U bent hier

Plenaire vergadering

woensdag 29 november 2017, 14.01u

Voorzitter

Dames en heren, aan de orde is het actualiteitsdebat over meertaligheid op school.

Het debat is geopend.

De heer Depoortere heeft het woord.

Voorzitter, minister, dames en heren, deze week kwam naar buiten dat leerlingen die thuis een andere taal spreken dan het Nederlands, die ook mogen gebruiken op de speelplaats en zelfs in de klas. Tenminste, dit is de wens en de nieuwe leidraad waarmee het GO! aan de slag wil. Directeurs en leraars moeten positief omspringen met de moedertaal, of die nu Spaans, Pools of Arabisch is.

Voor het Vlaams Belang kan deze richtlijn of leidraad absoluut niet door de beugel. We hebben daarvoor een aantal redenen. Ten eerste zal deze leidraad leiden tot heel wat praktische problemen, want in sommige scholen, zeker in grootsteden, is het aantal thuistalen zeer groot. Als we dit legitimeren in scholen, maken we van elke school een kleine toren van Babel. Want wie zal bepalen welke thuistaal wel of welke thuistaal niet aan bod zou moeten komen? Hoe zal dit praktisch worden georganiseerd? De spraakverwarring zal letterlijk en figuurlijk het deel zijn van vele scholen.

Ten tweede zal het Nederlands dat nu al in de verdrukking komt vanwege de verfransing in Brussel en zeker in de Rand rond Brussel, nog meer moeilijkheden ondervinden om zich te handhaven.

Ten derde, leraars en directeurs die nu al het onderste uit de kan moeten halen om goed onderwijs aan te bieden, zullen zich geconfronteerd zien met een bijkomend probleem dat onvermijdelijk veel aandacht zal vergen.

De vraag is of leerkrachten daarop zitten te wachten, en of ze dat praktisch allemaal wel rond kunnen krijgen. ACOD Onderwijs Limburg liet nu al optekenen tegen het voorstel te zijn. Het lijkt me dat het onderwijsveld, dat deze theoretische leidraad in de praktijk moet brengen, daar eigenlijk helemaal niet mee gediend is.

Ten vierde, Nederlandstalige leerlingen zullen de dupe worden, omdat er meer aandacht zal moeten gaan naar de leerlingen met een andere thuistaal. Het valt dus te vrezen dat ook het algemene onderwijsniveau hierdoor zal dalen.

Ten vijfde, anderstalige leerlingen die wel de moeite hebben gedaan om Nederlands te leren, zien hun inspanningen eigenlijk niet meer beloond. Waarom nog inspanningen leveren, bijvoorbeeld door een taalbad te volgen, als er geen enkele plicht meer bestaat om Nederlands te gebruiken onder elkaar en/of in de klas?

Tenslotte hebben we ook nog twee principiële bezwaren. Het Nederlands is de voertaal in Vlaanderen, en dat moet voor ons ook zo blijven. Het Nederlands is de taal die Vlamingen onderling verbindt, en dat moet de leidraad zijn in de scholen. Het Nederlands moet niet alleen de instructietaal en de leertaal zijn, dat is nogal wiedes, maar het moet voor ons ook de omgangstaal en de spreektaal zijn. Grote groepen anderstaligen die zich hier vestigen, die hier willen blijven en die hier willen inburgeren, die Vlaming onder de Vlamingen willen worden, moeten vooral het signaal krijgen dat ze inspanningen moeten leveren om de Nederlandse taal onder de knie te krijgen, want dat is toch de hefboom om te komen tot inburgering.

Minister, om al die redenen is mijn eerste vraag wanneer u deze leidraad van het GO! om meertaligheid toe te laten in onze scholen zult verwerpen en uit de onderwijswereld helpen.

Een ander punt dat ik hier toch ook kort wil aansnijden, is het politieke probleem dat hiermee wordt gecreëerd. Minister, we hebben de afgelopen dagen immers de verschillende meningen van de partijen en ook van u kunnen lezen in de media. Er is het feit dat de N-VA, de grootste regeringspartij, ook een tegenstander is van deze leidraad. Ik vraag me af of dat woorden voor de galerij zijn, of dat ze daar een principiële zaak van wil maken. Collega’s van de N-VA, als dat laatste het geval is, dan moet u dat op de regeringstafel leggen. Dan moet u uw volle politieke gewicht in de schaal leggen om uw woorden in daden om te zetten en te tonen aan de bevolking dat het u menens is.

Minister, ik stel u dus de vraag: zijn uw uitspraken en uw standpunt een regeringsstandpunt? Zal dat nog opnieuw worden besproken op regeringsniveau? Wij zullen alvast een motie indienen om de Vlaamse Regering te vragen deze leidraad van het GO! te doen intrekken.

Collega’s, de conclusie is duidelijk. De traditionele partijen zijn allemaal te vinden voor deze opgedrongen meertaligheid in onze scholen, waarbij het Nederlands dan wordt gedegradeerd tot een van de zovele talen, maar zeker niet wordt opgewaardeerd als de voertaal in Vlaanderen. Die achterliggende idee zullen wij als Vlaams Belang steeds bestrijden. We zijn numeriek misschien niet de grootste fractie in dit halfrond, maar ik weet wel dat ik hier de stem heb mogen vertolken van het overgrote deel van de bevolking. Dat hoeft ook niet te verwonderen, want het Vlaams Belang blijft de partij van het volk, een volk dat allang doorheeft dat nieuwkomers hier welkom zijn, maar dat ze zich dan wel moeten aanpassen aan ons en niet omgekeerd. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De heer De Ro heeft het woord.

Ik heb voor de spreker ook vragen. Collega, graag zou ik u toch wel eens horen citeren uit de nota van het GO! om te staven wat u net aan Vlaanderen en aan ons parlement hebt verkondigd. U hebt verkondigd dat het GO! niet meer zou staan voor het Nederlands op school, dat het Nederlands in de GO!-school in de verdrukking zou komen. U moet me dan wel eens de pagina’s aanduiden van de visietekst van het GO! die daarover gaan.

Deze nota is op 30 juni 2017 geschreven en verspreid in het GO!. U bent de vertegenwoordiger van de enige partij die namens het Vlaamse volk mag spreken – ik parafraseer uw eigen woorden. Waar heeft uw partij sinds 30 juni 2017 gezeten? Ik heb de conceptnota's van uw partij over dit thema in deze legislatuur eens opgezocht. Ik heb de voorstellen van decreet over dit thema van uw partij, die namens het Vlaamse volk zou moeten spreken, in deze legislatuur opgezocht, en ik heb het aantal amendementen van uw partij nagekeken. Ik heb ook uitgezocht hoe vaak jullie zijn meegegaan op werkbezoek en ik heb de tussenkomsten van jullie in de commissie Onderwijs opgeteld. Collega's, het was geen moeilijke wiskundige oefening: ik geraakte niet verder dan het mooie ronde getal nul. (Opmerkingen van Stefaan Sintobin)

Dit mag Vlaanderen ook eens weten. U bent heel sterk samen met uw partij – ik moest trouwens uw naam opzoeken omdat ik u nog niet veel heb gehoord –, maar in de commissie Onderwijs is het Vlaams Belang op de gewone vergaderingen nooit aanwezig. Nooit. (Applaus bij Open Vld)

Mijnheer Sintobin, u kunt altijd het woord vragen. U hebt van alles geroepen, maar ik heb er niets van verstaan. Ik zou graag willen weten wat u hebt geroepen.

De heer Depoortere heeft het woord.

Laat ons serieus blijven, collega. We zijn hier vertegenwoordigd met zes volksvertegenwoordigers. U weet zeer goed dat wij daarmee geen volwaardige fractie vormen om stemgerechtigd te zijn in een commissie. We moeten de vele commissies onder ons zessen verdelen, en het lukt niet om altijd aanwezig te zijn in elke commissie.

Onderwijs is dus niet belangrijk genoeg om af te komen?

Mijnheer De Ro, het is mijn democratisch recht om hier de vragen te stellen die ik wil stellen. Ik hoef daarvoor geen lessen te krijgen van u of van iemand anders. (Opmerkingen)

Ik mag hier mijn vragen stellen aan de minister en aan andere collega's. Als u dat niet zint, dan is dat uw probleem, maar zeker niet het mijne. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Ik zou veel liever vaker met u in discussie gaan. Alleen zien we u nooit. (Opmerkingen van Bart Somers)

Kunnen we het ook even over de inhoud hebben, mijnheer Somers?

Mijnheer Somers, u kunt altijd het woord vragen.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, ik zou graag in een ernstig debat tot de kern van de zaak komen. Collega's, één ding is over de grens van meerderheid en oppositie duidelijk: iedereen in dit halfrond is het erover eens dat in ons Vlaams onderwijs de onderwijstaal, het standaardfundament, het Nederlands is.

Dat is belangrijk omdat we in een gemeenschap leven waar iedereen, ongeacht zijn identiteit, zijn afkomst, zijn gezin deel van uitmaakt, omdat we belang hebben bij een gedeelde taal, een taal die ons toelaat met elkaar te communiceren, elkaar in de ogen te kijken, en een sterk taalbeheersingsniveau om kinderen alle kansen te geven in hun verdere leven. Op de arbeidsmarkt, of later na het leerplichtonderwijs, als we willen voortstuderen, is een onberispelijke kennis van het Nederlands ontzettend belangrijk.

Dat is belangrijk omdat er in ons onderwijs ontzettende uitdagingen zijn. Vandaag beheerst in ons Vlaams onderwijs bijna 20 procent van de jongeren de kennis van onze taal onvoldoende om de hefbomen te hebben om in het echte leven en op de arbeidsmarkt de kansen te grijpen. Daar moet ons onderwijs iets aan doen.

Er zijn verschillende redenen waarom niet iedereen hetzelfde excellente taalbeheersingsniveau heeft. Thuistaal die niet Nederlands is, speelt inderdaad een rol. Volgens de laatste peilingproeven voor het basisonderwijs beheerst 94 procent van de kinderen die thuis Nederlands spreken, horen en lezen, het Nederlands zoals dat wordt gevraagd in het basisonderwijs.

Bij jonge mensen die thuis geen Nederlands spreken, is dat slechts 83 procent. We zitten met een kloof. Er zijn ook andere factoren die ervoor zorgen dat de kennis van het Nederlands zeer ongelijk verdeeld is.

Zittenblijven is een voorbeeld. Wie tweemaal blijft zitten, heeft maar 42 procent kans om de kennis van het Nederlands effectief in de vingers te hebben. Voor wie niet blijft zitten, is dat gelukkig 94 procent. Ook tussen de verschillende studierichtingen gaapt een kloof. Van de jongeren die in het aso afstuderen, kent 93 procent goed Nederlands na het secundair onderwijs. In het tso is dat voor lezen en luisteren slechts 70 procent.

We moeten op die twee polen inzetten. De ambitie moet groot zijn. De kennis van het Nederlands moet voor iedereen beter dan vandaag het geval is. Daarnaast moet de schandelijke kloof kleiner worden. Het kan niet dat iemand vanwege zijn studiekeuze of zijn afkomst minder tools in handen heeft om het in het latere leven te maken.

