U bent hier

Dames en heren, aan de orde is het actualiteitsdebat over de aanpak van de coronacrisis.

Het debat is geopend.

De minister-president wil graag een openingsverklaring houden.

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Voorzitter, waarde collega’s, de Vlaamse Regering vergaderde de voorbije dagen meermaals om zich over een nieuw pakket aan steunmaatregelen te buigen, zodat ze enkele gevolgen van de coronacrisis kon opvangen. Die komen natuurlijk boven op de reeks tegemoetkomingen en steunmaatregelen die we de voorbije weken al uitgewerkt hadden. Ik som de belangrijkste van de bestaande maatregelen eerst op. Je hebt de hinderpremie van 4000 euro, die bedoeld is voor de bedrijven of ondernemingen die verplicht moesten sluiten door de overheidsmaatregelen. Er zijn ook de waarborgen die de Vlaamse overheid voorziet voor bedrijven als ze andere afbetalingstermijnen met hun banken overeenkomen. In onderwijs zijn er de geschorste lessen, maar wordt de opvang voor bepaalde doelgroepen toch behouden. De kinderopvang blijft open voor ouders die willen gaan werken. Er is de bouw van tijdelijke zorginfrastructuur. Daarvoor hebben we aan u dat nooddecreet voorgelegd en dat hebt u unaniem goedgekeurd, waarvoor mijn dank. Daarnaast betaalt de Vlaamse overheid eenmalig de energie- en waterkosten voor de mensen die getroffen zijn door technische werkloosheid. We garanderen ook dat de welzijnsvoorzieningen niet in de financiële problemen zullen raken.

We gaan door op dit elan, dames en heren. Het globale pakket van Vlaamse maatregelen ziet er nu als volgt uit, en we onderscheiden daarbij drie groepen. Voor de eerste groep bestaat de maatregel van 4000 euro hinderpremie. Dat zijn de bedrijven die verplicht moesten sluiten. De tweede groep bestaat uit de bedrijven die niet verplicht waren om te sluiten, maar die door deze toestand hun omzet gigantisch omlaag zagen gaan. Ik verwijs hiervoor naar de evenementensector, de freelancers in allerlei activiteitendomeinen … Voor hen wordt een nieuwe categorie met premies geopend. Zij zullen eenmalig een beroep kunnen doen op een premie van 3000 euro indien ze kunnen aantonen dat hun omzet drastisch is gedaald. ‘Drastisch’ wil in dit geval een daling met 60 procent zeggen. We noemen dit de compensatiepremie. Zij zullen hiervan onmiddellijk kunnen gebruikmaken. Later zal tijdens een btw-controle worden bekeken of die omzetdaling zich effectief heeft voorgedaan. Die 3000 euro zal natuurlijk eerder voor zelfstandigen, freelancers en kleinere bedrijven worden aangewend. Voor de grotere bedrijven voorzien we een derde pakket aan financiële regelingen, die ervoor moeten zorgen dat deze ondernemingen permanent kunnen blijven beschikken over liquide middelen. Start-ups, scale-ups en nieuwe innovatieve initiatieven ondersteunen we extra, maar ook de bedrijven die ondanks de crisis hard blijven doorwerken, geven we een duw in de rug. Als zo meteen het luik economie aan bod komt, zal minister Crevits die maatregelen in detail toelichten.

Ten slotte hebben we ook nog een vierde groep, maar dat is – zoals men dat in mooi Nederlands zegt – nog ‘work in progress’. Het gaat dan over de gesubsidieerde en bepaalde andere sectoren. Ik denk aan cultuur, jeugd en sport, maar ook aan de sierteeltsector en bepaalde onderdelen van de toerismesector. Daarvoor hebben we een noodfonds opgericht, en dat zal alvast 200 miljoen euro bevatten. De bedoeling is niet om al de schade die organisaties in dat segment lijden tot op de laatste eurocentiem op te vangen, ik denk niet dat dat mogelijk is, maar we willen toch een serieuze inspanning doen. Aan de modaliteiten die hiervoor nodig zijn, zullen we de volgende dagen nog verder werken.

Dat zijn de maatregelen. Die zullen straks meer in detail kunnen worden toegelicht door collega Crevits, maar ik wil vanop deze tribune toch nog enkele beschouwingen maken. Ik, en ongetwijfeld ook u, en eigenlijk wij allemaal, wij voelen ons pijnlijk geraakt door het grote menselijke leed dat deze allesverwoestende epidemie aanricht. De dagelijkse beelden die we zien, van getuigenissen, van zieken, van familieleden, van zorgverstrekkers, die gaan ons door merg en been. We leven natuurlijk mee met de vrouwen en de mannen en zelfs de kinderen die nu in ziekenhuizen vechten voor hun leven. Wij voelen diep mee met de pijn die familieleden van overleden mensen hebben. Niemand had zich dit ooit durven voor te stellen. Niemand had deze catastrofe kunnen voorzien.

Veel zal straks anders zijn als we deze crisis hebben overwonnen, op talloze vlakken en in heel veel domeinen. Dat moet en dat mag geen reden zijn om te doemdenken en moedeloos de handen in de lucht te gooien, wel integendeel. Maar deze situatie dwingt ons tot realisme en tot doordachte, verstandige acties, vanuit een diepe bekommernis en met de vaste overtuiging die bergen kan verzetten. Daarom is deze Vlaamse Regering graag bereid om gigantische inspanningen te doen, opdat de Vlamingen en de Vlaamse economie deze tsunami kunnen doorstaan. Wij willen en wij zullen daarom mensen en bedrijven helpen om financieel en economisch het hoofd boven water te houden en dus te overleven.

Tegelijkertijd is er de nuchtere werkelijkheid dat de Vlaamse overheid nooit alle verliezen en alle lagere inkomsten en elk tekort van elke Vlaming kan opvangen en kan compenseren of betalen. Daar is gewoon niet genoeg geld voor. Ik ben daar eerlijk in. De overheid is niet in staat het totale verschil bij te passen. De Vlaamse overheid, waarvan wij allemaal samen de politieke vertegenwoordigers zijn, wil wel veel doen. Wij zullen diep in de buidel tasten, in de buidel van Vlaanderen. Dat gaat om een besteding van aanzienlijke middelen van het belastinggeld, waar wij allen toe bijdragen. Want we willen het maximale doen dat binnen onze mogelijkheden ligt om door deze crisis te raken, zeker ook voor wie de voorbije jaren durfde te ondernemen en durfde risico's te nemen. De duizenden miljoenen euro's – dat zijn miljarden, daar spreken we nu al over – die wij vrijmaken, die gelden als een overbrugging, als bruggen van slechte naar betere tijden.

Collega's, onze Vlaamse economie, ons Vlaams economisch schip, loopt op dit moment averij op. Maar als wij alle beschikbare hens aan dek krijgen, geloof ik, samen met alle collega's uit de Vlaamse Regering, dat wij niet ten onder gaan in deze storm, en dat we op een dag weer in veilige wateren terecht zullen komen. We zijn ons er zeer van bewust dat die economische orkaan pijn zal doen. Velen zullen harde klappen incasseren en offers moeten brengen om het hoofd boven water te houden. Laten wij ons daarbij inspireren op het fantastische werk dat veel Vlamingen dezer dagen en weken verrichten in de zorgsector. Verpleegkundigen, artsen en andere personeelsleden in de gezondheidssector kloppen overuren in extreem moeilijke omstandigheden. Ik dank hen vanuit de grond van mijn hart van op deze tribune.

Binnenkort, hoop ik met u, zullen alle Vlamingen opnieuw kunnen gaan werken en zullen ze op hun beurt voluit moeten gaan om onze welvaart veilig te stellen. Ik roep iedereen nu al op om straks samen die heropbouw te realiseren. Wij garanderen u alvast dat wij, de Vlaamse overheid, ons uiterste best gaan doen om de noden te helpen lenigen – niet alle noden, dat is budgettair werkelijk niet haalbaar. Als goede huismoeders en huisvaders beseffen we immers dat ook de nu opgebouwde schulden op een dag zullen moeten worden afbetaald, bij voorkeur op een manier die geen financiële strop legt rond het hoofd van de volgende generaties.

Collega's, dames en heren, ik wil mij echt niet meten met grote wereldleiders. Wie ben ik daarvoor? Dat is ook mijn stijl niet. Maar hun gevleugelde woorden geven ons soms wel hoop en sterkte. Soms droom ik ervan dat wij, Vlamingen, ons laten inspireren door die memorabele oproep van de Amerikaanse president John F. Kennedy, bijna zestig jaar geleden: ‘Vraag niet wat je land voor jou kan doen, vraag wat jij voor je land kunt doen.’

Dames en heren, samen geraken we hierdoor. Daartoe roep ik allen op en daartoe zijn wij bereid, dag en nacht, onze verantwoordelijkheid te nemen. (Applaus bij de N-VA, CD&V, Open Vld, Groen en sp.a)

We starten met het thema Onderwijs.

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, het zijn rare tijden. Het is bizar in deze setting te zitten, maar het is belangrijk dat het parlement en de regering net als zoveel andere mensen, verder werken om wat moet gebeuren, ook te doen.

Minister-president Jambon en de hele ploeg, ik dank jullie voor de extra maatregelen die jullie hebben genomen. We zullen inderdaad niet alles kunnen compenseren, maar het zijn toch belangrijke stappen.

Het is intussen twee en een halve week geleden dat beslist werd om de lessen op te schorten. Vooreerst wil ik namens mijn fractie mijn respect uiten voor alle leerkrachten en directies die nu ook het beste van zichzelf geven om leerlingen op afstand te begeleiden. En ja, dat is soms zoeken naar een manier hoe we dat moeten doen. We hebben dit immers nog nooit meegemaakt. Een grote dank u wel dus.

Ook grote dank aan de leerkrachten die zich vrijwillig hebben aangeboden om tijdens de paasvakantie toezicht te houden. Ook dat verdient appreciatie. Ik wil ook de ouders bedanken, soms wel ploeterouders genoemd, die thuiswerk of werken in de zorg combineren met de zorg voor kinderen. Het is niet evident. Ik heb zelf twee kinderen en vind dan ook dat we respect mogen tonen voor onze collega’s in het onderwijs. Vermenigvuldig die twee met twaalf en je hebt immers een klas.

Ook dank aan de medewerkers van het departement Onderwijs. Ik kan enkel aanraden om Schooldirect, de elektronische nieuwsbrief van Klasse, te volgen.

Collega’s, het is voorlopig nog koffiedik kijken of de scholen na de paasvakantie open zullen gaan. Recent was er nog een open brief van een leraar die vroeg om hen te beschermen. Ik denk dat we dat doen voor alle sectoren, dus ook voor de mensen die werken in grootwarenhuizen en de verpleegkundigen. We wachten echter op een beslissing van de Nationale Veiligheidsraad. De minister heeft ook gezegd dat het de virologen zijn die zullen beslissen wat – hoe en wanneer – eerst moet gebeuren. We moeten dus eerst duidelijkheid en zekerheid hebben.

