U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer De Gucht heeft het woord.

Beste collega’s, dit is een debat dat we al enkele keren hebben gevoerd, of toch al enkele keren kort hebben aangeraakt. Dit is in een stroomversnelling gekomen. Op 12 mei maakte de Franse Gemeenschapsregering namelijk bekend dat de schoolvakanties vanaf 2022 zullen worden hervormd. De zomervakantie voor kleuteronderwijs, lager en middelbaar onderwijs wordt ingekort tot zeven weken. De herfst- en krokusvakantie zullen twee weken duren. Voor de kerst- en paasvakantie verandert er niets: die blijven dus twee weken duren. De hervorming is enkel van toepassing in de Franse Gemeenschap.

Pedagogen pleiten al langer voor een hervorming van de schoolvakanties. Dit is geen nieuw debat. Er blijkt uit onderzoek dat twee maanden zomervakantie voor veel kinderen, in het bijzonder de kwetsbare kinderen, te lang is en bovendien voor extra leerachterstand zorgt, een fenomeen dat bekendstaat als ‘summer learning loss’. In onze buurlanden Nederland en Duitsland duren de zomervakanties zes weken. Vier keer twee weken vakantie in de loop van het schooljaar geeft leerlingen en lesgevers een periode om even op adem te komen en zou ook goed zijn tegen burn-outs en andere vormen van schooluitval.

Minister, ik had u dan ook graag enkele vragen hierover gesteld. Wat is uw reactie op de hervormingsplannen voor de schoolvakanties in de Franse Gemeenschap? Zult u hierover met de bevoegde Franse Gemeenschapsminister in overleg treden? Is daarover op voorhand overleg geweest? Op het moment dat dit werd besproken, is er toen contact met u gelegd vanuit de Franse Gemeenschap om daarover van gedachten te wisselen? Wat betekent deze hervorming voor gezinnen die hun kinderen zowel naar het Nederlandstalige als naar het Franstalige onderwijs sturen? Tijdens de commissievergadering van 22 april 2021 werd gewezen op de nood aan wetenschappelijke evidentie over de impact van onze schoolvakanties op de leerprestaties. Bent u bereid om hierover wetenschappelijk onderzoek te laten uitvoeren?

Persoonlijk wil ik even meegeven – maar dat zal u waarschijnlijk niet verbazen – dat ik het voorstel van de Franse Gemeenschap eigenlijk een warm hart toedraag. Ik vind dat een positief gegeven. Men heeft toch nog die zeven weken, en aan de andere kant heb je inderdaad de uitbreiding van diverse andere vakanties in de loop van het jaar, wat inderdaad voor de nodige ademruimte zorgt. Ik ben heel benieuwd naar uw standpunt in dezen.

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, collega’s, het is inderdaad zo dat de Franse Gemeenschapsregering een akkoord heeft bereikt om vanaf 2022 de schoolvakanties te hervormen. Ik had de eer om in De zevende dag dit debat breed te mogen voeren.

Na dat debat stelde ik echter vast dat er enkel een akkoord binnen de regering was en dat het brede maatschappelijke veld, zoals we dat noemen, daarin helemaal nog niet mee was. Integendeel zelfs, als ik nu en achteraf de reacties van jeugdbewegingen en werkgevers, maar ook van de onderwijsvakbonden in Franstalig België zie, blijkt dat dat akkoord helemaal nog niet is afgestemd met dat brede maatschappelijke veld. Collega’s, dat is toch niet onbelangrijk, want het onderwijs zít in dat brede maatschappelijke veld. Als wij in het onderwijs iets doen aan de schoolvakanties, dan doen we meteen ook iets aan heel het veld errond. Blijkbaar is dat in Franstalig België toch nog niet rond.

Het voorstel in Franstalig België komt erop neer dat de zomervakantie met negen dagen wordt ingekort. Er zitten immers ook woensdagen bij. Ook wordt er een week extra schoolvakantie bij de krokus- en de herfstvakantie toegevoegd. In totaal is er dus eigenlijk niet minder vakantie, ze wordt wat verschoven.

