U bent hier

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, u zult ongetwijfeld in uw antwoord zeggen dat het weer een raakpunt of een snijpunt is tussen federale bevoegdheden en de Vlaamse bevoegdheden, maar in mijn ogen is het ook een discussie die verder gaat dan de pure prestatiefinanciering van sommige actoren binnen het ziekenhuis. Ik zal het op voorhand al aankondigen zodat u uw antwoord nog kunt aanpassen. (Opmerkingen. Gelach)

Minister, de topman van de Christelijke Mutualiteit, toch geen kleine speler in ons systeem van gezondheidszorg, maakte enkele weken in de pers een opmerkelijk – en in mijn ogen ongenuanceerd – statement over de ziekenhuizen. Hij stelde met name dat ‘één ziekenhuis op vier gemakkelijk gesloten kan worden zonder dat dit enige afbreuk doet aan de zorgverlening en de toegankelijkheid’.

Minister, u hebt waarschijnlijk ook de reacties gezien op deze opmerkelijke uitspraak. De reacties kwamen van verschillende actoren uit het gezondheidslandschap. Ik som er enkele op: ‘een ziekelijk idee’, ‘zo kunnen oudjes rustig thuis doodgaan’, ‘kort door de bocht’, ‘een uitspraak die op zijn minst voorbarig en enigszins gevaarlijk is’, ‘je moet vanuit patiënt redeneren niet vanuit een pure economische logica’ enzovoort.

Over het aantal ziekenhuisbedden, en de verschillende soorten bedden – niet van alle soorten bedden overschot en/of tekort – kan en moet inderdaad worden gediscussieerd, evenals over waar deze bedden zich al dan niet fysiek geconcentreerd bevinden.

In de discussie over de nieuwe federale ziekenhuisfinanciering, en de netwerkgedachte erachter – conferatur de verschillende niveaus zoals ze in een eerste voorstel ter tafel liggen: ziekenhuis, locoregionale klinische netwerken, referentienetwerken –, komt het aantal ziekenhuizen en ziekenhuisbedden zeker ook aan bod. Op bepaalde punten is er een overaanbod, en dat moeten we in die discussie betrekken, maar ongenuanceerde uitspraken dat een op de vier ziekenhuizen zomaar kan worden gesloten, helpen volgens mij niet en creëren enkel onrust op het terrein.

Ook Vlaanderen heeft hier een rol te spelen – ik blijf op die nagel kloppen –  en moet nadenken over het toekomstige ziekenhuislandschap, en de relatie en interactie met andere gezondheidsactoren, bijvoorbeeld op de eerste lijn.

Voor ons blijft kwaliteit en fysieke en financiële toegankelijkheid van de zorg cruciaal: gelijke toegang tot kwalitatieve zorg voor iedereen.

Minister, hoe positioneert u zich tegenover de boude uitspraak van de heer Van Gorp?

Hoe ziet u het Vlaams ziekenhuislandschap evolueren? Hoever staat de uitwerking van het concept ‘basiszorgopdrachten’?

Hoe ziet u ‘the hospital of the future’, een woord dat u zelf ooit hebt gebruikt?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, ik heb persoonlijk de uitspraak van de heer Van Gorp geïnterpreteerd als een soort plastische voorstelling van de stelling ‘er zijn internationaal vergeleken een aantal bedden te veel, of meer ziekenhuisbedden dan je uit internationale benchmarking zou kunnen concluderen’. Dat heb ik daar in ieder geval uit onthouden. Zoals u zelf ook al hebt gezegd, denk ik dat het een uitspraak is die insiders niet echt kon verrassen, want uit internationale vergelijkingen blijkt inderdaad dat het juist is dat in ons land relatief veel ziekenhuisbedden zijn opgesteld, en niet alle bedden zijn trouwens bezet. Als u kijkt naar het aantal erkende bedden in een aantal ziekenhuizen, zie je voldoende ruimte.

