U bent hier

Dinsdag 25 februari zijn de website en de webservices niet beschikbaar

Op dinsdag 25 februari zijn de website www.vlaamsparlement.be en de webservices niet beschikbaar.
Er is een technisch onderhoud van alle informaticasystemen.
De werken starten om 09:00u en duren waarschijnlijk de hele dag.
Om de impact van de onderhoudswerken te beperken, is dit in het krokusreces ingepland.
Onze excuses.

De voorzitter

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, het begin van deze maand was ook het begin van de ramadanperiode. Kort nadien al trok een directeur van de Brusselse scholengroep van het Gemeenschapsonderwijs aan de alarmbel, omdat er een aantal kinderen – jonge kinderen nog van 9, 10 of 11 jaar – zich in een aantal scholen onverantwoord en onaanvaardbaar streng religieus opstelden tijdens die ramadanperiode. Het ging dan voornamelijk om lagereschoolkinderen die zelfs weigerden om deel te nemen aan zwemlessen uit angst om een slok water binnen te krijgen. Het ging ook om nog altijd zeer jonge leerlingen uit het secundair onderwijs die weigerden deel te nemen aan muzieklessen, omdat muziek des duivels zou zijn en dergelijke meer.

De directeur wees in eerste instantie met de vinger naar Koranscholen. Hij noemde het zelf “schimmige Koranschooltjes, vzw’s waarvan niemand weet wat er gepredikt wordt”. Daar zouden die jonge leerlingen dan geïndoctrineerd worden en zou hun een strenge islamitische leer bijgebracht worden. Volgens de directeur deed het fenomeen zich vooral voor in Schaarbeek, Sint-Jans-Molenbeek en Anderlecht, maar kort na de berichtgeving daarover kwamen er vanuit andere steden gelijkaardige geluiden.

Dat is uiteraard erg verontrustend. U hebt terecht gereageerd door te zeggen dat het niet kan dat kinderen uit culturele of religieuze overtuiging of welke andere overtuiging dan ook weigeren deel te nemen aan de lessen. Hoewel ik het met die stelling eens ben, heb ik toch nog een aantal vragen.

Kunt u toelichting geven bij omvang van de problematiek? Is het inderdaad beperkt tot de Brusselse scholen die ik vernoemd heb, of hebt u ook geluiden opgevangen uit andere scholen in andere gemeenten of provincies? Zo ja, kunt u de omvang van dat probleem toelichten? Hebt u al een gesprek gehad met de betrokken scholen? Zo ja, wat hebben die gesprekken opgeleverd? Welke oplossingen werden desgevallend voorgesteld?

Op welke wijze kan de religieuze ongehoorzaamheid gevolgen hebben voor het eindrapport van de betrokken leerling en het aan deze leerling af te leveren attest? In welke mate kan deze houding aanleiding geven tot uitsluiting van de school? Een dergelijke houding van leerlingen duidt uiteraard op een gevaarlijke vorm van extremistische indoctrinatie. Wordt de bron van die radicalisering in de genoemde gevallen structureel onderzocht en wat wordt dan met die informatie gedaan? Wordt dergelijke informatie systematisch doorgegeven aan de veiligheidsdiensten? Hoe wilt u dergelijk gedrag in de toekomst voorkomen?

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, collega’s, mijn vraag gaat vooral over de gevolgen van het toch wel zeer doorgedreven volgen van religieuze overtuigingsrituelen en de effecten op de schoolse prestaties. Op 6 juni startte de ramadan. Naar aanleiding daarvan is in de media gekomen dat een aantal kinderen en jongeren zeer ver gingen en niet wilden deelnemen aan de zwemles. Ze hadden ook geen middageten bij. En ook de muziekles kon niet meer.

Minister, u hebt daarop gereageerd door te stellen dat elk kind in de beste omstandigheden school moet kunnen lopen en dat culturele of religieuze overtuigingen nooit de normale deelname aan de lessen in de weg mogen staan. U riep de scholen op om in dialoog te gaan met leerlingen en ouders, en u gaf aan dat er ook externe hulp kan worden ingeschakeld, mocht die dialoog geen soelaas bieden.

