U bent hier

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Mevrouw Michèle Hostekint (sp·a)

Voorzitter, minister, collega’s, mijn vragen gaan over een aantal praktische problemen bij de implementatie van warmtenetten. Die warmtenetten zijn de laatste jaren aan een gestage opmars bezig. Ik verwijs naar talrijke nieuwe projecten, onder meer in Roeselare en Antwerpen. We hebben al gediscussieerd over de vraag wie van beide steden het grootste wordt en ik denk nog steeds dat Roeselare Antwerpen kan verslaan. (Rumoer)

We moeten misschien toch eens kijken naar het aantal kilometer per hoofd. (Opmerkingen van minister Annemie Turtelboom)

Niet alleen in Roeselare en Antwerpen, maar ook in Leuven, Harelbeke en Veurne is men met projecten bezig.

U hebt uitdrukkelijk de economische valorisatie en het potentieel van die warmtenetten erkend. Een aantal weken geleden bevestigde u dit nogmaals in de krant. Ik veronderstel dat niemand in deze commissie nog twijfelt aan de waarde van die warmtenetten voor het halen van de klimaatdoelstellingen. We weten dat we op die manier minder afhankelijk kunnen worden van fossiele brandstoffen en dat er minder CO2-uitstoot is.

Niet alleen voor het klimaat zijn ze belangrijk, ook voor gezinnen en kmo’s zijn ze niet onbelangrijk. Vandaag is het nog wat moeilijk om duidelijkheid te hebben over het economische voordeel, omdat er nog geen duidelijke prijszetting is vastgelegd. Theoretisch kan de aansluiting op het warmtenet voor gezinnen ook financieel een belangrijk voordeel hebben. Vandaag gaat het vooral nog om voordelen van niet-financiële aard: meer comfort, meer veiligheid, minder onderhoud.

U hebt de resolutie bevestigd die hier tijdens de vorige legislatuur werd goedgekeurd. Daarin wordt heel uitdrukkelijk gevraagd om te zorgen voor een stabiel investeringsklimaat, maar ook voor de ondersteuning van de lokale besturen van waaruit de implementatie van de warmtenetten veelal vertrekt.

We moeten erkennen dat het grootste potentieel van de warmtenetten zich situeert bij residentiële aansluitingen bij nieuwbouw om te voldoen aan de steeds strenger wordende normen, maar ook bij het aansluiten van gecentraliseerde verbruikers. Ik verwijs voor dit laatste naar appartementsgebouwen met centrale stookplaatsen.

Net bij die implementatie zijn er nog een aantal obstakels. Om sneller vooruit te geraken, om mee te zijn met de ontwikkeling van de warmtenetten, zouden we die obstakels snel uit de weg moeten ruimen. U stelde voorop om tegen of in 2016 een beleidskader uit te werken. Dat lijkt dichtbij, maar als we de ontwikkeling van de warmtenetten willen volgen, dan moeten we ervoor zorgen dat er geen hindernissen meer zijn en dus moeten we het sneller doen. Een hoop technische problemen duiken nog op en een aantal administratieve zaken vergen nog aanpassing.

In veel werkingsgebieden van brandweerkorpsen worden bijkomende eisen opgelegd inzake de veiligheid van centrale stookplaatsen. Die zijn belangrijk in de overgang naar warmtenetten. In tegenstelling tot de rest van Europa mogen er hier geen buizen aan bruggen worden gemonteerd. Dat lijkt misschien heel technisch en futiel, maar dit heeft belangrijke bijkomende kosten tot gevolg, soms lopen ze op tot verschillende miljoenen euro. Eigenlijk is dat onnodig en de enige reden ervoor is dat Waterwegen en Zeekanaal (W&Z) het niet toestaat. Er zijn dus nog een pak heel belangrijke praktische bezwaren.

Niet alleen mijn stad, maar ook verschillende andere steden worden geconfronteerd met de EPB-eisen die niet aangepast zijn aan het systeem van warmtenetten. Het wordt steeds moeilijker voor projectontwikkelaars om daaraan te voldoen. Een belangrijke reden daarvoor is dat de EPB-rekenmethodieken die vandaag worden gebruikt, eigenlijk niet gedetailleerd gemodelleerd kunnen worden om het werkelijke gebruik weer te geven.

Simpel gezegd: men verkrijgt heel slechte resultaten indien men in een appartementsgebouw een centrale stookplaats wil installeren. De systeemverliezen worden systematisch overschat, en dat heeft een negatiever e-peil tot gevolg. Dat ligt niet in lijn met het effectieve energieverbruik. De projectontwikkelaars zijn dan genoodzaakt om bijkomende investeringen te doen.

Minister, het hoeft geen betoog dat dit een belangrijke rem is op heel het systeem van warmtenetten. Vandaag is er een serieuze opmars van warmtenetten, maar die wordt geremd door dit soort zaken. Bij nieuwbouw appartementsgebouwen zouden we er in de eerste plaats voor moeten zorgen dat die centrale stookplaatsen er kunnen komen, want ze zijn een erg belangrijke facilitator in heel dit verhaal.

