U bent hier

De heer Vandeput heeft het woord.

Minister, vorige week was in het nieuws dat, een jaar na het aantreden van de nieuwe gemeenteraden, van de 7398 lokale mandatarissen die de eed hebben afgelegd, er 269 hun ambt hadden opgezegd tegen het einde van vorig jaar. Dat is kennelijk een serieuze verbetering ten overstaan van de vorige periode. Maar dat wil niet zeggen dat dat geen aanzienlijk aantal zou zijn. Volgens het Agentschap Binnenlands Bestuur gaat het om precies te zijn over 8 burgemeesters, 37 schepenen, 19 voorzitters van de gemeenteraad en 205 gemeenteraadsleden.

Een belangrijke factor hierbij zijn natuurlijk de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen van 26 mei 2019. Hierdoor moesten mensen door de niet-cumuleerbaarheid hun ambt laten staan. Daardoor werd er dan weer een carrousel aan vervangingen in gang gezet.

Andere redenen van vertrek variëren van persoonlijk, familiaal tot professioneel. De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) voerde in aanloop naar de verkiezingen van oktober 2018 een enquête uit bij de toen zetelende gemeenteraadsleden. Daaruit bleek dat 21 procent de verhouding tussen het werk als gemeenteraadslid en het privéleven als moeilijk combineerbaar ervoer. Bij de vorige bestuursperiode reed een op de acht gemeenteraadsleden de rit niet volledig uit. Vooral het eerste jaar wordt er blijkbaar afgehaakt.

De VVSG pleit daarom voor een beter statuut voor gemeenteraadsleden, zowel op het vlak van verloning als op het vlak van het verantwoordelijkhedenpakket. In uw beleidsnota pleit u er alvast voor om de gemeenteraad te herwaarderen en te versterken. Ik denk dat het nieuws van vorige week aanleiding geeft om hierover een aantal vragen te stellen.

Hebt u een beter zicht op de reden waarom verschillende mandatarissen hebben afgehaakt? Zult u maatregelen nemen om deze evolutie tegen te gaan of te stoppen? Zo ja, welke? Welke plannen hebt u om het statuut voor gemeenteraadsleden aan te pakken? In welke zin?

De heer Warnez heeft het woord.

De heer Vandeput heeft de situatie al vrij goed geschetst. Ik zal niet in herhaling vallen. Ik vond vooral de redenen verrassend waarom sommige gemeenteraadsleden stopten. Politicoloog Sinardet heeft het bijvoorbeeld over een mogelijk verkeerde inschatting van het mandaat. Ik vond ook de slechte verhouding tussen werk en privéleven frappant en relevant. Vanuit de VVSG wordt al heel wat jaren voor een aanpassing van het statuut van gemeenteraadsleden gepleit. In hun memorandum naar aanleiding van de verkiezingen van 26 mei 2019 hadden zij het onder meer over een betere omkadering van de gemeenteraad en de gemeenteraadsleden, maar ook over de gelijkwaardigheid van het politiek verlof tussen de private en publieke sector. Wat de redenen ook mogen zijn, het is goed om daar even over na te denken.

Welke conclusies trekt u uit de cijfers die de heer Vandeput heeft vermeld? Wat zijn volgens u de oorzaken daarvan?

Acht u het als minister aangewezen om bijkomende maatregelen te nemen tot versterking van de gemeenteraad om de invloed van de gemeenteraadsleden op het lokale beleid te vergroten? Zo ja, welke?

