U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Nachtergaele heeft het woord.

Op 18 december 2020 werd het wijzigingsbesluit goedgekeurd met betrekking tot de steun aan niet-productieve investeringen in de landbouw en aan de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven. In het Vlaams regeerakkoord werd opgenomen dat die steun zou worden opgetrokken naar 10 procent van het VLIF-budget (Vlaams Landbouwinvesteringsfonds) en wordt de toepassing van de betoelaging van niet-productieve investeringen verruimd. Het gaat daarbij over maatregelen die voor de landbouwer zelf geen inkomsten genereren, maar waarbij we op een slimme manier kijken om onder andere biodiversiteit, landschap, bodem- of waterkwaliteit te versterken via natuur- en landschapsbeheer.

We hadden de bespreking in de commissievergadering van 10 februari, waarin duidelijk werd dat dat niet echt aansloeg – dat is dan misschien nog eufemistisch gezegd. In 2019 was er slechts 8288 euro toegekend aan die niet-productieve investeringssteun. De heer Uytdewilligen gaf daar een uitleg voor. Het ging over te weinig sensibilisering, de normbedragen die te laag zijn en dergelijke meer. Het gaat hierbij vooral om investeringen waarbij buurtbewoners, de maatschappij of het ecosysteem de vruchten plukken, waardoor we als overheid de landbouwer zo maximaal mogelijk moeten kunnen ondersteunen om deze subsidie tot een succes te maken.

Tijdens de hoorzitting werd aangegeven dat de knelpunten zullen worden aangepakt bij de aanpassing van de regelgeving voor de overgangsjaren.

Minister, kunt u meer toelichting geven bij het nieuwe kader rond de VLIF-steun voor niet-productieve investeringen? Wanneer zal deze nieuwe regeling in werking treden?

Hoe zult u concreet invulling geven aan tekortkomingen die in de administratie zijn vastgesteld bij de VLIF-steun voor niet-productieve investeringen? Wat zal er hierbij concreet veranderen aan de administratieve last voor de landbouwer? Werkt u aan sensibiliseringscampagnes om de boer bewust te maken van deze niet-productieve investeringen? Met welke externe partners zal de administratie samenwerken?

Ziet u voldoende incentives voor de landbouwer om in te staan voor meer niet-productieve investeringen? Wat zal er hierbij concreet veranderen zodat de landbouwers op de kar springen?

Wanneer zult u deze nieuwe regeling rond de niet-productieve investeringssteun evalueren en eventueel bijsturen waar nodig?

De heer Vandenhove heeft het woord.

Voorzitter, minister, de inleiding is gegeven door collega Nachtergaele en bouwt verder op de hoorzitting die we veertien dagen geleden hadden. Het is een beetje gemakkelijk om te zeggen dat er aan het relatieve succes van de 10 procent niet-productieve investeringen meer ruchtbaarheid zou moeten worden gegeven. Er zijn nog andere redenen waarom daar zo weinig op wordt ingespeeld.

Er is een Europese evolutie rond het nieuwe gemeenschappelijke landbouwbeleid en de Green Deal. Het is natuurlijk niet goed dat zulke initiatieven in Vlaanderen relatief weinig succes hebben. Uiteindelijk gaat het in Europa ook een stuk die richting uit. Er komt wat dat betreft geen goed nieuws aan.

Minister, waarom hebben de niet-productieve investeringen weinig succes? Komt dit door een te grote administratieve last en te weinig begeleiding? Komt het omdat er weinig interesse is vanuit de landbouwsector? Moeten we de link leggen naar Europa?

Welke acties onderneemt u om drempels weg te nemen en de maatregel aantrekkelijker te maken?