Wij investeren zeer veel middelen in gelijke onderwijskansen. Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze streng religieuze ouders hun steentje bijdragen om te zorgen voor maximale ontwikkelingskansen voor hun kinderen en om hun toekomst niet te hypothekeren? Er is nu die combinatie met de maand waarin de ramadan valt. In juni zijn er immers examens of toetsen over grotere gehelen. Als je een hele dag niet eet en dan ’s avonds in de gezellige familiesfeer wel maaltijden nuttigt, kan ik mij voorstellen dat dat een effect kan hebben op de resultaten van die leerlingen.

Daarnaast vraag ik mij af, als er examens worden afgenomen van bijvoorbeeld muziek of zwemmen, of die religieuze achtergrond dan een gewettigde reden is om daar niet aan deel te nemen. Het kan ook dat een leerling zijn examens of toetsen niet goed heeft kunnen afleggen, omdat hij er maar op flanellen benen bij liep en niet optimaal heeft kunnen studeren. Ik vraag me af wat daar dan de gevolgen van zijn.

En welke externe hulp kunnen scholen inschakelen als de dialoog tussen hen en de leerling en de ouders niets oplevert?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik wil nog eens herhalen dat het voor mij totaal niet kan dat de normale deelname aan lessen in de weg gestaan wordt door bepaalde religieuze of culturele overtuigingen. Voor mij is het van belang dat elk kind in de best mogelijke omstandigheden school kan lopen. Ik heb kennis genomen van het feit dat in een aantal gevallen ook zeer jonge kinderen er een zeer ‘uitbundige’ interpretatie van de ramadan op nahielden. Dat is voor mij uit den boze en moet compleet vermeden worden.

Het probleem dat door de heer Goris in de media is aangehaald, verwijst naar een aantal heel specifieke casussen. Wij hebben binnen de Vlaamse administratie geen overzicht van het aantal betrokken leerlingen of het aantal scholen dat te maken heeft met een gelijkaardige problematiek. Dat is ook logisch, want dat zijn zaken die individueel kunnen voorvallen in scholen en waar scholen dan op de best mogelijke wijze mee moeten omgaan.

Men geeft bij ons wel aan dat er ook de vorige jaren sporadisch dergelijke problemen waren. Het feit dat de ramadan net nu in de zomer en tijdens de zwaar belastende examenperiode valt, accentueert het geheel natuurlijk nog meer. Als dat buiten de examens valt, is het natuurlijk een andere context dan als dat middenin de proeven valt.

Enkele scholen van binnen en buiten het Brusselse namen in dit verband contact op met mijn administratie. De vragen die ze stelden, waren veeleer gericht op het inwinnen van informatie: wat kan, wat mag, waar liggen de grenzen en hoe pakken we de ramadan aan in combinatie met zee- of bosklassen die worden georganiseerd?

Er zijn heel weinig meldingen geweest van probleemsituaties in scholen. Waar het toch gebeurde, zijn de scholen onmiddellijk in contact gebracht met het netwerk van islamexperten. Gisteren hoorde ik via een tweet of persbericht van problemen in een bepaalde school. Ik weet niet welke school. Heel jonge kinderen wilden plots de ramadan volgen, en de leerkracht, die trouwens zelf als levensbeschouwing de islam aanhield, heeft met de leerlingen gesproken. Onmiddellijk daarna was het probleem opgelost en waren de leerlingen overtuigd dat het niet nodig was. Het is wel belangrijk dat op zulke momenten mensen die zelf de levensbeschouwing aanhangen en volgen, onmiddellijk met goede contextuele begeleiding naar scholen kunnen gaan om leerlingen daarmee te confronteren. Ik wil toch niets aan duidelijkheid overlaten dat dit wat mij betreft ook bij jonge kinderen uit den boze is.