Het is dan ook opportuun dat er zowel over het aantal ziekenhuisbedden en het soort bedden als over de locatie van de exploitatie van bedden en diensten wordt nagedacht. De transities in het zorglandschap zijn een gedeelde bekommernis en een betrachting van alle overheden, dus de federale overheid en de gemeenschappen, maar ook de lokale overheden. Mocht u me straks vragen waarom ik nu wel iets zeg over ziekenhuizen en niet over het andere: in dit geval zijn wij bevoegd voor de erkenning van ziekenhuizen en diensten waarvoor er programmatie- of erkenningscriteria zijn, binnen de programmatie, die een federale bevoegdheid is en is gebleven. We zijn bovendien bevoegd voor de hele financiering van de ziekenhuizen als het gaat over investeringen. Daar zijn we dus eigenlijk een autonome financieringsbron voor een aantal aspecten van de ziekenhuiswerking. We zijn ook bevoegd voor de normen van de ziekenhuizen, met uitsluiting van de organieke norm. We zijn bovendien bevoegd voor de inspectie en het toezicht op de erkenningsnormen. Met andere woorden, er zijn nogal wat institutionele, formele bevoegdheden die ons ertoe brengen om ons ook met betrekking tot ziekenhuizen een idee te vormen, maar zoals gezegd, is dat inderdaad ook een gedeelde bevoegdheid, want de programmatie, de organieke regels en de financiering zijn federale aangelegenheden.

Misschien een kleine voetnoot voor diegenen die dat ingewikkeld vinden. Als ik in andere federale landen op bezoek ga en daar met mijn regionale collega’s over de gezondheidszorg en het gezondheidsbeleid spreek, dan valt me toch altijd een zekere gelijkenis op met de huidige Belgische situatie: overal zijn er ter zake overlappingen en gedeelde bevoegdheden. Dat is bij deze materie in veel landen het geval, denk ik.

U weet natuurlijk dat er diverse initiatieven lopen met betrekking tot de vraag hoe we omgaan met de evoluties in dat zorglandschap, zowel federaal als Vlaams. De focus wordt daarbij niet zozeer gelegd op de individuele ziekenhuizen. In Vlaanderen, maar dat is voor de andere collega’s niet minder zo, denk ik, zijn we daarbij uitgegaan van de noden van de patiënt. Ziekenhuizen en gezondheidszorgaanbieders in het algemeen zijn er natuurlijk niet voor zichzelf: die zijn er om de noden van de patiënt op een gepaste manier te beantwoorden. Dat lijkt me dus de grote uitdaging. Dat zorglandschap moet worden aangepast aan de noden van onze bevolking.

De resultaten van al die lopende initiatieven zullen een antwoord moeten bieden op de vraag hoe het toekomstige zorglandschap er moet uitzien. Een belangrijke studie ter zake is die van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) ‘Heroriëntering van de rol van ziekenhuizen in het zorglandschap’. Die heeft als doelstelling een raming op te maken van de toekomstige behoefte – en dan gaat het over 2025 – aan acute ziekenhuisbedden. De studie gaat ook over het bepalen van de geografische spreiding van standaard- en gespecialiseerde ziekenhuiszorg en de analyse van parameters die gestalte kunnen geven aan ziekenhuisnetwerken. Die studie zou na de zomer 2017 afgerond moeten zijn. In afwachting daarvan denk ik dat we het best proberen om uitspraken over specifieke cijfers wat te beperken. Die studie kondigt zich in ieder geval aan als een zeer cruciale studie voor het beleid.

Nu hebben we natuurlijk niet gewacht. Ik neem aan dat u de nota ‘Nieuw Vlaams Ziekenhuislandschap’ kent, die door de regering is behandeld op 8 juli 2016 en waarin ik onze visie op het nieuwe ziekenhuislandschap heb gegeven. Conform het regeerakkoord van de Vlaamse Regering werd daarbij voorgesteld om het gezondheidslandschap te hervormen tot een zorgsysteem dat beter aansluit bij de noden van de bevolking en dat toelaat om ook in te spelen op wijzigende zorgvragen. Die zorgbehoefte is in belangrijke mate aan het verschuiven, onder andere door de vergrijzing van de bevolking, maar ook door een belangrijke toename van de prevalentie van chronische ziekten. Die kwetsbare doelgroepen hebben baat bij een meer continue zorg en een meer multidisciplinaire benadering. We hebben het daarnet al over gehad. We moeten kunnen trachten dat te realiseren.

