwerpen zijn. We zien nog geen significante daling, maar de groei lijkt wat te stoppen. Het is heel belangrijk dat we die groei kunnen stoppen omdat straks de leerlingenaantallen in het secundair onderwijs fel zullen stijgen. We moeten ervoor zorgen dat we dat aankunnen. Ook de hervorming van het secundair onderwijs start straks. Daarin zitten een paar hefbomen die zouden moeten kunnen werken.

Wat mij zorgen baart, is dat in het buitengewoon secundair onderwijs het aantal problematisch afwezige leerlingen hoger is dan het gemiddelde van het secundair onderwijs. Een aantal van deze leerlingen wil leren op school combineren met leren op de werkvloer. Uit het proefproject duaal leren zien we dat we met deze leerlingen heel mooie resultaten kunnen boeken. Daarom zal duaal leren ook vanaf 1 september 2019 organiek worden ingevoerd in de opleidingsvormen 3 en 4 van het buitengewoon onderwijs. Ik hoop echt dat we daarmee die cijfers naar beneden kunnen halen.

In het buitengewoon onderwijs zijn er ook leerlingen die, in afwachting van een attestwijziging, soms nood hebben aan het kunnen volgen van les in een andere opleidingsvorm. Op die manier krijgen leerlingen een onderwijsaanbod dat het best beantwoordt aan hun behoeften. Via OD XXIX, dat al een eerste keer principieel goedgekeurd werd, wil ik dit mogelijk maken.

Een tweede opvallende groep zijn de leerlingen van het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso). Het dbso heeft procentueel nog steeds het meeste spijbelaars. In het dbso kunnen leerlingen in een persoonlijk ontwikkelingstraject, een voortraject, een brugproject of in het normaal economisch circuit zitten. In afwachting van de instap in een van deze vier fasen worden leerlingen vaak geregistreerd als ‘te oriënteren’. De spijbelcijfers blijken hoger te liggen in centra waar meer leerlingen in de categorie ‘te oriënteren’ zitten. Ik leid daaruit af dat het feit dat men moet wachten op de invulling van een traject repercussies heeft op de motivatie om nog naar school te komen. Je kunt dat niet zomaar altijd op de leerling schuiven, we moeten daar op werken.

Er zijn echter ook centra voor deeltijds onderwijs (CDO’s) die erin slagen om heel wat leerlingen die ‘te oriënteren’ zijn een zinvolle voltijdse invulling binnen het CDO te geven. Omdat ik wil dat elk CDO met deze ‘te oriënteren’ jongeren aan de slag blijft gaan, zal ik de spijbelambtenaar vragen – nu we die cijfers zo hard zien – om daarrond een lerend netwerk op te zetten, waar CDO’s hierover expertise met elkaar kunnen uitwisselen. We zien dat er verschillen bestaan tussen de CDO’s onderling.

Bovendien zijn er ook leerlingen die zelf hun steentje willen bijdragen tot het voorkomen van spijbelen. Ik heb een speciale vermelding voor de scholieren van de Vlaamse Scholierenkoepel (VSK). Zij willen dit jaar inzetten op schooluitval en hebben hierover een kick-offvergadering op zaterdag 10 november, samen met de Vlaamse Spijbelambtenaar. Dit is ook belangrijk: jongeren kunnen jongeren stimuleren om naar school te blijven komen.

Binnen het Steunpunt Onderwijsonderzoek hebben Gil Keppens en Bram Spruyt heel wat onderzoek verricht naar spijbelen. Mijn administratie voorziet in het voorjaar van 2019 in een vormingsmoment over de volledige onderzoekslijn over spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten. Het is de bedoeling de inzichten over te brengen en expertise uit te wisselen, om daarmee de aanpak in Vlaanderen te versterken. Er komt daar dus een heel groot vormingsmoment voor onze scholen.

