U bent hier

De heer Gryffroy heeft het woord.

In de media hebben we gelezen dat er steeds meer kleine en middelgrote ondernemingen steun krijgen van de overheid. De cijfers tonen dat duidelijk aan. In 2019 ondersteunde het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) ruim 500 ondernemingen. Driekwart daarvan, 387 ondernemingen, waren kmo’s. Van de 200 miljoen euro aan subsidies werd 60 procent toegekend aan kmo’s en 40 procent aan grote ondernemingen. 10 jaar geleden was dat nog net omgekeerd. Minister, u schrijft dat toe aan de vereenvoudiging van het aanvraagdocument en de snellere beslissingsperiodes. U wilt die tendens voortzetten en in 2020 opnieuw een recordaantal Vlaamse kmo’s ondersteunen. Als we er rekening mee houden dat er 652.650 kmo’s zijn in Vlaanderen, stellen we vast dat toch nog maar 0,06 procent wordt bereikt. Er is dus eigenlijk nog heel wat potentieel in Vlaanderen.

Minister, ik richt daarom de volgende vragen tot u. Hoe zult u de doelstelling proberen te realiseren om dit jaar nog meer Vlaamse kmo’s te ondersteunen? Welke andere stappen, naast de vereenvoudiging van de aanvraagdocumenten en de snellere beslissingsperiode, zult u daarvoor zetten? Detecteert u nog bijkomende, andere drempels, naast de aanvraagdocumenten die nog eenvoudiger kunnen enzovoort? Wat zult u doen om de Vlaamse kmo’s nog meer te sensibiliseren om te investeren in innovatie?

De heer Vande Reyde heeft het woord.

Ik vind dat collega Gryffroy dat perfect heeft uitgelegd, dus ik zal meteen naar mijn vragen gaan. Minister, hoe evalueert u de cijfers? U hebt ook aangegeven dat u de evaluatie enigszins wou hervormen. Wat zijn de plannen ter zake? In uw antwoord op een schriftelijke vraag van mij hebt u ook aangegeven dat u de doorlooptijden van de steunaanvragen wilt verkorten. Dat zou kmo’s, bedrijven die misschien minder mensen in dienst hebben om die dossiers te behartigen, kunnen helpen. Wat zijn op dat vlak de plannen?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, dank u wel. Het is natuurlijk altijd een beetje vreemd om de vraag te krijgen van iemand van de N-VA hoe we iets gaan vereenvoudigen, terwijl die zelf tien jaar op dat domein heeft gezeten. Niettemin vind ik ze zeer interessant, en ik ben oprecht gemotiveerd om er werk van te maken.

Collega Gryffroy, misschien eerst over de feiten. Het bereik van onze VLAIO-instrumenten is ruimer dan de door u aangehaalde 500 ondernemingen die we in 2019 zouden hebben bereikt. Naast de steun voor ontwikkelings- en onderzoeksprojecten hebben we een ruimer instrumentarium. Met de kmo-portefeuille bereikten we vorig jaar 70.000 bedrijven. Inzake de kmo-groeisubsidie werden vorig jaar bijna 400 projecten goedgekeurd. Ons instrumentarium tout court is dus wel zeer breed bekend.

De voorbije jaren is er ook een aanzienlijke toename – wat een compliment is voor mijn voorganger – van het aantal gesteunde O&O-projecten van kmo’s. Het aantal goedgekeurde ontwikkelingsprojecten is op vijf jaar tijd met bijna 75 procent toegenomen. Het overgrote deel hiervan – 82 procent in 2019 – werd door kmo’s ingediend. Dat is dus een heel positieve evolutie.

U hebt absoluut gelijk: in verhouding, en dat is wat zelfkritiek, bereiken we nog altijd veel te weinig kleine bedrijven met onze O&O-steun. In januari ben ik ter gelegenheid van nieuwjaar aanwezig geweest bij heel veel gelegenheden, en daar heb ik toch een aantal kmo’s ontmoet. De redenen waarom men daar geen gebruik van maakt, blijken zeer gevarieerd te zijn, maar we moeten daar doorbraken in realiseren, want het is echt nog te weinig.