Naar aanleiding van de bespreking van de beleidsnota stelde u bereid te zijn om een evaluatie van de regelgeving over het statuut van de lokale mandataris door te voeren. Is die evaluatie al opgestart en zo niet, acht u het, rekening houdend met deze recente gegevens, niet aangewezen om dat te doen? Wat is met andere woorden de timing?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Dit is een belangrijke vraagstelling, die ons bezighoudt omdat de lokale democratie de meest levendige is van onze democratie, het dichtst bij de burger staat, het grootste vertrouwen krijgt en omdat er de meeste mensen bij betrokken zijn. Het lokale niveau willen we vanuit het Vlaamse regeerakkoord ook versterken en we voegen er meer bevoegdheden en middelen aan toe. Tijdens de vorige legislatuur was dat 15 miljard euro, nu 20 miljard euro. Dat zijn middelen die rechtstreeks van de Vlaamse financiën naar de lokale besturen gaan. Daar is ook de meeste innovatiekracht in het democratisch bestuurlijk bestel aanwezig. Je ziet er de meeste experimenten, dat is ook logisch, want ze kunnen kleinschalig beginnen. Er is ook de meeste beweeglijkheid. Dat is iets wat we moeten koesteren, voeden en in stand houden.

Toch eerst iets over de cijfers. 269 lokale mandaten werden vervangen in 2019. Dat is minder dan 4 procent van het totale aantal raadsleden. Dat is nog altijd veel. Er zijn in Vlaanderen in totaal 7398 gemeenteraadsleden. 269 daarvan zijn er binnen het jaar of na één jaar mee gestopt. Ter vergelijking: in 2013 waren dat er 434. Dat betekent dus een daling van bijna 40 procent. Om de hele vergelijking te maken: toen waren er ook OCMW-raadsleden, dat waren mederaadsleden. Eigenlijk is het percentage ongeveer stabiel gebleven. Je kunt dus niet spreken van een negatieve evolutie.

De mandataris moet niet motiveren waarom hij ontslag neemt. Ik zie een veelheid aan redenen, wanneer ik in mijn directe omgeving kijk. Wat de burgemeester betreft, is het tamelijk eenvoudig. Twee van de acht zitten hier: mijnheer Van den Heuvel en ikzelf. Minister-president Jambon is de derde. Alle acht zitten in een onverenigbaarheid omdat ze een ministeriële verantwoordelijkheid hebben opgenomen. Dat is een louter wettelijke onverenigbaarheid. Dat is heel gemakkelijk te detecteren.

Bij een gemeenteraadslid is het veel breder. Mensen verhuizen. En professor Sinardet heeft gelijk: sommige mensen schatten verkeerd in wat een lokaal mandaat is. Het blijkt complexer te zijn dan men dacht. Misschien had men een grotere impact verwacht. Of de werklast is groter dan men vermoedde. De werkomgeving is anders dan men had ingeschat. Voor sommige mensen is het gewoon complexer dan men had vermoed. Er zijn heel veel redenen. Een andere reden is soms ook ontgoocheling. Men zat in de meerderheid, kwam in de oppositie terecht. Men was schepen, men is nu gemeenteraadslid. En men zegt: ik maak de baan vrij voor iemand anders. Dat kan ook gebeuren. Of ontgoocheling omdat men geen burgemeester kon worden en de maat is vol. Soms spelen afspraken een rol: mensen spelen nog een jaartje mee om de ploeg, de fractie op gang te trekken en zetten nadien een stap opzij. Men is verkozen, men is al parlementslid. Ik neem een concreet voorbeeld uit mijn stad. Iemand geeft een jong gemeenteraadslid de kans en spitst zich toe op zijn parlementaire mandaat. Dat is heel eerbaar. Soms spelen er heel eerbare motieven. Het is niet eenvoudig om dat juist in te schatten.

Een belangrijke reden is impact. Dat is mijn overtuiging. Heb ik als gemeenteraadslid een wezenlijke impact op het gebeuren in mijn stad? En dat is een impact als gemeenteraadslid ten aanzien van het schepencollege, ten aanzien van de meerderheid, maar ook een impact in de samenleving. Is die gemeenteraad al dan niet de spil van het lokale democratische gebeuren? Of gebeuren daarrond veel dingen die eigenlijk niet in die gemeenteraad komen? Daar zit een opdracht: om te kijken hoe in het innoverende politieke landschap, waar er veel meer actoren aanwezig zijn, waar onze samenleving horizontaler wordt, actiegroepen, nieuwe bewegingen van allerhande, oud en nieuw middenveld, burgerinitiatieven, blijkbaar kunnen wegen op die besluitvorming door rond die gemeenteraad heen te lopen. De gemeenteraad zelf maakt daarvan geen deel uit. Of een gemeenteraad of schepencollege, waar projecten die worden opgestart en plannen die men maakt, eigenlijk worden gemaakt door een schepencollege, met burgers. En die gemeenteraadsleden staan erbij en kijken ernaar, ze hebben niet veel impact. Als ik er zelf over nadenk – want het is een persoonlijke overtuiging – is impact een belangrijk element.

