U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Voor fictieliefhebbers was het vorige week fijn uitkijken naar De Dag, de nieuwe reeks van Jonas Geirnaert en Julie Mahieu, die op Vier loopt.  De reeks was ook al een tiental maanden op aanvraag beschikbaar bij Telenet. Nochtans zouden slechts 385.000 Vlamingen naar de eerste dubbelaflevering kijken op het moment van de uitzending. Dat wijst opnieuw op een veranderend kijkgedrag omdat er steeds meer uitgesteld wordt gekeken

De Dag is een mooi voorbeeld van hoe topfictie van eigen bodem momenteel ter beschikking wordt gesteld aan en geconsumeerd wordt door de Vlaamse kijker.

Er is een preview window waarbij de reeks aangeboden wordt achter de betaalmuur van een distributeur. Zo werd De Dag bij Telenet via de abonnementsformule Play More 1,1 miljoen keer opgevraagd vooraleer de reeks op de buis kwam. Hoeveel kijkers de reeks ook werkelijk hebben uitgekeken of hoeveel kijkers in de loop van de reeks afhaakten, kan uit die cijfers niet opgemaakt worden.

Daarna werd de reeks live uitgezonden op televisie en nadien ook op aanvraag in de catalogus van de distributeurs en op de onlinekanalen van de televisiezender ter beschikking gesteld. De shift naar meer uitgesteld kijken, wordt duidelijk geïllustreerd door De Dag waarvan het kijkersaantal verdubbelde in de vier dagen na de uitzending. Hoewel ook hier de kanttekening geplaatst kan worden dat enkel het aantal opvragingen in kaart gebracht wordt en dat dit niet noodzakelijk impliceert dat de mensen de hele aflevering uitgekeken hebben.

In het licht van onze discussies hier over de dalende reclame-inkomsten van de commerciële omroepen, maar ook over de bepaling van de bereikvergoeding van de regionale omroepen en het vastleggen van de streefcijfers over het bereik in de nieuwe beheersovereenkomst met de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT), wordt de vraag naar een crossmediaal meetinstrument steeds urgenter. 

De manier waarop het Centrum voor Informatie over de Media (CIM) kijkcijfers registreert  - ze doen dat met een vaste kijkmeter bij een steekproef van 750 Vlaamse gezinnen - is eerlijk gezegd hopeloos achterhaald. Iedereen is daarvan overtuigd, de verschillende televisiepartners laken het gebrek aan een crossmediaal of medianeutraal meetinstrument, maar niemand lijkt in de ontwikkeling ervan het voortouw te willen nemen.

Zo laat de VRT in haar schriftelijke antwoorden op de bespreking van de Beleidsbrief Media 2018-2019 het volgende optekenen: “De VRT is voorstander van een passief crossmediaal meetsysteem. De VRT kan het opzetten van dergelijk meetsysteem niet alleen dragen. Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen voor regionale omroepen is bovendien ook nood aan een grotere steekproef, wat ook de prijs verhoogt. Er wordt binnen het CIM een test van een passieve meetmethode opgezet.” Het CIM liet in De Standaard van 16 januari 2019 weten dat er in de loop van de volgende maanden cijfers over online kijkgedrag gepubliceerd zullen worden.

In de nieuwe beheersovereenkomsten met de regionale televisieomroepen werd daarnaast opgenomen dat ze samen een voorstel van meetinstrument moeten uitwerken. Hierover liet u zich tijdens de bespreking van de Beleidsbrief Media op 22 november 2018 ontvallen dat ze daartoe de kans en de tijd moeten krijgen en dat overheidsinvesteringen niet uitgesloten worden als het een goed instrument kan opleveren. U gaf tevens aan dat de gesprekken moeizaam verliepen, maar dat u minstens een lastenboek met vereisten voor een dergelijk meetsysteem verwacht en dat het doel blijft dat de regionale televisie over een gelijkaardig meetinstrument als de grotere spelers beschikt.