Minister, ik heb verwezen naar de resolutie die in het Vlaams Parlement werd goedgekeurd. Hoever staat het met de implementatie daarvan, inzonderheid met betrekking tot de opmaak van de warmteatlas – zeer belangrijk om de verdere uitrol te kunnen bijbenen –  en de prijszetting? Als we ervoor willen zorgen dat er een doorbraak komt, zullen we rond de prijszetting, de sociale bescherming van afnemers, maar ook de hele problematiek rond wanbetaling sneller vooruit moeten gaan dan vandaag het geval is. Hoe ver staat het daarmee?

Hebt u – met het voorgaande in het achterhoofd – het voornemen om het beleidskader dat u had gepland voor 2016, versneld uit te werken?

Zult u, gelet op de praktische bezwaren en de praktische drempels die er vandaag zijn, een structureel overleg organiseren met andere beleidsdomeinen om sneller en efficiënter te kunnen inspelen op die technische belemmeringen? 

Minister, bent u bereid om de EPB-rekenmethodieken voor de doorrekening van collectieve verwarmingsinstallaties aan te passen naar de werkelijke prestaties? Wat voor timing stelt u daar voorop? Als u daartoe bereid bent, kan dat ook met terugwerkende kracht voor de EPB-dossiers waarvoor de aangifte nog moet worden ingediend?

Zult u in de mogelijkheid voorzien om een flexibele fasering van warmtevraag en -productie bij warmtenetten in te rekenen? Vandaag bestaat daar nog heel wat juridische onzekerheid over.

Overweegt u, gelet op het belang van die centrale stookplaatsen voor de volledige doorbraak van die warmtenetten, zeker als het gaat over meergezinswoningen, een verplichting om een centrale stookplaats bij nieuwbouw op te leggen?

Minister, vandaag zijn de lokale besturen niet betrokken bij het stakeholdersplatform van het VEA. Zult u hen in de toekomst daar wel bij betrekken, al dan niet vertegenwoordigd door de VVSG?

Mevrouw Coppé heeft het woord.

Mevrouw Griet Coppé (CD&V)

Minister, u ziet dat het belang van deze vraag heel groot is, niet alleen in Vlaanderen, maar zeker ook in Roeselare, aangezien mevrouw Hostekint en ikzelf onafhankelijk van elkaar dezelfde vraag om uitleg hebben ingediend. Er zitten wel wat nuances in.

De implementatie van groene warmte en restwarmte is voor de lokale besturen cruciaal om de gestelde energie- en klimaatdoelstellingen te kunnen behalen. Restwarmte- en groene warmte valoriseren via warmtenetten is gericht op de realisatie van wederzijdse winsten in de gehele waardeketen.

De laatste jaren raken de investeringen van lokale overheden in warmtenetten met steun van de Vlaamse overheid in een stroomversnelling. Ik haal een aantal voorbeelden van realisaties en bijna-realisaties aan. In Roeselare wordt het bestaande warmtenet uitgebreid met 1200 nieuwbouwwoningen. Dat is niet niets. De eerste 200 woningen zouden reeds kunnen worden opgeleverd in 2016. Op het Nieuw Zuid in Antwerpen komen er 5000 woningen, wat erg veel is. Ik verwijs verder naar de duurzame stadsontwikkeling van de site Tondelier in Gent, de ambities van de stad Turnhout inzake diepe geothermie, de haalbaarheidsstudie voor warmtenetten in Oostende en het warmtenet op de site Tweewaters in Leuven. Kortom, vele centrumsteden zijn reeds volop bezig met het realiseren van alternatieve energie, vooral via warmtenetten.

Het regeerakkoord is daar duidelijk in: “In uitvoering van artikel 14.1 van de richtlijn energie-efficiëntie zal tegen uiterlijk 31 december 2015” – niet meer zo veraf dus – “een uitgebreide beoordeling van het potentieel voor efficiënte stadsverwarming en -koeling worden gefinaliseerd. Er zal tevens een routekaart worden uitgewerkt om de uitbouw van warmtenetten, zowel openbaar als privé, aan te moedigen en tot een Vlaams reguleringskader voor warmtenetten, warmtediensten en warmtemarkten te komen. Eventuele barrières, al dan niet technologische, zullen worden weggewerkt.”

Een volgende passage stelt: “Omdat de uitbouw van warmtenetten raakvlakken heeft met verschillende beleidsdomeinen is het noodzakelijk om een geïntegreerd transversaal beleid vorm te geven. De ondersteuning van het nuttig gebruik van restwarmte wordt verdergezet. Er zullen nieuwe calls worden georganiseerd voor de toekenning van investeringssteun. In 2015 en vervolgens om de twee jaar wordt het steunmechanisme en de steunhoogte geëvalueerd en, indien nodig, aangepast.”

Het regeerakkoord hecht dus heel veel belang aan de verdere uitrol van de restwarmte en zal daaraan de nodige steun geven.

De EPB-wetgeving is echter nog een belangrijke hinderpaal voor de implementatie van warmtenetten. Ik herhaal hiermee wat mevrouw Hostekint heeft gezegd. Het E-peil is een graadmeter voor de energiezuinigheid van een woning. De gehanteerde EPB-rekenmethodieken modelleren echter onvoldoende gedetailleerd de collectieve verwarmingsinstallaties, zoals collectieve stookplaatsen in appartementen, naar het werkelijk gedrag ervan.

Als gevolg hiervan worden de systeemverliezen systematisch overschat, met een negatiever E-peil tot gevolg. Het E-peil op papier strookt dus niet met de realiteit. Het is namelijk hoger dan het zou zijn indien er gezorgd wordt voor een individuele stookinstallatie.