De minister heeft ook een vergadering gehad waarbij een aantal scenario’s zijn bekeken om na te gaan of na de paasvakantie de scholen al dan niet opnieuw kunnen starten. In de media worden allerlei opties naar voren geschoven. Minister, kunt u die verschillende scenario’s toelichten? Hoe zou dit gefaseerd kunnen gebeuren?

Preteaching … ik zoek nog een goed Nederlandstalig woord: voorlesgeven, of zoiets, warm maken, de didactische situatie optimaliseren. Onze fractie vindt het belangrijk dat leerlingen niet stilvallen. We moeten erover waken dat die eindtermen kunnen worden bereikt, zeker tijdens de laatste jaren van het secundair onderwijs, zodat er geen tijd verloren gaat. En ja, collega’s, dat is haalbaar, en ja, we zullen niet alle leerlingen op dezelfde manier bereiken. We moeten dat proberen maar we moeten wel realistisch zijn.

Een aantal leerlingen stellen zich ook vragen bij het toelatingsexamen geneeskunde en tandheelkunde. Zal dat lukken?

De stages staan momenteel on hold, zeker in het bso en tso. Dit is toch wel een belangrijke leercomponent, ook in het duaal leren. Op welke manier zullen die vaardigheden toch nog verworven kunnen worden, zeker voor de laatstejaars?

Wat het vervolg betreft, moeten we een oproep doen om te kiezen voor de essentiële leerinhouden, ook in die preteaching. We zullen moeten kiezen. Minister, zijn daar al keuzes in gemaakt of zijn daar al richtlijnen over gegeven?

We hebben ook vernomen dat er een denktank wordt opgericht met pedagogen voor het bieden van ondersteuning, en daar zijn we zeer dankbaar voor. Veel scholen en ouders kijken ook verder en maken zich zorgen over de evaluaties en examens in juni. Welke effecten zullen die hebben? Scholen vragen zich ook af of er geen beroep zal worden aangetekend omdat een aantal zaken op een andere manier zijn gegeven.

Wat betreft die haalbare kaart, er wordt veel gesproken over digitale leerplatformen. U hebt het initiatief genomen om die kinderen die nog niet geconnecteerd zijn, toch ook geconnecteerd te krijgen. Ik denk dat dat een goede maatregel is. Maar zijn er ook ondertussen al afspraken gemaakt met aanbieders van digitale leerplatformen? Ik wil geen reclame maken, maar Bingel zie ik bij ons thuis vaak; het valt dikwijls uit omdat de capaciteit overschreden wordt. In welke mate is daar al naar gekeken? Er kunnen ook andere platformen dan pc’s gebruikt worden. Niet iedereen heeft twee laptops tegelijkertijd ter beschikking.

We horen leerkrachten die echt wel inspanningen doen om leerlingen te bereiken waar ze tot nu toe niets van hebben gehoord of waar ze niets van hebben gelezen. Ze proberen die echt te bereiken. Het is onze oproep om daar de OCMW’s misschien bij te betrekken, zij kennen die kwetsbare gezinnen, om daar sneller aandacht voor te hebben.

We vernemen dat scholen naar volgend jaar willen kijken, zeker in het secundair, in het kader van de hervorming en modernisering van het secundair onderwijs. Vergaderingen en dergelijke, dat lukt nu moeilijker. Ze willen die pistes nog rond krijgen. Welke stappen worden daar gezet?

Minister, heel wat jongeren staan op een scharnierpunt in hun onderwijsloopbaan. Ze moeten een lagere school kiezen, maar veelal een secundaire school. Infomomenten voor ouders en schoolbezoekdagen zijn niet doorgegaan. Hoe kunnen we er toch voor zorgen dat de inschrijvingen op een ordentelijke manier kunnen verlopen, zonder dat mensen blind moeten kiezen?

Kunt u afronden, collega?

Ik rond af. Ah, u hebt blijkbaar bijna mijn tekst gezien.

De coronacrisis krijgt het onderwijs niet klein, zoveel is duidelijk. Directies en leerkrachten leveren de voorbije weken enorme inspanningen. Degenen die dit nog niet doen, zou ik willen aanmoedigen om het toch te doen, maar ik ben er zeker van dat dat gebeurt.

Nu komen we aan de volgende stap: nieuwe leerstof aanreiken op afstand. Dank voor de inspanningen en dank, minister, om daar met heel uw team de nodige stappen in te zetten.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Ik begrijp natuurlijk dat er moet worden nagedacht over de opstart van het onderwijs. Er wordt nagedacht over preteaching. Ik wil nogmaals benadrukken dat het heel belangrijk is om er goed over na te denken hoe men dat gaat organiseren. Kinderen die thuiszitten zonder computer en niet kunnen rekenen op de steun van hun ouders, mogen niet uit de boot vallen. We willen de kloof in ons onderwijs niet nog groter maken.

U sprak vorige week heel concreet, wat het secundair onderwijs betreft, over het Digital for Youth-project. Het is de bedoeling om via de bedrijven tienduizend computers op te halen. Ik hoor dat u aan achtduizend zit. Het katholiek onderwijs alleen al heeft twaalfduizend aanvragen gekregen. Kunt u een stand van zaken geven? Is het niet het moment om ook vanuit de overheid een tandje bij te steken? Goodwill van het bedrijfsleven is goed, maar de overheid die tussenkomt, is beter.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Minister, ik zou u willen oproepen om in eerste instantie duidelijkheid te scheppen. Ik weet dat u zich laat leiden door de virologen, maar onze scholen snakken naar duidelijkheid. De paasvakantie staat voor de deur en ze willen weten waar ze aan toe zijn. De kans is heel reëel dat de scholen na de paasvakantie niet zullen heropenen. Onze scholen wachten niet op de adviezen, ze zijn al volop bezig met zich te organiseren.

Ik denk dat we er rekening mee moeten houden dat deze situatie nog een lange tijd zal duren. Ik zou u willen vragen om toch ook te investeren. Collega Goeman haalde het net aan: die 12.500 computers, dat gaat enkel over het secundair onderwijs. In het lager onderwijs zijn er ook hoge noden. Ik hoor van leerkrachten dat er heel veel leerlingen, of toch een bepaald percentage, gewoon niet bereikt worden. Dat is een heel groot probleem. Er is een grote sociale kloof in ons onderwijs, we moeten oppassen dat die niet nog groter wordt.

Ik roep u op om nog verder te investeren, ook in die digitale leerplatformen, want, ik weet dat u zich laat leiden door de virologen, maar als ik hoor dat het onderwijs een van de eerste sectoren zal zijn die worden heropgestart, slaat de schrik mij om het hart. Er zijn kinderen overleden, ik zie in mijn eigen stad veertigers op intensieve zorgen. Ik zou niet willen dat onze leerkrachten proefkonijnen worden. Ik zou u willen vragen: investeer zo veel mogelijk in dat afstandsonderwijs. Ik denk dat het de komende maanden, zolang we niet kunnen testen, en zolang er geen vaccin is, de realiteit gaat worden. Bovendien is de kans groot dat we in november met dezelfde problematiek worden geconfronteerd. Ik vraag u met aandrang: investeer hierin. Dat is in het belang van de veiligheid van onze leerkrachten en kinderen.

Tot nu toe mochten de leerkrachten ook geen punten meer geven. Er werd alleen leerstof herhaald. Ik zou u willen vragen om ook na de paasvakantie daarin verandering te brengen. Kinderen kunnen perfect van thuis uit taken maken en die inleveren. Daar kunnen punten op worden gegeven. Dat zal die kinderen motiveren, en dat er punten bij komen, zal ook bijvoorbeeld voor de permanente evaluatie en zo verder een zeer welgekomen zaak zijn.

Minister, u spreekt in de media over preteaching. Ik zou u ook willen vragen dat u eens duidelijk in het Nederlands zou aangeven wat daarmee wordt bedoeld.

Dat wat het leerplichtonderwijs betreft. Ook in het hoger onderwijs zijn er veel problemen. Ik heb gehoord dat vandaag ook de Universiteit Antwerpen inspanningen heeft gedaan, net als UGent en de KU Leuven, betreffende de huur van de studentenkoten. Zou u er misschien voor kunnen zorgen dat er een uniforme aanpak komt, zodat het voor alle studenten duidelijk is wat er kan gebeuren?

Bovendien zou ik willen vragen dat u voor het hoger onderwijs flexibel zou kunnen zijn met de start- en einddatum van het academiejaar, zodat, als er tijd zou overblijven, die toch nog maximaal kan worden benut.

De heer Van Rompuy heeft het woord.

Collega’s, in de komende dagen zullen we pas echt weten hoe groot de piek van de epidemie in ons land zal zijn, en laten we hopen dat de capaciteit van onze ziekenhuizen daarvoor zal volstaan. Het is dus het moment om vooral vol te houden en de regels strikt na te leven. Ik wil daaraan toevoegen dat landen die bij een epidemie snel en kordaat maatregelen nemen, ook de landen zijn die daarna het snelst het gewone leven kunnen hervatten, de scholen opnieuw kunnen openen, en die ook het snelst hun economie zien heropleven. De zorg voor gezondheid is dus niet in strijd met de zorg voor de economie of het onderwijs, wel integendeel. Ik wou dat toch nog eens onderstrepen omdat ik vandaag in de media een pleidooi las voor het nu al openen van het debat over de geleidelijke versoepeling van de maatregelen. Ik denk dat dat niet het juiste signaal is op dit moment. Ik denk dat we unisono de boodschap moeten blijven geven dat we nu vooral moeten volhouden, vlak voor de piek eraan komt.

Minister, mijn tweede punt gaat meer specifiek over het onderwijs. We zijn blij dat u hebt onderstreept dat u alles in het werk zult stellen opdat geen enkele leerling of student door de crisis een jaar zou verliezen. In het kader daarvan krijgen wij van leerkrachten en ouders toch zeer veel vragen om duidelijkheid. Daarom zou ik u toch nog de volgende zaken willen voorleggen. U hebt gezegd dat, indien we na Pasen de scholen niet zouden kunnen heropenen, men zal overschakelen van het herhalen van leerstof naar nieuwe leerstof. De vraag die wij krijgen van leerkrachten, maar ook van ouders is om een goede, realistische dagplanning te kunnen hebben, en een duidelijke structuur om dat mogelijk te maken.

Ook horen we van leerkrachten dat niet alle leerlingen op dit ogenblik mee zijn. We willen u vragen om van de paasvakantie gebruik te maken om te trachten die leerlingen te detecteren en alsnog aan boord te krijgen vooraleer er nieuwe leerstof aan bod zal komen.

Het is hier ook al gevraagd: hoe zullen de evaluaties kunnen verlopen, net om ervoor te zorgen dat niemand een jaar hoeft te verliezen?

