U bent hier

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Voorzitter, mijn vraag dateert ook al van iets eerder. We weten dat er vorige week een aantal persberichten verschenen zijn rond het verhaal van planschade en planbaten. Ik ga alleszins mijn vraag hernemen. Op 30 november 2016 werd het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) goedgekeurd waarin een aantal strategieën opgenomen zijn om verdere ruimte-inname en verharding te stoppen. Parallel aan het voorleggen voor advies van het witboek BRV aan allerlei adviesinstanties, werd door de Vlaamse Regering opdracht gegeven om een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) op te maken om de impact van de beleidsvoorstellen te analyseren.

Minister, in de plenaire vergadering van 8 februari 2017 hebt u al aangegeven dat het transitieproces naar 0 hectare ruimte-inname geld zal kosten. U hebt er toen op gehamerd dat er een raming is gebeurd en er sprake is van een bedrag van 1,5 miljard euro. Ik citeer u tijdens de plenaire vergadering van 8 februari 2017: “Waar komt die 1,5 miljard euro vandaan? Ik heb dat ook al een paar keer geschetst. Dat is een heel ruwe raming van onze diensten, die louter en alleen hebben gekeken naar de instrumenten die vandaag bestaan: planbaten en planschade. Dat is een eerste worp die daaruit is voortgekomen. Dit moet uiteraard verder verfijnd worden. Dat is ook de afspraak binnen de Vlaamse Regering. We moeten ook bekijken welke nieuwe instrumenten kunnen worden ingezet.”

In de commissie van 21 februari hebben we het dan ook nog gehad over de MKBA. U hebt toen geantwoord: “Ruimte Vlaanderen heeft op 17 januari 2017 een bestek gepubliceerd met als titel ‘Budgettaire en financiële impact aan de hand van een kosten-baten analyse van het transitietraject in het witboek BRV’. (…) Het is mijn bedoeling de opdracht begin maart van start te laten gaan. De studie zal lopen voor een periode van negen maanden. Maar het bestek vraagt uitdrukkelijk aan de inschrijvers rekening te houden met het politiek besluitvormingsproces en na drie maanden een eerste set bruikbare rekenresultaten voor te leggen.”

Ik heb nadien nog een schriftelijke vraag daaromtrent ingediend. In het antwoord daarop hebt u aangegeven dat de opdracht werd gegund aan Stec Groep, een Nederlands onderzoeksbureau uit Arnhem met ruime expertise in de opmaak van kosten-batenanalyses en marktexpertise in ruimtelijke ontwikkelingen. De opdracht heeft als doel om inzicht te krijgen in de meest relevante kosten en baten die zich voordoen bij het realiseren van het transitietraject ‘naar 0 hectare bijkomende netto ruimtebeslag per dag’. Een eerste set van bruikbare rekenresultaten wordt verwacht tegen eind juni 2017. De finale oplevering van de studie is voorzien in december 2017. Er werd tevens meegegeven dat de eerste fase van het onderzoek focust op het juridische aanbod wonen.

In een recent artikel van Knack konden we opnieuw lezen dat de Vlaamse overheid een bedrag van 1,5 miljard euro aan planschade zal moeten betalen wil ze komen naar 0 hectare ruimtebeslag.

Recent hebben we dan de persberichten gelezen waarin u hebt aangekondigd dat u van plan bent om de planschadevergoeding drastisch te verhogen om zo het draagvlak te creëren. Wij vinden dat alleszins een goede zaak. In de pers werd aangegeven dat de planschaderegeling zo wordt aangepast dat voortaan de werkelijke of venale waarde zal worden vergoed in plaats van de geactualiseerde verwervingswaarde. Dat vinden wij natuurlijk een goede zaak, maar we wachten uiteindelijk op de meer gedetailleerde uitwerking daarvan, tenzij u daar vandaag al meer informatie over kunt geven.

Voor ons is eigendomsrecht alleszins essentieel. Mensen met gronden in eigendom moeten minstens hun opgebouwd kapitaal kunnen behouden. Wil men het bestaande juridische aanbod neutraliseren, zoals vermeld in het witboek, dan zullen de nodige schadevergoedingen op tafel moeten worden gelegd.

Minister, kunt u al een toelichting geven bij de eerste set aan bruikbare rekenresultaten die werd meegedeeld voor het zomerreces door het studiebureau Stec en de experten die mee aan tafel zaten, specifiek wat betreft het juridische aanbod wonen? Een bijkomende vraag die ik hierbij wil stellen, is waarom vandaag alleen wordt gefocust op het juridische aanbod wonen, terwijl het juridische aanbod aan harde bestemmingen ruimer is. Hoeveel bedraagt de raming aan planschade in de eerste fase van de MKBA? Ligt die in de lijn van de eerder geraamde 1,5 miljard euro of komen we tot andere bedragen? Hoe bent u van plan om de impact van de beleidsvoorstellen uit het witboek BRV in de toekomst te financieren? Welke middelen wenst u hiervoor aan te wenden? Waar komen deze middelen vandaan? Zijn de bestaande middelen toereikend? Wordt er nagedacht over nieuwe financieringsmechanismen om deze impact de komende 25 jaar te bekostigen? Zo ja, welke? Waarom is er geen exacte berekening gebeurd voorafgaand aan het witboek BRV, waarin toch expliciet is aangenomen dat men het juridische aanbod wil neutraliseren? Er zijn heel wat studies gemaakt, maar toch denken we dat het ook nodig is dat er een sluitende berekening plaatsvindt, voorafgaand aan het nemen van een aantal beslissingen, zeker als men een draagvlak wil creëren.

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Minister, op maandag 18 september 2017 maakte u opnieuw een beleidsintentie in verband met de betonstop duidelijk via de media. De boodschap die ochtend was dat de planschade naar omhoog moet als we Vlamingen zo ver willen krijgen dat ze minder op het platteland gaan wonen, maar dichter bij elkaar in de stad en dorpskernen. Op dit moment krijg je 80 procent van de aankoopwaarde van je grond vergoed wanneer je grond daalt in waarde omdat er niet meer op gebouwd mag worden.

