U bent hier

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Recent werd het jaarverslag Jeugdhulp 2018 gepubliceerd. We kunnen tevreden constateren dat de laagdrempelige jeugdhulp, zoals online en telefonisch advies, consulten bij een psycholoog, ondersteuning aan huis en dagopvang, opnieuw een groter bereik kent. Dat is op zich goed nieuws. Hoe vroeger er kan worden ingegrepen in een verontrustende situatie, hoe beter. Ook pleegzorg als hulpverleningsvorm blijft alsmaar groeien.

Anderzijds blijft de druk op de intensieve jeugdhulp hoog. Zo steeg het aantal jongeren met een nieuwe hulpvraag met 3 procent. Het gaat dan vooral om jongvolwassenen. Dat heeft wellicht onder meer te maken met het feit dat het jeugdhulpaanbod toegankelijker werd gemaakt tot de leeftijd van 25 jaar. Dat is een evolutie die we hier allemaal samen hebben beslist en waar we allemaal ook achter staan.

Op het einde van vorig jaar stonden ook 427 meer jongeren op een wachtlijst voor jeugdhulpverlening dan eind 2017. Dat is een stijging van 6 procent. De wachttijden variëren wel sterk per regio en per hulpvorm. Ook moet worden benadrukt dat wie op een wachtlijst staat voor een bepaalde vorm van hulpverlening misschien al op een andere manier wordt geholpen.

Het is bekend dat binnen de groep jongeren die door de jeugdrechter worden doorverwezen naar jeugdhulp, het slechts in beperkte mate gaat om jongeren die een delict hebben gepleegd, namelijk 13 procent. Het aantal jongeren dat zich in een verontrustende leefsituatie bevindt, lag in 2018 3 procent hoger dan in het jaar daarvoor. Opvallend daarbij is vooral dat het aantal 0- tot 3-jarigen die bij hoogdringendheid worden aangemeld, in stijgende lijn zit.

Vanuit Vlaanderen werd een investering aangekondigd van 60 miljoen euro voor extra investeringen in diverse vormen van jeugdhulp. In het regeerakkoord lezen we onder meer dat er verder zal worden geïnvesteerd in rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp om de toegang ertoe te blijven garanderen. We lezen ook dat pleegzorg het eerste alternatief moet blijven bij uithuisplaatsingen en dat er wordt geïnvesteerd in de capaciteit van de jeugdhulp voor kwetsbare jongeren.

Op het einde van de vorige legislatuur, op 3 april laatstleden, keurde de plenaire vergadering het voorstel van resolutie goed betreffende een meerjarenperspectief voor de jeugdhulpverlening. Daarin werd onder meer verwezen naar de vier uitbreidingswerven 2.0 voor de integrale jeugdhulp, namelijk: a, de uitbreiding van de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp; b, het realiseren van zorggarantie voor jonge kinderen die uit huis geplaatst zijn; c, de verruiming van de mogelijkheden tot voortgezette jeugdhulpverlening, het werken aan een betere afstemming tussen jeugdhulp en volwassenhulp, en de uitbreiding van innovatieve woonvormen, en, ten slotte, d, de realisatie van meer opvang- en begeleidingsmogelijkheden voor delinquente jongeren en jongeren in complexe situaties.

De resolutie heeft betrekking op de residentiële jeugdhulp en vroeg aan de Vlaamse Regering onder meer dat ze een meerjarenperspectief voor de jeugdhulpverlening zou opmaken. Daarbij zou onder meer op basis van de niet-ingevulde behoeften aan zorg en ondersteuning worden ingezet op een versterking en uitbreiding van de reguliere hulpverleningscapaciteit voor kinderen en jongeren die tijdelijk niet meer thuis, in hun context of in een pleeggezin terechtkunnen, bij de voorzieningen die het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn of zijn rechtsopvolger heeft erkend.

Minister, kunt u toelichting geven bij het jaarverslag 2018 en de oorzaken van de verschillende ontwikkelingen die daarin vast te stellen zijn? Welke concrete maatregelen plant u om de druk op de intensieve jeugdhulpverlening te verlichten? Zijn er specifieke en bijkomende acties met betrekking tot die kwetsbare groep van 0- tot 3-jarigen?

Op welke manier zult u komen tot een meerjarenperspectief voor de jeugdhulpverlening, zoals vooropgesteld in onze resolutie van 3 april laatsleden?

Ik was daarnet iets vergeten. Ik wil graag de UNIZO-bedrijfsleiders die hier aanwezig zijn in het kader van een parlementaire stage van harte welkom heten in deze commissie. Ik hoop dat jullie iets bijleren van de parlementsleden waaraan jullie gekoppeld zijn.

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Niettegenstaande de inzet en de overgave van zoveel mensen die in de jeugdhulp werken, blijft er in de sector een groot probleem bestaan. Uit het jaarverslag Jeugdhulp blijkt dat er meer dan 7200 kinderen en jongeren op hulp wachten. Dat zijn vaak jongeren met een zware zorgnood, die opgroeien in een erg kwetsbare situatie. Zij verdienen natuurlijk onze hulp, en zij verdienen die op tijd.