Dat is de uitdaging voor ons onderwijs. Daar moeten we met zijn allen iets aan doen. Met sp.a willen we aan die twee polen werken. We steken onze hand uit naar de meerderheidspartijen. We hopen dat we de lat in verband met het Nederlands effectief hoger kunnen leggen. We kunnen daar met zijn allen zeer concreet iets aan doen. We moeten onze ambitie hoog stellen door de eindtermen voor het Nederlands van het eerste leerjaar tot het zesde jaar van het middelbaar onderwijs voor elk kind bindend te maken. We moeten meer ambitie hebben en daar met zijn allen aan werken. Het gaat om de leerkrachten, de ouders, de leerlingen en de directies. Dit moet gebeuren met pedagogische methodes die effectief tot realisaties leiden.

Indien we alles uit elke leerling willen halen, moeten we vooral bouwen op wat al in die leerling zit aan kennis die buiten de school is verworven. Het zal niemand verwonderen dat iemand die in een taalrijke omgeving opgroeit, veel meer oppikt als hij in een echte lerende schoolcontext terechtkomt. Dat is zo als er verhaaltjes worden verteld, als er aan de keukentafel wordt gediscussieerd of als er een dialoog is tussen de puberende zoon en zijn ouders. Als die taalrijkdom wordt gevaloriseerd en als die discussie wordt aangewakkerd, pikken jongeren veel meer op.

We moeten die taalrijkdom valoriseren en hierop met ons onderwijs voortbouwen. Op die manier bouwen we voort op de talennota van de vorige Vlaamse Regering. Toen hebben CD&V, de N-VA en sp.a een gemeenschappelijk draagvlak gevonden. Op die manier kunnen we met zijn allen, los van de emotie en de partijpolitieke profilering, een basis vinden om het algemeen niveau van ons onderwijs op te trekken en om iedereen beter Nederlands te leren zonder iemand achter te laten. We bouwen dan, met respect voor ieders identiteit, voort op al de kennis die in elk kind aanwezig is. (Applaus bij sp.a)

De heer Daniëls heeft het woord.

Mevrouw Gennez, u benadrukt hier dat het Nederlands de onderwijstaal is. Het zou er nog aan mankeren. U fietst behoorlijk slim rond de hete brij, die op pagina 10 van de nota van het GO! staat. U hebt verwezen naar de eindtermen en u vindt dat we veel ambitie moeten hebben. Ik ben het daarmee eens, maar ik wil u een vraag stellen.

Zullen we de eindtermen dan bereiken door wat ik letterlijk op pagina 10 lees? Ik citeer: “De opschriften aan de deuren van klaslokalen kunnen vertaald worden in alle op school vertegenwoordigde talen. Zo staat er dan bij ‘PC-lokaal’ ook ‘obszar komputerowy’, ‘computer area’, ‘bilgisayar alani’, ‘racunalno podrucje’ enzovoort. U moet me mijn uitspraak vergeven. Net als veel van onze leerkrachten ben ik die talen niet machtig. Zullen we op die manier die hogere eindtermen Nederlands halen? Ik citeer wat iets verder te lezen staat: “Zij kunnen ook aan betekenisonderhandeling doen met leeftijdsgenoten die dezelfde moedertaal spreken.” Er wordt dan verwezen naar groepswerken: “In het kader van differentiatie kan de leerkracht ervoor kiezen om in dit geval homogene, eentalige groepen te vormen.”

Gaan we dat op die manier doen ? Ik ben blij dat u verwijst naar de talennota van 2011. Ik heb ze er nog even bijgehaald. In een andere hoedanigheid heb ik daar heel graag aan meegewerkt. Ik daag u uit: er staat nergens in dat we thuistalen of moedertalen van de tweede, derde of vierde generatie gaan gebruiken. Daar staat net het tegenovergestelde: we gaan lessen taalvaardigheid geven, we gaan naschools Nederlands geven. Ik ben dus benieuwd hoe u die hogere eindtermen gaat halen met thuistaal en moedertaal.

Heel simpel. De eindtermen bepalen, dat doen wij hier. Daar hebben wij het gemeenschapsonderwijs, het katholiek onderwijs of een andere onderwijsverstrekker niet voor nodig. Dat is de verantwoordelijkheid van u, van mij, van de partij van de minister en van alle collega’s hier in dit halfrond. We reiken dus de hand. We hopen uit de grond van ons hart dat u bereid bent om die ambitie inderdaad hoger te leggen.

Eerlijk is eerlijk. Dat wij in Vlaanderen Nederlands onderwijzen, en dat dat de gedeelde taal is, is inderdaad de evidentie zelve. Maar wie wekt constant de indruk dat dat onder druk zou staan? Wie probeert daar partijpolitiek een geweldig polariserend spel van te maken? Het zal niet de sp.a zijn, mijnheer Daniëls, want wij bouwen inderdaad verder op de talennota. Nederlands op school, de thuistaal respecteren en er vooral voor zorgen dat de kloof tussen onze kinderen kleiner wordt. Dat doet men niet door te stigmatiseren, want jongeren, wat hun achtergrond ook is, moeten zich goed voelen op school. Het is de taak van de leerkrachten om alles uit elke jongere te halen. Dat zal ons Vlaams onderwijs opwaarderen, geen partijpolitieke profilering op de kap van wij en zij. (Applaus bij sp.a en Groen)

Mevrouw Gennez, ik ga u de vraag opnieuw stellen: op welke manier denkt u die hogere eindtermen te halen? Ik ben het met u eens: ik wil absoluut veel straffere eindtermen Nederlands zetten. Ik wil ze morgen schrijven: duidelijke eindtermen, concreet. Maar hoe zal aan het PC-lokaal alle talen ophangen, hoe zal het maken van homogeen eentalige groepswerken, het behalen van de eindtermen realiseren? Meer zelfs, dat staat ook niet in de talennota. Uw minister Pascal Smet, uw partij, heeft dat destijds niet opgenomen in de talennota. U fietst om de hete brij. Zeg nu eens duidelijk: vindt u, ja of neen, dat die hoge ambities voor Nederlands kunnen worden gehaald, door die richtlijn – want die krijgen de scholen mee – te volgen? In die richtlijn staat niets wat in de vorige regeerperiode in dit parlement is goedgekeurd. De taalscreenings staan er niet in. De taalbaden Nederlands, afgesproken in de talennota, goedgekeurd tijdens de vorige legislatuur in dit parlement, staan hier niet in. De extra uren Nederlands na school in het secundair onderwijs, goedgekeurd tijdens de vorige legislatuur, in de talennota, staan niet in deze visienota. Dan is het toch wel lastig voor de directeurs en leerkrachten om daarmee aan de slag te gaan?

Ik denk dat de heer Daniëls één cruciale fout maakt: ik ben niet de woordvoerder van het gemeenschapsonderwijs, ik ben de woordvoerder van de sp.a. In dit parlement is het zaak je visie te verdedigen en een partijpolitieke consensus te zoeken. Ik kan daar heel duidelijk in zijn: op school praat men in de klas Nederlands, heel simpel. De leerkracht is iemand die lesgeeft in het Nederlands. Probeer het dus ook niet groter te maken dan het is, mijnheer Daniëls. Het zou toch al te belachelijk en al te onnozel zijn om van leerkrachten te vragen dat ze twee of drie, en in sommige gevallen zelfs tien talen moeten spreken vooraleer ze aan het instrueren kunnen gaan. Dat is onmogelijk! Het is niet wenselijk, niet nodig en het zal ook nooit gebeuren. Stop dus met dat te insinueren. Stop met de mensen iets wijs te maken en probeer constructief, samen met alle andere collega’s, naar oplossingen te zoeken.

Voor mijn citaat uit de GO!-leidraad en visietekst heb ik iets minder talen nodig dan u, mijnheer Daniëls.

“In het Nederlandstalige onderwijs is het Standaardnederlands de instructie- en communicatietaal die door de wet is vastgelegd. Het functionele gebruik daarvan is dus het fundament voor alle leren binnen de huidige onderwijscontext.”

Dat komt uit dezelfde tekst waaruit uw partij al dagen andere pagina’s citeert om het GO! belachelijk te maken en hen woorden in de mond te leggen alsof alle kinderen voortaan in plaats van Nederlands Turks, Engels, Russisch, Duits of Roemeens zouden moeten spreken.

Ik draai de vraag om: stel dat aangetoond wordt dat met die aanduiding in andere talen op het klaslokaal of het computerlokaal de kennis van het Nederlands ook mee bevorderd wordt. Is uw partij daar dan per se tegen?

Mijnheer De Ro, we hebben het over de richtlijnen die naar leerkrachten en directies gaan, kortom, naar de mensen die het gaan doen. Er wordt gezegd dat ze de vrijheid hebben om daarmee aan de slag te gaan. Welnu, dat is geweldig. Maar in verband met die vrijheid staat er in die nota niet vermeld dat ze taalbaden Nederlands of extra Nederlands na school kunnen geven. Daar staat evenmin in wat ze kunnen doen met de taalscreenings.

Ik wil gerust antwoorden op uw vraag. Als ik een andere taal spreek en ik zie een computerlokaal, dan weet ik dat dat in mijn taal een computerlokaal is. Dat hoeft er in mijn taal niet op te staan, want dat zie ik. Als daar in het Nederlands bijstaat ‘computerlokaal’, weet ik dat het Nederlandse woord voor wat ik zie ‘computerlokaal’ is. Ik leer dus het Nederlandse woord ‘computerlokaal’ en niet het woord in mijn eigen taal, dat ik al ken. (Applaus bij de N-VA)

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, ik wil reageren op die laatste commentaren. Wanneer collega’s kritiek hebben op bepaalde voorstellen wordt dit nogal snel afgedaan als polariseren, stigmatiseren, uit zijn op politiek gewin. Dit is voor ons een grote bekommernis. In grote mate kon ik volgen wat mevrouw Gennez aanvoerde. Taalverwerving en de manier waarop anderstaligen het Nederlands onder de knie kunnen krijgen is immens belangrijk, maar wij zijn er rotsvast van overtuigd – ook al wil men dat polariseren noemen – dat voor 100 procent inzetten op een onderdompeling in de Nederlandse taal, ook bij groepswerken, voor ons de leidraad is. Daar zijn wij van overtuigd, politiek gewin of geen politiek gewin. (Applaus bij de N-VA)

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, ik wil eerst en vooral een oproep doen om de kalmte te bewaren en iedereen eens aanraden om die tekst inderdaad helemaal te lezen. We hebben de voorbije dagen een enorme storm in een glas water gezien, waarbij de zaken op flessen worden getrokken. De polemiek wordt opgezocht en er wordt gepolariseerd. Waarom?

Ik wil ook even citeren uit de tekst. In die nota staat: “Nederlands is en blijft het fundament voor alle leren. (...) Een goede beheersing van het Nederlands is de centrale doelstelling van de school. (...) Er wordt verwacht dat ouders een positieve houding hebben ten opzichte van het Nederlands en inspanningen doen. (...) Er wordt niet verwacht dat leerkrachten andere talen leren en spreken. (...) Er wordt niet geduld dat er zich kliekjes vormen op de speelplaats.”