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, dank u voor uw zeer omstandige antwoord. Het doet wel deugd te merken dat de aanpak zeker wordt opgevolgd. In het eerste deel van uw antwoord wees u op de filtering die wordt uitgevoerd om bepaalde groepen uit te lichten. Zo’n aanpak is zeer belangrijk. We moeten ook streven naar cijfers die over hetzelfde aantal dagen gaan. Dat gebeurt nu op verschillende momenten, zodat men andere cijfers krijgt.

Het is ook zeer belangrijk dat de lokale besturen daarmee aan de slag kunnen. In mijn gemeente, Beveren, is mijn collega van Onderwijs meteen met de cijfers, zodra ze beschikbaar waren, aan de slag gegaan, om met de drie secundaire scholen die we in Beveren hebben, van elk net één, samen te gaan zitten en te bekijken wat ze daar samen met de gemeente mee kunnen doen.

Zodra scholen merken dat leerlingen problematisch of meer dan normaal afwezig zijn, moeten de ouders worden ingelicht. Dat is mijn stokpaardje. Ouders dragen mee de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat hun kinderen op school zijn, waar ze horen te zijn, en daar mee de lessen te volgen.

Ook de binding is een heel belangrijk item in het hele verhaal. Leerlingen moeten zich goed voelen op school. Men moet ervan uitgaan dat ze ermee vooruit kunnen. Het is fijn te horen dat scholen daar sowieso op inzetten.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, ook ik wil u bedanken voor uw interessante en uitgebreide antwoorden.

Wij weten al lang dat de verschillen tussen de verschillende onderwijsvormen wat betreft spijbelen vrij groot waren. Ik vind het boeiend en bijzonder belangrijk te weten hoe het komt dat de scholen van dezelfde onderwijsvorm en met dezelfde deelgroepen van leerlingen zo sterk kunnen verschillen. U bent op dat punt ingegaan. U hebt enerzijds gewezen op het belang van de binding van de leerling met de school, en anderzijds op die zogenaamde autoritatieve stijl, waarop ik in mijn inleiding ben ingegaan.

Collega’s, ik geef de definitie omdat ik ze zo mooi en uitdagend geformuleerd vind: “Een autoritatieve opvoeding is een opvoedingsstijl die zowel betrokken, begripvol en accepterend als controlerend, veeleisend en gezaghebbend is tegenover het kind. Deze stijl van opvoeden stelt redelijke grenzen, geeft uitleg, toont begrip en doet dit alles met gezag. Autoritatief staat tegenover laissez faire en permissief aan de ene kant en autoritair aan de andere kant.”

Het is dus duidelijk dat scholen en steden en gemeenten door hun beleid mee het verschil kunnen maken. Het is essentieel dat we daar sterk op inzetten.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw omstandig antwoord en ook dank aan de vraagstellers.

Collega De Meyer, mijn cursussen van de eerste kandidatuur pedagogische wetenschappen kwamen weer naar boven bij uw toelichting. Er zit inderdaad wel veel in. We zijn momenteel heel hard op scholen en op steden en gemeenten aan het focussen maar ik denk dat we een belangrijke partner in de driehoek, zijnde de ouders, niet mogen vergeten. Als we aan scholen en aan steden en gemeenten een aanklampend beleid vragen, dan moeten we dat ook vragen van ouders.

Toen ik recent vlak voor de herfstvakantie de beelden zag van de luchthaven van Zaventem waar ouders op vrijdagmorgen al hun beklag deden over het feit dat ze niet konden vertrekken wegens de staking bij de bagage-afhandelaars, zag ik daar kinderen rondlopen. Ik hoorde een mevrouw zeggen dat ze had afgesproken met de leerkrachten dat het in orde was om die dag al te vertrekken. Dan geef je natuurlijk aan je kind aan dat het oké is om niet op school te zijn.

We spreken dan niet over de laatste schooldag, wanneer heel de klas al is opgeruimd op 30 juni, maar we spreken gewoon over een volledige klasdag in het eerste semester in oktober. Dat is maar een stukje van het verhaal. Ik denk dat we daar niet licht over mogen gaan.