Net zoals de voorbije jaren blijft de druk op de intensieve, meer gespecialiseerde jeugdhulp stijgen. Die stijgende vraag doet ook de wachtlijsten en wachttijden verder aangroeien. Zo stonden er eind vorig jaar 5600 jongeren op de wachtlijst voor intensieve jeugdhulp, een stijging met 6 procent tegenover 2017. Dat aantal is nu opnieuw flink gestegen.

Ook de gemiddelde wachttijd loopt verder op tot 230 dagen, en zelfs tot 425 dagen als je de niet-dringende vragen voor intensieve en gespecialiseerde hulp meetelt. Dat zijn toch wel hallucinante cijfers. Die lange wachtlijsten kunnen ernstige gevolgen hebben. De problemen bij kinderen en jongeren kunnen zich opstapelen, waardoor zij vaker in crisissituaties terechtkomen. Soms groeien zij ook op in simpelweg gevaarlijke omstandigheden. Kinderen en jongeren in nood moeten op tijd hulp krijgen.

Het beleid praat steeds meer over het belang van geestelijke gezondheidszorg bij kinderen en jongeren, maar in de feiten zien we daar nog geen resultaat van. De centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg’s) begeleiden voor het tweede jaar op rij minder jongeren. Maar ook die jongeren wachten langer dan voorheen. Kinderen tot 12 jaar wachten nu al 213 dagen op een psycholoog. De geestelijke gezondheidszorg aan een betaalbare prijs – want dat is net specifiek aan die ccg’s – wordt daardoor steeds moeilijker bereikbaar. Hoe zult u dat aanpakken? Op welke manier wilt u de capaciteit van de ccg’s opdrijven?

Het precieze aantal kinderen met een zorgnood die niet de zorg en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben in het rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpaanbod, dat blijft een blinde vlek. Beleidskeuzes kunnen dan ook niet anders dan deels blind gebeuren, al kunnen ze natuurlijk ook gebeuren op basis van de indicaties die men vanuit het veld krijgt en die aangeven waar de tekorten het meest acuut zijn. Hoever staat u met een geïntegreerde registratie, waardoor u ook echt zicht krijgt op de vragen bij die rechtstreeks toegankelijke hulp? Is het eventueel mogelijk om aanmeldingstops te registreren?

Het stijgende gebruik van de laagdrempelige jeugdhulp treft ook de intensieve jeugdhulp. Steeds meer kinderen wachten steeds langer op jeugdhulp. In totaal stonden eind 2018 5600 jongeren op een wachtlijst voor intensieve jeugdhulp. Dat is alweer een stijging tegenover vorig jaar. Ook daar loopt de gemiddelde wachttijd verder op. Hoe zult u die wachtlijsten aanpakken? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit niet verder escaleert en dat de cijfers een neerwaartse knik krijgen?

De capaciteit van het crisisaanbod lijkt ook zorgwekkend, want de registratie van ‘aanbod volzet’ neemt overal toe. In een jaar tijd is het aantal crisisnetwerken, dat er geen begeleidingen meer kan bijnemen, verdubbeld. Welke maatregelen zult u nemen? Er bestaat natuurlijk een samenhang tussen beide, want omdat de wachttijden zolang oplopen, worden er ook meer kinderen bij die crisisnetwerken aangemeld.

Eind 2018 zijn laagdrempelige, innovatieve samenwerkingsverbanden opgestart om binnen de maand een antwoord te bieden op een eerste hulpvraag. Dit 1Gezin1Plan is nu uitgerold in 15 regio’s, waarmee ongeveer de helft van Vlaanderen is gedekt. Het is de ambitie van de nieuwe Vlaamse Regering om dit in de komende jaren over heel Vlaanderen uit te rollen. Wat is uw timing?

Heel concreet: welke pijnpunten in het jaarverslag Jeugdhulp 2018 zult u heel concreet aanpakken en in welke volgorde? Welke zijn voor u het dringendst? Want ik begrijp ook wel dat de budgetten die u werden toegewezen, eindig zijn en dat u keuzes zult moeten maken.

De heer Parys heeft het woord.

Mijn collega’s haalden ook al aan dat het jaarverslag Jeugdhulp 2018 heel wat positieve feiten bevat. Zo komt de  laagdrempelige jeugdhulp echt bij meer jongeren terecht, dat is een positief gegeven. Ook de pleegzorg is met 8 procent gegroeid. Dat is iets waar wij allemaal achter kunnen staan.

Er staan ook wat zaken in die zorgen baren. De druk op de intensieve jeugdhulp blijft stijgen. Zo wacht meer dan 6 procent van de jongeren op intensieve hulp. Er zijn natuurlijk ook nuances. Een deel van die jongeren krijgt nu al hulp, maar dat er nog te veel wachten is zeker een feit. Niet alleen de wachtlijst groeit, maar ook de wachttijd neemt toe. Een jongere wacht gemiddeld 230 dagen op intensieve hulp en zelfs 425 dagen op gespecialiseerde hulp.