Het debat over het inkorten van de zomervakantie is niet nieuw voor wie deze commissie volgt. Elk jaar duikt dat debat zo ongeveer rond deze tijd op, veelal gevoed door de vaststelling van de examenperiode en de regelingen voor het einde van het schooljaar. Ouders stellen dan vast dat er in de laatste week eigenlijk de facto geen les meer wordt gegeven. Dan wordt dat debat hier elk jaar opnieuw gevoerd. Het is een beetje een evergreen. Ook dit jaar is dat zo. Op dat vlak is het coronajaar helemaal niet anders dan alle andere schooljaren: in mei voeren we het debat over de schoolvakantie.

Het debat wordt nu wel iets concreter, omdat men in het andere landsgedeelte de knoop heeft doorgehakt, althans op politiek niveau. Of het er daadwerkelijk door zal komen, zullen we nog moeten afwachten.

De voornaamste reden om die zomervakantie in te korten is het zogenaamde ‘summer learning loss’, het verlies door de zomervakantie. Hoe langer een vakantie duurt, hoe meer leerstof er verloren gaat. Die leerstof moet dan weer worden herhaald en opgefrist in september. Het verlies is inderdaad niet gelijk voor alle kinderen. Vooral kinderen uit minder kansrijke gezinnen én gezinnen waarvan de thuistaal niet het Nederlands is, hebben te maken met dit ‘summer learning loss’. Het verlies is eigenlijk het grootst bij diegenen die in de hele zomerperiode geen Nederlands spreken.

Minister, u gaf in deze discussie aan er momenteel, in het midden van een coronacrisis, niet nog eens een debat over de hervorming van de schoolvakanties bovenop te willen gooien. Ik denk dat dat wijs is. Zoals u daarnet ook al hebt aangegeven in verband met het Inschrijvingsdecreet: het is nu niet het moment om onze leerkrachten daar bijkomend mee te belasten. Ik denk dat we dit schooljaar goed afronden. We zullen dan het volgende schooljaar opstarten. In de toekomst zullen we dat debat inderdaad wel kunnen voeren, maar dan natuurlijk wel het debat in zijn hele breedte.

Minister, zult u samenzitten met uw Franstalige collega om na te gaan welke valkuilen en discussiepunten zich hebben voorgedaan in het debat? Toen ik mijn vraag indiende, dacht ik dat het brede maatschappelijke debat reeds was gevoerd, maar het moet blijkbaar nog worden opgestart. Hebt u een bepaald tijdspad voor ogen om het debat in Vlaanderen desgevallend op gang te brengen?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Misschien even duidelijk stellen dat ik denk dat het onderwijsveld het afgelopen jaar fantastisch werk heeft geleverd, niet alleen het afgelopen schooljaar, maar ook het kalenderjaar. Ik ben daar heel trots op. Het einde van dat drukke en chaotische jaar is eindelijk in zicht. Al het onderwijspersoneel is nu bezig met de laatste lessen, met evalueren, delibereren en nog zoveel meer. Ik vond het nu dan ook niet echt het moment om dat debat te gaan voeren, om die bom te droppen. Ik denk dat het onderwijsveld nu echt rust nodig heeft om het schooljaar kwaliteitsvol te kunnen afsluiten.

Ik heb voorafgaand aan deze periode of aan dit standpunt ook wel de onderwijspartners daarin regelmatig gekend. Ook bij hen hoor ik vooral de vraag om het onderwijsveld nu niet te bruuskeren met een dergelijke ingrijpende oefening. Ik heb dat ook aan de Vlaamse Scholierenkoepel (VSK) gevraagd. Ook daar is de vraag om dat debat nu niet aan te gaan, laat staan om ter zake nu een beslissing te nemen. We moeten ook eerlijk zijn: die discussie is niet bepaald nieuw. Het is een voorstel, een monster van Loch Ness, dat regelmatig naar boven komt.