Tot slot nog een kort woord over de polemiek over de verdeling van de Europese fondsen. Ik zal het bijzonder kort houden. Ik wil gewoon aanstippen dat Vlaanderen wat alle Europese fondsen samen betreft meer dan de helft krijgt van hetgeen waarop België recht heeft, maar ik zal het daarbij laten.

Dat komt straks ook nog wel aan bod.

Ik zal het daarbij laten, omdat niemand nu een boodschap heeft aan een polemiek daarover. We zijn nu bezig met de strijd tegen corona, en met niks anders.

Mevrouw El Kaouakibi heeft het woord.

Collega’s, goedemiddag. De afgelopen weken waren enorm hard, met harde cijfers, harde beelden, krantenkoppen die nog altijd snoeihard binnenkomen. Maar ondertussen – ik sluit me aan bij de collega’s – hebben we de afgelopen weken ook ongelooflijk mooie dingen gezien, van onderuit, van de mensen, maar zeker en vast ook bij de regering. Die daadkracht is belangrijk. Je merkt gewoonweg dat crisissen niet het beest, maar echt wel het beste in mensen naar boven brengt. Mensen hebben echter wel nood aan duidelijkheid, aan informatie, vooral ook onze heldinnen en helden in het onderwijs waarover wij hier nu spreken: directeurs, leerkrachten die bergen verzetten in ongelooflijke moeilijke tijden. Die hebben nood aan antwoorden.

Een van de belangrijkste vragen die beantwoord moeten worden, is hoe we ervoor zullen zorgen dat we elk kind op het einde van het schooljaar vooruit hebben geholpen. Dat betekent zowel de kinderen die vandaag de badkamer moeten gebruiken om hun schoolwerk te maken, als de kinderen wier ouders een enorm drukke job hebben en 101 ballen in de lucht houden en uiteindelijk ook nog eens moeten nadenken over hoe ze hun kind of kinderen zullen ondersteunen, reikhalzend uitkijkend naar antwoorden op de vraag: ‘what’s next?’.

Als er één ding is dat deze crisis ook duidelijk maakt, dan is het opnieuw de kloof in onze maatschappij. Je kunt die echt niet ontkennen, en dus moeten we meer dan ooit op de vraag antwoorden of we de belofte hardmaken dat onderwijs een recht is voor elk kind of dat het een privilege is. Minister, dat zijn vragen waar echt wel antwoorden op moeten komen en antwoorden die niet opnieuw vragen doen rijzen. Ik sluit me aan bij de meeste vragen die al zijn gesteld. We sluiten ons erbij aan dat er nieuwe leerstof moet komen, maar welke leerstof? Wie bepaalt die leerstof? Hoe gaan we die leerstof overbrengen? Preteaching als methodiek: top, prima! Ik ken het, maar ik weet alleen niet of we het over dezelfde methodiek hebben.

Hoe zullen we de jongeren bereiken van wie de leerkrachten mij contacteren en zeggen dat ze sinds de sluiting van de scholen met velen geen contact meer hebben en hen niet kunnen bereiken? Dat is problematisch. Hoe zullen leerlingen beoordeeld worden? Leerkrachten, scholierenkoepels, ouders, leerlingen luiden de alarmbel. Een gezondheidscrisis dreigt een kansencrisis te worden, tenzij we met antwoorden komen.

U kwam vorige week al met een heel duidelijk, daadkrachtig antwoord. Het gaat mij niet om de aantallen, ook al moeten die gehaald worden, maar er is wel degelijk een heel goed initiatief van onderuit gestart met die laptops en tablets, dat door lokale besturen ook nog eens extra wordt geboost. Er worden extra laptops gezocht, maar nu is de moeilijkheid om die bij de juiste gezinnen te krijgen en daarmee aan de slag te gaan.

Naast het digitale moeten we echt wel durven nadenken en spreken over de volgende stappen. Ik weet dat we worden geadviseerd door virologen, experten, de Nationale Veiligheidsraad, maar ik zou toch graag in de commissie kunnen spreken over wat als er toch contacturen zouden zijn, uiteraard opnieuw met respect voor de adviezen, namelijk halve groepen, halve dagen en enkel focus, zoals de heer Daniëls zei, op de lesinhouden die echt noodzakelijk zijn. Wat doen we met de ondersteuning via huiswerkbegeleiding? Hoever staat het met de samenwerking met jongeren- en welzijnsorganisaties? Voor ons is het initiatief dat door wijlen Marleen Van Ouytsel ooit is opgestart en dat nu door velen analoog wordt opgestart erg belangrijk, namelijk de Zomerschool. Dit initiatief kunnen we in deze situatie enorm goed gebruiken, niet alleen voor de achterstand op het vlak van taal maar door het breder door te trekken naar andere lesinhouden. Om dat op gang te trekken, moeten we nu starten met de coördinatie en de uitrol, lokaal en met alle organisaties en experten die daar vandaag al heel graag mee aan de slag willen gaan.

Minister, antwoorden, concrete antwoorden op vragen, op bezorgdheden: het is kwestie om niet nog meer jongeren met nog meer achterstand in september te laten starten.

Tot slot wil ik u nog vragen – ik voel mij daar een beetje ongemakkelijk bij, want ik weet dat het een moeilijke periode is – om die antwoorden ook aan ons te geven, aan het parlement. We lezen heel veel in de pers, en dat is noodzakelijk want mensen moeten geïnformeerd worden, maar wij vertegenwoordigen wel 6,5 miljoen Vlamingen. De Grondwet is daar heel duidelijk over: als volksvertegenwoordigers is het onze taak en onze plicht om het algemeen belang en het Vlaams belang te dienen. Om dat te kunnen doen, is het mijn plicht om vragen te stellen en is het uw plicht om antwoorden te geven. Ik hoop dat we het huidige onevenwicht als gevolg van de situatie – ik begrijp dat – vandaag of morgen wat kunnen herstellen. Als we dat doen en als we zorgen voor antwoorden, dan ben ik ervan overtuigd dat we hier samen doorkomen. Want Vlaanderen loopt vol met heldinnen en helden.

De heer Rzoska heeft het woord.

Namens mijn fractie steun ik heel wat vragen van leden die voor mij hebben gesproken. Minister, er is in het onderwijsveld zeer veel onduidelijkheid en men vraagt heldere antwoorden. Ik weet dat het niet altijd makkelijk is om outreachend te werken naar kwetsbare kinderen, naar kinderen die niet bereikt worden. Daar zijn heel wat vragen over. Heel wat mensen doen op dat vlak inspanningen, zoals leerkrachten en scholen van thuis uit. Preteaching is niet zo evident. Voor mensen in kwetsbare posities maar zelfs voor mensen die nog altijd functioneren en die een sterke thuissituatie hebben, is het niet zo evident om op een of andere manier ondersteunend te werken. Men vraagt ook snel heldere antwoorden over de scenario's die klaarliggen voor na de paasvakantie.

Ik weet dat u de virologen volgt en ik volg dat ook wel. Maar tegelijkertijd denk ik dat vanuit Vlaanderen, zeker wat betreft het onderwijsveld, die heldere antwoorden niet enkel kunnen komen van virologen, maar ook moeten komen van de minister van Onderwijs en van de Vlaamse overheid over hoe een en ander zal worden aangepakt. Die vragen stromen binnen bij alle collega's en ze stromen ook binnen bij ons. Ik kan me voorstellen dat die ook bij u binnenstromen, maar die hebben ook wel een helder antwoord nodig.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Het is al gegaan over de ongelijkheid in het onderwijs. Ik wil het heel kort hebben over de ongelijkheid tussen kotstudenten. We hebben de voorbije dagen gezien dat een aantal universiteiten mooie initiatieven nemen en dat een aantal kotbazen hun goodwill tonen, maar dat geldt niet voor iedereen. Die andere kotstudenten rekenen op een sterke overheid die hen beschermt. Dus opnieuw mijn vraag: wat gaan jullie doen voor al die kotstudenten die vandaag in de kou staan? Ik lanceer opnieuw mijn voorstel om een soort van noodhuurfonds te lanceren dat aan huurders, studenten en ook andere mensen die hun huur vandaag niet kunnen betalen, een voorschot geeft om een afbetaling later te kunnen regelen.

Oké, dat hebt u vorige week al uitgelegd.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik zal proberen een antwoord te formuleren. Ik begin met de vaststelling dat het vanzelfsprekend ook binnen het onderwijsveld redelijk frustrerend is om vast te stellen dat we geen vat hebben op het moment waarop de scholen weer opengaan en dat we daaromtrent geen zekerheid hebben. Dat is eenvoudigweg zo omdat dat een beslissing zal zijn van de Nationale Veiligheidsraad, op basis van de adviezen van experten inzake volksgezondheid. Waarom is dat onduidelijk? Omdat iets anders niet mogelijk is. Het is niet mogelijk dat wij allemaal binnen ons eigen beleidsdomein zouden gaan zeggen als minister: de scholen gaan op dat moment open, de gemeentelijke loketten gaan op dat moment open enzovoort. Het zou totale chaos zijn. Dat kunnen we absoluut missen als kiespijn. We slagen er meestal in om te zorgen voor een eenduidige communicatie, dat wil zeggen dat we het advies volgen van de wetenschappers en experten inzake volksgezondheid. Omdat iets anders niet mogelijk is. Dus we gaan voor zoveel mogelijk eenduidige communicatie.

Je stelt trouwens vast dat elke minimale discussie die ergens ontstaat, al gaat het soms over details, aanleiding geeft tot grotere accidenten. Dat mogen we dus niet doen. Wij proberen binnen het onderwijsveld iedereen op eenzelfde lijn te krijgen en de neuzen in dezelfde richting te krijgen. We hebben een veelheid aan sociale partners en partijen in het onderwijs. Er is een grondwettelijke vrijheid van onderwijs, dus wij kunnen eigenlijk amper bepalen wie wat moet geven en hoe. Maar toch slagen we erin om heel veel samen te zitten, meetings te organiseren, heel breed samengesteld. Om u een idee te geven: gisteren of eergisteren hebben we nog 4 uur vergaderd met 35 vertegenwoordigers van de koepels, onderwijsvakbonden, centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's) en noem maar op, de helft op afstand en de helft in een ruim auditorium aanwezig. Maar we slagen er wel in om de neuzen maximaal in dezelfde richting te krijgen en om zo weinig mogelijk ruis op de communicatie te hebben ­­– waarvoor dank aan de onderwijspartners, want dat is niet altijd een eenvoudige opdracht. Ik vraag u dus ook om dezelfde lijn maximaal te volgen.

Daarnaast zorgen we ook voor betrokkenheid van de onderwijspedagogen, want dat zijn natuurlijk ook communicators. U kent ze wel, u ziet ze soms ook in de media. Ook die hebben we betrokken en dicht bij ons gehouden, net vanuit de ambitie om zo weinig mogelijk ruis te hebben op de communicatie en geen standpunten of meningen te gaan communiceren maar beslissingen.