Wat te doen in zulke situaties? In de eerste plaats is het van groot belang dat scholen de dialoog aangaan met ouders om een duidelijk beeld van de problematiek te krijgen. We mogen er niet van uitgaan – dat is ook gebleken in de voorbeelden die de voorbije weken opdoken – dat ouders per definitie achter elke handeling of uitspraak van hun kinderen staan. Sowieso kan er sprake zijn van alternatieve verklaringen of onderliggende problemen die het gedrag van de leerling op een bepaald moment verklaren. Zeker moet er eerst en vooral dialoog zijn met de ouders. Als dit gesprek moeilijk loopt, kunnen ze hierbij de hulp van het CLB inroepen. Indien nodig zullen de CLB’s vanuit hun draaischijffunctie op zoek moeten gaan naar een oplossing op maat.

Sinds 1 oktober 2015 is er ons netwerk van islamexperten. Ervaren mensen met een grondige kennis van de leefwereld van jongeren geven duiding over de islam en de islamitische waarden en normen. Ze gaan klasgesprekken aan met de leerlingen over islam en zingeving. Het netwerk kan dus zeker worden gevraagd om uitleg te geven over de ramadan en leerlingen te helpen om op weg te worden gezet.

Het netwerk werd hiervoor al enkele malen ingeroepen. Daarnaast kan het netwerk ook worden gevraagd om leerkrachten te coachen en te informeren, omdat sommige leerkrachten wel wat zelfvertrouwen ontberen om open en positief in gesprek te gaan met leerlingen. Als scholen naar aanleiding van deze gesprekken bezorgdheden hebben in het kader van radicalisering, dan kunnen ze een beroep doen op een aantal initiatieven, waarover in de commissie al heel uitvoerig is gesproken. 

Volgens de regelgeving – de Codex Secundair Onderwijs, het niveaudecreet basisonderwijs en het decreet Leren en Werken – moet een regelmatige leerling in het leerplichtonderwijs het leerprogramma volledig en daadwerkelijk volgen zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Dat zijn de afwezigheden die van rechtswege of bij beslissing van de school gewettigd zijn. Van rechtswege is het bijvoorbeeld toegelaten om afwezig te zijn voor het beleven van de feestdagen die verbonden zijn aan de door de Grondwet erkende levensbeschouwelijke overtuiging van de leerling. Moslimkinderen mogen afwezig zijn op het Suikerfeest en het Offerfeest mits schriftelijke melding van de ouders. In de voorbije weken heb ik vastgesteld dat heel veel mensen niet weten dat het zo in onze regelgeving staat ingeschreven.

Los van deze uitzonderingen is het zo dat indien leerlingen weigeren om aan bepaalde lessen of evaluatiebeurten deel te nemen, dit gelijkstaat met problematische afwezigheid. Vanaf dat moment gelden alle regels die ook in andere situaties van problematische afwezigheid van kracht zijn. Een problematische afwezigheid kan niet worden gesanctioneerd met een tijdelijke of definitieve uitsluiting. Een uitsluiting is immers een tuchtsanctie die volgt op een gevaarsituatie die de leerling op school heeft gecreëerd.

Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad of de leerling in voldoende mate de leerplandoelen heeft bereikt. De afwezigheid van de leerling, zeker indien langdurig, kan een hypotheek leggen op het bereiken van die doelen. Als de afwezigheid zich voordoet tijdens geplande examens of toetsen, behoort het tot de autonomie van de school – toch hebben ze daar kansen toe – om te bepalen of de leerling een tweede kans wordt geboden dan wel of, indien het een problematische afwezigheid betreft, dit onmiddellijk naar een evaluatiecijfer wordt vertaald.

Als een school een melding maakt van verontrustende signalen, bijvoorbeeld bij onze administratie, blijft zij steeds eigenaar van deze vraag. Als er een acute dreiging is voor de veiligheid van de school of de leerling, dan wordt aan de school aangeraden om contact op te nemen met de lokale politie en kan de zaak verder worden opgevolgd door de bevoegde veiligheidsdiensten.