Dat impliceert onder meer aandacht voor duurzame samenwerkingsverbanden, niet alleen tussen ziekenhuizen onderling, maar ook tussen ziekenhuizen en de eerste lijn. Een belangrijk uitgangspunt van die nota ‘Nieuw Vlaams Ziekenhuislandschap’ is dat we willen streven naar een solide basisaanbod, een concentratie van expertise en complexe pathologieën en een rationalisatie van het hoogtechnologisch zorgaanbod. In de nota wordt er, voor het eerst, denk ik, zeer expliciet voor gepleit om bij die evolutie van het ziekenhuislandschap te vertrekken vanuit een betere definiëring van wat het solide basisaanbod is dat moet aansluiten bij de eerste lijn. Er is in die nota veel aandacht besteed aan duurzame samenwerkingsverbanden en taakdifferentiatie. In Vlaanderen bestaan er al heel wat vormen van samenwerking en lokaal overleg, maar wij denken dat er een duurzame verankering in meer geformaliseerde netwerkstructuren nodig is. Die gestructureerde samenwerkingsverbanden zullen voor de Vlaamse overheid dan ook uitgroeien tot een intermediair niveau, het regionale niveau, dat wordt aangesproken op een collectieve verantwoordelijkheid inzake de organisatie van zorg voor de bevolking van een bepaalde regio.

De federale overheid heeft sinds de zomer van 2016 het initiatief genomen om in het wettelijk kader voor dergelijke netwerkstructuren in de Ziekenhuiswet organiek te voorzien. Vlaanderen heeft parallel een aantal actielijnen gedefinieerd, onder andere de studieopdracht uitgeschreven inzake de inhoud en het format van het Zorgstrategisch Plan (ZSP) Vlaanderen en de valorisatie van de basisspecialistische opdrachten.

Die studieopdracht inzake inhoud en format van het ZSP Vlaanderen loopt. Daarbij wordt een format ontwikkeld dat door de sector kan worden gebruikt voor de opmaak van een zorgstrategisch plan. De resultaten van het voornoemde KCE-onderzoek over de heroriëntering van de rol van ziekenhuizen in het zorglandschap zullen uiteraard ook een input moeten geven aan die Vlaamse blauwdruk.

De resultaten van die studieopdracht en het format van het zorgstrategisch plan zullen het wetenschappelijk onderbouwde referentiekader bieden voor de raming van de nodige capaciteit en de indicaties voor de nood aan spreiding in functie van de afweging tussen de nabijheid en de nood aan centralisatie en efficiëntie of concentratie van expertise. Die resultaten worden verwacht in het najaar van 2017.

De uitbouw van de ziekenhuisnetwerken, de klinische netwerken, moet ook voldoende inzetten op het voorzien in basisspecialistische zorg die voldoende dicht bij de bevolking wordt aangeboden en ondersteunend is voor de eerste lijn. Wat de uitwerking van dat basisconcept basiszorg betreft, zijn we in een eerste fase gestart met het oprichten voor vier thema’s van een werkgroep met vertegenwoordigers van de basisziekenhuizen, de betrokken beroepsgroep in functie van het thema, de huisartsen en de patiëntenverenigingen. De thema’s zijn: medisch-specialistische zorgverlening gelieerd aan een ouder wordende bevolking, en dan hebben we het over geriatrie, interne geneeskunde, dialyse enzovoort; spoedeisende hulp; de moeder- en kindzorg; ‘focused factories’, zoals basisheelkunde en oncologische dagziekenhuizen. Dat zijn dus de thema’s waarover we in Vlaanderen met de partners rond de tafel zitten, omdat we die beschouwen als elementen van basisspecialistische zorg.

