U bent hier

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Minister, ik denk dat het niet zo vaak gebeurt dat er hier in het parlement vragen worden gesteld over onderzoeksrapporten met positieve resultaten, die ook een opsteker zijn voor het beleid. Ze kunnen eigenlijk een handvat zijn om daar verder aan te werken. Ik vond dat dat veel te weinig gebeurde, en daarom heb ik een vraag ingediend over het onderzoeksrapport ‘Onroerend erfgoed vanzelfsprekend? Hoe groot is het draagvlak voor onroerend erfgoed in vlaanderen?’, dat op 25 februari is gepubliceerd.

Het is toch wel hartverwarmend om te zien dat er bij de Vlaming een heel groot draagvlak is voor onroerend erfgoed. Het bewaren vinden zij heel belangrijk, net als de ruime diversiteit. We zien bijvoorbeeld ook dat Open Monumentendag en Erfgoeddag zeer goed gekend zijn, al is daarbij misschien wel op te merken dat er niet zo veel bezoeken zijn die dagen. Dat is misschien iets waar we het straks over kunnen hebben; ik zou er ook een vraag over willen stellen.

Acht op de tien mensen bezoekt jaarlijks wel een of ander historisch gebouw of monument en dat is toch gigantisch veel. Al vraagt men hier en daar ook wat meer inspraak. Maar met die positieve resultaten had ik u graag een aantal vragen gesteld, want ik vind dit toch iets waar je op een positieve manier verder mee aan de slag kunt gaan.

Welke conclusies trekt u uit dit onderzoek en zult u daar ook rekening mee houden, als u het verdere beleid gaat uitrollen?

De Vlaming vindt ook toegankelijkheid zeer belangrijk: het openstellen en het geven van informatie. Ziet u mogelijkheden om dat nog verder te verruimen? Misschien kunnen we dat wat meer bundelen? Ik denk dat er ook veel kansen liggen in digitalisering, waar we verder op moeten inzetten. Ik hoor daar ook graag een visie op.

Vlamingen stellen ook dat ze graag zouden mee beslissen over wat er wordt beschermd. Hoe staat u daar tegenover? Kan er zoiets zijn als inspraak? Of, hoe kan men de betrokkenheid van de Vlaming bij de bescherming van het erfgoed vergroten?

Welke mogelijkheden ziet u om de deelname aan de participatiemomenten – dan gaat het bijvoorbeeld over Open Monumentendag en Erfgoed – toch nog te vergroten? Ze zijn goed gekend, maar de deelname kan nog veel beter. Zijn er initiatieven die u wenst te nemen?

Om deze dag positief te starten hoor ik heel graag uw antwoorden, minister.

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Mevrouw Schauvliege, u bent het licht aan het einde van de tunnel, om de dag zo mooi te beginnen. (Gelach)

Ik ben het, voor alle duidelijkheid, wel helemaal met u eens en ik ben blij met de aandacht voor onroerend erfgoed op de dag zelf. We hebben daar ook redelijk wat media-aandacht voor gekregen. Het is ook een beetje inherent, want uit die studie blijkt net dat Vlamingen dat belangrijk vinden. Dan denk ik ook dat dat op die manier mag worden gecommuniceerd naar diezelfde Vlamingen. We waren er in elk geval heel blij mee en ik sluit mij graag aan bij uw woorden.

Om concreet op uw vragen in te gaan, kunnen we u meegeven dat de resultaten van ons draagvlakonderzoek zeker een plaats krijgen in mijn beleid. Het volstaat om hiervoor te verwijzen naar de beleidsnota. Daar staat al heel wat in over de zaken die nu blijken uit het onderzoek, dat we meenemen. We hadden trouwens al wat zicht op de resultaten van het draagvlakonderzoek bij het opstellen van de beleidsnota. Het was dan wel nog niet allemaal definitief verwerkt, maar we hebben daar wel al een aantal zaken uit kunnen meenemen, een aantal maatschappelijke tendensen en dergelijke meer.

Ik ga enkele punten aanhalen. Eerst en vooral: erfgoed verbindt en maakt trots, het bepaalt mee onze Vlaamse identiteit en het maakt ons uniek. En het draagvlakonderzoek heeft dat absoluut bevestigd. Dat is dus een van de zaken die uit dat draagvlakonderzoek bleek en die we hebben meegenomen in onze beleidsnota. We willen dat onderlijnen. Het is een feit dat erfgoed eigenlijk een materiële vorm van onze identiteit is; mensen vinden dat wel degelijk een belangrijk onderdeel van hun samenleving en van de ploeg die wij hier in Vlaanderen vormen.

