U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 30 juni 2010, 18.50u

van de Vlaamse Regering
526 (2009-2010) nr. 1
De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen

Voorzitter, minister, collega’s, ik wil de verslaggever bedanken voor het uitvoerige verslag, waarin toch wel werd weergegeven welke elementen in de commissie sterk aan bod zijn gekomen. Het klopt dat het vooral om technische aanpassingen gaat aan bestaande decreten. Ik wil enkel bij een vijftal punten stilstaan die voor onze fractie van belang zijn.

We hebben een opmerking gemaakt over het tijdstip waarop we dit ontwerp moeten behandelen. De minister heeft inderdaad inspanningen geleverd om zo vroeg mogelijk met het ontwerp naar het parlement te komen. We hopen dat het volgend jaar nog een week vroeger kan. Dan zitten we perfect op schema.

Minister, u hebt ook gezegd dat het onderwijsveld tijdig geïnformeerd zal zijn over datgene wat decretaal nog zal worden beslist. Dat betekent dan dat ook de uitvoeringsbesluiten klaar zijn, zodat dat in orde is. We stellen immers vast dat er dit jaar geen ronde van Vlaanderen werd georganiseerd om het onderwijsveld te informeren. We vragen dan ook uitdrukkelijk of het klopt dat het veld tijdig is geïnformeerd over de wijzigingen die voor de betrokkenen worden doorgevoerd voor 1 september.

Een volgend punt betreft de taalproef. In dit ontwerp hebben we een wijziging voorgesteld aan het decreet met betrekking tot de taalproef. We blijven natuurlijk wel met een aantal bezorgdheden, bekommernissen en vraagtekens zitten. We hopen dan ook echt dat u de evaluatie van de toepassing in september zeer ernstig neemt, en dat u ook bereid bent om wijzigingen door te voeren in de toekomst indien de evaluatie aantoont dat een aantal elementen best worden bijgestuurd. Het gaat niet alleen om de taalproef op zich, want daar is het goed om te kijken wat het instrument ons vertelt en of het een goed instrument is.

Wat de toepassing betreft, blijven we toch wel achter met een wrang gevoel over wat we voorstellen aan die kinderen die niet lukken. We bieden geen aangepast traject aan. Vorige week nog hebben we de discussie gevoerd over ongekwalificeerde uitstroom. Bij een interpellatie van een collega in de commissievergadering morgen zullen we daar nog op terugkomen. Daar wordt heel sterk aangetoond dat het zittenblijven, het overdoen van een jaar zeer ongunstige effecten heeft en kan leiden tot ongekwalificeerde uitstroom. We moeten voorkomen dat we daarmee een aanzet geven in de kleuterklas.

Onze fractie heeft sterk de vraag om de toepassing hiervan ernstig te evalueren en te bekijken op welke manier we daar in de toekomst het best mee omgaan, zeker voor wat betreft de aangepaste trajecten voor kinderen die onvoldoende taalrijp zijn om te starten in een eerste leerjaar.

Een volgend aspect dat in de bespreking in de commissie aan bod is gekomen en waar ik nog even de aandacht op wil vestigen, is de bespreking van het artikel met betrekking tot een oprichtingsstop voor type 7. Mevrouw Vanderpoorten vroeg naar de stand van zaken in het dossier leerzorg. Minister, u hebt toen weergegeven wat die stand van zaken was. U hebt gezegd dat men bezig is in werkgroepen om te bekijken op welke manier men dat kader decretaal kan voorbereiden en hoe we andere elementen die belangrijk zijn in heel dat dossier, kunnen regelen. U hebt ook aangegeven welke werkgroepen dat precies zijn. Wij willen beklemtonen dat het belangrijk is om met alle partners die betrokken zijn bij dat dossier, rond de tafel te gaan zitten. Het is immers een belangrijk dossier met ernstige consequenties, net voor de kinderen die de meeste zorg nodig hebben. Vandaar onze vraag om met alle betrokken partners samen te werken.

U hebt zelf aangegeven dat het element draagkracht heel belangrijk is, maar dat u ook veronderstelt dat de huidige oefening van de draagkrachtentoetsing met het VN-verdrag niet positief zal zijn. Wij willen de bekommernis uiten om voldoende aandacht te schenken aan draagkracht. Dat zal een belangrijke rol spelen in het al dan niet lukken van dit dossier, naast het voorzien in voldoende omkadering, wat daarmee samenhangt, alsook de competentieontwikkeling en de fasering die u zult uitwerken. Wij kijken uit naar de stappen die u zult zetten en de resultaten van de voorbereiding. Ik verwacht dat we dat volgend werkjaar in het parlement zullen kunnen opvolgen. Toch willen wij vandaag reeds onze bekommernis daarover uiten. We hebben dat vorige legislatuur ook gedaan. We willen het opnieuw doen omdat het een punt van aandacht is.

Een vierde punt betreft het capaciteitsprobleem. Wij hebben daartoe een amendement voorgesteld en uiteraard mee goedgekeurd. We hebben in de commissie bij de bespreking van de capaciteitsproblematiek en het dossier dat u hebt voorgesteld, onze bezorgdheid geuit over de spreiding van de uitbreiding tussen de verschillende netten waarbij we moeten vaststellen dat niet iedereen op dit moment op eenzelfde manier mee is. Wij hebben gesteld dat vooral voor wat het vrij onderwijs betreft, ze met heel wat vraagtekens zitten vooraleer ze kunnen meestappen in de oplossingen voor de capaciteitsproblematiek. Is er ondertussen antwoord gegeven op de vragen die ze reeds langer hadden? Ze waren aan het wachten op een antwoord, wat een rol heeft gespeeld om mee te kunnen participeren. Hoe is de stand van zaken hier?

Onze bekommernis met betrekking tot de gelijke spreiding blijft, alsook met betrekking tot de goedkeuring van de dossiers tegen september. Vandaag is het einde van het schooljaar. De meeste mensen die actief zijn in het onderwijs zullen een van de volgende dagen hun activiteiten stilleggen. 1 september zal er snel zijn. Zijn we klaar om de problemen die zich zullen stellen op het vlak van capaciteit, op te vangen? Zijn de dossiers goedgekeurd?

Een belangrijk element daarbij is natuurlijk de vraag hoe u zult omgaan met de dossiers die zich aandienen, vooral wat de gebruikte capaciteit betreft. Het kan niet de bedoeling zijn de bestaande capaciteit niet ten volle te benutten alvorens nieuwe dossiers worden goedgekeurd. Indien er nieuwe dossiers zijn en er nieuwe scholen worden opgericht, kan het al evenmin de bedoeling zijn dat ook daar de capaciteit onderbenut is. Neemt u dat mee in overweging bij uw overwegingen over het goedkeuren van de dossiers?