De combinatie arbeid en gezin kijkt altijd om de hoek, is altijd aanwezig, verloning niet. Ik zie de heer Van Rooy kijken. Hij is gemeenteraadslid in de grootste stad van Vlaanderen. Evident is er een werklastverschil en een verantwoordelijkheidsverschil tussen gemeenteraadslid zijn in een kleine gemeente, in een centrumstad of in een grootstad. Daarover moeten we niet flauw doen. Daar spelen evident andere budgetten en andere uitdagingen. Maar ik ben geen voorstander van het professionaliseren van die zevenduizend mensen. Dat lijkt mij ook niet nodig. Je zult mij nooit horen zeggen dat gemeenteraadsleden overbetaald worden. Dat zul je nooit horen uit mijn mond. Maximaal 213 euro bruto voor een raadszitting: in alle eerlijkheid: het werk, als je het een beetje au sérieux neemt, dat ertegenover staat, is veel groter. We mogen ons niet laten meeslepen in verhalen die soms wat te kort door de bocht zijn. Dat is de motivatie, de reden waarom.

Ik wil een kanttekening maken: als iemand ontslag neemt, dan komt er op het lokale vlak wel iemand in de plaats die ook verkozen is. Daar zijn geen opvolgerslijsten zoals in het parlement. Het is dus opnieuw iemand die stemmen heeft gehaald. Bij de afschaffing van de lijststem, wat in ons regeerakkoord staat, zal dat nog duidelijker zijn. Er komt iemand in de plaats die niet door de partij is gekozen, maar door de kiezer is aangeduid. Vanuit democratisch oogpunt is dat wel belangrijk.

Wat kunnen we daaraan doen? Het is een gedeelde verantwoordelijkheid van de politieke partijen, het lokale bestuur en de gemeenteraadsleden zelf. In de komende jaren wil ik de impact vergroten via de constructieve motie van wantrouwen. De gemeenteraad kan de meerderheid veranderen als het er echt op aankomt.

We zijn ook bezig met een driejarig traject met de VVSG om cocreatie, burgerinitiatieven via innovatieve projecten, proeftuinen uit te testen. We kijken wat er kan. We willen daarover ook in debat gaan met het parlement op het moment dat er een aantal lopen. Laten we dat niet onmiddellijk doen, maar het even wat ruimte geven. We hebben dat vorige week aangekondigd via de VVSG. Er is heel veel interesse voor omdat men overal nadenkt hoe men het kan verbeteren.

Er is een devaluatie van de impact van de gemeenteraad. Dat voelen we, en dat moeten we versterken. De beleids- en beheerscyclus (BBC), het lappendeken van bovenlokale samenwerkingsverbanden die allemaal een impact hebben op het beleid, regiovorming: u kent het verhaal. Ik wil ook absoluut samenzitten met de VVSG om het debat te voeren. Ik heb begrepen dat er in de sociale media al een voorstel was van de VVSG, dat collega Warnez en collega Vandeput om ter snelst hebben gelanceerd. Misschien is het nuttig om hen eens uit te nodigen, om in debat te gaan met de VVSG en te horen wat zij als belangenbehartiger vinden van het wijzigen van het statuut.

Ik geloof niet zo sterk in harde ingrepen. Een aantal zaken moeten federaal worden geregeld. Ik geloof meer in die impactanalyse en het versterken van de verantwoordelijkheid.