Dat staat allemaal letterlijk in die tekst. Er is zoveel stemmingmakerij over een nota, waar volgens mij niet zoveel wereldschokkends in staat. Er staat bovendien ook in dat het altijd een troef geweest is van het Vlaamse onderwijs dat we zo meertalig zijn. We moeten die troef van die talenkennis behouden en inzetten op taalsensitieve omgevingen, waar we van elke leerkracht een taalbewuste leerkracht maken.

Dat doe je inderdaad met een positieve houding ten opzichte van vreemde talen – of dat nu Engels, Pools, Frans, Arabisch of Russisch is. Er staan inderdaad voorbeeldjes in. Je gaat de thuistalen in je klas inventariseren en dan ga je bijvoorbeeld één keer per maand die taal met de cultuur en geschiedenis van dat land in de kijker zetten. Wat is daar fout mee? Dat is toch razend interessant? Dan leer je toch welke verschillende landen en talen er zijn? Is dat een overheersing van een andere taal in onze klassen? Natuurlijk niet. En dan die bordjes aan de deur of bij voorwerpen, telkens in een andere taal. Dat is goed om kinderen te prikkelen, om ze bewust te maken van de verschillende talen, om ze te doen nadenken: ‘Tiens, welke taal zou dat zijn? En van wie? En wat zou dat betekenen in het Nederlands?’ Dat is toch boeiend? Dat geeft een gevoel van erkenning voor de taal die dan misschien die van jou is en die daar toevallig bij staat. Dat bevordert het welbevinden. Op die manier wordt het leren bevorderd. Wat is daar in godsnaam zo dramatisch aan, collega’s? (Applaus bij Groen en sp.a)

De heer Diependaele heeft het woord.

Mevrouw Meuleman, ik zal u eens zeggen wat daar zo dramatisch aan is. Ik begrijp het verwijt. Als je het inhoudelijk moeilijk hebt om de discussie echt aan te gaan, dan zeg je dat de andere polariseert. Het enige wat we hier doen, is een democratisch debat voeren met verschillende meningen.

Maar ik zal u zeggen waarom dit voor ons inderdaad zeer belangrijk is. Wij willen aan nieuwkomers in dit land geen foute signalen geven. Wij gaan ervan uit dat als je wilt deelnemen aan onze maatschappij in Vlaanderen, dat je absoluut ten volle moet deelnemen aan elk aspect ervan. Dan moet je zeker de taal beheersen, zodat je alle geneugten van de samenleving kunt beleven. Dan onderschrijf ik ten volle wat professor Van Damme vertelt: je mag niet het foute signaal geven.

U mag zeggen dat wij daar verkrampt op reageren of wat dan ook. Maar ik erken gewoon dat taal voor ons zeer belangrijk is. Dat heeft alles te maken met het feit dat mensen die naar hier komen, ook effectief ten volle moeten deelnemen aan onze maatschappij. U mag ons verwijten dat wij polariseren, maar ik heb schrik van een heel andere vorm van polarisering: segregatie. Ik heb schrik dat je het signaal geeft aan nieuwkomers dat ze in onze maatschappij en in onze scholen terechtkunnen met hun eigen taal. Dat is niet het signaal dat ik wil geven. Ik wil hun het signaal geven dat ze hier inderdaad met open armen ontvangen worden als ze onze taal overnemen. Daarom is dit een gevoelig punt en reageren wij hier heel sterk op. Dat is niet uit angst voor kindjes die thuis Nederlands spreken, maar uit schrik voor de kansen van die kinderen die thuis géén Nederlands spreken. Dát is onze bezorgdheid. (Applaus bij de N-VA)

Mijnheer Diependaele, die bezorgdheid delen wij. Ik denk dat we die allemaal delen. We zien wat de problemen zijn met kinderen die hier aankomen en die het Nederlands te weinig beheersen. Mijn collega had het over de kansen op de arbeidsmarkt. We gaan ervan uit dat we willen dat ze zo snel en zo goed mogelijk Nederlands leren. De vraag is hoe. Dan gaat het hier over die nota.

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Mijnheer Diependaele, u hebt het over de verschillende meningen, die toch echt geen probleem zouden mogen zijn. U stelt dat u meteen het verwijt krijgt dat u polariseert. De publicatie van het krantenartikel op de sociale media heeft inderdaad geleid tot heel wat felle en wat mij betreft ook wel overtrokken reacties. De emoties laaiden hoog op.

Met die meningen heb ik geen probleem. Maar het is net wat ik interessant vond aan de nota van het GO!: men laat daarin ook de vrijheid; men wil de mening overlaten aan de enige expert die het zal moeten waarmaken, en dat is de leerkracht. Die leerkrachten zullen zich, op basis van wat zich in de klas afspeelt, een mening vormen over hoe ze het best taalsensitief les kunnen geven in die klas. Volgens mij zullen ze dat ook doen. Ik had het er gisteren nog over met de heer Daniëls: eigenlijk zijn wij daar niet zo bang van. De leerkrachten kunnen het best inschatten wanneer welke taal eens eventjes aan bod komt. Die leerkrachten zijn er allemaal van overtuigd dat de leerlingen best Nederlands moeten kunnen.

Wat die meningen betreft, denk ik dat we nog altijd bij het decreet kunnen blijven, mijnheer Diependaele. We kunnen hier allemaal nog wel een tijdje bezig zijn met meningen, maar het decreet zegt welke eindtermen er moeten worden gehaald en dat de onderwijsinstellingen, de scholen, de pedagogische vrijheid hebben. Dat is voor mijn fractie essentieel. 

Het doel is: talen leren, meertalig worden, Nederlands en andere talen. Dat is het doel. En hoe men dat doel bereikt, dat is de vrijheid van onderwijs. Ik denk dat ik uw fractie goed genoeg ken om te mogen zeggen dat jullie zeker niet willen raken aan die vrijheid.

En als we het nog even over meningen mogen hebben: vandaag was er een interessante brief van een docent lerarenopleiding van de Karel de Grote Hogeschool, Wouter De Smet, die stelt dat als je alle meningen van de academici er goed op naleest, ze eigenlijk complementair zijn. Ik denk dus dat we er eigenlijk wel gemakkelijk uit kunnen raken, als we een beetje wegblijven van de camera’s en van Twitter. Dank u.

Mijnheer Daniels, u antwoordt namens de heer Diependaele? (Gelach)

Ik antwoord niet namens de heer Diependaele.

Maar ik veronderstel dat u een reactie geeft aan mevrouw Brusseel?

Ik wil inderdaad een reactie geven aan mevrouw Brusseel, absoluut. Ze heeft ook mijn naam genoemd, dus ik wil dat gerust doen.

We moeten wel even opletten, collega’s, dat we hier geen verwarring zaaien. Het gaat niet over het leren van, zoals in het regeerakkoord staat, moderne vreemde talen, Frans, Engels, Duits. Daar gaat het hier niet over. Het gaat hier ook niet over OKAN-leerlingen, een leerling die vandaag is toegekomen. Daar gaat het niet over. Het gaat over, zoals de professor gisteren op de radio nog eens zei: in het vijfde leerjaar zit een leerling van de derde generatie, en die kan niet volgen in de klas. Collega’s, weet je wat mijn vraag dan is? Hoe komt dat die leerling, met ouders die hier geboren zijn, met grootouders die hier geboren zijn, nu in het vijfde studiejaar lager onderwijs zit maar nog altijd niet die leerkracht begrijpt? Daar gaat het over.

En dan treed ik absoluut collega Diependaele bij dat het over het signaal gaat – gelukkig, Matthias. Het signaal dat je geeft als onderwijs, en ook voor leerkrachten, is duidelijk. We maken een engagementsovereenkomst voor ouders. Dat staat hier ook niet in. We geven de leerkrachten de vrijheid. Daar staat niets over in. We geven dat engagement, we vragen dat, maar we gaan terzelfdertijd zeggen: ‘Maar toch kun je in de klas toch nog verder in groepswerk met je moedertaal.’ Ja, wat is het nu? Wat moet die leerkracht nu? Mag die leerkracht met deze richtlijnen in de hand op een klassenraad zeggen: ‘Ik wil eigenlijk, zoals in het decreet staat, een taalbad Nederlands voor die leerling in het lager onderwijs?’ Het staat er niet eens in. Kies maar, voor iets dat er niet in staat.

Begrijpend lezen is een mooie deugd, en ik denk dat de meesten onder ons die eindtermen wel bereikt hebben. Maar ik zou echt willen oproepen, collega’s, om ons tot de essentie te beperken. Zijn we het met zijn allen eens dat het ambitieniveau voor ons Nederlands voor alle kinderen in alle studierichtingen hoger moet? Dan moeten we daar ook iets aan doen in onze eindtermen. Twee: zijn we het eens dat de leerkracht de professional is die opgeleid is om met elk kind maximale leerwinst te boeken? Wel, laten we die leerkracht dan ondersteunen en laten we hem inderdaad, zowel naar vakdidactiek als naar algemene pedagogie, meester maken van zijn eigen professionaliteit in zijn school- en klascontext – letterlijk.

En drie: laten we toch vooral geen onderscheid maken tussen moderne, vreemde en andere talen. Het is heel duidelijk: Nederlands is de onderwijstaal, is de gedeelde taal in Vlaanderen. Daar zetten we met zijn allen op in. En je hebt kinderen die een andere thuistaal hebben. Dat kan inderdaad Frans zijn, maar dat kan ook een andere taal zijn. We moeten vooral zorgen dat ze leren, en daar de beste methode voor ontwikkelen. Als we van die drie uitgangspunten zouden vertrekken, collega’s, denk ik dat we vooruitgang zouden kunnen boeken in het debat, veeleer dan stilstand en verwijten over en weer. (Applaus bij sp.a)

Voorzitter, collega’s, ik ga nog even verder met de tekst. Het eerste was dus taalsensitief omgaan met die vreemde talen, af en toe eens een taal in de kijker, gewoon om die talige omgeving te creëren. Het tweede is: moedertaal kan een brug zijn. Als je als nieuwkomer in een klas toekomt en je begrijpt een taal niet – en het gaat ook over andere talen, het gaat ook over nieuwkomers; de talennota gaat over verschillende zaken – dan kan het nuttig zijn dat er iemand die ook jouw taal spreekt, af en toe eens een uitleg geeft in die eigen taal, als je het niet begrijpt. Het kan het verschil zijn tussen enerzijds niet mee zijn en moeten afhaken, en anderzijds kunnen aanpikken en mee zijn in een les. Het tweede is dus: die taal als brug gebruiken om sneller en beter mee te zijn en om sneller het Nederlands te kunnen oppikken als er ergens een gat valt.

