U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, de UGent is tests aan het ontwikkelen om 12- en 14-jarigen te helpen bij hun studiekeuze. Dat raakte begin deze week, toen ik de vraag opmaakte, bekend. Werkgeversorganisatie Voka financiert het project. Een wetenschappelijke analyse waarop het project gebaseerd zou zijn, is mij alvast niet bekend, maar Voka geeft aan dat heel wat jongeren het moeilijk hebben om een goede oriënteringskeuze te maken.

“In het basisonderwijs helpen scholen en CLB’s wel bij die studiekeuze, maar zij doen dat binnen een veel breder takenpakket. Bovendien is er nu geen gecentraliseerde of eenduidige aanpak of tool ter beschikking.” Dat geeft Voka nog mee.

De onderzoekers werken nu aan oriëntatieproeven die niet alleen peilen naar klassieke vaardigheden, zoals rekenen of lezen, maar ook naar interesses, attitudes en motivatie. Daarnaast is er aandacht voor technisch inzicht en motoriek. Finaal beslissen de ouders in samenspraak met de leerlingen, uiteraard. Maar de tests zouden wel een aantal weloverwogen opties kunnen aanreiken. In dat kader heb ik een aantal vragen, minister.

Op welke manier zijn u en uw administratie betrokken bij dit project? Had u enige inspraak bij het formuleren van de studieopdracht? Weet u of er een rol weggelegd is voor de onderwijsverstrekkers, zo ja, welke? Vindt u dat er nood is aan een dergelijke tool? Wordt hiermee een leemte gevuld volgens u? Vindt u dat de scholen en CLB’s hun opdracht rond studieoriëntering dan nu niet goed doen? Hoe ziet u de verhouding tussen de modernisering van de eerste graad secundair onderwijs – waarbij de nadruk ligt op de oriënterende rol – enerzijds, en deze nieuwe testen voor 12-jarigen anderzijds.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Ik ben in de voormiddag nog niet aan bod gekomen, dus ik heb voor Gedichtendag ook nog een gedicht van een stadsgenoot van mij, Lotte Dodion. Mijn stad is heel zwaar getroffen tijdens de eerste coronagolf. Vandaar dat zij voor al die slachtoffers een gedichtje heeft gemaakt met als titel ‘Vergeet me niet’.

op aardedonkere dagen
geef ik je water

druppel tranen
over zaadjes die
je mij hebt nagelaten

ik wacht en weet
dat ze zullen kiemen

in dit winterharde hart
blijf jij bloeien
over de seizoenen heen

Ik hoop dat we deze donkere periode rap achter ons kunnen laten.

Nu, om me aan te sluiten bij de vraag van mevrouw Vandromme: de UGent werkt aan de ontwikkeling van de oriëntatieproeven voor de leerlingen van het zesde studiejaar en het tweede jaar van het secundair onderwijs om hen te helpen bij hun studiekeuze. Zoals mevrouw Vandromme ook net zei, zou het niet alleen gaan om het peilen naar klassieke competenties zoals rekenen of lezen, maar ook naar interesses, attitudes en motivatie, en ook technisch inzicht en motoriek zouden getest worden. Het onderzoek en de ontwikkeling van de proeven gebeurt onder toezicht van professor Wouter Duyck samen met onderzoekster Merel Dutry.

Voor het laatste jaar secundair onderwijs bestaan er al digitale onderwijskiezers zoals SIMON en Columbus. In het basisonderwijs is er geen gecentraliseerde of eenduidige aanpak. Volgens professor Duyck veranderen jaarlijks bijna 20.000 leerlingen van studierichting, een dergelijke oriëntatieproef zou een groot deel van deze wissels moeten voorkomen en zo het zogenoemde watervaleffect tegengaan.