Als de jeugdrechter tussenkomt en het over verontrustende opvoedingssituaties (VOS) gaat, is er een heel grote stijging bij de jongste groep kinderen, namelijk de 0- tot 3-jarigen. 37 procent van de hoogdringende maatregelen gaat over hen, wat enorm veel is.

Ik heb heel specifieke vragen over het jaarverslag. Ondanks het feit dat de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp aan bekendheid wint en er dus preventiever kan worden opgetreden, blijft de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp en specifiek de intensieve begeleiding onder druk staan. Minister, hoe kan dit? In deze commissie is het een visie die – denk ik – door alle collega's wordt gedeeld om in te zetten op laagdrempelige hulp omdat dit de druk op de specifieke en gespecialiseerde jeugdhulp zal doen verminderen. We zien dat dit nu niet gebeurt. Wanneer kunnen we de effecten van extra rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp op de wachtlijst van niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp waarnemen?

Van de jongeren die instromen in de centra voor integrale gezinszorg (CIG’s) zijn 45 procent tussen 0 en 5 jaar oud. Binnen deze leeftijdscategorie gaat het voor 20 procent over ongeboren kinderen, wat een verdubbeling is ten opzichte van 2017. Kunt u toelichting geven bij deze cijfers? Over wat voor soort situaties gaat dit dan?

De GES+-vragen (gedrags- en emotionele stoornis) zijn gestegen met 169 procent. Extra plaatsen voor deze doelgroep zijn een prioriteit. In het regeerakkoord staat dat we waar mogelijk de voorwaarden versoepelen “om plaatsen te creëren voor jongeren met extreme gedrags- en emotionele problemen (GES+). We maken een intersectoraal gelijk speelveld om deze plaatsen te realiseren en te financieren.” Wanneer zal dit effectief waarneembaar zijn in de praktijk?

De diensten herstelgerichte en constructieve afhandeling (HCA) zaten sinds 2015 in de lift. In 2017 werd er een absoluut recordaantal afhandelingen via deze diensten geregistreerd. Het is dan ook opmerkelijk dat er zich in 2018 een algemene daling van HCA voordoet, maar dat vooral het aantal herstelbemiddelingen sterk daalt ten opzichte van 2017. Hoe komt dat?

50 procent van de begeleidingstrajecten die de centra algemeen welzijnswerk (CAW's) in 2018 opstartte, waren voor jongeren tussen 18 tot 25 jaar, een zeer kwetsbare doelgroep die extra nood heeft aan begeleiding. We hebben daar de voorbije jaren hard op ingezet en ook in het regeerakkoord is er in een engagement voorzien. Hoe zullen we de innovatieve vormen van wonen en afstemming met de volwassenenhulp effectief realiseren? Hoe ziet u het overleg met uw collega-ministers evolueren op redelijk korte termijn?

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

De jaarcijfers voor de jeugdhulp zijn inderdaad gepubliceerd en staan online sinds vrijdag 25 oktober. Zoals ieder jaar bundelt het intersectoraal jaarverslag een enorme hoeveelheid aan cijfers over de jeugdhulp over alle betrokken sectoren heen. We hebben begrepen dat dit ook in de vorige regeerperiode telkens aanleiding gaf tot een debat en dat er verschillende tendensen waarneembaar zijn. Ook willen we erop wijzen dat het intersectoraal jaarverslag een ‘work in progress’ is en dat we de cijfers en de analyses moeten aanwenden om steeds kritisch de richting te bekijken waar we met onze jeugdhulp naartoe willen. Tegelijkertijd moeten we ook opnieuw oproepen om de analyses niet eenzijdig of al te kort door de bocht te maken.

Doorheen onze repliek zullen we ook de meer punctuele vragen over de registratie van de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp (RTJH) rond specifieke doelgroepen, de 0- tot 3-jarigen, het belang van de jongvolwassen, en de vragen in verband met specifieke werkvormen zoals de geestelijke gezondheidszorg, de crisisnetwerken, de centra voor integrale gezinszorg, en de diensten HCA behandelen.

Ik zal beginnen met een aantal van die ingeslagen richtingen te schetsen op basis van de cijfers. We nemen er twee zeer belangrijke uit, waarover iedereen in het parlement het eens is dat het beleidskeuzen zijn die we moeten doortrekken en blijvend ondersteunen.

Ten eerste is er de aanhoudend stijgende tendens van pleegzorg als eerste keuze wanneer kinderen of jongeren niet meer veilig thuis kunnen blijven. Ten tweede is er het toenemend gebruik van laagdrempelige hulp die zo vroeg mogelijk wordt ingezet.

Zoals u weet, is de aanhoudend stijgende tendens van pleegzorg een belangrijk gegeven binnen de Vlaamse jeugdhulp. Pleegzorg is, vooral bij jonge kinderen, de eerste optie wanneer beslist wordt tot een uithuisplaatsing. Het aantal pleegjongeren en volwassen pleeggasten steeg van 7568 in 2017 naar 8163 in 2018, een stijging met 8 procent. Sinds 2015 telt pleegzorg een stijging met 25 procent. De afgelopen jaren steeg vooral het aantal netwerkplaatsingen. Dat zijn situaties waarbij de jongere in zijn eigen netwerk wordt opgevangen, bijvoorbeeld door een oom of tante of bij grootouders, die door de pleegzorgdiensten ondersteuning op maat krijgen. Pleegzorg is ook mogelijk gemaakt tot de leeftijd van 25 jaar. Op die leeftijdsgrenzen komen we later nog terug.

