U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 21 maart 2018, 14.48u

Voorzitter
van de Vlaamse Regering
1478 (2017-2018) nr. 1
De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet betreffende duaal leren en de aanloopfase.

De algemene bespreking is geopend.

De heer Daniëls het woord.

We zouden ons betoog graag duaal houden.

Collega's, we staan hier heel bewust met twee parlementsleden, iemand uit de commissie Economie en iemand uit de commissie Onderwijs, omdat dit eigenlijk een historisch ontwerp van decreet is. Het is historisch, omdat er duaal zal worden gewerkt: Onderwijs en Economie samen. Vanuit Onderwijs is dat belangrijk, omdat er eindelijk – eindelijk – wordt ingezien dat er ook kan worden geleerd op de werkvloer.

Dank u wel, Koen.  Hier staat een fiere mentor, heel fier op zijn leerjongere, die dat super goed heeft gebracht.

Neen. Vanuit Werk is het inderdaad ook historisch, omdat heel veel ondernemers er in Vlaanderen al jarenlang de goede traditie op nahouden dat ze mensen, jongeren kansen willen geven, dat ze hen in hun bedrijf willen opleiden, dat ze hun machinepark ter beschikking willen stellen van scholen. Die ondernemers grijpen die kansen. Zij doen dat al jaren, via heel veel verschillende statuten, een kluwen aan statuten. Vaak doen ze dat ook wanneer het eigenlijk al te laat is, namelijk wanneer iemand al een tijdje op zoek is naar werk. Dan gaan ze die herscholen.

Er zijn hier nu twee ministers, die klaarstaan met een ontwerp van decreet. (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Ook duaal, hand in hand, bieden zij kansen aan die ondernemers. 

Collega's, wij voeren hier heel veel debatten over leerlingen die de eindmeet niet halen en ongekwalificeerd uitstromen. En veel van die leerlingen zijn schoolmoe, maar niet leermoe. In veel landen rondom ons, zoals Duitsland en Zwitserland, had men het al begrepen: we moeten die jongeren laten leren op de plaats waar ze kúnnen leren, op een manier waarop ze wíllen leren en ook erkennen dat er kan worden geleerd op de werkvloer.

En eindelijk, eindelijk zetten we deze stap in Vlaanderen. Het was een van de punten waarop we met de N-VA heel sterk op hebben ingezet. Eindelijk kunnen we tegen jongeren zeggen: ‘Je kunt nog leren. Er is een weg voor jou en die bevindt zich niet op school, maar wel op de werkvloer.’

Een tweede belangrijk punt daarbij is dat we de onderwijskoepels zover hebben gekregen om samen te werken. Zo hebben de drie onderwijskoepels samen één cursus gemaakt in chemische procestechnieken, in afstemming met het arbeidsveld. En dat lijkt ons pionierswerk, dat ook dringend nodig is in Vlaanderen. 

Ja, exact, Koen. Het is natuurlijk zo dat er ook vanuit Werk een enorme bereidheid en engagement is. Ministers, ik denk dat jullie oproep bijna 20.000 ondernemers heeft bereikt. Zij hebben een aanvraag ingediend tot officiële erkenning als werkplek. Ik denk dat er vandaag ondertussen al zo'n 16.000 tot 17.000 erkend zijn.

We moeten natuurlijk spaarzaam omgaan met die ondernemers en hun energie. We moeten ervoor zorgen dat ze hun energie en knowhow steken in de jongeren zelf die bij hen komen en dat ze die niet moeten steken in administratieve procedures, in de klassenraad waarvan ze deel uitmaken en die soms – Koen, ik denk dat jij dat beter weet dan ik – lang kan duren.

Ten tweede moeten zij die dit als mentor willen doen, ook niet aan een waslijst van vereisten voldoen. De concrete communicatie tussen het onderwijs en de ondernemer moet vlot en soepel verlopen. Het moet op een pragmatische manier verlopen.

Kwaliteit wordt in het onderwijs regelmatig naar voren gebracht. Het duaal traject moet kwalitatief zijn. We betreuren het een beetje dat er in het verleden langs de onderwijskant te veel van werd uitgegaan dat leren op de werkvloer per definitie niet kwalitatief kon zijn en, omgekeerd, dat in de arbeidswereld werd gedacht dat het onderwijs ver weg van de realiteit bezig was. Hopelijk zullen we die veronderstellingen en foute gedachten met dit duaal leren overstijgen.

Om het systeem al niet per definitie stuk te maken, moeten we uiteraard goed kijken voor welke leerlingen we dit doen. Daarom zijn er de begrippen ‘arbeidsmarktrijpe jongeren’ en ‘bijna arbeidsmarktrijpe jongeren’. Daar gaat het over. We gaan ervan uit dat iemand kan leren op de arbeidsmarkt en op de werkvloer. We kunnen het de werkgever op die arbeidsplaats natuurlijk niet aandoen dat er met die jongere veel meer aan de hand is dan enkel het effectief leren op de arbeidsvloer. Dit is een belangrijk punt in de advisering en de oriëntering van leerlingen. We moeten hier de juiste leerlingen naar oriënteren.