Bijgevolg zien projectontwikkelaars zich genoodzaakt om bijkomende investeringen te doen opdat ze niet met hoge EPB-boetes zouden worden geconfronteerd. Vandaag zouden reeds bestaande projecten worden afgestraft door de achterhaalde EPB-wetgeving. Deze problematiek zet het gevoerde lokale warmtebeleid steeds vaker onder druk. Dit vormt een hinderpaal om in de toekomst verder te investeren in warmtenetten.

Ik veronderstel dat grote projectontwikkelaars dit wel reeds zullen hebben aangekaart, maar ik vind dat we voor de individuele burger verplicht zijn om te zoeken naar een betere EPB-wetgeving.

De systematische overschatting van de systeemverliezen wordt op objectieve en academisch onderbouwde wijze aangetoond in verschillende publicaties van de vakgroep Bouwfysica aan de Universiteit Gent. UGent zou reeds een voorstel van aangepaste EPB-rekenmethodiek hebben opgemaakt.

Minister, ik heb u net op de voorgaande vragen om uitleg van collega’s horen antwoorden dat de Vlaamse overheid voor een investeringskader zorgt dat duidelijkheid biedt en dat het evident is dat hernieuwbare energie verder moet worden gefaciliteerd.

Minister, bent u op de hoogte van de problematiek inzake de vertekende score van de EPB-berekening bij warmtenetten?

Welke stappen hebt u reeds gezet om een kader op te maken voor openbare warmtenetwerken?

Zult u de lokale besturen, gezien hun belang in duurzame stadsontwikkeling en het aanleggen van warmtenetten, via de VVSG betrekken bij het overleg rond de aanpassing van de EPB-wetgeving? Ik vernam dat dit tot nu toe zeker niet gebeurde.

Zult u de EPB-rekenmethodieken voor de doorrekening van collectieve verwarmingsinstallaties aanpassen naar de werkelijke prestatie, en dit met terugwerkende kracht? Zo ja, welke timing stelt u voorop?

Momenteel bestaat er juridische onzekerheid over de mate waarin een gecontracteerde vergroening van de warmteproductie vooral op korte termijn kan worden gevaloriseerd op de EPB-aangifte. Zult u in de EPB-goedkeuringsleidraad voor externe warmtelevering van het VEA in de mogelijkheid voorzien om een flexibele fasering van warmtevraag en warmteproductie bij warmtenetten in te rekenen?

Minister, ik wil graag zelf even aansluiten bij deze uitgebreide vraagstelling.

Zoals mevrouw Hostekint aanhaalde, hebben we in de vorige legislatuur een resolutie goedgekeurd. Ik ben benieuwd naar de stand van zaken over de punten die daarin opgenomen zijn.

Ik wil een bezorgdheid meegeven. Er is aangegeven dat er tegen 2015 in overleg zal worden nagekeken welk potentieel er is voor Vlaanderen. In de resolutie wordt er eveneens gezegd dat we kunnen leren uit een aantal proef- en demonstratieprojecten en dat we eventueel onze regelgeving daaraan kunnen aanpassen. Bestaat er een kader voor de proef- en demonstratieprojecten of de projecten die al in de startblokken staan, al is het maar een tijdelijk kader? Ik heb dat ook al aangehaald bij de geothermie.

Soms kan de wetgeving niet dadelijk volgen, maar het is toch belangrijk dat projecten kunnen starten en er in een tijdelijk wetgevend kader wordt voorzien.

Verschillende projecten die al gekend zijn, zijn stedelijke projecten. Het is belangrijk dat de kennis wordt doorgegeven aan kleinere lokale besturen. Mijn bezorgdheid is dat in de proefprojecten ook kleinere projecten van kleinere lokale besturen zouden worden opgenomen. Gaat het ook niet enkel om nieuwbouw? Het economische voordeel en misschien ook de economische haalbaarheid zitten voornamelijk in nieuwbouwprojecten, maar wordt er ook gekeken naar renovatie of bestaande woonwijken en industriële sites? Voor de toekomst is daar ook een heel belangrijke rol weggelegd.

De heer Gryffroy heeft het woord.

Ik wil nog enkele dingen toevoegen. Misschien kan de minister er niet meteen op antwoorden, maar dat is ook niet mijn vraag.

Dit is een zeer boeiende discussie. In het buitenland wordt het EPB op een totaal andere manier berekend. Daar wordt gekeken naar het gebouw op zich en wat men verwacht dat het gebouw op jaarbasis zal verbruiken. De productie staat daar los van. In de aangepaste EPB-berekening moeten we daar ook rekening mee houden. Een centrale stookplaats in een appartementsgebouw komt door het verlies over de leidingen zeer nadelig uit. Wie werkt met een extern warmtenet, kan terecht op de website www.energiesparen.be. De berekening gebeurt door een extern bureau dat waarschijnlijk een meer realistische inschatting maakt. Daardoor komt een extern warmtenet er positiever uit dan een intern warmtenet. Er moet voor gezorgd worden in de toekomst dat het verbruik in de woning of het kantoor losstaat van de productie.