Mijnheer De Gucht, u hebt er mij nog over bevraagd in een plenaire vergadering in november vorig jaar. We hebben toen ook de standpunten van de verschillende fracties kunnen beluisteren, ook al merkte ik daar heel veel terughoudendheid en weinig uitgesproken standpunten. Mijnheer De Gucht, u geeft het voordeel van de duidelijkheid. U zegt dat u wilt gaan voor dat voorstel van de Franse Gemeenschap. Er zijn heel wat andere en ook veel minder uitgesproken standpunten daaromtrent. Maar ik ga geen enkel debat uit de weg. Ik ben bereid om over alles na te denken, maar het is wel een debat dat breed gevoerd dient te worden en waarbij we ten eerste de gevolgen voor het onderwijs zelf in ogenschouw moeten nemen: een wijziging in een schoolkalender moet altijd samengaan met een debat over evaluatie, over de strijd tegen spijbelen, vroegtijdig schoolverlaten, de planning van de lessen en de meerdaagse uitstappen. Ook de kalender van het hoger onderwijs, want daar heb ik nog niks over gehoord. Dat is toch inherent verbonden. Als je gaat knippen in de schoolvakanties, wordt dan ook de tijd tussen het einde van het laatste jaar secundair onderwijs en de start van het hoger onderwijs gewijzigd? Anders wordt die vakantieperiode, die nu al zo groot is, de facto nog veel ruimer.

Ten tweede moet je natuurlijk ook rekening houden met het buitenschoolse aanbod: buitenschoolse opvang, kampen en academies. Ik heb gezien dat in de Franse Gemeenschap de koepelvereniging van de scouts toch nogal geprikkeld gereageerd heeft, omdat ze in de besluitvorming niet betrokken is, maar er wel een gigantische impact op hun werking is.

Ten derde gaat het natuurlijk veel breder dan het onderwijs alleen. Impact van die beslissing is er op economie, toerisme, jeugdwerk, sport, cultuur, op eenieders dagelijkse leven. Het gaat toch ook wel over afstemming van verschillende domeinen op elkaar, bijvoorbeeld het openbaar vervoer, ondersteuning door welzijn, opvanginitiatieven en verlofregelingen van ouders. Dat moet echt deel uitmaken van een breed maatschappelijk debat. Het is voor mij ook belangrijk dat de netto-uitkomst van zo’n oefening, dus vanuit één perspectief, vanuit onderwijs, niet betekent dat er minder onderwijstijd overblijft. Als je dat initiatief neemt vanuit een bekommernis ten aanzien van de leerachterstand, die ik deel, om dan vervolgens uit te komen met minder lestijd zoals nu geconcipieerd is bij de start ... Niet het volgende jaar, maar het jaar daarop, zijn er in de Franse Gemeenschap twee lesdagen minder. Daar kan je je toch ook de vraag bij stellen wat dan de baten zijn op het vlak van leerachterstand.

Minister Désir heeft me vooraf de vraag gesteld wat ons standpunt ter zake is. Ik heb dat toen te berde gebracht. Ik heb niet opgeschreven wanneer dat was, alleszins een hele tijd geleden. Men heeft ons daar echt vroegtijdig in gekend. Ze heeft toen een brief geschreven met de vraag: ‘Wij zouden dat debat willen voeren, wat is het standpunt in Vlaanderen daaromtrent?’ Ik heb dat ook te berde gebracht in de schoot van de ministerraad van de Vlaamse Regering, waarbij toch wel heel snel duidelijk was dat we het er met z’n allen over eens zijn dat dit niet het moment is om dit debat te gaan voeren. Dat is ook het standpunt dat ik vertolkt heb. Ook het standpunt van de collega’s van de Duitstalige Gemeenschap ligt in dezelfde lijn. Daar zijn we het over eens.