Ik heb daar eigenlijk weinig meer aan toe te voegen. Ik wil beide ministers en alle teams, raadgevers en Vlaamse volksvertegenwoordigers die aan dit ontwerp van decreet hebben gewerktn oprecht bedanken. Ze hebben een uitdrukkelijk geloof getoond in een systeem dat al vele jaren bestaat, dat goed werkt, maar dat helaas te complex, te ingewikkeld en te diffuus is. Ze hebben een enorme inspanning geleverd om dit op te waarderen en er iets sexy van te maken waar we fier op kunnen zijn. We kunnen hier terecht fier op zijn. Heel wat succesvolle ondernemers zijn uit een of ander vroeger stelsel inzake duaal leren gegroeid. Ik denk dat we met zijn allen moeten hopen dat dit nog meer dan ooit het geval zal zijn met het ontwerp van decreet waarover we vandaag stemmen.

Mijnheer Ronse, het handige aan een toespraak houden met een lid van de commissie Economie is dat de leden van de commissie Onderwijs erop worden gewezen dat het ook korter kan dan alle grote en langdurige debatten die we daar altijd houden. Het feit dat u  al begint af te sluiten, noopt me ertoe wat ik nog wil zeggen in twee zinnen te zeggen.

We zullen moeten evalueren. We zullen nog zaken moeten bijsturen. Er zullen werkplekken zijn waar het niet goed loopt. We zullen dan samen beslissen dat het niet op die werkplek zal gebeuren. Betekent dit dat we moeten stoppen en dat we moeten zeggen dat we willen wachten, uitstellen en alle positieve energie en alle reclame die we hiervoor hebben gemaakt, moeten stilleggen om ervoor te zorgen dat alles tot in het oneindige is uitgewerkt? Laat ons dat niet doen. Om die reden zullen we vanuit de N-VA, vanuit het onderwijs, vanuit de economie, vanuit de maatschappij, vanuit de mensen die met jongeren bezig zijn en vanuit de ouders dit ontwerp van decreet zeer enthousiast goedkeuren. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, ik zal mijn toespraak kort en krachtig houden. Als u het me niet kwalijk neemt, zal ik dit alleen doen, met het volle vertrouwen van mijn collega’s in de commissie Economie en Werk.

Het is belangrijk dat de aanloopfase onlosmakelijk met het duaal leren is verbonden en de ambitie heeft de leerlingen die nog niet in een duale leerweg kunnen instromen hier optimaal op voor te bereiden gedurende een periode die zo kort als mogelijk en zo lang als nodig is. Het ontwerp van decreet past in de ruimere decretale ambitie om onze kinderen en jongeren door middel van onderwijs nog betere ontplooiingskansen te bieden om tot hun recht te komen in de samenleving van vandaag en morgen en om als sterke personen met een brede algemene vorming en de grootst mogelijke kansen aan de arbeidsmarkt te kunnen participeren.

Het gaat om een voltijdse leerweg, waarbij scholen, centra, het bedrijfsleven en de ondernemers samen de verantwoordelijkheid nemen en ernaar streven het grootste gedeelte van de te bereiken competenties, zowel algemeen als beroepsgericht van aard, door werkplekleren te bereiken.

Het belang van de integratie van die beweging in de ruimere moderniseringscontext via de matrix en via de systematiek van curriculumdossiers kan daarbij niet worden onderschat. Dat daarbij ook het buitengewoon secundair onderwijs zal kunnen meestappen op een duale leerweg, is waardevol.

Het is een gelukkige keuze om, wat het gewoon onderwijs betreft, alle scholen en centra die vandaag al expertise hebben qua werkplekleren, de kans te bieden om studierichtingen duaal aan te bieden. De integratiebeweging wordt bovendien versterkt door de ambitie om via een gefaseerde aanpak te komen tot een eengemaakte financiering.

Een meerwaarde van het ontwerp van decreet zit ook in de keuze om de duale leerweg en de aanloopfase op maat van de leerlingen te ontwikkelen.

Ministers, we stellen vast dat er in het werkveld op dit vlak toch nog vragen zijn. Daarom wil ik ze ook expliciet formuleren. Hoe zal alles concreet verlopen? Soms is er nog een bezorgdheid of de jongeren die tijd nodig hebben om hun leertraject af te ronden hiervoor ook in de toekomst de nodige tijd zullen hebben. Zullen jongeren voor wie opleiding en onderwijs geen evidentie zijn, bijvoorbeeld omdat zij een moeilijke thuissituatie hebben of omdat zij motivatieproblemen hebben, in de toekomst ook nog een geschikt aanbod hebben? Biedt het ontwerp van decreet betreffende duaal leren en aanloop daarop effectief een antwoord? Met die vraag werden we de laatste dagen geconfronteerd.