Mijnheer Vande Reyde, die evaluatie van de evolutie is duidelijk positief, maar los van de positieve cijfers is het van belang om alert te zijn en te bekijken welke drempels we nog kunnen wegwerken. Ik denk dus dat we de analyse delen. Het is een heel positieve evolutie, we zijn niet slecht bezig, maar het zou goed zijn, mocht het nog wat beter worden.

Ik denk aan drie manieren om meer kleine bedrijven aan het innoveren te krijgen en te laten gebruikmaken van de VLAIO-instrumenten. Ten eerste is er de instroom van nieuwe bedrijven. Ik denk dat we nog meer innovatiegerichte starters moeten krijgen bij wie O&O in het DNA zit, de zogenaamde techstart-ups. Dat kunnen we doen door het ondernemerschap te stimuleren, ook in het hoger onderwijs. U hebt de cijfers gezien en weet hoeveel starters er zijn. Dat is spectaculair. Maar ik denk dat we specifiek op die techstart-ups moeten inzetten. De rol van goede begeleiding via incubatie of acceleratie is daarbij ook van groot belang. Ik vermeld hier graag imec.istart als goede praktijk. Dit initiatief wordt wereldwijd erkend als een absoluut topprogramma om innovatieve starters op te kweken.

Vervolgens is het goed dat we proberen om gevestigde kmo’s die willen innoveren, beter te bereiken en uit te dagen om gebruik te maken van de VLAIO-instrumenten. Hiervoor zullen we de instrumenten en procedures beter toegankelijk maken voor kleine bedrijven. Twee pistes die we nu aan het ontwikkelen zijn, kan ik nu al meegeven. In mijn beleidsnota pleit ik ervoor om het laagdrempelige kanaal van de kmo-groeisubsidie in te zetten voor O&O-steun aan kleine bedrijven. We stellen immers vast dat er erg weinig kleine ontwikkelingsprojecten ingediend worden: slechts 3 à 5 procent van de projecten gaat over een steun van minder dan 50.000 euro. Dat is bijzonder weinig, en mogelijk is er een onevenwicht tussen de steun en de administratieve inspanning. Dat is, denk ik, geen geheim. Ik verwacht de komende weken een plan van aanpak van VLAIO om dit in de praktijk te gaan brengen. We zien dat er daar een bottleneck zit. Dat moet eenvoudiger.

De tweede piste betreft inspanningen om de doorlooptijd voor steunaanvragen voor een O&O-subsidie, zeker van kleinere kmo-projecten, verder te verminderen en vooral ook om dit traject voor de kmo’s transparanter te maken. In de komende weken start VLAIO al met een eerste experiment om de doorlooptijd van ontwikkelingsprojecten van minder dan 250.000 euro in een snellere procedure te behandelen. Het gaat hier over ongeveer de helft van de projecten, die samen zo’n 20 procent van de uitgekeerde steun vertegenwoordigen. Dat willen we in een eenvoudiger traject steken. Ik verwacht hier tegen het einde van het jaar een eerste evaluatie van. We hebben hier geen decreet voor nodig; VLAIO kan die procedure zelf vereenvoudigen.

Wat betreft de meer algemene vraag van collega Vande Reyde met betrekking tot diversificatie van de evaluatieprocedures in functie van de complexiteit van de dossiers en de omvang van de gevraagde steun, tonen de twee voorbeelden aan dat we dat net aan het doen zijn. Er is een verschil tussen grote steun aanvragen en kleine steun aanvragen. Ik heb net ook de wanverhouding tussen beide geschetst. Complexe en dure onderzoeksprojecten hebben een meer diepgaande aanpak dan kleinere ontwikkelingsprojecten. We gaan voor de relatief kleine ontwikkelingsprojecten nog verdere stappen zetten.