Ik onderscheid vier fasen vanaf heden tot in de toekomst, waarin we stapsgewijs gaan evolueren. De eerste fase is de week voor de paasvakantie waar we de richtlijnen herhalen. Alles wat we beslissen in dat breed overleg met de onderwijspartners, wordt onmiddellijk gecommuniceerd via Schooldirect. Schooldirect is misschien voor de grote gemeenschap een grote onbekende maar dat is absoluut een cruciaal instrument voor communicatie richting de schooldirecties. Zij krijgen dat ogenblikkelijk in hun mailbox. Er zijn honderdduizenden mensen op geabonneerd.

Maar de richtlijn die we dus communiceren aan de leerkrachten is dat ze moeten zorgen voor taken die in functie staan van de noden van leerlingen en dat ze maximaal rekening moeten proberen te houden met de thuissituatie en met wat houdbaar en haalbaar is voor ouders, voor leerlingen en voor zichzelf. Dat zal overal verschillen, omdat de noden en situaties natuurlijk overal verschillend zijn, maar het is gewoon een gezond basisprincipe: hou rekening met wat houdbaar en haalbaar is voor uw doelgroep en voor uzelf als leerkracht. In beginsel betekent dat dat er geen nieuwe leerstof gegeven wordt en dat er ook geen evaluatie plaatsvindt. Leerkrachten moeten ook de ouders betrekken en met ouders communiceren. Een digitaal oudercontact is in dezen heel belangrijk om voor een terugkoppeling te zorgen.

We hebben deze week trouwens ook nog aan de leerkrachten gevraagd om de didactiek aan te passen en leerlingen niet te overladen met opdrachten en lesinhoud allerhande. Leerkrachten verschillen immers niet alleen maar voor de klas, maar ook in de digitale sfeer. Mijn mailbox zit vol met mails van ouders die aanklagen dat hun kinderen te veel taken krijgen, terwijl andere ouders dan weer net te weinig horen van de leerkrachten. Over het algemeen moet ik wel zeggen dat het goed zit. Er zijn fantastische voorbeelden van heel gedreven leerkrachten die tegengehouden worden door de politie, terwijl ze taken in de brievenbus van hun leerlingen aan het steken zijn. Er was ook een heel creatieve leerkracht die een handleiding aan zijn leerlingen had bezorgd om hun toe te laten een insectenhotel te bouwen. In die handleiding stond ook waarom dat goed is en hoe zo’n insectenhotel werkt, om maar een voorbeeld te geven.

De tweede fase is dan die van de paasvakantie. U hoort het goed: vakantie. We geven duidelijk mee dat het om een vakantie gaat. We leven in heel vreemde tijden, maar de twee komende weken zijn vakantie. Dan worden er geen nieuwe lessen of taken gegeven. En de opvang waarin we voorzien, onder regie van de lokale besturen en in samenwerking met minister Somers, minister Dalle en minister Beke, hebben we op korte tijd op punt moeten zetten, maar dat is met heel veel goede wil en soms een beetje improvisatie gebeurd. Zo proberen we ons woord te houden dat we voor de meest kwetsbare kinderen opvang blijven organiseren. We laten hen niet in de steek. Het gaat dan om kwetsbare kinderen vanwege een fysieke of eender welke andere beperking, zoals een moeilijke thuissituatie. We laten hen niet in de steek en blijven in opvang voorzien voor hen, onder regie van de lokale besturen. De opvang is natuurlijk niet alleen voor kwetsbare kinderen, maar ook voor kinderen van ouders die vandaag werkzaam zijn in de cruciale sectoren, zoals de logistiek, de zorg, de distributie en de veiligheid. Ook dat blijven we verzekeren.

Een derde fase is de situatie na de paasvakantie. Vandaag ligt de tijdshorizon die de Nationale Veiligheidsraad vooropstelt op het eind van de paasvakantie, maar de twee weken die erop volgen zijn wel als optie ingebouwd. Wij zorgen er alleszins voor dat we na de paasvakantie een versnelling hoger schakelen en we proberen te gaan naar het aanbieden van nieuwe leerstof, maar wel mondjesmaat, op een heel voorzichtige manier. Dat noemen wij nu preteaching, maar daar wil ik wel onmiddellijk aan toevoegen dat de wetenschappelijke definitie van preteaching iets anders behelst dan wat wij nu in de praktijk tot stand willen brengen. Wat willen wij doen? Wij willen ervoor zorgen dat we nu al nieuwe lesinhoud aanbieden, waarop later, als de scholen weer opengaan, wordt teruggekomen, zodat men niet van nul hoeft te beginnen. Daarbij geldt opnieuw dat alles voorzichtig moet en dat de leerkrachten moeten kijken naar wat haalbaar en doenbaar is. Dat zal overal wel wat verschillen, maar op dat vlak moeten wij vertrouwen op de leerkrachten en de scholen, want zij kennen hun eigen situatie het beste.

Waarom willen we nieuwe lesinhoud geven? Enerzijds omdat we bezorgd zijn over de onderwijskwaliteit. Laat deze weken – of dit jaar – alstublieft geen verloren tijd zijn.

Maar dat is ook omdat we vrezen dat jonge kinderen en vooral jongeren dreigen af te haken. Als je altijd maar oude leerstof blijft geven, dan gaat daar geen enkele prikkel meer van uit. Je moet een beetje uitdagen, je moet wat teasen, wat prikkelen. Ook op dat vlak zijn de wetenschappers het binnen het onderwijsveld volledig met elkaar eens, wat niet vanzelfsprekend is. Iedereen heeft de bezorgdheden die hier worden geuit, namelijk: je bereikt daarmee niet iedereen. Dat weten we, maar we doen het maximaal mogelijke om dat te verhinderen. We stellen de vraag ook aan de scholen: maak tijd, maak maximaal gebruik van de paasvakantie om diegenen die je nog niet hebt kunnen bereiken, alsnog te bereiken via de ouders, door te bellen, op alle mogelijke manieren.

De leerkrachten en de scholen weten het beste welke de probleemgevallen zijn. Voor diegenen waar er wel een wil is, maar geen materiële mogelijkheden ­– die dus geen pc in huis hebben –, hebben we die campagne snel op poten gezet, met de ambitie om 10.000 laptops via Digital For Youth te distribueren. Vooralsnog kregen we er 8000 ter beschikking gesteld. Nu zijn er 3000 klaar en vanaf volgende week worden ze verdeeld. Het is heel snel en heel goed gegaan, maar ik moet nog altijd een oproep doen. We hebben er van overheidswege 240.000 euro ingestopt, maar de nood is nog groter.

We doen enerzijds een oproep aan de bedrijven om vanaf een dertigtal laptops en meer een seintje te geven. Wij zorgen er dan voor dat die worden afgehaald, dat ze worden hernieuwd. Er komt nieuwe software op en dan zijn ze zo goed als nieuw. Dat is de eerste oproep. Een tweede oproep draait rond een verdere financiële ondersteuning. Want er is natuurlijk een kost voor distributie, voor het opkuisen van die pc's en om ervoor te zorgen dat ze zo goed als nieuw kunnen worden verdeeld.

Belangrijk om mee te geven is dat er een nieuwe situatie is. Als we nieuwe lesinhoud geven, gaan we ook nieuwe richtlijnen geven, zowel aan leerkrachten als aan ouders. Eind deze week gaan we daarop afkloppen met de pedagogen. We houden hen dicht bij ons omdat zij cruciale wetenschap hebben, maar ook omdat we willen verhinderen dat we in de media een debatje gaan voeren waarbij de ene dit zegt, en de andere dat. Dat zorgt voor verwarring. We brengen dit samen om eenduidige richtlijnen te formuleren. Die zijn zo goed als klaar. We moeten ze wel nog finaliseren.

Wat wil dat bijvoorbeeld zeggen voor ouders? Hou het gedoseerd, geef zelf geen les, je moet niet bang zijn dat je zelf les zult moeten geven over zaken die je niet kent. Dat is niet de bedoeling. Creëer vooral een dagelijkse routine. Regelmaat, vaste leermomenten, ritme, dat is belangrijk.

Voor leerkrachten volgen natuurlijk richtlijnen, zoals het zorgen voor een beknopte instructie over nieuwe leerstof, met uitgewerkte voorbeelden van oefeningen. Bouw tijd in voor vragenuurtjes. Daarover zult u weldra meer vernemen.

Ten slotte hebben we de vierde fase. Wat doen we met de lestijd die overblijft na de meest stringente coronamaatregelen? Opnieuw, we zijn afhankelijk van de beslissingen van de Veiligheidsraad en dus van de virologen, maar we bereiden ons er wel op voor.

Welke vragen moeten we dan beantwoorden? Vraag één is: welke onderwijsdoelen willen we nog behalen? Dan zullen we keuzes moeten maken. We hebben de eindtermen, die dit parlement heeft geformuleerd, en die zeggen wat een leerlingenpopulatie moet kennen en kunnen. Dat is natuurlijk een absolute richtlijn en een richtsnoer, maar we gaan wel moeten kiezen welke vakken en welke leerstof essentieel zijn voor het curriculum van een student in kwestie.

Vraag twee: hoe gaan we de lestijd of de resterende tijd maximaal benutten? We kunnen bijvoorbeeld zeggen dat we de evaluatiemomenten gaan beperken tot het minimum. We gaan een heel ander jaareinde hebben dan gebruikelijk. We kunnen bijvoorbeeld desnoods enkel in de laatste week van juni toetsen afnemen en pas achteraf de deliberatie doen.

We zullen alleszins afscheid moeten nemen van de traditionele opkuisbeurten in de klas. Normaal gezien zijn de laatste weken opkuisbeurten, maar die zullen er nu niet zijn. We zullen maximaal les moeten geven en daartoe de mogelijkheden creëren.

Wat met testen en evalueren? Wel ook hier wil ik heel duidelijk zijn. Er is natuurlijk de autonomie van de scholen en van de leerkrachten, maar we gaan voor een duidelijke en veilige regeling. We zullen niemand tegenhouden die het niet verdient. Dat is een belangrijk richtsnoer. Leerlingen met tekorten geven we altijd de mogelijkheid om te herkansen. Dat moet ook als beginsel voorop blijven staan: altijd een tweede kans voorzien. Het kan een herexamen of een extra evaluatie zijn of remediëring in de zomer. Dat zijn de mogelijkheden.

Tot slot enkele punctuele vragen. Voor de toelatingsexamens voor de artsen zitten zesduizend mensen in één zaal. Dat is niet het beste idee, denk ik. Zo gaan we het alleszins niet doen. Er zijn enkele scenario's die we de volgende week bespreken en afkloppen met de voorzitter van de examencommissie. Men zou voor een digitaal alternatief kunnen gaan; men kan ook voor uitstel gaan. Dat zijn twee van de scenario's die voorliggen, maar er zijn er nog meer.