Het derde is, zoals er letterlijk staat: “Laat ons op de speelplaats niet verbiedend optreden.” Maar ook daar staat er, collega's, dat de visie geenszins voorbijgaat aan het feit dat we ernaar streven om zo veel mogelijk Nederlands in de vrije ruimte, dus op de speelplaats, te praten, en dat dat wenselijk is, maar dat het wenselijk is om de negatieve impact van verbieden zo klein mogelijk te maken. Wat kun je dus doen? Kinderen belonen als ze Nederlands spreken, vrijwilligers inzetten om Nederlands te spreken met de kinderen, ook op de speelplaats. Collega’s, dat is het. Het gaat hier over een heel positief verhaal, een verhaal waar veel scholen, in Gent al sinds 2008, al jaren mee bezig zijn en aan werken. En scholen die dit toepassen, geven aan dat ze op een positieve manier met de meertaligheid van hun leerlingen omgaan en ze merken dat het werkt. Er is een positief schoolklimaat, leerlingen voelen zich welkom en gelukkig, en dat bevordert het leren en het samenleven op school. Er zijn zoveel scholen in het Gentse stedelijk onderwijs die het echt niet anders meer zouden willen doen.

Minister, ik hoop dat u dit niet terugschroeft en scholen ontmoedigt die hier al jaren enthousiast met hun team in investeren en er een beleid rond ontwikkelen. Ik hoop dat de scholen die hiermee bezig zijn, niet afgeschrikt zijn door de polemiek en de politieke stemmingmakerij die hierrond is gecreëerd, op een wat mij betreft zeer onverantwoordelijke wijze. Ik hoop dat u bevestigt, minister, dat die scholen kunnen verder doen en dat u leerkrachten kunt geruststellen dat wat ze doen, goed is en dat ze geen schrik moeten hebben om dit verder te doen. Ik hoop ook dat u initiatieven neemt om leerkrachten en directies die meertaligheid, die een meertalige omgeving, het sensitief en bewust omgaan met taal in onze scholen, als een troef zien, zult ondersteunen om daar een beleid rond te ontwikkelen en zult zorgen voor een goed en toegankelijk nascholingsaanbod. (Applaus bij Groen, CD&V en sp.a)

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega's, ik vind het eigenlijk zeer opvallend dat een dergelijk belangrijke debat, de Nederlandse taal die ons verbindt, de Nederlandse taal die kansen geeft, de Nederlandse taal die verschillen doet vergeten, dat dit debat stilletjes in het Vlaams Parlement moet passeren. Ik vind dat jammer.

Ik zit nog altijd met de vraag voor de leerkrachten, de directies en de ouders die thuis aan het kijken zijn … (Opmerkingen)

Voilà, nu worden ze wakker. Dat vind ik zeer goed. Die leerkrachten en die directies thuis vragen zich af: hoe zit het nu? Want met deze regelgeving – ik kijk naar de collega's uit de Vlaamse Rand – worden alle Nederlandstalige scholen faciliteitenscholen. (Opmerkingen)

Ah ja, want je geeft aan dat de moedertaal in groepswerken kan worden gebruikt. Ik kan er niet aan doen maar ik lees … (Opmerkingen)

Collega's, ik snap dat het ambetant is dat ik de vinger op de wonde leg. (Opmerkingen)

Je kunt daar wat lacherig over doen, maar die mensen komen daar elke dag in de realiteit mee in contact. En als we het signaal geven dat Nederlands heel belangrijk is om mee te draaien, dan moeten we opletten met tegenstrijdige signalen. En dat zit in de nota van het GO! (Opmerkingen van Jos De Meyer)

Mijnheer De Meyer, laat de heer Daniëls eerst zijn punt maken, en dan kunt u tussenkomen. (Opmerkingen van Jos De Meyer)

U kunt direct tussenkomen. Laat hem toch eerst zijn punt maken en dan kunt u tussenkomen. Dat is toch geen enkel probleem?

In de pedagogische richtlijn van het GO! wordt er gezegd: onderwijstaal Nederlands, Nederlands, Nederlands. Goed, volledig mee akkoord. Maar dan komen de richtlijnen voor in de klas.

Die richtlijnen, collega's, dat zijn geen richtlijnen. We hebben hier de decreten goedgekeurd, maar de engagementverklaring voor de ouders waarin we vragen dat ze echt inzetten op het Nederlands thuis, dat staat er niet in. Taalbaden Nederlands in de lagere school zijn hier goedgekeurd tot één jaar. Dat staat er niet in. Taalscreening werd hier goedgekeurd. Dat staat er niet in. Drie uur Nederlands na school in het secundair onderwijs is hier goedgekeurd. Dat staat er niet in.

Dus als we het gemeenschapsonderwijs dan werkelijk pedagogisch-didactische richtlijnen zouden hebben gegeven, zouden die er toch ook hebben ingestaan. Ik vind die niet terug. (Opmerkingen)

Dat is een gemiste kans. Bovendien, een taal leren doet men door te oefenen. Laat ons dat stimuleren en die ambitie naar voren schuiven. Zoals professor Van Damme van de OESO zegt, creëer zoveel mogelijk oefenkansen; toon dat het echt om die ambitie gaat; empower. Dat is waar mijn partij zo op staat. Wij willen geen gesegregeerde maatschappij waarin we naast elkaar blijven lopen als tweede, derde en vierde generatie. Dat is het punt waarover het gaat: Nederlands spreken doet verschillen vergeten. Daar gaat het over.

Het klopt, ik heb al die rapporten gelezen, helaas heb ik niemand zien twitteren of facebooken over Esser en over Baker. We hebben in Vlaanderen de grootste kloof tussen migrantenkinderen die thuis Nederlands spreken en die thuis geen Nederlands spreken. We hebben de grootste kloof van de OESO en toch zeggen we: nee, nee, nee. Daar kan ik niet bij.

De heer De Meyer heeft het woord.

Mijn reactie komt dus een beetje te laat, want ik wou alleen reageren op de inleidende woorden van de heer Daniëls. Inhoudelijk zal mevrouw Helsen straks tussenkomen.

Uw inleidende zin, mijnheer Daniels, gaf mij de indruk, en dat begreep ik ook uit de reactie van vele collega's, dat er de eerste 45 minuten niets waardevols is gezegd. Dat kwam zo bij mij over, en ik denk ook bij veel collega's. Dit is voor mij niet polariserend, dit is voor mij arrogant. (Applaus bij CD&V)

Het zal de kijkers thuis en de collega misschien choqueren. Mijnheer Daniëls, de laatste dagen heb ik vele reacties gekregen van scholen uit mijn regio, de Vlaamse Rand. Dat zijn de scholen waarvan u zegt dat ze gaan afglijden naar faciliteitenscholen. Wel, de meeste van de scholen die gereageerd hebben, deden dat bijna in een soort angstreflex. Ze vroegen mij: ‘Zijn wij nu de afgelopen twee à drie jaar, sinds we ons intern beleid veranderd hebben, verkeerd bezig? Hebben wij ergens een wet of een decreet verkracht of overtreden? Die indruk ontstaat als we de media bekijken.’

Ik heb hun gezegd: neen. Scholen, en niet alleen uit het GO!, mijnheer Daniëls, maar ook uit het vrij onderwijs, het gemeentelijk, stedelijk en provinciaal onderwijs, hebben in de afgelopen jaren banieren en vlaggen aan de ingang van de school weggehaald waar uitdrukkelijk op stond dat alleen het Nederlands daar telde. Ze hebben hun schoolreglement veranderd, ze hebben de dialoog opgezet met ouders en leerlingen, ze zijn ver van de publieke schijnwerpers gebleven, en ze voelen zich nu betrapt, ze voelen zich fout. Het rare is dat u blijft insisteren, u blijft zeggen en beschuldigend kijken naar het GO!.

Nochtans, de getuigenis die ik breng uit de Vlaamse Rand – en ook breder, want ik heb begrepen dat in Gent, Antwerpen en andere steden de scholen een ander beleid voeren – toont aan dat er op het terrein effectief wordt nagedacht. Het zal u misschien verbazen, maar ook een andere grote speler in het onderwijs heeft een visie op taal in vijf krachtlijnen geformuleerd. Dat is de Onderwijskoepel van Steden en Gemeenten (OVSG). De meeste van de partijen hier zijn daarin vertegenwoordigd. De OVSG heeft het aan zijn scholen niet opgelegd, het GO! legt dat ook niet op, maar heeft vijf krachtlijnen meegegeven: meertaligheid is een kracht, Nederlands is onze verbindings- en leertaal, hoe meer talen men spreekt, hoe beter en men kan ze allemaal tegelijk leren.

Ik citeer de OVSG: “We dachten lang dat we in het onderwijs alleen op het Nederlands moesten inzetten. We bannen thuistaal. We integreren vreemde talen op relatief late leeftijd. Dit monolinguale denken voor alles strookt niet met de inzichten uit modern onderzoek in de diverse meertalige realiteit.”

Stop de beschuldigingen aan één net. Er zijn scholen in alle netten en koepels die deze vorm van beleid omarmen: niet opleggen, de vrijheid geven aan scholen om daarmee aan de slag te gaan, en die scholen gaan ermee aan de slag.

Niet alle scholen op dezelfde manier. Maar er zijn scholen die mij ook uitdrukkelijk hebben gezegd dat ze hiermee succes boeken.

U verwijst naar de grootste kloof,  en ik ben u dankbaar. Het is de eerste keer dat ik het uw partij uitdrukkelijk hoor zeggen, want meestal relativeert u die kloof. U vergelijkt het met andere landen en zegt dat onze slechtste leerlingen het nog veel beter doen dan de buurlanden. Die grote kloof is op dit moment wel een kloof na een hele periode van ‘monolinguaal denken in ons onderwijs’. Dat zeg ik niet, maar een grote koepel van stedelijk en gemeentelijk onderwijs.   

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Collega's, ik heb nog niets gezegd in dit debat omdat ik vond dat collega Gennez en collega Meuleman heel waardevolle dingen hebben gezegd. Ik ga nu wel iets zeggen, collega Daniëls, omdat ik toch wel een vraag heb.

U maakt zich enorm veel zorgen. U zegt dat er een gigantisch probleem is in het GO!. Als ik u bezig hoor, stel ik vooral vast dat u enorm veel moeite hebt om ruimte te geven aan het onderwijsveld, dat u niet gelooft in de vrijheid van onderwijs, dat u zich zorgen maakt om de expertise in het onderwijsveld bij leerkrachten die zelf, rekening houdend met de context waarin ze werken, kijken welke methoden en welke didactiek het best is om toe te passen. Waarom, collega Daniëls, hebt u zoveel problemen met het geven van vertrouwen aan het onderwijsveld en aan onze leerkrachten die dagelijks aan de slag zijn en enorme resultaten in het onderwijs neerzetten? Waarom hebt u zo weinig vertrouwen? (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a en Groen)

Wat hier voorligt, is geen nota en krachtlijnen van leerkrachten. Het zijn krachtlijnen van een koepel. (Applaus bij de N-VA)

Collega's, misschien moeten we dan ineens de daad bij het woord voegen. Hoe komt het dat leerkrachten, als ze kunnen, vertrekken uit grote steden als het allemaal zo fantastisch is? (Applaus bij de N-VA)

Hoe komt het dat dit in een lerarenloopbaandebat zaken zijn waarover we het moeten hebben? Hoe komt het, collega's – en ik stel vast dat hier ook gedraaid en gekeerd wordt, want ik heb nog niemand horen zeggen wat het nu is … Ik stel ook de vraag aan u, collega Helsen. Vindt u het oké dat het de richtlijn is dat er boven het PC-lokaal in school verschillende talen hangen? Vindt u het als CD&V oké dat wordt aangeraden om groepswerken in homogene thuistalen te doen? Creëer nu eens duidelijkheid naar die leerkrachten. Ik wil daar duidelijk  in zijn naar de leerkrachten.