In de commissiebesprekingen hebben we ook stilgestaan bij de programmatiestop in het secundair onderwijs. We stellen een positieve wijziging voor. We willen de aanvraagdatum vervroegen, zodat scholen veel sneller duidelijkheid kunnen hebben over hun situatie, zodat ze weten of ze al dan niet kunnen programmeren. We hebben ook een vraag gesteld met betrekking tot de dossiers die voorliggen – voorlagen, want ondertussen is er veel gebeurd. U hebt toen in de commissie geen antwoord gegeven op onze vragen, omdat u de beslissing van de Vlaamse Regering wou afwachten.

Ondertussen heeft de regering beslist op welke aanvragen tot afwijking u zou ingaan en op welke niet. Ik stel vast dat in dat verband wordt afgeweken van de afspraak die we hadden naar aanleiding van de begrotingsbesprekingen. We hebben toen immers gevraagd of het zinvol was om, in het kader van een hervorming van het secundair onderwijs, de programmatiestop ook toe te passen voor de systemen van deeltijds leren en werken. Die zijn immers eigenlijk niet betrokken bij dit dossier, want we hebben ter zake pas vorige legislatuur een nieuw decreet goedgekeurd. Bij de begrotingsbesprekingen is duidelijk gesteld dat die systemen inderdaad niet vallen onder de hervorming van het secundair onderwijs. Voor die systemen is het immers belangrijk snel in te spelen op de vragen van de arbeidsmarkt. Er zijn op dat vlak een aantal dossiers ingediend. Ik stel vast dat toch niet is ingegaan op de vraag dat bij die systemen zou worden afgeweken van die programmatiestop.

Daarom stel ik vandaag opnieuw de vraag hoe het komt dat toch niet is ingegaan op die vraag tot afwijking. Ik denk dat u vandaag wel kunt antwoorden op die vraag: de beslissing is immers genomen. Het gaat specifiek over leren en werken en het gaat over dossiers waarbij er wel degelijk sprake is van een duidelijke vraag vanwege de arbeidsmarkt. Ik vind het toch wel heel belangrijk om daarbij wat duiding te krijgen. (Applaus bij CD&V en de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Gerda Van Steenberge

Voorzitter, minister, geachte leden, zoals elk jaar worden we net voor de zomervakantie geconfronteerd met het feit dat we een aantal zaken die noodzakelijk zijn voor de scholen en liefst vanaf 1 september worden ingevoerd, moeten goedkeuren in de commissie en in de plenaire vergadering. Minister, uw voorganger had er een gewoonte van gemaakt die ontwerpen van reparatiedecreet laattijdig in te dienen. Wij hadden gehoopt dat u hem niet zou volgen en hebben u het voordeel van de twijfel gegeven. Het is tenslotte uw eerste jaar als minister van Onderwijs. Daarom zijn we akkoord gegaan met een vervroegde toelichting in de commissie, maar we hebben duidelijk gesteld dat dit voor ons geen precedent kon zijn. U hebt in de commissie gevraagd de reflectietermijn weg te stemmen. Hoewel de meerderheid het quorum niet had bereikt – er is immers een tweederdemeerderheid nodig – hebben we die reflectietermijn niet gevraagd. We hebben dat vooral gedaan uit respect voor de schooldirecties, die alles snel moeten kunnen regelen.

De grote hoeveelheid amendementen op dit ontwerp van decreet baart ons ook zorgen. Het is bijna een decreet in een decreet. Amendementen ontsnappen wel aan de controle van, bijvoorbeeld, de Raad van State. De Raad van State had toch wel een aantal opmerkingen. Hij vond dat er sprake was van te veel retroactiviteit en een gebrek aan rechtszekerheid, en had ook opmerkingen over het legaliteitsprincipe, een te ruime delegering aan de regering enzovoort.

Amendementen krijgen deze controle niet meer. Ze ontsnappen ook aan het formele overleg.

Ook de capaciteitsproblematiek wordt geregeld via een amendement. We zijn blij dat het geregeld is, maar u had zelf gezegd dat het in het decreet zelf zou zijn opgelost. Toch is het in een amendement gebeurd.

Wij vrezen dat u het voorbeeld van uw voorganger toch zult volgen want ook hij stuurde wijzigingen al naar de scholen vooraleer over het decreet werd gestemd in het parlement. Vorige week vrijdag kregen wij een e-mail van Lerarendirect met als titel: ‘Extra editie: wat is nieuw op 1 september?’ En daaronder stond alles wat in het decreet staat waarover we vandaag nog moeten stemmen. De verslaggever zelf vindt dat een verbetering. Wij vinden dat dit getuigt van minachting voor het parlement.

Voor wat de inhoud betreft, zal ik maar een aantal opmerkingen geven. Met het overgrote gedeelte gaan wij akkoord. De meeste zaken zijn noodzakelijk en/of een goede zaak. Daarom zullen wij niet tegenstemmen. Bij een aantal zaken hebben wij opmerkingen. Ik zal niet alle opmerkingen van mevrouw Helsen herhalen want bij de meeste punten hebben wij dezelfde kritiek. Ik som er toch een paar op.

De verlenging van experimentele aanmeldingsprocedures is op zich een goede zaak want heel wat scholen zullen dit gebruiken om buurtkinderen voorrang te geven. Wij wensen dit echter beperkt te zien tot lopende projecten. Minister, u hebt in de commissie duidelijk gesteld dat deze projecten uitgebreid konden worden. Ook de verslaggever heeft daarnaar verwezen – ik heb haar trouwens vergeten te bedanken voor het uitvoerige en goede verslag. Wij konden daar niet mee akkoord gaan. Vooral niet omdat wij vinden dat er eerst een grondige evaluatie van dit project moet gebeuren.

Een tweede opmerking betreft het tweede OKAN-jaar (onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers). Op zich is dat niet echt een probleem. Alleen vinden wij dat eerst moet worden nagegaan waarom één jaar niet volstaat. De taak om Nederlands te leren kan niet enkel bij de school gelegd worden, ook de thuisomgeving moet meewerken. Daar ligt vaak het grote probleem: Nederlands is enkel een schooltaal en wordt daarbuiten helemaal niet gestimuleerd.

De mogelijkheid tot afwijking van het leertraject is op zich een mooie zaak, zeker voor leerlingen, maar wij hebben toch wel vragen bij een eventuele extra belasting voor de klassenraad. Het invoeren van de maatregel zonder een degelijke evaluatie en slechts voor één jaar en niet verplicht vinden wij een eigenaardige werkwijze.