Minister, u gaat er ook niet licht over. In het regeerakkoord hebben we daar ook zeer duidelijke zaken over gesteld. Maar ook aan de kant van de ouders mogen en moeten we blijven appelleren aan hun verantwoordelijkheid.

Kathleen Helsen (CD&V)

Ik voel mij geroepen om ook even het woord te nemen als iemand die ondertussen een aantal jaren geleden spijbelproblematiek begeleid heeft. Ik hoor vandaag niets nieuws. Ik ben het volledig eens met wat de minister hier vandaag heeft gezegd. Wat uit de opvolging blijkt, is heel terecht.

Het is belangrijk dat de leerlingbegeleiding op school zeer goed is. Ik vind het dan ook positief dat wij hier de beslissing hebben genomen dat een leerlingbegeleiding en basiszorg uitbouwen op scholen een voorwaarde is in de toekomst voor scholen voor wat betreft de financiering. Het is echt belangrijk dat scholen er aandacht aan schenken dat kinderen graag naar school komen, dat ze weten waarom het belangrijk is dat ze naar school komen en dat ouders dat ook weten.

Het voorbeeld van het Ensorinstituut dat u hebt gegeven, is een mooi voorbeeld van hoe scholen aan de slag moeten gaan. We hebben in deze commissie meermaals de discussie gevoerd over hoe belangrijk het welbevinden op school is. Wel, deze school zegt heel duidelijk dat het belangrijk is om voldoende aandacht te schenken aan het welbevinden van leerlingen op school, een goed schoolklimaat, zich thuis voelen op school, graag leren op school, want daar gaat het toch om. Als dat niet gebeurt, zal ook het goed leren niet volgen.

Uiteraard is het belangrijk om als school aandacht te hebben voor een goede binding met leerlingen en een goede binding met ouders. Daarom vind ik het belangrijk om naar school gaan niet enkel te beschouwen als een verantwoordelijkheid van ouders en van leerlingen. Zij zijn mee verantwoordelijk. Maar het is ook belangrijk dat een school die binding legt met ouders en met leerlingen, niet alleen als er een probleem is maar vanaf de eerste dag, om continu samen op weg te gaan in functie van een goede ontwikkeling van de kinderen.

Daarom vind ik het belangrijk om de drie elementen die ik terugvind in het antwoord van minister, heel duidelijk te benadrukken omdat ze perfect overeenstemmen met de ervaringen die ik zelf heb gehad jaren geleden. Ik stel vast dat de situatie op dat vlak nog niet gewijzigd is. Ik denk dat ze ook in de toekomst niet zal wijzigen. De verantwoordelijkheid van de school om de basiszorg en de binding met leerlingen en ouders goed uit te bouwen, vind ik zeer cruciaal.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dank u voor de appreciatie. Ik heb inderdaad vrij veel aandacht besteed aan deze vragen, zoals ook vorig jaar, omdat dat voor mij een van de zaken is die we moeten aangepakt krijgen. Ik kom even terug op de opmerkingen van de voorzitter die zegt: ‘Dat bestaat en het zal altijd zo blijven.’ Ik denk dat we met deze regering enorm proberen om die aanpak op maat uit te werken. Het is ook de eerste keer dat we zo in detail gaan. Sommigen zeggen: ‘We wisten dat al lang’. Ja, van het dbso wisten we dat al lang, maar niet hoe de verhouding met OKAN zat en tussen de verschillende onderwijsvormen OV 1, 2, 3 en 4. Daar kan je fijnmazig mee aan de slag gaan. Het is ook de eerste keer dat we de effecten zien van stedelijk beleid. Ik geloof dus wel dat we daar een halt aan kunnen toeroepen.

Ik geloof niet dat iemand dat alleen kan. Scholen hebben een heel gevarieerde populatie. Soms kan het zijn dat er een hardnekkig probleem is in een stad dat ervoor zorgt dat jongeren op school zich anders gedragen. Soms kan het zijn dat er moeilijke thuissituaties zijn. We weten het niet, het is overal anders. Maar we kunnen het niet alleen.

