U bent hier

Commissievergadering

donderdag 5 oktober 2017, 10.10u

Voorzitter
van Kathleen Krekels aan minister Hilde Crevits
2918 (2016-2017)

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, de maatschappij staat voor grote uitdagingen waarvoor STEM-profielen (Science, Technology, Engineering en Mathematics) steeds meer nodig zijn. STEM staat voor alles wat te maken heeft met wetenschap, technologie, techniek en wiskunde. Het is dus van groot belang dat het STEM-potentieel in het Vlaamse onderwijs goed aangesneden blijft en wordt.

We stellen vast dat er een tekort is aan afgestudeerden met een STEM-diploma. Daarom hebt u actie ondernomen en een STEM-actieplan opgesteld om dit tekort aan technische en exact-wetenschappelijke profielen op de arbeidsmarkt aan te pakken. Het onderwijs speelt daarin een belangrijke rol. Ondertussen kiezen scholen expliciet voor de naam STEM-school om in te spelen op deze nood.

Om een houvast te bieden aan het Vlaamse onderwijs, werd het STEM-kader ter beschikking gesteld als richtinggevend kwaliteitskader. Het is een gemeenschappelijk referentiepunt dat een houvast moet bieden aan leerkrachten en directeurs over hoe ze STEM een plaats kunnen geven op hun school. Tijdens de commissievergadering van september vorig jaar gaf u aan dat het STEM-kader nog niet bindend genoeg is.

Op 13 september 2017 schreef De Tijd hierover dat de STEM-richtingen vooral populair zijn in het algemeen secundair onderwijs, terwijl het aandeel uitgereikte STEM-diploma’s in het beroepsonderwijs daalt. Dat laatste betreuren we natuurlijk.

Welke stappen hebt u het afgelopen jaar genomen om ervoor te zorgen dat via het STEM-kader de STEM-vlag ook de lading dekt? Welke maatregelen wilt u nog nemen om de instroom in STEM-studierichtingen te verbeteren, zeker in het bso en tso? Welke bijkomende maatregelen plant u om de kwaliteit van het STEM-onderwijs verder te bewaken?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, het Departement Onderwijs en Vorming heeft het STEM-kader uitgewerkt in samenspraak met de onderwijswereld. De concrete toepassing naar didactiek en werkvorming is in de handen van scholen en leerkrachten. Dit gaat immers over het ‘hoe’ van ons onderwijs. De navorming op het vlak van STEM is een organisch en opmerkelijk samenwerkingsverband tussen leerkrachten, de leerkrachteams, de pedagogische begeleidingsdiensten en de lerarenopleidingen. Zij bepalen samen de kwalitatieve voortgang van STEM in twee lerende netwerken: ‘STEM voor de Basis’ voor het basisonderwijs en het ‘Vlaams Lerend Netwerk STEM SO’. Ze tellen heel wat leden. Ik heb zelf zo'n netwerk kunnen bijwonen. Men zegt soms dat leerkrachten niet genoeg kennis delen, maar wat STEM betreft, werkt dat bijzonder, bijzonder goed. Deze lerende netwerken worden gecoördineerd door de lerarenopleidingen en ontvangen ook dit jaar een financiële ondersteuning vanuit het onderwijsbeleid.

De STEM-didactiek voor het basisonderwijs is binnen het lerend netwerk ontwikkeld, en wordt tegelijk, vanuit de levende praktijk, ook voortdurend verbeterd. Het STEM-kader is in al deze gremia een referentiepunt waarvan vertrokken wordt en waarnaar ook systematisch teruggekoppeld kan worden. Voor het overige zal uiteraard het debat rond de nieuwe eindtermen mee bepalen welke STEM-finaliteiten worden beoogd. Voor mij is het STEM-kader ook belangrijk voor de ‘buitenschoolse’ STEM, waar de voorbije jaren een grote activiteit is ontwikkeld. Het wordt in die zin ook gehanteerd in het kader van de coördinatie van de STEM-Academies door FTI-Technopolis. Ook deze financiële ondersteuning, waar ook collega Muyters zijn bijdrage aan levert, loopt verder.

