U bent hier

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik ben een man die houdt van efficiëntie. Ik denk dat ik wel weet wat uw antwoord zal zijn. Ik begrijp het ook. Ik begrijp ook uw punt, minister. Misschien was ik er iets te snel en te vroeg bij.

Voorzitter, minister, ik stel anders gewoon voor dat ik de vraag nu uitgebreid stel en u kunt het antwoord dat u op de vorige vraag hebt gegeven, herhalen. Verbeter me als ik fout ben, maar ik denk dat u hetzelfde antwoord zult geven als daarnet.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Ik wil wel antwoorden omdat in uw vraagstelling twee vooringenomenheden naar voren komen, die ik wel wil weerleggen. Het gaat niet over het decreet, het gaat over de feiten op de vloer. Ik wil op twee dingen ingaan nadat u de vraag hebt gesteld: waar zitten recreatieve sporters en is zestig uur opleiding te veel?

De voorzitter

De minister heeft gelijk, maar aan de andere zijde is de sportsector zeer gezagsgetrouw, als ik dat zo mag zeggen, en anticipeert soms op basis van foute informatie op een decreet dat er nog niet is, en dat genereert dan vragen aan parlementsleden. Dat is de realiteit waar we in zitten. Daarom zei ik vanmorgen in de regeling van de werkzaamheden: laat ons afspreken om de op zich niet goede parlementaire dynamiek te stoppen, totdat we het decreet behandelen. Dat kunnen we zo diepgaand en uitgebreid behandelen als we willen, maar dan zitten we echt op de materie.

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik zal mijn vraag stellen. Het nieuwe ontwerp van decreet Sportfederaties zit in een finale fase. Stilaan wordt ook duidelijk hoe de subsidieverdeling binnen het nieuwe Sportdecreet eruit zal zien.

Eerder hebben wij met de Groenfractie al te kennen gegeven dat er binnen het nieuwe decreet te weinig garanties zijn ingebouwd voor het behoud van het recreatieve sportluik van Vlaanderen. De verschillen tussen de federaties zijn soms fundamenteel en daarom moeilijk met elkaar te verzoenen. Federaties gericht op recreatieve clubs hanteren heel andere principes dan diegenen die zich richten op professionele competitie. Ze leggen andere klemtonen, onder meer gericht op kansengroepen, toegankelijkheid, community working, lage lidgelden enzovoort.

Wat vandaag voorligt, stelt ons in dit opzicht niet helemaal gerust. Onder meer over de kwaliteitscriteria van de korf hebben wij verschillende vragen. Aangezien het aanbod van A tot Z centraal staat in dit nieuwe decreet op de georganiseerde sportsector, is het van groot belang dat kwaliteitsindicatoren niet enkel beperkt zijn tot het A-aanbod, het topaanbod, maar ook kwaliteit belonen op het Z-aanbod, het recreatief aanbod.

Dit is zowel in het belang van de multisportfederaties als van de unisportfederaties. Anders zullen er minder stimulansen zijn om in te zetten op de kwaliteit van het Z-aanbod. Daarnaast menen wij dat er ook niet alleen op het sporttechnische, maar ook op sport als middel moet worden ingezet.

Minister, bent u het met me eens dat de kwaliteitsindicatoren niet enkel mogen worden beperkt tot VTS-kwalificaties (Vlaamse Trainersschool) en sporttechnische elementen, maar ook de meer recreatieve kwaliteitsaspecten bij zowel uni- als multisportfederaties moeten waarderen? Wat is uw visie hierop? Binnen de kwaliteitskorf wordt er op dit ogenblik bijvoorbeeld ingezet op VTS-opleidingen voor trainers. De meest laagdrempelige VTS-opleiding, die van initiator, bedraagt zestig uur. Voor veel vrijwilligers die sporten, trainen of official zijn als hobby, is dit een grote tijdsinvestering. Zal er ook worden geïnvesteerd in laagdrempeligere opleidingen en bijscholingen? Zult u met andere woorden nog aanvullende kwaliteitsvolle recreatieve opleidingen stimuleren? Welke en op welke manier?

Ook voor scheidsrechters verwijst u in de korf naar ‘officiële scheidsrechters’. Wat bedoelt u hiermee juist? Je hebt namelijk competitieve scheidsrechters, die drie opleidingsdagen hebben gevolgd, maar ook recreatieve scheidsrechters, die slechts één opleidingsdag hebben gevolgd. Beiden zijn belangrijk op hun niveau. Hoe zult u ervoor zorgen dat beide groepen worden meegenomen in het nieuwe decreet?