Er is iets wat ik mis. Misschien komt dat door een gebrek aan tijd of voldoende kennis bij het Vlaams Energieagentschap. U mag me niet kwalijk nemen dat ik dit zo zeg. Er wordt gezegd dat de residentiële sector de grootste markt is die in aanmerking kan komen. Dat is juist en niet juist. Het is niet juist omdat in een nieuwe woonwijk alle woningen goed geïsoleerd zijn. Er is maar een heel klein beetje warmte nodig in de winter en in de zomer praktisch niets. Stel dat er wordt gewerkt met restwarmte, bijvoorbeeld in Roeselare afkomstig van de verbrandingsoven, dan kan die in de zomer zijn warmte niet kwijt als die enkel wordt doorgestuurd naar de residentiële sector. In Roeselare is er wel de connectie met het ziekenhuis. Er moet dus worden gezorgd voor een gemengd geheel van ziekenhuizen, bedrijven, woningen, een zwembad enzovoort.

Hoe ver staan we met de evaluatie van de EPB? Kunnen we daar een gedachtewisseling over organiseren? Ik vind bijvoorbeeld het begrip ‘absorptiekoelmachine’ niet terug in de EPB-regelgeving. Ik heb gisteren nog gebeld met twee kantoren die niets anders doen dan EPB-berekeningen. Bijvoorbeeld als ik een overschot heb aan warmte en het ziekenhuis heeft koeling nodig, dan wordt die warmte nu bij manier van spreken vernietigd terwijl die perfect kan worden omgezet in koude. Die zou dan kunnen worden gebruikt in het ziekenhuis. Daardoor is de benutting van het warmtenet veel constanter gedurende het volledige jaar.

Ik heb een voorstel, minister. Als het Vlaams Energieagentschap daarvoor onderbemand of onvoldoende technisch bestaft is, doe dan een beroep op externen die de zaak helemaal uitpluizen en met een realistische EPB-berekening komen. We kunnen het ons niet meer permitteren dat er om de haverklap moet worden bijgestuurd omdat er fouten inzitten. Als we de warmtenetten en centrale stookplaatsen goed willen integreren, dan moet het in orde zijn. Er zijn daarvoor goede buitenlandse voorbeelden, onder meer door de productie te splitsen van het gebouw.

Minister Turtelboom heeft het woord.

Minister Annemie Turtelboom

Dames en heren, de vragen waren uitgebreid. Ik heb dan ook een heel uitgebreid antwoord.

De uitvoering van de resolutie betreffende de ontwikkeling van warmtenetten gebeurt in overleg met de stakeholders gegroepeerd in het beleidsplatform warmtenetten. Dit beleidsplatform is de eerste maal bijeengekomen in 2013, driemaal in 2014 en voorlopig eenmaal in 2015. De maatregelen opgenomen in de vermelde resolutie zijn allemaal uitgevoerd of in uitvoering. Ik verwijs hiervoor naar het uitgebreide verslag van het beleidsplatform dat u kunt terugvinden op www.energiesparen.be/groene-energie-en-wkk/prof/warmtenetten.

De opmaak van een warmteatlas zit in de eindfase. Tegen eind 2015 zal op basis van deze atlas ook een kosten-batenanalyse uitgevoerd worden voor Vlaanderen, waarbij de rendabiliteit van de verschillende zones voor warmtenetten en voor warmterecuperatie in kaart wordt gebracht. Dat zal een bijzonder belangrijk instrument zijn voor de doelstelling die we allemaal delen, namelijk dat er warmtenetten komen omdat ze een goede vorm zijn van groene energie. Ze zijn bovendien veel goedkoper dan hernieuwbare-energiebronnen. Er is wel nog werk aan de winkel.

Binnen het beleidsplatform zijn recent meer specifieke werkgroepen gepland die zich onder andere gaan focussen op de prijszetting van warmte en de uitbouw van het draagvlak bij afnemers, bijvoorbeeld via sociale maatregelen, en die hierover tegen eind 2015 hun aanbevelingen zullen overmaken. In eerste instantie moet worden afgebakend rond welke specifieke thema’s bijkomende regelgeving de ontwikkeling van warmtenetten kan stimuleren, en welke uitvoeringspistes daarbij het meest aangewezen zijn. Steun voor warmtenetten wordt toegekend via de ecologiesteun en via de calls voor groene warmte en restwarmte.

Vorig jaar kende de Vlaamse Regering strategische ecologiesteun toe voor grootschalige industriële warmtenetten in de Waaslandhaven en in de Gentse haven. Via de calls voor groene warmte en restwarmte worden een tiental nieuwe warmtenetten of uitbreidingen van bestaande warmtenetten ondersteund. Vijf van deze projecten zijn recent ingediend in het kader van de call die begin februari afliep en moeten nog in detail beoordeeld worden.

Op basis van de aanbevelingen van het beleidsplatform warmtenetten en verschillende subwerkgroepen, zal het beleidskader in de loop van 2016 uitgewerkt worden. Andere beleidsdomeinen en externe stakeholders zijn reeds structureel betrokken via het beleidsplatform warmtenetten. Volgende stakeholders zijn vertegenwoordigd in het beleidsplatform: netbeheerders, bedrijfsfederaties van grote verbruikers, energiebedrijven en toeleveranciers, sectororganisaties decentrale producenten, onderzoeksinstellingen, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, lokale besturen, administraties Ruimtelijke Ordening, Landbouw, Leefmilieu, Openbare Werken en de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.