Wat ik daar ook aan zou durven koppelen, is de vraag of er differentiatie nodig is in verloning naargelang van de omvang van gemeenten. Is het aantal lokale mandatarissen juist? Hebben we er zoveel nodig? Klopt het aantal? Dat zijn twee open debatten die niet helemaal hetzelfde zijn, maar we moeten er eens over durven nadenken.

Ik weet dat mijn antwoord maar een aanzet is, maar ik denk dat het debat vandaag nog maar start. Misschien kan het parlement daarover eens een echte gedachtewisseling organiseren met de VVSG, maar dat laat ik over aan de wijsheid van deze commissie.

De heer Vandeput heeft het woord.

Minister, het cijfer van een aantal ontslagnemenden is maar de aanleiding om het debat over het statuut van gemeenteraadsleden aan te gaan en te bekijken hoe dat beter kan. Dit debat mag niet verglijden. Ik hou ook de sociale media in de gaten, en voor we het weten zijn we een debat aan het voeren waarin politici voor hun eigen inkomen aan het zorgen zijn. Het gaat bij uitstek niet om de verloning. De mogelijkheden die gemeenten hebben binnen hun autonomie moeten voldoende zijn om een fatsoenlijke vergoeding te kunnen geven aan mensen die zich geroepen voelen tot het ambt van gemeenteraadslid.

Waar het wel over gaat, is de mate waarin het gemeenteraadslid de zin inziet om zich vrij te maken om aan de gemeenteraad deel te nemen – het zichtbare deel –, maar ook aan beleidscommissies, ander voorbereidend werk, contacten, netwerken binnen de gemeente. Als het debat wordt geopend, willen we daar graag in meegaan.

Minister, ik zou u nog een bijkomende vraag kunnen stellen. Als we het hebben over omkadering, gaat het vaak ook over het gewoon kennen van de zaak. In de vorige vraag hadden we het over de beleids- en beheerscyclus (BBC). Er zijn organisaties als de VVSG, die daarover cursussen aanbieden, met wisselend succes. Het is misschien een mogelijkheid om gemeenten aan te zetten om hun gemeenteraadsleden educatief voor te bereiden op wat hen te wachten staat. Want ik geef u niet vaak gelijk, maar ik denk dat het wel klopt dat velen een verkeerde inschatting hebben van wat mogelijk is. Iedereen die lokaal actief is, weet dat velen, als er een lijst wordt samengesteld, zich het beeld vormen dat ze inderdaad dingen zullen kunnen veranderen in hun gemeente. Ze blijken echter vaak niet verder te komen dan contact opnemen met de schepen om voorrang te vragen voor de herstelling van de stoep in straat X in plaats van de stoep in straat Y, wat natuurlijk niet voldoende is. Daar zijn er dus mogelijkheden om gemeenten aan te zetten om hun best practices te delen en om de gemeenteraadsleden ook educatief in hun taak te ondersteunen.

De heer Warnez heeft het woord.

Minister, u gaf eigenlijk twee grote categorieën van redenen aan. Enerzijds de menselijke redenen, anderzijds de impact op het beleid. Misschien is het toch ook belangrijk om even te onderzoeken wat het aspect tijd doet.

Ik vind dat, als je de rechten van een parlementslid bekijkt tegenover die van een regering, die juridisch vrij sterk aansluiten bij die van een gemeenteraadslid tegenover die van een college van burgemeester en schepenen. Die raadsleden kunnen eigenlijk juridisch heel veel. Wij hebben het geluk dat we daar de tijd voor krijgen – en maken uiteraard. Voor alle duidelijkheid: ik pleit zeker niet voor beroepsraadsleden. Maar wij hebben ook het geluk dat we daar sterke fractiemedewerkers voor hebben. Ik denk dat we eens op zoek moeten gaan naar manieren waarop we die raadsleden meer tijd en ondersteuning kunnen geven om hen inhoudelijk het gevoel te geven: ‘ik heb hier een dossier in handen en ik kan daar ook iets mee doen’.