Wat de cruciale shift in de jeugdhulp betreft, namelijk meer nadruk op vroeger detecteren en ondersteunen in plaats van te laattijdig en zeer curatief, merken we dat ook hier de ingeslagen weg leidt tot toenemend gebruik van laagdrempelige jeugdhulp. Kinderen, jongeren en hun gezinnen maken steeds meer gebruik van de laagdrempelige, ambulante jeugdhulp, zoals ondersteuning aan huis, een consult bij een psycholoog, een dagcentrum of professionele begeleiding voor een problematiek.

Dat is goed nieuws: de jeugdhulp komt steeds meer naar onze gezinnen toe en is uitdrukkelijk een beleidsoptie. Hoe vroeger je kunt ingrijpen, hoe beter. Het aantal unieke jongeren dat bijvoorbeeld in de klassieke jeugdzorg op die manier wordt geholpen is gestegen van 3372 in 2017 naar 3622 in 2018. Het gaat om afgesloten dossiers – met vooral meer begeleidingen bij positieve heroriëntering.

Ook in de sector van personen met een handicap is de stijging opvallend: van 15.114 in 2017 naar 16.791 in 2018, een stijging met 11 procent.

Wat de laagdrempelige jeugdhulp betreft, werken we momenteel al in vijftien regio’s in Vlaanderen volgens de gedeelde werkwijze van 1Gezin1Plan. Per regio werd 1 miljoen euro extra geïnvesteerd met de ambitie om minstens drieduizend gezinnen extra te bereiken.

Op de concrete vraag over de ambitie om deze aanpak Vlaanderen-dekkend te maken, is het antwoord simpel: we willen deze beweging zo snel mogelijk beschikbaar maken in de resterende regio’s. Het budget is hiervoor uitgetrokken en in 2020 zullen we hiertoe een gerichte oproep lanceren. Wanneer we die cirkel rondmaken, betekent dit dat we mikken op minstens zesduizend extra gezinnen, kinderen en jongeren die begeleid worden, en dit zo snel mogelijk, om escalatie en duurdere vormen van jeugdhulp te vermijden.

Laat het dus duidelijk zijn: de signalen die wijzen op een sneller en dichterbij optreden van de jeugdhulp zullen we de komende jaren verder versterken. We zijn er ook van overtuigd dat het zo vroeg mogelijk inzetten en ondersteunen van kinderen en jongeren, hun gezinnen en hun netwerk een van de belangrijkste bewegingen is waar de jeugdhulp door moet. We zien dit overigens ook internationaal als de tendens in de jeugdhulp: meer nabij, meer gericht op basisvoorzieningen, zo jong mogelijk en zoveel mogelijk in en met het netwerk van de jongeren.

Natuurlijk zijn er ook tendensen en cijfers die minder bemoedigend zijn. Wij stellen samen met u vast dat de druk op de meer intensieve jeugdhulp de afgelopen jaren aanhoudt. Het is voorlopig moeilijk om hier een eenduidige verklaring voor te geven. Wel kunnen hier een aantal hypothesen naar voren schuiven, die wat ons betreft alvast een logische aanzet tot uitdieping zijn.

Een eerste verklaring, die ons toch de komende jaren moet bezighouden, is het effect van de uitbreiding van de scope van de jeugdhulp naar de leeftijd toe. Zoals u weet, was het leeftijdsbereik vroeger traditioneel geplafonneerd op 18 jaar, soms uitzonderlijk 20 jaar. Met het decreet Integrale Ieugdhulp en vooral naar aanleiding van het actieplan jongvolwassenen werd deze leeftijdsgrens opgetrokken tot 25 jaar. We vermelden dat dit voorheen ook al voor pleegzorg gold.

Daarenboven werd er sinds 2016 en 2017 ook actief beleid gevoerd rond deze groep, met bijvoorbeeld de acties rond jongvolwassenen. We moeten mijns inziens dan ook grondig durven te bekijken wat deze demografische uitbreiding met meer dan vijf levensjaren betekent, ook naar de toekomst toe. Daarom is de vraag inzake jongvolwassen zeker terecht, de verwijzing ook naar de cijfers van de CAW’s en de noodzaak tot samenwerking met andere beleidsdomeinen zoals Wonen. Met de extra investering van 2 miljoen euro in innovatieve woonvormen in de jaren 2018 en 2019, merken we op het terrein creatieve en nieuwe vormen van wonen voor deze doelgroep. Vaak komen hier ook specifieke zaken aan bod, die ook linken hebben met de extra stimuli of administratieve vraagstukken inzake domicilie, begeleiding en samenwerking met profitactoren op bijvoorbeeld de woonmarkt, en tewerkstelling. Het is dus onze intentie –en die hebben we ook opgenomen in de beleidsnota – om binnen de contouren van het actieplan jongvolwassenen nieuwe samenwerkingen te verkennen. Natuurlijk zullen we die ook afstemmen met de bevoegde vakministers. We willen er ook nog aan toevoegen dat we blijvend inzetten op gepaste woonvormen voor jongvolwassenen met een geestelijke gezondheidsproblematiek. Ten slotte kijken we voor de jongvolwassenen ook met veel interesse uit naar de bevindingen die het project Back on Track ons zal opleveren. Zoals u weet, is dit een experiment waarin ook de innovatie in de financiering via Social Impact Bonds (SIB’s) een rol speelt, met een focus op die domeinen – bijvoorbeeld door de inzet van Housing First – die van groot belang zijn om kwetsbare jongvolwassenen op weg te zetten naar een autonoom bestaan.