Het is mijn bedoeling om de EPB-software meer af te stemmen op nieuwe tendensen zoals de komst van warmtenetten. Het is niet de bedoeling dat de EPB-software een belemmering kan zijn op de realisatie van warmtenetten. Ik merk dat op dit punt nog enige flexibiliteit ontbreekt. In ieder geval maak ik hier werk van.

Voor de berekening van externe warmtelevering of warmtenetten in EPB is er een juridische rechtsgrond. Het berekenen van de energieprestatie van gebouwen die aangesloten zijn op een systeem van externe warmtelevering, kan momenteel via de procedure voor gelijkwaardigheid.

In de loop van september 2014 ontving het VEA een eerste reeks dossieraanvragen. Alle aanvragen zijn nog in behandeling. Voor diverse aanvragen moet door de aanvragers nog bijkomende informatie worden aangeleverd. De bedoeling is dat het VEA die eerste reeks dossieraanvragen afrondt. Op basis van de evaluatie van die eerste dossiers zal het VEA eventueel een wijzigingsvoorstel voor het huidige regelgevend kader uitwerken.

Het EPB-rekenresultaat van een woning die aangesloten is op een warmtenet, is het resultaat van enerzijds de eigenschappen van het warmtenet en anderzijds de maatregelen toegepast op het niveau van het gebouw en in de woning zelf. Het VEA meent dat over het rekenresultaat van woningen aangesloten op een warmtenet niet algemeen kan worden gesteld dat er sprake is van een vertekende score, net omdat er met heel veel factoren rekening wordt gehouden. De warmtenetberekening zal afhangen van factoren zoals het type opwekker, de eigenschappen van het distributienet en de warmtevraag. Een warmtenet dat warmte verdeelt die wordt opgewekt via de verbranding van afval, zal in de EPB-berekening bijvoorbeeld heel anders presteren dan een warmtenet dat warmte verdeelt die wordt opgewekt door een groep gascondensatieketels. De berekening binnen het gebouw zal bijvoorbeeld afhankelijk zijn van het al dan niet toepassen van een circulatieleiding of combilus.

Het VEA deed in het verleden al diverse pogingen om informatie te verzamelen om de vergelijking te kunnen maken qua energieprestaties, zowel in de EPB als in realiteit, van individuele en collectieve gebouwen. Het is een moeilijke materie: correcte en onderbouwde gegevens zijn schaars. Warmtenetten zijn veelbelovend. Uiteraard zullen we de methodiek verder aanpassen om de ingang van warmtenetten mogelijk te maken, maar voorafgaandelijk werk ik aan een goede documentatie. Ik stel ook vast dat het cijfermateriaal steeds kwalitatiever wordt.

Sinds het begin van de energieprestatieregelgeving werd de rekenmethode voor collectieve systemen al een aantal keren verfijnd. Voorbeelden daarvan zijn de hogere opwekkingsrendementen voor de bereiding van warm tapwater door collectieve grote opwekkingsinstallaties en de toevoeging van een rekenmethode voor combilussen. Dat zijn gemeenschappelijke circulatieleidingen voor verwarming en warm water die hun toepassing vinden in collectieve gebouwen. Innoverende systemen die in een combilus gebruik maken van lagere temperaturen, kunnen bovendien via een mogelijkheid van gelijkwaardigheid worden gevaloriseerd.

De huidige rekenmethode voor collectieve systemen, meer bepaald de combilusrekenmethode, is gevoelig voor slecht ontworpen systemen, bijvoorbeeld leidingen die niet of slecht geïsoleerd zijn en leidingen die lang zijn, hier gaan grote verliezen mee gepaard. In dat geval kan het best zijn dat het E-peil voor het combilussysteem hoger is dan het E-peil in het geval van individuele warmteopwekkers. Met de ervaring die het VEA ondertussen heeft, blijkt dat de berekening van de combilus vaak tot positievere eindresultaten leidt als het combilussysteem goed werd ontworpen en ingerekend. Dat wil zeggen: de circulatieleidingen zo kort mogelijk en met een goede isolatie; voldoende isolatie van de satellietboilers of afleversets; detailberekeningen waar mogelijk en gebruik makend van de verbeterde opwekkingsrendementen voor collectieve grote installaties.

In het laatste bilaterale overleg tussen Warmtenetwerk Vlaanderen en het VEA uitte de sectororganisatie haar bezorgdheid over de inrekening van de combilus in EPB. Enerzijds bezorgde de organisatie een aantal eigen berekeningen, anderzijds bezorgde ze informatie met betrekking tot de aanpassing van de huidige rekenmethode, gebaseerd op een doctoraatsonderzoek dat bezig is bij de Universiteit Gent. Uit de aangeleverde berekeningen volgde een zeer groot verschil in de prestaties tussen een individuele opwekker per wooneenheid en een collectieve opwekker met combilus voor diverse wooneenheden.

Los daarvan is het nuttig om te melden dat het VEA, samen met de andere gewesten, de rekenmethode continu verder ontwikkelt. Dat gebeurt via het EPB-platform, dat wordt ondersteund door een wetenschappelijk team bestaande uit het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB), een aantal studiebureaus en een aantal universiteiten. Momenteel zijn er ook een aantal studies bezig of gepland in verband met de onderwerpen combilus en collectieve systemen, die zeker in een stedelijke context van groot belang zijn.