Naast de techstart-ups en het beter bereiken van kmo’s is de derde piste dat we kleine bedrijven voorbereiden en sensibiliseren om innovatie te integreren in hun bedrijfsstrategie, zodat ze stappen kunnen zetten richting eigen innovatieactiviteiten. Je hebt subsidies die gericht zijn op individuele bedrijven, maar daarnaast hebben we ook programma’s zoals TETRA, de technologietransfers vanuit de hogescholen, maar ook onze clusters en de collectieve programma’s voor kennisverspreiding, waarmee we ook minder innovatiegedreven bedrijven of – zoals men ze soms ook wel noemt – de innovatievolgers bereiken. Ik ben gestart met de hele nieuwe, maar er zijn ook bedrijven die we moeten stimuleren om op tijd met de integratie van innovatie te starten. Via deze kanalen sensibiliseren, stimuleren en helpen we kleine bedrijven om stappen te zetten op de innovatieladder.

Er komt een nieuw contract ondernemerschap, waarvoor de onderhandelingen nu lopen en waarover ik heel binnenkort beslissingen zal nemen. Daarmee zullen we de inspanningen inzake kennisverspreiding en technologieversnelling opdrijven. Dit is een heel belangrijke hefboom om kleinere bedrijven te stimuleren en klaar te maken om ook aan eigen O&O-projecten te beginnen.

Dus, collega’s, jullie hebben terechte vragen gesteld. Ik denk dat we met VLAIO de voorbije maanden echt een traject hebben opgezet om de machine, zoals ze nu werkt, nog beter te oliën, zeker naar de kleinere ondernemingen toe. Ik ga die inspanningen ook goed monitoren, want als we met Vlaanderen een topvijfregio op het vlak van innovatie willen worden, zullen we echt een doorbraak moeten realiseren bij onze kmo’s. Dat is niet alleen een van mijn prioritaire boodschappen, maar ook een prioritaire doelstelling die we onszelf hebben opgelegd.

De heer Gryffroy heeft het woord.

Als ik kijk vanuit het oogpunt van de kmo, dan onthoud ik vooral uw bemerking of de steun in verhouding staat tot de administratieve inspanning. Dat is voor een kmo zeer belangrijk. U zit in een catch 22: als u het te simpel maakt, is het misschien ook meer fraudegevoelig. Dan is er weer een ander probleem. Dat is dus moeilijk.

Als ik rondga op de recepties van Voka, UNIZO, enzovoort – ik was vroeger ook ondernemer, dus ik heb nog altijd veel van die contacten – dan hoor ik nog twee zaken die u niet vernoemd hebt: men kan er niet meer aan uit. Soms zegt men tegen mij dat men met een leuk project bezig is. Als ik dan zeg dat ze daarvoor eens moeten aankloppen bij VLAIO, dan antwoorden ze: ‘Ja, maar, hoe, wie, wat, … ?’ Het is zoals u zelf zegt dus te breed, en misschien weet een kmo’er daardoor niet meer bij wie hij nu exact moet zijn.

Ten tweede is er wantrouwen ten overstaan van het beleid. Soms hoor ik verhalen van ondernemers die een project hebben ingediend, dat de steun hun werd toegekend, maar dat ze ik-weet-niet-hoelang hebben moeten wachten op hun centen, enzovoort. De enkele mindere verhalen maken dan natuurlijk dat er een negatief beeld ontstaat.

Ik heb nog een andere vraag. Ik was eigenlijk een beetje verwonderd. U mag het me niet kwalijk nemen dat ik die vraag stel. Op 22 januari hebt u ’s morgens op uw website een artikel geplaatst omtrent een record aan innovatiesteun voor kmo’s. Daarin zegt u voor 2019 dat er 387 van de 513 door de VLAIO gesteunde bedrijven, van de kmo’s dus, in aanmerking kwamen. Ik heb in de namiddag, om 16.57 uur een antwoord gekregen op mijn schriftelijke vraag. Ik lees voor wat daarin staat, want die staat ondertussen niet meer onder embargo, dus die is publiek: “Voor het jaar 2019 moeten de cijfers nog verwerkt worden en zijn deze momenteel nog niet beschikbaar.” In de namiddag kreeg ik dus een antwoord dat de cijfers nog moeten worden verwerkt en niet beschikbaar zijn, maar ’s morgens staan ze wel op uw website en staan ze ook in de krant.