En als ik enkel problemen had, dan stond ik hier niet. Maar de reacties die wij allemaal hebben binnengekregen, daar stoelen wij ons op.

Dus, geef nu eens duidelijk het antwoord. Is het voor CD&V nu ja of nee? Ja of nee? Het zijn de leerkrachten die het moeten doen, en als het allemaal zo fantastisch is, dan gingen alle leerkrachten naar de grote scholen, naar de grote steden, want die zijn allemaal fantastisch. Ik stel vast dat het in de andere richting gaat. (Applaus bij de N-VA)  

Collega Daniëls, ik ken u als een collega die in de commissie over inhoud spreekt. U hebt alle debatten de laatste jaren, ook in een vorig leven, bijgewoond. U kent de teksten en de onderzoeken door verschillende onderzoekers over de redenen waarom er in steden, zoals in de stad van uw partijvoorzitter en in de stad waar dit parlement is gehuisvest, een lerarentekort is. Dat is omdat de thuismarkt veel kleiner is. Mochten er effectief evenveel leerkrachten wonen in Brussel als er nodig zijn, dan zou er hier geen lerarentekort zijn. Mochten er in Antwerpen evenveel leerkrachten wonen als er nodig zijn met de grote bevolkingsstijging in die stad, dan zouden er niet zoveel nodig zijn. Is het een grotere uitdaging in een stad als Antwerpen, Vilvoorde, Brussel om les te geven? Ja. Maar ik ken ongelooflijk veel mensen die er ongelooflijk graag staan, met plezier staan en daar niet weg willen. U maakt hen hiermee belachelijk. Dat kan ik echt niet appreciëren.

De heer Van Eyken heeft het woord.

Mijnheer Daniëls, het is niet de eerste keer dat u zegt dat u het er moeilijk mee hebt dat men zal proberen om bij groepswerken kinderen van dezelfde moedertaal bijeen te brengen. Wat hebt u liever? Dat die kinderen met een andere moedertaal worden verdeeld over groepen waarin er enkele Nederlandstalige kinderen, kinderen met een Vlaamse achtergrond, zitten? Ten eerste, dan riskeert u – en dat is misschien de werkelijkheid – dat dat kind met een anderstalige achtergrond er zomaar bij zal zitten, er niets van begrijpt en het werk door de anderen laten doen. Ten tweede, laat u de indruk bestaan dat, wanneer de kinderen Spaans spreken, dat groepswerk in het Spaans zou worden geleverd. Neen, mijnheer Daniëls, dat groepswerk moet dan in het Nederlands worden gemaakt.

Het is toch beter dat ze elkaar helpen en dat ze elkaar vooruit trekken, dat elk kind in de klas, van welke achtergrond ook, dezelfde kansen krijgt om te slagen in het schooljaar.  U geeft hier de indruk dat het slecht zou zijn dat men op sommige momenten nieuwkomers bij andere kinderen zou zetten, kinderen die hier al verschillende jaren zijn en die het Nederlands meer machtig zijn dan de anderen.

Voorzitter, ik vind het schitterend dat de woordvoerder van de Union des Francophones in dit debat een pleidooi komt voeren voor een stevig, goed Nederlands. Dank u wel, mijnheer Van Eyken! (Applaus bij de N-VA en het Vlaams Belang)

Ik wil toch een aantal zaken aanhalen. Ik ga even verder op de redenering van de heer Van Eyken. We gaan leerlingen in een groep in het Nederlands leren discussiëren door ze in een eentalige homogene thuistaalgroep te zetten. De doelstelling is: in het Nederlands kunnen discussiëren en in groep werken. En daarvoor zetten we ze samen in een eentalige groep van hun thuistaal. Ik probeer te volgen. Ik probeer het ook uit te leggen aan leerkrachten. Ik kan u zeggen dat ik de afgelopen dagen niet veel heb geslapen. Want mensen vragen mij: hoe doe je dat?

Ik verwijs naar onderzoekers. Het onderzoek van Hartmut Esser heeft het over heel wat methodologische tekortkomingen. En Christine Rossell en ook Keith Baker spreken van een negatief effect op het bereiken van de taal. Ik stel vast dat wat betreft welbevinden – en dat is het frappantste van al – de betrokken professor in een eerder onderzoek zelf schrijft : “Over het effect op het psychosociale welbevinden van leerlingen kunnen we geen uitspraken doen.” In De Tijd van 31 augustus 2016 – dus nog niet zo lang geleden, collega’s – zegt Raymonda Verdyck: “(…) wat niet betekent dat je je groepswerk in een andere taal of thuistaal moet maken.” Dat is het letterlijke citaat.

Dat is geflipflop! Mensen op het veld, leerkrachten, weten niet meer waaraan en waaraf. En ook ouders die die dat engagement ondertekenen, stellen zich vragen.

Ik kijk nog even naar mevrouw Helsen. Ik wacht nog altijd. Bent u ervoor dat aan al die klaslokalen al die talen worden opgehangen? Bent u ervoor dat er in de klas homogene groepen worden gemaakt om groepswerken te maken? Ik ben benieuwd. (Applaus bij de N-VA)

Collega, ik zal straks in mijn betoog antwoorden op uw vraag. Dat is geen enkel probleem.

En wat dan het waarom betreft, waarom we het moeten doen. Dat is de kern van de zaak. Daarover gaat het. Het gaat over leerlingen. Ik heb het over de tweede en derde generatie, collega's: ouders en grootouders die hier geboren zijn, in Vlaanderen, waarvan we vaststellen dat de thuistaal niet eentalig Nederlands is en dat er blijkbaar ook geen rijke thuistaal is. En dan – en dat zijn de verwarrende signalen – vind je in die krachtlijnennota, in de pedagogisch-didactische tips niet terug hoe je dat taalbad organiseert.

Ik heb al verschillende keren in de commissie aan de minister gevraagd hoeveel taalbaden er in Vlaanderen worden georganiseerd. Ze kan daar niet op antwoorden omdat het niet wordt geteld. Als ik dat aan leerkrachten en directies vertel, dan vragen ze hoe dat kan en of dat mag. Ja, dat mag. “Ah neen, bij ons in de koepel zeggen ze dat dat niet mag, dat dat niet goed is, dat we segregeren.” Weet u wat ons zorgen baart? Als je leerlingen Nederlands leert in een taalbad, dan geef je ze een leven. Als je ze mee laat sukkelen en als ze uiteindelijk geen diploma halen, dan segregeer je ze in de maatschappij. Hebben ze geen diploma, dan hebben ze geen werk en organiseer je generatiearmoede. Voor N-VA als gemeenschapspartij is dat ontoelaatbaar. (Applaus bij de N-VA)

Mijnheer Daniels, ik heb u al gezegd dat ook OVSG hier anders naar kijkt dan vijf jaar geleden. In uw repliek zegt u dat dit geen richtlijnen zijn van leerkrachten maar richtlijnen top-down van de koepel. Ik heb een aantal mensen gesproken die hebben meegewerkt aan de richtlijnen. Een van de mensen die daarin een pioniersrol heeft vervuld, is directeur in Antwerpen in de school met het grootste aantal nationaliteiten, mevrouw Heremans.

Mevrouw Heremans wordt trouwens met veel plezier ook door leden van uw partij binnengehaald op commissies over radicalisering en diversiteit om te tonen hoe sterk een directeur kan zijn. Als uw partij zo graag luistert naar mevrouw Heremans als het gaat over radicalisering en diversiteit en over lesgeven in een grootstad, dan citeer ik haar woorden: “Als je wilt dat kinderen iets leren, dan moeten ze zich eerst en vooral goed voelen. Daar hoort voor ons bij de moedertaal niet bestraffen. Onze school focust op het Nederlands als onderwijstaal. Het is de grootste gemene deler, maar moet je daarom de thuistaal verbieden? Neen. Anderstalige leerlingen mogen in onze school bijvoorbeeld woordenboeken gebruiken. Als ze onderling op de speelplaats hun eigen taal spreken, sanctioneren we dat niet. Als een leerling in de klas echt iets niet begrijpt, kan het nuttig zijn dat een medeleerling het even uitlegt in de moedertaal. Wij maken er een en-enverhaal van.”

Dat is geen klap van iemand op een bureau in Brussel. Dat is klap vanop het veld. Dat is klap uit een school met het grootst aantal nationaliteiten, een school waarvan de directeur met veel plezier geciteerd wordt door bijna iedereen in uw partij als het over een ander dossier gaat. Ik stel voor dat u ook eens luistert naar het veld als dit hun mening is, en niet alleen naar wat u bevestigt in uw verhaal.

Mijnheer De Ro, ik luister zeer sterk naar het veld, want anders zou ik hier vandaag niet staan.

Als partij hebben we nooit gesproken over bestraffen. U probeert dit hier in het debat te krijgen, maar dat zeggen we niet. Dat er woordenboeken worden gebruikt naar het Nederlands, is zeer goed. Dat is Nederlands. Dat is nog iets anders – en u blijft er omheen draaien – dan aan al die lokalen die andere talen te hangen of de groepswerken in eentalige groepen te laten maken. Woordenboeken zijn zeer goed. Doen! Doen! Als een leerling een woordje niet begrijpt en vraagt aan zijn buur wat het juist betekent, dan hebben we daar geen probleem mee. We hebben daar ook nergens aandacht aan besteed.

Het gaat over een aantal richtlijnen die er wel in staan en een aantal richtlijnen die er niet in staan. Zeggen wij tegen scholen dat ze moeten bestraffen als er bij een voetbalspel een leerling in de thuistaal roept dat er een goal is gemaakt? Neen, neen, dat zeggen wij niet.

Scholen hebben een speelplaatsbeleid – dat gaat over samen spelen, samen spreken, samen oefenen – omtrent pesten. Dat mag dan wel. Een speelplaatsbeleid omtrent taal zou niet mogen. Hoe zit het nu? Mag er nu op de speelplaats wel een beleid zijn of niet? Wat mij betreft, voeren scholen best een beleid op de speelplaats. Hoeveel discussies zijn er niet bij pubers over bijvoorbeeld ‘Die heeft iets over mij gezegd’. Als een leerkracht niet weet waarover het gaat, dan wordt het wel lastig om in te grijpen. Samen leren is ook samen spelen. Samen spelen wil ook zeggen samen communiceren. Om samen te communiceren, moet je met elkaar kunnen praten. Dat is een oefenkans.