U wilt dit optrekken naar 100 procent berekend op de actuele waarde van de grond. Het geld dat hiervoor nodig zal zijn, wilt u onder meer gaan halen door de planbaten, een heffing op de meerwaarde van grond gecreëerd als gevolg van een bestemmingswijziging, op te trekken. Die zullen met 67 procent stijgen.

Minister, met het historische overaanbod aan bouwgronden in Vlaanderen belooft dit erg veel geld te gaan kosten. Hebt u becijferd wat het totale kostenplaatje van de betonstop zal zijn? Welk bedrag zit er vandaag in het Planschadefonds? Hoeveel inkomsten schat u te ontvangen uit de verhoogde planbatenheffing? Is er ruimte in de Vlaamse begroting om bij te passen wanneer er onvoldoende inkomsten zijn uit planbaten? Zal de procedure tot het verkrijgen van planschade aangepast worden? Geven gronden in woonuitbreidingsgebied ook recht op planschade? Zult u de mogelijkheid van ‘herstel in natura’ behouden in het nieuwe Instrumentendecreet?

De heer Ceyssens heeft het woord.

Minister, ik was iets minder ongeduldig dan mevrouw Peeters, dus ik heb met mijn vraag gewacht tot u hierover een aantal zaken bekend had gemaakt, vooral wat de hogere vergoeding betreft van de planschade en een hogere heffing op de planbaten.

Zo zal de planschade voortaan op de actuele waarde van de grond worden berekend waarbij de eigenaars nu ook voor 100 procent van die waarde zullen worden vergoed. Vandaag bedraagt dit 80 procent van de geïndexeerde aankoopwaarde.

Wat de planbaten betreft, konden we lezen dat de tarieven zouden worden opgetrokken. Zo wordt het laagste tarief van 1 procent, voor het deel van de meerwaarde tussen 0 en 12.500 euro, verhoogd naar 2 procent, en wordt het hoogste tarief van 30 procent, voor een meerwaarde boven de 500.000 euro, opgetrokken naar 50 procent.

Verder wordt ook de mogelijkheid gelaten om gronden en de ontwikkelingsrechten van gronden te ruilen. Dit systeem bestaat vandaag al voor landbouwers maar ook andere eigenaars zouden hun bouwgrond op het platteland moeten kunnen ruilen voor een woning dichter bij de dorpskern.

Minister, wij waren verheugd over uw voorstel en hebben daar ook duidelijk voor gepleit tijdens het debat over het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV). Dergelijke maatregelen zijn noodzakelijk in het streven naar de vooropgestelde principes van verdichting, groenblauwe netwerken en ruimtelijk rendement.

Ik las verder ook dat een aantal van mijn collega-parlementsleden zeer tevreden waren met deze voorstellen. Daarnaast benadrukte de Confederatie Bouw, in de persoon van Marc Dillen, ook nog eens de noodzaak van dit ontwerp om de stabiliteit voor eigenaars en hun eigendomsrechten te vrijwaren.

Bij al deze positieve reacties heb ik wel nog een aantal vragen. Is het ontwerp van decreet volledig klaar? Kunt u ons een inzicht bezorgen over de timing wanneer u met deze instrumenten naar de Vlaamse Regering zult trekken? Is er al een schatting gemaakt over hoeveel gronden dit zou kunnen gaan? Kan de budgettaire impact van dit ontwerp al worden begroot? Aangezien de berekening van de planschade zal gebeuren op basis van de actuele waarde van de grond is er nood aan een objectieve schatting van deze waarde. Hoe zal deze schatting gebeuren? Zal deze door de overheid geregeld worden of moet de eigenaar hiervoor zelf een beroep doen op een notaris, landmeter of immobiliënmakelaar? Met andere woorden, blijven de lasten voor eigenaars beperkt tot de huidige situatie?

De heer Vandaele heeft het woord.

Op 20 december 2013 keurde de vorige Vlaamse Regering de principes goed voor een aanpassing en harmonisatie van de verschillende compenserende vergoedingen, die door deze regering verder zullen worden uitgewerkt. Deze harmonisatie moet zowel duidelijkheid brengen over de onderlinge verhouding als over de berekeningswijze van de vergoedingen. Het uitgangspunt hierbij is te komen tot een uniforme procedure voor drie vergoedingsstelsels: de planschadevergoeding die de huidige planschaderegeling en de kapitaalschaderegeling combineert en die dus samenhangt met een bestemmingswijziging, een gebruikersvergoeding en een eigenaarsvergoeding voor nadelige effecten op basis van sectorregelgeving.

Hierbij is het mijns inziens uitermate belangrijk te streven naar een zeker evenwicht tussen de planbaten enerzijds en de planschaderegeling anderzijds om onze ruimtelijke planning betaalbaar te houden op de drie bestuursniveaus.

Intussen is ook hard gewerkt aan een nieuw ruimtelijk beleid, het BRV. We staan daar allemaal achter. We hebben het al gehad over de krijtlijnen en de krachtlijnen daarvan en we hebben het gekaderd in onze klimaatresolutie. Maar we zeggen ook allemaal dat er wel degelijk bruikbare instrumenten moeten zijn om die goede principes van het BRV in realiteit om te zetten.

Minister, u kondigde onlangs aan dat de bestaande vergoedingen worden opgetrokken. U verwees ook naar andere mogelijkheden, namelijk het systeem van grondenruil en verhandelbare bouw- of ontwikkelingsrechten. Dit zijn nieuwe instrumenten die vandaag nog niet bestaan in tegenstelling tot planschade, maar die mogelijk een alternatief kunnen zijn in dat vergoedingssysteem dat we voor ogen hebben.

Minister, in welke mate wordt bij de uitrol van het nieuwe Instrumentendecreet rekening gehouden met de uitgangspunten en principes zoals vastgelegd in de door de regering goedgekeurde conceptnota van december 2013?