Er is een studie bezig over de herziening van opwekkingsrendementen voor de bereiding van warm tapwater, die zit in de afrondingsfase. Die studie zal vooral een impact hebben op het rendement van kleinere collectieve opwekkingsinstallaties. Het is de bedoeling de nieuwe methode toe te passen in dossiers met een vergunningsaanvraagdatum of melding vanaf 1 januari 2016. Daarvoor moet er eerst nog een wijzigingsbesluit worden goedgekeurd. Een andere studie die momenteel loopt, gaat over de herziening van het systeemrendement voor warm tapwater. Deze vaste factor die voor de berekening van de leidingverliezen wordt gehanteerd, wordt door de sector als te streng ervaren en is volgens de sector een van de redenen voor de minder goede rekenresultaten bij het gebruik van een circulatieleiding.

De afronding van de studie is gepland tegen juni van dit jaar. Daarna moeten we natuurlijk bekijken hoe we de resultaten ervan opnemen in de rekenmethode.

Ik ben geen voorstander van de terugwerkende kracht. De EPB-eisen zijn gekoppeld aan het moment van de aanvraag tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning, in het kader van het principe van de voorzienbaarheid van de regelgeving en de rechtszekerheid. Zelfs nog los van de juridische discussie of een uitvoeringsbesluit sowieso een retroactieve werking mag hebben, creëert men, als men dit retroactief van toepassing zou maken, in dat geval een ongelijke behandeling ten opzichte van mensen die hun EPB-aangifte correct hebben ingevuld. Bovendien zal dan in de toekomst altijd worden gedacht dat de rekenmethode met retroactieve werking kan worden aangepast, en dat geeft eigenlijk instabiliteit. Om die reden ben ik daar geen voorstander van.

Een verlenging van de indieningstermijn kan binnen het huidige decretale kader niet. In het kader van de energieprestatieregelgeving is immers expliciet bepaald dat de EPB-aangifte binnen de zes maanden na de ingebruikname van de werken moet worden ingediend. Het moment van die ingebruikname werd in het Energiedecreet voor een nieuwbouwwoning vastgelegd als ten laatste het moment van de eerste domiciliëring. Als iemand er eenmaal is gedomicilieerd, dan is het gebouw ontegensprekelijk in gebruik. Die periode was bedoeld om de bouwheer een gratieperiode te bieden, waarbinnen hij de mogelijkheid heeft om, alvorens de aangifte formeel wordt ingediend, desnoods nog enige aanpassingen door te voeren om het gebouw conform de EPB-eisen te maken. Men kan die periode echter niet onbeperkt in de tijd verlengen. Deze beperkte periode heeft voorts de bedoeling om precies als stimulans te dienen opdat alle investeringen tijdig zouden worden uitgevoerd. Er is in de regelgeving op dit moment niet in een mogelijkheid voorzien om af te wijken van deze regel. Ik bekijk in hoeverre een spreiding in de tijd van de investeringen bij een EPB-aangifte daadwerkelijk een optie is.

Ik moet wel zeggen dat die periode van zes maanden een probleem geeft bij warmtenetten. We zijn aan het bekijken op welke manier we dat zouden kunnen aanpassen, maar het punt is dat dit niet zo gemakkelijk is. Je moet immers toch wel een afsluitmoment hebben. Dit is echter complex. We bekijken op welke manier we dat zouden kunnen aanpassen, maar dit is gewoon technisch niet zo gemakkelijk. Ik begrijp echter dat die periode van zes maanden gewoon te kort is voor het aansluiten op een warmtenet. We zijn dat aan het evalueren, omdat we, net als vele vraagstellers hier vandaag, denk ik, inzien dat er een kloof is ter zake.

Bij de energieprestatieregelgeving geldt het principe dat gebouwdelen, installaties enzovoort weliswaar aan inhoudelijke eisen worden onderworpen, maar dat de bouwheer nog steeds de vrije keuze heeft met betrekking tot de manier waarop aan die eisen wordt voldaan. De energieprestatieregelgeving en haar eisen zijn losgekoppeld van de regelgeving met betrekking tot ruimtelijke ordening. Voor de stedenbouwkundige regels moet ik natuurlijk verwijzen naar mijn collega.

Het VEA betrekt zijn stakeholders op diverse manieren. Er is Warmtenetwerk Vlaanderen en andere stakeholders, maar er is ook een studie externe warmtelevering waarin de berekeningsmethode wordt opgesteld, en er is het beleidsplatform Warmtenetten, dat het juridische kader bekijkt. Er zijn ook heel veel bilaterale overlegmomenten. Het jongste vond trouwens plaats op 18 februari. Warmtenetwerk Vlaanderen was ook aanwezig op het stakeholdersoverleg met betrekking tot de EPB-rekenmethode op 25 februari 2015. Er is dus toch wel een heel intensieve samenwerking.

Er was dan nog de vraag om te bekijken of we de EPB-evaluatie ook hier in het parlement kunnen doen. Wel, we zijn bezig met die evaluatie. Die zou eind 2015 klaar zijn. Misschien kan er al eens een reflectie in dit parlement worden gepland op het moment dat wij al elementen van evaluatie kunnen aanbieden, zodat het debat vollediger kan worden gevoerd.

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Mevrouw Michèle Hostekint (sp·a)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Het was inderdaad een uitgebreid antwoord, al moet ik zeggen dat ik niet op al mijn vragen een antwoord heb gekregen. Ik zal die echter misschien straks nog eens opnieuw stellen.