Collega Daniëls, we gaan er geen welles-niettesspel van maken, maar er zijn diverse hooggeplaatste mensen uit uw partij die wél over speelplaatsen hebben gesproken, die wél zeggen dat het een slecht idee is om op de speelplaats een andere taal dan het Nederlands los te laten. (Opmerkingen van Koen Daniëls)

Er zijn zelfs mensen die er de Bijbel bij halen om aan te tonen dat het een verschrikkelijk idee is, want dat je dan de speelplaats van Babel krijgt. Doe hier nu niet alsof er geen polarisatie is geweest, want die was er wél. Die was doelbewust en groots opgezet en massaal geretweet en gefacebookt. Wees gewoon intellectueel eerlijk. U hebt een gloriemoment, er staan heel veel mensen achter u, er zijn heel veel polls die u daarin bevestigen, maar doe dan vandaag niet, nu u hier onder gelijken bent, dat jullie niet hebben gepolariseerd, dat jullie het niet hebben opgeklopt, dat jullie niet over de speelplaats hebben gesproken. Er is wél over speelplaatsen gesproken!

Collega De Ro, er is over speelplaatsen gesproken, onder andere in de column gisteren van professor Rik Torfs, niet meteen een N-VA’er, denk ik. Hij houdt een pleidooi voor het Nederlands, ook op de speelplaats, en dat om inderdaad pesten, kliekjesvorming en noem maar op tegen te gaan, opdat ook de leerkracht, de toezichter meester blijft over wat er gebeurt op die speelplaats en opdat daar op een optimale manier met elkaar kan worden gecommuniceerd. Ik lees het niet alleen bij N-VA’ers. Ik lees het ook bij professor Rik Torfs. (Applaus bij de N-VA)

Voorzitter, eigenlijk kunnen we hier maar één conclusie trekken: in de meerderheid spreken ze zeker niet dezelfde taal. (Opmerkingen)

De heer Bothuyne heeft het woord.

Voorzitter, ik vind het een interessant debat, en eigenlijk zijn we het voor een groot stuk eens, denk ik. Voor de heer Daniëls maar ook voor de andere fracties is het Nederlands cruciaal. Het Nederlands is cruciaal, op onze scholen, op onze arbeidsmarkt, in onze bedrijven, om zich te integreren. De vraag is op welke manier we mensen die het Nederlands niet of onvoldoende machtig zijn, dat Nederlands bijbrengen. Ter zake leeft bij het GO! blijkbaar een idee om de thuistaal mee in te schakelen om het Nederlands een nog crucialere positie te geven in ons onderwijs en in onze samenleving. Nu, dit debat woedt niet alleen in het onderwijs. We hebben op dit moment in Vlaanderen 35.000 uitkeringsgerechtigde werkzoekenden die het Nederlands niet of nauwelijks machtig zijn, na acht jaar waarin de N-VA de minister van Werk levert in Vlaanderen. We stellen vast dat de jongste drie jaar de taalopleidingen Nederlands bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) gehalveerd zijn. Nu, goed nieuws, ook de minister van Werk ziet dat dat een probleem is en neemt actie. Hij heeft een plan ontwikkeld om werkzoekenden te integreren op onze arbeidsmarkt, om hun het Nederlands, maar ook andere competenties bij te brengen. Wat doet VDAB, en wat doet de N-VA-minister van Werk? Hij werft instructeurs aan die de thuistaal machtig zijn, die de contacttaal van die werkzoekenden machtig zijn, om op die manier de dialoog met de betrokkenen aan te gaan om het Nederlands een betere positie te geven op onze arbeidsmarkt, om die werkzoekenden het Nederlands bij te brengen. Net dezelfde methodiek die het GO! blijkbaar in deze nota voorstelt, gebruikt de N-VA-minister van Werk om werkzoekenden het Nederlands machtig te laten worden. (Applaus bij CD&V)

Ik vraag me af, en ik hoop, mijnheer Daniëls, dat u me het antwoord kunt geven en dat u geen hulp nodig hebt van anderen daarvoor, wat het verschil is tussen de N-VA-minister van Werk en de N-VA-onderminister van Onderwijs, waarom er zoveel verschil moet zijn tussen daden en woorden. Ik ben heel benieuwd naar het antwoord.

Mijnheer Bothuyne, ik stel vast dat u uw collega’s van Onderwijs te hulp schiet. (Applaus bij de N-VA)

En dat u niet wilt antwoorden op de vraag die voorligt in het onderwijs. Dan gebruikt men een bliksemafleider. U zoekt dan ergens iets anders … (Rumoer. Opmerkingen)

Antwoord op de vraag!

Eigen aan bliksemafleiders is dat je eerst de flits ziet, en dan later krijg je de volledige ontlading met het gedonder. Hier is dat niet anders.

Collega's, ik wil even teruggaan naar het begin van het probleem. De mensen die werkloos zijn, die zijn naar school geweest. En dus zegt u hier heel duidelijk: die school is er niet in geslaagd om hun Nederlands te leren. (Applaus bij de N-VA)

Mijnheer Bothuyne, ik ben het roerend met u eens. Het kan toch niet dat er mensen van 18, 19, 20 jaar na twaalf of vijftien jaar Nederlandstalig onderwijs op de arbeidsmarkt komen, en ze kennen nog altijd geen Nederlands. Ik deel uw verontwaardiging volledig. Daarom, zeg ik u, moeten we een duidelijk signaal geven. Daarom hebben ook uw partij, mijn partij en sp.a, in die talennota, mevrouw Gennez, want dat is de taal die we gemeenschappelijk spreken … Daar staat niets in over moedertaal. Ik wijs naar pagina 13, waar het gaat over duidelijk onthaalonderwijs. Ik verwijs naar pagina 13 – begrijpend lezen, dat gaat nog altijd –, pagina 25, waar letterlijk staat dat we aparte lessen gaan organiseren, taalbaden gaan organiseren. We gaan zorgen voor extra lessen voor de ouders en dergelijke meer om daarop in te zetten, en we gaan zoals minister Homans heeft gedaan voor inburgeraars, eindelijk een resultaatsverbintenis invoeren. Ik ben dus heel blij dat u dat punt maakt, want u trekt mee aan de N-VA-kar. (Rumoer)

Het kan nu toch niet dat we het probleem pas moeten oplossen als ze op de arbeidsmarkt staan. We moeten het probleem veel vroeger oplossen, in het onderwijs dus. Dus dank u wel voor uw tussenkomst. (Applaus bij de N-VA)

De heer Ronse heeft het woord.

Collega Bothuyne, ik vind het eigenlijk nogal frappant dat u kinderen van bijvoorbeeld derdegeneratienieuwkomers die hier zijn geboren en over wie men nu insinueert dat ze in het onderwijs in hun groepswerkjes Russisch, Duits of Frans mogen spreken, vergelijkt met nieuwkomers die hier niet zijn geboren, die hier misschien nog maar twee jaar geleden zijn aangekomen, die onderwijs hebben gehad in hun thuisland. Ik vind dat u hier een zeer polariserende vergelijking maakt en de complete absurditeit ingaat. (Applaus bij de N-VA)

Voorzitter, ik stel vast dat de collega's van de N-VA niet antwoorden op de vraag. Mijnheer Ronse, u kent uw cijfers niet. Er zijn 35.000 werkzoekenden in Vlaanderen die het Nederlands niet of nauwelijks machtig zijn. Er zijn er 10.000 die al zeer langdurig werkzoekend zijn, al vele jaren op de arbeidsmarkt zijn, al vele jaren via uw minister van Werk een uitkering krijgen en het Nederlands niet machtig zijn. Het VDAB-beleid is hierin tekortgeschoten, en wat doet uw minister? Hij stuurt bij door instructeurs aan te werven die de thuistaal machtig zijn, die de thuistaal dus gebruiken als brug om die werkzoekenden Nederlands te leren. Waarom heeft uw fractie er dan problemen mee dat die thuistaal wordt ingeschakeld in ons onderwijs om hetzelfde doel te bereiken?

Mijnheer Daniëls, u hebt gelijk. Wij delen de bezorgdheid dat het Nederlands cruciaal is. Het Nederlands heeft de meest cruciale positie voor de integratie op onze arbeidsmarkt en in onze maatschappij. De vraag is op welke manier we daartoe komen. Ik stel vast dat het GO! en de minister van Werk van de N-VA op dezelfde lijn zitten, maar dat zijn fractie hem niet volgt.

Als het u kan geruststellen, ik volg wel de minister van Werk alsook mijn collega Koen Daniëls. Ik ben een volgzaam persoon. Collega Bothuyne, ik denk dat u wel het onderscheid moet maken tussen onderwijs, dat gaat over mensen opvoeden, en cursussen die we geven inzake werk via VDAB, dat gaat over heel functioneel extra competenties aanleren en mensen opnieuw klaarstomen voor de arbeidsmarkt. In sommige omstandigheden heeft het onderwijs gefaald. Het feit dat u die vergelijking maakt, toont aan dat u totaal geen argumenten hebt om te antwoorden op de vraag die cruciaal is vandaag: waarom mogen kinderen van derdegeneratienieuwkomers die hier zijn geboren, in de klas op 11 jaar groepswerkjes maken en overleggen in het Duits, Frans, Pools, Arabisch of Turks? (Applaus bij de N-VA)

De heer Cordy heeft het woord.

Mijnheer Bothuyne, u verwart een aantal zaken. Als u zegt dat een instructeur een brugfunctie moet zijn en de taal moet spreken die de leerlingen ook kennen, hun moedertaal, dan is dat niet wat wij verwachten van de leerkrachten in het onderwijs.

Mijnheer Bothuyne, u verwart twee zaken. Er is een verschil tussen de taal waarin zaken in het regulier onderwijs worden aangeleerd en wat gebeurt in de beroepsopleidingen van VDAB. Verwacht u eigenlijk dat een leerkracht, die een brugfunctie zou hebben, al die talen spreekt? Ik wens u veel succes in de school van mevrouw Heremans.

Mijnheer Dochy, dat staat niet in de nota. U hebt ze ook niet gelezen.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Voorzitter, toen die nieuwsberichten mij bereikten, was ik stomverbaasd dat dit punt in het nieuws kwam. Het gaat eigenlijk om een onderwijsvisie die al langer gekend is en nu al op veel plaatsen worden toegepast. Ik wil tijdens mijn betoog een aantal zaken duidelijk stellen.

Ten eerste is het Nederlands onze onderwijstaal. Dat is in Vlaanderen al vele jaren het geval en niemand denkt eraan dat te wijzigen. Het is voor ons onderwijs duidelijk wat dit betekent. Dit is een belangrijk element.