Met betrekking tot de bijkomende financiële ondersteuning van technisch en beroepsonderwijs vragen wij ons af of de nodige middelen wel zullen volgen. Wij hebben ook vragen bij de machtiging aan de Vlaamse Regering om de lijst op te stellen, want zullen alle actoren hierin gekend worden? Er waren ook opmerkingen van de sociale partners. Zij hebben vragen bij de budgettaire ruimte. Wij hebben al herhaaldelijk gesteld dat dit structureel moet zijn en niet enkel bij budgettaire ruimte.

De verlenging van tijdelijke projecten is een goede zaak voor een aantal projecten. Toch vinden wij: niet voor allemaal. Sommige projecten krijgen keer op keer een negatieve evaluatie. Bovendien krijgt de Vlaamse Regering machtiging om oorspronkelijke voorwaarden voor die projecten te wijzigen. Projecten moeten, ondanks negatieve evaluaties, koste wat het kost worden voortgezet. Bovendien worden spelregels in de loop van het spel gewijzigd. Dit roept bij ons heel wat vragen op.

Een volgende opmerking gaat over artikel VIII.8, in verband met de leertijd. SYNTRA is van mening dat het GOK-I toepassen op leertijd een nutteloze maar zware bijkomende administratieve last betekent voor SYNTRA. En toch wordt met die opmerking geen rekening gehouden. Zij hebben dezelfde opmerking in verband met de bevoegdheden van het lokaal overlegplatform (LOP). Voor SYNTRA en leertijd zijn dit vrij zinloze opdrachten. Waarom moet het hier toch ingevoerd worden? Dit lijkt ons een blind volgen van GOK-doelstellingen zonder dat het hier nuttig is.

Een allerlaatste bijkomende opmerking, minister. Wij vinden dat u de kans mist om de fout van uw voorganger recht te zetten en opnieuw punten voor zorgbeleid toe te kennen aan scholen die geen deel uitmaken van schoolgemeenschappen. Toetreding tot de scholengemeenschap is zogezegd vrij, maar wie niet in het verhaaltje meestapt, wordt in feite gestraft.

Minister, om al deze redenen zal onze fractie zich onthouden bij de stemming over dit ontwerp van decreet. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw Vanderpoorten heeft het woord.

Marleen Vanderpoorten

Voorzitter, ik wil in de eerste plaats mevrouw Deckx danken voor haar uitgebreid verslag. Dit maakt het ons wat gemakkelijker. Ik zal uiteraard niet alle punten herhalen die zij al naar voren heeft gebracht.

Ik kan me grotendeels vinden in de op een aantal punten veeleer kritische toespraak van mevrouw Helsen. Een aantal door haar aangehaalde onderwerpen moeten zeker van zeer nabij worden opgevolgd. Het gaat dan niet zozeer om de inhoud van het ontwerp van decreet, maar om de gehanteerde werkwijze.

We stellen al jarenlang vast dat een verzameldecreet blijkbaar bij het einde van het schooljaar hoort. Indien het om reparaties, bijsturingen en projectverlengingen gaat, is dat op zich misschien niet zo erg. Het Vlaams Parlement zou die wijzigingen echter tijdig moeten kunnen goedkeuren. De heer De Meyer haalt dit punt overigens jaarlijks aan. Ook dit jaar zijn we daar weer niet in geslaagd.

De minister heeft verklaard dat het ontwerp van decreet op 7 mei 2010 is ingediend. Daar zijn we echter niet veel mee. Het Vlaams Parlement moet het ontwerp van decreet ook nog behandelen. We hebben het pas in de loop van juni 2010 besproken. Vandaag, 30 juni 2010, zullen we het definitief goedkeuren. Dat is natuurlijk veel te laat. De ministers en het Vlaams Parlement moeten ernaar te streven dit veel vroeger af te ronden.

Ik zou er nogmaals voor willen pleiten amendementen tijdig aan de oppositie over te maken. Indien de meerderheid een constructieve oppositie wil, lijkt het me logisch dat ze de oppositie in staat stelt grondig werk te maken van het lezen en het bestuderen van alle amendementen. Als het om tientallen amendementen gaat, vergt dit meer dan enkele uren.

Er is hier terecht al gezegd dat amendementen niet kunnen worden ingediend voor het ontwerp van decreet is ingediend. Nu krijgen parlementsleden soms reacties van middenveldorganisaties op amendementen die ze zelf nog niet hebben ontvangen. Dat is vrij gênant. Het zou in de toekomst moeten worden vermeden. Het is bovendien vrij onrustwekkend dat we de stellige indruk krijgen dat de Vlaamse Regering op deze manier tracht de geëigende kanalen van het formeel overleg en het juridisch advies van de Raad van State te omzeilen.

Afgelopen maandag hebben we een mail van het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap (OVSG) ontvangen. Volgens deze mail is een amendement in de commissie goedgekeurd, dan met de middenveldorganisaties besproken en vervolgens in de commissie nog gewijzigd. De onderhandelingspartners zijn daar nadien gewoon van in kennis gesteld. Dat is voor de Vlaamse volksvertegenwoordigers natuurlijk een compleet intransparante werkwijze. Het blijft voor ons heel moeilijk een zicht op de zaak te behouden. Wat hebben de middenveldorganisaties gezegd? Wat is hun standpunt? We kennen hun standpunt over het voorontwerp van decreet. De amendementen zijn echter dikwijls vrij belangrijk.

Wat de inhoud betreft, stellen we vast dat een aantal artikelen betrekking hebben op het behoud van een standstill in afwachting van een aantal aangekondigde belangrijke ontwerpen van decreet over de leerzorg, het deeltijds kunstonderwijs en de hervorming van het secundair onderwijs.

De leerzorg is een zeer gevoelig onderwerp, waar we al lang mee bezig zijn. We moeten op korte termijn duidelijkheid creëren. Dat is belangrijk voor de ouders en de scholen in het gewoon en het buitengewoon onderwijs. In verband met het deeltijds kunstonderwijs is ook al lang een belangrijke wijziging aangekondigd. De hervorming van het secundair onderwijs is echter nog belangrijker.

Mevrouw Helsen heeft verwezen naar de discussie over de programmatiestop. Ik zal daar morgen een vraag om uitleg over stellen. We zullen dan wel voldoende tijd hebben om dieper op deze problematiek in te gaan.

Ik heb in een aantal kranten, vooral uit het Antwerpse, gelezen dat we dringend aan een nieuw secundair onderwijs toe zijn om de schooluitval te verminderen. Dit onderwerp zal morgen ook aan bod komen. Een van de opdrachten van het secundair onderwijs bestaat eruit de leerlingen vast te houden en te boeien.