Werkgeversorganisatie Voka financiert deze leerstoel aan de UGent. Gedelegeerd bestuurder Hans Maertens stelde dat studiekeuzes die gebeuren op basis van een stevig wetenschappelijk onderbouwd instrument een enorme maatschappelijke meerwaarde opleveren, wat op middellange termijn ook onze economie ten goede zal komen. Hij wil dan ook buiten de online vragenlijsten die naar de interesses peilen, naar een echte testcentrum – hij noemt dit een ‘Talent Centrum’ – toewerken dat op verschillende locaties in Vlaanderen techniek en motoriek spelenderwijs kan inschatten. De mosterd voor dit initiatief haalde Voka in Oostenrijk, waar de lokale Kamer van Koophandel een gelijkaardig systeem heeft opgezet. Daar maakt meer dan 75 procent van de scholen er gebruik van.

Minister, hoe evalueert u dit initiatief van de UGent? Is er ter zake overleg gepleegd tussen de minister en de onderzoekers?

Zult u op termijn gebruikmaken van dit hulpmiddel en het aanmoedigen bij onderwijskoepels en netten zodat zoveel mogelijk kinderen aan het einde van het basisonderwijs deze proef zouden afleggen, dit in navolging van de exploratietool Columbus voor de laatstejaars secundair die in de vorige legislatuur door minister Crevits gepromoot werd?

Een goede studiekeuze maken is natuurlijk niet enkel een kwestie van je interessevelden kennen en verkennen, maar ook het goed kunnen inschatten van je talenten en capaciteiten. Ziet u mogelijkheden tot een koppeling van deze oriëntatieproef aan de geplande Vlaamse gestandaardiseerde, genormeerde, gevalideerde net- en koepeloverschrijdende proeven en/of de proeven van de onderwijskoepels van het basisonderwijs, namelijk de interdiocesane proeven en de OVSG-toets (Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten)?

Zullen de data die gegenereerd worden in de schoot van de ontwikkeling en de toepassing van deze oriëntatieproeven ook gebruikt kunnen worden ter ondersteuning van onderwijsbeleidsonderzoek? Zult u hier dus gebruik van kunnen maken bij de voorbereiding van beleidsbeslissingen? Ik denk bijvoorbeeld aan het aandeel leerlingen dat bij deze proef een sterke interesse toont voor wetenschappen, wat een interessante parameter zou kunnen zijn bij de evaluatie van het STEM-actieplan (Science, Technology, Engineering and Mathematics).

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, er gebeurt iets interessants aan de UGent, namelijk een test om de studiekeuze te optimaliseren, eigenlijk een begeleidingsinstrument om 12- en 14-jarigen bij te staan in hun studiekeuze. Er zal niet enkel gepeild worden naar vaardigheden zoals wiskunde en lezen, maar ook naar vaardigheden, attitudes en interesses. Voka financiert mee de leerstoel aan de UGent. Het is dus meer dan die test, want een leerstoel wil zeggen dat er onderzoek wordt gedaan. Ze doen dit vanuit de overtuiging dat er een enorme maatschappelijke meerwaarde kan worden gecreëerd als studiekeuzes meer worden gebaseerd op wetenschappelijke inzichten. Tijdens de proeven zullen ook technisch inzicht en motoriek worden getest. Hiervoor zullen leerlingen terecht kunnen in testcentra op verschillende locaties in Vlaanderen.

Zoals gezegd heeft men de mosterd niet bij zichzelf gevonden maar in Oostenrijk, waar de lokale Kamer van Koophandel een soortgelijk systeem heeft opgezet en waar 75 percent van de scholen gebruik van maakt. 75 procent: ik vond het een zeer hoog cijfer.

In de media vernamen we ook dat Voka en de Gentse onderzoekers momenteel in gesprek zijn met verschillende belanghebbenden in het Vlaams onderwijs om de proeven verder uit te werken.