Dan is er de vraag over huren en de kotstudenten. Er is door de KU Leuven een mooie geste gedaan. De KU Leuven is de grootste verhuurder en de belangrijkste kotbaas en ze hebben een geste gedaan. Het minimum minimorum is dat de verhuurders – private of publieke – een minimale geste doen. In de huurprijs zit ook altijd een basisbedrag voor energieverbruik en voor internetgebruik. Men zou dat ten minste kunnen terugbetalen, want dat is een kost die de verhuurder niet meer heeft. Het is een billijke regeling en voor mij een minimum minimorum.

Een richtlijn in alle problematieken die we straks te berde brengen, is voor mij: heb alstublieft allemaal een beetje begrip voor elkaars moeilijke situatie. Ga de dialoog aan. Spreek met elkaar. Mijn mailbox zit vol met mails van ouders die klagen over het feit dat ze te weinig of te veel krijgen van leerkrachten. Als ik vraag of ze dat zelf al aan de school van de leerkracht hebben gezegd, dan zeggen ze: ‘Neen, want u bent toch minister van Onderwijs.’ Ga toch eerst in dialoog. Veel wordt uitgepraat en opgelost door een beetje begrip te hebben voor elkaars moeilijke situatie.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik wil nog eens heel duidelijk stellen – wat ik al heb gedaan – dat wat ons betreft, volksgezondheid moet primeren, zelfs op onderwijs, zelfs op economie. Eerst en vooral moeten we zorgen dat onze leerkrachten veilig zijn vooraleer er nog maar wordt gesproken over een heropstart. Minister, mocht er toch een heropstart zijn, hebt u al plannen voor als er plots toch een groot aantal leerkrachten zouden uitvallen?

Ik heb u niet horen zeggen of u ook een extra budgettaire inspanning zou doen voor het lager onderwijs, bijvoorbeeld voor de technologieplatformen en computers.

Ik vind het heel goed dat u zegt dat alle studenten en leerlingen recht zullen blijven hebben op een herkansing, want dat is ook een grondrecht en wordt door de studentenverenigingen ook gevraagd. Dat is dus zeer positief.

Ik wou nog even van de gelegenheid gebruikmaken om een oproep te doen. De artsenspecialisten in opleiding zitten nu in de vuurlinie. Ze doen heel hard hun best en ondersteunen ziekenhuizen, maar hebben een slecht sociaal statuut. Op het moment dat ze uitvallen of technisch werkloos worden, krijgen ze niets. Ze hebben geen recht op een vergoeding. Ik zou ervoor willen pleiten om deze studenten, die nu toch een zeer cruciale rol vervullen in onze ziekenhuizen, een beter sociaal statuut te geven.

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, collega's, ik dank u voor de bijkomende vragen.

Ik denk dat het goed is dat u zegt dat we maar duidelijkheid kunnen geven over datgene waarover we duidelijkheid hebben. Dat is de moeilijkheid met wat iedereen in onderwijs wil. Als er een datum is, kan men beginnen te plannen, maar we hebben die nog niet. In het onderwijs, waar we allemaal heel gestructureerd willen werken, geeft zoiets een ambetant gevoel.

Ik wil toch nog even inpikken op iets dat belangrijk is, namelijk: de telefoon bestaat nog. Waarom haal ik dat aan? Iedereen wil dezer dagen skypen en dergelijke, zodat je elkaar ziet, of mails sturen. Sommige gezinnen hebben die dingen echter niet, maar daar hebben we wel een telefoonnummer van. Soms is opbellen nog altijd zeer efficiënt. We vergeten in deze dagen soms dat dat kan. U hebt het aangehaald: ik denk dat tijdens de paasvakantie misschien niet alleen de scholen dat kunnen doen, maar ook ruimer.

Een vraag waar u niet op ingegaan bent – er zijn uiteraard wel wat vragen gepasseerd – is wat we doen met de inschrijvingen voor mensen die van het lager naar het secundair gaan. We hebben die inschrijvingen uitgesteld. Maar mensen zitten wat te kijken: de infomomenten zijn er niet geweest en we weten niet wanneer die er opnieuw zullen zijn. Is er daar een zicht op?

Dan zijn er de stages in het beroepssecundair (bso) en het technisch secundair onderwijs (tso), zeker in de laatste jaren en de zevende jaren, het secundair-na-secundair (Se-n-Se). Sommigen verliezen nu grote stukken van hun stage. Anderen, in de zorgsector, hebben, denk ik, de meest leerzame stage die er bestaat op dit moment. Dank ook dat ze dat doen. Maar hoe kan daarnaar gekeken worden, opdat ze nadien toch nog zinvol kunnen starten in het bedrijfsleven?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik ben niet ingegaan op die inschrijvingen, omdat we dat verleden week eigenlijk al aan bod hebben laten komen en ik punctueel heb aangeduid welke mogelijkheden daar zijn. We hebben wel onmiddellijk een directief gegeven om de fysieke inschrijfmomenten onmiddellijk te staken en ook een aanbod gedaan om alsnog de digitale weg te kunnen bewandelen. We hebben de scholen in kwestie erop geduid, en ik denk dat dat directief ook nauwgezet opgevolgd werd.

Tot slot wil ik nog even iets meegeven aan collega Goeman, die zei dat de vraag naar laptops bij het katholiek onderwijs alleen al 12.500 omvatte. Neen, dat is voor alle netten. Ik heb de optelsom gemaakt en de bevraging georganiseerd. In totaal kwamen we aan 12.500. We hebben er nu 8000. De volgende stap die ik inderdaad graag ook nog zou zetten, is die naar het basisonderwijs. Op dat vlak hebben we nu ook een 3000- à 5000-tal vragen naar een laptop of pc voor kinderen in het basisonderwijs. Maar de eerste focus ligt wel op het secundair onderwijs. We zitten op 8500 van de 12.000 gevraagde.

We gaan over naar het volgende thema, Economie en Werk.

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, minister, ik denk dat we het er allemaal eens over kunnen zijn dat we nu op socio-economisch vlak twee grote uitdagingen hebben. De eerste is vermijden dat deze coronacrisis mensen in zware financiële problemen duwt. De tweede is ervoor zorgen dat onze bedrijven, onze economie, deze crisis kunnen overleven en dat de sectoren die nu verder werken, zo optimaal mogelijk kunnen blijven functioneren. In dat verband hebben wij de voorbije dagen wel wat vragen en bezorgdheden van ondernemers en burgers gekregen, die op dit moment toch wel wat zwarte sneeuw zien.

Voorzitter, ik probeer in dit korte tijdsbestek een aantal concrete thema’s aan te halen. Vooreerst zijn er de ondernemers en zelfstandigen die niet beschikken over een fysieke inrichting. Zij konden geen aanspraak maken op de hinderpremie van 4000 euro. Ik heb nu begrepen dat zij wel een beroep zullen kunnen doen op die compensatiepremie, indien ze kunnen aantonen dat er in de periode tussen 14 maart en 30 april, als ik het goed begrepen heb, een omzetverlies van 60 procent is in vergelijking met vorig jaar. Ik heb de volgende vraag over die compensatiepremie. Is die verlengbaar, zoals de hinderpremie? Of is dit een eenmalige premie die stopt op 30 april? Een tweede vraag daarbij is: men moet dat omzetverlies duiden met een verklaring op eer; houdt het daarmee op, of gaat er nadien ook een vorm van controle op gebeuren?

Dan zijn er de uitzendkrachten. Voor heel wat uitzendkrachten die ontslagen zijn wegens de crisis werd geen aanvraag ingediend voor technische werkloosheid omdat zij er geen recht op hebben, bijvoorbeeld omdat ze maar een beperkte periode tewerkgesteld waren, maar ook omdat heel wat personeelsleden van interimkantoren er blijkbaar niet voldoende van op de hoogte waren dat die interimarbeiders recht hebben op tijdelijke werkloosheid. Daardoor grijpen ze ook naast andere tegemoetkomingen, zoals de energiepremie. Kunt u die mensen van dienst zijn, minister?

Schrijnend is, denk ik, ook de situatie van de pas afgestudeerden, die geen recht hebben op tijdelijke werkloosheid en die, wegens hun wachttijd, ook geen recht hebben op een gewone werkloosheidsuitkering. Waarvan moeten die mensen dan leven? Kunnen er voor hen initiatieven worden ontwikkeld?

In dezelfde context denk ik ook aan de jobstudenten. Ook zij lijden inkomensverlies. Zij vragen om een soort van noodfonds voor jobstudenten die inkomensverlies hebben.

Vorige week kwam de sierteeltsector ook aan bod. Minister-president, u zei dat u begrip hebt voor de zorgen van deze sector. U zei dat u in de Nationale Veiligheidsraad zou vragen of men die sluitingsplicht zou kunnen herbekijken. Ik heb begrepen dat onder meer voor die sector een noodfonds van 200 miljoen euro wordt opgericht. Mag ik daaruit afleiden dat die sluitingsplicht niet wordt herbekeken? Kunt u wat concreter toelichten hoe de sierteeltsector verder geholpen zal worden?

De transportsector houdt ons land nu mee draaiende en zorgt ervoor dat de bevoorrading gegarandeerd blijft. Zij zitten wel vaak met problemen aan de grensovergangen, waar zij door de grenscontroles veel tijd verliezen. Is het niet mogelijk om in de Nationale Veiligheidsraad voor te stellen om de vrachtwagens bij de grensovergangen voorrang te geven op andere mensen, zodat zij daar niet in lange files terechtkomen?

Minister-president, over de dienstenchequesector zei u vorige week dat men er te snel naar technische werkloosheid zou grijpen. Ik ben het daar niet mee eens. Poetshulpen werken wekelijks op tientallen adressen, vaak bij oudere en kwetsbare mensen, en dan nog voor een beperkt loon. Ik vind het dus niet verstandig om hen aan het werk te laten. Kunt u daar, ook in overleg met de mensen van de Nationale Veiligheidsraad, geen andere maatregel uitwerken?

Net als in de zorgsector, die straks nog aan bod zal komen, is er bij heel wat andere sectoren vraag naar extra richtlijnen en maatregelen om ondernemers en personeel te beschermen. Ik denk daarbij aan het grootwarenhuispersoneel, aan de poetshulpen in bedrijven, maar bijvoorbeeld ook aan de begrafenisondernemers: mensen die vaak in contact komen met coronaslachtoffers, maar voor wie nauwelijks beschermingsmiddelen voorradig zijn. De overheid moet hier een tandje bij steken en bijvoorbeeld met specialisten op zoek gaan naar manieren om extra bescherming te geven aan die ondernemers en personeelsleden die wegens de aard van hun job een verhoogde kans op besmetting hebben.

Kunt u afronden?

De allerlaatste sector waar er nog wel voldoende werkgelegenheid is, is de land- en tuinbouw. De inzet van seizoenarbeiders lijdt daar onder de epidemie. Minister, u gaf aan dat VDAB die vacatures prioritair moet behandelen. Ik zou graag van u willen weten hoe u dat wilt laten invullen. Is het dan ook niet aangewezen om tijdelijke maatregelen te nemen die de inzet van tijdelijk werklozen in de land- en tuinbouwsector kunnen faciliteren?