Ten tweede keurt het Vlaams Parlement al vele jaren de eindtermen goed. Hierin bepaalt het Vlaams Parlement duidelijk wat leerlingen op school moeten leren. Wij bepalen duidelijk dat al onze leerlingen op school Nederlands moeten leren. Wij bepalen duidelijk welk niveau het Nederlands van onze leerlingen moet behalen in de verschillende studierichtingen die ons onderwijs aanbiedt. Tijdens de discussies die hierover in de loop van de voorbije weken zijn gevoerd, hebben we duidelijk gesteld dat het niet kan dat onze leerlingen bepaalde competenties niet verwerven in het onderwijs. De lat wordt op een bepaalde hoogte gelegd. We verwachten van alle scholen en leerkrachten die door de Vlaamse overheid worden ondersteund dat ze die doelen realiseren. De Vlaamse Onderwijsinspectie gaat na in welke mate scholen dit waarmaken. Dit is allemaal zeer duidelijk.

We hebben in het Vlaams Parlement altijd gesteld dat wij bepalen wat de leerlingen moeten leren, maar dat we het aan de vrijheid van onderwijs overlaten te bepalen hoe de scholen en de leerkrachten dit moeten realiseren. We laten dit over aan de expertise van de leerkrachten. Dat is de voorbije weken steeds de stelling geweest. Nu discussiëren we hier echter wel over de vraag hoe de leerkrachten dit moeten realiseren. We hebben altijd gesteld dat we ons hier als volksvertegenwoordigers niet mee zouden inlaten. Dit is het domein van de experts, de leerkrachten en de scholen.

CD&V wil de leerkrachten en de scholen die vrije ruimte bieden. Wij hebben vertrouwen in de experts, in het onderwijsveld en in de leerkrachten om de doelen die wij hebben vastgelegd en de verwachtingen die wij stellen te realiseren. Ook in de toekomst willen we dat op dezelfde wijze blijven waarmaken. Onze regelgeving is duidelijk. Het is voor de scholen duidelijk wat we van hen verwachten.

Het is aan ons om in hen voldoende vertrouwen te stellen en om de mensen in het onderwijsveld voldoende te ondersteunen in hun opdracht, die de voorbije jaren in Vlaanderen complexer is geworden. (Applaus bij CD&V)

Uit uw tussenkomst, samen met de tussenkomst van de heer Bothuyne, moet ik concluderen dat CD&V zegt: ‘Voor ons is het goed dat aan het PC-lokaal alle thuistalen worden opgehangen. Voor ons, als CD&V, is het goed dat er groepswerken worden gemaakt binnen eentalige groepen.’ Ik ga verder. Als u daarop zegt: ‘Ja, want dat is de vrijheid van de leerkrachten.”, dan vraag ik u: hoe spoort dat met artikel 4 van de wet inzake de taalregeling in het onderwijs? Want opschriften vallen ook onder de bestuurstaalwetgeving. Als u ‘ja’ zegt, zegt u eigenlijk dat een taalwet mag worden overtreden. Op dat punt ben ik zeer benieuwd naar uw antwoord.

Wat de vrijheid voor de leerkrachten en de directie betreft, daar ben ik het absoluut mee eens. Maar dan moeten we wel, als overheid en koepels, de moed hebben om de leerkrachten alle opties die er zijn, voor te schotelen: taalbaden, engagementen ten aanzien van de ouders, opvolging van taalscreening, de verplichting om drie uren na school Nederlands te leren in het secundair onderwijs. Immers, als er vrijheid is, moet een leerkracht natuurlijk wel weten waaruit hij of zij allemaal kan kiezen. Ik stel vast dat in deze pedagogische richtlijn, en ook in andere, er blijkbaar bepaalde keuzes wel in staan, en andere er niet in staan. Is het dan niet onze opdracht om het signaal te geven, voor die vrijheid van de leerkrachten, dat alle opties erin staan en dat de opties die erin staan, minstens niet strijdig zijn met de taalregeling in het onderwijs?

Ik ben begonnen met een aantal zaken duidelijk te stellen. Het eerste punt dat ik hier heb gesteld, is dat wij een taalwetgeving hebben. Ik heb heel duidelijk gesteld dat die niet in vraag wordt gesteld en dat scholen zich moeten houden aan de wetgeving die van toepassing is. Ik heb in tweede instantie verwezen naar de eindtermen. Ook dat is wetgeving, waarin wij duidelijk stellen wat wij van scholen verwachten. Ik heb dus heel helder gemaakt wat wij van hen verwachten: scholen moeten zich houden aan de wetgeving. Maar daar waar er vrijheid is om zelf te bepalen via welke methode en welke didactiek de doelen worden gerealiseerd, vinden wij vanuit CD&V dat de vrije ruimte moet worden gerespecteerd.

Dus … u zegt dat de wetgeving gerespecteerd moet worden. Ik zeg u dat de wetgeving op de bestuurstalen niet wordt gerespecteerd indien in een school boven de deur van PC-lokalen de bordjes in alle thuistalen hangen. Ik zeg u dat de onderwijstaal, want een instructiemoment is een moment tussen een leerkracht en een leerling, niet wordt gerespecteerd indien er eentalige, andersmoedertalige groepswerkjes worden gemaakt. Dus wat is het nu? Is dat in overeenstemming met de taalwet of niet?

Ook daarover heb ik duidelijk aangegeven op welke manier we vanuit Vlaanderen opvolging doen om te kijken of scholen de wetgeving respecteren. De onderwijsinspectie gaat op regelmatige basis in de scholen na of ze volgens de toepasselijke reglementering werken. De scholen moeten zich houden aan verschillende regelgevingen. Ook wat dit betreft, is het aan de onderwijsinspectie om na te gaan of scholen in overtreding gaan of niet.

De heer De Ro heeft het woord.

Aan het einde van een debat spreken is niet zo eenvoudig. De meeste argumenten of feiten die ik op voorhand had genoteerd, zijn intussen al verschillende keren vermeld. Ik heb in de tussenkomsten gezocht naar datgene waarover het vandaag zou moeten gaan en welke boodschap we als Vlaams Parlement moeten meegeven aan wie dit debat volgt. Het lijkt verbazend, maar onze debatten worden wel degelijk gevolgd door de mensen in het onderwijs, en zeker op een woensdagnamiddag. Wat onthouden we dus uit het debat van vandaag? Ondanks vaak scherpe tegenstellingen over de inhoud, is er ook wel heel wat eensgezindheid. U kijkt verbaasd, maar ik heb wel degelijk grote eensgezindheid genoteerd over het volgende. Het is voor iedereen belangrijk dat we onze moedertaal kennen en ervan houden. De liefde voor het Nederlands is belangrijk, zelfs, zoals de heer Van Dijck al zei, voor iemand die hier namens een andere taalgroep zit.

Daar is nog werk aan, want volgens een internationale meting is de liefde voor het Nederlands bij Nederlandstaligen niet zeer groot. We lezen technisch zeer goed, maar in de wereld zijn wij, samen met de Nederlanders, de groep die het minst graag leest. Als het ons dus menens is met die liefde voor het Nederlands, moet dat aspect misschien hoger op de politieke agenda worden geplaatst. Daarvoor moeten we niet alleen de karwats gebruiken, maar ook het hart.

Het kennen van meerdere talen is een pluspunt, en meertaligheid wordt altijd vermeld als een van de grote troeven van Vlaanderen. Er zijn wel signalen dat we met zijn allen een tandje bij moeten steken. Niet alleen om economische redenen moet dit punt hoger op de politieke agenda komen. Het is uiteraard cruciaal voor een kleine open economie als die van Vlaanderen, met zijn havens en zijn uitvoer. Maar het is ook van belang voor ieder van ons als mens. Als we andere talen kennen, maakt ons dat een rijker mens, en onze regio misschien een echte rijke regio.

Dat de cruciale speler in dit verhaal de leerkracht is, is ook al overal gezegd. Ook op dat stuk is er nog werk te doen. Dankzij de volharding van mevrouw Brusseel zal er in het toekomstig decreet op de lerarenopleiding ook expliciet aandacht zijn voor de kennis van NT2 in grootstedelijke context. Dat scholen de vrijheid moeten hebben om hun talenbeleid uit te voeren en vorm te geven, lijkt mij cruciaal, al heb ik daar bij sommige mensen wat twijfel over gehoord. Wij zijn ervan overtuigd dat je die vrijheid onvoorwaardelijk moet geven. Vrijheid geef je, zonder ‘maar’.

Waarover zijn we het dan niet eens? We verschillen van mening over twee zaken: hoe cruciaal de taalrijkdom in de thuistaal is voor het slagen in onderwijs en hoe cruciaal het welbevinden van leerlingen is voor het slagen in onderwijs. Op die twee punten hoor ik verschillen van mening. Waarom is dat voor ons belangrijk? Vanwege het respect voor de voorkennis die kinderen opbouwen, zowel Nederlandstalige kinderen als kinderen die thuis een andere taal spreken. Als we bij die anderstaligen die voorkennis wegschuiven, bestraffen, blameren, stigmatiseren, dan duwen we die voorkennis weg en komt men niet tot leren. Als het welbevinden niet groot genoeg is, is er zelfs geen sprake van leren. Als een beetje respect voor die thuistaal dat welbevinden kan opkrikken, zeggen we: geef de scholen die vrijheid om dat te doen.

Ik zet nog eens op een rij wat voor ons bij Open Vld belangrijk is. De kennis van het Nederlands is cruciaal. De kennis van twee, drie of vier andere talen is even cruciaal. Voor Open Vld is het belangrijk dat scholen de vrijheid hebben om binnen hun eigen context een sterk talenbeleid te ontwikkelen zonder dat ze daarvoor gecriminaliseerd of belachelijk gemaakt worden. Open Vld zette in het verleden al sterk in om kinderen vroeg naar onderwijs te krijgen om meer en vroeger andere talen te leren, om anderstalige mama’s naar de school van hun kinderen te halen om er Nederlands te leren, en we zullen dat blijven doen. Zoals Wittgenstein al zei: “De grenzen van mijn taal zijn ook de grenzen van mijn wereld.” Voor ons mag Vlaanderen geen eiland zijn, niet voor anderstaligen, maar al helemaal niet voor de Vlamingen zelf. (Applaus bij Open Vld, CD&V, sp.a en Groen)

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, we hebben hier anderhalf uur gesproken. Ik zou de kern van datgene waarover we hebben gesproken even willen meegeven.

Het gaat hier over kinderen. We spreken over het kind en over de plaats en de kansen die elk kind dat in Vlaanderen school loopt moet krijgen op school. Dat de Nederlandse taal daarin een cruciale rol speelt, staat als een paal boven water. We kunnen er nu voor of tegen zijn – maar iedereen is ervoor. En dat staat ook in onze onderwijstaalwet: je kunt daar geen speld tussen krijgen.

In het Vlaamse onderwijs is de onderwijstaal het Nederlands. Dat betekent dat alle leerkrachten maar één taal moeten en eigenlijk zelfs mogen spreken. Dat is het Nederlands. Het Nederlands is de manier waarop ze met de leerlingen communiceren. Laat ons daarover alstublieft geen misverstanden meer laten bestaan. Ik zou het ook enorm appreciëren indien niemand nog de indruk zou wekken dat leerkrachten nu allerhande talen of alle talen van de wereld zouden moeten kennen om in de klas met de kinderen te kunnen omgaan.