Minister, bent u een van de belanghebbenden waarvan sprake? Hebt u al samengezeten met Voka en de UGent rond dit project? Hoe ziet u de verdere ontwikkeling en uitrol van deze proeven? Zal iedereen verplicht worden hieraan deel te nemen? Ziet u een rol voor de regionale technologische centra (RTC’s) voor het afnemen van de testen inzake inzicht en motoriek? Wat is de samenhang met de uitwerking van de gestandaardiseerde, genormeerde, gevalideerde en net- en koepeloverschrijdende proeven die vanaf 2023 zullen worden afgenomen? Wat is de verhouding met Columbus, de proeven die we hebben aan het einde van het secundair onderwijs? Is daar enig verband mee te trekken?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Collega’s, ik dank jullie voor de vragen én voor de gedichten. Mevrouw Beckers, ik heb u daarnet ook al mogen gadeslaan tijdens de stemming. U hebt ons daarbij vergast op de betere animatie, waarvoor dank.

U stelt vele vragen, maar aangezien ik geen initiatiefnemer ter zake ben, zit ik zelf nog met wat vragen.

Voka financiert inderdaad een leerstoel om een objectief instrument te ontwikkelen voor een bewuste studie- en beroepskeuze. De uitwerking daarvan gebeurt door de Universiteit Gent onder leiding van professor Duyck, die dat onderzoeksteam leidt.

In december vond er een overleg plaats tussen mijn kabinet, Voka en de leerstoelhouders van de UGent. Daarbij werd er een toelichting gegeven en werd er gezegd: ‘Als je daarmee verder gaat, zorg er dan voor dat er betrokkenheid is.’

Het team van professor Duyck werkt ook aan het Columbus-instrument. Er is sowieso een directe relatie. Columbus is het instrument om studenten te oriënteren richting het hoger onderwijs. Het zit dus verderop in het curriculum. Ze hebben anderzijds daardoor ook al wel wat onderzoek verricht, wat ervaring opgebouwd, wat onderzoeksdata verzameld en ze zijn goed geplaatst om ook zo’n oriënteringsinstrument te ontwikkelen, maar dan vroeger in het studieparcours. 

Naast het Colombus-instrument bestaat er ook een test voor de eerste en tweede graad van het secundair onderwijs, namelijk de I-Like Junior-test.

Het nieuwe instrument dat zal worden ontwikkeld, zal een gelijkaardige functie innemen. De leerlingen, ouders, klassenraden, scholen en CLB’s kunnen daarbij de resultaten ter ondersteuning gebruiken bij het geven van hun advies. Ik heb tijdens dat overleg onmiddellijk aan Voka en UGent gevraagd om aandacht te hebben voor hetgeen al  bestaat en om de partners die expertise ter zake hebben, te betrekken en te contacteren.

De juiste leerling op de juiste plaats is belangrijk voor de leerling zelf. Als wetenschappelijke inzichten daarbij kunnen helpen, dan krijgt dat natuurlijk mijn volle steun. Men wenst een instrumentarium te ontwikkelen dat interesses, cognitieve vaardigheden, motorische vaardigheden, technisch inzicht, motivatie en andere parameters bij 12- en 14-jarigen meet. Maar daarnaast is het misschien ook zinvol dat ouders een breder zicht kunnen krijgen op onderwijsopleidingen die minder bekend zijn, maar goed zouden aansluiten op de interesses en talenten van hun zoon of dochter.

Even terzijde, omdat mevrouw Vandromme ernaar vroeg: vanzelfsprekend behouden wij het vertrouwen in de scholen en de CLB’s om leerlingen zo optimaal mogelijk te begeleiden in hun studiekeuzeproces. Hun rol zal door dit nieuwe initiatief niet aan belang afnemen. Dit komt niet in de plaats van iets of iemand anders.

Concreet, over de plannen van de leerstoel, kan ik meegeven dat men na de ontwikkeling van het instrumentarium in samenspraak met het brede onderwijsveld kan nadenken over de manier en de plaats die het moet krijgen in het traject van de onderwijsloopbaanbegeleiding. Het is na te streven te werken in functie van een complementariteit met de oriënterende rol, zeker van de nieuwe eerste graad die werd ontwikkeld.