De STEM-aanpak van de afgelopen jaren wordt volgehouden. Ondanks de opmerkingen van de OESO, zien we dat die in Vlaanderen wel vruchten afwerpt. Er ligt nog wel heel wat werk op de plank.

U weet dat ik dit schooljaar rond STEM en klimaat een project lanceer waarbij zo'n honderd leerkrachten achter de schermen van high-level, innovatieve STEM-bedrijven en onderzoekscentra uitgenodigd worden. Als er één leraar is die gepassioneerd is door STEM en dit vakoverschrijdend aanpakt, kan dit zijn gevolgen hebben in de studiekeuze van jongeren na het secundair onderwijs om een STEM-richting te volgen.

Dit najaar start ook een marktbevraging bij allen die bij STEM betrokken zijn, leerkrachten, maar ook de werkgevers en de STEM-Charter ondertekenaars, specifiek om te bevragen aan welke voorwaarden dient te worden voldaan, om STEM ook binnen bso en tso alle aandacht te laten krijgen. De opwaardering van tso en bso heeft ook een belangrijke plaats in de modernisering van het secundair onderwijs, waarvan ik hoop dat ze effectief van start kan gaan op 1 september 2018. U weet dat ik ook extra wil investeren in de didactische infrastructuur en apparatuur in technische en beroepsgeoriënteerde scholen.

Collega Krekels, ik denk dat we het warm water niet opnieuw moeten uitvinden. We moeten vooral verder inspanningen leveren op de ingeslagen weg. Er is een STEM-actieplan, samen met collega Muyters. We moeten voluit verder inzetten op alle acties die daar beschreven staan. We moeten ook meisjes naar STEM krijgen. Het is dus een werk van lange adem en een werk dat ook inspanningen op heel veel fronten vraagt.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik denk dat de projecten die worden opgestart, heel belangrijk zullen zijn om de inhoud van STEM nog specifieker te maken. De principes in het STEM-kader zijn eerder vrijblijvend en algemeen. Het is heel belangrijk om verder te evolueren en na te gaan hoe het zich in het basis- en secundair onderwijs profileert.

Ik wou nog even de nadruk leggen op het aso. Het is heel goed dat de aso-scholen hier zijn op gesprongen en heel specifiek aan die STEM-richtingen werken, net zoals het tso en bso. Ik ben deze vakantie op Voka-stage geweest in een drukkerij. Het was fantastisch om te zien hoe mensen met een tso- en bso-opleiding bijna het hele bedrijf op hun schouders dragen. Zij zorgen voor de techniek van de machines, voor het onderhoud van de machines, voor de bediening. Zij zijn een spilfiguur. Het is belangrijk dat we de mensen ervan bewust maken dat elk niveau waarop je STEM doet en beleeft, een belangrijke schakel zal vormen in de maatschappij van vandaag en zeker de maatschappij van morgen. Ik wil dus nog eens wijzen op de kracht van de verschillende STEM-opleidingen die hun steentje daarin bijdragen.

Ik zal het verder opvolgen.

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, u hebt terecht aangehaald dat er een paar zaken goed werken en dat enkele maatregelen uit het plan zeer goed werken. Dat stemt ons al zeer tevreden.

Er zijn nog wel wat lacunes, of beter gezegd zaken die minder goed vooruitgaan. U verwijst naar de meisjes. Dat is een werk van lange adem, maar we moeten erop blijven inzetten op alle fronten want uiteindelijk laat u de helft van de bevolking als visvijver een beetje onaangeroerd of te weinig aangeroerd, als we die meisjes niet meer over de streep kunnen trekken en niet meer kunnen doen afstappen van de stereotypen die er zijn, vooral in het bso en tso, waar die meisjes toch veel te weinig kiezen voor dat soort zaken. Nochtans gaat het over dingen die ze evengoed kunnen als jongens.