Daarom nogmaals ons pleidooi om die hervorming van het secundair onderwijs niet te blijven uitstellen. Ik begrijp wel dat experimenten of proefprojecten nu tijdelijk moeten worden verlengd, maar ik denk dat men dat niet te lang meer mag volhouden.

Ik heb nog twee andere inhoudelijke opmerkingen. Wat de capaciteit van scholen betreft hebben we initiatief genomen en we wachten dat af. We hopen uiteraard in het belang van de leerlingen dat dit lukt. We zullen in september zeker nog de kans krijgen om daarover verder te debatteren.

Een ander element is de taalproef. Ik heb daar ook kritische vragen over gesteld tijdens de commissiebespreking. Er was daarover toen een artikeltje verschenen in Lokaal met nogal wat kritische vragen. Ik krijg vandaag het tijdschriftje van Virbo in handen, en daar staat weer een kritisch artikel over de taalproef in. Ik denk dat we daar zeker nog niet uit zijn en dat we, zoals mevrouw Helsen heeft gezegd, dat heel kritisch moeten blijven opvolgen.

Voor het overige zitten er in het Onderwijsdecreet altijd veel technische bijstuurreparaties en verlengingen – ook heel veel dingen waarmee we wel akkoord kunnen gaan. Om die redenen gaan we ons onthouden. Er zitten zeker pluspunten in, maar vooral door de werkwijze kunnen we dit absoluut niet goedkeuren. Voor Open Vld wordt het dus een onthouding. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Fatma Pehlivan

Voorzitter, minister, collega’s, het ontwerp van decreet betreffende het onderwijs XX dat straks ter stemming voorligt, bevat een groot aantal technische correcties en bijsturingen via amendementen, waarover mijn collega-verslaggever verslag heeft uitgebracht, waarvoor mijn dank.

Het ontwerp van decreet heeft op korte termijn tot doel om de goede werking van het schooljaar 2010-2011 te garanderen. Op langere termijn is het een eerste stap in deze legislatuur om de complexe structuur van het onderwijslandschap efficiënter te maken in het belang van alle betrokkenen, in de eerste plaats leerlingen en studenten. Het motto ‘Elk talent telt’ is hier van toepassing. Ik ga uiteraard niet opnieuw in op de uitgebreide reeks technische aspecten van het decreet, die voldoende aan bod zijn geweest in de commissie Onderwijs, maar zal daarentegen wel stilstaan bij een aantal mijns inziens belangrijke inhoudelijke en structurele aspecten van het ontwerp van decreet.

De missie van het onderwijsbeleid voor de komende jaren werd in de beleidsnota Onderwijs 2009-2014 kernachtig als volgt verwoord: ‘Samen grenzen verleggen voor elk talent’. De missie die de Vlaamse Regering en de minister van Onderwijs zich hebben gesteld, trekt al duidelijke sporen in het voorliggende ontwerp van decreet. ‘Elk talent telt’ wordt in het hoofdstuk over het secundair onderwijs concreet gemaakt met een tweede onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers om hen betere slaagkansen te garanderen in hun verdere schoolloopbaan. Daarnaast worden in de beroepsgerichte vorming competenties vastgelegd, naast de erkende beroepskwalificaties, om alsnog een erkend diploma te kunnen halen. In tijden van een verhoogde ongekwalifïceerde uitstroom van jongeren - morgen hebben we daar in de commissie een discussie over - lijkt het mij een krachtige maatregel om jongeren te motiveren een diploma te halen en aldus hun kansen op gekwalificeerde tewerkstelling veilig te stellen.

Deze lijn om elk talent kansen te geven, wordt doorgetrokken in het hoger onderwijs met de erkenning van verworven competenties, zonder dat een inschrijving voor de betrokken opleiding vereist is. Zeg maar: een zinvol alternatief voor de klassieke werkstudent.

Dat zijn drie sporen die jongeren een uitweg bieden om een waardige plaats in onze maatschappij te verwerven. Ik hoop dat die eerste beleidsinitiatieven het begin mogen zijn van een hele reeks maatregelen in de komende jaren, om kansarme jongeren een concreet perspectief te bieden op een succesvolle schoolloopbaan.

Een volgende efficiënte ingreep van organisatorische aard is de gecoördineerde samenwerking tussen centra voor volwassenenwerking en centra voor basiseducatie rond NT2, waarbij het streefdoel is om de soms ellenlange wachtlijsten weg te werken en nieuwkomers te laten voldoen aan de opgelegde verplichtingen van het inburgeringstraject. Dat zal mijns inziens een grote psychologische impact hebben op de kandidaten NT2, om niet langer ontmoedigd aan de kant te blijven staan, maar volop gebruik te maken van het aanbod om onze taal en cultuur te leren en vanuit een positieve ingesteldheid te integreren.

Aan de bijzondere situatie van Nederlandstalige kinderen en jongeren in Brussel, die grote moeite hebben om een Nederlandstalige school te vinden, wordt recht gedaan met het eisen van formele bewijzen om aan te tonen dat de thuistaal wel degelijk het Nederlands is. Daarmee wordt een einde gesteld aan de ‘flou artistique’ van de verklaring op eer van anderstalige ouders. Het optrekken van het percentage voorrangsgerechtigden naar 55 percent zal wellicht ook een gunstig aanzuigeffect kunnen hebben op de groep van anderstalige leerlingen, om zich op een meer spontane wijze in onze taal te leren uitdrukken.

Ik besef uiteraard, minister, dat dit eerder een hoop is dan wel een zekerheid. Maar een toekomstgericht beleid mag, wat mij betreft, in bepaalde mate best wat utopisch zijn in zijn doelstellingen.

De actuele demografische evolutie in een aantal Vlaamse steden, in het bijzonder de grootsteden, creëert het probleem van gebrek aan opvangcapaciteit in het lager onderwijs, en later ook in het secundair onderwijs. Het amendement nummer 1 werd terecht aan het ontwerp van decreet aangebracht, om het grootstedelijke capaciteitsprobleem aan te pakken met het verlagen van de huidige 2 kilometergrens naar 250 meter. Gekoppeld daaraan is de mogelijke hertelling van de lestijden. Het amendement weerspiegelt de grote complexiteit van het capaciteitsprobleem met impact op Onderwijs, Ruimtelijke Ordening en Welzijn. De indieners van het amendement hebben dan ook gemeend de oprichting van een taskforce capaciteitsproblematiek in de schoot van de Vlaamse Regering in het amendement te moeten opnemen, om een grondige evaluatie voor te bereiden. Dat is een daad van goed beleid.