Een andere mogelijke oorzaak die de administratie ons signaleert, is de uitbouw van de laagdrempelige jeugdhulp. Daardoor beschikt de jeugdhulp over een fijnmaziger netwerk van laagdrempelige jeugdhulp, waardoor meer kwetsbare gezinnen, die vroeger onder de radar van hulpverleners bleven, in beeld komen.

Algemeen is er ook het effect van de aanhoudende uitbouw van de jeugdhulp, wat ook uit internationaal onderzoek blijkt. Want laat het duidelijk zijn: het aanbod in de jeugdhulp nam de voorbije jaren alleen maar toe. Die uitbouw heeft een aanzuigeffect naar bepaalde werkvormen. We zien dit ook in de stijging met 8 procent van het aantal jongeren dat wacht, maar al op de een of andere manier hulp krijgt. Ongeveer de helft van de wachtenden krijgt of heeft ondertussen wel een vorm van intensieve hulp gekregen. Ook de laagdrempelige jeugdhulp of een zorgbudget is hier mogelijk.

Tot slot speelt natuurlijk ook het registratie-effect. Het klopt dat er voor 2014, met de start van de integrale jeugdhulp in Vlaanderen, geen traditie bestond om cijfers bij te houden, laat staan cijfers over de diverse sectoren heen.

Het feit dat we dit nu meer en meer doen, is natuurlijk waardevol. Maar we moeten ook kritisch blijven kijken naar deze cijfers en ons de volgende vragen stellen: zijn de vergelijkingen over de jaren heen stabiel genoeg? Is de registratie van de wachtenden zo eenduidig? Zijn die cijfers wel actueel? Welke laagdrempelige hulp zetten we al dan niet in bij de geregistreerde wachtenden? Enzovoort. Momenteel loopt een traject binnen het agentschap Opgroeien om de cijfers meer eenduidig, gerichter en gekoppeld aan beleidsaanbevelingen te presenteren.

Wat die mogelijkheid tot laagdrempelige hulp betreft en dat dit nog een blinde vlek is, klopt het dat we dit momenteel nog niet voldoende geïntegreerd registreren. We kunnen bijvoorbeeld nog niet zeggen of een jongere die wacht, bijvoorbeeld een vorm van rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp als overbrugging of als eerste en directe ondersteuning krijgt. Ook hier moeten we de komende periode een beter zicht op krijgen. Maar we moeten ook wel een evenwicht bewaren, want registreren mag niet leiden tot een buitenproportionele bijkomende administratieve last binnen de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp.

We kunnen ter zake alleen maar vaststellen dat er voor de niet rechtstreeks-toegankelijke jeugdhulp een geïntegreerde monitoring in het Informaticasysteem Intersectorale Toegangspoort (INSISTO) van aanvragen, wachtlijsten en opstart van hulp bestaat. De afgelopen jaren is er ook sterk geïnvesteerd in de uitbouw van e-Youth, een elektronisch platform waarop verschillende registratiesystemen kunnen aansluiten. Dit platform biedt enerzijds mogelijkheden om binnen een legistiek en ethisch kader informatie te delen en anderzijds om data voor monitoring samen te brengen en te delen. Voor de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp starten we met een registratiesysteem voor 1Gezin1Plan begin 2020. Dit zal nog geen geïntegreerd beeld bieden, maar is wel een eerste stap. Daarnaast werken we aan een set intersectorale indicatoren die gekoppeld zijn aan de doelstellingen van het decreet. We hebben hierbij ook aandacht voor het rechtstreeks toegankelijke aanbod.

Wat de vraag met betrekking tot de acties naar 0- tot 3-jarigen betreft, werd er binnen de jeugdhulp de afgelopen tijd in verschillende werkgroepen en op studiedagen heel wat voorbereidend werk geleverd voor de nodige innovatieve ingrepen: van een betere en minder versnipperde diagnostiek tot een andere kijk op leefgroepen en op jongeren met een complexe problematiek. Specifiek voor de 0- tot 3-jarigen willen we verder blijven inzetten op zorggarantie bij uithuisplaatsing van jonge kinderen, de zogenaamde werf 2, die momenteel loopt en waarvoor 3 miljoen euro extra werd uitgetrokken. Met het zorggarantieplan ‘Uithuisplaatsing jonge kinderen’ werd er een kader gecreëerd dat in alle situaties van uithuisgeplaatste jonge kinderen toegepast kan worden. De implementatie hiervan startte in de tweede helft van 2018. Momenteel zijn er regionale samenwerkingsverbanden opgericht en is er extra expertise opgebouwd in het snel en innovatief organiseren van gepaste hulpverlening voor deze specifieke doelgroep. We beogen dat deze inspanningen zich zullen vertalen in de vermindering van hoogdringende interventies. Ook de investeringen in het project inzake gezinshuizen zijn op de doelgroep van 0- tot 3-jarigen gericht.