Wat betreft het wetenschappelijk onderzoek: er bestaat buitenlands wetenschappelijk onderzoek, maar ik denk niet dat we dat zomaar kunnen vertalen naar de situatie in Vlaanderen. Ik wil even meegeven in welk kader we nu zitten, bijvoorbeeld in welke Europese context. Qua weken zomervakantie bevinden we ons in de middenmoot. Er zijn inderdaad een aantal landen die ons omringen met kortere zomervakanties: Nederland, Duitsland, Zwitserland en Engeland. Er zijn ook landen met langere zomervakanties. Wat dat betreft zitten we in de middenmoot. Ook qua lestijden zitten we in de Europese middenmoot.

Voor alle duidelijkheid: als het gaat over een wetenschappelijke studie verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar de Koning Boudewijnstichting. Het gaat dan eigenlijk niet over een studie, maar over een bevraging, een bevraging in 2018 die beperkt was tot de Franse Gemeenschap. Op grond van die bevraging kwam men tot de bevinding dat er een lichte voorkeur is om de kalender aan te passen, maar dan enkel in samenhang met andere schoolse keuzes, hetgeen ik daarstraks zei: met de evaluatie, facultatieve dagen en schooluitstappen. Ten tweede ook in samenhang met het buitenschoolse aanbod, omdat men zegt dat het bijsturen van de schoolplanning zonder van de buitenschoolse activiteiten prioriteit te maken tot gevolg zou kunnen hebben dat de ongelijkheden groter worden. Een derde element is de wijziging in andere planning: werkplanning, gezinsleven, hoger onderwijs en openbaar vervoer.

Er is ook wetenschappelijk buitenlands, vooral Amerikaans, internationaal onderzoek dat vooral teruggaat tot die metastudie van 1996, waarbij men duidelijk ook negatieve gevolgen van de zomervakantie vaststelde. Recenter onderzoek plaatst daar wel wat kanttekeningen bij. Men zegt dat de aanpassing van het schooljaar niet in alle gevallen leerwinst oplevert. Het verminderde leerverlies in de zomer werd genivelleerd met een verminderde leerwinst in de loop van het schooljaar. De grote negatieve gevolgen voor kansarme leerlingen worden in recentere onderzoeken niet steeds meer vastgesteld en ook niet steeds in dezelfde mate. Dit maar om het debat wat te kruiden, want ik ga, zoals gezegd, geen debat uit de weg. Ik vond het moment nu niet bepaald aangewezen, maar ik ga gebruikmaken van de luwte om in eerste instantie de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) en bijvoorbeeld de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) te consulteren. Want ik denk dat de Vlor en de SERV wel aangewezen gesprekspartners zijn voor twee belangrijke elementen die ik aangehaald heb, namelijk wat zijn de onderwijsconsequenties en wat zijn de maatschappelijke consequenties. Ik zal in eerste instantie hen kennen en hen consulteren met betrekking tot hun wens om het debat te voeren en zo ja, hoe we dat in goede banen zouden kunnen leiden.

De heer De Gucht heeft het woord.

Minister, dank voor uw antwoorden. Laat me eerst stellen dat het inderdaad niet mag leiden tot minder onderwijs. Maar als je er natuurlijk over nadenkt: er is het feit dat je een verschuiving krijgt. We moeten ervan uitgaan dat we hetzelfde aantal lesdagen behouden, maar een verschuiving krijgen waarbij bepaalde vakanties worden uitgebreid en de zomervakantie iets wordt ingekort. Natuurlijk moet je daar het zwaartepunt leggen. Natuurlijk spreken we niet over een gigantische inkorting van de zomervakantie, want dat heeft natuurlijk zijn consequenties op de economie en op de manier waarop de mensen hun planning in elkaar zit. Ik ben zelf bij de scouts geweest. Ik kan me moeilijk voorstellen dat een week voor gigantisch grote problemen zorgt bij de scoutsbeweging. Ik moet u eerlijk zeggen dat me dat een beetje ontgaat. We moeten daar vooral eerst een debat over voeren. Het is heel goed dat u die debatten niet uit de weg gaat. Langs de andere kant moeten we – en dat zijn we volgens mij wel verplicht – er ook werk van maken om daar een wetenschappelijke studie rond te voeren. Daarnaast moeten we inderdaad in contact treden met de Vlor en de SERV om te kijken wat daar de mogelijkheden zijn, maar ook met het brede veld. Ik denk aan de impact op het openbaar vervoer. Dan moet er binnen de ministerraad gesproken worden om eens te kijken op welke manier er impact is, welke impact heeft dat, op welke manier we daarvoor kunnen zorgen.