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Wij zijn al drie weken aan het pleiten voor een sluiting van de dienstenchequesector voor poetshulpen omdat wij denken dat het voor de meerderheid van hen niet veilig is om te gaan werken. Veel mensen zijn thuis, niet iedereen woont in een dikke villa. Het lijkt mij compleet onverantwoord dat mensen in de voormiddag bij een jong gezin gaan poetsen en in de namiddag bij oudere mensen. Als ik het goed begrepen heb, zult u nu de subsidie per dienstencheque verhogen. Dat dreigt vooral een cadeau te worden voor de dienstenchequebedrijven en helemaal niet ten goede te komen aan de poetshulpen zelf. Gebruik dat geld voor de uitbouw van een eerlijk systeem van tijdelijke werkloosheid voor mensen die sowieso al met een heel laag loon moeten rondkomen.

De heer Schiltz heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, in bijzondere tijden moet ook ons werk zich tot een bijzonder niveau kunnen tillen. Ik heb hier vorige week gezegd: ‘country before party’, dus durf ik vandaag zelfs te zeggen dat de collega van het Vlaams Belang een aantal pertinente punten heeft aangehaald.

Uiteraard is zorg het allerbelangrijkste, maar naast gezondheid is er de economie. We moeten ervoor zorgen dat iedereen op het einde van de maand een som op zijn rekening heeft waarmee hij in zijn eigen noden kan voorzien. Dat is de allerbelangrijkste, eerste opdracht geweest, naast welzijn, die de regering ter harte heeft genomen.

Minister-president, u hebt aangehaald dat het schip averij zal oplopen, maar we moeten ervoor zorgen dat het niet keldert. Daarvoor is het alle hens aan dek en daar wordt aan gewerkt. Uiteraard zijn mijn partij en ikzelf verheugd met de hinderpremie die is opgezet en met het voorstel van decreet waarover we deze namiddag zullen stemmen. Het forfaitair bedrag voor de energiekosten is zeer rechtvaardig uitgewerkt. Vandaag is ook een compensatie aangekondigd voor wie ernstige economische schade lijdt, maar niet in de vorige categorieën valt.

De zelfstandigen zijn in België en in Vlaanderen de motor van onze economie en staan heel dicht bij de mensen. Na de crisis zullen zij ervoor moeten zorgen dat ons land er weer bovenop komt. U hebt tijdens de persconferentie aangehaald dat die bedrijven, die mensen, die freelancers, zelfstandigen en zelfstandigen in bijberoep, die mensen in de culturele sector en de paramedische sector die hier een belangrijk deel van hun inkomen uithalen, zullen worden geholpen.

Ik denk dat de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement daarin zullen slagen voor zo veel mogelijk mensen, maar niet voor iedereen, want dat zal heel moeilijk zijn. Ik applaudisseer voor de pogingen van de Vlaamse Regering, die ernaar streeft zo veel mogelijk mensen het hoofd boven water te laten houden.

Ik heb nog een paar punctuele vragen. Is dat compensatiebedrag van 3000 euro netto of bruto? Dat is een vraag die me onmiddellijk voor de voeten is geworpen en ik kijk dus uit naar het antwoord.

Mijn laatste punt, landbouw, is al door het Vlaams Belang aangehaald. Eten en transport zijn vandaag cruciaal. Mensen moeten blijven eten en dat eten moet ergens vandaan komen. Mensen kunnen niet meer naar de winkel en bestellen veel zaken online. Veel mensen zitten vandaag in de technische werkloosheid. Dat wordt forfaitair een stukje bijgepast, maar die mensen willen graag een paar uur bijwerken, bijvoorbeeld in de landbouwsector, om de oogsten op de velden binnen te halen. Zo kan het eten naar de voedselbanken gaan en kunnen de allerzwaksten aan eten geraken. Wat is vandaag de stand van zaken met betrekking tot de coronavacatures die VDAB heeft opengesteld? Wordt voortgang gemaakt met het helpen van onze lokale winkels om snel te digitaliseren, zodat ze niet hoeven te sluiten, maar aan huis kunnen leveren in onze buurten?

De heer Bothuyne heeft het woord.

Voorzitter, dit is uiteraard in de eerste plaats een gezondheidscrisis, maar de maatschappelijke en economische impact van de coronacrisis is niet te onderschatten. We hebben in Vlaanderen bijna 600.000 ondernemingen, waarvan bijna 90 procent eenmanszaken zijn. Die mensen steken al hun middelen, hun geld, hun tijd en hun ziel in hun zaak, maar op dit moment zien ze veelal zwarte sneeuw. Velen hier zijn de voorbije dagen en weken gecontacteerd door ondernemers in nood.

Minister, de heer Ronse, die er vandaag niet is, heeft u al vaak de verleidster van de Vlaamse Regering genoemd. Vandaag ontpopt u zich tot de patroonheilige van de ondernemers in nood. Als christendemocraat vind ik dat een titulatuur die beter bij u past.

We hebben heel wat ondernemers in nood. De afgesproken hinderpremie van 4000 euro voor wie moet sluiten, zorgde al voor zuurstof. Maar het bedrag van 3000 euro voor alle mensen die zwaar omzetverlies lijden, bijvoorbeeld ook freelancers en mensen in de culturele sector en de bouwsector die door deze crisis in de problemen komen, zorgt op die manier ook voor extra zuurstof. Ik dank u daarvoor.

Ik wil u vragen om een snelle aanvraagprocedure. De applicatie voor de eerste hinderpremie is bijzonder snel ontwikkeld. Ik hoop dat dit ook voor deze premie het geval kan zijn. Ik vraag ook om een snelle uitbetaling, want de mensen waarover we het hebben, hebben vaak veel vaste kosten en die kosten stoppen niet. Ik hoop dat de premie snel op hun rekening kan staan.

Daarnaast zijn heel wat nuttige financieringsinstrumenten afgesproken die in lijn liggen met wat de Federale Regering heeft afgesproken. Ik zou zelfs durven spreken van een revival van het samenwerkingsfederalisme en daar kunnen we alleen maar blij om zijn.

Het laatste element dat vandaag is aangekondigd, is een noodfonds. Ik zou graag wat meer uitleg en duiding krijgen. Wat is de bedoeling daarvan? Ik heb begrepen dat we mikken op de toeristische sector, de culturele sector en de sierteeltsector. Op welke manier zal dat operationeel worden gemaakt? Wie zal er op welke manier een beroep op kunnen doen? Ik denk dat dit een bijzonder belangrijk signaal is.

Minister, u bent uiteraard ook de minister van Werk. Vandaag noteren we voor het eerst in meer dan vijf jaar dat de werkloosheid opnieuw stijgt. Dat is niet onlogisch, gezien de zware crisis waarin we op dit moment zitten. Er zijn op dit moment niet minder dan 650.000 tijdelijk werklozen in Vlaanderen.

En toch blijven er nog heel wat uitdagingen, bijvoorbeeld bij het invullen van vacatures, zelfs noodvacatures die wegens deze crisis zijn ontstaan. Zo lijkt het inzetten van tijdelijk werklozen in de land- en tuinbouwsector ons een belangrijke uitdaging, om ook daar de voedselvoorziening en dat belangrijk onderdeel van de economie draaiende te houden. Ik hoop dat VDAB ook op dat vlak een tandje kan bij steken.

Tegelijk is het een opportuniteit. VDAB heeft bijvoorbeeld heel wat onlineopleidingen. Ik las dat die ook aan populariteit winnen. En niet alleen VDAB heeft onlineopleidingen. Honderdduizenden mensen zitten op dit moment thuis. We kunnen die mensen een competentieoffensief geven door hen gratis toegang te geven tot zoveel mogelijk onlineopleidingen van VDAB en andere opleidingsverstrekkers. Ik hoop dat ook daar werk van wordt gemaakt.

Er zijn – gelukkig maar – nog bijzonder veel mensen aan de slag: in de zorgsector, in de voedingssector, in de distributie. Het lijkt me een belangrijke uitdaging om die mensen extra te ondersteunen. Ik heb begrepen dat er daarover bij de Federale Regering heel wat ideeën leven. Ik hoop dat er daarvan, in overleg met deze Vlaamse Regering, effectief werk wordt gemaakt, om zo een stimulans te bieden aan wie werkt, en zeker aan wie nog meer werkt dan anders. Er worden namelijk heel wat overuren gepresteerd, bijvoorbeeld in onze warenhuizen. Ik hoop dat u, samen met uw federale collega's, kunt zorgen voor een stimulans voor deze mensen.

Collega's, we moeten vooruitkijken. Er komt een dag dat deze coronacrisis eindigt, hopelijk zo snel mogelijk. We moeten dus werk maken van een doorstart van de economie. De overheid kan daarin een belangrijke rol spelen. Ik denk aan het vergunningsbeleid, aan het vlot trekken van openbare aanbestedingen, openbare werken. Ik wil de Vlaamse Regering, maar ook lokale besturen ertoe oproepen om daar heel hard aan te werken.

We moeten vooruitkijken naar een snelle en veilige doorstart van de economie, maar ook naar in welke richting we die economie willen doorstarten. Ik wil wijzen op de impact op het klimaat- en energiebeleid van deze crisis, met de dalende prijzen van fossiele brandstoffen en een keldering van de CO2-prijs. Ik wil deze Vlaamse Regering oproepen om daar proactief een impactanalyse op te maken, zodat we snel ons klimaat- en energiebeleid zo kunnen vormgeven dat het een doorstart mogelijk maakt van onze economie, die rekening houdt met die andere grote uitdaging, namelijk de klimaatcrisis waarin onze planeet op dit moment verkeert.

Collega's, tot slot wil ik iedereen op het terrein, elke ondernemer, elke medewerker, elke ambtenaar, danken voor alle inzet en alle moed die er op dit moment wordt betoond. In moeilijke omstandigheden houden heel veel bedrijven, heel veel organisaties, op dit moment het hoofd boven water. Die mensen verdienen ons respect en onze steun.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, ik ben vooreerst heel blij om er fysiek weer bij te zijn. Ik heb de voorbije debatten vanop afstand mogen volgen. Het is aangenamer – voor mezelf toch – als ik actief kan participeren, zoals jullie wellicht weten.

Eerst en vooral ben ik de collega's in de Vlaamse Regering zeer dankbaar voor de aanvullende maatregelen die we vandaag hebben kunnen nemen voor onze ondernemingen. Een paar weken geleden hebben we natuurlijk al een forse inspanning geleverd door alle ondernemingen die ten gevolge van de beslissing van de Nationale Veiligheidsraad verplicht moeten sluiten, een hinderpremie toe te kennen van 4000 euro. Ondertussen zijn onze medewerkers van het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) en onze administratie keihard aan de slag om die premies uit te betalen. Ik weet niet of u beseft wat de impact op de workload van die mensen is om ervoor te zorgen dat, ten eerste, de aanvragen vlot kunnen binnenkomen en, ten tweede, je ook vlot kunt uitbetalen. Dat gaat niet over duizend of tweeduizend premies, maar over tienduizenden premies die worden uitbetaald en waar men nu volop mee aan de slag is.