Denkt u erover na om ook andere organisaties dan de landbouwsector aanvragen te laten doen? Ik heb deze vraag veertien dagen geleden ook aan het VLIF gesteld. Het antwoord was dat ze toch al meer gingen samenwerken met de administratie Landbouwbeleid (ALB) en de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). Ik denk concreet aan Regionale Landschappen, die over heel wat terreinkennis beschikken. Het zijn officiële instellingen en ze werden vroeger door Vlaanderen gesubsidieerd en nu structureel door de provincies. Alle sectoren zijn daar vertegenwoordigd, ook de landbouwsector. Men zou die structureel kunnen inschakelen bij de toekenning en de analyse van de niet-productieve investeringen.

Het antwoord op mijn tweede vraag mag u mij zeker schriftelijk bezorgen, minister. U hebt dat zeker tot in detail laten uitwerken. Ik heb daar volgende week of later nog een vraag over. Het gaat over de economische return of het economisch inschakelen van hoogstamboomgaarden. Dat is tot nu zeer weinig gebeurd. Het economisch nut voor de landbouw- en fruitsector is zo laag dat we er alles aan moeten doen om die hoogstamboomgaarden te behouden. Kunnen we die opnemen in de lijst van kleine landschapselementen (KLE’s)? Kan er geen onderscheid worden gemaakt tussen natuurboomgaarden en hoogstamboomgaarden met een beperkte financiële return?

Het zou natuurlijk ook een goede zaak zijn om dat samen te bekijken met Onroerend Erfgoed. Heeft de administratie Natuur en Bos in functie van de specifieke soortenbescherming ook geen belang bij het opnemen van die hoogstamboomgaarden als niet-productieve investeringen? Ook daar zou het goed zijn om te overleggen met uw collega bevoegd voor de natuur.

Voorzitter, om tijd te winnen heb ik er zeker geen probleem mee dat die tweede vraag schriftelijk wordt beantwoord. Zo kunt u tijd winnen. Ik kom daar later nog op terug.

Collega Vandenhove, ik dank u voor uw flexibiliteit.

Minister Crevits, aan u om te oordelen hoe u de vragen best beantwoordt.

Minister Hilde Crevits

Wat was het laatste?

Het antwoord op de vraag over die hoogstamboomgaarden zou eventueel schriftelijk kunnen worden overgemaakt.

Minister Hilde Crevits

Het zou me een heel groot plezier doen als dat zou kunnen.

Wat levert me dat op?

Eeuwige roem.

Minister Hilde Crevits

Een kilo fruit …

U kunt het antwoord aan de heer Vandenhove bezorgen via de commissiesecretaris.

Minister Hilde Crevits

Dat zal ik doen.

Een wandeling met de minister tussen de hoogstamboomgaarden.

Minister Hilde Crevits

Dat kan ook.

Bedankt, collega Vandenhove.

We hebben op 18 december 2020 principieel ingestemd met een grondige wijziging aan de VLIF-maatregel niet-productieve investeringen. Deze wijziging bevat een aantal procedurele vereenvoudigingen maar voorziet vooral in een aanzienlijke uitbreiding van de niet-productieve investeringsmogelijkheden. Investeringen inzake bijkomende wateropslag, -infiltratie, -kwaliteit, biodiversiteit en bodembeheer komen nu ook in aanmerking.

Omdat bepaalde niet-productieve investeringen ook een beperkt inkomstengenererend aspect kennen, wordt naast 100 procent subsidie ook 75 procent en 50 procent subsidie voorzien. Elke landbouwer die beschikt over een KBO-nummer (Kruispuntbank van Ondernemingen) en een landbouwernummer komt dus in aanmerking. Steunaanvragen kunnen ook worden ingediend tijdens de verschillende blokperiodes. De landbouwer kan per jaar meerdere steunaanvragen voor niet-productieve investeringen doen.

Er is momenteel een ministerieel besluit in opmaak dat de normbedragen regelt, met ook een aantal specifieke voorwaarden waaraan bepaalde investeringen moeten voldoen en de minimale elementen die aan bod moeten komen in het technisch verantwoordingsadvies.