We mogen geen verkeerde verwachtingen hebben van CLB’s en scholen. Het opsporen van misdrijven behoort exclusief tot de bevoegdheid van de politie en het is bijgevolg niet aangewezen dat CLB-medewerkers zelf op zoek zouden gaan naar strafbare feiten. We hebben de omzendbrief PLP 41. Nu komen we weer bij het punt dat mij zorgen baart: in de omzendbrief staat dat scholen bij de lokale politie een vast aanspreekpunt moeten hebben. Ik heb u een aantal weken geleden verteld dat in een op drie van onze scholen dit aanspreekpunt er niet is. Dat is opnieuw opgenomen met de bevoegde federale minister en de federale politie. Dat moet in orde komen, bij voorkeur wanneer het nieuwe schooljaar start. We zitten in bijzondere tijden. Het is elementair dat als je dat in een omzendbrief opneemt, je moet maken dat elke school een contactpersoon heeft. Als er niemand specifiek voor wordt aangeduid, is het wellicht het hoofd van het korps. Maar scholen moeten weten wie dat aanspreekpunt is. Er wordt ook werk van gemaakt.

Als ik de berichtgeving in de media lees, dan lag de basis van de ‘streng religieuze opstelling’ in een aantal van de gevallen van sommige leerlingen niet bij de ouders. We hebben zelfs een aantal situaties meegemaakt waarbij de ouders zelf geschrokken waren van het gedrag van hun kinderen. We mogen er niet zomaar van uitgaan dat het probleem bij de ouders ligt en dat zij moedwillig ontwikkelingskansen van hun kinderen ontnemen.

Op die plaatsen waar er een participatief schoolklimaat is, waar zowel ouders als leerlingen actief betrokken worden bij de schoolorganisaties, heb je veel minder problemen en zijn de zaken veel beter bespreekbaar. Daar blijft de dialoog echt wel aan de orde.

Preventieve acties zijn zeker aangewezen, waarbij scholen op voorhand, maar wel op een constructieve wijze, in dialoog gaan en zelf zeggen wat kan en wat niet kan, dit allemaal in het belang van het optimaal kunnen participeren van leerlingen aan de lessen.

De voorzitter

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, u bent begonnen met te zeggen dat u geen overzicht hebt van het aantal betrokken leerlingen of scholen waarin deze problematiek de voorbije maand gespeeld heeft. In elk geval is uit mediaberichtgeving gebleken dat dergelijke signalen vanuit verschillende onderwijsnetten kwamen en dat het probleem niet nieuw was en zich al eerder heeft voorgedaan. Ik denk dat we daar krachtig op moeten reageren, net zoals we op elke vorm van ongewenste islamisering krachtig moeten reageren, zeker als die in strijd is met onze gewoonten, onze normen en waarden die in onze vrije, westerse, Europese samenleving gelden.