Het engagement van het bedrijfsleven zal cruciaal zijn voor het welslagen van duaal leren, zeker wat betreft het voorzien in een voldoende groot aanbod voor werkplekleerlingen.

Met dit ontwerp van decreet geeft men leerlingen, ouders, betrokken aanbieders, ondernemers en bedrijven zeer binnenkort een duidelijk beeld voor de toekomst, terwijl de structurele inbedding en de gefaseerde uitrol bij het begin van het schooljaar 2019-2020 wordt gesitueerd.

De leerweg in het voltijds secundair onderwijs blijft uiteraard ook garant staan voor kwaliteit. De niet-duale leerweg, waarin andere vormen van werkplekleren zijn geïntegreerd, blijft een garantie voor kwaliteitsvol onderwijs. Beide leerwegen vullen elkaar aan en versterken elkaar, ook in de strijd tegen de ongekwalificeerde uitstroom.

Collega’s, ik twijfel er niet aan dat alle betrokken partners vanuit hun autonomie en in een overtuigde onderlinge samenwerking deze breed gedragen ambitie op een voortreffelijke manier op het terrein zullen realiseren. Daarom, voorzitter, zullen we dit ontwerp van decreet met overtuiging goedkeuren. (Applaus bij CD&V en Miranda Van Eetvelde)

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Voorzitter, ik zal het ook kort en bondig houden. We hebben al een interessante bespreking gehad in de voorbije commissievergaderingen. We hebben al vaker gesproken over dit ontwerp van decreet. Voor zaken die aanvankelijk misschien voor twijfel zorgden op het terrein, zijn we wel tot oplossingen gekomen. De perfecte situatie is het misschien nog niet voor iedereen op het terrein, maar het gaat dan ook over twee werelden die wat tijd nodig hebben om elkaar te leren kennen. Ik zei al in de commissie dat we een aantal vooroordelen moeten laten vallen.

Open Vld vindt het zeer belangrijk dat er een opwaardering komt en dat er ook financiële inspanningen worden geleverd door deze regering om het traject duaal leren aantrekkelijk te maken, om er een valabel en volwaardig traject van te maken dat de reputatie zal krijgen die het verdient: dat het niet alleen voor jongeren is die schoolmoe zijn, maar voor jongeren die ook op de werkvloer competenties willen aanleren. Dat is een zeer positieve insteek, die misschien door bepaalde betrokkenen nog iets te weinig onder de aandacht wordt gebracht. Ook daar ben ik ervan overtuigd dat het, met de gezamenlijke inspanningen van het onderwijs en het bedrijfsleven en alle engagement op het terrein, de goede richting uitgaat.

Wij zullen met veel enthousiasme dit ontwerp van decreet goedkeuren. We zullen de komende jaren ook aandachtig de evolutie op het terrein volgen. We zijn ook benieuwd naar hoeveel andere studierichtingen zich nog zullen aansluiten. We hopen dat het onderwijsveld niet enkel de nadruk legt op de troeven voor het secundair beroepsonderwijs, maar ook voor het secundair technisch onderwijs, want ook daar zijn, met wat flexibiliteit, heel wat mogelijkheden om een positieve, gemotiveerde keuze te maken voor duaal leren.

Ik dank de collega’s voor alle bijdragen en ik dank minister Crevits en minister Muyters voor hun inzet voor dit dossier.

De voorzitter

Is er ook een duale inbreng van Open Vld?

Ann Brusseel (Open Vld)

We doen dat niet als komisch duo. U weet, vrouwen zijn zeer ernstig, vooral Emmily en ik. We staan daarom bekend. Overigens zijn we charmant, maar we zijn ernstig.

De voorzitter

Zelfkennis siert de mens, mevrouw Brusseel.

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Er volgt inderdaad geen duet met ons, maar we hebben nauw samengewerkt in dit heel belangrijke dossier, niet het minst voor onze arbeidsmarkt.

Het ontwerp van decreet werd in de commissie al gedetailleerd besproken en bejubeld, ook door onze fractie. Met de krapte op de arbeidsmarkt komt dit nieuwe stelsel van duaal leren geen dag te vroeg. Integendeel, we worstelen al langer met het probleem rond de technische beroepen. Nu kunnen we op dat vlak stappen vooruit zetten. Ondertussen doet het probleem zich nog scherper voor en we kunnen het ons niet permitteren om arbeidskrachten te verliezen. We hebben ze allemaal heel hard nodig.

Wij ondersteunen dan ook ten volle dit nieuwe stelsel, dat een echte win-win is, zowel  voor de jongeren, die vlot kunnen doorstromen naar de arbeidsmarkt, als voor werkgevers, die op die manier geschikt personeel vinden dat op maat van hun bedrijf op de arbeidsmarkt kan treden, en voor ons allen omdat wie werkt, ook bijdraagt tot onze welvaart en groei. Een triple win, zouden we dus kunnen zeggen.