Ten tweede is leegstand van erfgoed volgens de respondenten van het onderzoek uit den boze en ze willen dan ook graag meedenken over wat ermee gebeurt. Ook de omgeving van het erfgoed moet daarbij worden betrokken. Mijn administratie plant om leegstand en verwaarlozing van onroerend erfgoed de komende jaren in kaart te brengen. Want het kwetst mensen om zaken te zien leegstaan. Ik denk dat jullie allemaal wel voorbeelden kennen van stukjes onroerend erfgoed, zeker in jullie eigen omgeving, die er soms wat triestig bij staan. Mensen vinden dat zeer jammer en willen dat opgelost zien.

Voor de respondenten van het draagvlakonderzoek moet onroerend erfgoed een maatschappelijke betekenis hebben. Ik verwijs hiervoor naar de herbestemming van het onroerend erfgoed. Het in stand houden van erfgoed door er een kwaliteitsvol hedendaags gebruik aan te geven is meer dan ooit een beleidsthema. Persoonlijk vond ik dat een van de leukste zaken uit de studie: veel mensen beseffen het niet alleen, maar hebben het ook graag. Dat bevestigt dus dat onroerend erfgoed een deel uitmaakt van hun dagelijkse leven. Als je 's morgens in Gent de trein neemt, dan stap je door een stukje onroerend erfgoed. Als je 's avonds iets gaat eten in de binnenstad van Gent of Antwerpen of Brugge of Roeselare of – godbetert – Zottegem, dan weten mensen dat ze ook in een deel van het onroerend erfgoed rondlopen dat een vanzelfsprekend onderdeel uitmaakt van hun identiteit. Mensen hebben daar wel degelijk oog voor. Men gaat er niet zomaar aan voorbij. En dat bleek ook uit de studie.

Het draagvlakonderzoek toont de troeven aan van ons onroerend erfgoed. We willen er daarom mee uitpakken. We spelen ons erfgoed uit als sterk Vlaams merk en tonen de resultaten van ons beleid. Ons onroerend erfgoed zetten we in als ambassadeur van de Vlaamse natie en samen met mijn collega’s bevoegd voor Toerisme en Cultuur werk ik dit ambassadeurschap uit. Dit staat ook in de beleidsnota.

Uit het draagvlakonderzoek blijkt dat het Vlaamse publiek van de overheid verwacht dat de overheid investeert in erfgoedzorg, maar ook dat ze daarbij doordacht en kostenefficiënt te werk gaat. Ik ben als minister van Financiën en Begroting heel blij dat dit deel er ook aan vasthangt. We zijn nog altijd nuchtere Vlamingen en die hebben graag een evenwicht bij het bewaren van het erfgoed, maar natuurlijk op een kostenefficiënte manier.

Zoals u weet, maken we in deze legislatuur werk van een doordachte activering en bijsturing van het financieringsstelsel. Dat moet efficiënter en doeltreffender worden en de remmende impact op de beleidsruimte door de wachtlijsten bij de premies remediëren. Dat staat in de beleidsnota op pagina 5.

Maatregelen voor het toegankelijk maken van erfgoed zijn niet nieuw. Sommige maatregelen waren projectmatig en zijn intussen afgerond, andere zijn structureel en hebben hun vertaling in de werking van het agentschap en/of andere erfgoedpartners.

Ik geef een aantal voorbeelden. In de wetgeving is het concept ‘open erfgoed’ opgenomen. Open erfgoed is erfgoed dat actief en op regelmatige basis opengesteld wordt om de erfgoedwaarden van het gebouw of de site in de kijker te zetten. Een erkenning als open erfgoed is een kwaliteitslabel dat de bijzondere openstelling en ontsluiting van het beschermd erfgoed zichtbaar wil maken.

In 2019 publiceerde het agentschap Onroerend Erfgoed een inspiratienota over open monumenten met inspirerende voorbeelden. De link is www.onroerenderfgoed.be/een-erkenning-als-open-erfgoed-aanvragen.