In de rand van de discussie over de compenserende vergoedingen wordt vaak gesproken over de planbatenheffing. Op welke manier zult u in het Instrumentendecreet beide systemen aanpassen om te komen tot een zo goed mogelijk evenwicht? De heer Ceyssens had het al over het verhogen van de planschade en de planbaten, maar ik vraag me af of die wel dicht genoeg bij elkaar komen om echt een betaalbaar en werkbaar systeem te hebben voor ons ruimtelijk beleid.

Het regeerakkoord voorziet ook in andere instrumenten zoals voorkooprechten, planologische ruil en het nieuwe instrument van verhandelbare ontwikkelingsrechten. Deze instrumenten zijn allemaal gericht op een betere ruimtelijke ordening, dus het vrijwaren van goede locaties – het bieden van meer mogelijkheden op goede locaties – en het neutraliseren van slechte locaties.

Bent u van mening dat de overheid in eerste instantie naar deze instrumenten moet grijpen in plaats van vergoedingen uit te betalen? Hoe kunt u garanderen dat naast het systeem van vergoedingen ook andere systemen zoals die verhandelbare bouwrechten echt zullen worden gebruikt? Ik kan me voorstellen dat mensen voor de gemakkelijkheidsoplossing kiezen en opteren voor de vergoeding terwijl alle andere mogelijkheden in de kast blijven liggen.

Minister Schauvliege heeft het woord.

Ik zal proberen de gestelde vragen te bundelen. Een eerste reeks vragen gaat over het Instrumentendecreet zelf en de inhoud daarvan. De twee reeks gaat specifiek over de planschade en de planbaten en de derde groep gaat over de budgettaire en financiële impact.

Wat het Instrumentendecreet zelf en de timing betreft, zijn de teksten klaar. Zij zitten momenteel in politieke bespreking en gaan nadien naar de Vlaamse Regering. Het gaat dus niet alleen over de harmonisatie van compenserende vergoedingen en koopplichten, maar over een pak nieuwe instrumenten die we voorleggen zoals planologische ruil en verhandelbare bouwrechten.

In de voorstellen die op tafel liggen, worden alle vergoedingen herleid tot één eigenaarsvergoeding en één gebruikersvergoeding. De planschadevergoeding valt onder de eigenaarsvergoeding. We zorgen ervoor dat de principes uit de conceptnota waar u naar verwijst, mijnheer Vandaele, volledig worden nageleefd en dat de procedures en berekeningswijze voor die compenserende vergoedingen effectief worden gestroomlijnd.

We moeten dit bekijken als een soort van instrumentenkoffer. Afhankelijk van wat men wil realiseren en in welk gebied, kan men andere instrumenten hanteren. Het is dus niet de bedoeling dat er enkel wordt ingezet op planschade en planbaten. Integendeel, door het uitwerken van verhandelbare ontwikkelingsrechten, herverkaveling met kracht van wet, met planologische ruil, is het de bedoeling dat er heel wat kan worden gestuurd. Er kan worden gestuurd op verschillende niveaus, op het vergunningenniveau maar ook vooral op het niveau van de ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Een aspect van die instrumentenafweging is natuurlijk ook altijd de kostenefficiëntie en de effectiviteit van de gekozen instrumenten. Men zal dus telkens op basis van de eigenheid van het project en het proces ook best kiezen welke instrumenten worden ingezet. Het Instrumentendecreet bevat dus niet sowieso een bepaling waarin staat dat in een bepaald geval dit of dat instrument wordt gehanteerd. Het zal de initiatiefnemer zijn die daar een beslissing over moet nemen. Het is niet de bedoeling dat vanuit het Instrumentendecreet bepaalde instrumenten naar voren worden geschoven.

De planbaten en de planschade zijn maar een onderdeel van het Instrumentendecreet. Er wordt inderdaad voorzien in een optimalisatie van de planschade en de planbaten. Ik wil ook benadrukken dat het nooit de bedoeling is geweest dat planbaten en planschade elkaar budgettair in evenwicht zouden brengen. De planschade is een vergoeding voor een effectief toekomstig waardeverlies ten gevolge van een bestemmingswijziging. Bij planbaten gaat het altijd over een gedeeltelijke recuperatie van een potentiële waardevermeerdering bij een planinitiatief. De aanpassing van de planbatenheffing kan moeilijk worden beschouwd als de afspiegeling van wat men gaat doen met de planschade. Wat kan men bijvoorbeeld op het moment van een herbestemming belasten? Wanneer nadien de grond wordt vervreemd, wordt ook de winst afgetopt en betaalt men al een stukje op de meerwaarde die men heeft gecreëerd. Daar zit dus een ander systeem achter.

De verhouding tussen de geïnde en uitbetaalde bedragen is een belangrijk werkpunt. De verschillende aspecten van de planbatenregeling zoals de koppeling van een startfeit zorgen voor een scheefgetrokken verhouding tussen de inkomsten en uitgaven ten gevolge van planningsinitiatieven en vragen natuurlijk een optimalisatie.

Zoals ik eerder al zei, geeft het Instrumentendecreet uitvoering aan de conceptnota over de harmonisatie van compenserende vergoedingen. De bestaande compenserende vergoedingen worden herleid tot een eigenaarsvergoeding en een gebruiksvergoeding.

De procedurele harmonisatie impliceert voor de planschadevergoeding een belangrijke overschakeling van een gerechtelijke naar een administratieve afhandelingsprocedure. Dat zal ook de drempel verlagen voor eigenaars omdat de stap naar de rechter niet meer moet worden gezet. De procedure voor de aanvraag van een planschadevergoeding voor een burger wordt op die manier toegankelijk. Voor een overheid is dat ook het geval wanneer het gaat over het innen van planbaten.