Maar begrijp ik het goed en staat u er wel voor open om na te gaan of het mogelijk is om de zomervakantie in te korten en eventueel andere vakantieweken uit te breiden? Zo kunnen we een brede spreiding hebben van de verlofdagen, zonder verlies van lesdagen. Staat u ervoor open om dat te onderzoeken en daar dan stappen in te zetten?

En, ook niet onbelangrijk: in welk tijdsperspectief zien we dit hier nu? Koen Daniëls zei het daarnet al: het is een debat dat al enkele jaren terugkomt, en meestal rond deze periode. Zullen we deze discussie volgend jaar opnieuw voeren? Of zullen we volgend jaar al weten welke richting we uitgaan, op basis van de overlegmomenten die er geweest zijn? Ik hoop dat we daar een gekruid debat over kunnen voeren, maar dan wel met kruiden die ervoor zorgen dat wat op het einde van de rit op ons bord ligt, ons smaakt, in plaats van een bord waarvan we de ingrediënten nog moeten samenstellen.

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega's, ik heb niet het gevoel dat het debat hierover de voorbije jaren ongekruid is gevoerd. Voormalige politici die dat debat voerden, waren soms zelfs nog wat pittiger in hun analyses. Maar de conclusie was telkens wel dat er geen wijziging kwam. Want, collega De Gucht, ik weet niet hoe lang geleden u bij de scouts was, maar ik kan u zeggen dat, als we twee weken van de zomervakantie knippen, de druk op de tenten niet zal verminderen. En de terreinen die kunnen worden gebruikt, zijn nu al schaars. De jeugdbewegingen die ik nog een beetje volg, zijn momenteel al vijf jaar op voorhand aan het boeken om nog een geschikt terrein te vinden. Knip daar twee weken af, en die prijzen zullen ook niet dalen. En dan ontstaat er weer een ander debat, over de betaalbaarheid van de jeugdbeweging enzovoort. Dat is mijn eerste opmerking.

Twee, we moeten een aantal zaken bekijken. Wat is het verlies en zullen die negen dagen – want daarover gaat het voorstel van Franstalig België – een wereld van verschil maken? Met andere woorden: zetten we de hele wereld op zijn kop voor een verschil van negen dagen? Zal dat een wereld van verschil maken? Dat is voor mij een belangrijke vraag. Ik vind het echt een belangrijke vraag. Want het gaat ook over werkgevers die laten weten dat ze nu net de planning rondkrijgen om alle werknemers tien dagen met het gezin op vakantie te laten gaan tijdens die twee maanden. Als dat niet meer zo is, krijg je een heel ander debat: wie kan nog in de zomervakantie op reis gaan? En als je het hoogseizoen in dit land beperkt – tijdens de krokusvakantie en de herfstvakantie is het weer niet noodzakelijk geweldig goed – krijg je het volledige debat op het vlak van toerisme, de betaalbaarheid van toerisme enzovoort. Het raakt dus alle terreinen.