Welke parameters in verband met deugdelijk bestuur zult u opnemen in functie van good governance? Is hier al meer duidelijkheid over? Het decreet zegt op dit ogenblik niets over niet-sporttechnische kwaliteitsaspecten. Hoe kunt u ervoor zorgen dat clubs hierin worden ondersteund en inzetten op zaken als sport voor allen, ethiek, fair play, pesten en gezond sporten? Binnen de korf is er geen aandacht voor het promoten van sportparticipatie en -aanbod richting doelgroepen. Betekent dit dat er niet zal worden ingezet op participatie van bijvoorbeeld kansengroepen, 55-plussers, personen met een handicap (PmH) en jeugd? Op welke manier zult u dit alsnog in het nieuwe decreet integreren? Welke groepen zijn hierbij voor u prioritair?

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Zoals u zelf al aangaf, mijnheer Annouri, zal ik maar op een klein deel van uw vragen antwoorden, vooral die die volgens mij te maken hebben met een verkeerde perceptie die hier en daar gecreëerd wordt of die anders in de markt wordt gezet. Soms komt het mij over alsof we Moeder Theresa met Wall Street gaan vergelijken. Zo karikaturaal worden dingen soms in de markt gezet. De indruk wordt gewekt dat recreatieve sporters alleen nog voorkomen in de recreatieve federaties, en morgen dus misschien alleen nog in de mutisportfederaties. Dat wil ik toch wel even rechtzetten.

In heel wat unisportfederaties is het recreatieve gedeelte groter dan wat vandaag voor diezelfde sport in het recreatieve luik plaatsvindt. Laat ons dus stoppen met te doen alsof ‘recreatief’ iets aparts is. In dat recreatieve is er vaak een competitief element, en bij de unisport zit heel veel recreatieve sport. We mogen echt niet doen alsof dat mooi gescheiden werelden zijn. Het zou bovendien slecht zijn, mochten dat mooi gescheiden werelden zijn. Maar dat is dus niet het geval. Aan die perceptie wil ik duidelijk tegengewicht geven.

U kent de recreatieve sport goed. U weet dat het niet zo is dat er bij unisport geen aandacht is voor het recreatieve en dat bij multisport het recreatieve voor sommige sporten zeer beperkt is. Laat ons daar dus echt met een andere blik naar kijken.

Een tweede punt dat ik wil aanhalen, betreft die zestig uren. Ik zal het wat uitdagend stellen. Stel u voor dat een van uw kinderen pianoles wil volgen, en we zetten het bij een pianoleraar die zestig uren les heeft gehad. Hoe voelt u zich daarbij? Stel u voor dat uw kinderen naar school gaan en de leerkrachten hebben een opleiding gehad van zestig uren. Hoe voelt u zich daarbij? Ik vind dat we in sport verdorie al laagdrempelig zijn gegaan met slechts zestig uren, als het gaat over mensen die bezig zijn met jongeren op te leiden.

In sport moet het zelfs niet. Je mag training geven zonder die zestig uur, maar dan krijg je het kwaliteitslabel niet. Voor wie het kwaliteitslabel wil hebben, doen we het vrij laagdrempelig. Voor zestig uren geven we al een kwaliteitslabel, dat aangeeft dat die persoon een beetje basis heeft meegekregen om trainer te zijn, om opleiding te geven aan jongeren. Ik denk dat zestig uur geen drempel is.

Als ik dan kijk naar wat er vandaag bestaat aan kwaliteitsvolle sporttechnische omkadering, dan ben ik er zeker van dat dat bijdraagt tot de realisatie van een kwalitatief sportbeleid. Ik ben het met u eens dat er een verschil is tussen de competitieve sporter en de recreatieve sporter, bij unisport- of bij multisportfederaties. De Vlaamse Trainersschool moet daar ook rekening mee houden. Het aanbod zal in de toekomst misschien nog gedifferentieerder moeten zijn. Ik ben er echt van overtuigd dat een kwaliteitsvolle begeleiding voor iedereen een must is, maar dat het aanbod vanuit de Vlaamse Trainersschool moet worden afgestemd op de noden van de sector. Daar wil ik u 100 procent in volgen. Het stond al in mijn beleidsbrief dat ik dat wil doen. Het nieuwe decreet kan er ook aanleiding toe geven om dat voort te zetten.