Er bestaan wel nog wat onduidelijkheden. Ik kan dus niet zeggen op welke manier dit zou worden geïmplementeerd. Het lijkt mij helemaal geen goed idee om elke leerling te verplichten daaraan deel te nemen. Scholen en CLB’s zijn sowieso betrokken partij, maar of er hierin ook nog een rol is weggelegd voor de regionale technologische centra (RTC’s), is voorlopig niet aan de orde.

Evenmin is het duidelijk wat de rol van en de link met de gestandaardiseerde toetsen zou kunnen zijn. Het nieuw te ontwikkelen instrumentarium lijkt meer in kaart te brengen dan cognitieve elementen en zou dus complementair kunnen zijn.

Over het gebruik van de data die in de schoot van de ontwikkeling en de toepassing van dit instrumentarium worden gegenereerd, werden er nog geen afspraken gemaakt. Maar die data zouden wel verrijkend kunnen zijn ter ondersteuning van het onderwijsbeleid.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Bedankt voor uw antwoord. U spaart uw woorden op poëziedag. In plaats van de grote lijnen van de gestandaardiseerde testen spreekt u van toetsen. Maar goed, het is fijn om te horen dat u er ook voor pleit om de betrokkenheid van de onderwijsverstrekkers in dezen zo maximaal te benutten. Dat de toets helemaal niet in de plaats zal komen van de klassenraad, dat vind iets heel belangrijks. Want het is toch wel duidelijk dat leerlingen het meest van al worden beïnvloed door de mensen die het dichtst bij hen staan. En het zijn misschien in de eerste plaats zelfs de peers, de leerlingen die in dezelfde klas zitten, de vrienden, die een impact hebben op de studiekeuze. In de tweede plaats zijn het dan wellicht ook de leerkrachten en het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB).

Mijn vraag is hoe we die leerkrachten en CLB’s nog kunnen versterken in het begeleiden van de schoolloopbaan van die leerlingen. Want we weten dat het niet altijd eenvoudig is om de juiste studiekeuze te maken als twaalfjarige, of zelfs als achttienjarige. Daarom zijn er wel een aantal tools die ons daarbij hulp kunnen bieden. Maar ik blijf er toch voor pleiten dat het de klassenraad is die de leerlingen van het dichtstbij opvolgt. We kunnen dat wel objectiveren met een oriënteringsinstrument, maar dan nog – ik spreek uit ervaring – zie je toch als leerkracht het totaalplaatje. Want sommige zaken zijn niet in testen of in proeven te gieten. Als leerkracht weet je dan wel waar een leerling het beste naartoe georiënteerd wordt. Ik hoop dan ook dat dit op die manier kan worden toegepast. En ik hoop ergens toch dat we de leerkrachten en de CLB’s kunnen versterken in hun functie binnen die schoolloopbaanbegeleiding.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Minister, tijdens de stemming hebt u gezien wat het belang was van het openen van de hondenscholen. Die zijn dus ook terug open, en ik zal ook met mijn hond naar school gaan vanaf zondag.

Maar wat het thema van de oriëntatieproeven betreft: het is natuurlijk allemaal nog in ontwikkeling, dus ik begrijp dat er heel veel onduidelijkheid is. Maar ik wil toch nog eens benadrukken dat als u ze zou inzetten, het ook belangrijk is dat we die data ook gebruiken voor dat onderwijsbeleidsonderzoek. We zitten natuurlijk nog in een vroeg stadium, maar als daar verder mee zou worden gewerkt moet uiteraard ook de kostprijs in ogenschouw genomen worden. Want ik kan mij voorstellen dat zo’n project, waarbij motorische vaardigheden enzovoort worden getest in een proefcentrum, veel geld zal kosten.