Wat met woonuitbreidingsgebieden? Daar kan ik geen algemeen antwoord op geven. Planschade is de schade die de eigenaar van een bebouwbare grond ondervindt als een grond door een bestemmingswijziging niet meer bebouwbaar of verkavelbaar is. Dat is in elk individueel dossier verschillend. Ongeacht of de grond gelegen is in een woongebied of een woonuitbreidingsgebied, voorziet de Codex Ruimtelijke Ordening in een aantal toepassingscriteria, wanneer je daar een beroep op kunt doen.

Wat betreft de vraag over de mogelijkheid tot herstel in natura, is het zo dat dit gebeurt na een vonnis of arrest. Door de omzetting van een gerechtelijke naar een administratieve afhandelingsprocedure is er geen sprake meer van een vonnis of een arrest en wordt dit artikel normaal gezien zonder voorwerp.

De berekeningswijze van de planschadevergoeding is op dit moment nog politiek in bespreking en moet eerst nog principieel goedgekeurd worden. De schatting zit verwerkt in de geharmoniseerde administratieve procedure voor alle eigenaarsvergoedingen, en het is essentieel dat dit objectief kan gebeuren. Dat is zo voorzien in de voorgestelde procedure. Het is niet de bedoeling dat de burger geacht wordt een schatter in te schakelen. De burger heeft wel de mogelijkheid om eventueel bezwaar in te dienen.

De geharmoniseerde procedure – en dat vind ik cruciaal – zal ook een globaal administratief beheer mogelijk maken. Een op te richten vergoedingendatabank zal ook een totaaloverzicht geven. Dat zorgt voor meer objectiviteit, transparantie en een uniforme behandeling.

Wat betreft de vragen naar de budgettaire en financiële impact, blijft het altijd een beetje de discussie van de kip of het ei. Zolang je geen duidelijkheid hebt over het Instrumentendecreet en de richting welke dat uitgaat op het gebied van de eigenaarsvergoeding en die planschade, is het moeilijk om de impact uit te rekenen. Niettemin hebben we die studie besteld. We hebben daar al een eerste overzicht van gekregen, maar er moeten nog verdere berekeningen gebeuren omdat er naar mijn mening te weinig rekening wordt gehouden met de kosten die er ook zijn wanneer we niets doen. Ook bij een standstill zijn er immers kosten, zoals voor nutsvoorzieningen en overstromingen, bijvoorbeeld. Nogmaals, de berekeningen hangen ook af van de instrumenten die je hebt. Het blijven ook altijd ruwe schattingen, dat moeten we voor ogen houden, die voor interpretatie vatbaar zijn.

Daarnet heb ik al geprobeerd om aan te geven, op vraag van de heer Vandaele, dat je daar als overheid in kan sturen. Het is niet de bedoeling om alles te gaan uitbetalen. We hebben veel andere instrumenten en we hopen dat we daar in eerste instantie een beroep op kunnen doen. Daar is dus nog een grote marge beschikbaar. Het blijft zo dat we tegen het einde van het jaar die berekeningen globaal in kaart moeten hebben. We moeten eerst de richting kunnen bepalen in het Instrumentendecreet en dan pas kunnen we daar uitspraken over doen. Mevrouw Peeters, ik kan nog geen uitsluitsel geven over de bedragen. Afhankelijk van de scenario’s kan dat nog enorm variëren.

Mevrouw Pira, u vraagt naar de budgettaire impact. Ik zei al dat het ervan afhangt welke richting we uitgaan en dat het een discussie van de kip of het ei is. Ik vind het belangrijk dat de overheid bepaalde keuzes kan maken. We hebben een transitie uitgetekend van 6 hectare naar 0 hectare. Dat staat zo in het witboek. We hebben ook een tussentijdse doelstelling in 2025. Het is aan de overheid om op basis van de beschikbare budgetten het tempo te bepalen van de te nemen beslissingen. Het is voor mij belangrijk dat we daar dan verder mee aan de slag kunnen gaan. Alles hangt ook af van het individueel planningsproces om daarop in te spelen en dat systeem daarop te enten.

Wat betreft de vragen over een nieuw financieringssysteem is het zo dat de transitie is uitgetekend en dat er tal van andere instrumenten zijn. Het gaat niet alleen over de budgetten. Per initiatief dat genomen wordt zal telkens de betaalbaarheid moeten worden bekeken en de vermoedelijke planschade als die er is. Er zijn tal van andere instrumenten en de beslissingen moeten op basis daarvan verder genomen worden.

Het is een beleidskeuze die al in het witboek vervat zit om die transitie te maken. Die ambitie moeten we waarmaken als regering, en we zullen daar de nodige middelen tegenover moeten stellen. Dat is alvast mijn overtuiging.

Het witboek is een belangrijke stap in de opmaak van het volledige Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. We zijn op dit moment volop bezig met de optimalisering en concrete uitwerking van de strategische visie. Die instrumentenmix en de financiële raming is daar in het bijzonder mee verbonden. Het werd daarnet al mooi verwoord door de heer Vandaele: de ambitie die vervat zit in het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen werd ook uitdrukkelijk onderschreven in de klimaatresolutie van het parlement, die hier kamerbreed werd goedgekeurd. Dat zit daar ook in verankerd, en niemand twijfelt eraan dat we die omslag willen maken en dat we die visie vanuit de meerderheid en zelfs vanuit de oppositie volledig onderschrijven.

Met de goedkeuring van het decreet Ruimtelijke Ordening in 1999 werd het Planschadefonds afgeschaft. Sindsdien worden planschadevergoedingen en aanverwante kosten betaald vanuit het Grondfonds. Ontvangsten voor het Grondfonds komen uit de inkomsten van de planbatenheffing. De inkomsten van het Grondfonds komen uit de dotatie van het departement, in 2016 ten belope van 5,5 miljoen euro en in 2017 ten belope van 1,4 miljoen. Voor 2018 is er een raming opgemaakt in de begroting, maar dat moet nog worden bijgesteld. Het opgebouwde saldo binnen het Grondfonds bedraagt 39 miljoen euro volgens de stand van zaken op 29 september 2017. Het voorstel van Instrumentendecreet dat momenteel wordt besproken, omvat verschillende opties tot verhoging van de planbatenheffing. Ik ben voorstander van een gerichte bijstelling, maar dit moet nog worden voorgelegd aan de regering.