De Inspiratiegids Toeristische Erfgoed Ontwikkeling, een publicatie van Toerisme Vlaanderen en het agentschap Onroerend Erfgoed uit 2015, bevat ettelijke tips over waar je op moet letten bij onroerend erfgoed en toerisme. De gids is te downloaden op de website van Toerisme Vlaanderen, via de link www.toerismevlaanderen.be/publicaties/inspiratiegids-toeristische-erfgoed-ontwikkeling.

Het agentschap Onroerend Erfgoed is gestart met een interne werkgroep over toegankelijkheid van onroerend erfgoed. De gesprekken met Inter werden terug opgenomen. Inter is de erkende organisatie van Gelijke Kansen Vlaanderen om het Vlaamse toegankelijkheidsbeleid uit te voeren.

Het agentschap Onroerend Erfgoed biedt heel wat informatie aan die de ontsluiting van onroerend erfgoed ondersteunt. Ik wil verwijzen naar de digitale bronnen, zoals het geoportaal, waar iedereen kan nagaan waar welk onroerend erfgoed te vinden is. Ik heb dit zelf pas als minister ontdekt. Zelfs over de Vollander in Zottegem staat er heel wat informatie in.

Er is de inventaris met de beschrijving van alle waardevol onroerend erfgoed in Vlaanderen en de beschermingsdatabank met alle beschermingsbesluiten, het Portfolio onroerend erfgoed, met praktijkvoorbeelden van erfgoedprojecten in Vlaanderen, en de beeldbank met foto’s van onroerend erfgoed.

Tijdens de focusgroepen van het draagvlakonderzoek bleek dat ook naar de lokale besturen wordt gekeken om de toegankelijkheid inzake informatie te bewaken. De informatie moet immers zo dicht mogelijk bij de burger worden gebracht en lokale besturen zijn daar goed voor geplaatst. Heel veel gemeenten en steden hebben op hun website een erfgoedrubriek en tekenen een lokaal erfgoedbeleid uit. Ik kan dit enkel toejuichen en hen aansporen om op deze weg verder te gaan. We proberen hen ook zoveel mogelijk te ondersteunen. Er zijn heel wat gemeenten die op dat vlak heel ambitieus zijn en waar we al op bezoek geweest zijn of al overleg mee hebben gepleegd.  We gaan na hoe we hun ambitie mee kunnen ondersteunen.

Maar ook de bruggenbouwers, zoals bijvoorbeeld de middenveldorganisatie Herita of het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur (CRKC) en vele lokale erfgoedgemeenschappen, communiceren over onroerend erfgoed. Uit het draagvlakonderzoek blijkt echter dat slechts een derde van de Vlamingen de weg vindt naar de websites van erfgoedverenigingen. Hier ligt dus nog veel potentieel.

De digitalisering biedt heel veel mogelijkheden om te communiceren en de toegankelijkheid van onroerend erfgoed te verhogen. We merken dat heel wat organisaties daarmee aan de slag gaan. Er zijn al heel wat mogelijkheden, waaronder geocaching, QR-codes of erfgoedwandelingen door het gebruik van apps. Heel wat gemeenten zijn daarmee bezig.

De vraag tot inspraak in het beleid zien we zoals in andere sectoren ook in de erfgoedsector. Beschermen maakt de bredere samenleving mee verantwoordelijk voor het behoud. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vanuit die samenleving de vraag weerklinkt om betrokken te worden bij de waarderingsprocessen en om de maatschappelijke dimensie van behoud in het oog te houden. Zelf vinden we dat heel belangrijk. Ik heb in verschillende vragen om uitleg al benadrukt dat we dat overleg willen aangaan. Ook bij de herbestemming van kerken bijvoorbeeld, zoals de Sint-Annakerk, hebben we steeds gepleit voor een overleg met de buurt. Tijdens de gedachtewisseling over de herbestemming van kerken hebben we erop gewezen dat inspraak van de buurt daarbij zeer belangrijk is. Het belang om dat lokaal te organiseren  geldt dus ook voor ander onroerend erfgoed.