Wat betreft de cijfers inzake de crisisnetwerken willen we er alvast op duiden dat we hier spreken over de cijfers van 2018. Zoals u weet, heeft mijn voorganger een bijkomende investering van 2,3 miljoen euro gerealiseerd. Zowel in de crisisbegeleiding als de crisisopvang werd de capaciteit dan ook uitgebreid. Voor crisisbegeleiding gaat het over minstens honderd extra begeleidingen. Voor de crisisopvang betrof het een uitbreiding van twintig crisisopvangplaatsen, waar jongeren zeven dagen kunnen worden opgevangen. Met die twintig plaatsen kunnen vierhonderd extra opnames worden gerealiseerd. Deze bijkomende capaciteit werd toegekend in februari 2019 en we zien het effect ervan natuurlijk nog niet in het jaarverslag 2018.

Er waren ook nog heel specifieke vragen over de evoluties in de cijfers van bepaalde werkvormen. Voor alle duidelijkheid: we kunnen hier natuurlijk niet in detail treden bij alle cijfers. Bijkomende informatie kan gerust opgevraagd worden bij onze administratie, maar we geven toch een paar kanttekeningen. Zo is er de vraag naar de schommelingen bij de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling. Die schommelingen zijn niet nieuw en de verklaring, bijvoorbeeld voor herstelbemiddeling, kan dikwijls gevonden worden in een tijdelijke wijziging, bijvoorbeeld zelfs regionaal, van het openbaar ministerie. Doorheen de voorbije tien jaar zien we dergelijke schommelingen die zich meestal ook terug stabiliseren.

Wat de cijfers voor de centra integrale gezinszorg betreft, verwijzen we ook naar de duiding in het jaarverslag. Dit is een zeer waardevolle werkvorm, maar naar capaciteit vrij beperkt en specifiek. Een verdubbeling of een evolutie in procenten moet steeds gekoppeld worden aan de capaciteit. Zo is een verdubbeling inzake aantal ongeboren kinderen een evolutie van 11 in 2017 naar 24 in 2018. De cijfers slaan op opnames van meisjes en vrouwen die zwanger zijn. Specifiek voor de CIG is in het Erkennings- en Subsidiëringsbesluit immers opgenomen dat voor de berekening van de bezetting van de modules verblijf van een voorziening van de categorie 2, een zwangere minderjarige als twee personen wordt geteld en een zwangere meerderjarige als één persoon.

Voor de vraag over de GES+, speelt ook, als we procentueel gaan vergelijken, de nuance van de aantallen. Een stijging van 169,7 procent slaat in absolute aantallen op een evolutie van 33 aanvragen in 2017 naar 89 in 2018. Naast het voorzichtig zijn met de kleine getallen, duidt dit natuurlijk ook op een ander effect, waarover we het inleidend al hebben gehad, namelijk: een nieuw aanbod zuigt aan.

Zoals ook in het jaarverslag vermeld, wordt deze stijging gelinkt aan de uitbreiding van het aantal GES+-plaatsen. Zoals u weet, werd de voorbije periode het aantal plaatsen opgetrokken van een 70-tal vroeger naar 140-tal nu. Dit is een interessante illustratie van effecten van vraag en aanbod in zorg, maar ook een sterke illustratie dat we omzichtig met die cijfers moeten omgaan.

Het klopt dat we met de GES+ naast de uitbreiding ook een traject lopen in het kader van een meer eenvormige jeugdhulpfinanciering. De GES+ worden vanaf 2020 ingekanteld in het agentschap Opgroeien, waardoor de aansturing minder versnipperd zal zijn. Dit laat bijvoorbeeld ook toe om een meer gestroomlijnd beleid te voeren inzake diagnostiek, instroom enzovoort.

Tot slot wil ik even ingaan op het terechte belang van de geestelijke gezondheid van kinderen en jongeren. Het klopt dat de cijfers van de centra geestelijke gezondheid algemeen gezien de laatste jaren, na een periode van stijging, een licht dalende tendens vertonen, ook voor kinderen en jongeren. Deze daling komt er na een periode tussen 2013 en 2016, waar het aantal cliënten gemiddeld met 1 procent steeg en per jaar bleef stijgen. Sinds 2017 boog die stijging om. In 2018 kregen 54.601 personen hulp in de cgg’s. Dit zijn er 2183 minder dan in 2017, een daling met 4 procent.