De bedoeling is om deze besluiten volgende maand definitief goed te keuren zodat na publicatie de maatregel onmiddellijk kan opstarten en de aanvragen kunnen worden ingediend via het e-loket.

De normbedragen zijn geactualiseerd en marktconform op basis van de literatuur en een stakeholdersbevraging. Die normbedragen voorzien zowel in de kosten voor de aankoop van het materiaal als in de kosten voor het laten uitvoeren van de werken en in specifieke gevallen het laten opmaken van een technisch verantwoordingsadvies.

We stappen af van het opladen van administratieve attesten in verband met de lokale verantwoording van de gekozen investering, wat toch een drempel kon zijn. Wel zal in een aantal gevallen nog een technisch verantwoordingsadvies vereist zijn, namelijk bij specifieke niet-productieve investeringen waar de inpassing in het landschap of de locatie belangrijk is en die niet-vergunningsplichtig zijn. Het technisch verantwoordingsadvies moet de omvang en de geografische locatie van de niet-productieve investering verantwoorden, motiveren wat de milieukundige, natuurkundige en landschappelijke meerwaarde is van de investering en specifieke voorwaarden over de uitvoering van de investering bevatten.

We stimuleren ook samenwerking, bijvoorbeeld van meerdere collega-landbouwers. Dat doen we door groepen van landbouwers een selectievoordeel toe te kennen bij de selectie van de investeringen per blokperiode. Men kan ook een georganiseerde groepsaankoop doen en die inbrengen als subsidiabele investering.

Er zal ook sterk worden ingezet op een proactieve en positieve communicatie binnen de sector zodra het besluit definitief is goedgekeurd.

Er zijn ook organisaties en instellingen die actief zijn in het buitengebied die een gedegen terreinkennis hebben op het vlak van waterbeleid, biodiversiteit, landschap. Organisaties met terreinkennis en centra met expertise in de landbouwpraktijken kunnen een belangrijke coördinerende rol opnemen om de land- en tuinbouwers te informeren over innovatieve niet-productieve investeringen.

Wanneer zullen we evalueren? De maatregel niet-productieve investeringen zal dit voorjaar operationeel worden en kent zijn toepassing tijdens de overgangsjaren 2021 en 2022 van het GLB. Tijdens deze periode zullen we vaak evalueren. Dit vormt zeker een meerwaarde om het GLB Strategisch Plan optimaal te kunnen voorbereiden en in de markt te zetten.

Het besluit wordt zeer grondig aangepast voor de komende overgangsjaren. Hoe komt het dat er zo weinig succes was? Daarvoor zijn er enkele oorzaken. De normbedragen waren wellicht te laag om boeren over de streep te trekken. De administratieve lasten waren vrij complex en tijdrovend. Er was onvoldoende begeleiding, de maatregel was weinig bekend, en een groep van landbouwers was onvoldoende gedefinieerd. Daardoor zijn we nu genoodzaakt om grondig bij te sturen.

Land- en tuinbouwers blijven de doelgroep. Alle landbouwers die bij het Departement Landbouw en Visserij een landbouwernummer hebben – en dus geïdentificeerd zijn – en een KBO-nummer, komen in aanmerking. Terreinbeherende verenigingen en overheidsinstellingen komen niet in aanmerking voor steun vanuit het Landbouwinvesteringsfonds. Het is wel de bedoeling om tot een actieve samenwerking te komen met organisaties en instellingen met terreintechnische expertise.

Collega Vandenhove, de hoogstambomen komen later.

Dat is afgesproken.

De heer Nachtergaele heeft het woord.

Minister, het is terecht dat we de steun voor niet-productieve investeringen optrekken naar 10 procent. Dit zegt het allemaal: niet-productieve investeringen zijn investeringen die voor een landbouwer niets opleveren. Als we het beleid aanhouden waarbij we de investeringen ten dele of zelfs helemaal terugbetalen, is er te weinig incentive voor een landbouwer om die aanvraag te doen. Daar ligt de verklaring voor het feit dat het niet zo populair is.

