U bent hier

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, in de huidige regelgeving staat dat in het buitengewoon onderwijs het recht op leerlingenvervoer bestaat voor elke leerling die de dichtstbijzijnde school met het gepaste type en opleidingsaanbod van het net van eigen keuze bezoekt.

Dit concept is verouderd. Daarom wordt het door u en minister van mobiliteit Ben Weyts herbekeken. Het vernieuwde concept leerlingenvervoer stapt af van het automatisch gegarandeerde recht op vervoer. Er wordt gekeken naar de effectieve zorgnood en de reeds bestaande alternatieven buiten het systeem van leerlingenvervoer buitengewoon onderwijs, zoals gewoon schoolvervoer, openbaar vervoer, ouders die carpoolen enzovoort.

Zo is er ook meer vrijheid voor ouders en scholen om in overleg met het leerlingenvervoer niet langer enkel naar de afstand tot de school te kijken, maar ook de reistijd en de vrije schoolkeuze in overweging te nemen. Daarbij zal de regie lokaal worden gelegd. Elk verzorgingsgebied in Vlaanderen kan in de toekomst op basis van algemeen geldende criteria zelf bepalen welke leerlingen op welke manier recht hebben op leerlingenvervoer naar een bepaalde school.

Dit vernieuwde concept wordt momenteel getest in twee pilootgebieden. Het eerste pilootproject vindt plaats in Leuven/Heverlee. Het principe van dichtstbijzijnde school wordt verlaten. Het zoeken naar de beste verplaatsingsmogelijkheid en de meest geschikte vervoersmodus gebeurt in overleg tussen ouders en de school. Indien blijkt dat geen enkel vervoersalternatief passend is, moeten ouders, met ondersteuning van de school, schriftelijk motiveren waarom de leerling nood heeft aan collectief vervoer.

Het tweede project vindt plaats in Roeselare/Hooglede/Izegem/Ingelmunster: het principe van de dichtstbijzijnde school wordt enkel verlaten in het buitengewoon secundair onderwijs. De zelfredzaamheid van de leerling is een bepalende parameter om het recht op vervoer te bepalen. Tijdens intakegesprekken gaat men de zelfredzaamheid van de leerling na. Wanneer een leerling kampt met een probleem van fysieke zelfredzaamheid en/of psychosociale zelfredzaamheid in combinatie met gezinszelfredzaamheid wordt het recht op leerlingenvervoer niet in twijfel getrokken. In alle andere gevallen worden er bijkomende voorwaarden aan het toekennen van het recht gekoppeld. Een minimumgrens waarbinnen in principe geen recht op vervoer wordt toegekend, is 1,5 kilometer voor het buitengewoon basisonderwijs en 4 kilometer voor het buitengewoon secundair onderwijs. En een maximumgrens waarbuiten geen collectief vervoer wordt georganiseerd, is 35 kilometer.

Dit concept is enkel van toepassing voor leerlingen binnen de pilootgebieden en die vanaf 6 maart 2017 inschreven voor een start in het schooljaar 2017-2018.

De pilootprojecten liepen tot 30 juni 2018, maar kunnen eventueel ook eenmalig worden verlengd tot 30 juni 2019, indien de haalbaarheid voor een uitrol over Vlaanderen en alle toepassingsvoorwaarden niet verzekerd zijn. Daarna volgt de evaluatie en wordt de Vlaanderenbrede uitrol bekeken.

Minister, kunt u een stand van zaken geven inzake de pilootprojecten, zowel in Leuven als in Roeselare?

Hoe evalueert u de pilootprojecten tot nog toe? Acht u een verlenging van één jaar noodzakelijk?

Leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs heeft ook raakvlakken met het beleidsdomein Welzijn. Hoe verloopt de efficiëntieoefening over de domeinen Onderwijs en Welzijn?

Op welke manier zal het vernieuwde concept worden uitgerold over Vlaanderen en hoe zal het vernieuwde concept er concreet uitzien?

Is er, wat betreft de lange reistijden, deze legislatuur al beterschap vast te stellen?

Minister Crevits heeft het woord.

Collega, het is een dossier dat mij zeer na aan het hart ligt, maar waarrond inderdaad nog een aantal zorgen bekommernissen bestaan.