Het is onze taak vanuit Vlaanderen om hefbomen ter beschikking te stellen aan de lokale besturen en aan scholen. Het is de taak van de steden om op maat van de scholen een beleid uit te werken. Het is de taak van de scholen, zoals meerderen hier hebben gezegd, om te zorgen voor dat verbindende schoolklimaat dat spijbelen ontmoedigt. Het is de taak van de ouders om het goede voorbeeld te geven. Als je thuis geen enkele incentive krijgt dat het belangrijk is om naar school te gaan, waarom zou je het godsnaam doen? Het is dus een verantwoordelijkheid van iedereen.

Om nog eens op de ouders terug te komen, collega Daniëls, ik denk dat ik daar wel aandacht voor had in mijn antwoord, want ik heb de ouders expliciet vermeld en zelfs de nuance gemaakt dat ik weer bloot zou staan aan commentaar. Wij hebben een nieuwe beheersovereenkomst gesloten met de ouderkoepels. Daar staat voor het eerst spijbelen expliciet in. Het gevolg daarvan is dat zij voor de eerste keer voor de zomervakantie een grote campagne hebben gevoerd naar ouders. Dat ging over het luxeverzuim. Ik ga dat woord niet meer gebruiken. Als mensen een week vroeger op reis vertrekken omdat er toch geen les meer wordt gegeven, dan geef je een signaal dat het eigenlijk allemaal niet belangrijk is. De ouders werken daar ook voor het eerst aan mee. Maar je kunt het niet in één iemands bak leggen. Het is een hardnekkig gedrag.

Ik ben het er wel mee eens dat het moeilijk is om in te dammen, maar het is onze verdomde plicht om te zoeken naar hefbomen om er wel in te slagen. Ik merk ook dat het delen van goede voorbeelden effect kan hebben en scholen kan aanzetten om het op een andere manier te doen. We hebben daar met zijn allen een belangrijke verantwoordelijkheid in. Ik wil de verantwoordelijkheid van de school niet meer of minder belangrijk maken dan die van de ouders. Ze zijn allemaal collectief verantwoordelijk. Maar het ene kan het andere serieus versterken. Daar moeten we de komende jaren verder werk van maken.

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, dank u voor de aanvullende antwoorden. Wat betreft de binding blijft het cijfer voor het basisonderwijs status quo, zoals u daarnet hebt aangegeven. Het is ook gemakkelijker in een lagere school om de binding met de ouders te hebben. Je hebt een gemakkelijker oudercontact. Dat ondervind ik zelf als mama van vier zonen.

Mijn jongste zoon zit nog in het secundair onderwijs. Dankzij smartschool heb ik als ouder sneller binding met de school. Je komt niet elke dag op school. De kinderen gaan zelf met de fiets naar school en beginnen hun eigen leven te leiden. Dankzij dat systeem ben ik veel sneller betrokken bij alles wat er op school gebeurt. Ik denk dat dat niet zo slecht is.

Als je naar een oudercontact gaat, dan gaat het over één of twee vakken waar je als ouder voor komt. Maar het is ook niet verplicht. De binding is veel minder sterk. Ik denk inderdaad dat secundaire scholen het niet zo gemakkelijk hebben om de binding met de ouders te blijven houden, maar dat systeem werpt toch zijn vruchten af.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Collega's, gezien de gevolgen van spijbelgedrag ben ik ervan overtuigd dat permanente aandacht voor deze problematiek hoe dan ook absoluut noodzakelijk is.

Minister, u hebt gelijk. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van scholen, van steden en gemeenten, van de Vlaamse overheid, die hefbomen moet aanbieden, maar uiteraard ook van ouders, die hun verantwoordelijkheid moeten opnemen, en tegelijkertijd ook van de leerlingen die, als het tieners zijn, zelf mee hun verantwoordelijkheid moeten dragen.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.