Ik denk dat we ook moeten benadrukken dat bepaalde STEM-onderwerpen op de Europese markt meteen een gigantische kans op werk bieden. Als je kijkt naar de innovatieve sectoren en wat je daar kunt doen met een ICT-diploma, dan geeft je dat meteen een gigantische voorsprong in kansen op werk op je leeftijdsgenoten met een graad in menswetenschappen of sociale wetenschappen, ook al is die keuze ook vaak gemotiveerd. Ik denk dat we er vaker een punt van moeten maken wanneer we jongeren studieadvies geven en hen moeten wijzen op wat ze misschien nog niet ontdekt hebben of waar ze misschien een beetje bang van zijn. We moeten daar sterker op inzetten.

Het is belangrijk om de hogescholen en universiteiten te betrekken. Het is al goed dat er in het aso veel zaken gebeuren, maar ook in de doorstroom na aso moet nog het een en ander gebeuren. Aan de universiteiten wordt er te weinig gekozen voor exacte wetenschappen in vergelijking met humane wetenschappen. Ingenieurswetenschappen en toegepaste wetenschappen zijn populairder aan de universiteit dan wetenschappen in tso en bso, terwijl er enorm veel vacatures zijn.

Ik heb vorig jaar ook al verwezen naar de mogelijkheid om de postgraduaten in toegepaste wetenschappen te ondersteunen. U hebt er niet op ingepikt, minister. Ik begrijp dat, omdat het budgettaire implicaties heeft en we nu eenmaal niet zoveel ruimte hebben. Ik zou er toch eens verder over willen nadenken, samen met de sector. We kunnen hogescholen campagnes laten doen voor hun STEM-richtingen, of meer puntgewichten toekennen in de financiering aan STEM-opleidingen. Dat is misschien ook wel een mogelijkheid.

Ik zou er ook voor pleiten om in te grijpen in de voldoende geachte en vereiste bekwaamheidsbewijzen om de STEM-vakken te geven. STEM-vakken moeten met een goede vakkennis worden gegeven, met een goede kennis van vakdidactiek om de nieuwsgierigheid voor wetenschap en techniek aan te wakkeren. Zeker wanneer het gaat over het lerarentekort voor wiskunde, fysica en chemie, moeten we aanmoedigen om het vereiste bekwaamheidsbewijs te halen en om bijscholingen te volgen voor vakdidactiek. Dat is essentieel als we meer leerlingen willen motiveren en heel sterk maken voor fysica, chemie en wiskunde. Het zijn zulke belangrijke vakken. We zullen nooit het probleem van de bovenbouw oplossen als we dat probleem niet aanpakken in het secundair onderwijs.

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, collega's, reeds jaren druk ik in deze commissie mijn grote bezorgdheid uit voor de opwaardering van het beroepsgericht onderwijs tso en bso. Minister, ik denk dat u gelijk hebt dat het secundair onderwijs daar zeker kansen voor biedt. Dit zeg ik als algemene beschouwing.

Mijn punctuele vraag is de volgende, minister. Ik vind het bijzonder waardevol dat u voor volgend jaar in 5 miljoen euro extra voorziet voor uitrustingstoelagen of toelagen voor de zware infrastructuur in tso- en bso-scholen. Ben ik juist als ik zeg dat dit voorbehouden is aan de specifieke nijverheidstechnische richtingen, , land- en tuinbouwscholen en de voedingssector? Die waren in het verleden eigenlijk de ‘harde’ tso-richtingen. Is dit de juiste formulering of is het te beperkt geformuleerd en moet het ruimer worden geformuleerd?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, ik dank jullie voor deze zeer interessante aanvullingen.

Ik wil het eerst hebben over de meisjes. Wat wij gemerkt hebben en ook blijkt uit een aantal onderzoeken, is dat meisjes wel keuzes maken voor harde STEM-richtingen als ze de maatschappelijke meerwaarde daarvan zien. Vandaar dat in de oproep die ik heb gedaan aan secundaire scholen om projecten in te dienen rond klimaat, de link is gelegd tussen klimaat en STEM. Wil je de wereld redden, dan is het nuttig dat je een harde STEM-richting kiest. Zo leg je interessante linken. Wij hopen ook dat het effect heeft. Als je in het lager onderwijs naar de techniekacademies kijkt, zie je dat er evenveel meisjes als jongens naartoe gaan. Dat betekent dat de basisinteresse gelijk is, maar dat in de loop van de jaren de interesse wat vermindert.