Het nieuwe stelsel van duaal leren moet ook bijdragen tot het verbeteren van de reputatie van technische beroepen. Daar zit immers nog heel wat potentieel, ook op het vlak van ondernemerschap. Duaal leren kan de basis leggen voor jongeren om later zelfstandig te worden en op hun beurt jongeren aan te werven of te laten leren op hun werkvloer. Daar zijn we uiteraard heel enthousiast over. Duaal leren moet een echt kwaliteitslabel worden waar jongeren fier op zijn en de werkgevers op hun beurt fier zijn dat ze iemand in hun bedrijf hebben die ze zelf hebben kunnen opleiden.

Bij de bespreking is ook wel gebleken dat er nog wat praktische vragen rijzen bij de uitvoering van het duaal leren. Dat is niet per definitie slecht nieuws. Het is logisch voor een nieuw systeem. Er moet voldoende ruimte zijn voor een aanpak op maat.  We kunnen het niet verstikken met regels. We moeten kunnen bijsturen waar nodig. Dat is trouwens ook heel belangrijk willen we het standaardtraject realiseren bij de kleinere nichedrijven. Daar zal samenwerking tussen bedrijven belangrijk zijn en daartoe zullen de werkgeversorganisaties hun steentje moeten bijdragen. Dat werd in de commissie besproken.

Minister, een goede werknemer is doorgaans een tevreden werknemer, en omgekeerd. Een goede match tussen leerling en bedrijf is heel belangrijk. Daarom is de rol van de mentor sterk medebepalend. Er moet een spreekwoordelijke klik zijn met de werkgever, die de jongere niet alleen goed moet opvangen binnen zijn bedrijf, maar ook degelijk begeleiden en alle kansen geven.

Vandaag zetten we de eerste stap naar de herwaardering van een opleiding waarbij jongeren leren en werken kunnen combineren. U zei in de commissie dat de bestaande stelsels op termijn zullen uitdoven. Dat is uiteraard een werk van langere adem. Ik wil toch aandringen om op korte termijn zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen, want voor bedrijven is het natuurlijk belangrijk dat ze  duidelijke criteria hebben om op die manier doeltreffend met het systeem te kunnen werken. Minister Peeters heeft  aangekondigd een initiatief te nemen rond de verschillende stagestelsels. U moet er goed op letten de violen gelijk te stemmen. Dat vertrouwen wil ik jullie graag geven, en daarom ook ons vertrouwen in het voorliggend ontwerp van decreet.

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Ik ga proberen om nog korter en krachtiger te zijn dan de collega’s De Meyer, Brusseel en Talpe.

Ik verwijs vooral naar het verslag van de op zich boeiende discussie in de verenigde commissies Onderwijs en Economie en Werk.

Evenmin zal ik me bezondigen aan een duet of andere spektakelstukken, maar wees gerust, ik spreek hier namens onze fractie, in het bijzonder namens mevrouw Gennez, die dit dossier ook mee opvolgt. Voorzitter, geen duet, zoals bij het eerste duo sprekers, al is het maar omdat kwade tongen dicht bij het dossier, doorgaans goed ingelicht, maar waarvan ik de identiteit niet kan onthullen, me influisterden dat collega Ronse nog wel veel te leren heeft en collega Daniëls vooral praat over de werkvloer. Dat is echter achterklap.

Ik zou ten gronde een aantal opmerkingen over het ontwerp van decreet willen maken. Eerst en vooral is er de vaststelling dat niemand, niet in het minst ook onze fractie, de noodzaak of de mogelijkheden van duaal leren ontkent of zelfs in vraag stelt. Dat is heel duidelijk. Dat neemt niet weg dat wij in de loop van dit proces toch ook heel wat opmerkingen van stakeholders hebben mogen ontvangen. Een deel daarvan is ongetwijfeld ingegeven door een nieuwe toestand waarvan men niet volledig de contouren kan inschatten. Een aantal andere zijn evenwel niet zomaar weg te zetten als kaderend in veranderingsangst of conservatief denken of dergelijke meer. Ik vind het belangrijk om ook die stem binnen te brengen in dit halfrond en dit debat.

Dat gaat eerst en vooral ook over de manier waarop dit ontwerp van decreet tot stand is gekomen. Men heeft vorig jaar in de eerste opstartfase voorzien, waarbij een aantal proeftuinen van start konden gaan. Vandaag voorzien we dan eigenlijk in de tweede stap, terwijl een evaluatie van het eerste deel niet ter beschikking is. Ik stel vast dat in het dossier een aantal sectoren en stakeholders wél hun advies hebben kunnen geven, maar dat dat aan een aantal andere niet is gevraagd of dat advies op zijn minst niet is meegenomen. Ik vind dat een manco. Als je een dergelijke complexe – laten we toch eerlijk zijn – operatie doorvoert, dan is het sterker als je dat kunt doen vanop een stevig fundament, met een draagvlak bij het geheel van het werkveld omdat je dat actief hebt bevraagd. Dat is een eerste – toegegeven, ietwat vormelijke – opmerking.