Vanaf 1 maart 2017 is de uitrol van het pilootproject effectief gestart binnen de pilootgebieden Leuven en Roeselare/Hooglede/Ingelmunster/Izegem. Wat betekent dat concreet? De vervoersvragen van nieuwe leerlingen die vanaf schooljaar 2017-2018 ingeschreven worden in de pilootscholen, worden behandeld volgens een lokaal ontwikkeld kader om het recht op leerlingenvervoer toe te kennen. Ik heb dat uitgelegd in schriftelijke vraag nummer 460.

Leerlingen die al voor het schooljaar 2017-2018 ingeschreven waren in de pilootscholen, behouden hun eerder toegekend recht, maar worden ook gesensibiliseerd tot het gebruik van alternatieve vervoersmodi. Dat zijn de twee grote principes.

Het pilootproject wordt in beide regio’s bottom-up aangestuurd door een lokale werkgroep waarin onder meer de directies van alle pilootscholen zetelen. Dat zorgt voor een maximaal draagvlak op lokaal niveau. Bijgevolg is het project er alvast in geslaagd om het thema mobiliteit te doen leven in alle pilootscholen. Waar schoolbusvervoer voorheen altijd een evidentie was, wordt nu bewust aandacht besteed aan het begeleiden van leerlingen en ouders in het maken van een weloverwogen vervoerskeuze, ook vanuit het oogpunt van zelfredzaamheid.

Het project vergt evenwel een grote mentaliteitswijziging bij alle betrokken partijen. De gekozen werkwijze zorgt dan ook voor een complex veranderingsproces. De looptijd van één pilootjaar bleek hierdoor niet te volstaan om de haalbaarheid van een implementatie van het nieuw concept overheen Vlaanderen en alle toepassingsvoorwaarden te verzekeren. Bijgevolg heb ik op 25 mei 2018 meegedeeld aan de Vlaamse Regering dat het pilootproject het best met één jaar werd verlengd. Tijdens het schooljaar 2018-2019 zullen de beide pilootgebieden voortwerken aan het concretiseren en implementeren van de centrale principes van het nieuwe concept op kleine schaal.

Wat betekent dat nu? In het pilootgebied Roeselare-Izegem-Ingelmunster-Hooglede kent de lokale bepaling van het recht op vervoer geen inhoudelijke wijzigingen naar volgend schooljaar toe. Van de minimumgrenzen waarbinnen in principe geen enkel recht op vervoer mogelijk is, zal bij uitzondering wel kunnen worden afgeweken voor leerlingen uit het bijzonder secundair onderwijs (buso).

In het pilootgebied Leuven wordt de lokale bepaling van het recht op vervoer op drie manieren aangepast. Daar zal het dus niet meer helemaal hetzelfde zijn. Vooreerst houden alle pilootscholen opnieuw vast aan het principe van de dichtstbijzijnde school. Daarnaast worden er bijkomende voorwaarden aan de toekenning van het recht op leerlingenvervoer gekoppeld: een minimumgrens waarbinnen een leerling in principe geen toegang krijgt tot de schoolbus – 1,5 kilometer voor het buitengewoon basisonderwijs en 4 kilometer voor het buso – en een maximumgrens waarbuiten geen collectief vervoer wordt georganiseerd – 35 kilometer. Tot slot wordt de toegang tot het collectief vervoer vanaf het buso slechts voor één schooljaar toegekend en nadien jaarlijks geëvalueerd.

Zoals in de eerste fase, zal tijdens het tweede pilootjaar opnieuw voor- en naschoolse opvang worden georganiseerd in beide pilootregio’s. Daarnaast zal volgens het STOP-principe (eerst stappers, dan trappers, dan openbaar en tot slot privévervoer) verder worden ingezet op het stimuleren van woon-schoolverplaatsingen op eigen kracht, al dan niet met behulp van digitale ondersteuningsmiddelen. Na positieve resultaten in Roeselare zullen beide pilootgebieden volgend schooljaar ook maximaal inzetten op het gebruik van gemeenschappelijke opstapplaatsen, zodat de schoolbus minder individuele haltes moet aandoen.