Omdat ik mij niet van de indruk kan ontdoen dat alle betrokken partners vooral de kat uit de boom aan het kijken zijn en ik de ontwikkeling van één crossmediaal meetinstrument voor alle spelers, en dus niet enkel voor de regionale televisieomroepen, wil vooropstellen, wil ik u de volgende vragen stellen.

Wat is de stand van zaken van de gesprekken tussen de respectievelijke regionale televisieomroepen over de ontwikkeling van een nieuw meetinstrument? Hebt u al een ‘lastenboek met vereisten voor een dergelijk meetinstrument’ ontvangen? Zo ja, kunt u dat dan kort toelichten? Zo nee, op welke manier worden de regionale omroepen aangemoedigd om hier prioritair werk van te maken? Welke knelpunten, al dan niet van technische aard, ervaren de regionale omroepen bij het opstellen van dat lastenboek?

Bent u bereid om op korte termijn alle betrokken partners – de openbare en nationale commerciële omroepen, de regionale omroepen, de distributeurs en het CIM – bij elkaar te brengen om de ontwikkeling van een crossmediaal meetinstrument te bespreken? Welke knelpunten kwamen tijdens de vorige, al dan niet bilaterale, gesprekken tussen het kabinet en deze spelers aan de oppervlakte?

Indien de treuzelende houding van de partners voornamelijk te wijten is aan de kosten die met de ontwikkeling van dergelijk meetinstrument gepaard gaan, bent u dan bereid om de financiering hiervan deels of volledig op u te nemen en de overheid hierin een meer sturende rol te laten spelen?

Kunt u de nieuwe passieve crossmediale CIM-meetmethode, waarvan sprake was in het antwoord van de VRT, verder toelichten?

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Ik heb naar aanleiding van deze vraag ook elementen van antwoord opgevraagd bij de VRT, de regionale televisieomroeporganisaties en het CIM.

Ik zal beginnen met een stand van zaken bij het CIM. Het CIM laat me weten dat door de groei van het aantal platformen waarop audiovisuele content, zoals De Dag, wordt aangeboden, de traditionele televisiestudie van het CIM, met een meter in 750 Vlaamse gezinnen, inderdaad slechts een deel van de ‘mediaconsumptie’ dekt. Dat weet het CIM natuurlijk ook, vandaar dat CIM TV niet langer staat voor CIM Televisie Studie maar voor CIM Total Video Studie die momenteel twee luiken bevat.

Er is de klassieke vaste kijkmeter die nog altijd toelaat om bijna alles van het klassieke televisiekijken van de Vlamingen te meten. Dat gaat over zo’n tweehonderd minuten per dag, zowel live als uitgesteld tot zeven dagen nadien.

De meting van online video players registreert het kijkvolume van de video’s die door de deelnemende omroepen worden aangeboden in door henzelf gecontroleerde, en voor de meting aangepaste, players.

Deze studie meet ook het profiel van onlinekijkers. Dat er vandaag nog geen crossplatform inzake bereikcijfers is, heeft een aantal redenen.

Ten eerste moeten alle deelnemende zenders de inhoud van hun onlinevideo’s voorzien van metadata die het CIM toelaten om de link te leggen met de inhoud van klassieke tv. Als dat gebeurd is, kan het CIM het klassieke tv-bereik naast het onlinebereik rapporteren. Dit zal wel degelijk in de loop van 2019 het geval zijn, zowel voor het aantal kijkers als voor hun profiel en kijkduur.

Ten tweede is er, om ook de overlap tussen klassieke tv en onlinebereik op programmaniveau te kennen, in een tweede stap een modellering nodig op basis van een minipanel met kijkers die toelaten dat bij hen alle platformen worden gemeten. Dit zal volgens het CIM pas in 2020 het geval zijn.

Het CIM verwacht dat op die manier, naargelang de doelgroep, 75 tot 95 procent van het kijkvolume kan worden gemeten. Om een zo hoog mogelijk percentage van het kijkgedrag van de Vlamingen te kunnen meten is het CIM afhankelijk van de medewerking van alle stakeholders.

