U bent hier

De heer De Meyer heeft het woord.

Minister, gisteren vond het interessante onderwijscongres van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen plaats onder het motto ‘Genereus ambitieus’. Daags voor dit congres lanceerde de topman van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen Lieven Boeve de piste om een gesprek op gang te brengen over de tewerkstelling in het basisonderwijs, om niet alleen bachelors, maar ook masters en zogenaamde onderwijsassistenten in het basisonderwijs te werk te stellen.

Minister, ik wil alleen even focussen op het eerste aspect, zijnde de tewerkstelling van de masters. Onze samenleving en ons onderwijs evolueren, collega’s, en er zijn steeds meer verwachtingen naar het onderwijs toe. Daarom denk ik dat het een waardevolle piste is dat er naast bachelors ook masters, specifiek opgeleid voor het basisonderwijs, ingezet zouden kunnen worden. Ik constateer dat ook het Christelijk Onderwijsverbond (COV) en meerdere onderwijsexperts deze piste genegen zijn.

Minister, ik had graag vernomen wat uw standpunt daartegenover is.

De heer De Ro heeft het woord.

De inleiding die collega De Meyer gegeven heeft, ga ik niet herhalen, minister, maar het is een wederkerend principe. Elke vijf jaar worden wij hier allemaal een beetje zenuwachtig in het parlement, omdat de verkiezingen en de lijstvorming eraan komen. Sommigen hebben al de blos van het goede nieuws op de wangen, anderen zien wat bleker, omdat het nieuws nog moet komen. Ik  hoop dat mijn gelaatsuitdrukking niet te veel prijsgeeft, maar ik weet nog niets.

Bij onze partners in het middenveld zien we het omgekeerde. Daar is er geen zenuwachtigheid over de lijstvorming, maar daar krijgen we eigenlijk een berg aan memoranda en verlanglijstjes en het ene lijstje is al wat langer dan het andere. Het lijstje van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen, waar daarjuist sprake over was, telt maar liefst 54 verzoeken. Daar zijn er bij die we al jaren in ons partijprogramma staan hebben en volledig onderschrijven, maar er zijn er ook bij die wat meer aandacht kregen.

Onderwijsassistenten hebben de laatste dagen zowel politiek als maatschappelijk heel duidelijk de geesten beroerd. Dat is ook niet verwonderlijk, omdat het appelleert aan iets wat ons allemaal aangaat. Iedereen binnen het onderwijs wordt geconfronteerd met de zwaarte van het beroep en de planlast. Iemand erbij krijgen, dat is voor iedereen in het onderwijs toch wel een mooi idee.

Als je echter verder gaat nadenken, dan hebben wij toch wel wat vragen. We hebben nog maar net de grote hervorming van de lerarenopleiding gehad, waarin van dit voorstel geen sprake was, ook al is het een voorstel van een van de grootste afnemers van de onderwijsmarkt. We hebben een verlanglijstje voor het basisonderwijs gekregen, waar dat voorstel ook niet in staat. Nu komt dan de vraag naar een graduaat onderwijsassistent, net nadat we het over de graduaatsopleiding gehad hebben, waar al een educatieve graduaatsopleiding in zit.

Mijn vraag is dan ook of u enig idee hebt waar we naartoe gaan, want dit is wel zeer raar. Als al die besprekingen voorbij zijn, komt er plots iets nieuws, alsof we de afgelopen jaren nog niets gedaan hebben. Dat is toch niet het geval.

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, ik denk dat het maandag was toen ik wakker werd met de stem van Lieven Boeve in mijn oor. Ik was meteen klaarwakker… (Gelach)

Ik was meteen klaarwakker, want hij sprak over het feit dat hij meer handen wou in het onderwijs. Ik dacht: wauw, wij, onder meer uit monde van mijn collega Koen Daniëls, vragen al jaren meer handen in het onderwijs en dus minder mensen in de tussenstructuren.