Wat betreft de groep kinderen en jongeren behandelden de cgg’s in 2018 in totaal 18.675 unieke kinderen en jongeren tot en met 25 jaar. Dat is een kleine daling van 2 procent tegenover 2017, toen het er 19.207 waren. In 2018 krijgt 75 procent van de 0- tot 25-jarigen een eerste afspraak in een cgg binnen 59 dagen na de aanmelding. Dat is 2 dagen langer wachten dan in 2017.

We moeten die cijfers ook relateren aan het aantal zorgperiodes en de stijging in de duur van de behandeling. Zo waren er 1012 zorgperiodes meer dan er cliënten zijn. Sommige cliënten kennen immers meer dan 1 zorgperiode per jaar. Wanneer iemand bijvoorbeeld een behandeling krijgt voor 2 verschillende problemen, of een behandeling in het begin van het jaar en een op het einde, dat zijn dat 2 afzonderlijke zorgperiodes.

We willen deze cijfers absoluut niet relativeren, maar ook hier moeten we zoeken naar manieren om zo veel mogelijk kinderen en jongeren te bereiken. We kiezen er ook uitdrukkelijk voor om hiervoor bijkomend te investeren.

In het regeerakkoord kunt u merken dat de doelgroep voor kinderen en jongeren een prioritaire groep is, naast de ouderen, voor de verdere uitbouw van de geestelijke gezondheid in Vlaanderen. Hiervoor is ook in de begroting budget voorzien.

We starten de legislatuur namelijk met een budget van 60 miljoen euro extra voor de jeugdhulp. De uitbouw van een krachtdadige jeugdhulp krijgt daarin een prominente plaats, zowel met betrekking tot het rechtstreeks als het niet-rechtstreeks toegankelijke aanbod.

We verwijzen bijvoorbeeld naar de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp, de verdere uitrol van 1Gezin1Plan over Vlaanderen en naar de capaciteit voor zeer intensieve trajecten in de private voorzieningen in het kader van het vormgeven van de randvoorwaarden van het decreet Jeugddelinquentierecht. We zullen hiertoe 150 extra plaatsen creëren, voor jongeren waar de ontwikkeling vastliep in vaak zeer complexe situaties. We gaan ervan uit dat we over de verdere uitbouw van de jeugdhulp en de specifieke accenten die we leggen, ook hier binnen het raam van de begroting en de beleidsnota’s nog verder zullen debatteren.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Bedankt voor uw uitgebreide antwoord.

In dit parlement zijn er bij mijn weten tijdens de voorbije legislaturen al tweemaal bijzondere commissies aan het werk geweest die zich over de instroom van jongeren in de jeugdhulp hebben gebogen. De oorzaken daarvan zijn natuurlijk heel complex en velerlei, maar ik wil toch wel eerst graag onderstrepen dat het de verantwoordelijkheid van iedereen binnen de verschillende beleidsdomeinen is om ervoor te zorgen dat jongeren zich op een goede manier kunnen ontwikkelen, dat kinderen op een goede manier kunnen opgroeien, een opleiding krijgen en dergelijke, zodat ze niet in de jeugdhulp moeten terechtkomen.

Maar als ze dan toch in de jeugdhulp terechtkomen, dan hebben we vanuit deze commissie toch een aantal duidelijke lijnen uitgezet over de manier waarop we dit willen aanpakken. U hebt er, minister, ook naar verwezen. De hulp moet zo vroeg mogelijk gebeuren. Die moet zo laagdrempelig mogelijk zijn zodat we de toegang gemakkelijker maken. We moeten die hulp zoveel mogelijk binnen een gezinscontext aanbieden. Je ziet in het jaarverslag dat die evoluties daar ook wel in zitten. We moeten in de toekomst verder monitoren hoe die evoluties zich verderzetten, want het is inderdaad kort dag na de hele implementatie van de integrale jeugdhulp, het decreet Jeugdzorg enzovoort, maar je ziet toch wel een aantal duidelijke tendensen.

Anderzijds heb je de druk op de intensieve jeugdhulp, en u hebt naar een aantal mogelijke oorzaken verwezen, minister. Ook die zullen verder gemonitord moeten worden. Er is bijvoorbeeld het actieplan jongvolwassenen. Hoe maak je daar de omslag wanneer de 18-jarigen, of 21-jarigen, uit de jeugdhulp uitstromen, of bij de verlenging van de pleegzorg? Dat zijn allemaal zaken waarvoor we hier heel doelbewust hebben gekozen. We vinden dat jongeren op een goede manier die omslag naar jongvolwassenheid moeten kunnen maken, maar dat is inderdaad niet alleen een verantwoordelijkheid van het beleidsdomein Welzijn.

Ik zal uw antwoord heel nauwgezet nalezen, minister, want daar zit heel veel stof voor verdere discussies en debat in. Voor ons geldt alleszins dat de lijnen die zijn uitgezet, moeten worden verdergezet, maar we moeten ook jaar na jaar kijken of de cijfers meer zicht geven op die evoluties en welke bijsturingen er dan nodig zijn.