Ten tweede hebben we in de commissie toch wel vrij uitvoerig een aantal bemerkingen geformuleerd over het garanderen van kwaliteit. Men kan dat heel ruim bekijken, maar laat ik me toespitsen op het debat over het mentorschap. We mogen onze twee handen kussen dat men in bedrijven mensen gaat hebben die het op zich willen nemen om leerlingen, werknemers die in het kader van duaal leren instromen in het bedrijf, eigenlijk mee te nemen in dat proces en hen daarbij te ondersteunen. Ik denk echter dat je er ook niet zomaar van kunt uitgaan dat die goede wil en dat enthousiasme ook voldoende onderbouwd zijn. Dan gaat het niet over wantrouwen of een pleidooi om aan iemand die mentor is, een pedagogisch diploma te vragen. Ik heb al die clichés en karikaturen gehoord in de commissie. Daar gaat het helemaal niet over. Voor zover ik zie, zullen heel wat van die mentoren gewoon ook zelf vragende partij zijn om een stuk ondersteuning bij hun taak te krijgen. Ik denk dat ze evengoed wat gidswerk zullen kunnen gebruiken om die taak aan te pakken, evenzeer in hun statuut. Ik hoor daarnet zeggen dat je wel stemrecht hebt in een klassenraad, maar dat het toch allemaal niet zo evident is om daarnaartoe te gaan enzovoort. Ik denk dat daarover klare afspraken moeten worden gemaakt, alweer zonder dat je vervalt in bureaucratie en regels, maar een helder kader zou in dezen bevrijdend kunnen werken.

Ik sluit me aan bij de vragen, want zo heeft collega De Meyer dat geformuleerd, over de kwetsbare jongeren. Ik ben ervan overtuigd en ik hoop eigenlijk dat heel veel jongeren duaal leren als een eerste keuze zullen opnemen, dat ze met enthousiasme een richting kiezen, maar laat ons alstublieft ook niet blind zijn voor diegenen die in dat traject de weg wat verliezen, waarvoor duaal leren misschien dan toch niet de oplossing is en die een andere oriëntering dienen te gaan zoeken, of die in duaal leren geen oplossing zien voor hun ambities, voor hun traject. Ik sluit me trouwens evenzeer aan bij de vraag van collega Talpe om een aantal dingen op dat vlak beter op elkaar af te stemmen.

En dus stel ik uitdrukkelijk de vraag naar de manier waarop we met de kwetsbaarste jongeren zowel op onze scholen als op onze arbeidsmarkt in de toekomst zullen omgaan.

Ik vind in de tekst van het ontwerp van decreet onvoldoende antwoorden op de vragen om hier voluit ja op te kunnen stemmen. Eén plus twee wil dus zeggen dat we ons zullen onthouden.

We kijken met een kritische blik naar de uitvoering. We zullen de beide ministers daarover blijven ondervragen. Niemand kan hierin een pleidooi horen voor conservatisme of bureaucratie.

Een kritische blik leert dat het kader zoals het nu voorligt, te vaag is om een ja-stem te verantwoorden.

Mijnheer van Malderen, wat u over collega Daniëls en mij hebt gehoord uit anonieme bronnen, dat we nog veel te leren hebben of zo, laat ik in het midden. Het enige wat ik zelf heb vastgesteld, is dat uw zelfkennis nog bij te schaven is. U beloofde de kortste uiteenzetting, we kregen de langste, waarvoor dank.

Ik ga het debat van de commissie niet heropenen. Uw visie op de rol van de mentoren en die meer dan 20.000 zelfstandigen die zich vrijwillig hebben aangemeld om mee jongeren op te leiden, vind ik eigenlijk triestig. Ik hoop dat u daar wat meer vertrouwen in stelt, en afstapt van de idee dat we heel hun rol moeten uitschrijven tot in de puntjes in een ontwerp van decreet, om zeker te zijn dat ze die rol goed gaan spelen.

Wat onze fractie betreft, wij zijn die mensen bijzonder dankbaar, wij vertrouwen hen. Vooral dat vertrouwen is de reden waarom we zeker zijn dat het ontwerp van decreet een zeer mooi parcours zal rijden.

Mijnheer Van Malderen, ik dank u om het compliment door te geven. De connotatie dat verband en voeling houden met de werkvloer negatief zal zijn, komt van u. Ik vind het een compliment om werkbezoeken te doen en in scholen langs te gaan, bij bedrijven langs te gaan die aan duaal leren doen. Dank u om dat compliment te delen, maar ik begrijp dat u dat ‘kwade tongen’ noemt, ik heb u daar niet gezien op al die bezoeken, ik begrijp dat u dat zo ziet.