We hebben vandaag beslist om toch een antwoord te bieden aan een pak ondernemers die niet vallen onder de verplichting tot sluiten, zoals beslist door de Nationale Veiligheidsraad, maar die in de voorbije weken en ook vandaag geconfronteerd werden met heel, heel grote verliezen, zonder dat ze er iets aan kunnen doen. Ik geef een paar voorbeelden. Voedingswinkels kunnen openblijven. Maar wees maar eens de bakker die gelegen is naast een bedrijf dat op dit ogenblik nagenoeg volledig technisch werkloos is. Omzet: nagenoeg volledig verdwenen. Wees maar eens de chocolatier in een toeristische stad waar geen toeristen meer komen. Wees maar eens de freelancer die dag in dag uit opdrachten moet krijgen, maar geen opdrachten meer krijgt. Wees maar eens de fotograaf die bij jonge koppels de baby fotografeert – ik ben zelf oma geworden – en dat nu niet meer kan doen, omdat de socialdistancingmaatregelen moeten worden gerespecteerd. Enzovoort.

We hebben de afspraak gemaakt dat al diegenen die een heel ernstig omzetverlies lijden, van een eenmalige compensatiepremie van 3000 euro kunnen genieten. Het gaat dan over een omzetverlies van meer dan 60 procent in de periode van 14 maart tot 30 april 2020, waarbij dat omzetverlies wordt vergeleken met de omzet in het voorbije jaar, want je moet ergens een toetsingselement hebben. De premie is eenmalig. Het is niet dat deze, zoals bij de hinderpremie, nog gevolgd wordt door een dagvergoeding omdat het hier over een andere situatie gaat. Het gaat over bedrijven die in principe open kunnen blijven en niet getroffen worden door de verplichte sluitingsmaatregel, maar die wel zware omzetverliezen lijden. We willen tegemoetkomen in de kosten die deze bedrijven hebben. De categorieën die hiervoor in aanmerking komen, zijn heel breed gedefinieerd. Er zijn categorieën die door een bepaalde code hiervoor automatisch in aanmerking komen, maar we hebben ook een categorie E, voor diegenen die niet onder een andere categorie vallen, maar toch ook omzetverliezen lijden. Ik denk hier aan de freelancers, die je niet in de een of andere economische categorie kunt onderbrengen. Ze zitten overal, maar ook zij kunnen, als ze een omzetverlies hebben, een aanvraag indienen om de premie te verkrijgen.

Hoe bewijs je dat? We vragen hetzelfde als bij de hinderpremie van 4000 euro: een verklaring op eer volstaat. Het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) stelt een formulier op met een aantal vragen. Er wordt ook gevraagd om aan te tonen dat je een omzetverlies hebt. Die verklaring op eer stuur je dan door. Daarna gebeurt er via de btw-aangifte in het tweede kwartaal een controle en kunnen we checken of de aanvraag terecht was. We hanteren daarnaast nog een specifiek controlesysteem: als we bij de btw-controle van het tweede kwartaal zien dat er een omzetverlies is van 20 procent, gaan we ervan uit dat die tijdens die specifieke periode heeft plaatsgevonden. Is dat niet het geval, en het zou kunnen dat de maatregelen qua duur beperkt zijn en dat je op het einde van het tweede kwartaal al je activiteiten kunt hernemen, dan moeten de bedrijven wel aantonen dat ze dat verlies tijdens die coronamaanden hebben geleden. Daarnaast hebben we in de voorwaarden ook de maatregel opgenomen dat de facturatie niet mag worden uitgesteld.

Kortom: VLAIO stelt nu een formulier op. We werken op dezelfde manier als bij de hinderpremie. Je hebt niet veel tijd nodig om het formulier in te vullen. De controle gebeurt via de btw-aangifte van het tweede kwartaal. Als we zien dat de situatie niet helemaal conform is met wat er tijdens de aanvraag werd verklaard, dan zal er een tweede controle gebeuren.

Collega’s, ik weet dat het bepalen van een forfaitair bedrag altijd plussen en minnen heeft. Voor sommige mensen is 3000 euro heel veel, voor anderen is dat heel weinig, maar we hebben voor een premie gekozen die snel kan worden uitbetaald omdat het over het lenigen van de ergste noden gaat.

De vraag en het gesuggereerde antwoord over de locatie klopt. Mensen die geen fysieke inrichting hebben, vallen onder de nieuwe maatregel. We gaan nog een stukje verder: zelfstandigen in bijberoep die de volle premies aan sociale bijdragen betalen, vallen uiteraard onder de maatregel. Zelfstandigen in bijberoep – en van die groep hebben we heel wat berichten gekregen – die een inkomen hebben tussen 7000 en 13.994 euro en die dus niet de volle bijdrage betalen, nemen we ook mee in de maatregel. Zij krijgen 1500 euro. Ook zij die verplicht moesten sluiten en tot de eerste groep behoorden, maar dit in bijberoep deden én te weinig bijdragen betaalden, nemen we nu mee in de maatregel van 1500 euro. Op dat vlak zagen we toch een aantal schrijnende gevallen. De voorwaarden zijn wel dat ze sociale bijdragen betalen, al is die minder dan het volledige bedrag, en dat ze voor minder dan 80 procent als werknemer staan ingeschreven. De zelfstandige activiteiten moeten toch een zeker volume hebben.

Collega’s, wij hebben ook afgesproken dat we alle maatregelen die we hebben genomen, deze en de vorige, op 30 april 2020 zullen evalueren omdat we natuurlijk niet weten hoelang deze toestand nog zal blijven bestaan. Zijn ze wel of niet voldoende? Dat geldt dus ook voor de eerste groep maatregelen die we al hadden genomen.

Collega's, wij hebben vandaag ook beslist – daar zijn minder vragen over gesteld, maar u hebt het ook kunnen lezen – om de waarborgen die wij als Vlaamse overheid aan onze bedrijven geven, heel gevoelig uit te breiden. De waarborgcapaciteit van Gigarant gaat van 1,5 miljard euro naar 3 miljard euro. Daarnaast, en dat wil ik hier ten opzichte van jullie nog eens onderstrepen, nemen wij heel specifieke maatregelen voor start-ups en scale-ups. U weet dat Vlaanderen een prachtige groep jonge startende bedrijven heeft. Ze hebben vaak veel minder buffers, ook financiële buffers, dan andere bedrijven. Wij willen hen niet in de kou laten staan. We willen echt dat zij kunnen overleven, vandaar dat er een systeem van achtergestelde leningen is uitgewerkt, die we als Vlaamse overheid, via onze bedrijven, willen toekennen, waardoor de gewone leningscapaciteit intact blijft en waardoor we hen door deze moeilijke periode kunnen slepen.

Heel belangrijk om hier te vermelden is ook dat we als Vlaamse overheid niets doen wat dubbelop is met de federale maatregelen die zijn genomen. Er is een bankenakkoord op federaal niveau. Wij gaan nergens dubbelop lopen. Wat wij doen, is voor die zaken die niet afgedekt zijn in het federale bankenakkoord, onze waarborgcapaciteit inzetten, en dan specifiek voor de jonge starters nog een aantal extra zaken doen, omdat het Vlaamse weefsel nu eenmaal anders is dan de weefsels op andere plaatsen.

Dat was wat de nieuwe maatregelen betreft. Er zijn ook nog een aantal extra vragen gesteld. Ik begin met de vragen rond Werk. Wat de uitzendkrachten betreft, heeft de federale overheid een aantal maatregelen genomen rond technische werkloosheid. Wij hebben op dat moment ook veel mails gekregen van mensen die als uitzendkracht werkten en vaststelden dat ze niet in aanmerking kwamen. Ik heb begrepen dat dat op federaal niveau ook rechtgezet is. Men heeft een uitbreidingsmaatregel genomen ten aanzien van de uitzendsector. Heel velen vallen daar nu wel onder. Ik vind dat we hier elk niveau zijn ding moeten laten doen. Ik heb geen zin in een concurrentieslag tussen het Vlaamse en het federale niveau. Op federaal niveau worden heel goede maatregelen genomen rond tijdelijke werkloosheid. Het is niet aan ons om daar aanvullingen op te doen. Als we vragen hebben, of willen dat er extra groepen onder vallen, nemen in dit geval collega Muylle en de hele Federale Regering daar beslissingen rond. Het is niet aan ons om de verwarring dan groter te maken door te zeggen dat wij er nog dit of dat bovenop doen. Ieder zijn verantwoordelijkheid.

Ook interim kan, als het met een vaste onderneming is. Wat betreft de opmerking rond de pas afgestudeerden en de jobstudenten: dat is inderdaad een probleem. Er zijn wel al maatregelen genomen rond de jobstudenten. U weet dat er in andere sectoren dan waar ze aan het werk waren, heel veel noden zijn. Jobstudenten kunnen dus aan de slag in andere sectoren, zoals de landbouw, maar er zijn er nog. Als je als jobstudent niet meer aan de slag kunt op de plaats waar je werkte, is het zeker een goed idee om ofwel naar een uitzendkantoor te gaan ofwel naar VDAB, om daar te proberen een match te krijgen. De voedingssector bijvoorbeeld is ook een sector waar er heel veel vacatures zijn voor zowel duurzame als tijdelijke jobs.

Dan kom ik bij de poetshulpen. Ik verschil een beetje van mening met collega Goeman over de algemene sluiting, maar we delen dezelfde zorg. De dienstenchequesector is hier al heel vaak aan bod gekomen in het parlement. Ik heb ook al heel vaak mijn zorg geuit richting de mensen die aan de slag zijn in de sector van de dienstencheques. Maar ik heb geen pleidooi gehouden voor een algemene sluiting, net omdat de sector zelf vaak aan de slag is bij heel kwetsbare mensen. Familiehulp heeft vandaag bijvoorbeeld een persbericht verstuurd, om te stellen dat ze bijzonder dankbaar zijn voor de maatregelen die de Vlaamse Regering genomen heeft. Ik zal ook proberen te duiden waarom. Er zijn op dit ogenblik veel tachtigplussers, of jongere mensen, die nog thuis wonen en niet in een rust- en verzorgingstehuis gehuisvest zijn, en die het zonder die elementaire steun niet redden. Als die sector volledig zou worden gesloten, dan komen die volledig terecht bij de gezinszorg. Die zal overbelast worden. Daarom hebben wij vrijdag als regering een maatregel genomen die dubbel is.

Ten eerste geven we voor de uren die nog gepresteerd worden, een vergoeding die substantieel hoger ligt dan voorzien. We hebben daar wel voorwaarden aan gekoppeld. We geven die vergoeding op voorwaarde dat voor het personeel dat nog aan de slag is, extra veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Ik stel vast dat men dit echt serieus neemt. Als dat niet gebeurt of als we daar klachten over krijgen, dan zal die hogere steun niet worden uitbetaald. Het is elementair dat we in deze tijden geen loopje nemen met de veiligheid van de mensen. Dit is dan ook een expliciete voorwaarde die ten aanzien van het personeel is gesteld.