Het is niet mogelijk om de extra inkomsten in te schatten. Dat is afhankelijk van de richting die we uitgaan en van de verschillende RUP’s die worden opgemaakt.

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. We kijken samen met u uit naar het Instrumentendecreet. We hopen dat het er snel zal komen.

Ik vind het positief dat u nadrukkelijk hebt geduid dat men planbaten en planschade niet aan elkaar gekoppeld moet zien. Volgens mij wekt de heer Vandaele wel de indruk dat men dat gekoppeld moet zien. We weten allemaal dat de planbaten een ander verhaal zijn.

Voor de volledigheid geef ik nog mee dat de Vlaamse Belastingdienst van 2010 tot 2015 voor 150 miljoen euro aan aanslagbiljetten planbaten verstuurd heeft en daarvan nog niet een derde aan middelen geïnd heeft vanwege talrijke discussies die daaromtrent bestaan. Het is dus heel duidelijk dat het een illusie is dat de planbaten kunnen instaan voor de planschade.

Zoals ik bij de inleiding van mijn vraag al zei, zijn voor ons de eigendomsrechten essentieel en dienen ze te worden gerespecteerd. Mensen hebben hun spaargeld gebruikt om een bouwkavel aan te kopen, en als die bouwkavel straks een andere bestemming krijgt, moet daar een volwaardige vergoeding tegenover staan. Ik ben blij dat vorige week werd aangekondigd dat er een nieuwe regeling komt voor planschade en dat men wil overgaan naar een vergoeding van 100 procent. Ik hoop dat het effectief zo zal zijn. We herinneren ons allemaal de heisa rond de boskaarten. We hebben toen een berekening gemaakt van wat dat de planschade moest bijbrengen aan middelen. Het ging toen over 523 hectare woongebied, en als ik dat bereken tegen een schappelijke prijs van 178 euro per vierkante meter, dan had men, alleen al voor de vergoeding van die boskaarten, een bedrag van 745 miljoen euro op tafel moeten leggen. Dat is bijna 1 miljard euro. In mijn initiële vraag heb ik verwezen naar het verhaal dat in het verleden telkens de ronde deed dat men 1,5 miljard nodig heeft als men alles wil omzetten via een planschaderegeling. Dat is onbegonnen werk, want die middelen zijn er niet.

Minister, u zei terecht dat er nog andere instrumenten zijn, die verder uitgewerkt moeten worden. Ik zit dan toch nog altijd met het volgende dilemma. Het groenboek voor het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen dateert van 2011, het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen dateert van december 2016. In dat witboek staat meermaals dat men het bestaande juridische aanbod wil neutraliseren. Dat betekent de facto dat men woongebied en industriegebied, of met andere woorden, ‘harde’ bestemmingen in het gewestplan, wil omzetten in ‘zachte’ bestemmingen. Als men dat wil doen, moeten daarvoor de nodige middelen en/of instrumenten voorhanden zijn. Vandaag is dat er nog niet. We kijken uit naar het Instrumentendecreet. Toch blijven we erbij dat heel die maatschappelijke kosten-batenanalyse vooraf had moeten gebeuren en niet nu pas, tegen eind december. Ik kijk alleszins uit naar die resultaten, en u zegt terecht dat in die maatschappelijke kosten-batenanalyse ook moet worden opgenomen wat een standstill inzake ruimtelijke ordening betekent.

We moeten volgens mij wel degelijk iets doen inzake ruimtelijke ordening, maar met respect voor de eigendomsrechten. Daar wil ik op blijven hameren. Die 100 procentvergoeding is een stap in de goede richting, ook al de rest zal duidelijk in kaart moeten worden gebracht.

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Minister, ik heb aandachtig naar uw antwoord geluisterd en naar de reactie van mevrouw Peeters. Ik zou wel graag eens een vlieg zijn bij de bespreking over dat Instrumentendecreet binnen de regering. Het gaat er wellicht redelijk heftig aan toe.

Ik ben ook heel benieuwd naar het resultaat, maar ik heb in elk geval gemerkt dat u vaak de nadruk hebt gelegd op het feit dat de instrumentenkoffer niet enkel bestaat uit planschade en planbaten. U zei een paar keer dat het ‘maar een onderdeel’ is. Op een bepaald moment zei u ook: ‘Het is nooit de bedoeling geweest om budgettair de zaken in evenwicht te brengen.’

Daaruit kan ik besluiten dat de kloof tussen planschade en planbaten niet zal worden gedicht. U zegt dat het andere instrumenten zijn. Uiteraard, dat weten we allemaal. Maar het verhaal van de harmonisering van de compenserende vergoedingen is erg aan het opschuiven richting niet harmoniseren.

Minister, u distantieert zich heel erg van de originele gedachte dat die toch meer met elkaar in evenwicht zouden moeten worden gebracht. Een bepaald kamp in de regering is aan u aan het trekken, en we staan verder af van wat de bedoeling was. Dan druk ik me nog voorzichtig uit.

Nu verschuift het debat naar de planbaten, naar de inkomsten en de uitgaven, waar inderdaad een heel groot verschil in zit. Ik heb daar een tijd geleden een schriftelijke vraag over gesteld. Nog niet 1 procent van de geschatte meerwaarde werd geïnd. Dat moet hoe dan ook gebeuren, maar ik onthoud uit uw antwoord vooral dat u zich van het idee dat de compenserende vergoedingen moeten worden geharmoniseerd, steeds verder verwijdert.

Minister, u hebt gezegd dat het Instrumentendecreet werkelijk heel belangrijk is. Als we denken aan de boskaart, maar ook aan de woonuitbreidingsgebieden die u hebt opgevraagd aan de lokale besturen, dan is dat Instrumentendecreet daar het sluitstuk van. U hebt gezegd dat de teksten klaar zijn en dat ze nadien naar de Vlaamse Regering gaan. Kunt u ons precies zeggen wanneer? Is dat ver in het najaar of misschien begin volgend jaar, of is het volgende maand? Het zou fijn zijn om daar meer details over te krijgen.