De consument heeft soms toch vragen of bedenkingen bij het toelaten van die ingewikkelde metingen van alle platformen. Daar is op dit moment nog een bepaalde weerstand. Daarnaast passen niet alle zenders aan hetzelfde tempo hun productiesystemen en applicaties aan voor de CIM-metingen. Tot slot geeft het CIM aan dat sommige derden die videocontent aanbieden, niet wensen mee te werken aan alternatieve oplossingen.

Dit bij wijze van inleiding bij uw vragen die een aantal perspectieven geven maar niet alle oplossingen. En dan kom ik bij uw vragen zelf.

In de nieuwe samenwerkingsovereenkomst 2018-2022 met de regionale televisieomroeporganisaties wordt de regionale omroepen inderdaad gevraagd om samenwerkingsverbanden te onderzoeken om onder andere een crossmediaal meetsysteem uit te bouwen.

De regionale omroepen hebben samen met NORTV als antwoord op deze duidelijk gestelde uitdaging een interne exploitatiewerkgroep opgericht, zodat een gedragen visie kan worden ontwikkeld.

In deze materie kan niet uit het oog verloren worden dat de VRT hier, samen met de grotere spelers zoals Medialaan, de SBS-groep en het CIM, een heel bepalende rol speelt of kan spelen. In de beheersovereenkomst die afgesloten werd met de VRT wordt gesteld dat de VRT met de mediasector moet werken aan een continu systeem om technologieneutrale totaalbereikcijfers te meten tegen 2020. Ik ga hier zo meteen dieper op in.

Omdat er binnen de regionale zenders niet onmiddellijk de nodige competenties en middelen voorhanden zijn om zelf het voortouw hierin te nemen, maakten de regionale televisieomroepen in juni 2018, kort na het afsluiten van de samenwerkingsovereenkomsten, een eerste afspraak met de dienst Corporate Development van de VRT. Uit het gesprek bleek dat het CIM op dit moment de commerciële belangen van de Vlaamse Audiovisuele Raad (VAR)  voldoende ondersteunt en dat er geen dwingende noodzaak is om het CIM op te geven. Er werd echter bevestigd dat er inderdaad nood is aan nieuw meetsysteem. We hebben die zaken hier al besproken op vraag van mevrouw Brouwers.

Ik ben net als de regionale televisieomroepen van mening dat het geen zin heeft om los van de grote spelers hierin het voortouw te nemen. Dit doet echter geen afbreuk aan het gegeven dat men tot een door de sector gedragen crossmediaal meetsysteem moet komen, en dit natuurlijk liever vroeger dan later.

Feit blijft dat er ten aanzien van de nationale adverteerdersmarkt één ‘meetcurrency’ nodig is, een belangrijke wisselkoers. Wie bepaalt welk meetsysteem het ijkpunt is in de markt? Men kan beter daarop inzetten dan een parallel meetsysteem op te zetten. Dat blijft een moeilijk spanningsveld, los van de perspectieven die ik u voor 2019-2020 heb gegeven.

Er waren intussen nog verschillende gesprekken tussen de regionale televisieomroepen en de VRT om een plan van aanpak uit te werken. Daar wordt verder aan gewerkt. Belangrijk hierbij is dat dit nieuwe systeem ook de facto en niet de jure door de adverteerdersmarkt zal moeten worden gevalideerd. Als de adverteerders het systeem niet willen gebruiken, dan zal het ook niet van de grond komen. De samenwerking tussen de spelers blijft primordiaal.

Wat specifiek de regionale omroepen betreft, wil ik erop wijzen dat zij, conform de afspraken van de samenwerkingsovereenkomst, het voortouw hebben genomen in het opzetten van een nieuwe waarderingsbarometer waarin onder meer werd gepeild via welke platformen naar het nieuws wordt gekeken: tv, laptop, pc, tablet, website, app, smartphone enzovoort. De resultaten hiervan werden op 9 januari gepresenteerd in het bijzijn van de administratie en mijn kabinet en ik wil deze gerust verder verspreiden voor zover u die nog niet zou hebben.