Twee, en dat vind ik een belangrijke, welke school welke leerkracht of welke ondernemer heeft het nu belang bij dat die opleiding niet kwalitatief zou zijn? Ik hoor op de arbeidsmarkt grote vragen naar goed geschoolde leerlingen. En dan zouden diezelfde ondernemers niet investeren en zorgen dat dat niet kwalitatief verloopt? Dat begrijp ik niet.

Omgekeerd, scholen willen met die jongere iets doen, maar hij zit hier niet op zijn plaats. Hij wil nog wel leren maar de context van de school is niet de juiste. Welk belang hebben zij erbij om daar niet goed mee samen te werken? Het is jammer dat u ervan uitgaat dat er mensen rondlopen in bedrijven, in sectoren, in scholen die het met die jongeren niet goed zouden voorhebben. Als er dan eens een werkplaats is waar het niet goed loopt, dan kan ik u zeggen dat de jongeren van vandaag vrij mondig zijn. Ze zullen tegen hun mentor van school wel zeggen dat het niet goed loopt. Die school heeft er geen enkel belang bij om dan toch maar door te doen. Ze zullen gesprekken aangaan. Meer zelfs, ik zie sectoren die zelf het initiatief nemen om te zorgen dat men, onafhankelijk van het bedrijf waar men de werkplekstage heeft gedaan, inzetbaar is bij andere werkgevers in diezelfde sector. Dat zou er nog moeten aan mankeren.

Ja, mijnheer Van Malderen, we zullen het samen mee opvolgen. Als er bijsturingen nodig zijn, zullen we dat doen. Maar laat ons nu alsjeblieft scholen, leerlingen, ouders en werkgevers die dit willen aangrijpen, de kans geven om het aan te grijpen.

Bart Van Malderen (sp·a)

Ik kan ook nu niet onthullen wie die kwade tongen waren, collega Ronse en Daniëls, maar in elk geval hebt u voor mij nu bevestigd dat het leren luisteren naar anderen toch wel een kwaliteit is waaraan kan worden gewerkt. Ik heb zelf uitdrukkelijk in mijn betoog gezegd dat wij niet, in tegenstelling tot wat jullie beiden kwamen te zeggen, pleiten om in een ontwerp van decreet alle regels en alle punten uit te schrijven. Ik heb wel gezegd dat het kader zoals het vandaag voorligt, misschien toch ook al te mager is. Laat ons eerlijk zijn, in het kader van het ontwerp van decreet staat, als het heel concreet gaat over het monitorschap, dat je een bewijs van goed gedrag en zeden moet hebben en dat je 25 jaar moet zijn. Punt. Heb ik gezegd dat er diplomavereisten moeten worden uitgeschreven tot in de puntjes? Helemaal niet.

Vervolgens komen jullie beiden tot eigenlijk een intentieproces dat hier helemaal niet is uitgesproken, dat nergens te boek staat, dat eigenlijk de volledige verantwoordelijkheid van jullie beiden is. Ik vind dat triestig. Ik heb uitdrukkelijk gezegd, en ik wil het nog eens herhalen, dat het perfect denkbaar is, zelfs nuttig zou zijn, dat je een stuk ondersteuning biedt aan diegenen die op het terrein hun nek uitsteken als mentor en dat een deel daarvan het wellicht niet nodig heeft, dat een deel onder hen het absoluut nodig heeft en dat er heel veel zouden kunnen zijn die vragende partij zouden om ermee aan de slag te gaan om zichzelf te versterken en dat ook willen doen. Waarom zou je dat soort vragen niet meenemen?

U mag alle mogelijke intentieprocessen maken, u mag mij alle mogelijke dingen toedichten, u mag zeggen dat u dat triestig vindt, maar weet dat we dat niet zomaar zelf uit onze duim hebben gezogen. Dit zijn vragen die in het ruime veld, ook in adviezen van de SERV en andere opduiken. Als we er vandaag een spreekbuis aan geven, dan is dat vanuit de bekommernis dat we er effectief potentieel in zien, maar dat de tekst zoals die vandaag voorligt, een aantal leemten vertoont. Wij detecteren die, stakeholders detecteren die. U zult het mij vergeven dat wij dit hier aanstippen.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik heb het een beetje moeilijk met een bepaalde kritiek. Toen we een tijd geleden de gelegenheid kregen om op het terrein een zeer belangrijk project in Tessenderlo te leren kennen, kon het niet doorgaan wegens gebrek aan belangstelling van parlementsleden van zowat alle fracties, behalve de N-VA en Open Vld. Wij waren de enige ingeschrevenen: Koen Daniëls, ikzelf en Jo De Ro. En dan nu hier van sp.a een hele bak kritiek moeten incasseren omdat wij de situatie op het terrein eigenlijk niet goed kennen en zij een paar boze tongen hebben gehoord. Ik stel voor dat u zich op het terrein echt laat informeren in de plaats van te dromen over boze tongen en eigenlijk vooroordelen tot werkelijkheid te maken, want ik ben het daar helemaal niet mee eens.

