U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw De Rudder heeft het woord.

Minister, op 16 juni hebben de Vlaamse agentschappen Opgroeien en Zorg en Gezondheid gedetailleerde BMI-cijfers gepubliceerd van kinderen tussen 2 en 14 jaar in Vlaanderen. De meetgegevens van tienduizenden kinderen zijn verzameld via de lokale teams van Kind en Gezin en de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s). Het rapport bundelt cijfers van Kind en Gezin en de CLB’s van 2011 tot 2016.

Uit de cijfers blijkt dat bij elke leeftijd minstens 78 procent van de kinderen in Vlaanderen een normale gewichtsstatus heeft. 4 procent van de 12- en 14-jarigen heeft obesitas. Uit de cijfers blijkt dat het nodig is om voortdurend in te zetten op het bevorderen van een gezonde levensstijl bij kinderen en jongeren.

Uit het rapport worden er een aantal interessante conclusies meegegeven. Op alle leeftijden ligt het aandeel meisjes met overgewicht hoger dan het aandeel jongens met overgewicht. Er zijn zichtbare verschillen tussen provincies en gemeenten, al hebben die verschillen wellicht ook te maken met de verschillen inzake kansarmoedesituatie én herkomst van de kinderen. Naarmate kinderen ouder worden, stijgt het percentage van het overgewicht. Men geeft ook aan dat de data sterke kansen geven om in elke Vlaamse buurt te bouwen aan specifieke acties, maar ook vooral om een leeftijdsgepaste gezondheidspromotie uit te werken. Op die manier werken we doelgericht op die categorieën waar het nodig is.

Minister, er werden al heel wat stappen gezet om van de school een gezondere omgeving te maken, bijvoorbeeld door afspraken te maken rond het verkopen van frisdrank. Wordt er deze legislatuur nog verder ingezet op de school als gezonde omgeving?

De Gezinsbond publiceerde eind vorig jaar een kindnorm voor voeding. Dat is een set van maatregelen die moet zorgen voor een gezondere leefomgeving waardoor iedereen een gezonde keuze kan maken. Een aantal zaken hebben betrekking op andere bevoegdheidsdomeinen, zoals het reguleren van voedingsreclame gericht naar kinderen. Bent u bereid om daarrond in overleg te gaan met uw collega-ministers?

Er werden vanuit verschillende organisaties heel wat acties op poten gezet die gericht zijn naar ouders. Zo heeft het Vlaams Instituut Gezond Leven tips gegeven voor een gezond lunchpakket op school. Hebben we er enig zicht op of dergelijke acties ouders goed bereiken en veranderde voedingsgewoontes met zich meebrengen? 

Ik dank u.

Mevrouw Wouters heeft het woord.

Het rapport ‘De gewichtsstatus van kinderen en jongeren in Vlaanderen’ is gepubliceerd in navolging van het strategisch plan ‘De Vlaming leeft gezonder in 2025’ en bestaat uit gebundelde cijfergegevens van Kind en Gezin en Zorg en Gezondheid. Dit rapport werd opgesteld vanuit de ambitie om beleidsmatig meer actie te ondernemen met beschikbare gegevens. Het onderzoek gebeurde op basis van meetgegevens van tienduizenden kinderen tussen 2 en 14 jaar in Vlaanderen.

Een opvallende vaststelling is dat maar liefs 22 procent van de kinderen op 12-jarige leeftijd aan overgewicht lijdt. Daarenboven heeft 4 procent van de 12- en 14-jarigen obesitas.

In het rapport kwamen ook een aantal indicatoren van overgewicht aan bod. Zo hebben kinderen met laagopgeleide ouders proportioneel vaker overgewicht dan kinderen met hoogopgeleide ouders. Daarnaast is kansarmoede een belangrijke indicator van overgewicht. Op alle leeftijden kennen kinderen die geboren worden of opgroeien in kansarmoede een minder gunstige gewichtsstatus. 20 procent van de 4-jarigen in kansarmoede heeft overgewicht. Bij niet-kansarme kinderen gaat het op die leeftijd om minder dan 1 op de 10 kinderen. Vanaf 10 jaar heeft minstens 32 procent van de kinderen in kansarmoede overgewicht. Dat is 2 keer zoveel als kinderen die niet in kansarmoede opgroeien. Ook tussen geslachten zien we verschillen: op alle leeftijden ligt het aantal meisjes met overgewicht hoger dan het aantal jongens. Vooral tussen 6 en 10 jaar zijn de verschillen duidelijk.