Ik begrijp uw pleidooi voor de vereiste bekwaamheidsbewijzen, maar op dit ogenblik is er een chronisch tekort aan leerkrachten. Je moet natuurlijk zorgen dat je niet in een onmogelijkheid komt. Waar voor mij een oplossing ligt, is in het traject rond de educatieve master, wat nog door het parlement moet worden goedgekeurd. We moeten jongeren die naar de universiteit gaan, onmiddellijk een keuze kunnen laten maken om leraar te worden, wat nu niet gebeurt. In de lijst van de mogelijke educatieve masters staat specifiek een educatieve master wetenschappen. Dat is natuurlijk schitterend omdat die een paar vakken in zich draagt, als je deze opleiding volgt, die je nu niet kunt kiezen. Nu kies je om wiskunde te studeren, of chemie te studeren, en daarna kan je eventueel kiezen voor een lerarenopleiding. Nu zal men op 18 jaar die keuze al kunnen maken aan de universiteit, wat een goede zaak is om het aantal leraren die binnen STEM actief kunnen zijn, op te voeren. De discussie over de bekwaamheidsbewijzen kan dan nog worden gevoerd, maar eerst wil ik de instroom groter maken. In mijn eigen stad Torhout is er iemand van 70 jaar teruggeroepen om wiskunde te geven omdat er geen leerkracht wiskunde te vinden was. Vooraleer we het gaan beperken – je hebt au fond gelijk dat je didactische vaardigheden moet hebben –, moeten we ook weten dat we een aanbod hebben dat voldoende is.

Ik wil nu vooral werk doen als minister van instroom, en uiteraard ook van uitstroom. We zouden toch de aantrekkelijkheidspoorten een beetje breder moeten kunnen maken met de opleiding die we geven. Ik voel ook dat de professoren aan de universiteiten zeer geïnteresseerd zijn om daar werk van te maken. Ik heb hen ook expliciet gevraagd, toen een aantal professoren op bezoek waren, om te denken aan de didactiek voor het bso- en tso-onderwijs omdat ook daar enorme opportuniteiten liggen voor de arbeidsmarkt. Er wordt ook werk van gemaakt.

Mijnheer De Meyer, uw opmerking is in dank aanvaard. We hebben ervoor gekozen om die 5 miljoen euro voor te behouden aan de harde STEM-richtingen, inclusief voeding en inclusief land- en tuinbouw, omdat dit ook de studierichtingen zijn die als STEM worden gedefinieerd. Het is een eenmalige ondersteuning waarin ik voorzie, maar ik sluit niet uit dat dit zich in de toekomst nog zal herhalen. Het hangt ervan af hoe dit nu neerdaalt in de scholen en hoe sterk zij met deze middelen aan de slag kunnen.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Ik wil nog even ingaan op wat mevrouw Brusseel zei over die motivatie, die passie, die vakkennis en didactiek van die leerkracht. Dat begint natuurlijk in het basisonderwijs. Ik wil dan ook een pleidooi houden voor het versterken van eventueel leermeesters in wetenschappen en techniek. We moeten daar echt voor gaan. U had het over de educatieve masters bij de hervormingen, maar die educatieve masters zijn natuurlijk een beetje gericht op lesgeven in het secundair onderwijs. Zullen wij die kunnen aanmoedigen om ook te kiezen voor het basisonderwijs? Onder de huidige omstandigheden is dat moeilijk omdat wij hen niet kunnen betalen als een master in het basisonderwijs. Ik weet ook niet of het nodig is om een master te zijn om een goede leermeester te zijn, absoluut niet, maar dit zijn toch bedenkingen waar we in de oefening rekening mee moeten houden.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.