U bent hier

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, we hebben u vorige week twee dagen moeten missen omdat u in Londen deelnam aan een rondetafelconferentie over deradicalisering die georganiseerd werd door de Algemene Afvaardiging van de Vlaamse Regering in Londen. De bedoeling van zo’n conferentie is natuurlijk om wederzijds ervaringen uit te wisselen tussen Vlaanderen en Groot-Brittannië, specifiek over de problematiek van de aanpak van radicalisering en het gewelddadig extremisme. Er zijn immers ook vanuit het Verenigd Koninkrijk al zo’n zevenhonderd jihadisten richting Syrië vertrokken. Volgens de meest recente cijfers, alvast de cijfers die ik openbaar heb gevonden, zijn er vanuit België al vierhonderd à vijfhonderd Syriëstrijders richting oorlogsgebied vertrokken.

U liet via een aantal artikelen in de pers weten – dat vond ik bijzonder opvallend en heel interessant – dat: “in de UK sociaal assistenten en leerkrachten verplicht zijn om informatie te delen als ze aanwijzingen hebben dat een persoon waarmee ze werken radicaliseert”. Ik vond dat boeiend omdat ik het hier zelf in het Vlaams Parlement al een paar keer heb voorgesteld. Mijn partij is immers voorstander van een dergelijke meldplicht.

U zei ook via artikelen in de pers: “In Vlaanderen is dat helaas nog steeds ondenkbaar, omdat we op het beroepsgeheim botsen. Voor mij stopt de privacy echter als de veiligheid in gevaar is.”

Een ander positief aspect in de Britse aanpak is volgens u het vormen van sterke gemeenschappen van onderuit: “Ze slagen er hier in om verschillende stromingen van moslims bij elkaar te brengen”, zo zou u gezegd hebben tegen een journalist.

Minister, ik heb een aantal vragen voor u. Welke lessen trekt u uit uw bezoek aan Londen in het kader van de zogenaamde strijd tegen radicalisering? Welke politieke initiatieven zullen er eventueel uit voortvloeien?

Wie waren de Vlaamse experts die u hebt meegenomen naar Londen en hoe werd op hun expertise gereageerd?

Wat bedoelde u precies met “het vormen van sterke gemeenschappen van onderuit” en met “het bijeenbrengen van verschillende stromingen van moslims”? Op welke manier helpt dat volgens u in de strijd tegen het moslimextremisme?

En, last but not least, zult u ook in ons land ijveren voor en werk maken van een – mijns inziens noodzakelijke – meldplicht? Waarom is het beroepsgeheim hier ter zake een probleem en in het Verenigd Koninkrijk niet? Hoe kunnen we dan het voorbeeld van het VK volgen en dit probleem ook hier in België en Vlaanderen oplossen?

Minister Homans heeft het woord.

Voorzitter, mijnheer Janssens, u was er als de kippen bij met uw vraag – u zult me echt gemist hebben. Ik ben vertrokken op dinsdag, en als ik me niet vergis, ben ik woensdagavond teruggekomen. Woensdagmorgen zag ik uw vraag al binnenkomen. U was er dus echt heel snel bij. Het is heel goed om kort op de bal te spelen.

Ik ben dus woensdagavond teruggekomen. Ik heb er ontzettend veel geleerd. Ik wil hier mijn oprechte waardering uitdrukken voor de heer Van der Marliere, onze vertegenwoordiger in Londen. Hij heeft dit op een voortreffelijke manier georganiseerd. Niet alleen Vlaamse vertegenwoordigers waren uitgenodigd, ook mensen uit Wales, uit Schotland en dergelijke meer. Het zat fantastisch goed in elkaar. Het was ook redelijk kleinschalig, wat het gemakkelijk maakte om vlot met elkaar te praten. Het lijkt me dus gepast om hier in het Vlaams Parlement een vertegenwoordiger van onze regering in het buitenland, een complimentje te geven.