Welke conclusies trekt u uit dit rapport? Zijn dit cijfers waar u reeds van op de hoogte bent?

Is er een gerichte sensibiliserende aanpak om overgewicht aan te pakken bij kansarme gezinnen? Zo ja, welke initiatieven zult u in dat verband nemen?

Worden de gezondheidsrisico’s van overgewicht duidelijk gecommuniceerd vanuit lokaal niveau? Zo ja, door welke organisaties?

De cijfers tonen aan dat het nodig is om te blijven inzetten op het bevorderen van een gezonde levensstijl bij kinderen en jongeren. Welke extra initiatieven neemt u hiervoor?

Welke acties acht u belangrijk in deze legislatuur om gezonde voeding, in het bijzonder bij de kwetsbaarste groepen, nog meer onder de aandacht te brengen?

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Een belangrijk aandachtspunt bij het gebruik van cijfers is dat ze juist gelezen worden. In het rapport is daarom uitgebreid ingegaan op de methodologie en er is een duidelijke leeswijzer toegevoegd.

Sta mij toe om eerst in te gaan op een bedenking in uw vraag waarbij kansarmoede onterecht wordt verengd tot de opleiding van de ouders, en waarbij die indicator onterecht wordt veralgemeend naar alle leeftijdsgroepen in het rapport. De opleiding van de ouders is slechts een van de zes indicatoren die Kind en Gezin gebruikt voor de definiëring van kansarmoede. Ze is ook niet van toepassing op leeftijdsgroepen ouder dan 2 jaar, omdat bij onderwijs het opleidingsniveau van de moeder gebruikt wordt als een van de vier indicatoren die wijzen op kansarmoede.

Met dit voorbeeld wil ik ook meteen de belangrijkste aanbevelingen bij dit rapport scherp stellen, namelijk dat kansarmoede een complex mechanisme is, niet eenduidig te verklaren of eenzijdig aan te pakken. Daarnaast is het zo dat kansarmoede een determinant maar geen indicator kan zijn van gewichtsstatus en dat gewichtsstatus niet noodzakelijk iets zegt over een gezonde levensstijl of gezond gedrag.

Deze cijfers liggen in lijn met wat verwacht werd: de groep kinderen met een normaal gewicht blijft ongeveer stabiel sinds 2011. Alleen voor de groep 2-jarigen en voor de groep vanaf 12 jaar is er een lichte toename in overgewicht.

Onze aandacht is samen met u ook getrokken door de cijfers voor de groep kinderen in kansarmoede en voor de groep 2-jarigen uit gezinnen met een moeder van een andere origine.

Uit wetenschappelijke literatuur weten we dat de oorzaken van zowel ongezond gewicht als van kansarmoede multifactorieel zijn.

We willen geen voorbarige en voor de hand liggende conclusies trekken over de oorzaken van deze twee vaststellingen.

De partnerorganisaties betrokken bij de voorbereiding van dit rapport benadrukken ook met klem dat we op basis van deze cijfers geen uitspraken kunnen doen over de gezondheid van de Vlaamse kinderen en jongeren, omdat een te hoog – of te laag – gewicht niet noodzakelijk wijst op een slechte gezondheid of op een ongezonde levensstijl.

Ik trek volgende beleidsconclusies uit dit rapport. Ten eerste, monitoren: cijfers verzamelen en analyseren is noodzakelijk om problemen of noden juist in te schatten en beleidsinitiatieven bij te sturen of te ondersteunen.

Ten tweede, onderzoek: we willen verder verkennen welke processen achter deze cijfers zitten. Meer inzicht in de diverse oorzaken van overgewicht en obesitas en van kansarmoede zijn nodig om op onderbouwde wijze initiatieven te nemen.