Voor de volledigheid geef ik mee dat de huidige beschermingsprocedure inspraak toelaat. Voorafgaand aan de voorlopige bescherming worden bepaalde Vlaamse agentschappen en departementen en het betrokken lokaal bestuur bevraagd. Ook de zakelijkrechthouder kan in die fase al opmerkingen geven en wordt hierover bevraagd. Tussen de voorlopige en de definitieve bescherming is er een openbaar onderzoek, waarbij iedereen zich kan laten horen. Zakelijkrechthouders kunnen in die fase worden gehoord en dat gebeurt ook wel degelijk. We merken in dat openbaar onderzoek dat mensen die zich betrokken voelen bij dat erfgoed, van zich laten horen. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is de mijnsite in Beringen. Uit dat openbaar onderzoek hebben we geleerd dat we even moesten temporiseren, wat meer in overleg moesten gaan en dat overleg wat meer kansen moesten geven. Er werden zo’n 1300 bezwaarschriften ingediend. We gaan de dialoog aan. We luisteren wel degelijk naar de opmerkingen die worden gemaakt. We zullen bijkomend inzetten op een evaluatie van het beschermde erfgoedbestand, in samenspraak met lokale besturen.

U vroeg ook op welke manier we de participatie aan de grote erfgoedmomenten, zoals Open Monumentendag en Erfgoeddag kunnen vergroten. Er wordt al veel communicatie gevoerd naar aanleiding van Open Monumentendag. Op sociale media krijg je daarover bijna wekelijks een nieuw bericht te zien. Herita voert als coördinator van Open Monumentendag voorafgaand een brede publiekswerking met een specifiek campagnebeeld, radio- en televisiespots, een publiekswebsite, gerichte persberichten, inzet van diverse sociale media en samenwerking met klassieke media zoals geschreven pers en de Vlaamse openbare omroep. Ik raad de leden van deze commissie aan om zelf lid te worden.

Ik zou de deelname overigens niet gering noemen, al kan het uiteraard altijd beter. In het draagvlakonderzoek bleken Open Monumentendag, met 91 procent, en Erfgoeddag, met 80 procent, de bekendste van acht voorgelegde erfgoedgerelateerde evenementen te zijn. Daarnaast heb je de Week van het Bos, Museumnacht, de Open Kerkendagen enzovoort.

In 2016 liet Herita naar aanleiding van Open Monumentendag een onderzoek uitvoeren bij haar leden en bij de bevolking. Dat onderzoek bestond uit verschillende delen: twee bevragingen bij hun leden, eenmaal vóór en eenmaal na Open Monumentendag, en een brede bevraging van de bevolking na Open Monumentendag. Op basis van de kwantitatieve analyse werden drie focusgroepen georganiseerd.

Ik geef een paar belangrijke bevindingen mee. uit de brede bevraging na Open Monumentendag bleken de redenen om niet deel te nemen in de eerste plaats het gebrek aan tijd – een probleem dat we allemaal kennen –, bij 33 procent; het gebrek aan interesse in monumenten en erfgoed, bij 23 procent; het te laat ontdekken dat het Open Monumentendag was, bij 21 procent. 15 procent gaf aan dat de tweede zondag van september doorgaans niet geschikt is, 14 procent dat ze erfgoed liever op rustiger momenten bezoeken en 11 procent dat ze niet wisten dat het Open Monumentendag was op 11 september 2016. Die resultaten vallen heel goed mee, maar we moeten ze natuurlijk in rekening brengen om te kijken hoe we het nog beter kunnen doen.

In focusgroepen werd gevraagd naar ideeën om meer bezoekers te lokken. Heel wat diverse manieren werden geopperd zoals, op het vlak van bereikbaarheid, hop-on-hop-offbussen tussen locaties op Open Monumentendag, binnen een stad of streek, of een trein- of busticket waarmee je hele dag kunt reizen tussen verschillende steden. Herita werkte voor Open Monumentendag 2019 effectief samen met De Lijn, dat een gratis dagpas voor twee aanbood om zich met de bus of de tram naar de locaties te kunnen verplaatsen.

Het draagvlakonderzoek toonde het grote belang dat wordt gehecht aan de educatieve waarde van onroerend erfgoed. Er wordt benadrukt dat het belangrijk is de verhalen achter ons erfgoed te vertellen aan kinderen. Die verhalen geven immers vorm aan wie we zijn. Dat onze jongeren weten vanwaar we komen, is essentieel. Ons erfgoed kunnen we beschouwen als monumentale geschiedenisboeken.

Persoonlijk vind ik dit een heel belangrijke opdracht van Onroerend Erfgoed, namelijk om de educatieve waarde door te geven aan jongeren. Daar ligt nog een uitdaging, want we merken dat deelname aan Open Monumentendag 2016 met kinderen zeer laag ligt, namelijk 3,4 procent van de Vlaamse bevolking. Hier ligt nog heel wat potentieel. We zullen nagaan hoe we dat kunnen verbeteren.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Minister, bedankt voor uw enthousiasme. Met de voorliggende resultaten is dat ook logisch. Er zijn nog wel een aantal uitdagingen. Enkele daarvan staan in de beleidsnota, maar ik hoor u vaak verwijzen naar de lokale besturen en dat is terecht. Het gaat zowel over het verstrekken van informatie als het organiseren van inspraak. Daar ligt wel nog wat werk op de plank.