Vandaag, en al maanden en al enkele jaren intussen, zitten sectoren, vakbonden, koepels, inrichtende machten samen aan tafel met allerlei specialisten die de leraren kennen, die de leerlingen kennen, die de sectoren kennen, die de ondernemers en de mensen die werken in een bedrijf, kennen. Ze zitten samen aan tafel om bepaalde zaken zoals mentorschap, begeleiding, vakantieregeling en andere zaken heel concreet uit te klaren. Die doen dat allemaal. Is sp.a tegen die werkwijze? Hebt u liever hebt dat wij alles, zoals keizer-kosters, in het parlement tot in de details vastleggen terwijl sommigen van ons nooit een bedrijf binnenkomen? Collega Daniëls en ik zijn altijd bereid om overal op het terrein te gaan – tenminste, als de bezoeken niet worden afgelast omdat er te weinig collega's geïnteresseerd zijn die dan wel in het parlement lange redevoeringen afsteken.

Je veux bien, maar het stopt toch ergens, mijnheer Van Malderen? U kunt al uw intentieprocessen gewoon niet hard maken. Ga praten met de mensen op het terrein. Ik heb gepraat met Agoria, met Fedustria, met de koepels, met heel wat leerlingen en met heel wat leerkrachten. Men is enthousiast op het terrein en u bent gewoon terughoudend omdat u boze tongen hebt gehoord wier identiteit u niet wilt onthullen. Ik vind dat eigenlijk nogal mager en ik vind dat een parlement onwaardig, dat soort van redevoeringen. (Applaus bij Open Vld en de N-VA) 

Ik dacht dat de heer Van Malderen misschien gelijk had en dat we daar niet aan gedacht hadden. Maar als twee ministers hun verstand samenleggen, moet het er toch in staan. En ja, lees er de artikelen 35 en 36 maar op na. Artikel 35 vermeldt het Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming. Dat is dus de overheid, dat moet u als muziek in de oren klinken. Syntra Vlaanderen staat als regisseur van de werkcomponent in voor de uitbouw en het beheer van een duurzaam netwerk van erkende leerondernemingen. Als u vreest dat het niet goed zal zijn, het staat in het decreet. Artikel 36 bepaalt dat de aanbieder duaal leren en de leerling samen een geschikte werkplek kiezen. Ze kunnen daarbij een beroep doen op de sector – maar dat vertrouwt u allicht niet – of het Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming, de overheid, Syntra Vlaanderen.

Mijnheer Van Malderen, als uw kritiek dat er niet aan gedacht was, terecht zou zijn, heb ik u bij dezen misschien geholpen om uw onthouding om te zetten in een goedkeuring.

Bart Van Malderen (sp·a)

Bij de minste kritiek die gegeven wordt, trapt men steeds in dezelfde val, namelijk sprekers woorden toe te dichten die ze niet uitgesproken hebben en intentieprocessen te maken. Waarvan akte.

Mijnheer Daniëls, met uw citaten van de twee bewuste artikels hebt u net ook aangetoond wat ik bedoelde met vaagheid. Dit is gewoon te vaag geformuleerd om antwoorden te bieden voor mensen die daar vandaag op het terrein vragen over stellen. U zou daar beter wat meer respect voor hebben en ze ook die antwoorden geven.

Ik wou hier geen grote polemiek voeren. Ik wou gewoon toelichten waarom wij vandaag zeggen dat dit ontwerp van decreet te vaag is om die antwoorden te bieden. Om die reden zullen wij ons onthouden en ik hoop dat die antwoorden gaandeweg geformuleerd zullen worden. We zullen de beide ministers daarrond ondervragen. Voor mij volstaat dit.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Na een zeer intensief traject, ook in de parlementaire commissie, zijn mijn collega Muyters en ikzelf heel trots om hier naast elkaar te zitten en u dit ontwerp van decreet voor te stellen.

Met de Vlaamse Regering zijn we ervan overtuigd dat we zo sterk, kwaliteitsvol onderwijs garanderen, waarbij het opleidingstraject vertrekt vanuit een school, maar in samenwerking met een onderneming verloopt. De werkplek fungeert daarbij ook als een sterke leeromgeving. Dit kan voor jongeren de hefboom zijn om de sprong te maken naar een diploma secundair onderwijs. Er zijn in ons Vlaams onderwijs jongeren voor wie dat voltijdse onderwijs niet de beste optie is en voor wie ervaring opdoen op de werkplek net de hefboom is om goesting te krijgen om theoretische kennis op te doen.

Nogmaals, ik ben trots dat we erin geslaagd zijn samen dit traject af te leggen. Het was heel interessant om de commissies Onderwijs en Werk samen aan de slag te zien en de cultuurverschillen tussen beide te zien. Door het wegnemen van die muren hebben we ook wat van elkaar bijgeleerd. Ik vond het ook goed dat de heren Daniëls en Ronse hier samen op het podium gestaan hebben.