Mijn eerste opmerking daarbij: in welke mate zijn de cijfers van 513 stuks correct? Ten tweede, ik denk dat er ook een heel duidelijke afspraak is binnen het parlement dat een antwoord op een schriftelijke vraag altijd een embargo heeft van 14 dagen, zodanig dat wij zelf kunnen kijken wat we daarmee kunnen doen. Ik heb de schriftelijke vraag gesteld op 9 december. Op 22 januari verschijnt ’s morgens op uw website het antwoord: in 2019 ging het op uw website over driekwart of 387 van de 513 door VLAIO gesteunde bedrijven, kmo’s. Ik heb het antwoord gekregen, ook op 22 januari, in de namiddag, en daarin zegt u: voor het jaar 2019 moeten de cijfers nog verwerkt worden en zijn deze momenteel nog niet beschikbaar. Dus, ’s middags zijn ze niet beschikbaar, maar ’s morgens staan ze wel op uw website. Bovendien is er twee weken embargotijd, en daar zijn we wel gevoelig voor. Ik weet dat u daar niet alleen tegen zondigt, er zijn er nog andere, maar voor mij is dat wel onbegrijpelijk. Wat is het nu: is die 513 dan juist? Volgens de website is dat juist, maar volgens uw antwoord op mijn schriftelijke vraag zijn de cijfers nog niet beschikbaar. De cijfers stonden ook in De Tijd, ’s morgens. Dat wil zeggen dat ze de dag ervoor al zijn meegedeeld. Ze zijn ook op uw website gekomen, en ’s middags krijg ik een antwoord dat ze niet beschikbaar zijn.

Minister Hilde Crevits

Ik zit met een levensgroot probleem dat ik vroeger nooit had: dat sommige parlementsleden gewoon alle cijfers vragen over alle dingen. De vraag komt binnen, op dat moment hebben wij de cijfers niet. Dat antwoord moet dan door heel de mallemolen van de administratie, komt dan bij mij. Ik zie dat, ik teken, en dan gaat dat weer naar beneden. Dat duurt weer een paar dagen en dan gaat dat weg, maar er zit geen kwade trouw in. Wij kunnen niet alles over het hele spectrum bijhouden. Wij vragen dat aan de administratie. Als de cijfers er zijn, geven ze die ons door, maar er is geen systematiek. Ik ben dertien jaar minister. Ik probeer een goede relatie te onderhouden met mijn parlementsleden. Ik weet vanuit mijn eigen parlementsmandaat hoe gevoelig het is als je iets vraagt, dat je het als eerste krijgt. Er zijn trouwens al heel veel primeurs in de krant verschenen van cijfers die ik geef omdat ik ze moet geven. Het gaat over eindejaarscijfers bij het afsluiten. Die vraag komt binnen in december, ze gaat door de molen, en op het moment dat je tekent, heb je de cijfers nog niet, maar dan zijn ze er op een bepaald moment wel en dan communiceer je erover.

Ik ga onderzoeken waar het misgelopen is, maar ik begrijp dat dat voor u verschrikkelijk vervelend is, zeker wanneer je op de dag zelf het antwoord krijgt dat ze niet beschikbaar zijn. Dat is wel helemaal te gek. Maar dat bewijst natuurlijk meteen dat er geen kwade trouw achter zit, anders zou ik die cijfers natuurlijk wel gegeven hebben.

Ik zie 's morgens de website en De Tijd. Dan denk ik: ‘Tiens, dat is eigenaardig, dat is mijn schriftelijke vraag.’ In het antwoord zegt u dat de cijfers niet verkrijgbaar zijn, maar ze staan wel op de website.

Minister Hilde Crevits

Dat heeft te maken met het moment waarop de vraag is doorgestuurd.

Collega's, mag ik voorstellen dat we teruggaan naar de vraag.

De vraag is wel of die 515 klopt. (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

De heer Vande Reyde heeft het woord.