Collega's, er is nog niets gezegd over de opvang. Maar stel dat er twee werkende ouders zijn, met 21 dagen vakantie. Onze hogeschoolstudenten hebben ook vakantie in de zomervakantie. Het is goed, minister, dat u hen wilt meetrekken. Zij treden dan op in sportkampen, jeugdbewegingskampen, speelpleinen enzovoort. In de krokusvakantie en in de kerstvakantie zijn die studenten er niet, want ze hebben dan zelf les. Dan moet heel die kalender worden aangepast. En dan zullen de proffen zeggen dat ze ook tijd nodig hebben voor hun congressen en een lesvrije tijd om artikels te schrijven. Dat hangt allemaal samen.

Wegen die negen dagen daartegenop? Of kunnen we die negen dagen voor die doelgroep oplossen met zomerscholen? Kunnen we dat oplossen met ons taalbegeleidingstraject dat we tot stand hebben gebracht? Kunnen we het oplossen door de ouders te vragen om thuis effectief Nederlands te spreken, zodat die kinderen geen twee maanden Nederlands verliezen?

Of we kiezen voor die negen dagen. Dat debat zullen we moeten voeren, maar dan moeten we er wel alles bij betrekken. Daar gaat het niet alleen over de busregeling die moet worden aangepast. Ik kan alleen maar tot de conclusie komen dat men zich in het verleden, over alle partijen heen, met al die kruiden, met veel pit en vuur, afvroeg of het heel die ‘Gestaltswitch’ waard was.

Maar goed, dat is een andere visie. Het gaat om het volledig omdraaien. Het is geen sprong, maar een switch. Misschien kunnen we vanaf nu dat woord gebruiken: een switch in plaats van een sprong. In elk geval wil ik het debat zeker voeren, met alle elementen. We zullen dan wel zien waar we eindigen.

Ik stel wel vast, minister, dat het in Franstalig België werd voorgesteld alsof al die debatten al gevoerd waren. Ik kan alleen maar vaststellen dat dat niet het geval is.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Collega's, minister, ik herhaal wat ik al een paar keer heb verteld tijdens mijn tussenkomsten, zowel in de plenaire vergadering als in deze commissie.

Ten eerste, we moeten de discussie ten gronde voeren. We kunnen daar niet snel snel over gaan. Als we het debat voeren, moeten we ook over degelijke informatie beschikken. Vandaag was het debat genuanceerd. Want er bestaan heel wat studies over ‘summer loss’, maar ik merk dat die studies niet altijd zomaar kunnen worden gekopieerd naar Vlaanderen en dat ze zeker niet over de Vlaamse situatie gaan.

Er is vandaag al een paar keer verwezen naar een onderzoek, met de grote dataset toetsgegevens over wiskunde en taal, dat werd gevoerd in het Amerikaanse lager en secundair onderwijs. We kunnen er een aantal conclusies uit trekken. Maar wat voor mij belangrijk is, is dat men eigenlijk niet kan antwoorden op de vraag waarom sommige leerlingen in de zomervakantie een groot leerverlies lijden en anderen zelfs een grote winst boeken. Het artikel vermeldt een wetenschappelijke literatuurstudie over de rol van de socio-economische status (SES) en thuistaal en stelt dat die gemengde resultaten opleveren. Ik heb daarnaast ook al een paar keer een verwijzing gemaakt naar de tussendeling of tweedeling die zou bestaan tussen de Noord- en Zuid-Europese landen over de lengte van de vakantie. Ik zal hier niet alles opsommen, maar het is toch wel duidelijk dat we daar genuanceerd over moeten spreken.

Minister, als er onderzoek wordt uitgevoerd, kunnen we dan ook aandacht hebben voor het effect van een vakantie op die verschillen? Hoe komt het dat sommige leerlingen winst boeken en andere net verlies lijden tijdens de zomervakantie?

En twee, wat is eigenlijk het effect van een vakantie van zes weken of acht weken vakantie op de leerwinst of het leerverlies? Er zijn nog zoveel andere zaken die ervoor zorgen dat kinderen verliezen of winnen tijdens een zomervakantie. Ik kijk niet alleen naar wat we mogelijk kunnen doen voor de leerlingen, maar zeker ook naar de thuiscontext. Ik kijk dan bijvoorbeeld naar het volwassenenonderwijs: hoe kunnen we mensen sterker maken? Ik hoop dat die zaken ook worden meegenomen.