Minister, u was heel stellig in uw bericht dat u de planschade zou optrekken tot 100 procent van de werkelijke waarde. Wat is de werkelijke waarde? Is dat de geïndexeerde waarde van de aankoop of is dat de waarde die een grond zou hebben als die zou worden bebouwd? Hebt u daar al een idee van?

De heer Ceyssens heeft het woord.

Minister, ik heb twee punten uit uw antwoord genoteerd, die ik toejuich. Ten eerste, dat men zelf zal kiezen uit de instrumentenkoffer die wordt voorgeschoteld. Dat is een heel belangrijk punt voor ons. En vooral ook dat we ze verschuiven naar een administratieve in plaats van een gerechtelijke procedure. Daardoor zal de procedure toegankelijker worden.

Collega's, het is duidelijk dat dit plan geld zal kosten. Mevrouw Pira, u zegt dat de werkelijke waarde de geïndexeerde aankoopwaarde is. Als je aan de man in de straat gaat vragen wat de werkelijke waarde is van een bouwgrond, dan moet u dat eens vergelijken met een geïndexeerde aankoopwaarde van twintig jaar geleden. Hij of zij zal volmondig antwoorden hoe hij of zij dat interpreteert.

Ik begrijp u niet goed als u wilt doen geloven dat planbaten en planschade elkaar in evenwicht gaan houden. Ik dacht dat het uitgangspunt van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen was dat we open ruimte in Vlaanderen zouden vrijwaren, dat we een hele hoop harde bestemmingen in Vlaanderen niet in gebruik gaan nemen. Dat er vandaag links of rechts nog wat open ruimte misschien een harde bestemming zal krijgen, waardoor planbaten ontstaan, dat wil ik nog geloven, maar dat moet toch absoluut, absoluut een heel kleine fractie zijn ten opzichte van het gedeelte harde en zachte bestemming.

Mevrouw Pira, als ik u hoor zeggen dat planbaten en planschade met elkaar in evenwicht moeten zijn, dan moet u gewoon zeggen: we houden vandaag een ruimtelijk evenwicht in Vlaanderen, we laten het principe van open ruimte vrijwaren los en we doen verder zoals we vandaag bezig zijn. Of u moet zeggen: wij gaan vanuit het Vlaams Parlement in Brussel beleidsintenties formuleren, maar we gaan wel de individuele burger die de pech heeft dat de keuze om open ruimte te vrijwaren in een harde bestemming op zijn eigendom gebeurt, niet de rekening doen betalen.

Er zijn maar twee mogelijkheden, tenzij u kunt toveren. Eigenlijk ben ik toch vrij verwonderd over uw vraag.

De heer Vandaele heeft het woord.

Minister, welk instrument kiezen we uit die koffer? Als ik het goed heb begrepen, zegt u dat project per project de initiatiefnemer zal moeten beslissen. Ik geloof niet dat u hebt gezegd dat de eigenaar of de gebruiker die recht heeft op die schade, zal kunnen kiezen. Het is dus niet het individu, maar de initiatiefnemer. Ik noteer dat.

Collega Peeters zegt dat er nog heel wat facturen inzake planbaten openstaan, ongeveer voor 150 miljoen euro. Misschien is dat een misverstand, omdat we allemaal weten dat die planbaten natuurlijk niet verschuldigd zijn op het moment van de bestemmingswijziging, maar later.

Minister, ik had het ook over de fameuze conceptnota van eind 2013, waarop we terugvallen op de dingen die we nu doen. U zegt dat we dat behoorlijk goed volgen, onder andere met de vereenvoudiging van het vergoedingsstelsel. U hebt het over twee, maar ik dacht dat er nog meer waren. U zegt dat het enkel nog de eigenaars- en de gebruikersvergoeding is. Als dat inderdaad zo is, is dat een flinke vereenvoudiging.

Wat ook in de conceptnota stond, was dat er zou worden vergoed voor een disproportioneel nadeel. Dat is natuurlijk heel belangrijk, want daar wijken we echt wel af van de conceptnota. Dan zaten we in die 80 procent van de verwervingswaarde. Nu gaan we veel verder dan dat.

Inzake de verhouding planbaten-planschade staat toch ook in de conceptnota dat er meer evenwicht moet komen om zo een betaalbare ruimtelijke planning op de drie niveaus mogelijk te maken. Collega Ceyssens, u hebt natuurlijk gelijk, dat kan nooit één op één zijn. Als we het ernstig nemen met de verhardingsstop, zullen er bijna geen planbaten meer zijn, of toch veel minder. Het kan natuurlijk altijd nog als je bestemmingen ruilt. Maar goed, daarover zijn we het eens.

Ik blijf wel geloven in het principe. Ten opzichte van de burger is het maar fair om te zeggen: als u door een beslissing van de overheid ineens een stuk grond opgewaardeerd ziet – iets waar u zelf geen verdienste aan hebt, het is de overheid die beslist om bijvoorbeeld van landbouwgrond bouwgrond te maken, waardoor het stuk grond meer waarde krijgt –, dan is het maar normaal dat u een flink stuk van wat u daar extra aan verdient, ter beschikking stelt aan een fonds om de mensen die de pech hebben dat ze, ook door een beslissing van de overheid waar ze zelf niets aan kunnen doen, het omgekeerde zien gebeuren, namelijk dat hun grond in waarde daalt. De belastingbetaler, die daar niets mee te maken heeft, moet zo veel mogelijk worden ontzien. De mensen die door een overheidsbeslissing iets meer kunnen doen dan vroeger, moeten meebetalen om de mensen die iets minder kunnen doen, te vergoeden.

Misschien moeten we hiervoor toch wat ruimer kijken dan alleen maar naar de gevallen van bestemmingswijziging. Misschien moeten we durven kijken naar het ogenblik dat mensen morgen meer kunnen realiseren dan vandaag.