De opdracht van de werkgroepen is om in een viertal vergaderingen voor de zomer te komen tot innovatieve, maar realistische voorstellen omtrent de randvoorwaarden inzake een betere organisatie voor die betrokken thema’s. Daarbij zouden op systematische wijze ook de hefbomen inzake een aantal instrumenten of tools die nodig zijn om dat goed te kunnen uitbouwen, worden bekeken. We denken dan aan de infrastructurele noden, samenwerking in het netwerk en tussen de artsen, de aanpassing van de normering en de financiële repercussies. Zoals gezegd, is dat zeker iets waarbij de federale overheid dan moet zijn betrokken. Ten slotte denken we ook aan de ‘governance’ van het netwerk. We zouden dus een aantal van die zaken willen oplijsten en bekijken welke tot onze bevoegdheid behoren, om daarvoor dan verder een beleid te ontwikkelen.

In het najaar zullen we dan terugkoppelen naar de sector met de resultaten van de overheidsopdracht die we hebben uitgeschreven, en ook met de resultaten van die werkgroepen inzake basisspecialistische zorg.

Ik wil daarbij nog eens een bedenking of sentiment te berde brengen. Ik heb dat al op diverse plaatsen gedaan, maar ik maak van het voorrecht van uw aanwezigheid en het feit dat de wereld ons kan bewonderen, gebruik om het nog eens te zeggen.

Wat ons betreft, is die vorming van de klinische netwerken in eerste instantie gericht op die doelstelling: hoe helpt dat ons de basisspecialistische zorg in de regio uitbouwen, daarin voorzien? Dat is meteen ook het antwoord op uw vraag. Als u naar onze nota kijkt die we destijds aan de regering hebben voorgelegd, en u kijkt naar het plan dat op de eerstelijnsgezondheidsconferentie is voorgesteld, dan zult u merken dat we telkens opnieuw zeggen dat het debat over de hervorming van de ziekenhuizen zeker vanuit Vlaams perspectief niet alleen mag gaan over de vraag waar we de hoogtechnologische zorg concentreren, maar minstens evengoed, zo niet nog meer, over de vraag welke basisspecialistische zorg kort bij de mensen aanwezig moet zijn. We hebben immers soms het gevoel, en nu zeg ik het wat kort door de bocht, dat ziekenhuizen met elkaar over klinische netwerken spreken vanuit de vraag welk klinisch netwerk hun de beste positie oplevert om hun supraregionale functies en diensten te borgen of daarvoor perspectieven te openen. Dat is volgens ons niet het eerste argument om klinische netwerken te vormen. Zeer veel van die supraregionale diensten waarover men dan spreekt, de ‘cathlabs’, de radiotherapieën, de PET-scanners enzovoort, worden immers zelfs niet geprogrammeerd op het niveau van het klinisch netwerk, maar op een niveau dat hoger is dan dat klinisch netwerk. Ik profiteer dus van de gelegenheid om te zeggen dat ik daar bezorgd over ben, omdat het onze overtuiging is dat die netwerken in eerste instantie vanuit de behoefte van de populatie moeten vertrekken en de oefening moeten zijn van hoe men samen garant kan staan voor een goede, toegankelijke en nabije basisspecialistische zorg, en natuurlijk ook van hoe men efficiëntiewinsten kan boeken door samen te werken inzake een aantal issues.

U vroeg me hoe ik het ‘hospital of the future’ zie. Ik denk dat we het allemaal eens moeten zijn met de stelling dat het ziekenhuis van de toekomst er anders uit zal zien dan de huidige ziekenhuizen. Net zoals men zich enkele decennia geleden wellicht onmogelijk kon voorstellen hoe het ziekenhuis van vandaag eruit zou zien, hebben we moeite om ons een ziekenhuis in 2050 voor te stellen. Er is de grote groei van het chirurgisch dagziekenhuis. Er zijn steeds meer ambulante en thuisbehandelingen, zoals deze die mogelijk is bij chemotherapie. Er zijn de online afspraaksystemen en de automatische inschrijfsystemen die bestaan in ziekenhuizen. Kortom, er is duidelijk een vraag naar een continue reflectie over de strategie die ziekenhuizen moeten ontwikkelen. Evoluties waarbij men zich vijftig jaar geleden moeilijk iets kon voorstellen, zijn nu realiteit. Dat betekent dat we zo veel mogelijk rekening moeten houden met de evoluties die we kunnen inschatten om een beeld te krijgen van het ziekenhuis van de toekomst.