Ten derde, niet stigmatiseren: de verantwoordelijkheid niet alleen bij het individu leggen; naast individuele factoren is het noodzakelijk om meer aandacht te hebben voor omgevingsfactoren zoals de woonomgeving, de publieke ruimte, de financiële situatie en de bijhorende toegang tot ongezonde voeding en beweegkansen.

Ten vierde, focus op gezonde leefstijl: normaal gewicht is niet altijd synoniem voor een gezonde leefstijl en gezondheidstoestand op individueel niveau. In diezelfde zin is ook gewicht buiten de normale zone niet steeds het gevolg van een ongezonde leefstijl of een synoniem voor ongezondheid.

Ten vijfde, inzetten op kinderen en jongeren is een dubbele hefboom. Jong beginnen zorgt ervoor dat een kind zo lang mogelijk een gezonde levensstijl zou kunnen aanhouden en tegelijk worden via de kinderen en jongeren ook de gezinnen bereikt.

Uiteraard is sensibilisering, informeren en begeleiden naar een gezonde leefstijl nodig. Hier wordt al zeer sterk op ingezet door verschillende partners in de preventieve gezondheidszorg.

Maar we vertrekken vanuit het principe ‘proportioneel universalisme’: deze groep mee benaderen met de boodschap voor de grote groep en tegelijkertijd werken aan gelijke toegang tot die boodschap, met extra inspanningen voor kwetsbare groepen. We vermijden hier mogelijke stigmatisering. Inzichten vanuit de gedragswetenschappen en gezondheidsbevordering tonen ook al lang aan dat louter informeren en sensibiliseren niet efficiënt genoeg is om gedrag te veranderen. De verantwoordelijkheid voor overgewicht en obesitas wordt op die manier uitsluitend bij het individu gelegd. Kennis vertaalt zich met andere woorden niet noodzakelijk in gezond gedrag.

Daarom zetten we naast sensibilisering, ook in op een gezondheidsbevorderende omgeving waarin een mix van interventies het gezonde gedrag gemakkelijk en vanzelfsprekend maakt. Die omgeving omvat alle contexten van het kind: de thuisomgeving, de school, de buurt, de kinderopvang, de sportclub of jeugdbeweging, de hulpverlening. Er zijn dus heel veel verschillende organisaties en professionals betrokken bij die communicatie, zoals lokale besturen, Huizen van het Kind, scholen, wijkgezondheidscentra, huisartsen, maar ook organisaties buiten de gezondheids- en welzijnssector. De kadermethodieken Gezonde School, Gezonde Kinderopvang, Gezonde Gemeente van het Vlaams Instituut Gezond Leven bieden voor veel van deze settings en alle actoren een kapstok om samen een interventiemix op te starten en uit te werken.

Ik zoom in op een van uw andere vragen inzake de kadermethodiek Gezonde School. Deze biedt een methode voor het ontwikkelen van een gezondheidsbeleid op school, met aandacht voor een mix van interventies voor alle gezondheidsthema’s. Neem nu het thema voeding als voorbeeld: er is aandacht voor voedingseducatie, maar ook voor het creëren van een schoolomgeving die gezond gedrag stimuleert. Zo is het onder andere een streefdoel dat gesuikerde dranken tegen schooljaar 2020-2021 volledig uit het aanbod van de scholen is verdwenen. Een gelijkaardig streven is opgesteld voor ongezonde tussendoortjes. Ook voor het aanbod aan warme maaltijden en broodlunch op school worden inspanningen geleverd. Met projecten als Oog voor Lekkers en Snack & Chill wordt ten slotte ingezet op een gezond en aantrekkelijk tussendoortjesaanbod op school.

Momenteel wordt samen met Gezond Leven een online instrument ontwikkeld om de kadermethodiek te concretiseren en scholen ondersteuning te bieden bij alle stappen in het ontwikkelen van een gezondheidsbeleid.