De heer Laeremans heeft het woord.

Voorzitter, het zal u niet verbazen dat wij ons als het Vlaams Belang zeker niet willen vastklikken aan de Franse Gemeenschap, zoals sommige partijen wel lijken te doen. In federale staten, zoals Duitsland, zijn er verschillende vakantieperiodes, en dat verloopt daar zonder al te grote problemen. Dus dat hoeft hier voor ons ook geen probleem te zijn. Als de Franstalige gemeenschap dat wil doen, dan moeten ze dat vooral doen. Maar wij hoeven dat niet zomaar te volgen.

Er zijn natuurlijk een aantal pedagogische argumenten pro een verkorting tot die zes weken. Maar wij zien het helemaal niet zitten om nog deze legislatuur zo'n stap te zetten. We hebben de komende jaren te veel werk voor de boeg wat betreft de eindtermen, de hervorming van het onderwijs, de GGG-proeven (gestandaardiseerd, genormeerd en gevalideerd), Digisprong enzovoort. De scholen en leerkrachten hebben al genoeg werk. Ik denk niet dat dat op dit ogenblik zo prioritair is. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat er daar niet over kan worden gediscussieerd of dat er daarover geen hoorzittingen kunnen worden georganiseerd. We sluiten ons op dat vlak aan bij het standpunt van de minister en van collega Daniëls: het kan, maar het is op dit moment niet de grote prioriteit.

We hebben ook een aantal bedenkingen. De jeugdkampen zijn al aangehaald, de tenten, de toeristische sector. Wat doe je met de zomerscholen? Want dan kun je die maar over zes weken spreiden in plaats van over acht. Wat doe je met het hoger onderwijs? Wat doe je met de stagemomenten? Want als je een extra week toevoegt aan de herfst- en de krokusvakantie, wordt het alweer moeilijker om hogeschoolstudenten stage te laten lopen in het onderwijs.

Een grote vraag voor ons betreft de directies. Je vindt al moeilijk directies. We vrezen dat dit een knelpuntberoep wordt. Als je dan ook nog eens twee weken van de zomervakantie afpitst, dan zal dat vooral voor hen lastig worden, want wanneer moeten zij dan nog vakantie nemen? Dat wordt dan een stuk vervelender.

Ik denk dat het onderwijs op dit ogenblik meer nood heeft aan wat educatieve rust, en dergelijke nieuwigheden zijn voor ons niet prioritair.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Mijnheer Laeremans, het is niet de Franstalige Gemeenschap maar de Franse Gemeenschap. Men heeft niet gekozen voor de francofonie maar voor Frankrijk.

Zoals gezegd, ga ik geen debat uit de weg. Gelet op de impact op het onderwijs, vanzelfsprekend, op het maatschappelijke leven, op de economie, op het culturele, sportieve, sociale en jeugdleven, wil ik dit opnemen met instanties zoals de Vlor, de SERV en misschien ook de Strategische Adviesraad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media (SARC) in dezen en hen consulteren met betrekking tot de wens om dit debat te voeren, hoe en op basis van welke wetenschappelijke inzichten. Er wordt terecht opgemerkt dat het gaat over internationaal, vooral Amerikaans, onderzoek. Daar is de situatie toch enigszins verschillend. Het belangrijkste onderzoek in dezen is een metaonderzoek van 1996, dat toch ook wel al enige tijd achter ons ligt. Ik wil ook horen welk tijdspad men voor ogen heeft. Die stappen wil ik absoluut zetten.

Ik wil niet overhaast maar in alle rust en kalmte werken. Ik hoor in de verschillende tussenkomsten dat er een openheid bestaat om deze materie te bekijken. We zijn daar niet terughoudend in of te beroerd voor, maar we willen het wel op een rustige en gedegen manier doen.