Om spectaculaire kampeertoestanden, wachtrijen en dubbele inschrijvingen te vermijden, werd in 2008 in een experimenteerperiode van twee schooljaren voorzien in het GOK-decreet. Die periode wordt met één schooljaar verlengd, in afwachting van een sluitend structureel kader. Het amendement betreffende de experimenten inzake het inschrijven van leerlingen heeft het ordeningscriterium van afstand ontdubbeld in enerzijds afstand van woon- of verblijfplaats van de leerling tot de school, en anderzijds afstand van het werkadres van een van beide ouders tot de school.

Minister, er zijn bezwaren geuit waar we niet naast kunnen kijken. Twee grote steden, Gent en Antwerpen, spreken zich uit tegen deze ontdubbeling of verbreding van het afstandscriterium. Ook andere betrokkenen hebben gelijkaardige bezwaren geuit, onder meer de Vlaamse Onderwijsraad ( Vlor) en het OVSG. De ontdubbeling of verbreding van het afstandscriterium kan op zich zinvol zijn, maar past blijkbaar niet in de lokale context van beide steden. Tegen 1 november 2010 worden de evaluatieverslagen van de lokale overlegplatforms ter kennis gebracht van de Vlaamse Regering. Ik druk hierbij de hoop uit dat u bij de opvolging van deze verslagen ernstig rekening wilt houden met de specifieke grootstedelijke context van beide steden.

Ten slotte, minister, wil ik er de aandacht op vestigen dat het zogenaamde campuscriterium een vlotte doorstroming in het methodeonderwijs ernstig belemmert. Kinderen die bijvoorbeeld hun lager onderwijs in een Freinet- of Steinerschool hebben doorlopen, zouden voorrang moeten krijgen bij een inschrijving in een middelbare school met hetzelfde pedagogisch project. In de realiteit is het immers zo, althans in Gent, dat een Freinetbasisschool niet op dezelfde campus gevestigd is als een Freinetsecundaireschool. Ik vraag u met aandrang dit probleem mee te nemen in de evaluatie van het GOK-decreet.

Ik kom tot mijn conclusie. Met dit ontwerp van decreet is het werk niet af. Er moet nog veel gebeuren. U hebt nog 4 jaar tijd om de strategische en operationele doelen van uw beleidsnota onderwijs 2009-2014 in structurele maatregelen te concretiseren. Minister, u kunt daarbij op de steun van onze fractie rekenen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis

Voorzitter, minister, collega’s, eerst en vooral wil ik mevrouw Deckx namens mijn fractie bedanken voor het uitvoerig toelichten van Onderwijsdecreet XX (OD XX). Door haar uitvoerige toelichting zijn een heel aantal elementen aan bod gekomen. OD XX omvat heel wat positieve elementen voor elk onderwijsniveau. Er wordt bijzonder ingezet op ‘samen grenzen verleggen voor elk talent’: de titel die de beleidsnota Onderwijs voor deze legislatuur kreeg, maar die ook hier relevant is.

Ik wil even stilstaan bij een vijftal elementen die wij belangrijk vinden en waar we de klemtoon op willen leggen. Ten eerste is er de taalproef voor de kleuters. Het betreft een adviserende taalproef voor kleuters die minder dan 220 halve dagen naar het kleuteronderwijs zijn geweest. De proef gaat na of de kinderen voldoende Nederlands kennen om naar de lagere school te gaan en daar een vlotte start kunnen nemen.

Ten tweede worden er ook maatregelen genomen in het kader van de capaciteitsproblematiek in het basisonderwijs. Op korte termijn zijn er nuttige maatregelen genomen maar we moeten dit constant blijven opvolgen en zo nodig bijsturen. De minister gaf onlangs aan dat hij werk wilde maken van een soort permanent kenniscentrum rond capaciteit. Als dat kan worden opgericht binnen de administratie, is dat een zeer interessante optie.

Ten derde is er de herziening van de verklaring op eer dat de thuistaal het Nederlands is. Ik denk dat het bijzonder positief is dat er nu objectieve maatstaven zijn zoals diploma’s, getuigschriften en/of andere bewijzen die aantonen hoe het met de kennis van het Nederlands staat. De creatieve verklaringen op eer zijn volledig achterhaald en niet langer toelaatbaar.

Als vierde element is er het optrekken van het percentage voorrangsgerechtigde Nederlandstalige kinderen en jongeren tot minstens 55 percent in Brussel. Natuurlijk staat ons Nederlandstalig onderwijs open voor iedereen, maar we moeten toch een plaats kunnen garanderen voor onze Nederlandstalige kinderen en jongeren. Maar ook de anderstalige kinderen die kiezen voor het Nederlandstalig onderwijs, hebben daar belang bij.

Als laatste voorbeeld vermeld ik graag de mogelijkheid waarin voorzien wordt om een tweede onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers te organiseren, wat toch een stap vooruit is in vergelijking met vroeger. Door in te zetten op Nederlands, vergroten we de kansen van deze jongeren. De evaluatie van dit extra jaar zal uitwijzen of de inrichting van een tweede OKAN-jaar volstaat, maar misschien moeten we een tandje bij durven steken.

Voorzitter, minister, collega’s, de aangehaalde punten zijn maar enkele voorbeelden uit het omvangrijke decreet OD XX. Een aantal opgenomen elementen lopen af en/of vragen om een evaluatie. Daarom denken wij dat OD XX niet alleen een belangrijk document is in functie van het komende schooljaar, maar het decreet bevat ook elementen en aanzetten die zeker voor de volgende onderwijsdecreten zeer nuttig kunnen zijn. (Applaus)

De voorzitter

De heer Bouckaert heeft het woord.

Boudewijn Bouckaert

Voorzitter, minister, beste collega’s, we zijn vandaag 30 juni. Deze dagen zijn voor ouders en voor schoolgaande kinderen dagen van tranen of van vreugde en ze zitten vol van termen zoals A- en B-attesten en clausulering, want dat zijn de termen die nu circuleren in vele huiskamers. Je zou denken dat deze dagen dan ook een goede gelegenheid zijn om OD XX te bespreken, maar eigenlijk is dat niet zo.

Zo kom ik meteen tot mijn eerste opmerkingen op het decreet en ook een van de redenen waarom wij ons zullen onthouden, dat weet u nu al, namelijk de timing van het decreet. Het werd reeds door vorige sprekers opgemerkt: op 28 mei 2003, toen was ik er nog niet, maar toen nam het Vlaams Parlement desondanks de verstandige resolutie aan dat alle decreten die gevolgen hebben op de start van het schooljaar, voor 1 mei in het Vlaams Parlement moeten worden ingediend en dat de besluiten en omzendbrieven voor 25 juni in de scholen aanwezig moeten zijn. Dat is een verstandige regel, een regel van goed bestuur, omdat op die manier de schooldirecties hun maatregelen kunnen nemen om zich aan te passen aan de nieuwe regelgeving.