Ik zoom nog verder in. De tips in verband met een gezond lunchpakket op school, waar u naar verwijst, werden onder de aandacht gebracht naar aanleiding van de terugkeer naar school na corona.

Het gaat om een kleine sensibiliserende communicatie, die deel uitmaakt van de ruimere strategie van de gezonde school toegepast op het thema voeding. Vanuit het oogpunt van gedragsinzichten en gezondheidspromotie weet ik dat de impact van dergelijke communicatieacties niet mag worden overschat en dat die vaak de al meer gemotiveerde burgers, in dit geval de ouders, zullen bereiken. Of dergelijke acties veranderende voedingsgewoontes met zich meebrengen, wordt niet rechtstreeks gemonitord. De Vlaamse consumptiepeiling die in 2022 zal worden uitgevoerd, zal wel resultaten leveren over de voedingsgewoontes in hun geheel. De kernboodschap blijft dat we ons richten op een mix van interventies voor meerdere thema’s in verschillende settings tegelijk, en dat ook met meerdere partners samen.

Er zijn al verschillende actoren betrokken bij de communicatie. Idealiter geven al die actoren dezelfde boodschap aan de doelgroep. Dat vergt samenwerking en afstemming. Het Loco-regionaal Gezondheidsoverleg en -Organisatie (Logo) kan daarin een ondersteunende rol spelen. De focus in onze communicatie ligt op het brengen van preventieve, motiverende boodschappen die aanzetten tot een gezonde levensstijl bij kinderen en ouders. Het is met andere woorden niet aanbevolen om louter te informeren over de gezondheidsrisico’s van overgewicht. Dergelijke boodschappen kunnen angst induceren, omgekeerde effecten in de hand werken of stigmatiserend zijn. De leeswijzer die is opgesteld samen met het rapport, licht dat helder toe. Eetexpert vzw heeft die focus intussen vertaald in praktische richtlijnen voor verschillende professionals.

Communicatie en sensibilisering moeten worden ondersteund door beleid dat werkt aan een leefomgeving die gezonde keuzes eenvoudig maakt. Met dit rapport is er nu ook een tool voor het lokale niveau om gericht initiatieven op te zetten.

Kinderen en jongeren moeten een gezond gewicht kunnen verwerven en dat ook kunnen behouden wanneer ze opgroeien. Conform de visie van het strategisch plan ‘De Vlaming leeft gezonder in 2025’ is het vitaal om sterk te blijven inzetten op een gezonde levensstijl en een gezonde omgeving. In kader van dat actieplan wordt er al heel veel gedaan voor kinderen en jongeren met betrekking tot de leefstijlfactoren die een invloed hebben op het behoud van gezond gewicht. Niet enkel kansen om gezond te eten zijn belangrijk, maar evenzeer kansen om meer te bewegen en te spelen, om sedentair gedrag te beperken en mentaal welbevinden te versterken.

Voor andere parameters die een impact hebben op het gewicht, kunnen we nog een tandje bijzetten. Ik denk bijvoorbeeld aan lichaamsontevredenheid, stressbeleving en slaap. Laten we ook niet de rechtstreekse aanleiding van het rapport over de BMI vergeten, namelijk het aanbod qua preventieve gezondheidszorg via Kind en Gezin en de CLB’s. Op gezette tijden organiseren zij contacten met kinderen en jongeren om groei en ontwikkeling op te volgen. Ze doen dat door een aantal fysieke onderzoeken en metingen die aanleiding geven tot een gesprek met het kind of de ouders over aspecten van gezond gedrag. Dat is internationaal gezien een uniek aanbod en een schoolvoorbeeld van proportioneel universalisme: een basisaanbod voor alle Vlaamse kinderen, met een bijkomend aanbod op maat voor kinderen die kwetsbaarder zijn. Dat we de cijfers nu in het algemeen hebben, is nieuw, maar de opvolging op het veld gebeurde al. De cijfers wijzen dus zeker ook op het belang van het voortzetten van de huidige inspanningen zowel van Kind en Gezin als van de CLB’s.