Toen ik verder luisterde – ik was dus heel goed wakker –, was ik een beetje teleurgesteld, want hij begon over de onderwijsassistenten. Dat was zijn oplossing om meer handen in het onderwijs te krijgen. Hij gaf aan dat ze een graduaatsopleiding zouden moeten volgen. De inhoud daarvan liet hij nog in het midden. Hij gaf ook aan welke taken ze zouden moeten doen. De verantwoordelijkheden van die taken, gaande van klassen klaarzetten tot het overnemen van administratieve taken naar het verbeteren van huistaken, zijn wel taken die heel andere niveaus van verantwoordelijkheid hebben.

Minister, de oproep naar onderwijsassistenten is niet meteen een antwoord op de vraag die we krijgen vanuit het onderwijsveld. Zij vragen inderdaad planlastvermindering, maar ze kijken daarvoor ook naar de onderwijsverstrekkers, want die hebben daar een grote rol in. Ze vragen wat zij kunnen doen om te zorgen voor minder planlast in plaats van die door te schuiven naar anderen. Ze vragen uiteraard ook ondersteuning in de klas, maar ze vragen dat vanuit een bredere basiszorg, zodat er deskundige mensen in de klas kunnen komen die effectief ademruimte zullen geven in die klas.

Minister, bent u het idee van de onderwijsassistenten genegen, of gaat u mee met ons voor een bredere basiszorg?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Krekels, ik zou weleens willen weten hoe het mij zou vergaan als ik met Lieven Boeve in mijn oor wakker zou worden. Het is me nog niet overkomen, meestal ben ik al wakker. Er zijn heel weinig mensen met wie ik in mijn oor wakker wil worden. Mijnheer Somers, je kunt op bepaalde momenten in veel mensen hun oor terechtkomen. (Gelach)

Collega's, alle gekheid op een stokje, ik wil vooreerst onderstrepen wat collega De Ro zegt: het is bijna 26 mei en ik zie dat de veelheid aan vragen die vandaag aan mij worden gesteld, voortkomen uit de memoranda of dergelijke. Het kan zijn dat ik vanaf nu op alle memoranda antwoorden moet geven. Ik voel ook dat de kranten graag standpunten hebben op memoranda. We hebben beslist om daar sober mee om te gaan, omdat iedereen wel het recht heeft om nieuwe pistes voor de toekomst te lanceren.

Er zijn ook enkele zaken die me wat hebben verrast in het voorstel. Ten eerste hebben we in deze legislatuur de lerarenopleiding hervormd met het oog op kwaliteit. Met het oog op de nieuwe lerarenopleiding die volgend jaar start, heb ik van iedereen dezelfde oproep gekregen: investeer in kwaliteit, zorg dat de goede mensen naar het leraarschap gaan, zorg dat je ook aan de universiteiten een educatieve masteropleiding kunt volgen enzovoort.

Ik krijg nu een voorstel om te investeren in mensen in de klas die geen pedagogische opleiding hebben gevolgd, die dus ook niet de pedagogische bekwaamheid hebben gevolgd en dat verrast me, temeer omdat er in alle voorgaande plannen van onderwijsassistenten geen sprake is. Het belangrijkste daar is het plan basisonderwijs. Dat heeft een kostenplaatje van 1,8 miljard euro. Er staan masters in het basisonderwijs, maar van onderwijsassistenten is er geen sprake.

Blijkbaar zouden ze moeten worden ingezet voor planlast en administratie. Ik zou eigenlijk verwachten dat in memoranda van iedereen het hoofdstuk planlastvermindering heel groot zou zijn. Mevrouw Krekels, u hebt heel hard op die nagel geklopt, de collega’s De Meyer en De Ro hebben dat ook gedaan. De overheid heeft echt een aantal planlasten weggenomen. Iedereen die met onderwijs bezig is, gaande van de schooldirecteur die voldoende vertrouwen moet geven, tot de koepels, moet actief zoeken naar manieren om die planlast en de rapporteringsdrift te verminderen.