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, ik begrijp dat u het afkort tot toetsen, maar Gedichtendag lijkt mij toch net de dag waarop we het beginrijm gestandaardiseerde, genormeerde, gevalideerde en net- en koepeloverschrijdende proeven volledig kunnen brengen. We kunnen er later misschien nog een stukje aan breien. Mevrouw Grosemans, u hebt deze ochtend al getracht om een eigen gedicht te maken. Dit lijkt mij een perfecte titel voor een nieuw gedicht van uw kant.

Collega’s, ik kom terug ter zake. Als we een wetenschappelijke jongere, een twaalf- of veertienjarige kunnen begeleiden om een goede studiekeuze te maken, moeten we dat omarmen. Dat lijkt mij een goede zaak, al was het maar om ze ook longitudinaal op te volgen, en al was het maar om de blik van jongeren open te trekken, om hen bepaalde perspectieven te geven, en ook een reële inschatting. Ik denk dat het voor jongeren soms goed is om te weten wat ze aankunnen – niet wat ze niet aankunnen, maar wat ze wél aankunnen. Waar kan ik wel naartoe? Ik denk dat dat een heel juiste inspiratiebron is.

Maar ik geef nog een ander voorbeeld. Nog niet zo lang geleden hoorde ik in mijn eigen omgeving iemand die iets wilde doen met mensen of voor mensen. Dan wordt er heel dikwijls gedacht aan leerkracht – die moeten we zeker aanmoedigen –, verpleegkundige, maatschappelijk assistent. Het gaat dan over het hoger onderwijs. Maar als ik naar vandaag kijk is bio-ingenieur, en dus mee vaccins ontwikkelen, ook iets doen voor mensen.

Ik denk dus dat dergelijke toetsen en testen daar ook voor gebruikt kunnen worden. Minister, u zei zonet dat u dit project ondersteunt. Diegenen die dit project opstellen zijn niet de minsten, ze hebben al veel ervaring, ook op het vlak van toetsen. Er moet inderdaad bekeken worden wat er gebruikt kan worden van die gestandaardiseerde gevalideerde proeven, om dubbels te vermijden, ook in het licht van de onderwijstijd. Ik denk dat dat zinvol is. Maar dan moeten die proeven natuurlijk wel opengesteld worden voor alle actoren, opdat iedereen die items zou kunnen zien.

Mijn vraag is dus of er bij de ontwikkeling daarvan voorzien werd dat deze info ook op itemniveau opengesteld wordt voor wetenschappers, onder andere om dergelijke toetsen te verrijken.

De heer Danen heeft het woord.

Bedankt voor de vragen en de het antwoord. Minister, het blijft voor mij nog altijd een beetje vaag.

Als ik het goed begrepen heb, zijn het nu de CLB’s en de klassenraden die de oriëntatie uitvoeren. Op zich vind ik dat wel een goede zaak. Hoe meer info en hoe meer input ze kunnen krijgen, hoe beter. U zegt dat u dit project ondersteunt. Ik had dan wel graag van u vernomen op welke manier dit gebeurt. Is dat heel actief? Gaat uw administratie mee in dialoog op dat vlak?

Het is van belang – en ik hoop dat dat ook gebeurt – dat we van onze leerlingen en studenten niet alleen goede werknemers maar ook goede burgers maken. Daar zijn ook heel veel eindtermen op gericht, waarover we al spraken. Ik zou het jammer vinden als de focus zou komen te liggen op het werknemersgedeelte, op het creëren van mensen die kunnen en willen werken. Ik denk dat het onderwijs breder moet zijn dan dat.

Voor alle duidelijkheid: ik wil dat initiatief zeker niet verketteren, allesbehalve! Ik wil gewoon dat het goed ingebed wordt in een breder pakket en dat de data ook op alle mogelijke manieren transparant zijn voor de mensen die ze kunnen gebruiken, natuurlijk rekening houdend met de General Data Protection Regulation (GDPR). Het is niet zinvol om die data niet te analyseren. Maar als ze geanalyseerd zijn, lijkt het me wel zinvol om die informatie breder te delen. Ik heb begrepen dat dat wel de bedoeling is, zowel van u als van de universiteiten. Ik ben dus benieuwd naar het vervolg.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Mijn kabinet zit sinds december mee aan tafel. Het is ons vooral te doen om de compatibiliteit met wat vandaag al bestaat. We willen dus komen tot een verdere finetuning met de keuzes die gemaakt worden op het vlak van studies en opleiding, en dus van heel dat curriculum.