Wat dat leren betreft: je moet levenslang willen leren. Ik leer elke dag en ik leer ook van minister Muyters. Ik vind het helemaal niet erg als men mij zegt dat ik nog veel moet leren. Het betekent immers dat men nog potentieel in mij ziet om nog veel bij te leren. Als je niet meer leert, ben je oud.

Mijnheer De Meyer, het klopt dat we heel zorgzaam moeten omgaan met jongeren die nog niet onmiddellijk de weg gevonden hebben, maar die straks een plek moeten vinden in die aanloopfase. Ik weet dat scholen daar bezorgd over zijn, maar die aanloopfase kan net ook ruim ingevuld worden. Het is helemaal niet de bedoeling om scholen te bedelven onder restricties van wat wel en niet mag.

In die aanloopfase willen we jongeren bereiken die nog een extra duwtje in de rug nodig hebben om te groeien. De aanloopfase zou je dus kunnen beschouwen als groeitijd om in een traject te kunnen stappen. Het ergste voor jongeren is dat ze naar school gaan maar geen enkele finaliteit hebben. We hadden alles naast elkaar kunnen laten bestaan, maar jongeren voor wie duaal leren niet kan en die geen plek meer hebben in het voltijds onderwijs, kunnen een plek vinden in de aanloopfase, ze kunnen daarin groeien om dan eventueel de sprong te maken. Voor jongeren bij wie dat niet lukt, zijn er de naadloos flexibele trajecten (NAFT) die nog volledig kunnen worden uitgewerkt en waarin scholen bijzonder veel vrijheid kunnen krijgen.

Het is niet de bedoeling om te zeggen dat de aanloopfase voor iedereen de wachtkamer is en dat zij die geen werkplek hebben in de aanloopfase zitten. Neen, ofwel volg je duaal leren, ofwel zit je in de aanloopfase. Er kunnen diverse redenen zijn waarom je nog in de aanloopfase zit. Dat kan zeker zijn omdat je als jongere nog moet groeien in een bepaalde houding die nog niet aanwezig is als je wilt werken.

Diverse leden hebben gezegd dat we zeker bereid zijn om te evalueren en bij te sturen. Minister Muyters zal me zeker niet tegenspreken: we zien in de praktijk, zowel bij de bedrijven als de scholen, echt enthousiasme en interesse om met dit nieuwe traject aan de slag te gaan. Ik hoop dan ook dat we via dit ontwerp van decreet onze scholen en onze bedrijven alle kansen geven om dit de komende jaren verder uit te rollen.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Ik kan wat minister Crevits heeft gezegd, helemaal onderschrijven. Ik wil nogmaals bevestigen dat we bijkomend zullen moeten leren. De evaluatie moet continu gebeuren en de bijschaving moet continu gebeuren, alleen al omdat de werkplekken uiteindelijk ook continu veranderen. We beseffen allemaal dat dit een lerend proces is, waar we verder aan moeten werken.

Ik wil nog even op een positieve manier ingaan op het mentorschap. Ik ben er ook van overtuigd dat werkgevers dit op een goede manier willen doen. Overal waar ik ben geweest in bedrijven, heb ik gezegd dat dit geen eenvoudige taak is die ze op zich nemen. Toch zie je dat heel veel bedrijven zich inschrijven om die stap te zetten.

Mijnheer Van Malderen, u zegt dat de mentors regelmatig ondersteuning zullen nodig hebben. Ik ben dan ook heel blij dat er in de sectororganisaties opleidingen worden geboden, dat er lerende netwerken ontstaan waar mentors elkaar kunnen ontmoeten en van elkaar kunnen leren. Ik denk dat we ook daar de goede stappen hebben gezet.

Ik wil alle partners vanuit Werk en Onderwijs bedanken. We hebben een lange weg afgelegd, maar we zullen met zijn allen heel hard verder moeten werken. We zijn er nog niet. We moeten continu verder werken. Dat werken kan alleen vanuit vertrouwen. Beide partijen zullen hun manier van werken die ze klassiek kennen, misschien moeten overschrijden, misschien wat meer geduld moeten hebben dan normaal en vooral pragmatisch durven zoeken naar oplossingen in het belang van de jongeren. We hebben maar één kans om het duaal leren goed in de markt te zetten, en dat is vandaag. Ik ben graag bereid, samen met minister Crevits en hopelijk ook met u allen, om die stap te zetten en er vol voor te gaan. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, nr. 1478/1)

– De artikelen 1 tot en met 126 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

van Karim Van Overmeire, Ward Kennes, Herman De Croo, Marc Hendrickx, Sabine de Bethune en Jan Van Esbroeck
1535 (2017-2018) nr. 1
Vaste Nationale Cultuurpactcommissie

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.