Maar, mijnheer Janssens, het is wel nog een beetje te vroeg om al uw vragen te beantwoorden. Op een aantal van uw heel concrete vragen kan ik wel al een antwoord geven, want het zijn eerder principiële vragen. Het is echter een beetje te vroeg om al een lijst te maken van de belangrijkste conclusies. We hebben er heel veel informatie gekregen. We hebben ook een aantal organisaties bezocht. En we hebben daarna via internet nog informatie met elkaar uitgewisseld. We hebben ook heel veel leerrijke documentatie gekregen, die mijn medewerker nu allemaal vlotjes aan het doornemen is. Staat u me dus toe om nog eventjes te wachten met het oplijsten van de algemene conclusies.

Ik kan u wel al vertellen dat er heel wat vergelijkbare initiatieven zijn. Er is ook een vergelijkbare aanpak in Vlaanderen en in het VK. Wat het natuurlijk interessant maakt, is dat ook het VK een land met regio’s is. Ook daar kampt men af en toe met de moeilijke staatsstructuur. Schotland heeft bijvoorbeeld ook een eigen parlement. Over bepaalde zaken kan dan wel in Londen, in Westminster, worden gestemd, toch hebben ze niet altijd evenveel draagkracht in andere parlementen. Eigenlijk is het een heel interessant land om ons mee te vergelijken, omdat ze met dezelfde problematieken van ingewikkelde staatstructuren en dergelijke te kampen hebben.

We staan zelf al behoorlijk ver. Dat hebben we vaak te horen gekregen tijdens bilaterale gesprekken, maar ook op de conferentie zelf. Ik hoop dat u weet dat de stad Antwerpen gelauwerd is voor haar aanklampende aanpak. De anderen zeiden dat ze dat ook wilden doen in hun steden en gemeenten, al dan niet in het Verenigd Koninkrijk. De experte die daaraan werkte, zou naar Antalia gaan, omdat zij is uitgenodigd om daar te gaan spreken.

Er werd ook benadrukt dat het niet is omdat je radicaliseert dat je geen kansen hebt gekregen. Ik geloof evenmin in dat verhaal. Iemand die opgroeit in Vlaanderen, hier school kan lopen – al dan niet van allochtone afkomst of bekeerling – krijgt alle kansen in onze maatschappij. Het is geen verhaal van het niet krijgen van kansen. Dat antwoord kregen wij ook steeds opnieuw van onze Engelse gesprekspartners in Londen. Het is fijn om op die manier te worden bevestigd in wat je vertelt. 

Het beroepsgeheim is inderdaad veel beter georganiseerd bij hen. Daarop kom ik straks terug. We hebben die conferentie bijgewoond en de vraag gekregen of we interesse hadden om iets gelijkaardigs te organiseren in Vlaanderen, als een soort vervolgcongres. Dat zou zeer goed zijn. We kunnen veel van elkaar leren. Tegen dan staan we misschien een klein stapje verder wat betreft het beroepsgeheim. Dat is inderdaad een problematiek waaraan we iets moeten doen. Zoals u weet, ligt dat echter niet in mijn handen.

Wie waren de Vlaamse experts? Mijnheer Janssens, voor alle duidelijkheid: ik heb die niet meegenomen. Ze waren uitgenodigd door de heer Van der Marliere en de experten die hem hebben bijgestaan in de organisatie van dat congres. Er was iemand aanwezig van het Agentschap Binnenlands Bestuur, namelijk de persoon die centraal aanspreekpunt is in verband met de radicalisering bij de Vlaamse overheid. Er was iemand van het departement Onderwijs en Vorming, de beleidsmedewerker radicalisering. Van de stad Antwerpen, gelauwerd voor haar aanklampende aanpak, was de projectmedewerker groepsgerichte aanpak van de cel deradicalisering aanwezig. Er was iemand van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), de projectmedewerker die wij vanuit onze bevoegdheid subsidiëren. Verder was er iemand van de vzw Arktos, de projectmedewerker BOUNCE en CONNECT. Zij zijn allen zelfstandig uitgenodigd.

Iedereen die ik heb opgesomd in verband met de delegatie vanuit Vlaanderen – er waren ook mensen uit Wales, Schotland en van andere steden in het Verenigd Koninkrijk – heeft een toelichting gegeven over de aanpak in ons land. Wat Vlaanderen betreft, ging het veeleer over preventie. Dat debat moeten we hier even niet voeren. U kent het verschil tussen preventie en repressie.