De reden waarom ik naar aanleiding van deze vraag om uitleg wijs op deze waarderingsmeting 2018, is dat uit de resultaten blijkt dat televisie nog altijd het dominante platform is om regionaal nieuws te bekijken. Ongeveer een op tien kijkers gebruikt laptop of pc, dat is relatief weinig. De enige uitzondering hierop blijkt BRUZZ te zijn waar wel een duidelijke evolutie zichtbaar is. Daar gaat het over één op drie kijkers. Tablet en smartphone worden op dit ogenblik zeer weinig gebruikt om te kijken naar het regionaal journaal. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het kijkersprofiel op de regionale zenders waar de kijkers iets ouder zijn. Het is interessant om op te volgen hoe dit de volgende jaren zal evolueren.

Ik heb begrepen dat het CIM dit jaar de link zal leggen met de inhoud van klassieke tv naast het onlinebereik. Daarnaast merk ik dat de VRT haar rol opneemt om de gesprekken samen met de regionale zenders en het CIM verder te zetten. Ik ben zeker bereid om hier een faciliterende rol op te nemen.

De vraag over de investeringskosten heeft zich nog niet aangediend maar wat mij betreft, blijft de deur op een kier. Ik vind dat een redelijke vraag: als er (mee)-geïnvesteerd moet worden vanuit de overheid, vind ik dat dit tot de mogelijkheden moet blijven behoren. We moeten nagaan wat we daar in afloop van de legislatuur mee kunnen doen maar ik zeg dus zeker niet dat het niet mogelijk is.

Uw vierde vraag ging over de nieuwe passieve crossmediale CIM-meetmethode. De VRT ziet dit meetonderzoek ideaal gesproken vanuit de volgende krijtlijnen: ten eerste is er een passieve meting, waarbij een representatief panel continu wordt getrackt. Ten tweede is er een meting van zowel audio- als videogebruik, zowel online als offline, over alle platformen en merken heen.

Ten derde zou dit moeten gebeuren via een combinatie van verschillende technologieën – daarmee bedoelt men zowel fingerprinting als audiomatching. Ten vierde zouden de resultaten realtime, of zo snel mogelijk, beschikbaar moeten zijn, waardoor strategische beslissingen makkelijker kunnen worden genomen. Dit is geen lastenboek, maar de voorafspiegeling daarvan. Het is nog in principes opgesteld en niet in operationele elementen, maar het geeft u een idee.

Ik maak nog een slotbemerking in het verhaal rond het meetinstrument. Er moet nog altijd de nodige tijd geïnvesteerd worden vooraleer alle partijen met dat nieuwe systeem aan de slag kunnen. Er is een hoge tijdsinvestering nodig van heel wat partijen om dit te kunnen doen. Bovendien heeft iedere partij zijn eigen ideeën en mogelijks ook een andere doelstelling wanneer zij met de resultaten van zo’n meetinstrument aan de slag gaan. Daardoor is het niet evident om tot een consensus te komen.

Daarnaast zal er hoe dan ook een overgangssysteem of aanpassingsperiode noodzakelijk zijn bij het invoeren van zo’n nieuw meetsysteem. Nieuwe cijfers kunnen ook afwijken van de cijfers van het huidige meetsysteem, of ze kunnen tot andere marktverhoudingen leiden, ook op de adverteerdersmarkt. Dat is allemaal mogelijk. De huidige audiovisuele markt is het nu eenmaal zo gewoon om met de huidige cijfers te werken, dat het meer tijd en verduidelijking vraagt dan ons lief is om met de nieuwe cijfers op een werkbare manier naar de commerciële markt over te gaan.

De moraal van het verhaal is dat er wel degelijk een aantal stappen worden gezet. Het ligt zeker niet stil. Maar het is niet eenvoudig om tot een volgend afgewerkt systeem te komen.

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Bedankt voor uw omstandig antwoord. Het toont inderdaad aan hoe complex dit verhaal is. Er zijn heel veel belanghebbenden betrokken, en dat is eigenlijk het belangrijkste probleem: er is een groot aantal belanghebbenden, met elk hun eigen agenda en doelstellingen. Ten tweede brengt het systeem natuurlijk ook een kostenplaatje met zich mee.