Sommige lokale besturen hebben voldoende personeel. Ik denk aan steden die een volledige cel hebben voor erfgoed of monumenten. Maar er zijn ook kleinere gemeenten die daar op een iets meer amateuristische manier mee om moeten gaan, omdat ze er de middelen en het personeel niet voor hebben. Daar is extra ondersteuning nodig, alsook het uitwisselen en uitrollen van goede praktijkvoorbeelden.

Minister, wat de inspraak betreft, is het al te laat als je moet wachten tot er honderden bezwaren zijn om dan nog bij te sturen. We moeten uitzoeken hoe we de mensen zoveel mogelijk vroeger in het proces kunnen betrekken. U zei terecht dat erfgoed iets van ons, van de omgeving, van het dorp, van de stad en van de mensen zelf is. Daar kunnen we vroeger in het proces meer mee doen, nog voor er een bestemming of een herbestemming van het onroerend erfgoed plaatsvindt.

Minister, ik heb nog een bijkomende vraag. Het staat in de beleidsnota dat we de lokale besturen nog meer gaan ondersteunen. Ik heb dat al een paar keer gevraagd. Het gaat niet om centen, want die zijn er niet. Dat vraag ik ook niet, maar we moeten toch eens nadenken over welke strategie we kunnen ontwikkelen om dat onroerend erfgoed nog belangrijker te maken op het lokale niveau of misschien nog meer ondersteuning te bieden. U had het ook over een werkgroep toegankelijkheid. Hebt u er zicht op wanneer de eerste resultaten er zullen zijn?

De participatie, de focus op jongeren is heel positief. Bij de Vlaming is er soms een moeheid aan soorten dagen. Elk weekend is er wel een dag van het een of het ander en mijn indruk is dat daar toch wel wat moeheid optreedt. Misschien moeten we creatief zijn. We moeten de erfgoed- en monumentendag niet annuleren, zeker niet, maar misschien moeten we dat opentrekken door er scholen en jeugdverenigingen bij te betrekken. U legt een heel terechte focus.

Mevrouw Van Werde heeft het woord.

Ik was aan het wachten tot het woord Herita viel, en dat is uiteraard gebeurd. Herita is een netwerkorganisatie die drie kerntaken heeft. Een ervan is het draagvlak voor onroerend erfgoed vergroten. Herita engageert zich om nieuwe doelgroepen en meer mensen te bereiken, streeft naar kwalitatieve, maar ook kwantitatieve groei. Dat lees ik in de samenwerkingsovereenkomst met de Vlaamse overheid. Het jaarverslag van Herita verschijnt pas begin april, maar ik wil u toch al vragen of u er een zicht op hebt of Herita de doelstellingen heeft behaald inzake publiek, draagvlakvergroting en ledenaantal.

Dan iets heel anders, iets wat ik persoonlijk heb ondervonden toen ik jaren geleden meewerkte aan een toeristisch programma, en dat is dat mensen zeer gehecht zijn aan hun gemeente, hun dorp, hun stad. Elke steen wordt belangrijk voor mensen, ze identificeren zich met de dingen die er te zien zijn en dan wordt erfgoed ook een echt wij-verhaal. En ik herinner mij dat er ook een heel groot wij-verhaal was toen de VRT in 2007 het programma Monumentenstrijd uitzond. Dat stimuleerde op een heel plezierige manier de  erfgoedervaring van mensen. Er was toen sprake van ‘onze stroopfabriek’ in Limburg en van ‘onze Boekentoren’ in Gent. De middelen kwamen toen een deel van de Nationale Loterij. In uw beleidsnota spreekt u van een ‘Erfgoedloterij’. Als die er zou komen, zou u dan overwegen om er een groot publieksevenement aan te koppelen? Hoe je het ook draait of keert, het scherm bij de VRT is nog altijd heel belangrijk om mensen samen te brengen.

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Ik vind trouwens dat Vlaanderen Vakantieland ook moet terugkomen, maar soit.