Onze relatie is nog altijd uitstekend, daar hoeft u zich dus geen zorgen over te maken. (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Ik heb die cijfers ook gevraagd en ik heb ook gezien dat daar eerder over in de media is bericht. Ik heb trouwens mijn antwoord nog later gekregen dan de heer Gryffroy, wat een absolute schande is! (Gelach. Opmerkingen van Andries Gryffroy)

Ik heb de vraag later gesteld. Dat bewijst dat de chronologie niet altijd eenvoudig op te volgen is. Ik heb alle begrip daarvoor. Ik heb daar trouwens ook geen enorm grote zaak van gemaakt. Ik denk dat daar inderdaad een brief over verstuurd is, maar voor mij is de zaak daarmee afgehandeld. Ik denk dat daar de nodige aandacht voor moet zijn. Dat de embargo's worden gerespecteerd, lijkt mij logisch. Ik denk dat dat punt daarmee duidelijk gemaakt is.

Om naar de essentie te gaan, vond ik uw antwoorden over innovatievolgers zeer nuttig. Als ik op het veld kom, en dat is dan meestal bij ondernemers zelf, niet zozeer op recepties, wat natuurlijk ook een goede voedingsbodem is, dan hoor ik ook wel dat men vraagt waar men moet zijn, hoe dat in zijn werk gaat enzovoort. Men heeft wel eens afgesproken met imec of zo, maar daar werd geen vervolgtraject aan gegeven. Ik denk dat er nog een hiaat zit in het beleid wat betreft de verspreiding van kennis onder de volgers. Ons innovatiebeleid is enorm goed aan het draaien. We hebben heel veel budgetten bijgekregen. De grote sectoren en de grote spelers vinden goed hun weg. Dat loopt allemaal prima. Die innovatievolgers mee aan boord krijgen, is de ultieme uitdaging. 

De heer Vanryckegem heeft het woord.

Minister, uiteraard zijn wij tevreden met uw antwoord dat u verder zult inzetten op het toekennen van innovatiesteun aan onze kmo's. Zoals wij allemaal weten, blijven zij de motor van onze economie. Als we willen stijgen in de ranking inzake innovatie, zullen we die motor op het vlak van innovatie wat moeten aanzwengelen.

Inzake ontwikkelingsprojecten is de steunverdeling zelfs nog sterker. 79 procent gaat naar kmo's ten opzichte van 21 procent naar onze grote ondernemingen. Bij onderzoeksprojecten merken we net het omgekeerde effect: 34 procent gaat naar kmo's en 66 procent naar grote ondernemingen. Hoe verklaart u deze verdeling? Acht u daar bepaalde ingrepen nodig?

Bij middelgrote ondernemingen merken we een onregelmatige deelname aan innovatiesteun. In 2017 bedroeg die nog 10 miljoen euro, in 2018 bedroeg die 25 miljoen euro en in 2019 viel die terug naar 15 miljoen euro. Is daar een verklaring voor of is dat pure statistiek? Of zijn er oorzakelijke argumenten? Als u hier niet onmiddellijk op kunt antwoorden, ben ik bereid om daar een schriftelijke vraag over in te dienen.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik wil toch nog eerst iets voorlezen over die schriftelijke vragen, want dat werkt verschrikkelijk op mijn zenuwen. Ik wil jullie echt overtuigen van mijn goede trouw ter zake.

Het probleem van de heer Vande Reyde is eigenlijk hetzelfde als dat van de heer Gryffroy. De vraag van de heer Vande Reyde is ingediend op 6 januari 2020. U was nog wat eerder, mijnheer Gryffroy. (Opmerkingen van Andries Gryffroy)

Voilà.

Op het moment dat VLAIO de vraag behandelde, was het nog niet in staat een antwoord te geven, omdat de cijfers nog verwerkt moesten worden. Het antwoord dat de verwerkte cijfers in het jaarverslag gepubliceerd worden, is correct. Op 16 januari maakte VLAIO een eerste ruwe analyse van de cijfers voor 2019. Waarom? Omdat het Hermes-beslissingscomité die cijfers moet bespreken tijdens zijn vergadering. Het zijn die cijfers die ik gebruikt heb in mijn externe communicatie. Op dat moment wist ik totaal niet dat er daar al vragen over gesteld waren, want er zijn zoveel schriftelijke vragen. We weten ook dat informatie die naar het Hermes-beslissingscomité gaat, ook via andere kanalen naar buiten kan komen, en dan is het voor mij ook interessant om daarop in te spelen. Dat is logisch. Mochten jullie in mijn situatie zitten, jullie zouden hetzelfde doen. Ikzelf bepaal niet of er al dan niet informatie gegeven mag worden. Als de administratie mij zegt dat er nog geen cijfers zijn, maar die voor een andere vergadering wel opstelt, dan zeg ik dat ik die ook ga communiceren, want dat is interessant nieuws.