Wat de laatste vragen betreft, ik blijf het herhalen: de oorzaken van overgewicht, én kansarmoede, zijn complex. Een integrale aanpak samen met andere beleidsdomeinen en -niveaus en vooral niet stigmatiserend werken zijn daarbij belangrijk. Met betrekking tot gezonde voeding zijn er al diverse initiatieven opgezet die met die strategieën rekening houden, zoals het project ‘Kleurrijk Gezond’, het visualiseren van de voedingsdriehoek en De Aanschuiftafel, in samenwerking met Christelijke Mutualiteit (CM). Die blijven doorlopen.

Mevrouw De Rudder heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het toch wel een zeer uitgebreide en omvattende antwoord. We kunnen vaststellen dat daar heel wat interessante elementen in zitten. Ik onthoud uit uw antwoord zeker de belangrijkste conclusies van de studie: monitoring, onderzoek en het niet stigmatiseren. Vooral dat laatste lijkt me zeker een belangrijk element. Het is ook belangrijk om te weten dat voeding niet altijd de oorzaak is van overgewicht, of zelfs van een laag gewicht, en dat men toch wel het brede kader moet bekijken. Zoals u ook zegt, preventieve en mobiliserende boodschappen brengen kan door scholen, kan door sportclubs, kan door jeugdverenigingen gebeuren. Voor het lokale niveau is er ook zeker een rol weggelegd.

Ik weet ook dat heel veel scholen heel wat projecten integreren in het kader van Gezond Leven. U had het al over gezonde tussendoortjes en dergelijke. De scholen hebben daar al heel wat aandacht aan besteed. Ik hoop dat dit in de toekomst zo zal blijven en dat er geregeld ook nieuwe acties komen, om ook op dat punt verder de motivatie bij de scholen te kunnen leggen, om dat te zien als een uitdaging om daar verder mee aan de slag te gaan.

Mevrouw Wouters heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw uitgebreide antwoord. Het is belangrijk dat we het probleem van obesitas bij de kinderen en jongeren blijven opvolgen en aanpakken. Dit probleem kan op verschillende vlakken ernstige gevolgen hebben.

Op lichamelijk vlak lopen de kinderen met overgewicht het risico op een verhoogde hoeveelheid cholesterol in het bloed. Ze kunnen de eerste tekenen van suikerziekte vertonen. In combinatie met een verhoogde bloeddruk kan dit leiden tot een vroegtijdige beschadiging van de bloedvaten. Sommige kinderen kunnen moeilijker sporten door gewrichtspijn en een piepende ademhaling. Een derde van de kinderen met obesitas slaapt slecht. Met vermoeidheid overdag en concentratiemoeilijkheden tot gevolg.

Op sociaal vlak krijgen ze vaak negatieve reacties van leeftijdsgenoten. Ze worden vaak gepest en uitgesloten, met als gevolg een negatief zelfbeeld en soms depressieve gevoelens.

Ernstig overgewicht bij een kind voorspelt vaak een zwaarlijvigheidsprobleem als volwassene, met meer risico op hart- en vaatziekten en diabetes. Een vroege start kan dus veel problemen op latere leeftijd voorkomen. Het is belangrijk om te blijven inzetten op vroegtijdige en laagdrempelige preventie.

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, u hebt een zeer uitgebreid antwoord gegeven. In het verleden zijn er al een aantal acties geweest. Als we deze resultaten bekijken, denk ik toch dat we allemaal beter hadden verwacht. We moeten daar niet flauw over doen.

Collega’s, we moeten op een aantal zaken focussen. Vergeef mij dat ik het wat vereenvoudig. Er is een combinatie van twee zaken. Langs de ene kant is er het eten van te veel of foute voeding. De andere kant van het verhaal is: te weinig verbranden, te weinig bewegen. We moeten op die twee elementen inzetten.

Bij te veel of fout eten stel ik vast dat sommige ouders zeggen: ‘Ze mogen geen Cola of Fanta meer drinken, ze drinken vanaf nu fruitsap.’ Maar wie kijkt naar de samenstelling daarvan, kan enkel vaststellen dat fruitsap soms meer suikers bevat dan sommige frisdranken. De ouders denken dat ze goed bezig zijn, maar ze zijn eigenlijk niet goed bezig.