Het verbaasde me een beetje dat u zei dat het VEA stelt dat dat warmteverlies eigenlijk niet kan worden veralgemeend. U hebt zelf verwezen naar de studie die is verricht door de Universiteit Gent. Ik ben sowieso blij dat u zegt dat er wel een evaluatie zal komen van heel die rekenmethodiek, aan de hand van de lopende dossiers en de dossiers die nu zijn ingediend.

Ik heb u niet horen zeggen welke timing u vooropstelt en welke timing we mogen verwachten. De essentie van mijn verhaal is dat hoe langer de obstakels blijven bestaan, hoe meer dat een rem is op de verdere ontwikkeling van de warmtenetten. Ik begrijp dat het allemaal niet zo vanzelfsprekend is en het klinkt heel technisch en ingewikkeld, maar het is belangrijk dat, als we die warmtenetten in de rest van Vlaanderen willen uitrollen en de huidige netten in de steigers staan – ik denk aan steden die vooroplopen zoals Roeselare en Antwerpen – dat we zorgen voor een concreet antwoord aan de ontwikkelaars die vandaag misschien weigerachtig zijn of twijfelen. Het is geen nieuwe techniek, maar voor sommige mensen onbekend en dus onbemind. Als u die over de streep wilt trekken, dan zullen we moeten zorgen dat we een goed antwoord hebben.

Minister, voor de prijszetting hoor ik u verwijzen naar eind 2015. Met alle respect, maar dat is nog een hele tijd, wetende dat er een heleboel projecten bezig zijn en dat de projectontwikkelaars moeten worden overtuigd om mee te stappen. Het is een belangrijke factor van onzekerheid als we vandaag nog niet weten hoe de prijszetting in elkaar zal zitten, wat er gebeurt bij wanbetaling, of er mogelijkheid is tot afsluiting, of er ook sociale maatregelen worden gepland. Daarover worden vandaag vragen gesteld en daar bestaat nog geen antwoord op. In de projecten die vandaag bezig zijn, is er een grote diversiteit. Dit zorgt voor een rem, voor een onzekerheid.

Minister, ik begrijp de complexiteit van de zaak, maar ik vraag om hier toch vlug werk van te maken. Eind van dit jaar klinkt misschien dichtbij, maar dat is nog heel veraf als u hiermee wilt voortmaken.

U hebt gezegd dat u niet met terugwerkende kracht wilt werken. Ik begrijp uw argument van de werkzekerheid. Tegelijk gaat het over aangiftes die vandaag nog moeten gebeuren. Men zal niet retroactief ingrijpen op iets dat al is ingediend. Het zijn aangiftes die nog moeten gebeuren. Dat wil ik even verduidelijken.

Minister, ik wil nog eens vragen naar de timing. U zegt dat u bereid bent om dat te bekijken en te evalueren. U bent zich bewust van een aantal mankementen. Wat moeten we ons daarbij voorstellen qua timing? Wanneer zal die evaluatie zijn afgerond? Wanneer zal er een aanpassing kunnen gebeuren van de EPB-wetgeving. Ik zeg het nog eens, het is zeer dringend als u ervoor wilt zorgen dat de ontwikkeling van de warmtenetten niet stopt.

Op sommige vragen heb ik geen antwoord gekregen. Wat is uw visie over het verplichten van de centrale stookplaatsen? Natuurlijk moet het eerste probleem eerst worden opgelost, maar hoe ziet u dit zelf? Het zou een belangrijke facilitator kunnen zijn voor de opgang van die warmtenetten, ook waar dat vandaag nog niet het geval is. Hoe staat u daar tegenover? Ik wil u aanzetten tot spoed.

Mevrouw Coppé heeft het woord.

Mevrouw Griet Coppé (CD&V)

Minister, ik sluit me aan bij de bemerkingen van mevrouw Hostekint. Ik was ontgoocheld met uw antwoord. U hebt een heel technische uiteenzetting gegeven. Dat begrijp ik. U zegt dat de EPB-software er al is, maar dat flexibiliteit ontbreekt, dat het VEA pogingen deed, maar dat de gegevens schaars zijn, dat er kwalitatief moet worden bijgestuurd aan het cijfermateriaal. Dan had u het uitgebreid over de combilusrekenmethode. Dat zal allemaal wel kloppen.

Met het WTCB-studiebureau en de universiteiten is er veel overleg. Maar wat ik mis in uw antwoord is wat de sector vandaag moet doen. De sector is heel actief. In mijn stad zijn de aanvragen lopende en kan de ontwikkeling opstarten. Dan hebben de ontwikkelaars nog geen antwoord op wat er zal gebeuren met de EPB-wetgeving. U hebt wel duidelijk gezegd dat u niet voor een methode met terugwerkende kracht bent. Dan is het goed dat men nu snel kan weten hoe het zit. Ik begrijp dat er nog onderzoek moet gebeuren. Tegen juni 2015 zal een studie zijn afgerond, zegt u, maar ik heb begrepen dat het technisch nog niet is uitgeklaard.

Minister, kunt u met enige snelheid iedereen duidelijkheid verschaffen, aangezien de activiteiten ter plaatse al bezig zijn? U hebt gezegd dat er overleg was met het VEA en met Warmtenet Vlaanderen. Maar wordt de VVSG ook betrokken bij de EPB-wetgeving? In de steden is er een duurzame stadsontwikkeling bezig. Hoe zit het met de uitrol over Vlaanderen? En wat met renovatieprojecten?