Daarna legt de schriftelijke vraag dus zijn weg af, zonder dat het antwoord geactualiseerd wordt, en als het dan bij mij komt, passeert het. Dat is heel vervelend en we gaan naar een manier zoeken om dat in de toekomst te vermijden, maar dit is de gang van zaken.

De voorzitter van het parlement had er een brief over geschreven en nu zijn we aan het nagaan hoeveel dergelijke statistische vragen er gesteld worden, want dat zijn er onvoorstelbaar veel. Het zou gemakkelijker zijn, mocht alles in het jaarverslag komen en dat er dan pas communicatie over is.

Ik sluit niet uit dat er nog zulke zaken zullen voorvallen, tenzij ik gewoon niets meer doe, maar dat is ook spijtig. Dat ga ik niet doen.

Het is al vaak gebeurd dat ik op schriftelijke vragen commentaar zet, omdat er vaak interessante zaken in staan die ik graag zou willen communiceren, ook al mag ik niet. Als iemand anders er dan echter iets mee doet, dan staan we natuurlijk wel klaar om daarop te reageren.

Enfin, dit is niet de essentie, maar ik probeer de mogelijke spanning hierrond weg te werken.

Collega’s, collega Gryffroy zei daarnet dat hij, als hij bij ondernemers komt, vaak het commentaar krijgt dat ze door de bomen het bos niet meer zien. Onze administratie is daar supergevoelig voor. Ik was aanwezig op de receptie van het Vlaams Instituut voor de Logistiek (VIL), waar ook ontzettend veel ondernemers aanwezig waren. Er kwamen toen twee jonge mensen naar mij die me vertelden dat het veel te ingewikkeld is om wat dan ook aan te vragen. Toevallig stond Mark Andries op 5 meter van mij en ik heb die twee mensen tot bij hem gebracht. De verontwaardiging bij Mark Andries was heel groot en hij vloog er onmiddellijk op om uit te leggen dat dat allemaal niet waar was. Maar ik zie dat als een teken van engagement. Men wenst echt niet dat er zo geredeneerd wordt.

Maar ik stel inderdaad wel vast dat het een inspanning vergt om je daar een weg in te vinden, vooral bij kleinere ondernemingen met weinig tijd. Ik was twee weken geleden in een landbouwbedrijf en de zaakvoerder zei me dat je om te innoveren tijd nodig hebt. Dat bedrijf had geïnvesteerd in een voederrobot, waardoor het voederen automatisch verloopt en er elke dag wat meer tijd is, tijd die gebruikt wordt om nog verder te innoveren. In het oude systeem ging alle tijd naar praktische beslommeringen en dan komt het er niet van. Dat heeft mij ook wel een beetje de ogen geopend voor het feit dat je voor innovatie ook wel tijd nodig hebt. We nemen dat op met de organisaties die wij ondersteunen. Ik heb bijvoorbeeld aan UNIZO en aan Voka gevraagd om daar aandacht voor te hebben in de nieuwe contracten die ze sluiten, zodat er aandacht is voor het tijdsgebrek. De grote baas van UNIZO zei begin deze week ook dat UNIZO daar de komende maanden aan gaat werken, zodat de hinderpalen voor een stukje weggenomen worden.

Zoals collega Gryffroy zei, moeten we een vorm van basiscontrole hebben, want we kunnen niet zomaar blanco cheques uitschrijven, maar anderen kunnen zorgen voor wat ondersteuning, zodat de weg ook effectief succesvol afgelegd wordt.