U zegt dat de ouders er vaak niet eens van op de hoogte zijn. Ik kan dan verwijzen naar wat de heer Goris zei: kinderen worden geïndoctrineerd in allerlei Koranscholen waarvan ouders misschien zelfs niet eens weten wat daar allemaal aan die kinderen wordt verteld. Wanneer ik trouwens ministers hierin het parlement over die verontrustende toename van het aantal Koranscholen in Vlaanderen en Brussel ondervraag, dan zegt men: in principe is dat vergelijkbaar met catecheselessen. Ik ben het daar niet mee eens. U kijkt raar, minister, maar uw collega-minister Homans zei letterlijk toen ik haar ondervroeg over Koranscholen: in feite is dat vergelijkbaar met catecheselessen. Ik ben het daar helemaal niet mee eens. Het gaat daar allemaal niet zo onschuldig aan toe, zonder ze allemaal over dezelfde kam te willen scheren. De signalen dat er een bepaalde vorm van streng islamitische leer, salafisme of wat dan ook, in die Koranscholen wordt bijgebracht aan leerlingen, moet een alarmbel doen afgaan. Ik denk dat het nodig is dat er vanuit de overheid controle komt op die scholen en we ze doorlichten. Indien dat geen bevoegdheid kan zijn van de Vlaamse Gemeenschap, dan moet u maar contact opnemen met uw federale collega, desnoods de minister die bevoegd is voor de Staatsveiligheid. Ik denk dat het echt wel noodzakelijk is dat we daar een zicht op krijgen en controle op krijgen, want die is er absoluut niet.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Dank u wel, minister. Dat van het Suikerfeest was me bekend, maar het Suikerfeest is natuurlijk maar een dag. Het gaat me vooral over het ontnemen van de kansen van kinderen en jongeren op een vlotte doorstroming in het onderwijs omdat ze al dan niet zelf streng de ramadan volgen zodat dat hun schoolprestaties beïnvloedt. Uw antwoord was zeer duidelijk. Ik kan volledig onderschrijven dat u zegt dat dit voor jonge kinderen eigenlijk niet kan en dat het hun toekomst hypothekeert. Daar ben ik het absoluut mee eens. Ik ben ook blij dat u dat signaal geeft.

U geeft aan dat men in gesprek moet gaan met de ouders. Ik denk dat het belangrijk is dat de ouders ten minste weten wat er aan de hand is, te meer omdat sommige ouders niet door hebben dat hun kind streng religieus aan het worden is en zij het zelf niet zijn. Een kind komt dat niet noodzakelijk thuis vertellen. Dat lijkt me dus cruciaal.

U hebt het gesignaleerd en ik kan het alleen maar bijtreden: wat op school gebeurt, is cruciaal. Er zijn feestdagen waarvoor men afwezig kan zijn. Op alle andere momenten is de verwachting zeer duidelijk en zeer eenvoudig dat je aan alles deelneemt. Zeggen dat het ramadan was, is geen geldige reden op een deliberatie. Dat zou een brug te ver zijn.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Collega’s, is dit een probleem? Ja, het is een probleem. Is het al langer gekend? Ja! Het is niet omdat er nu één schoolbestuur naar de krant trekt en zegt dat het voor hen de eerste keer is dat het nu ineens een probleem is. Wat trouwens volgens mijn inlichtingen niet klopt, er zijn scholen in Brussel die met deze problematiek al langer bezig zijn. De basisboodschap, die onlangs nog op de algemene vergadering van de Onderwijskoepel van de Steden en Gemeenten (OVSG) uitgebreid aan bod is gekomen, is dat er elke dag aan gewerkt wordt. Ik wil mijn appreciatie uitdrukken voor wie daar elke dag aan werkt. Ik ondervind dat heel wat directies en schoolbesturen steun krijgen vanuit de inspectie islamitische godsdienst. Die mensen trekken mee aan de kar om ouders en kinderen die dit soort boodschappen brengen of dit soort gedrag vertonen duidelijk te maken dat dit niet hoort.

Maar ook de radicaliseringscellen zijn zeer actief, niet alleen in mijn stad maar ook in Mechelen, Antwerpen en een aantal andere plaatsen. Het klopt dat ouders niet altijd op de hoogte zijn. Maar als ze door de school worden gecontacteerd, zijn zij zelf de eersten om actie te ondernemen. Veel leerkrachten levensbeschouwelijke vakken en in het bijzonder islamitische godsdienst ondernemen daar echt wel actie.