Ik moet daarbij nog eens opmerken dat die wijzigende functie van het ziekenhuis wellicht ook niet alleen wordt veroorzaakt door wijzigende interne processen, maar uiteraard ook door externe processen. Denken we maar aan de groei van thuiszorg, wijkgerichte zorg, toenemende technologieën, de impact van big data, de wijzigende rol van de artsen enzovoort. Met name vanuit het perspectief van de investeringsvragen van de ziekenhuizen zijn we als Vlaamse Gemeenschap dus uiteraard genoodzaakt om ook die reflectie mee te nemen over de vraag wat het ziekenhuis van de toekomst is. Een van de manieren waarop we op dit ogenblik proberen dat te doen, is door in het kader van Flanders’ Care een open innovatieoefening te doen. We hebben via een bepaalde methodologie die ons is aangereikt, stakeholders, maar ook externe experts samengebracht. Met hen zullen we een traject afleggen om eens out of the box erover na te denken hoe zo’n ziekenhuis van de toekomst eruit zou kunnen zien, om te bekijken welke de dingen zijn waarvan we weten dat we ze eigenlijk geleidelijk aan onder ogen moeten nemen, om uiteraard dan ook op een later moment te bekijken op welke manier die dynamiek haar consequenties zou moeten hebben voor het investeringsbeleid van de overheid.

We nemen die overweging dat dat ziekenhuis van de toekomst een erg dynamisch gegeven is, wel degelijk mee in onze transitieprocessen. Zoals gezegd, zijn we ermee bezig om die oefening eens te concretiseren, al was het maar om daaruit te leren hoe innovatief een aantal ontwikkelingen ter zake zullen zijn.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. In het begin zei u het zo te hebben begrepen dat de heer Van Gorp een plastische uitspraak deed en een voorbeeld gaf over het aantal ziekenhuisbedden. Dat kan, maar zijn uitspraak was een beetje anders geïnterpreteerd door sommigen. Vandaar ook enigszins de onrust en de reden voor deze vraag.

Ik ben wel tevreden met de uitgangspunten die u vooropstelt, namelijk de noden van de patiënt. Dat lijkt me terecht. U zegt dat een ander belangrijk uitgangspunt voor u een toegankelijke en nabije basisspecialistische zorg is. Ik moet toch een bekommernis meegeven wat dat betreft. U weet dat het landelijke gebied dat de Kempen is, een netwerk van ziekenhuizen heeft, en dat niet om supraregionale noden in te vullen. In die landelijke gebieden worden wij regelmatig geconfronteerd met een opnamestop, omdat de ziekenhuisbedden vol liggen. U hebt in uw antwoord terecht verwezen naar het aantal verantwoorde bedden en het aantal erkende bedden. In de Kempen zijn er nog ziekenhuizen waar het aantal verantwoorde bedden toeneemt. Dat zijn zeer grote uitzonderingen. Door die ongenuanceerde uitspraken is er onder meer in onze regio dus enige onrust ontstaan. Hoe zal Vlaanderen er mee voor zorgen dat ook in de meer landelijke gebieden elke inwoner nog recht zal hebben op een goede, kwalitatieve, fysiek en financieel toegankelijke zorg in ziekenhuizen? We hebben het hier dan over wat u basisspecialistische zorg noemt. Het gaat hier niet over topklinische zorg. Die basisspecialistische zorg moet men toch overal kunnen garanderen.

Minister, dan kom ik tot mijn bijkomende vraag. U zegt dat er vier studies zijn, over vier thema’s met betrekking tot basisspecialistische zorg. Dat zal worden opgeleverd in het najaar van 2017, heb ik begrepen. De studie van het kenniscentrum over de heroriëntering van de ziekenhuizen wordt ook opgeleverd tegen dan. Dat is toch de planning. Ik neem aan dat u, als die twee resultaten naar buiten komen, dan verder aan de slag gaat met die gegevens, en dat u die niet gaat koppelen aan de misschien minder evoluerende discussie omtrent de ziekenhuisfinanciering. Ik neem aan dat Vlaanderen niet zal wachten om het eigen ziekenhuislandschap in te vullen op basis van de gegevens die u zult hebben verkregen via die studies, tot wanneer men federaal ooit misschien landt met de ziekenhuisfinanciering.