Samengevat: kwaliteit is voor iedereen belangrijk. En ik maak geen fetisj van die zestig uren, maar u begrijpt wat ik wou zeggen.

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Bedankt voor uw antwoorden, minister. Over die andere zaken zullen we het gesprek inderdaad later voortzetten.

Ik volg uw punt dat recreatief en competitief niet altijd strikt gescheiden zijn en in elkaar overgaan. Recreatief kan ook competitief zijn en omgekeerd.

Wat die zestig uren betreft: ik heb nog geen kinderen, dus ik weet ook niet, als ik ooit kinderen zou hebben, wat ze zouden willen volgen. En als het piano is, zal ik zeker bij u te rade komen. (Opmerkingen. Gelach)

Ik snap uw redenering, maar het punt van waaruit wij vertrekken, en de zorg die je ook hoort vanuit de sector, is: wat met die vader die bijvoorbeeld één avond een cursus wil volgen om training te geven aan de ploeg van zijn kinderen en dat op een kwalitatieve manier wil doen en een kwalitatieve opleiding wil volgen, maar zich geen zestig uur kan vrijmaken? Ook daar moet er een ondergrens zijn. Ook daar moet er een kwaliteitsgarantie zijn. En ook daar moeten we over blijven waken.

Je kunt niet van iedereen verwachten dat hij zich zestig uur kan vrijmaken en zich engageren om training te geven aan de club van zijn zoon of dochter, waar hij graag een vrijwillig engagement wil opnemen. Maar je moet er wel voor zorgen dat de opleiding die hij volgt en die geen zestig uur bedraagt, ook een zekere kwaliteit heeft. Daar moet je ook over waken. Het is vooral vanuit die optiek dat wij heel hard vragen om van A tot Z die kwaliteit en dat aanbod te blijven garanderen.

To be continued, zeker en vast.

De voorzitter

De heer Wynants heeft het woord.

Herman Wynants (N-VA)

Voor mij is het eenvoudig om de grootste unisportfederatie aan te halen, de Voetbalfederatie Vlaanderen (VFV). Bij de kindjes van acht jaar is daar al geen competitie meer. Ze spelen tegen elkaar, maar er worden geen uitslagen bijgehouden. Dat is pleziersport voor hen. VFV biedt aan van A tot Z, maar zij mogen geen profvoetbal aanbieden. Dan denk ik dat dat een goed voorbeeld is.

Wat die zestig uur betreft: mensen die dat willen volgen, vinden dat nog te weinig. Ik kan u voorbeelden geven. Vandaag zijn ze ook verplicht om een medische cursus te volgen. Dat wordt gepromoot door de minister, ook om cardiogrammen te laten nemen. Wij moeten die toestellen houden. Dat wil zeggen dat die mensen eerst een cursus krijgen over wat dat wil zeggen. Zij moeten hartmassage kunnen toedienen. Dat zijn al acht of negen van die zestig uren.

Ze moeten niet alleen theorie leren, maar ook praktijk. Ze moeten ook wedstrijden volgen. We nemen er vaak specifiek wedstrijden uit waarbij ouders en grootouders langs de lijn staan die niet meer weten wat ze zeggen en doen. Ze moeten die wedstrijden volgen, want dat hoort er allemaal bij. Die zestig uren worden bovendien gespreid over vier of vijf maanden. De meeste van die mensen vinden dat te weinig. Zij zouden er graag nog wat cursussen bij volgen. En dan is de volgende stap dat ze naar een C-, B- of A-diploma kunnen gaan. Degenen die het initiatief niet willen nemen, kunnen gewoon lessen volgen. Maar die zestig uren mag je niet onderschatten. Zij zeggen zelf dat het te weinig is.

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Voor mij is het probleem niet dat er opleidingen zijn van 60 uren. Het mogen er van 120 of 180 uren zijn, dat maakt niet uit. Er moet vooral nog altijd gewaakt worden over de kwaliteit van de mensen die zich daar niet voor kunnen vrijmaken. Daar moeten we blijven in differentiëren. We moeten zien dat dat aanbod breder wordt. Dat is voor mij het belangrijkste punt. Ik heb absoluut geen probleem met een opleiding van 60 of van 120 uren, maar ook bij degenen die zich minder kunnen vrijmaken, moeten we over de kwaliteit blijven waken.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.