Minister en collega’s, er is iets wat mij hoopvol stemt, en het sluit aan bij de vraag van de heer Daniëls, die over het schooltraject van de kinderen spreekt: dat steeds meer ouders zich beginnen te organiseren om de schoolcarrière van hun kinderen vooruit te helpen. Zij doen dat soms op een amateuristische manier maar toch ook steeds meer op een doordachte manier. Misschien zou het goed zijn dat we het volgende parlementaire jaar een aantal van die organisaties die op verschillende plaatsen ontstaan naar de commissie Onderwijs zouden uitnodigen. We zouden het ook kunnen doen in de commissie Radicalisering, maar ik denk echt wel dat de meesten de bedoeling hebben om kinderen in het Vlaamse onderwijs zo ver mogelijk te begeleiden en om zo hoog mogelijke verwachtingen te koesteren. In mijn eigen stad is er zo’n organisatie van mama’s, 1001 schakels. Je hebt ook Les parents concernés. Die werken vooral op het radicaliseringsproces, maar ze kijken daar ook sterk naar onderwijs. Ik hoor dat er in Antwerpen en Mechelen ook dergelijke verenigingen zijn. Het Regionaal Open Jeugdhuis Mechelen (ROJM) is daar ook mee bezig, zoals we in de commissie Radicalisering hebben gehoord. Wij moeten daarop focussen. We moeten dat in de bespreking der werkzaamheden van onze commissie eens bekijken. We zouden hier ook de levensbeschouwingen eens moeten ontvangen. Minister, u hebt er al meerdere keren mee samengezeten. Zij zijn echt wel onze bondgenoten in dit dossier.

Mijnheer Janssens, heb ik u daarnet goed begrepen dat u pleit voor controle op de plaatsen die niet erkend zijn? (Opmerkingen van Chris Janssens)

Ja? Want in de plenaire vergadering zegt u voortdurend dat de Vlaamse overheid geen moskeeën mag erkennen. Maar Koranscholen opereren vaak onder de vleugels van een moskee. Door moskeeën te erkennen heeft de Vlaamse Gemeenschap wel oren en ogen op het terrein. (Opmerkingen van Chris Janssens)

Dat is geen onzin. Als u de minister zou vragen om een private school te inspecteren, zal de minister u antwoorden dat als dat geen erkende of gesubsidieerde of gefinancierde school is, de inspectie daar niets te zoeken heeft.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer De Ro, wij kunnen wel controleren of de leerplicht wordt vervuld. Maar de Koranscholen hebben weinig te maken met het al of niet vervullen van de leerplicht. Ik heb daar als minister van Onderwijs geen enkele impact op. Ik heb een paar weken geleden vrij lang samengezeten met mijn federale collega van Justitie Koen Geens. Wij hebben bekeken hoe wij de handen in elkaar kunnen slaan op dat punt. Ik kan er niet aan. Ik weet ook niet wat daar gezegd wordt. Maar we kunnen er niet omheen dat sommige kinderen wel de invloed ervaren van wat daar gebeurt. In sommige Koranscholen zal het inderdaad een beetje zijn zoals in de catecheseles, maar in andere is dat misschien niet zo. Het is zeer moeilijk om dat te traceren en het verschil daarin op te merken.

Mijnheer De Ro, het is juist dat er initiatieven worden genomen. Ik heb er ook een paar extra opgesomd. Maar wat mij enorm tegen de borst stoot en waar ik echt door gechoqueerd was, is dat heel jonge kinderen ertoe worden aangezet of zelf de beslissing nemen om deel te nemen aan de ramadan, terwijl de levensbeschouwing zelf expliciet in een uitzondering voorziet voor jonge kinderen. Ik zou nooit zo hevig gereageerd hebben indien het niet in die context was geweest.