Minister, we hebben de website Zeker Gezond. We kunnen perfect weten hoeveel mensen dat volgen want we hebben er ook een app aan gekoppeld. We hebben er in het verleden al een aantal kritische opmerkingen over gemaakt, over de centen die daarin zijn gegaan. Als ik dat naast dit rapport leg, stel ik die vragen nog meer. Pasta met romige preisaus en grijze garnalen is niet direct iets wat je kunt klaarmaken voor hetzelfde bedrag waarvoor je in bepaalde winkels 1 kilo lasagne kunt kopen. Het verschil is wel dat als je de ingrediëntenlijst van die lasagne bekijkt, we wel weer bij punt 1 zitten, te veel en foute voeding. Minister, hoeveel unieke bezoekers hebben die app en de website Zeker Gezond? U kunt daar allicht niet on the spot op antwoorden, maar dan krijgen we die gegevens wel.

Wat betreft de combinatie van voeding en bewegen: kunnen we daar nog meer concreet op inzetten? Ik heb het gevoel dat we heel veel doen, met heel veel verspreide initiatieven. Iedereen doet wel iets, maar we verliezen een beetje wat we aan het doen zijn door de grote verneveling van middelen. Het is veel maar ‘at the end’ zijn het allemaal kleine druppeltjes op een plaat en is het geen stevige druppel die we inzetten. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat al die acties gecoördineerd samensporen en niet allemaal in het wilde weg verlopen?

Mevrouw Groothedde heeft het woord.

Minister, het is duidelijk dat obesitas een oprukkend probleem is. De collega’s hebben in hun vraagstelling al uitgebreid het preventieprobleem toegelicht. Ik heb een ander punt: dit is geen alleenstaand probleem. Het zijn inderdaad heel vaak arme kinderen die eronder lijden. De analyse is al eerder gemaakt in andere landen zoals de VS en Mexico. Dat is sociologisch en qua demografie ver van ons bed, maar dit gaat niet alleen over ‘niet willen’, het gaat ook om de mogelijkheid om gezond te eten. Ik treed u daarin bij, het is goed dat u niet alleen op pure harde preventie inzet. In het liberalisme is er het concept ‘positieve vrijheid’, de vrijheid om dingen te kunnen doen. Negatieve vrijheid is dat men niet gedwongen wordt. Hier is het positieve vrijheid die ontbreekt.

Elke vrouw wordt het ingestampt. De collega van de N-VA zegt dat men de inname moet verbranden. Dat maakt niet uit als men de kans niet krijgt om er iets aan te doen. We moeten kijken vanuit het perspectief van de kindjes die het moeilijk hebben en wie voor hen zorgt in armoede om dat te begrijpen. Die kinderen lijden vaker aan obesitas, het zijn vaker de kinderen die ondervoed zijn. Die kinderen zijn eigenlijk heel gelijkend. Er is gepraat over sedentair gedrag – wel, sport vraagt ruimte. Er zijn mensen die die niet hebben, die geen veilige straten hebben om te spelen. In die zin kan men zeggen dat sport iets is voor rijke mensen. Ik denk aan een rijkaard in zijn zwembad, een middenklasser op de fiets, en een arme kan nog geen 5 meter sporten.

Op school zijn het ook de arme kindjes die een pak chips meekrijgen. Dat is niet noodzakelijk omdat die ouders een domme keuze maken, maar in de winkel kosten aardbeien een fortuin en ze blijven maar twee dagen goed. Voor een arm gezin zijn dat veel te hoge kosten. Chips blijft goed, er is eten, gezond eten is luxe in grote armoede. Er is chips voor de dagen dat er geen geld is.