Ik ben in scholen geweest waar men zegt: ‘Er is één ouderkoppel naar de rechter gestapt, en we hebben die zaak verloren’ – u was erbij, collega Krekels – ‘en dus moeten alle leerkrachten nu aanzienlijk meer administratie doen om zich te verantwoorden.’ Laten we deze verantwoordingsdrift met z’n allen aangrijpen, en laten we niet onmiddellijk iemand extra zoeken om die administratie te doen.

Wat die administratie betreft: het is dankzij deze regering en binnen deze legislatuur dat we bijvoorbeeld 20 miljoen euro investeerden in ondersteuning voor onze directeurs. Dat is een vijfde meer dan vroeger, en dat is een goede zaak. Ze kunnen daarmee aan de slag.

Collega’s, die assistenten passen ook niet in het plaatje van de graduaatsopleidingen zoals we daarin voorzien hebben. De graduaatsopleiding – zoals wij ze uitgetekend – gaat over mensen die een diploma secundair onderwijs hebben, die een paar jaar praktijkervaring hebben opgebouwd, maar die dan een hbo5-opleiding (hoger beroepsonderwijs) volgen om een onderwijsdiploma te krijgen. Zo kunnen ze als praktijkleraar of als leraar voor technische vakken ingezet worden. Dat is iets helemaal anders dan de assistenten die in het memorandum van het katholiek onderwijs naar voren komen.

Collega’s, voor mij is het echt belangrijk dat we ons nu focussen op wat in de plannen staat, en waar de sociale partners het over eens geworden zijn. Het gaat dan zeker over meer handen in de klas, zowel in het basis- als in het kleuteronderwijs. Een van de vakbonden zei: ‘Als je dan toch in assistenten in het onderwijs wilt investeren, doe het dan om de allerkleinsten te helpen.’ Want een van de kwesties van kleuterleiders kent u: kinderen die in de kleuterklas starten zijn veel minder zindelijk dan vroeger. Zij vragen om daar te investeren in wat helpende handen of in kinderverzorgers. Ik heb daar wel oor naar, maar het is niet onze eerste prioriteit om dat nu overal te gaan invoeren.

Collega De Meyer, dat ligt anders als het gaat over de masters in het basisonderwijs. Ik ben ingegaan op de vraag van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) om dat verder te onderzoeken. We brengen op dit moment de buitenlandse masters in het basisonderwijs in kaart. Hoe worden die gefinancierd?

We hadden vrijdag met de Vlaamse Regering een onderhoud met de regering van Noordrijn-Westfalen – minister Homans was er ook bij. Daar zijn alle leerkrachten in het basisonderwijs masters: de opleiding werd van drie naar vijf jaar gebracht, maar ze hebben de verloning niet aangepast. Daar is dus een hele discussie bezig: ze moeten vijf jaar studeren, net zoals de leerkrachten van het secundair onderwijs, maar ze verdienen wel minder.

Als je overgaat tot de mogelijkheid om masters in te zetten, dan moet je wel goed kijken of dat een geïntegreerde opleiding blijft, en wat je met de verloning doet. Al die consequenties moeten in kaart worden gebracht, en pas dan kun je daarover oordelen, met een goede achtergrond. We zijn op dit moment het succes – of het mindere succes – in kaart aan het brengen, om in de komende periode een goede keuze te kunnen maken.

Maar we zullen in de toekomst nog heel veel leraren nodig hebben, en dat zullen die assistenten ook niet oplossen. We moeten zorgen dat er voldoende jongeren via voldoende kanalen in de opleiding kunnen instromen. In onze scholen investeren we bij voorkeur in jongeren die een goed pedagogisch diploma en een goede pedagogische bekwaamheid hebben. We trekken voluit die kaart, want dat lijkt mij nu de eerste prioriteit.