Mevrouw Schauvliege, bij de lokale besturen is al heel wat in beweging. Ongeveer 80 procent van de lokale besturen is op dit moment ofwel zelf onroerenderfgoedgemeente ofwel betrokken bij een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst (IOED). Ik ben vorige week in Leuven geweest. Dat is volgens mij de grootste centrumstad die zelf onroerenderfgoedgemeente is. Leuven heeft grote projecten die het heel goed aanpakt. We zullen die blijven opvolgen en zullen met hen in overleg gaan. De IOED’s moeten allemaal nog geformaliseerd worden met het oog op de ondersteuning, maar op die manier krijgen ze wel de ondersteuning die ze nodig hebben. We zijn de laatste maanden al bij heel wat IOED’s op bezoek geweest. Op de meeste plaatsen loopt dat echt wel goed. De ambities van die lokale besturen worden dus heel goed ondersteund.

Ten tweede, wat betreft het vroeger laten plaatsvinden van de inspraak, ben ik het deels met u eens, maar deels ook niet. Lokale besturen en de zakelijkrechthouders gaan we vroeger betrekken, nog voor de voorlopige bescherming, want zij zijn rechtstreeks bij het onroerend erfgoed betrokken. We gaan met hen samenzitten en ze kunnen hun opmerkingen al geven. Maar met wat u zegt over het openbaar onderzoek, heb ik meer moeite. Als we de buurt en de ruime omgeving op voorhand betrekken, dan hoeft er geen openbaar onderzoek meer gevoerd te worden, denk ik. Er bestaat altijd een beetje de idee, ook bij andere projecten trouwens, dat er slecht overlegd werd, dat de inspraak niet goed verlopen is of dat de buurt niet betrokken is bij het project, als er bezwaren binnenkomen bij een openbaar onderzoek. Dat is niet zo. Het openbaar onderzoek is er net om de buurt te betrekken en om de inspraak mogelijk te maken. Dat is net het moment om dat te gaan doen. Als u ervoor pleit om dat nog vroeger te doen, nog voor de voorlopige bescherming, dan is dat voor mij dubbel werk. Het openbaar onderzoek is zoals gezegd een heel goed instrument om de inspraak van de bredere omgeving te organiseren. Maar nogmaals en los daarvan, de zakelijkrechthouders en lokale besturen worden wel vroeger betrokken.

Wat de toegankelijkheid betreft, daarvan kan ik u de timing niet direct meegeven. We hebben Inter zelf ontvangen, dus dat loopt wel degelijk. Ik ben het niet helemaal eens met de stelling – en dat is ruimer dan alleen maar erfgoed – dat er een zekere moeheid zou zijn met betrekking tot die verschillende dagen. Als je kijkt naar het succes van Open Monumentendag, Open Bedrijvendag enzovoort, dan denk ik dat mensen daar wel mee bezig zijn en dat daar altijd wel veel volk op afkomt. Ik heb zeker niet het gevoel dat we daarin moeten minderen, integendeel: ik denk dat we daarop moeten blijven inzetten.

Mevrouw Van Werde, ik heb geen zicht op het jaarverslag van Herita. Wat het ledenaantal betreft, kan ik u wel zeggen dat Herita er sinds oktober minstens één lid bij heeft.

Uw punt over de VRT is juist, denk ik. We kunnen dat idee meenemen, ook al is dat zeer duur. De suggestie om de piste van die erfgoedloterij te onderzoeken is inderdaad misschien wel goed. Ik ben het er helemaal mee eens dat het programma – Monumentenstrijd – wel bewees dat mensen absoluut betrokken zijn. Het onderzoek dat we nu gevoerd hebben, bevestigt zeer uitdrukkelijk wat we allemaal wel aanvoelden, maar met cijfers die zwaarder doorwegen dan wat ik had durven voorspellen. Het onderzoek toont aan dat mensen zich in grote mate betrokken voelen bij de bescherming van onroerend erfgoed. Daarom ben ik blij met de resultaten van het onderzoek.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Ik zal kort zijn. We moeten de resultaten inderdaad zien als een opsteker, maar we moeten er ook uit leren. De punten die erin staan en waar we mee aan de slag kunnen gaan, moeten we opnemen. We moeten de moed hebben om een aantal zaken bij te sturen. Dit is echt wel hoopgevend. Ik denk dat we daar op een heel positieve manier mee aan de slag kunnen gaan. We zijn daar graag een bondgenoot in.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.