Preventie is goed voor mensen die keuzes kunnen maken. Ik schets het als een breed probleem, maar er valt door u wel een heel concrete stap te zetten. Dat is dat u in samenwerking met uw collega van Onderwijs gratis gezonde maaltijden op school aanbiedt. Dan zitten er geen kindjes in de klas zonder eten, ze kunnen blijven studeren, ze kunnen zich zeven uur lang concentreren zonder lege brooddoos. Op die manier dijkt u obesitas in. Dat is een duidelijke vraag. Ik verwacht daar geen positief op. We moeten wel weten dat dit op het vlak van gezondheid en studiekansen een heel groot verschil in het beleid zou kunnen maken.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

We beseffen allemaal heel goed dat obesitas en suikerziekte een enorme opmars kennen in de voorbije jaren. Ik wil nog eens een lans breken om in het beleid veel meer gebruik te maken van gedragswetenschappen. Gezonde voeding en beweging: velen weten wel wat ze moeten doen, maar naar de volgende stap gaan, is vaak een probleem. We moeten van de gezonde keuze gewoon de gemakkelijkste keuze maken. Dat gaat om heel kleine aanpassingen en ingrepen, zonder dat de mensen hun keuzevrijheid kwijt zijn. Ze hebben nog altijd de vrije keuze, als we het dan toch over vrijheid hebben. We moeten de keuze voor gezonde voeding en beweging veel gemakkelijker maken.

Als we in de toekomst nog plannen uitwerken om dergelijke zaken te stimuleren, moeten we meer gebruikmaken van experten in de gedragswetenschappen. We hebben een Vlaams Team Gedragswetenschappen opgericht. Ik vind dat daar veel te weinig gebruik van gemaakt wordt, terwijl het vaak ingrepen zijn die weinig kosten en toch een verhoogde efficiëntie zouden kunnen teweegbrengen.

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Er is al bijzonder veel gezegd. Laat me misschien toch beginnen met de cijfers in het rapport ook in internationaal perspectief te plaatsen. Als we dat doen, blijkt dat we eigenlijk toch wel goed scoren. Dat wil niet zeggen dat er geen uitdagingen meer zijn, daar hebben we over gesproken en daar wil ik nog iets over zeggen. Dat is toch wel een eerste belangrijke zaak.

De scholen – en dat staat ook in het rapport, daarvoor zijn de tools ter beschikking gesteld – kunnen nieuwe initiatieven nemen. Ze worden ertoe aangezet om dat te doen. Zo kunnen ze hun inzet nog verder verbeteren en versterken naar die doelgroepen.

Ik zal het ideologisch debat over positieve en negatieve vrijheid onder liberalen in de brede betekenis van het woord niet voeren. Een belangrijk aspect van het brede preventiebeleid is nudging. We zetten mensen hiertoe aan en we creëren een kader om het juiste te doen. Het is niet zo eenvoudig als de stelling dat iemand gewoon alles moet verbranden wat hij eet en dan in balans of in evenwicht is. Het is soms iets complexer dan dat. Wat ik met nudging bedoel, is dat omstandigheden op micro- en macroniveau een rol kunnen spelen. De beschikbaarheid en betaalbaarheid zijn daar een aspect van. In verband met andere bevoegdheden, de industrie en de wijze waarop we naar een aantal zaken kijken, moeten we hier aandacht voor hebben.

De gezondheidsbevordering is een aspect dat interfederaal aan bod komt. Een goede afstemming is belangrijk. Een aantal aspecten in verband met regulering, reclame en marketing zijn geen Vlaamse bevoegdheden. Als we dat willen aanpakken, moeten we met een aantal aspecten voortgaan en dat vraagt om een goede afstemming.

We hebben een app. Daar is in deze commissie al eerde over gesproken. De gezondheidsapp die mijn voorganger heeft besteld, heeft een belangrijk uitgangspunt, namelijk dat gezond eten ook betaalbaar eten kan zijn. Dat is een belangrijk uitgangspunt. Op die manier kan de app ons misschien ook verder helpen.

Mevrouw De Rudder heeft het woord.

Minister, ik dank u voor de bijkomende argumenten. Voor mij volstaat dat.

Mevrouw Wouters heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitleg. We moeten streven naar een effect op lange termijn door een kindvriendelijke, maar gezonde levensstijl te promoten, met daarbij aandacht voor kinderen die in kansarmoede opgroeien.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.