Dus: de taal is het Nederlands; de communicatietaal met de leerlingen is het Nederlands. Het is potverdikke in het belang van alle kinderen dat ze dat Nederlands goed leren te beheersen.

Maar, beste collega’s, staan we in 2017 op een niveau waarop we voor alle kinderen al trots kunnen zijn? Neen. De PISA-testen waren voor mij een moment waarop ik als minister diepongelukkig was. Ik zag toen dat in onze scholen één op vijf leerlingen zelfs het basisniveau niet haalt om te kunnen functioneren in de samenleving. Collega’s, dáárover moeten we ons druk maken. Het is onze plicht om te zoeken naar manieren om aan taalversterking te doen op school.

Deze Vlaamse Regering heeft sinds haar aantreden al een aantal initiatieven genomen. Ik overloop ze nog even.

Wij geven sinds twee jaar aan kleuterscholen 950 euro per anderstalig kleutertje dat in de school binnenkomt. Scholen kunnen daarmee aan de slag. Wij hebben het beleid aangescherpt voor anderstalige kinderen die op onze scholen aankomen – en er zijn er de voorbije jaren heel veel aangekomen. Wij hebben de vervolgcoaches een nieuw elan gegeven. Daardoor kunnen ze de kinderen ook in het vervolg van hun carrière begeleiden, ook om dat Nederlands te spreken. We hebben – en veel collega’s verwezen ernaar – voor het eerst de lerarenopleiding hervormd. We maken de didactiek mogelijk om Nederlands te geven aan kinderen die het Nederlands niet spreken en niet machtig zijn.

Zij kunnen daar niets aan doen, collega’s, dat ze geen Nederlands spreken thuis. Ook als jongeren van de tweede of derde generatie geen Nederlands spreken thuis, is dat nooit de schuld van het kind. Het kind moet dan via de school geholpen worden om het Nederlands onder de knie te krijgen. Maar door de kinderen te stigmatiseren zullen we natuurlijk nooit de maatschappij beter maken. (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a en Groen)

Collega’s, deze Vlaamse Regering en dit Vlaams Parlement gaan daarmee aan de slag en kiezen ervoor om de basisgeletterdheid Nederlands in te voeren. Het is de eerste keer dat dit gebeurt. Dat wil zeggen dat alle kinderen over een bepaalde lat moeten, zoals mevrouw Gennez daarnet zei. Wij allen zullen het zijn die zullen bepalen waar die lat ligt. Maar het is wel de eerste keer dat iedereen erover zal moeten. Dat was in het verleden nooit het geval.

De heer De Ro verwees er al naar: ook onze volwassenen kunnen we best wel op hun verantwoordelijkheden wijzen. Deze regering kiest er ook voor om het mogelijk te maken dat CLB’s naar de school komen, om daar naschools de ouders te appelleren en te zeggen: ‘Leer alstublieft een mondje Nederlands. Dat is goed voor uw kleuter. Die gaat dan ook vooruit, die zal dan in staat worden gesteld om maximaal te integreren.’

Collega’s, het klinkt misschien een beetje ‘tsjeverig’, maar het is een en-enverhaal: het is de verantwoordelijkheid van ouders thuis en het is de verantwoordelijkheid van de scholen om onze kinderen goed Nederlands aan te leren.

En als iemand hier in het parlement zou denken dat we het belang van het Nederlands willen relativeren, dan wil ik die toch ook wel geruststellen: dat kan nooit de bedoeling zijn, zelfs minder dan ooit. Maar alle inspanningen in het verleden ten spijt, is het ons tot op vandaag niet gelukt om alle kinderen fatsoenlijk Nederlands te leren spreken via de school.

Daarom, collega’s, heeft mijn voorganger Pascal Smet – sommigen dachten dat ik dat gedaan had – een studie besteld, waarin een professor of een groep van professoren zou kijken hoe je die meertaligheid van kinderen een plaats kunt geven in de school. Moet een kind zijn thuistaal, waar het eigenlijk niet veel aan kan doen, aan de kapstok hangen als het in de klas komt, wat een beetje moeilijk is, of kun je daar op een positieve manier gebruik van maken? Men heeft een aantal pistes ontwikkeld die dat mogelijk maken. Dat is ook al besproken in de commissie Onderwijs. Er zijn voor- en tegenstanders. Maar het principe dat je die thuistaal kunt inzetten met als ene doel – en dat wil ik toch als belangrijk extra aandachtspunt aanstippen – de kennis van het Nederlands verbeteren, daarmee ben ik het eens. En dat is het kader waarbinnen het GO! – en mogelijk nog anderen, maar dit is nu de voorbije dagen het grote discussiepunt geweest – een visietekst gemaakt heeft.

Collega’s van de N-VA, ik heb hier heel veel discussie gehoord, maar ik ben het wel met jullie eens dat die visienota van het gemeenschapsonderwijs samen moet worden gelezen met het hele wetgevende en decreetgevende kader dat bestaat in Vlaanderen, en het moet bovendien ook samen gelezen worden met een aantal andere reglementaire bepalingen die bestaan: als gezegd wordt dat kinderen op school het Nederlands moeten spreken en dat je een engagementsverklaring moet aangaan… Dat zijn allemaal zaken die bestaan, maar die wat mij betreft, niet noodzakelijk in strijd zijn met het feit dat je als koepel of als net een visie ontwikkelt over hoe je die meertaligheid kunt inzetten met als functioneel doel het Nederlands verbeteren.

Dan kom ik eventjes tot de tekst van het GO!, waar ik trouwens mijn goedkeuring niet aan moet verlenen. Zij hebben een eigen pedagogische visie die zij kunnen ontwikkelen. Dat is de vrijheid. En zij zeggen ook – veel collega’s hebben het aangestipt: is dit nu de bijbel voor alle scholen? Neen, dit is niet de bijbel voor alle scholen. Het is een leidraad, waar leerkrachten mee aan de slag kunnen gaan.

Ik heb die leidraad ook gelezen, en ik lees daarin dat ook het gemeenschapsonderwijs zoekt hoe die kennis van dat Nederlands beter kan worden gemaakt. Dat staat op de eerste pagina’s. En dan gaat men verder en zoekt men hoe men dat kan doen. En ik moet inderdaad bekennen dat twee passages uit deze tekst mij ook wat zorgen baren. De eerste passage gaat over: is het zo’n goed idee om in veel talen te gaan aankondigen – het ging hier over het computerlokaal, of andere zaken. Ik heb daar ook met Raymonda Verdyck over gebeld. Ik vind dat eigenlijk wel wat raar. We hebben ook een taalregelgeving in Onderwijs en regelgeving op de bestuurstaal. Je moet toch goed kijken of dat kan of niet. Maar het gaat hier over een voorbeeld, collega’s. We zullen dat ook reglementair bekijken, of dat kan of niet, maar als het natuurlijk de bedoeling is dat je alles in 27 talen gaat orakelen… Dat kan nooit de bedoeling zijn, en ik ben het daar ook niet mee eens.

Het tweede voorbeeld, en er zijn collega’s die daarnaar verwijzen, is: hoe kun je kinderen helpen, is het mogelijk om kinderen te helpen in een andere taal? Ik heb er als bevoegd minister geen enkel probleem mee als kinderen – en kinderen komen ook in het vierde, het vijfde, het zesde leerjaar nieuw binnen in scholen en zijn soms de taal niet machtig –  die de moedertaal spreken, helpen om kinderen wegwijs te maken en om er in de klas voor te zorgen dat zo de goesting en het enthousiasme om Nederlands te leren, verbeteren.

Maar om nu te gaan zeggen – en dat is een tweede voorbeeldje dat ik niet zo gelukkig vind in de tekst: we gaan groepswerken maken en we zetten iedereen volgens zijn thuistaal… Dat is voor mij ook niet evident om dat te doen. Want dan kun je moeilijk zeggen: we werken hier aan een volledige integratie. Dat zou een omgekeerd effect kunnen hebben. Dus neen, ik vind dat niet het meest gelukkige voorbeeld.

Als je dat natuurlijk opnieuw gaat bekijken in de context van: er zijn drie, vier nieuwe kinderen in de klas gekomen en er is er eentje dat dezelfde thuistaal spreekt, en op die manier kunnen we die drie nieuwe kinderen een betere context geven, dan heb je weer iets helemaal anders. Dan heb je een groepswerk dat bedoeld is om de kennis van het Nederlands te verbeteren.

Dus het hangt ervan af hoe je de dingen bekijkt, maar, als ik de nota van het gemeenschapsonderwijs bekijk, een nota waar ik dus, beste mensen, mijn goed- of afkeuring wel over kan uitspreken maar waar de regering geen goedkeuring aan mag verlenen, dan denk ik dat die een zeer goede poging doet om van die meertaligheid van kinderen geen stigma te maken maar om er net een kracht van te maken, iets positiefs, om ook dat Nederlands machtig te worden.

Collega’s, ik heb de discussies de voorbije dagen gevolgd, laat ons alstublieft van die goede intenties uitgaan. Ons gemeenschapsonderwijs en bij uitbreiding heel ons onderwijs, zeker in de grootstedelijke context, staat voor enorme uitdagingen. Het moet leerkrachten enthousiast houden om met die meertaligheid om te gaan. Er is hier veel over de Vlaamse Rand gesproken. Ik kan u ook een sms bezorgen van een leerkracht Latijn in een school in Anderlecht: “Wat ben ik blij dat je genuanceerd bent.” We moeten inderdaad in een meertalige context werken en wij willen graag dat onze kinderen doorstromen, dat ze ook hoger onderwijs kunnen volgen maar ook dat ze zich niet slecht voelen omdat er thuis geen Nederlands wordt gesproken en ze daardoor zogezegd niet in staat zouden zijn om goed Nederlands spreken. Ik denk dat we het daar met zijn allen over eens moeten zijn, collega's.

Er is wat kritiek mogelijk op de nota van het gemeenschapsonderwijs, maar de intenties zijn zeker goed. Ik denk dat er geen enkele afbreuk mag worden gedaan aan die grote, grote uitdaging waar wij voor staan wat betreft onze geliefde taal, met de regionale accentjes die we allemaal hebben. Ik heb die ook. Hoe luider ik praat, hoe meer je mijn West-Vlaams erdoor hoort komen. Maar dat heeft mij er nooit van weerhouden om die liefde voor die taal niet bijzonder groot in mijn hart te dragen.

Dus, beste collega's, laat ons van dit debat alstublieft een positief uitgangspunt maken om scholen de kans te geven in alle vrijheid te werken aan het stimuleren van die meertalige contexten. Laat ons met zijn allen ook blijven zoeken naar hefbomen om dat Nederlands de plaats te geven in onze scholen die het verdient en dat Nederlands de komende jaren nog veel sterker uit te dragen dan vandaag het geval is. (Applaus bij de meerderheid)

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Wenst iemand tot besluit van dit actualiteitsdebat een motie of een motie van wantrouwen in te dienen?

– Het Vlaams Belang en sp.a en Groen kondigen aan een motie te zullen indienen.

De moties moeten uiterlijk om 16.15 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het debat is gesloten.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.