U gaf een aantal voorbeelden van hoe we de impact kunnen versterken. Ik wil op een daarvan ingaan: differentiatie – naar verloning en naar het aantal raadsleden – tussen grotere centrumsteden en kleinere gemeenten. Zegt u dat afgaande op het cijfer van die 269 raadsleden die gestopt zijn, omdat u ziet dat er vooral in de steden een te grote workload is? Of heeft dat daar niks mee te maken?

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Collega’s, bedankt voor de vraagstelling, want ik denk dat het een uitdaging is hoe we daar een antwoord op kunnen geven. Ik sluit me namelijk aan bij de minister dat het lokale niveau het democratische niveau is bij uitstek, waar we innovatieve en boeiende dingen kunnen doen en waarover we dus ook moeten nadenken hoe we dat krachtige niveau kunnen behouden of zelfs nog krachtiger maken.

Vandaar toch een aantal bedenkingen. Ik denk – en dat is een deel van dit debat maar gaat ook een stuk breder – dat het echt een uitdaging is, met de nieuwe dynamieken rond participatie en de rol van adviesraden, om te zorgen dat die gemeenteraad zichzelf kan heruitvinden in een soort nieuwe rol voor het creëren van een platform voor het publiek, maatschappelijk en politiek debat. Ik denk ook dat individuele raadsleden daarin een zeer interessante rol kunnen spelen.

Een andere bedenking gaat over die uitdaging in de verhouding tot het college van burgemeester en schepenen. We hebben het daarnet gehad over de BBC. We leven in een tijd waarin heel wat instrumenten een stuk professioneler zijn dan enkele jaren of enkele decennia geleden. Het gaat er ook om – en dan sluit ik me gedeeltelijk aan bij de opmerking van collega Warnez – dat we voldoende tijd en ruimte hebben om die oefening ook professioneel te doen. Ik pleit niet voor professioneel vrijgestelde of betaalde raadsleden, maar wel voor raadsleden die de ruimte en de mogelijkheden hebben om hun taak op een zo goed mogelijke manier uit te voeren.

Twee, ik ben blij te horen dat de cijfers iets beter zijn dan zes jaar geleden. Het blijft wel mijn overtuiging dat dit het topje van de ijsberg is: dit zijn de afhakers, maar daaronder zit er onvermijdelijk een hele groep van mensen die zich momenteel beraden over wat ze zullen doen. Er zitten mensen bij die denken: ik zal mijn zitje maar invullen en ik zie wel wat het de komende jaren brengt. En is ook een hele groep gemotiveerde mensen – laten we dat niet onder de tafel schuiven – die tegelijk iedere dag wel worstelen hoe ze dat gecombineerd krijgen met alle andere zaken in hun leven. Dat zal hun motivatie er niet minder op maken, maar misschien zouden ze hun werk nog beter doen indien ze nog beter en sterker zouden worden ondersteund.

De argumentaties en redenen waarom de mensen hiervoor kiezen, zullen inderdaad heel divers zijn. Ik weet dat de bevraging in 2018 is gebeurd, door de VVSG. Maar misschien kunnen we toch eens dieper peilen naar welke zaken er nog spelen. Als we dan toch een bevraging doen over het voorgaande thema, kunnen we misschien meteen eens hiernaar polsen.

Ik vind het alvast een goed voorstel om de VVSG hierover te horen. Zij hebben zeer veel dagelijkse kennis. We moeten ook niet alles steeds opnieuw herbeginnen, bij het begin. We kunnen hierover met hen het gesprek aangaan.

Ik heb nog drie specifieke vragen. Eén, misschien kunnen we de VVSG vragen om ook buitenlandse voorbeelden in kaart te brengen. Er zijn heel veel andere systemen voor het organiseren van een gemeentelijke democratie. Misschien kunnen we daar nog een ander mee winnen. Twee, er zijn op dit moment geen cijfers rond de leden van het bijzonder comité. Zijn er daarover cijfers? Hebben we zicht op het afhaken daar? Drie, ik sluit even aan bij de vraag rond de veiligheid van medewerkers van de gemeenten. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat we als professionele politici af en toe in onze mailbox bagger, negatieve reacties aantreffen. (Opmerkingen)