Dat neemt niet weg dat ook het katholiek onderwijs – net zoals alle andere onderwijsverstrekkers – het volle recht heeft om alternatieve pistes naar voren te schuiven waarover geen overeenstemming bestaat tussen de sociale partners. Maar voor mij is dit niet de eerste prioriteit. De eerste prioriteit – alle collega’s hebben het gezegd – is heel terecht: extra handen in de klas in het basisonderwijs. (Applaus bij CD&V).

De heer De Meyer heeft het woord.

Voorzitter, ik ben onthecht van enige verkiezingskoorts. Ik voel ook niet de behoefte om de go-between te zijn, of om te polariseren met de een of andere onderwijskoepel.

Minister, u hebt het juist begrepen: mijn focus lag alleen op masters in het basisonderwijs, en niet op de zogenaamde onderwijsassistenten. Dat verhaal is trouwens niet nieuw; we hebben daar in het verleden meermaals een pleidooi voor gehouden.

We moeten ook rekening houden met de verdere uitrol van het M-decreet. Het zou op termijn bijvoorbeeld niet slecht zijn dat logopedisten met een master orthopedagogie niet alleen in het buitengewoon basisonderwijs maar ook in het gewoon basisonderwijs een plaats kunnen krijgen, rekening houdende met de evolutie die we meemaken.

Er zal in het basisonderwijs trouwens meer en meer ruimte moeten zijn voor coteaching. De klaspraktijk zal als het ware een groepspraktijk worden, met mensen met verschillende invalshoeken.

De heer De Ro heeft het woord.

Collega’s, vorige week hadden we in de Commissie voor Onderwijs nog het voorrecht om onderzoekers van de KU Leuven en de Vrije Universiteit Brussel te horen over het tijdsonderzoek.

Er was een top vijf opgesteld van wat leerkrachten graag doen. Het zal niemand verbazen dat er in die top vijf niets stond over administratieve last, regeldrift, verantwoordingsdiarree – als ik een van de woorden mag gebruiken die daarrond al een paar keer gevallen zijn.

Minister, de Tarra-oefening is een oefening die de Vlaamse Regering en uzelf, als minister van Onderwijs, jaarlijks ondernemen tegen de planlast. Het is inderdaad – ik ben blij dat u dat ook vaststelt – redelijk ontgoochelend om te zien wat er daarvan wetmatig voorkomt in de verschillende onderwijsdecreten

Op schoolbezoek vraag ik regelmatig: merken jullie dat nu ook in de dichtere kring, zoals de eigen koepel of de eigen pedagogische begeleiding? We blijven echter op onze honger zitten. Misschien is het antwoord wel dat we niet altijd naar de overheid moeten kijken om administratieve last weg te nemen en leerkrachten wat meer ademruimte te geven, maar dat ze ook eens in eigen boezem moeten kijken.

Minister, is onze indruk juist dat u daarin weinig steun hebt gekregen van de sociale partners?

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoorden. We zijn het eens over een paar zaken. Indien er meer middelen zouden komen voor personeel in scholen, moeten er in de eerste plaats leerkrachten bij komen, zodat er deskundige helpende handen bij komen in de klas.

U zult de verbreding van de basiszorg meenemen in het plan basisonderwijs. Ik hoop dat u ook het voorstel om de leerpsychologische leerkenmerken daarin op te nemen, meeneemt.

We hebben in de commissie meerdere keren gesproken over de planlastvermindering. U gaf daarbij aan dat u gesprekken voerde met de onderwijsverstrekkers, onder meer om te bekijken wat zij kunnen doen in het kader van die planlastvermindering. Zij zouden u concrete voorstellen geven. Hebt u die al ontvangen?

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Collega’s, ik dank jullie voor deze belangrijke vraag. De ondersteuning van de scholen blijft ons week na week beroeren, ook in de plenaire debatten.