Ik ben blij om te horen dat het dossier vooruitgaat, en dat er verder aan wordt gewerkt.  Het is vooral belangrijk dat het absoluut één systeem wordt. Het zou al te gek zijn dat we op regionaal vlak een ander systeem ontwikkelen dan het systeem van het CIM. Het moet één systeem, één currency worden, en ze moeten het ook samen ontwikkelen. En dan kijk ik ook naar de distributeurs, want die hebben alle gegevens. Zij weten elke seconde wie er aan het kijken is; ze kennen ons kijkgedrag tot in het kleinste detail. We moeten dus kijken wat die distributeurs kunnen aanleveren.

Ik ben ook blij dat u de deur op een kier laat om eventueel mee te investeren. Dat is vooral voor de regionale omroepen een belangrijke boodschap. Het verbaasde mij dat maar één op de tien regionale journaals niet op televisie bekeken wordt. Uitgesteld kijken zal daar wel bij meegerekend zijn. Bij BRUZZ is dat een op drie journaals, en ik denk dat dat vooral te maken heeft met het kijkersprofiel van BRUZZ. Het zijn dus vooral die regionale oproepen die snakken naar een goede meting. Zij hebben de middelen niet, en het zou heel goed zijn dat de overheid daar voor een stuk kan bijspringen. 

Ik heb nog een bijkomende vraag. Het CIM zegt dat zij 75 tot 95 procent van het kijkgedrag zullen kunnen meten tegen 2020, op basis van hoe zij de methode herzien. Ik zou willen weten waarom dat geen 100 procent is. Maar dat is waarschijnlijk een heel technische vraag. U gaf aan dat sommige derden niet willen meewerken, en misschien heeft het daarmee te maken. Wie zijn die derden die niet meewerken?

De voorzitter

De heer Poschet heeft het woord.

Joris Poschet (CD&V)

Wat die regionale televisieomroepen betreft, denk ik dat de gemiddelde digitalisering lager ligt dan bij de mainstream-televisiezenders. Misschien is dat de verklaring. Al bent u daar meer expert in, collega. Onze fractie heeft in de loop van de voorbije jaren al op verschillende momenten aangedrongen op een eengemaakt, betaalbaar crossmediaal bereikmeetinstrument. Dat is belangrijk voor verschillende spelers – ten eerste voor de regionale tv-zenders – om het totale mediagebruik te kunnen meten, zowel lineair als digitaal. Want dat heeft natuurlijk een heel grote impact op hun reclame-inkomsten.

Ook voor de lokale radio’s is dit belangrijk, want hun bereik is online vaak groter dan via FM. Het berekenen van het volledig bereik is ook voor hun reclame-inkomsten en tarieven bijzonder waardevol.

Mevrouw Brouwers heeft het al verschillende keren aangehaald: als u er inderdaad in meegaat om het systeem deels vanuit de overheid te financieren, dan zou het goed zijn dat ook de commissie Innovatie een aantal middelen injecteert. Zo kunnen we tot een degelijk crossmediaal bereikmeetsysteem komen. Wat is het standpunt van de Vlaamse Regering op die concrete vraag? Hebt u dit al besproken met uw collega’s in de Vlaamse Regering? Ik denk dan aan minister van Innovatie Muyters en minister van Begroting Peeters.

Ik heb nog een tweede, kleinere vraag om verduidelijking, over het bereik, het veld dat gemeten wordt bij die nieuwe passieve crossmediale CIM-meetmethode. Worden ook apps hierbij meegerekend? Als er op sociale media doorgeklikt wordt naar inhoud, wordt dat ook meegerekend? Dat bleek voor ons niet duidelijk uit uw antwoord.

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Het antwoord over die schatting van het CIM in die toekomstige 75-95 procentvork zal ik u schriftelijk meedelen, want dat kan ik u nu niet zeggen. Men zal waarschijnlijk wel een verklaring hebben voor dat verschil tussen 95 procent en 100 procent. Ik zou inderdaad toch ook graag weten waarom het drie kwart of 95 procent is, dat is toch een relatief groot verschil.