Minister Somers uiteraard niet. Maar misschien onderschatten we die dynamiek op lokaal niveau wel. Burgemeesters en schepenen kunnen daarover meespreken. Ik spreek alvast ten persoonlijken titel, maar misschien is dat voor individuele raadsleden ook wel het geval. En als je dan in een context van ontgoocheling of verkeerde verwachtingen zit en daar komt dan nog een hoop negatieve energie bij en je worstelt om dat allemaal gecombineerd te krijgen met andere zaken, dan kan ik mij voorstellen dat je als raadslid op een bepaald moment zegt: voor mij hoeft niet meer. Een soort welzijnsbevraging bij raadsleden lijkt mij een interessante dynamiek.

Dat lijken mij de belangrijkste punten.

Toen het ging over de mails in de mailbox hebben we collega Van Rooy getriggerd, mijnheer Vaneeckhout.

De heer Van Rooy heeft het woord.

Ik zal het echt heel kort houden. Ik vind het mooi dat iedereen zo bekommerd is om mandatarissen. Maar ik wil er toch voor waarschuwen, vooral u, mijnheer Vaneeckhout, om niet te betuttelend te zijn. Het zijn geen ‘snowflakes’ en ze moeten dat ook niet zijn. Wie een politiek mandaat wil opnemen, moet er rekening mee houden dat het een zwaar beroep is, althans als je het serieus neemt. Voor mij is het alleszins een passie en ik hoop voor vele anderen ook. Als u het hebt over veel mails krijgen en bagger: tja, dat hoort er nu eenmaal bij. Laat ons niet te betuttelend zijn, alstublieft.

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Voor sommigen is het een passie, voor anderen een roeping, voor nog anderen een drang. Er zijn verschillende redenen om aan politiek te doen.

Ik voel dat we hiermee aan de slag zouden kunnen en moeten gaan. Het moet hier niet gaan over een soort van zelfbeklag of over het zoeken van wegen om ons financieel statuut ... Ik hoor niemand daarvoor pleiten. Dat vind ik ook het goede kader, dat we dat niet doen. De vraagt is: hoe kun je de lokale democratie versterken? Hoe kun je ervoor zorgen dat mensen die zich willen engageren, daartoe de kans krijgen? Waarom engageert men zich? Om iets te kunnen veranderen. De sleutel is dus: hebben mensen genoeg hefbomen, instrumenten om dingen te kunnen veranderen?

Mijnheer Warnez, tijd is daarin een element. Hoe kun je mensen die voltijds werken en daarnaast misschien ook een verantwoordelijkheid hebben binnen het gezin, tijd en mogelijkheden geven om dat op een goede manier te doen? Er is daarbij een heel belangrijke voetnoot. Indien we zouden nadenken over het creëren van meer tijd: wij zijn niet bevoegd voor het zogenaamde politieke verlof voor mensen in de private sector. Dat debat moet worden gevoerd door onze collega’s in het federale parlement. Ik merk dat hier gewoon op. Ik zegt niet dat dat nu het nec plus ultra is. Maar het is wel iets dat we moeten meenemen.

Ik geef nog één belangrijk cijfer mee, dat – ik moet heel voorzichtig zijn met wat ik zeg – het tijdsverhaal misschien wat zou kunnen relativeren of in een ander kader zou kunnen plaatsen. Als ik de VVSG goed heb beluisterd, suggereerden ze dat het vooral vrouwelijke mandatarissen zijn die afhaken. Wel, tot nu toe hebben er 122 vrouwen en 147 mannen afgehaakt. En in 2013 waren er 192 vrouwen en 142 mannen die hebben afgehaakt. Ongetwijfeld is dat opnieuw een relativering van een relativering. Je zou kunnen zeggen dat vrouwen, als ze die keuze hebben gemaakt, daar goed over hebben nagedacht. Vaak is dat zo. Nu ben ik genderstereotiep aan het praten. Sommige mensen van meer conservatieve aard – ik dus niet – zouden zeggen dat mannen misschien wat impulsiever zijn en vrouwen de zaken wat meer doordenken. We zitten in de eeuw van de vrouw, we moeten aanvaarden dat vrouwen wat verstandiger zijn en beter doordenken. Maar de cijfers zijn alleszins interessant om mee te nemen. Het is geen genderissue. Het zit goed verdeeld over beide.