De verlenging van het pilootproject met een schooljaar maakt het ook mogelijk om een gedegen evaluatie te voeren, op basis waarvan we lessen kunnen trekken voor een Vlaanderenbrede uitrol van het nieuwe concept leerlingenvervoer.  Hiertoe werd tijdens het voorbije schooljaar een expertenpanel opgericht dat ondersteund wordt door onderzoekers van het Instituut voor Mobiliteit (IMOB) van de Universiteit Hasselt en Thomas More.

Concreet zal het kwantitatieve luik van hun evaluatieonderzoek bestaan uit een nulmeting, schooljaar 2016-2017, en twee vervolgmetingen in de beide pilootjaren, die vervoersgegevens van alle leerlingen binnen de pilootscholen bevatten. Het voorbije schooljaar werd door alle pilootscholen al intensief gewerkt aan het verzamelen van deze gegevens. Deze inspanningen zullen zich ook doorzetten tijdens het komende schooljaar.

Collega, het is dus nog te vroeg om te bepalen of en hoe het nieuwe concept zal worden uitgerold. Want de resultaten van het onderzoek zullen eind maart 2019 worden samengebracht in een onderzoeksrapport, dat dan nog steeds geformuleerd zal zijn aan minister Ben Weyts en mezelf. En pas daarna zullen we echt kunnen evalueren.

Maar aan uw gelaatsuitdrukking te zien, vindt u het ook wel een goede zaak dat het pilootproject met een jaar wordt verlengd.

Tot slot, wat Onderwijs en Welzijn betreft, wil ik u zeggen dat er nu een gezamenlijk engagement is van de beleidsdomeinen Onderwijs en Mobiliteit. Maar uiteraard moeten we de blik ruim houden. Wellicht zal er ook binnen het nieuwe concept nood zijn aan voldoende voor- en naschoolse opvanginitiatieven bij scholen buitengewoon onderwijs. Het beleidsdomein Welzijn is vertegenwoordigd binnen de centrale stuurgroep die dat project opvolgt.

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik weet uit zeer goede bron, omdat het onderwerp ook regelmatig in de commissie Welzijn wordt behandeld, dat het project in Roeselare vrij goed loopt. Ouders zijn heel tevreden. Er wordt genoeg overleg gepland. De tijd dat de kinderen op de bus moeten zitten, wordt onderzocht in functie van de noodzaak en de mogelijkheden van de kinderen. Ik hoop echt dat het verder wordt uitgerold.

Wat ook heel belangrijk is, is dat de kinderen de school van hun keuze kunnen kiezen. Het zit tussen de twee, tussen onderwijs en welzijn. Het is belangrijk dat de kinderen naar de juiste school kunnen die ze zelf willen, waar ze de juiste zorg op maat krijgen. Dat was nu vaak niet het geval omdat men de dichtstbijzijnde school moest nemen en daar niet altijd de juiste opleiding of de juiste zorg was.

Mijn gelaatsuitdrukking liet inderdaad zien dat ik blij ben dat het pilootproject wordt verlengd. Blijft u enkel bij deze twee pilootprojecten of probeert u nog een regio uit of is dat niet aan de orde? We kunnen het misschien nog verder in Vlaanderen uitrollen.

Minister Crevits heeft het woord.

Collega, ik dank u voor de aanvullende opmerkingen. Op dit ogenblik zijn we niet van plan om nu nog een extra regio erbij te nemen omdat we gemerkt hebben dat het ene jaar eigenlijk te kort was om goed te kunnen uitrollen. Als we naar een Vlaanderenbrede uitrol zouden gaan, zal het met een ruime overgangsperiode moeten zijn. Ik sluit niet uit dat we na de definitieve evaluatie een tweede ronde gaan doen met een uitgebreidere groep. Dat is mogelijk. Het slaat aan, maar er zijn ook wel wat zorgen. We mogen echt niet te snel gaan, omdat het een complete omschakeling van het denken vraagt. We denken dat het niet zo handig zou zijn om nu zomaar te zeggen dat we een beetje gaan uitbreiden voor een jaar in een bepaalde regio. Dat is een afweging die op dit ogenblik wordt gemaakt.

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Ik ga sowieso blijven volgen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.