De voorstellen van de koepels komen volgens mij voor een deel voort uit het feit dat zij nog steeds onvoldoende het gevoel hebben dat de bezorgdheden van hun leerkrachten en directies worden weggenomen. Ondanks de reeds genomen initiatieven – ik heb af en toe een aantal bestaande projecten genoemd – is er nog heel wat werk aan de winkel wat betreft visievorming, wat betreft het totaalplaatje. Dat heb ik ook gezegd in mijn betoog tijdens het vorige plenaire debat. We kunnen en mogen al die zaken niet los van elkaar zien: de ondersteuning van de directies, van de leerkrachten, minder administratie, coteaching, onvoldoende werkingsmiddelen. De problematiek moet in haar totaliteit worden aangepakt. Ik volg collega De Ro: ook de koepels moeten onderling bekijken hoe zij die planlast kunnen verminderen. Zij weten perfect wat de inspectie vraagt en ze kunnen daarin samenwerken.

Minister, laat ons, in het debat dat we nog zullen voeren, bijvoorbeeld over het plan basisonderwijs, concrete beslissingen nemen voor de volgende legislatuur. Zo zullen de directies en de leerkrachten zich echt gesteund voelen.

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, collega's, het is inderdaad vrij gemakkelijk om het voorstel af te schieten. Dat kan altijd. Maar we moeten vooral luisteren naar de noodkreet die achter dat voorstel schuilt. En die is zeer duidelijk dat er inderdaad een groot tekort is aan handen, zowel in de klas als daarbuiten, dat het werk steeds zwaarder is geworden, dat de zorgnoden hoger zijn.

En als er iets is waarop deze Vlaamse Regering heeft gefaald, dan is het wel de ondersteuning van leerkrachten en directies. Zij werden deze legislatuur vergeten. Er was geen lerarenloopbaanpact, er is veel te weinig gebeurd voor onze mensen. Een promocampagne zal het lerarentekort niet oplossen, wél een degelijke ondersteuning, minister.

Ik hoop dat deze noodkreet dan toch gehoord wordt en dat, als u deze legislatuur nog iets doet, dat zal zijn: zorgen voor extra ondersteuning voor directies en leerkrachten, in de klas en daarbuiten. 

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik richt mij eerst tot de twee collega’s van de oppositie. Ik herhaal: de gesprekken rond het lerarenloopbaanpact dat op tafel ligt en waarrond ik voorstellen heb gedaan, zijn geschorst, omdat de sociale partners zelf unaniem hebben gevraagd om een tijdsbestedingsonderzoek te doen en objectief in kaart te brengen wat de taakbelasting van de leerkrachten was.

We hebben dat nu uiteraard gezien, we hebben de resultaten ervan. De collega’s vertelden daarnet dat ze vorige week toelichting gekregen hebben in het parlement, en daarin zien we dat leraren in het basisonderwijs veel meer tijd aan administratie spenderen dan hun collega’s in het secundair onderwijs. Het is heel belangrijk om dat vast te stellen. Dus het is een zeer terechte vraag om die administratie naar beneden te halen. De groepen zijn ook veel heterogener, de zorgen zijn heterogener. Dus ik ben het daarmee eens.

Vervolgens komen op korte termijn – ik denk in februari – de sociale partners een plan voorstellen voor het basisonderwijs waarin geen sprake is van onderwijsassistenten, collega Meuleman. Men is tot een pakket maatregelen gekomen waaraan een heel groot kostenplaatje hangt, maar waar de onderwijsassistenten geen deel van uitmaken. De opmerkingen die wij maken betekenen dus niet dat we ze gemakshalve in de vuilbak smijten, maar dat we willen kijken waarover men het wel eens is.