Ik heb alle begrip voor scholen die heel veel moslimkinderen hebben en die het niet belangrijk vinden of je nu je examen in de voor- dan wel in de namiddag doet. Ik zie dat zelfs bij mij in Torhout, en dat is helemaal niet gedreven door de een of andere levensbeschouwing. Het ene jaar heeft ’s morgens examen, het andere jaar ’s namiddags. Ik kan ermee leven dat je daar rekening mee houdt. Dat heeft geen negatieve impact op de schoolcarrière. Maar dat heel jonge kinderen beslissen om geen muziekles te volgen of om niet te zwemmen of niet te eten, terwijl de levensbeschouwing op zich in die uitzondering voorziet, daar heb ik het bijzonder moeilijk mee. We moeten daar heel scherp op zijn omdat dat nefast is voor de ontwikkeling van het kind. Ik zal daarover nooit van mening veranderen. Ik ben bereid om met alles en iedereen in overleg te gaan. We moeten voldoende tolerant zijn voor elkaar – u weet dat – maar er zijn grenzen die we moeten respecteren. Zeker ten aanzien van jonge kinderen is dat voor mij een grens.

Jo De Ro (Open Vld)

Minister, mijn opmerking was alleen dit. Sommigen ontdekken dit nu omdat het de pers haalde, maar op het terrein wordt dat al jaren door heel veel directies, mensen van CLB’s en ouders opgemerkt, en wordt daar ook mee omgegaan zonder publieke...

Minister Hilde Crevits

Ik heb net het voorbeeldje gegeven dat ik een paar dagen geleden heb gezien. Toen heeft een leerkracht zelf gesproken met de kinderen in kwestie en hebben ze op één na allemaal beslist om te stoppen met de ramadan. Er is ook een uitzondering mogelijk in examenperiodes in het hoger onderwijs. Er is zoveel mogelijk. We moeten daarover blijven spreken. Wij kunnen zeggen dat we dat niet oké vinden, maar als de gemeenschap zelf dat signaal geeft, dan gaan we veel meer bereiken.

De voorzitter

De heer Janssens heeft het woord.

Vooreerst, collega De Ro, als u denkt dat alleen maar het erkennen van moskeeën inhoudt dat men daar ook controle over heeft, of minstens een zicht op wat er in al die moskeeën wordt verteld, dan is dat natuurlijk je reinste onzin. (Opmerkingen van Jo De Ro)

Alleen al het feit dat een imam uit een erkende moskee, zijnde moskee De-Koepel, jihadstrijder is geworden, onderschrijft de stelling dat dat onzin is, dat men daar absoluut geen controle en geen zicht op heeft. Het enige waarop men een zicht heeft, is op jaarrekeningen, op allerlei administratieve formaliteiten, maar niet op de inhoud van wat er in die moskeeën allemaal wordt verteld.

Minister, u hebt nu een aantal meldingen gekregen, zowel via de pers als bij uw administratie, die spontaan zijn overgemaakt, maar ik denk dat het goed zou zijn om voor onderwijspersoneel een vorm van meldplicht in te voeren, zodat we op de hoogte worden gebracht van dergelijke alarmerende signalen, van dergelijke extremistische ideeën die in scholen in Vlaanderen en Brussel worden gedeeld. Dan krijgt u ten minste ook een zicht op de problematiek. Ik meen dat men vanuit de overheid sneller en strenger moet optreden tegen informele gebedshuizen, tegen Koranscholen en dergelijke meer. Ik heb het dan niet over de onderwijsinspectie, want die is daar uiteraard niet voor bevoegd, maar wel over de Staatsveiligheid en andere diensten die daar bevoegd voor zijn. Het is immers onze plicht om te handelen, om onze kinderen en onze samenleving te behoeden voor allerlei extremistische islamitische ideeën.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, mijn voornaamste bekommernis hebt u eigenlijk beantwoord. Dan heb ik het over het duidelijke signaal dat we het van overheidswege niet tolereren, en, nog veel belangrijker, dat we het geen goed idee vinden om de onderwijskansen en de toekomstkansen van kinderen te hypothekeren door een zeer strenge lezing en toepassing van religieuze gebruiken, die dan een effect zouden hebben op hun slaagkansen. Ik denk dat dat signaal duidelijk gegeven is, en dat we dat ook zeer duidelijk moeten blijven geven, ook als steun aan die scholen en die leerkrachten, want soms worstelen die wel wat met de vraag hoe ze dat moeten aanpakken.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.