U hebt niet zoveel meer gezegd dan in het jaarverslag zelf staat. Ik wil dat voor een stukje wel begrijpen, want u zit nog maar net op de stoel van minister. Ik denk dat u uw plannen tijdens de volgende periode nog wel verder zult ontvouwen, maar ik wil wel proberen om tijdens de begrotingsbesprekingen, wanneer uw beleidsnota aan bod komt, toch wat concreter op een aantal onderdelen in te gaan. De algemene lijnen die u nu uitzet, blijven voor mij te algemeen om te kunnen denken dat we daarmee een kentering kunnen veroorzaken. Ik ben nog een beetje afwachtend, maar ik heb er zeker alle begrip voor dat u na een aantal weken nog geen groot masterplan jeugdhulp uit uw hoed kunt toveren, al zal ik wel aan uw mouw blijven trekken om er meer concrete kenteringen in te zetten.

Dit waren omstandige vragen en omstandige antwoorden, dat klopt in elk geval. Tijdens uw antwoord en na het doornemen van het jaarverslag Jeugdhulp heb ik wel de bedenking gemaakt dat we heel veel data hebben. Dat is zeer interessant. Het wordt natuurlijk pas echt interessant wanneer we uit die date intelligence kunnen puren.

Een van de basisvragen, minister, is wat de netto-instroom is van kinderen en jongeren die hulp nodig hebben over de jaren heen. Wat is het effect van het feit dat we de leeftijdscategorieën hebben opgetrokken waarvoor men in aanmerking kan komen voor integrale jeugdhulp? Zijn er nu meer kinderen die hulp nodig hebben of zijn er meer kinderen die de weg vinden naar het soort hulp dat ze nodig hebben? Als we met alle cijfers die we nu verzamelen – en die ik zeker nuttig en interessant vind – op dat soort vragen geen antwoord kunnen geven, dan zijn we gewoon aan het registreren maar niet aan het leren. Als we een aantal parameters neutraliseren, zoals het meer bekendmaken van het aanbod van integrale jeugdhulp, zoals het optrekken van de leeftijdsgrenzen enzovoort, zien we dan ook nog een stijging van het aantal kinderen en jongeren dat die hulp nodig heeft? Dat is interessant, want dan kunnen we kijken hoe dat komt en of we daar een beleid op kunnen voeren. Minister, mijn vraag aan u is om vanuit die registratie te vertrekken om aan echte ‘intelligence gathering’ te doen.

Wanneer zullen we kunnen zien dat de extra investeringen in de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp een milderend effect hebben op het traject van de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp? Dat lijkt mij een superinteressante vraag om als beleid te stellen. Ik wil van u horen wat u daarvan verwacht. Verwacht u dat daarover in het volgende jaarverslag al iets te lezen zal zijn of zullen we het pas over twee of drie jaar kunnen zien?

Dan heb ik nog een vraag over dat befaamd aanzuigeffect. U hebt gezegd dat een nieuw aanbod nieuwe vraag creëert, en het ging dan specifiek over GES+, waar de plaatsen verdubbeld zijn over de vorige legislatuur heen. Waar zaten de jongeren die vandaag een aanvraag doen voor GES+ omdat er extra aanbod is, dan vroeger? Zitten er buiten die 140 plaatsen dan nog jongeren in een ander aanbod dat eigenlijk minder geschikt is voor de aandoening die ze hebben?

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Er is hier al heel wat gezegd. Ik wil specifiek ingaan op GES+. We kennen de problematiek. Het regeerakkoord voorziet ook in bijkomende plaatsen. Een belangrijke vraag die we ons zullen moeten stellen in de komende jaren is wat er gebeurt als jongeren 18 jaar worden of als ze 21 of 25 jaar worden als we de jeugdhulpverlening verlengen. Zullen ze nog intensief gevolgd worden zodra ze jongvolwassen zijn? Dat is immers zeer belangrijk om maximaal te voorkomen dat ze in de thuisloosheid of zelfs in de gevangenis terechtkomen. Daar moeten we in de komende jaren absoluut oog voor hebben.

Minister Wouter Beke

Collega's, ik denk dat we nog verschillende keren over deze problematiek zullen samenzitten. Wat leren deze cijfers? Tonen deze cijfers aan dat de problematiek sterker geworden is dan wel zichtbaarder? Dat is eigenlijk de essentie van de vraag. Op basis van het jaarverslag kan ik daar niet op antwoorden. Misschien spelen beide wel een rol. Een aantal problematieken is zichtbaarder geworden en door maatschappelijke omstandigheden en evoluties zijn bepaalde problematieken sterker aanwezig dan vroeger het geval was. Het zou kunnen dat beide het geval zijn, maar op basis van het jaarverslag kan ik niet zeggen dat dit specifiek toewijsbaar is.

Wat gebeurt er nadien wat de GES+ betreft? Zij komen in het circuit terecht van mensen met een beperking en zouden daar hun weg in moeten kunnen vinden. Dat is een van de elementen die zorgen voor een toenemende vraag.

Een van de vragen is ook hoe we in de toekomst naar die zorgcontinuïteit kunnen gaan. Dat wordt een gigantische uitdaging.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.