Als je dan kijkt waar de prioritaire vragen liggen, zijn die voor de directeurs of voor de organisatie van de school inderdaad: ‘help ons’. We doen dat, de 20 miljoen euro recurrente middelen hebben impact. Maar voor degenen die op de klasvloer staan, zijn die vragen: ‘zorg dat we voldoende ondersteuning hebben in de klas’. Daar stoppen we dit jaar ook 20 miljoen euro extra in.

Maar in de cao-besprekingen die gevoerd zijn, en waar we naar de prioriteiten gevraagd hebben, was de eerste prioriteit: ‘zorg dat leerkrachten ook een competitieve verloning hebben, investeer ook daar in middelen, want anders zitten we daar ook op achterstand, en dat is niet goed’. Dat hebben we gedaan. Daarnaast hebben we 50 tot 60 miljoen euro vrijgemaakt om jonge leerkrachten werkzekerheid te bieden. Dat wordt nu voor het eerste echte jaar uitgerold. En voor de allereerste keer is er ook serieuze extra ondersteuning voor directies.

Collega Vandenberghe, samen met u hoop ik dat we nog extra sporen kunnen trekken naar de volgende legislatuur. Als ik de balans maak van de vorige legislatuur tot nu, is er nog nooit een plan basisonderwijs geweest, is er nog nooit een consensus geweest tussen sociale partners dat daar nu prioritair in geïnvesteerd moet worden. Die is er nu wel.

Collega’s, als ik nog eens mag verwijzen naar een ander memorandum, namelijk dat van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor), vind ik eigenlijk dat het basisonderwijs daar ongelooflijk veel te weinig in belicht wordt. Ik ga morgen ook persoonlijk aan de mensen van de Vlor meedelen dat het mijn oprechte overtuiging is dat we absoluut en prioritair in dat basisonderwijs moeten investeren zodra we verder extra middelen kunnen investeren.

Collega De Meyer, uw zin van ‘klaspraktijk naar groepspraktijk’ vind ik heel mooi. Ik denk ook dat dat waar is, dat dat de toekomst wordt, ook in ons basisonderwijs, dat werken met klassen veel meer teamwork zal zijn. We zien trouwens ook uit evaluaties van projecten dat het goed gevoel bij leraren stijgt als je er niet helemaal alleen voor staat, als je de zorgen kunt delen.

Maar ook hier – en ik moet mevrouw Krekels daar voor een stuk ook gelijk in geven – zie ik dat, als je bijvoorbeeld de werking van de ondersteuningsnetwerken bekijkt, men nog te veel verantwoordt op papier en te weinig vertrouwen heeft in het oordeel van leraren om bepaalde ondersteuningen te geven. Dat is niet omdat wij dat als overheid vragen. Wij hebben – en u hebt het gestemd – in het decreet en in de uitvoeringsbesluiten die dan door de regering goedgekeurd zijn, alles opengelaten als het gaat over de verantwoording. En je ziet dan dat er toch de facto enorm verantwoord wordt. Dat moeten wij stoppen. Dat heb ik ook gevraagd aan de koepels. Er zijn collega’s die gevraagd hebben waar ik daarmee sta. Ze bezorgen mij ook hun voorstellen. Ik ga dat ook nu nogmaals met hen bespreken.

De koepels hebben ook niet alle instrumenten, maar zij moeten ook wel wat vertrouwen kunnen geven aan de directeurs. Je ziet dat in de ene school er weinig verantwoordingen zijn en in de andere school veel meer. Dat hangt ook af van de manier waarop een directeur bijvoorbeeld naar een stukje juridisering kijkt. Als één negatieve uitspraak ervoor kan zorgen dat er een sidderende schoolcultuur ontstaat, is dat slecht.