We zijn 7 jaar later en deze termijn wordt opnieuw niet gehaald. We zijn vandaag 30 juni, de laatste schooldag, en de schooldirecties weten amper of deze maatregelen goedgekeurd zullen worden. Maar natuurlijk hebt u, minister, niet gewacht op het goedkeuren van het decreet, u doet een beetje aan ‘government by announcement’ door dit nu al naar de scholen te sturen. Praktisch is dat natuurlijk een goede werkwijze, maar politiek gezien is dat natuurlijk een beetje het parlement voor schut zetten, want u herleidt op die manier het parlement tot een goedkeuringsmachine.

Ik sluit me ook aan bij de opmerking van mevrouw Vanderpoorten over de werkwijze in de commissie. Het oorspronkelijke ontwerp werd ingediend op 7 mei, maar in de commissievergadering van 3 juni werden we geconfronteerd met het indienen van 35 amendementen. Die kregen we plots op ons dak, minister, en toen hadden we nog een weekje om ze allemaal te verwerken.

Beste collega’s, het gaat in die amendementen niet over peanuts. Zo is een van de belangrijkste punten van wijziging in dit ontwerp van decreet het verminderen van de afstandsregel van 2 kilometer tot 250 meter, toch een serieuze reductie. Dat punt zat in die amendementen, niet in het ontwerp zelf.

Dat is niet voor herhaling vatbaar. De oppositie heeft dat niet gesmaakt. Minister, wij hadden misbruik kunnen maken van de reflectietermijn. We hebben dat niet gedaan omdat de goede werking van het onderwijs in Vlaanderen onze voornaamste zorg is. We wilden dat dit ontwerp van decreet zo snel mogelijk werd goedgekeurd.

We onthouden ons en stemmen niet tegen omdat dit decreet een hele reeks correcte technische aanpassingen doorvoert. Collega’s, als u zich de moeite zou getroosten om deze decretale regels door te nemen, zou u zien dat het heel technisch is. Op lange termijn moeten we eens kijken of dat niet kan veranderen. Misschien als de regels voor het onderwijs in een Vlaamse grondwet zouden kunnen worden vastgelegd. We moeten er toch naartoe dat in de decreten de voornaamste beleidslijnen staan en de technische uitwerking in besluiten van de Vlaamse Regering. Dan moeten al die technische regels niet in het Vlaams Parlement worden behandeld en gestemd en kan het zich concentreren op de echte grote beleidsdilemma’s in het onderwijs. Dat is een algemene opmerking, die ook regelmatig wordt gemaakt bij reguleringsimpactanalyses. Maar die technische maatregelen moesten nu worden genomen bij decreten en in die zin is dat zeer correct.

Een goede beleidsmaatregel is bijvoorbeeld de afschaffing van de 2 kilometerregel. De minister heeft krachtdadige maatregelen genomen. Hij heeft de koe bij de horens gevat om de problematiek van de capaciteit in het kleuteronderwijs aan te pakken. Dit is daarvan een decretaal verlengstuk. We zullen de minister angstvallig in de gaten houden en zien of hij zijn belofte waarmaakt om elke kleuter tegen 1 september onderdak te geven.

Een tweede goed punt is de invoering van de mogelijkheid voor scholen tot het verlenen van individuele vrijstellingen van bepaalde studieonderdelen in het kader van de actie ‘Accent op talent’. Dat leidt tot meer efficiëntie en effectieve tijdsbesteding.

Ik vind het ook goed dat de Vlaamse Regering kan voorzien in bijkomende financiering voor technisch en beroepsonderwijs voor opleidingen voor knelpuntberoepen, waardoor een aansturingselement wordt ingevoerd. Zo kan het onderwijs beter worden afgestemd op de arbeidsmarkt. Dat is een van de zorgen van onze fractie.

Er zijn ook negatieve punten. Ik zal hier niet overgaan tot detailkritiek. In de commissie is daar heel uitgebreid over gediscussieerd, getuige daarvan het uitstekende verslag van mevrouw Deckx. Ik geef wel enkele algemene opmerkingen.

Ik heb het moeilijk met de verlenging van een aantal tijdelijke projecten. De technische term daarvoor is ‘genadejaren’. Ofwel zeg je dat die definitief stoppen, ofwel bouw je een permanentie in. Afschaffen maar een genadejaar inbouwen, vind ik geen goede techniek. Men speelt een beetje met de mensen die in die projecten zitten.

Collega’s, de samenwerking met het zo geprezen middenveld, namelijk met de SERV, heeft gefaald. De SERV ging competentieprofielen ontwikkelen voor het hoger beroepsonderwijs. Er is dus geprobeerd om het middenveld in te schakelen, maar dat is om allerlei redenen niet gelukt, waardoor dat door het ministerie zelf in handen is genomen. We moeten ons er eens over bezinnen of die samenwerking met het middenveld niet kan worden geoptimaliseerd. Op zich vinden we dat een goede aanpak. Het is jammer dat het hier is mislukt.

Voorziening in extra leraaruren als stimulans voor scholengemeenschappen wordt ook vermeld. Wij vinden dat een pleister op de wonde. Ik zou liever zien dat die middelen gewoon worden besteed aan een verhoging van het aantal leraren.

Wat ten slotte de experimenten inzake de aanmelding betreft, deel ik de kritiek die door mevrouw Meuleman werd geuit. Het zou beter zijn de bestaande toestand te behouden en geen uitbreiding na te streven en in de loop van het jaar deze aanmeldingprocedure aan een grondige evaluatie te onderwerpen, zoals het hele GOK-decreet moet worden herbekeken. We zullen dan ook het amendement van Groen! goedkeuren.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Er is al heel veel gezegd. Ik zal niet alles herhalen. Ik deel de verontwaardiging dat deze manier van werken absoluut niet aanvaardbaar is. Er is een decreet en een hele tijd erna verschijnt er een boek vol met amendementen, dat bijna even dik is als het decreet zelf. Bovendien gaat het om amendementen die niet zuiver technisch zijn, maar ook inhoudelijk ingrijpend. Ze zijn aan een formeel overleg ontsnapt.