De heer Tobback heeft het woord.

Ik wil me aansluiten bij de haast poëtische bedenkingen van collega Vandaele. Het principe klinkt mooi. Het zou natuurlijk al een heel mooi begin zijn als u iets doet aan het probleem waar collega Peeters op wees, namelijk dat we vandaag de grote meerderheid van de planbaten, ook al zouden ze verschuldigd zijn, niet geïnd krijgen. De achterstand is daar nog altijd bijzonder groot. Het zou leuk zijn minstens al die bijdragen te kunnen krijgen van de betrokkenen in plaats van van de belastingbetaler. Die zal immers nog een pak meer moeten betalen voor de noodzakelijke beslissingen die we gaan nemen.

Minister, ik kijk met almaar stijgende nieuwsgierigheid uit naar dat Instrumentendecreet. Ik denk dat ik niet de enige ben. Dit gaat natuurlijk niet alleen maar over beleid en maatregelen en bevoegdheden van de Vlaamse Regering, maar ook van andere bevoegde overheden, in de eerste plaats gemeenten en provincies, die in bepaalde gevallen ook mee opdraaien voor de planschaderegeling. Als u zegt dat er politiek overleg is binnen de Vlaamse Regering, is er dan over de voorgenomen instrumenten, mogelijkheden, investeringen en kosten op enige manier overlegd – formeel, informeel of hoe ook, bijvoorbeeld met de gemeenten of de provincies – over de haalbaarheid en financierbaarheid van een aantal instrumenten en de verdeling van de lasten? Ze draaien ervoor op of zullen er mee voor opdraaien. Ze zullen dus minstens geïnteresseerd zijn in wat er op stapel staat.

Minister, ik sluit me aan bij de mogelijkheid van de heer Vandaele om dwingende maatregelen op te leggen in de richting van ruil en verhandelbare rechten dan pure cashverschuivingen. Zal daar echt aan worden gewerkt? Hoe moeten we dat zien? Ik heb begrepen dat u daarop ingaat en de mogelijkheid open laat. Hoe ziet u dat concreet? Kunt u dat meer toelichten?

Minister, als u niet wilt dat dit probleem nog weken lang iedereens zenuwachtigheid vergroot, is het misschien wel nuttig om zo snel mogelijk met iets op tafel te komen waarover een debat kan zijn in dit parlement.

Ik ben ook wel gerustgesteld door van collega Ceyssens klaar en duidelijk te horen dat het niet meer zijn bedoeling is om wat dan ook in waarde te laten stijgen door bestemmingswijzigingen van de grond. We zijn dus voorlopig op ons gemak, maar ik zou toch aandringen op enige spoed.

Minister Schauvliege heeft het woord.

Collega's, we moeten vooral eerlijk zijn met onszelf. We kunnen niet tegelijk warm en koud blazen. Ofwel is het ons menens – zo is het ook heel breed gestemd door meerderheid en oppositie in het parlement – om iets te doen aan de 6 hectare openruimte-inname die er per dag is, ofwel niet. Als het ons menens is – zo lees ik het ook in de beslissingen die zijn genomen, en zo heb ik het hier ook vandaag van iedereen begrepen –, dan moet daar inderdaad een beleid tegenover staan: een beleid dat respect heeft voor het eigendomsrecht, maar daar ook de juiste instrumenten naast zet. Het is een reeks van instrumenten die op tafel liggen. Wat mij betreft gaat dat zo gauw mogelijk naar de Vlaamse Regeringstafel. Ik heb van alle meerderheidspartijen begrepen dat het snel mag gaan. Ik heb dat gehoord in alle tussenkomsten vandaag, maar dan moet er natuurlijk ook boter bij de vis zijn.

Je kunt een ruimtelijk beleid voeren. Collega Peeters zegt dat we de boskaart kunnen nemen om dan op 754 miljoen euro uit te komen. 1,5 miljard euro is ook al genoemd. Dat zijn bedragen die je niet in een jaar tijd uitgeeft. Het is net de bedoeling van het plan dat we vandaag op 6 hectare zitten en naar 0 hectare gaan tegen 2040, zodat we dat kunnen spreiden in de tijd op een aanvaardbare manier voor iedereen. Dat is de bedoeling.

Het is niet de bedoeling om massaal schade uit te betalen. We gaan plan per plan, project per project kijken wat de beste instrumenten zijn die we daarvoor inzetten. Het is dus echt wel gebiedsgericht en projectmatig dat we dat zullen bekijken. Het is inderdaad een nieuwe manier van werken, maar als je iets wilt realiseren, moet je ook bereid zijn om daar middelen tegenover te stellen. Als we niks gaan doen, gaan we ook grote maatschappelijke kosten tegemoet. Denk aan overstromingen, aan grote periodes van droogte, aan extra nutsleidingen die we moeten leggen, waterzuivering. Het zijn maar enkele voorbeelden van zaken die op ons afkomen om nog niet te spreken over de files die ons dagelijks doen stilstaan en ook geld kosten.

Wat betreft de planbaten heb ik daarnet gezegd dat je nooit een evenwicht zult kunnen hebben. Dat meen ik ook. Ik denk dat dat hier door de meeste leden, uitgezonderd mevrouw Pira, bevestigd is. In het voorstel zoals ik het op de tafel heb gelegd, is er ook een verhoging van de planbaten. Ik denk dat wat dat betreft, het voorstel conform de conceptnota is, waar we naar een verhoging gaan van 66 procent van de planbaten. Dat klinkt spectaculair, maar dat is een grotere verhoging dan dat we van 80 naar 100 gaan bij de planschade. Het gaat van 30 naar 50 zoals het voorstel op de tafel ligt. Nogmaals, het is een voorstel dat door mij wordt geformuleerd maar waar nog politiek verder over moet worden gepraat.