Minister, kunnen we verder gaan? Kan er worden overgeïnvesteerd? Zijn er juridische hordes of Europese regels die dat verhinderen? Of is het een politieke beslissing om er toch voor te zorgen dat de niet-productieve investeringssteun geen dode letter blijft?

Ik zie wel een rol voor de Regionale Landschappen. Dat zijn vaak organisaties waar heel veel kunde zit op het vlak van landschapsbeheer en allerlei zaken die worden aangeraakt in de regeling voor niet-productieve investeringen. Daar zitten mogelijke partnerschappen in.

Minister, wat gebeurt er als die 10 procent niet wordt opgebruikt? Wordt dat dan doorgeschoven naar het jaar nadien of verschuift het van pijler?

De heer Vandenhove heeft het woord.

Minister, het is goed dat het ANB en de VLM actiever worden betrokken. U zegt dat het ook geen probleem is om de Regionale Landschappen erbij te betrekken voor informatie. Toch moet u nog eens bekijken of u niet nog een stap verder kunt gaan. De Regionale Landschappen zitten met een minimum aan personeel en middelen. De aanvraag moet inderdaad blijven komen via landbouw of landbouworganisaties, geen enkel probleem daarmee. Maar het moet toch mogelijk zijn om via een intense samenwerking tot goede projecten te komen waarin ook de landbouwers en de landbouworganisaties zich kunnen vinden.

Ik ben nogal praktisch aangelegd. Waarom zou het niet mogelijk zijn om bijvoorbeeld per provincie of met een paar Regionale Landschappen te experimenteren met een samenwerking via het indienen van projecten en via laagdrempelig werken, om zo een boost te geven aan de niet-productieve investeringen?

De heer Steenwegen heeft het woord.

Minister, ik ben heel positief over het feit dat de regelgeving wordt aangepast. We hebben vastgesteld dat er drempels waren. U hebt ze opgenoemd.

Ik wil toch een randbemerking maken over de term ‘niet-productieve investering’. Collega Nachtergaele wijst er terecht op dat dat in eerste instantie niet meteen productief is. Maar toch is dat een vrij negatieve term, terwijl het in een aantal gevallen wel degelijk positief kan zijn voor de bedrijfsvoering en zeker een maatschappelijke meerwaarde kan bieden, wat collega Nachtergaele heeft aangehaald. Het is dus ook aantrekkelijker voor landbouwers en geeft meer aan wat het echt doet, namelijk een maatschappelijke meerwaarde creëren en zo de rol van de landbouwer maatschappelijk opwaarderen.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, ik dank jullie voor jullie aanvullende vragen.

Collega Nachtergaele, wat betreft het oversubsidiëren: we volgen de regels die toelaten dat we tot 100 procent subsidiëren. We doen dat op basis van normbedragen die redelijk en up-to-date zijn. We zullen niet verder gaan dan 100 procent.

Het VLIF werkt met Europese en Vlaamse jaarbudgetten. We kunnen de budgetten dus niet zomaar overhevelen naar een volgend jaar. Dat is wat moeilijk.

Collega Vandenhove, u maakt een interessante opmerking over de Regionale Landschappen. Er wordt momenteel een oproep voor demonstratieprojecten uitgewerkt om de boeren te begeleiden bij de keuze van innovatieve niet-productieve investeringen. Hieraan kunnen centra erkend als centrum voor duurzame landbouw deelnemen. Samenwerkingen met de regionale landschappen kunnen zeker en zijn trouwens ook een zeer goed idee. We zullen in de oproep ook benadrukken dat de samenwerking met lokale organisaties die over veel terrein kunnen beschikken zal worden gestimuleerd.

De heer Vandenhove heeft het woord.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.