Zoals gezegd, staat dit nog wat in zijn kinderschoenen. Daarnaast is en blijft het ook een hulpinstrument. Het doet niets af aan de rol van scholen, klasraden en CLB’s. Dit werd overigens nog maar recent, sinds de hervorming in het kader van de leerlingenbegeleiding van september 2018, verplicht inzake de leerlingenbegeleiding. Dit is ook een erkenningsvoorwaarde. Onderwijsloopbaanbegeleiding is een onderdeel van die leerlingenbegeleiding. En een school moet daarvoor ook samenwerkingsafspraken maken met een CLB. De school is en blijft dus de eerste verantwoordelijke voor die begeleiding in het kader van die onderwijsloopbaan. De klassenraad neemt daar natuurlijk een belangrijke rol in op. Het is net via het advies van mensen van vlees en bloed dat men te weten komt wat iemand bijvoorbeeld karakterieel aankan. Dat speelt allemaal een rol. Daar kan men niet allemaal zomaar naar peilen via papieren of digitale weg.

De CLB’s kunnen scholen natuurlijk ondersteunen bij vragen van individuele leerlingen of groepen van leerlingen, en kunnen ook individuele trajecten aanbieden in het kader van de onderwijsloopbaanbegeleiding, natuurlijk vooral voor leerlingen met een moeilijk studiekeuzetraject.

Ik vind het dus een goed initiatief, dat ongetwijfeld opportuniteiten biedt. Het is nog even koffiedik kijken wat het in concreto zal bieden op het vlak van het inschakelen in het volledige traject en het linken met de toetsen. ‘Tout se tient’, hopelijk. Dan kunnen we ervoor zorgen dat de we met die toetsen niet alleen de kwaliteit kunnen oppoetsen, maar ook nog eens zorgen voor een rol in het kader van de loopbaanbegeleiding.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, wij zijn blij en tevreden dat er ruimte gemaakt wordt aan een universiteit voor onderwijskundig onderzoek. We kunnen alleen maar hopen dat er dan een weerslag kan zijn naar het onderwijsveld en dat men wat effectief geleerd is, kan meenemen zodat we de leerkrachten en de mensen die de leerlingen ondersteunen in hun keuze naar de schoolloopbaan en dat die kan worden versterkt.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Voorzitter, minister, ik ben blij met uw antwoord. Er moet natuurlijk nog veel gebeuren, maar ik kan me alleen maar verheugen, net zoals mevrouw Vandromme, dat er onderzoek naar wordt gedaan, want het belang van een goede oriëntering is groot. Dat is natuurlijk zo maatschappelijk gezien, door de maatschappelijke kost, maar ook bij de leerlingen zelf. Als iemand in het watervalsysteem geraakt, is dat niet goed voor het zelfvertrouwen. Goede oriëntering is cruciaal. Elk middel dat ons daarbij helpt, moeten we met beide handen grijpen.

De heer Daniëls heeft het woord.

Als de wetenschap zich verder kan bekwamen in kinderen en jongeren helpen te oriënteren, als ondersteuning bij het advies van onze leerkrachten, als ondersteuning bij het traject dat in scholen wordt gelopen, dan moeten we dat met beide armen omarmen, al was het maar om kinderen, jongeren en ouders hun blik open te trekken voor een juiste maar ook uitdagende studiekeuze.

Vandaar dat ik hoop dat de data verder worden gebruikt en geëxploreerd en ingezet om op dat vlak ook onderwijsonderzoek te doen. Maar ik neem aan, als ik zie welke professoren dat opvolgen, dat ze dat wel in hun onderzoekslijn zullen meenemen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.