Wat betreft het overleg dat daarrond plaatsvindt en de betrokkenheid van de andere lokale besturen, gemeentelijk maar ook provinciaal en intergemeentelijk, is het zo dat er een consultatie loopt met de lokale besturen over de teksten die op de tafel liggen wat betreft het BRV. Voor het Instrumentendecreet willen wij eerst politiek de lijn vastklikken en dan in overleg gegaan, waarna we dan de zaken ook met de VVSG en de VVP verder kunnen bespreken. Het is uiteraard de bedoeling om ook de lokale besturen daarbij te betrekken.

Ik denk dat het Instrumentendecreet een mooi verhaal is om de plannen die we allemaal onderschrijven, tot een goed einde te brengen, maar je moet dat spreiden in de tijd, je moet dat realistisch doen, je moet dat op een betaalbare manier toen. Daarvoor is er die spreiding in de tijd, samen met andere instrumenten. Het is dus niet de bedoeling om van alle harde bestemmingen in Vlaanderen aan de hand van één pennentrek te gaan zeggen dat men daar niets meer kan doen en we planschade gaan uitbetalen. Dat is niet het verhaal van de Vlaamse Regering. Het is iets dat wij omzichtig aanpakken. Het moet stap voor stap gebeuren, in stukjes, gebiedsgericht op basis van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Dat is volgens mij de enige manier om tot een haalbaar plan te komen, dat ook betaalbaar en maatschappelijk aanvaardbaar is. Daar wil ik heel nauw over waken, namelijk dat we de drie evenwichten bewaken, betaalbaar, haalbaar en aanvaardbaar, en dat we daar stap voor stap te werk mee gaan. Als je dat bruusk doet, ga je een reactie krijgen zoals we jammer genoeg hebben gezien met de boskaart. Dat werkt niet. Dat is de beste manier om het niet te doen slagen. We moeten dat zeker op een andere manier doen. We moeten op voorhand een duidelijk zicht hebben over de instrumenten en hoe we die gaan inzetten, en dan pas kunnen we tot actie overgaan.

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Minister, uw opmerkingen over haalbaar, betaalbaar en aanvaardbaar kan ik zeker mee onderschrijven. Koken kost nu eenmaal geld. Als men het ruimtelijk transitieproces wil doorzetten, als men een aantal harde bestemmingen van wonen en industrie wil omzetten naar zachte bestemmingen, dan moet daar uiteraard in de nodige middelen voor worden voorzien.

U zegt dat u dat niet wilt doen op een jaar tijd. Ik wil tegelijkertijd opnieuw een pleidooi houden voor inspraak en voor volwaardige vergoedingen. Ik moet opnieuw verwijzen naar wat er is gebeurd met de boskaart en met de omzendbrief van de ruimtelijke transitie. Eenzijdige rechtshandelingen van de overheid maken de burgers, de grondeigenaars ongerust. Daar wil ik zeker over waken.

Ik heb daarstraks collega Vandaele horen zeggen dat de initiatiefnemer moet kunnen bepalen welk instrument straks wordt ingezet om het ruimtelijke transitieproces door te zetten. Ik denk dat het niet aan de initiatiefnemer is maar op de eerste plaats aan de eigenaar, wil men, opnieuw, het verhaal aanvaardbaar en haalbaar maken.

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Minister, ik merk op dat u ondanks aandringen toch niet erg in detail gaat over wanneer het Instrumentendecreet nu juist wordt voorgelegd aan de Vlaamse Regering. Daar moeten we het mee doen.

Ik wil eindigen met een positieve noot. U hebt gezegd: ‘Ofwel is het ons menens, ofwel niet. En als het ons menens is, dan moet er een beleid tegenover staan.’ Daar ben ik het volledig mee eens. U hebt ook gezegd: ‘Als we niets doen, dan staan we ook voor heel veel kosten.’ Daar hebt u honderd procent gelijk in.

De heer Ceyssens heeft het woord.

Ik wil me bijna volledig aansluiten bij de laatste woorden van mevrouw Pira. Ik denk dat we het hier uiteindelijk allemaal over eens zijn: als we gaan naar een nieuw ruimtelijk beleid in Vlaanderen, kan dat ons op termijn geld besparen, maar in eerste instantie zal het geld kosten. Als we als overheid dat beleid willen uitstippelen, dan moeten we daar het geld voor durven klaarleggen en dat niet afwentelen op de individuele burger. Ik denk dat hiermee een grote stap in de goede richting is gezet.

De heer Vandaele heeft het woord.

Mevrouw Peeters zegt dat ik daarnet zou hebben gezegd dat het de initiatiefnemer is die bepaalt welke instrumenten het zijn en niet de eigenaar. Neen, ik heb gezegd dat ik dat van de minister hoorde. Tenzij ik de minister verkeerd begrepen heb, was het dat wat ik de minister hoorde zeggen. Ik heb het maar herhaald om zeker te zijn dat het inderdaad dat was wat de minister zei.

We willen allemaal een correcte vergoeding voor wie zijn of haar grond in waarde ziet verminderen. Ik denk dat we het daar allemaal over eens zijn, en dat we het er ook over eens zijn dat daar middelen voor nodig zijn. Los van de ruilbouwrechten enzovoort, zullen we toch in bepaalde gevallen klinkende munt nodig hebben, vrees ik.

Als we a zeggen, collega's, moeten we ook b zeggen, namelijk: waar gaan we die middelen dan halen? Wat mij betreft liefst niet te veel gewoon bij de belastingbetaler uit de algemene middelen, de belastingbetaler die misschien niet eens zelf een stuk grond heeft, laat staan dat die in waarde zou kunnen verminderen of vermeerderen. We moeten het volgens mij op de eerste plaats proberen te halen bij die mensen die op hun grond in de toekomst meer kunnen realiseren dan vandaag het geval is. Ik vind dat een heel rechtvaardig systeem, een heel eerlijke manier van werken, waar een eigenaar ook geen problemen mee kan hebben, namelijk dat als je ineens een lust krijgt, je ook een stukje van de last op jou neemt.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.