De verschillende Vlaamse vertegenwoordigers hebben in functie van hun opdracht ook de directe contacten gelegd voor verdere uitwisseling. Het organiseren en bijwonen van congressen is één ding, maar als er weinig gevolg aan wordt gegeven, is dat een maat voor niets. Het is goed dat dat wordt uitgewisseld. Er bestaat bijvoorbeeld een afspraak tussen de steden Antwerpen en Edinburgh in verband met een verdere uitwisseling rond samenwerking met moskeeën. Verder is er een afspraak tussen Vlaanderen en de VVSG over een verdere samenwerking met het Institute for Strategic Dialogue.

Wij zijn daar trouwens op bezoek geweest. Dat bezoek was heel leerzaam. We zullen alle relevante informatie die ze ons hebben bezorgd, eerst vertalen van het Engels naar het Nederlands en er een overzicht van maken. Ik ben er zeker toe bereid dat toe te lichten in de commissie of het u op een andere manier te bezorgen.

Wat bedoel ik nu precies met het vormen van sterke gemeenschappen van onderuit en het bijeenbrengen van de verscheidene stromingen van moslims? Ik meen te mogen zeggen dat ons middenveld eigenlijk heel sterk geïnstitutionaliseerd is. Dat is gewoon een feit. Het grote verschil met het Verenigd Koninkrijk is dat daar heel veel gewoon spontaan van onderuit gebeurt.

We hebben bijvoorbeeld een organisatie bezocht die zich richt op probleemkinderen, maar niet per definitie enkel en alleen kinderen die dreigden te radicaliseren, maar bijvoorbeeld ook kinderen die met drugs te maken hebben gehad. Die organisatie heeft dat vijf jaar gedaan zonder enige financiële steun van om het even welke overheid, dus niet van de stad Londen, niet van de regering.

Dat wil ik zeggen: het is ook goed dat er initiatieven ontstaan van onderuit. Het middenveld doet zijn werk goed. Ik ga hier dus geen klaagzang geven over het functioneren van het middenveld, maar in deze context vind ik het ook goed dat er ook initiatieven groeien van onderuit. Die kunnen complementair zijn.

Wij hebben er ook een aantal, bijvoorbeeld de webstek www.mvslim.com, een online platform opgericht door enkele Vlaamse jonge moslims om moslimjongeren van inspirerende rolmodellen te kunnen voorzien en hun een mogelijkheid te bieden om hun stem te laten horen.

Wat we in Londen bijvoorbeeld ook bij die organisatie hebben gezien, is de campagne #NotInMyName. Ik vind het heel goed dat dat ontstaat vanuit de moslimgemeenschappen. Er bestaat immers niet zoiets als één moslimgemeenschap. U kent zelf die campagnes, zoals Zonder Haat Straat en die toestanden. Ik was niet echt een voorstander van die campagne. Ik heb dat nooit aan mijn raam gehangen. Ik bedoel maar: dat komt van onderuit. Ik vind #NotInMyName zeer goed. Jonge moslims, van welk land ze oorspronkelijk ook afkomstig zijn, appelleren eigenlijk aan burgerzin.

Dat is ook wat we heel veel hebben gezien in Londen: de overheid, maar ook de organisaties die van onderuit en vanuit hun eigen buikgevoel dingen doen, appelleren heel sterk aan die burgerzin. U wilt een toekomst in het Verenigd Koninkrijk? Dan zult u zich aan die, die en die regels moeten houden. Dat vind ik een zeer goede manier van aanpakken. Daarom heb ik gezegd dat we die initiatieven van sterke moslimgemeenschappen van onderuit absoluut moeten steunen. Ik denk ook dat dit absoluut kan helpen in de strijd tegen moslimextremisme. Ik ben daar absoluut van overtuigd. Ik ben er echt van overtuigd dat zeker campagnes als #NotInMyName helpen.