De heer De Gucht heeft het woord.

Ik vind het al positief dat we het debat verder willen voeren en dat we nu eens aan tafel gaan zitten met de verschillende stakeholders, want anders zullen we elk jaar hetzelfde debat voeren. Het kan zijn dat dit in het verleden nog extra pittig werd gemaakt, maar de realiteit is dat we pas weten op welke manier iedereen daarnaar kijkt op het moment dat we een ruime bevraging doen over het gegeven.

Mijnheer Laeremans, ik zeg niet dat we ons moeten afstemmen op hoe het in de Franstalige of Franse Gemeenschap – maakt niet uit – gebeurt. Ik zeg alleen dat men daar een interessante oefening heeft gedaan en dat dit ook een interessante oefening zou zijn voor Vlaanderen. Het is niet omdat het de Franstaligen zijn, dat het een verkeerde oefening zou zijn. Het is belangrijk om daar werk van te maken. Dan kunnen we uitsluitsel geven in dit debat en hoeft het niet elk jaar terug te komen. Dan hebben we de juiste basis waaruit we de juiste conclusies kunnen trekken. Ik ben alvast wel gewonnen voor het idee, niet alleen voor de inkorting maar ook voor het feit dat er meer rustperiodes tijdens het jaar zijn.

De heer Daniëls gaf een opmerking in verband met de zomerscholen. Niets houdt ons tegen om die zomerscholen maximaal te organiseren in de resterende tijd van de zomer en om bijspijkeren ook mogelijk te maken tijdens de extra vakanties die er tijdens het jaar zouden komen.

Zijn er nadelen aan verbonden? Ja, er zullen nadelen aan zijn, zoals er aan dit systeem nadelen zijn. De vraag is of we er niet voor kunnen zorgen dat we het debat op een juiste manier voeren. Dan moet je de voor- en nadelen van beide systemen naast elkaar zetten, alles afwegen en een politieke keuze maken. Het belangrijkste is dat we oplijsten wat de voor- en nadelen zijn en hoe daarover in de toekomst een gegronde beslissing kan worden genomen.

De heer Daniëls heeft het woord.

Kunnen we alles naar alle andere vakanties schuiven? Ja, dat kan, maar de kern is dan altijd: volk. Wie zal dat doen? Ik wou enkel aangeven dat de zomerscholen een combinatie zijn van les, sport, ontspanning en cultuur. Veelal zijn daarin ook studenten actief. In de herfst- en de krokusvakantie zijn die er gewoon niet, of we moeten ook de volledige academische kalender aanpassen. Elke keer als er voor een probleem een oplossing wordt bedacht, dan duikt er een ander probleem, een andere uitdaging op. Dat is wat de N-VA aanvoert. Ga je voor negen dagen het volledige systeem en alle belendende percelen aanpassen? Willen wij dat debat voeren? Ja, al minstens om in kaart te brengen welke belendende percelen er allemaal zijn waar we in het debat misschien nog niet aan gedacht hebben.

Er moet ook gekeken worden naar de impact op scholen, op herexamens, op schoolveranderingen, op inschrijvingen en dergelijke. Dat moet allemaal bekeken worden. Dan kan de vraag gesteld worden of die negen dagen dat waard zijn. Mevrouw Vandromme wees al op het zomerverlies. Zullen we met al deze zaken dat zomerverlies aanpakken? Dat is wat mij betreft een legitieme vraag.

Dat de Franse Gemeenschap, waar men Franstalig is, een andere opvatting heeft: ‘feel free’. Ze mogen dat gerust doen, maar ik zou er mijn geld toch niet op durven in te zetten dat men dit volledig rond krijgt als het volledige debat nog gevoerd moet worden. Ik denk dat dat het verschil is: eerst denken, dan durven en dan doen. Daar doet men blijkbaar eerst om dan te zeggen dat men het durft, om dan te beginnen denken.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.