We moeten buitenlandse voorbeelden meenemen. Dat traject, de burgerparticipatiemodellen die we onderzoeken, het laboratorium dat we willen uitbouwen, wordt mee begeleid door professor Trui Steen. Zij is een Nederlandse politicologe die meewerkt aan dit project en het mee ondersteunt bij de VVSG. Zij kent de Nederlandse context uiteraard heel goed. Via haar hebben we dat meegenomen. Zij werkt nu aan de KU Leuven. De KU Leuven is mijn alma mater, ik kan daar enkel met weemoed, bewondering en passie over spreken.

We moeten verder werken aan die elementen. We moeten goed naar de VVSG luisteren en uitzoeken wat de zinvolle dingen zijn die we kunnen doen om de context waarin de lokale gemeenteraadsleden functioneren, te versterken, te optimaliseren en om ruimte te creëren zonder dat we meteen moeten denken aan meer centen of meer beschermingsmaatregelen, want dat is niet het eerste punt dat aan de orde is.

De heer Vandeput heeft het woord.

Minister, ik dank u voor de aanvullingen. Ik noteer vooral dat het gaat over hoe we onze lokale democratie kunnen versterken. Dat moet de inzet van de oefening zijn. We moeten ook heel voorzichtig zijn. U maakt een opening en hebt het over differentiatie van verloning. Ik wil opnieuw verwijzen naar andere antwoorden in deze commissie. U gelooft heel sterk in de lokale autonomie. Vele gemeenten hebben de mogelijkheid om te differentiëren door de manier waarop ze zich organiseren. In dat kader zal het waarschijnlijk zo zijn dat men in veel grotere gemeenten spreekt over meerdere beleidscommissies waar wel of geen vergoeding wordt toegekend. De gemeente is autonoom om die vergoeding te bepalen.

Als we hieraan beginnen, lopen we een groot risico. Eén, dat zou snel kunnen worden geïnterpreteerd als dat politici weer met zichzelf bezig zijn, wat bij uitstek niet het geval mag zijn. Twee, men zou ook kunnen zeggen dat de politici vooral bezig zijn met te bekijken hoe ze zichzelf meer kunnen verrijken, wat bij uitstek ook niet het geval moet zijn.

Ik geloof effectief – en de bevraging door de VVSG in 2018 geeft dat ook aan – dat heel veel raadsleden daar zitten omdat ze daar graag wíllen zitten. Die bevraging vond plaats vóór de verkiezingen. Op dat ogenblik hadden sommigen vijf jaar ambt achter de rug. De meest aangehaalde vraag is meer gewicht voor de gemeenteraad, dus de democratische inspraak, de mogelijkheid om dingen te veranderen. De tweede vraag betreft een betere ondersteuning. Slechts 16 procent heeft het over een betere vergoeding. Dat is dus echt ondergeschikt aan de ‘roeping’ die gemeenteraadsleden hebben, het werk dat ze kunnen verrichten. Als we het hebben over omkadering, gaat het dus over de manier waarop ze kunnen worden ondersteund in de uitvoering van hun taak. Daarop moeten we focussen.

De heer Warnez heeft het woord.

‘It’s not about money, it’s about the facility.’ Het is een interessant debat waarover iedereen nog veel te zeggen heeft. Deze morgen was ik rap op Twitter, collega Vandeputte was ook rap op Twitter. Minister, u was nog rapper in De Ochtend, maar het zou goed zijn om de VVSG hier eens uit te nodigen.

Dat hebben we genoteerd. Ik stel voor dat we volgende week een regeling van de werkzaamheden organiseren om onder andere dit punt op de agenda te zetten.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.