De voorzitter

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

Voorzitter, ik wil collega Bertels bedanken voor zijn vraag. Minister, ik ben ook blij met uw antwoord. U gaat voor een planmatige en rationele benadering. Mijnheer Bertels, ik ken u als een verstandig en rationeel man. Laat u niet ongerust maken of opjagen door uitspraken in de media. Ik doe dat doorgaans niet. Ik denk niet dat we woord en wederwoord in de media hier tegen elkaar moeten gaan afwegen. U weet dat ik er een voorstander van ben dat we gaan naar een planmatige, rationele planning en programmatie van zorgvoorzieningen, in al hun aspecten, van de ziekenhuizen tot en met de geestelijke gezondheidszorg. U weet dat dat een stokpaardje is van mij.

Minister, ik heb in uw antwoord heel wat handvatten gehoord: de noden van de patiënt, de basisspecialistische zorg. Er is zeker ook lering te trekken uit de benchmarking met het omringende buitenland, zonder dat altijd op een piëdestal te zetten, want het is elders niet altijd beter.

Ik heb toch nog een bezorgdheid. Als we die oefening maken, dan mogen we ons niet beperken tot de basisspecialistische zorg die dicht aansluit bij wat we in de eerste lijn proberen vorm te geven, namelijk trajecten van chronische zorg en frequent voorkomende aandoeningen. Feit is immers dat de tertiaire ziekenhuizen, met een infrastructuur voor zware zorg, toch een heel sturende rol hebben in ons zorglandschap. Wij zijn ook geen unicum ter zake. Het is eigenlijk wel zo in alle landen die ik in mijn carrière heb bezocht, dat de ziekenhuizen een heel sturende rol hebben. Daarom is mijn bezorgdheid toch dat in die planning al die verschillende niveaus van die piramide zouden worden meegenomen.

De technologie, – dat is ook de lering die we krijgen van experten als Lieven Annemans – de medische vooruitgang, leidt thans, en is niet alleen een kostendrijver, maar gaat ook de vraag enorm aansturen.

Het is belangrijk dat we die verschillende echelons van secundaire, tertiaire – men spreekt soms al van quartaire – ziekenhuizen, met heel specialistische behandelingen, voldoende meenemen. Om nog maar te zwijgen van het groeiende aanbod van privéziekenhuizen, die nu ook, zeker in een stedelijke context, hun plaats aan het verwerven zijn op de markt.

Ik ga volledig akkoord met die planmatige benadering. Maar toch wil ik een aantal waarschuwingen geven.

Ik verwijs naar de recente patiëntendossiers en de mogelijkheid die wordt aangeboden om die in te kijken, zowel door UZ Gent als UZ Leuven. Zij tonen aan dat de grootste instellingen, met de zwaarste backbone en de zwaarste capaciteit, vaak de maat aangeven in zorgorganisatie in ons Vlaamse en bij uitbreiding nationale landschap.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Wel, ik ben het met dat laatste eens. Het is inderdaad heel duidelijk dat je niet zomaar één stuk uit dat verhaal kunt nemen, zonder oog te hebben voor de andere elementen.

Maar waarop ik even, misschien een beetje extreem, de aandacht heb willen vestigen, is dat de klinische netwerken die men aan het formeren is, niet het niveau zijn waarop de federale overheid de ambitie heeft om vele, zeer gespecialiseerde vormen van zorg te programmeren.

Ik merk dat daarover vaak een misverstand bestaat. Men denkt dat men in het klinische netwerk kan afspreken waar de PET-scanner die aan dat klinisch netwerk zal worden toegekend, mag worden opgesteld, waar het cathlab zal komen, voor zover we daar ooit nog meer van zouden moeten hebben dan we nu al hebben, enzovoort. En dat is geen juiste redenering. We gaan uiteraard de beweging van concentratie, ook vanuit de Vlaamse bevoegdheden en de manier waarop we erkenningen kunnen geven binnen de programmatieruimte, mee steunen. Maar het is niet de eerste rol van het klinisch netwerk om daar, bij wijze van spreken, intern een soort van taakverdeling te doen. Veel van die zaken zullen namelijk op een veel hoger niveau geprogrammeerd zijn.