Een van de amendementen betreft de regeling van het inschrijvingsbeleid. Het is al gezegd. Op het moment van de bespreking, toen we het amendement een week in ons bezit hadden, was het middenveld nog niet op de hoogte van wat op het spel stond. De reacties zijn nadien overvloedig binnengekomen. Ik noem organisaties die het absoluut oneens zijn met het inschrijvingsbeleid dat het volgend jaar geldt: de Vlor, het OVSG, het Minderhedenforum, de Federatie Marokkaanse Verenigingen en allerhande schoolraden en lokale overlegplatformen (LOP’s). Ze hebben me gecontacteerd en zijn verontwaardigd. Ze willen dit amendement niet goedgekeurd zien.

Ze hebben me aangeschreven. De minister had beloofd – en dat is zo genoteerd in het tijdschrift GO Magazine – dat er geen uitbreiding en geen aanscherping van dat inschrijvingsbeleid zou komen en dat hij de evaluatie zou afwachten alvorens een gedragen regeling voor dat inschrijvingsbeleid te treffen. Dat wordt nu helemaal onderuitgehaald. Dat is voor ons absoluut onaanvaardbaar. De manier van werken is onaanvaardbaar, maar ook de criteria die in het amendement worden voorgesteld, zijn voor ons onaanvaardbaar.

Vooreerst is er de chronologie. Wie eerst komt, eerst maalt. We hebben gezien wat dat teweegbrengt. Niet alleen waren er veel technische moeilijkheden omdat iedereen op hetzelfde moment wou inschrijven, waardoor het systeem is gecrasht. We hebben het hier al uitgebreid over gehad. De sociaal sterkere met goede computerskills wordt hierdoor bevoordeeld, terwijl de sociaal zwakkere er het slachtoffer van is.

Ook het campuscriterium is onaanvaardbaar. Als men naar de basisschool gaat, krijgt men voorrang voor de secundaire school die aan de basisschool verbonden is.

Ook de nabijheid van de werkplek van een van de ouders wordt als criterium ingevoerd. Dat druist in tegen het principe van de buurtschool of de brede school. Dat vinden wij niet aanvaardbaar. Het amendement kan voor ons en de verenigingen die ik heb opgenoemd, absoluut niet.

Ik heb alsnog een amendement ingediend dat dit amendement wijzigt en ons terugbrengt naar de vroegere toestand. Er staat in de evaluatie in het voorjaar af te wachten om zo tot een gedragen oplossing te komen.

Ik roep de collega’s hier op – ik heb collega’s gehoord die het met mij eens zijn – om mijn amendement goed te keuren en de procedure een jaar te verlengen en de evaluatie af te wachten om tot een degelijke en gedragen en goede oplossing te komen.

De voorzitter

De heer Delva heeft het woord.

Paul Delva

Voorzitter, ik heb enkele kleine opmerkingen. Ik sta altijd verbaasd dat men vanuit groene hoek het criterium van het moment van aanmelding aanvalt. Men vindt dat dit de rechten van de sociaal zwakkeren inperkt. Als mijn geheugen me niet in de steek laat, is dat element een van de hoekstenen – zo niet dé hoeksteen – van het inschrijvingsbeleid van het GOK-decreet dat paars-groen in 2002 heeft goedgekeurd. In de commissie maar ook in perscommuniqués hoor ik u regelmatig fulmineren tegen dat criterium, maar dat is nu precies een ankerpunt van het decreet dat u hebt goedgekeurd.

Een aantal middenveldorganisaties hoor ik bezwaren uiten over het criterium afstand werkplaats-school. Wel, we zijn het er allemaal over eens dat Nederlandstalige scholen in Brussel er alle belang bij hebben dat in die scholen Nederlandstalige leerlingen zijn, want dat ordeningscriterium kan ervoor zorgen dat een aantal Nederlandstalige kinderen uit de Rand naar die Brusselse scholen kunnen gaan. Ik laat het hierbij, maar wil toch zeggen dat ik het met de meeste van de commentaren fundamenteel oneens ben.

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, laat me eerst iedereen danken die lof uitsprak voor de vele goede maatregelen die in het decreet zijn vervat. Ik begrijp natuurlijk dat niet iedereen het altijd met alle maatregelen eens is. Zo gaat dat in het leven. In het Onderwijsdecreet zitten een aantal zaken die we hadden beloofd. Niemand had het erover, maar ik wil er toch even naar verwijzen. Ik denk dan aan de nieuwe regeling voor leerkrachten die heel erge dingen doen. In het verleden kon men niet optreden, maar nu kan dat. Ook inzake de capaciteit en andere zaken houden we woord. Het is belangrijk dat zaken die de overheid aankondigt, ook gebeuren.

De werkwijze is een jaarlijks terugkomend voorwerp van debat. In een antwoord op een vraag van de heer De Meyer zei ik al dat ik erg sportief op de uitdaging wil ingaan en wil slagen waar veel voorgangers niet zijn geslaagd, en dus de zaken tijdig wil indienen. Met de nodige schroom en bescheidenheid moet ik erkennen dat de indiening zes dagen te laat gebeurde, maar ook dat het nadien vier weken heeft geduurd vooraleer het ontwerp in de commissie is besproken. De heer Bouckaert zei het ook.

Dat neemt niet weg dat ik vind dat het parlement gelijk heeft. De heer De Meyer wees er al herhaaldelijk op: we moeten dat tijdig aanpakken. We gaan die uitdaging aan. De scholen zijn ingelicht, mevrouw Helsen. Het klopt dat nog niet alle uitvoeringsbesluiten klaar zijn. Die worden aanstaande vrijdag of de week nadien door de Vlaamse Regering behandeld. Vaak gaat het om erg technische uitvoeringsbesluiten, en de scholen weten inmiddels al wat daarin staat. U weet ook dat het departement een erg goede ondersteunende dienst heeft waar scholen met vragen terechtkunnen.

Enkele mensen hadden het over de amendementen. Ik begrijp dat, maar u moet ook niet overdrijven. U hebt theoretisch gelijk dat het één mooi pakket zou zijn. Mevrouw Vanderpoorten, u weet ook dat er een verschil is tussen de theorie en de praktijk. Er wordt flexibiliteit gevraagd. Maar de amendementen zijn wel overlegd. Dat is ook de reden waarom u ze niet eerder kon krijgen. Sommige organisaties zijn snel omdat we met hen hebben overlegd, maar we hebben dat nog niet kunnen indienen. Daardoor hebt u die e-mails misschien iets vroeger gekregen dan gepland.

We hebben het ook gehad over de opmerkingen over de taalproef. Ik heb me daartoe geëngageerd. U weet dat ik mijn engagementen nakom. We gaan dat grondig evalueren. Het is een decreet dat door het vorige parlement is goedgekeurd. De minister moet decreten uitvoeren. Dat heb ik dan ook gedaan. Vele mensen zijn het daar wel mee eens, sommige niet. We zullen dat evalueren en aanpassen indien nodig.