De heer Gryffroy heeft het woord.

Het klopt dat we nog niet zo ver staan. Tijdens de vorige legislatuur heeft de sector vaak aangedrongen bij de minister die daarvoor verantwoordelijk was. Dat gebeurde vanuit Warmtenet Vlaanderen en vanuit de organisatie die ik niet zal vernoemen. Er is veel over gepraat. Het enige wat ik nu vraag, is dat we alstublieft geen half huiswerk doen.

Ik geef een voorbeeld. Nieuw Zuid in Antwerpen bestaat uit verschillende fases. In de eerste fase bouwt men de centrale stookplaats. Daarna sluit men die centrale stookplaats aan op de tweede fase. Maar misschien kan het ook dat die centrale stookplaats achteraf wordt gebypassed door er bijvoorbeeld een leiding op aan te sluiten die komt van de restwarmte van Indaver of een ander project.

Daarom vraag ik om te kijken naar het Luxemburgse systeem. Daarmee doet men EPB-berekeningen, maar dat heet daar anders. Ze baseren zich op het Zwitserse model en maken een onderscheid tussen de woning en het gebouw. Dat moet goed zitten. Dan maakt men een koppeling die losstaat van de productie. Bij Externe warmte Energie Vlaanderen kun je op een excelberekening klikken. Er staat een rekenblad Externe warmte, maar wat ik niet zie, is de restwarmte van een biomassacentrale. Bee Power Gent wil bijvoorbeeld restwarmte aansluiten op een warmtenet in de stad Gent, maar dat staat er niet bij. Er staat wel afvalverbrandingsinstallatie.

Ik heb de indruk dat men hier de feiten achternaholt. Dat is niet alleen het laatste jaar zo, maar al meer dan zes jaar. Daarom heb ik liever dat we er zes maand meer voor uittrekken en dat het goed gebeurt. Daarom vraag ik hier om een gedachtewisseling,  nadat er bepaalde evaluaties zijn gebeurd. Misschien zal dat dan technisch zijn, dat maakt me weinig uit. Absorptiekoelmachines zitten daar niet in en dat vind ik fout. Dat zou er moeten in zitten.

Die gedachtewisseling kan door of met het VEA gebeuren, maar betrek er ook andere mensen bij. Er is meer dan alleen Warmtenet Vlaanderen. Uiteindelijk kunnen we er dan voor zorgen dat het systeem goed in elkaar zit.

De projecten die we vandaag zien, zijn vaak nieuw. Inzake kosten en baten zijn het waarschijnlijk de meest voor de hand liggende.

Maar de uitdaging ligt ook bij de bestaande sites en bij renovaties. Zijn die ook betrokken bij de demonstratieprojecten? Doordat ze moeilijker zijn, zal het voor een lokaal bestuur ook moeilijker zijn om motor te zijn. Ik wil er graag extra aandacht voor vragen.

Verschillende collega’s hebben al naar de snelheid voor EPB gevraagd. Ik heb begrepen dat de wetgever vandaag geen uitzonderingsmaatregelen of afwijkingen toelaat. Als wij een decreet ‘vast’ bepalen, heeft dat natuurlijk ook consequenties. Maar als we innovatieve projecten kansen willen geven, dan moeten we misschien in een beschermde zone werken. Het kan ook interessant zijn om een onderzoeksfase uit te werken voor de EPB-regeling zodat toch nog projecten kunnen starten waar we nog uit kunnen leren.

Minister Turtelboom heeft het woord.

Minister Annemie Turtelboom

Uw tweede vraag was mij ontglipt. Ik neem de vraag naar versnelling zeker op. Ik merk bij de tweede call ook dat alle middelen die vrij zijn, niet zullen worden opgenomen. Er zijn onvoldoende projecten ingediend. Ik weet dat we nog een lange weg te gaan hebben. Vandaar dat we ook de eisen van de calls zullen aanpassen. We zullen nagaan hoe we de middelen om warmtenetten te stimuleren, kunnen meenemen.

Binnenkort, op 18 maart, is er een driepartijenoverleg tussen VEA, de projectbeheerders en mijn kabinet om het kader uit te werken. Als blijkt dat wijzigingen aan de software niet volstaan, dan is demonstratie een van de pistes die op dat moment op tafel zal liggen. Na 18 maart moeten we daar duidelijkheid over hebben.

De EPB-evaluatie is gepland voor het eind van het jaar, zoals ik heb gezegd.

Het overleg met de VVSG is ook lopende.

Het onderzoek naar energieluwe zones is op dit moment volop bezig.

Mevrouw Michèle Hostekint (sp·a)

Ik zou nog wel eens benadrukken dat we snel duidelijkheid en zekerheid moeten hebben. Een stabiel klimaat is belangrijk om verder te ontwikkelen. Ik heb begrepen dat u dat begrepen hebt.

Mevrouw Griet Coppé (CD&V)

Minister, ik heb gehoord dat u snelheid wil nemen in dit dossier om ervoor te zorgen dat men op het terrein niet moet wachten op de regelgeving zodat er volop kan worden geïnvesteerd en zodat men duidelijkheid krijgt van de overheid.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.