Neem bijvoorbeeld beroertezorg. Het is niet de bedoeling – ik ben toch nog niemand tegengekomen die dat denkt – dat we in elk van de hopelijk veertien erkende klinische netwerken een S2-setting zullen hebben, enzovoort.

We moeten dus ook proberen een beetje te begrijpen welk niveau voor wat staat in de programmatie. Uiteraard ben ik het er helemaal mee eens dat je, als je dat landschap bekijkt, niet alleen mag denken aan wat dat klinisch netwerk betekent, maar dat je ook de andere dimensies moet meenemen. Op dat vlak ben ik het helemaal met u eens, mijnheer Persyn. In de vorige regering heb ik een poging gedaan om de privéziekenhuizen met een decreet te regelen. Dat is gestuit op het Grondwettelijk Hof. Het is heel duidelijk: je kunt geen landschap ordenen als je ook niet kijkt naar datgene wat er zich daarbuiten kan afspelen en dat eigenlijk, door de steeds meer beschikbare technologie, ook steeds meer mogelijkheden heeft. Dat moet je mee betrekken in dat beeld. Dat staat trouwens ook met zoveel woorden in de intenties van de federale collega.

Mijnheer Bertels, ten slotte wil ik nog iets zeggen over die ziekenhuisfinanciering. Tot nu toe – en de laatste keren heb ik dat mogen meemaken vanuit het voorzitterschap van de IMC, want Vlaanderen is nog enkele maanden voorzitter van de IMC Volksgezondheid – is de concertatie wat betreft de hervormingen en de ontwikkelingen die daarrond in de regelgeving moeten gebeuren, vrij intens. Ik denk dat wij daarin heel goed samenspelen. Onze nota’s sporen helemaal met de stellingen en de visies die werden ontwikkeld op het federale niveau. We proberen nu ook heel sterk elkaars cadans daarin te respecteren en iedereen bij de les te houden. Maar wij zijn daarin natuurlijk betrokken partij, al was het maar omdat ziekenhuizen ons vragen stellen over investeringsprogramma’s. En je kunt daar maar binnen je eigen bevoegdheid een antwoord op geven, als je tenminste conceptueel van elkaar weet op welk concept je je eigen bevoegdheid, organieke regels en financiering enzovoort uitoefent, voor de federale overheid en voor ons.

Tot nu toe loopt dat allemaal parallel. Maar het is duidelijk dat wij daar een eigen belang bij hebben dat dat vooruitgaat. De sector en de patiënten in het bijzonder hebben er trouwens alle belang bij dat we dat zo veel mogelijk in synergie doen en dat niet de ene in de ene richting en de andere in de andere richting gaat. Ik denk dat niemand daar echt mee gebaat zou zijn.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Mijnheer Persyn, dat er een planmatige planning moet gebeuren, daarover zijn we het allemaal eens. Er moet een globale oefening gebeuren. We kunnen er niet zomaar een aantal sectoren uitknippen. Daarover zijn we het allemaal eens.

Ik ben blij met uw aanbod – als ik dat zo mag begrijpen – dat we effectief iets moeten doen aan de ‘wildgroei’ van sommige private ziekenhuizen, die zich richten op sommige ziektebeelden – en het woord ‘ziektebeeld’ is hier niet toevallig gekozen. Ik denk dat we daarvan effectief werk moeten maken, ook vanuit Vlaanderen. 

Minister, ik ben blij met uw antwoord, in de zin van de uitgangspunten nood van de patiënt en basisspecialistische zorg. De grootste doelstelling die ik had met deze vraag is een deel onrust wegnemen in de landelijke gebieden. Die kan hierbij zijn weggenomen, want de minister heeft twee keer gezegd dat nabijheid – als ik mij niet vergis, hebt u ook het woord proximiteit gebruikt – van die basisspecialistische zorg belangrijk is. Ik neem dan ook aan dat we er ook in de landelijke gebieden zeker van mogen zijn dat in de nabijheid basisspecialistische zorg georganiseerd zal blijven.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.