Collega Vanryckeghem, wat uw vraag betreft, dat cijfer verrast mij, dus ik zal dat nakijken. U mag gerust een schriftelijke vraag stellen. Ik zal proberen dat niet op voorhand in de krant te communiceren. Ik wil ook bekijken of ik het aanvullend kan geven, maar als ik nu iets zou zeggen … (Opmerkingen)

De heer Vanryckeghem zal misschien nog in de partijblaadjes van de N-VA terechtkomen.

De heer Gryffroy heeft het woord.

Ik wil het debat over die schriftelijke vraag echt wel kunnen afsluiten. Ik weet dat u te goeder trouw handelt. Waarom stellen wij inderdaad schriftelijke vragen? Omdat je dat niet kunt doen in een vraag om uitleg. Dat is niet van toepassing. Dan weet u dat dan ook als u schriftelijke vragen krijgt van ons. Ook moet je, als je beleid wilt kunnen bijsturen, je altijd kunnen baseren op cijfers. De persoon die naast u zit, weet zeer goed hoe ik in de vorige legislatuur constant bezig was over cijfers. Wij zijn inderdaad op zoek naar de cijfers. We willen die zo rap mogelijk kunnen krijgen om te zien of het goed of niet goed zit. (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Natuurlijk.

Collega’s, ik stel voor dat we ons nu echt beperken tot de inhoud van het debat.

Wat de inhoud betreft: je moet inderdaad tijd hebben. Dat staat natuurlijk in schril contrast. We gaan dat nu niet veranderen, denk ik, maar we hebben dat systeem van heel veel ondersteuning, op alle mogelijke vlakken, ook voor een stuk ingevoerd omdat we de eigen fiscaliteit niet in handen hebben. Heel veel bedrijven vragen me vaak waarom dat allemaal zo moet gebeuren: als we hun gewoon een dubbele investeringsaftrek zouden geven enzovoort, dan zou dat de zaken veel eenvoudiger maken. Dat kunnen we echter niet, dus doen we het op die manier, met een subsidiebeleid in plaats van een fiscaal beleid. Dat is er nu, en ik denk dat we moeten proberen zo veel mogelijk dat wantrouwen ten overstaan van de overheid weg te werken. We moeten bekijken hoe dat op een goede manier kan, zonder te maken dat dit openstaat voor fraude. De steun zou minimaal kunnen zijn en we moeten ervoor zorgen dat de administratieve inspanning in verhouding staat. Voor de ondernemer, de kmo’er moet dat heel eenvoudig te begrijpen zijn. Hij moet weten bij welke contactpersoon hij moet zijn als hij wil worden voortgeholpen.

De heer Vande Reyde heeft het woord.

Iets heel kleins, over de niet-essentie. Alle begrip daarvoor. Mijn medewerker heeft nog wat technische details gestuurd over de timing en zo, maar dat maakt eigenlijk niet uit. Ik denk dat de essentie duidelijk is. Ik wou daar gewoon nog het volgende over zeggen. Het feit dat je in de commissie of op je beleidsdomeinen actieve parlementsleden hebt, dat wringt soms een beetje, maar ik denk dat dat uiteindelijk ook een goede zaak voor iedereen is. Ik merk dat ook in mijn schepencollege: als er een gemeenteraadslid komt dat echt een pertinente vraag heeft, dan leer ik daaruit, dus ik vind dat iets om te koesteren. Als u dus cijferfetisjisten hebt in uw commissies, koester dat dan, want dat kan uw eigen beleidsdomeinen … (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Voilà. Er zijn ministers die klagen dat er nooit aandacht is voor hun beleidsdomeinen, dus bij dezen hebt u dat probleem zeker niet.

Wat de essentie betreft, ik kan me die reactie van Mark Andries levendig voorstellen. De administratie vindt dat ze daar zoveel aandacht voor heeft en op het terrein zelf zegt men dat ze daar tijd voor moet maken. Dat is inderdaad een kloof die niet gemakkelijk te dichten valt, maar zolang er aandacht voor is, denk ik dat we daar de komende jaren progressie in kunnen boeken, en dat kan alleen maar een goede zaak zijn.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.