Mijnheer Janssens, ten slotte hebt u terecht een zeer heikel punt aangekaart. Ik blijf nog altijd bij mijn uitspraak dat privacy stopt op het moment dat de veiligheid in het gedrang komt. Ik neem aan dat u het daarmee eens bent. Het beroepsgeheim is zeer problematisch in dit land. Het is een probleem om dat nog maar bespreekbaar te kunnen maken. U weet dat dat in de strafwet zit. Toen ik nog het genoegen had om deel uit te maken van de Senaat, heb ik daar een wetsvoorstel ingediend. Er was totaal geen animo om het beroepsgeheim op te heffen als er sprake zou zijn van ernstige vermoedens dat er iets zou kunnen gebeuren. Ik vind ook niet dat men daar te lichtzinnig mee mag omspringen, maar ik vind wel dat dat moet kunnen wanneer de veiligheid in gevaar komt. Of het dan gaat over de veiligheid van een individu, een samenleving of een klein groepje mensen maakt niet uit. Dan stopt voor mij het recht op privacy.

In het Verenigd Koninkrijk heeft men in 2015 een wet goedgekeurd, waardoor het beroepsgeheim zou kunnen worden opgeheven. Voor alle duidelijkheid, dat zou niet zomaar lichtzinnig kunnen, maar het zou wel kunnen. Dat was heel interessant, omdat de man die daarvoor verantwoordelijk was in het House of Lords en die een soort staatssecretaris voor deradicalisering was, Lord Ahmad of Wimbledon, zelf van Pakistaanse oorsprong is. Hij vond dat geweldig. U weet dat het House of Lords vol zit met advocaten, voormalige rechters en dergelijke meer. Het was niet zo simpel om dat erdoor te krijgen en toch is men daarin geslaagd. Dat vind ik goed. We moeten daar absoluut op blijven hameren.

Ik denk dat het belangrijk is om dat te blijven aankaarten. Via onze deelname aan de federale rondetafelconferentie en aan het Plan R, hebben we dit al verschillende keren op tafel gelegd. U weet dat het een bevoegdheid van de federaal minister van Justitie Geens is, maar het heeft geen zin om de zwartepiet door te spelen. We moeten collectief verantwoordelijkheid nemen. Ik zal er in ieder geval mijn collega’s nog eens attent op maken dat niet alleen in het kader van deze problematiek, maar ook in het kader van het bestrijden van fraude van welke aard dan ook, dit een zeer belangrijk middel kan zijn. Als men dat in het Verenigd Koninkrijk heeft kunnen doen op voorstel van iemand die zelf moslim is en zelf van Pakistaanse origine is, dan moet dit toch ook kunnen in een land als dat van ons.

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, ik had gedacht dat u kort op de bal kon spelen. Misschien was het beter geweest om wat geduld te hebben en u alle informatie te laten verwerken. Niettemin hebt u al een aantal interessante samenvattingen meegegeven. Ik denk dat we hieraan een vervolg kunnen geven in de commissie Deradicalisering wanneer we bijvoorbeeld de eerstvolgende monitoring van het actieplan bespreken. Als ik me niet vergis, is dat in april of in mei. Tegen dan hebt u ongetwijfeld de informatie al meer kunnen verwerken en kunnen we de bespreking voortzetten.

Mijn interesse ging op dit moment voornamelijk uit naar de meldplicht. Het gaat over de bescherming van de veiligheid van onze burgers en dat moet voor elke overheid een prioriteit zijn. Als men in het onderwijs of op een sociale dienst wordt geconfronteerd met geradicaliseerden, niet alleen in de geest maar vooral in de daden, dan is het dringend tijd om een aantal instanties op de hoogte te brengen. Ik ben het met u eens dat als dat in het Verenigd Koninkrijk kan, het hier in België ten behoeve van de bescherming van onze burgers ook kan.

Ik hoop dat u uw collega’s in de Federale Regering er niet alleen attent op wil maken, maar dat u ook wil aandringen om er werk van te maken zodat het zeker nog deze legislatuur kan gebeuren. Ik denk dat er bij de bevolking een heel groot draagvlak is, niet alleen ten behoeve van zijn eigen bescherming, maar ook ten behoeve van de mensen die men graag ziet. Dit moet een van de prioriteiten zijn die minister Geens in de loop van de komende maanden zou moeten aanpakken.  

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.