U vroeg wie er niet volledig wil meewerken. Niet alle over-the-top spelers – bijvoorbeeld de grootste, waarover we het vaak hebben – willen meewerken met het CIM om alternatieve oplossingen te bieden. De telecomoperatoren of dienstenverdelers leveren enkel gegevens over wat setup-boxen in de gezinnen doen, maar ze leveren nooit gegevens over het kijkgedrag van mensen. Dat zou dan gemodelleerd moeten worden. Ze leveren ook geen correcte kijkduurgegevens omdat niet gegarandeerd is dat het televisietoestel zelf aanstaat of dat er iemand kijkt. Er zijn dus zowel principiële als technische elementen die hier meespelen. Zij werken ook niet mee aan steekproeven van geanonimiseerde data met het CIM. Er zijn dus een aantal vlakken waar de samenwerking moeilijk verloopt.

De studie inzake de regionale omroepen, waarover het in het bijzonder ging, zullen we u dus bezorgen. Dan kunt u zich eens verdiepen in het kijkersprofiel en in het online bekijken van regionale zenders. Het goede nieuws is in elk geval dat de waarderingscijfers overal goed zijn en dat ze gestegen zijn. Er zijn toch een aantal zorgen die daardoor verminderen. Dat is dus een goede zaak.

– Joris Poschet treedt als voorzitter op.

Minister Sven Gatz

Dan kom ik bij de vragen van de heer Poschet. Ook apps, dus alle technologische elementen die televisiekijken mogelijk maken, worden meegenomen in het nieuwe systeem. Dus het moet echt technologieneutraal zijn. Daarnaast is er bij de collega van Innovatie een principiële bereidheid om hier positieve antwoorden op te geven. Maar zoals ik u gezegd heb, is hier op dit ogenblik geen vraag naar.

We zijn dus begonnen vanuit het perspectief om een apart meetinstrument voor de regionale omroepen te maken. Dat heeft een tijdlang op tafel gelegen. We zijn dan geëvolueerd, en hebben gezegd dat we eerder neigen naar het CIM, als het CIM van alle spelers nog steeds de meest performante en de meest gebruikte is – lees: de currency gebruikt die aanvaard wordt door alle spelers. Als het CIM dan evolueert, zoals ik u geschetst heb in het begin van mijn antwoord aan mevrouw Segers, naar dat platform, dan lijkt het ons op dit ogenblik het best om daar die weg in te slaan. Ik heb u echter ook gezegd: wanneer de vraag gesteld wordt met betrekking tot investeringen of mede-investeringen van de overheid, dan kan die principieel wel beantwoord worden, maar die is er op dit ogenblik nog niet. Dat komt ook doordat het, omwille van technologische moeilijkheden en de samenwerking met een aantal stakeholders, trager gaat dan we zouden willen.

Ik heb twee data gegeven bij het begin van mijn antwoord. Ik neem wel aan dat er in 2019 toch een nieuwe stap gezet zal worden, dat die nieuwe stap sowieso tot nieuwe marktsverhoudingen kan leiden, en dat de zaak dus wel degelijk in beweging blijft. Ik doe dus geen enkele deur toe, laat dat duidelijk zijn. Ik hoop dat de volgende stap van het CIM en de mediaspelers wel degelijk tot nieuwe evoluties zal leiden, waar nieuwe vragen uit zullen voortkomen, waar de overheid al dan niet op zal moeten antwoorden.

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Dank u wel, minister. We trekken eigenlijk met velen aan de kar. Wij stellen u daar vanuit het parlement constant vragen over. Het is nu aan alle belanghebbenden om zich gewoon samen te zetten en zo snel mogelijk samen tot een oplossing te komen en een goed systeem te ontwikkelen dat op een accurate manier het ongelooflijk veranderende kijkgedrag in kaart brengen, want dat is in het belang van iedereen. Het is goed te horen dat u daar al mee werkt, minister.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.