Als de vernieuwde inspectie nu langsgaat om te zeggen ‘wij zijn eigenlijk jullie coach, wij willen helpen’, maar dat toch tot extreme papierdrang en -productie in scholen leidt, is dat eigenlijk niet meer van deze tijd. Dat gaat over een houding, een mentaliteit waarin we scholen weerbaar moeten maken. Daar wil ik als overheid zeker mee mijn verantwoordelijkheid nemen, om in die weerbaarheid te investeren. Dat is de reden waarom we een half miljoen euro vrijgemaakt hebben, specifiek voor de directeurs, om hen opleiding en vorming te geven, ook op het vlak van hoe zich goed te wapenen tegen al de juridisering die er vandaag bestaat. Maar dit is iets wat je als overheid niet alleen kunt, wat de koepels ook niet alleen kunnen. Je kunt hen ook niet beladen met alle zonden van Israël. Je moet echt op alle fronten naar een cultuur waarin opnieuw meer geloofd wordt in mensen, en waarin het papier niet het onderscheidende document is om te kijken of een kind al dan niet ondersteuning krijgt. Daar wordt hard aan gewerkt, maar er is ook effectief nog werk aan de winkel.

Voorzitter, het is duidelijk dat er een terechte zorg is in het basisonderwijs om daar blijvend in te investeren. De vraag wat hierbij de prioriteiten moeten zijn, wordt op verschillende manieren ingevuld. Mocht ik daar zelf over beslissen, collega's, dan zou de administratieve ondersteuning van de directies mijn absolute prioriteit zijn. Omdat geen enkele minister of geen enkele regering hocus pocus alle problemen kan oplossen, blijf ik mijn pleidooi herhalen, minister en collega's, om een legislatuuroverschrijdend actieplan op te stellen zodat we op korte en lange termijn kunnen werken.

Over een legislatuuroverschrijdend plan voor het basisonderwijs heb ik al verschillende keren het woord genomen. Minister, u kent de overtuiging van onze fractie en onze partij: wij steunen dat ten volle. Als je dan toch spreekt over assistenten of mensen die leerkrachten helpen, mag ik dan nog eens een lans breken voor iets dat uw enige vrouwelijke voorganger ooit heeft ingevoerd? Marleen Vanderpoorten heeft in 2000 de kinderverzorgsters in het onderwijs binnengehaald.

U gaf daarjuist aan dat als je dan toch extra handen in het onderwijs moet hebben, we die het best laten gaan naar de jongste kinderen. We weten uit onderzoek dat investeren vanuit de overheid in de jongste kinderen de grootste opbrengst – ik twijfel over het gebruik van dat woord – voor dat kind geeft. Het geeft het meeste rendement, de meeste vooruitgang voor het kind. Onze partij is er altijd groot voorstander van geweest om zo veel mogelijk kinderen op 2,5 of 3 jaar al naar school te sturen. Als we daar ook ons geld naast leggen, dan moeten we die kleuterjuf beter ondersteunen. Dat doe je door meer uren aan kinderverzorgsters te geven. Een juf kan nu gemiddeld op 4 of 5 uur rekenen. Dat is op een hele schoolweek met 20 of 24 kleine kleutertjes eigenlijk maar een kleine bijdrage.

Minister, wat betreft de onderwijsassistenten zouden we misschien de heer Boeve moeten aanraden om ook eens te gaan kijken naar Nederland en Engeland. In Nederland gebruikt men onderwijsassistenten, en die komen vanwege het lerarentekort ook voor de klas te staan terwijl dat helemaal niet de bedoeling is. Daar loopt men toch het gevaar op vermindering van onderwijskwaliteit.

In Engeland heeft een onderzoek uitgewezen dat de inzet van onderwijsassistenten niet zozeer een vermindering van de taakbelasting teweegbrengt maar eerder een verandering omdat er ook ondersteunend werk komt ten aanzien van die assistenten.

Minister en collega's, ik denk dat wij moeten staan voor een kwaliteitsvol onderwijs, en dat zijn goed opgeleide leerkrachten, dat is een sterk uitgebalanceerde basiszorg en een administratie die zich beperkt tot het strikt functionele.

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.