We hebben het al vaak gehad over de problematiek inzake leerzorg en draagkracht. Die gesprekken lopen op dit moment in de vijf resonantiegroepen. We gaan de tijd nemen om alles grondig te bespreken zodat we tot een gedragen regeling kunnen komen voor leerzorg.

Inzake de capaciteitsproblematiek hebben we maatregelen genomen. We hebben ook met het vrij onderwijs gesproken. Alle pertinente vragen die werden gesteld, werden ook beantwoord. We hebben de drietrapswerkwijze gevolgd. We begonnen met de uitbreiding in de bestaande klassen. Wanneer dat niet voldoende was, hebben we bijkomende ruimte in bestaande scholen in gebruik genomen. Pas daarna hebben we nieuwe scholen opgericht.

Alle dossiers zijn goedgekeurd. Ondertussen zijn die ook doorgesproken met de onderwijspartners en de regering. Nu proberen we een evenwicht te vinden. Als het nu niet kan, dan toch volgend jaar. Ik stel voor dat we de vraag over de programmatiestop morgen in de commissie bespreken naar aanleiding van de vraag om uitleg van mevrouw Vanderpoorten.

Mevrouw Van Steenberge, ik ben het er niet mee eens dat we scholengemeenschappen moeten bestraffen. We stimuleren de scholen om in scholengemeenschappen te stappen. Het is logisch dat, als we stimuleren, we ook iets extra’s geven.

Mevrouw Vanderpoorten, we zijn niet bezig met het uitstellen van de hervorming van het secundair onderwijs. We zitten nog op schema. We hebben altijd gezegd dat we tegen september met een oriëntatienota zullen komen. U weet dat we niet met kinderen experimenteren, zeker niet als we een grondige hervorming van het secundair onderwijs willen doorvoeren. Daarvoor is er een momentum. Laat ons de kans niet mislopen door te snel te willen gaan. De administratie is heel hard aan het werken om die oriëntatienota te maken, zodat we die kunnen bespreken in september en aan iedereen ter consultatie voorleggen. We zijn aan het nagaan welke maatregelen we versneld kunnen doorvoeren in het secundair onderwijs, nu we steeds meer zicht krijgen op het kader, zonder te wachten tot de uitvoering in de periode 2014-2019.

Er zijn opmerkingen gemaakt over de experimentele aanmelding. Ik begrijp dat er opmerkingen kunnen worden gemaakt. Mevrouw Meuleman, ik heb niet de ambitie om nog geschiedenislessen te geven, maar toen daarover heel wat commotie was, hebben heel veel mensen gevraagd dat de decreetgever de aanmeldingsmogelijkheden zou aanscherpen. Die vraag was er. Als je keuzes maakt, is niet iedereen daar altijd gelukkig mee. Er zijn altijd situaties die je niet dekt, zoals mevrouw Pehlivan terecht opmerkte over Freinetscholen in Gent, wat een heel specifieke situatie is. Daarvoor hebben we nog geen juridische oplossing gevonden. We moeten daar verder naar zoeken. Mijn engagement hebt u in elk geval dat we na 1 jaar regeling alle opmerkingen zullen opnemen en proberen een evenwichtige oplossing te vinden voor iedereen en na te gaan in welke mate we nog iets meer kunnen inspelen op lokale situaties.

Ik deel de opmerking van de heer Delva. Die geldt niet alleen voor Brussel, maar ook voor Antwerpen en misschien in zekere mate voor Gent. Het is belangrijk, zeker in buurten met een enorme concentratie, dat er ook kinderen komen die niet in de stad wonen. De mix op zich hoeft geen probleem te vormen. Ook als je voorstander bent van het concept van buurtscholen – wat ik ben – sluit dat niet uit en is het soms wenselijk, zeker in Brussel, maar ook in andere Vlaamse steden, dat je kinderen krijgt die niet in de stad wonen.

Anderzijds is het ook op zich niet slecht dat leerkrachten hun kinderen meenemen naar de school waar ze lesgeven. Want, welke ouder wil nu niet zijn kind naar een school sturen waar de kinderen van de leerkracht school lopen? Daar moet u ook even over nadenken, mevrouw Meuleman. Dat is meestal een heel goede kwaliteitsgarantie. Ik begrijp sommige van uw opmerkingen.

Wat andere opmerkingen betreft, ook vanuit de steden, zullen we de komende maanden heel goed monitoren. Na een evaluatie zullen we de nodige aanpassingen doorvoeren.

Mijnheer Bouckaert, wat de werkwijze betreft, heb ik al geantwoord. Wat de technische regeling betreft, is de Grondwet de Grondwet. We moeten in onderwijs heel veel decretaal regelen. Het is inderdaad misschien wel aangewezen om daar een andere benadering voor te vinden. Ik kan alleen maar vaststellen dat de Raad van State door de jaren heen ‘scherper’ wordt en steeds meer adviezen geeft. Laat die decreetgever daar maar over stemmen. Vanuit legistiek oogpunt kan men daar vragen over stellen.

Voorzitter, ik denk dat ik alle algemene vragen heb beantwoord. Op een aantal opmerkingen die zijn gemaakt, ben ik uitvoerig ingegaan in de commissie. Ook de komende weken zal ik in de commissie nog een aantal vragen beantwoorden. Alle evaluaties die in het decreet staan, zullen worden meegenomen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer

Minister, ik waardeer uw engagement dat het de laatste keer zal zijn dat de resolutie ordentelijke start schooljaar niet wordt nageleefd. Minister, ik heb in de commissie al aangekondigd, en u zult het me ook niet kwalijk nemen, dat ik me bijna traditiegetrouw, omwille van het niet naleven van mijn resolutie, zal onthouden bij de stemming over dit ontwerp van decreet. Ik hoop dat dit de laatste keer is.

Voor de collega’s die de resolutie niet kennen, vat ik even de essentie samen. Ten eerste moeten besluiten en omzendbrieven gestoeld zijn op een decretale regeling. De decreten die ingaan op 1 september, moeten voor 1 mei in het parlement zijn. Tot slot moet alle regelgeving in de scholen gekend zijn voor 25 juni. Dit was alvast mijn stemverklaring voor straks.

Minister Pascal Smet

Ik ga de uitdaging aan.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Parl. St. Vl. Parl. 2009-10, nr. 526/4)

– De artikelen I.1 tot en met VIII.13 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement tot vervanging van artikel VIII.14. (Parl. St. Vl. Parl. 2009-10, nr. 526/5)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen VIII.15 tot en met VIII.27 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.