Ik zie trouwens ook dienstenchequebedrijven die daar zeer verantwoord mee omgaan. Ik kan naar mijn eigen situatie verwijzen. Wij hebben ook iemand in huis maar het dienstenchequebedrijf geeft nu prioriteit aan kwetsbare mensen en dus moeten wij wachten. Er is een prioriteringslijst en ik vind dat zeer normaal in deze tijden. Door de hogere subsidie die we geven willen we een context scheppen voor de bedrijven, opdat zij mits extra steun ook extra veiligheidsmaatregelen zouden nemen voor het personeel.

Mevrouw Goeman, u had daar specifiek naar verwezen en ik hoop dan ook dat ik daarmee voor een deel tegemoetkom aan uw bezorgdheid. Ik kan niet zelf sluiten, dat is niet mijn bevoegdheid. Maar ik wil wel duidelijk maken waarom ik ook geen vraag stel naar de volledige sluiting van de sector.

Er zijn ook vragen gesteld over extra beschermingsmaatregelen voor het personeel, bijvoorbeeld in warenhuizen. Ik steun de vragen die daarover zijn gesteld maar dit is ook een verantwoordelijkheid van de werkgevers. We hebben een heel uitgebreid overleg gehad met de sociale partners, ook gisteren nog. Ik stel vast dat ook onze sociale partners in de SERV zich zorgen maken over de vraag of de bedrijven wel voldoende beschermingsmaatregelen nemen. Er dan is de vraag wat voldoende is. Wat is bijvoorbeeld in een warenhuis voldoende beschermingsmateriaal? Ik ben niet de expert om dat te definiëren maar ik vind wel dat men richtlijnen moet volgen om het personeel in optimale omstandigheden te laten werken.

Wat de landbouwsector betreft, ondersteun ik de vragen die worden gesteld over het openstellen van bijvoorbeeld de tuincentra. Ik heb begrepen dat de minister-president dat op de Nationale Veiligheidsraad ter sprake heeft gebracht. Er is beslist om dat nog niet te doen maar wij steunen in elk geval de vraag naar een gecontroleerde opening omdat dit echt soelaas zou kunnen brengen.

De volgende weken hebben wij nood aan tienduizenden seizoenarbeiders, mensen die willen helpen met de oogst. Als we de vergelijking maken met de voorbije jaren, hebben we er minstens 48.000 nodig.  Er is een platform bij VDAB om de match te maken, we hebben een oproep gedaan naar mensen die bijvoorbeeld technisch werkloos zijn en thuis zitten, om zich aan te melden, hetzij bij een boer, hetzij bij VDAB. Zo kan men een match maken met plaatsen waar de noden zeer groot zijn.

Op federaal vlak heeft men de combinatie al mogelijk gemaakt. Men kan dus tijdelijk werkloos zijn en als seizoenarbeider werken. Het probleem momenteel is wel dat elke dag die men werkt in de seizoensarbeid wordt afgestreept, waardoor men daar dus geen werkloosheidsvergoeding voor krijgt. De lonen voor seizoenarbeid zijn dermate laag dat wie de combinatie maakt, mogelijks minder verdient door te werken als seizoenarbeider dan als tijdelijk werkloze. We hebben dan ook gevraagd naar een oplossing voor dat prangende probleem waardoor de combinatie van seizoenarbeid en tijdelijke werkloosheid uitzonderlijk zou worden toegestaan. Dit wordt bekeken door de federale overheid. We zullen zien of dat lukt. Intussen doe ik wel een oproep aan al wie zich fit en gezond voelt om de boeren te helpen. Zo niet, komen we in grote problemen en zal er niet kunnen worden geoogst.

Minister Muylle is op federaal vlak ook al versoepelingen aan het invoeren in de regelgeving rond seizoensarbeid. Er worden echt inspanningen geleverd, maar we zullen, zoals het er nu naar uitziet, man- en vrouwkracht tekortkomen.

Verder is er de sierteeltsector. De minister-president heeft net gezegd dat er een noodfonds wordt aangelegd om een aantal zorgen te dekken. U hebt gehoord dat de sierteeltsector daar expliciet in meegenomen is, omdat we echt wel beseffen dat men hier voor vrij onoverkomelijke problemen staat, namelijk dat hele oogsten gewoon vernietigd zullen worden, gewoon door het feit dat de afzetmarkt nu in één keer wegvalt. Op welke manier dit zal worden uitgewerkt, kunnen we vandaag niet zeggen. We wilden vandaag het signaal geven dat er zo’n fonds komt. Er zit ook al een budget in. We zullen de komende dagen heel intens werken aan de manier waarop we enig soelaas kunnen bieden. Voor de sierteelt is dit bijzonder omvangrijk: we hebben achthonderd bedrijven in Vlaanderen, verspreid over de regio’s; we staan daar voor grote problemen.

De landbouwbedrijven vallen onder de hinderpremie hetzij onder de compensatiewaarborg. Ze worden behandeld als andere bedrijven. Ze kunnen daar perfect onder vallen, of onder de grotere waarborgen die nodig zijn.

Collega’s, ik heb gepoogd om op zoveel mogelijk vragen te antwoorden. Spreek me gerust aan als ik onvolledig ben.

Er is nog een vraag rond bruto/netto. De Federale Regering heeft beslist om die premies belastingvrij te houden. Dat betekent dat bruto gelijk is aan netto. Ik ga ervan uit dat dit ook voor de nieuwe maatregel die we nu genomen hebben, het geval is.

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, dank u voor de uitgebreide antwoorden. Ik denk dat inderdaad het meeste aan bod is gekomen.

Ja, de vaststelling blijft dan maar dat we het over de dienstenchequebedrijven en de poetshulpen niet eens zijn. Het debat daarover is gevoerd, laten we het daar dan maar bij houden.

De sierteeltsector zou nu normaal gezien bloeien, letterlijk en figuurlijk. Daar zijn de bekommernissen zeer groot. Hij zit nu samen met heel wat andere sectoren in dat noodfonds van 200 miljoen euro. Jeugd, sport, cultuur, media en nog wat andere zitten daar ook in. Als daar vandaag nog geen duidelijkheid over kan worden gegeven, zult u dat dan zo snel mogelijk doen? Wie zal op welk deel van dat noodfonds een beroep kunnen doen?

U zou nog een oproep kunnen doen aan de Vlaamse overheidsbedrijven. Ik denk dat heel wat bedrijven door de crisis natuurlijk met een dalende cashflow zitten, waardoor zij met liquiditeitsproblemen geconfronteerd gaan worden. Ik denk vooral aan de business-to-governmentsector, de bedrijven die diensten en goederen leveren aan de Vlaamse overheid. Mijn vraag aan de Vlaamse Regering is: roep de Vlaamse overheidsdiensten op om die facturen zo snel mogelijk te betalen. Niet-betwiste facturen moeten binnen de tien à vijftien dagen betaald worden. Dat is een concrete maatregel die u in een oproep kunt gieten, aan de Vlaamse overheidsdiensten, om onze bedrijven door deze crisis te helpen.

De heer Schiltz heeft het woord. 

Minister, dank u voor de omstandige antwoorden. De kijkers en luisteraars thuis die in deze gevallen verkeren, kunnen toch een beetje ademhalen. We zullen volgende maand zien hoe het verder moet. Hiermee wordt de eerste grote klap toch al grotendeels opgevangen.

Over de sierteelt hebben we het al vaak gehad. Goed dat het fonds er komt, maar opnieuw, het digitaliseren van lokale winkels, ook van siertelers, kan ervoor zorgen dat er wel nog, zij het een beperkte, afzetmarkt blijft, waardoor de klap minder groot zal zijn. Opnieuw, er zijn tal van platformen in de steden en gemeenten die opgezet worden om hun lokale winkels erbovenop te helpen. Het vraagt soms niet zoveel werk, één of twee dagen, en de winkel kan draaien. Het vraagt wel aandacht en de mensen hebben de expertise niet altijd in huis. Dat is nog een kleine aanbeveling die u kunt meenemen om zoveel mogelijk het leed te lenigen.

De heer Bothuyne heeft het woord.

Voorzitter, minister, dank u voor uw omstandig antwoord. Er zijn nog een aantal elementen die nog wat aandacht behoeven, maar dat hebt u intussen ook door.

We kunnen de economie niet ondersteunen enkel door onze overheidsdiensten snel hun facturen te laten betalen, maar ook door het vergunningenbeleid, en door het lanceren en blijven lanceren van openbare aanbestedingen. Ik las dat Aquafin gedurende weken van plan is geen aanbestedingen uit te sturen. Dat is een foute keuze.

We moeten die motor draaiende houden. We hebben budgetten, we hebben middelen, we hebben concrete projecten en investeringsplannen met deze Vlaamse overheid, meer dan ooit. Idem voor de lokale besturen. Heel veel lokale besturen willen investeren. We moeten die motor draaiende houden. Ik roep de Vlaamse Regering, samen met die lokale besturen, dus op om daar maximaal op in te zetten.

Op het laatste element is ook niet ingegaan, maar minister Demir is hier nu niet. Deze crisis heeft een bijzonder belangrijke impact op de energiemarkt, op ons klimaatbeleid en vooral op de bedrijven die daarop gefocust zijn en daarin willen investeren. Ik denk dat het heel belangrijk is dat de minister, dat de Vlaamse Regering met die sector aan tafel gaat zitten en ervoor zorgt dat we ook in deze meest toekomstgerichte sector kunnen blijven investeren en de economie draaiende kunnen houden.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, misschien nog een paar aanvullingen. Er was nog een vraagje over de green lanes, over de grensovergangen. Daar wordt inderdaad werk van gemaakt. Ik was vergeten dat te beantwoorden.

Dan waren er ook nog wat vragen over VDAB en een tandje bij zetten. Het is vorige week ook gezegd en ik wil dat nog eens benadrukken: alle online opleidingen bij VDAB zijn gratis. Er zijn veel, veel meer mensen die een opleiding volgen. De cijfers zijn spectaculair, en dat is uiteraard een unieke opportuniteit om onze inspanningen inzake levenslang leren nu een boost te geven. We zijn bezig met het opmaken van een plan. Ik verwijs naar collega Weyts, die er ondertussen niet meer is. We zullen samen met de Syntra’s en de centra voor volwassenenonderwijs bekijken hoe we in die weken – hoewel een week natuurlijk snel voorbij is – nog een extra aanbod kunnen geven en hoe we dat vooral beter kunnen bundelen. Iemand – misschien Ive Marx, ik weet niet meer precies wie het was – antwoordde deze ochtend op een tweet van mij dat het jammer is dat die informatie zo versnipperd is. Dat klopt. We zullen dus proberen in de komende dagen een platform te hebben waarop alles inzake levenslang leren gebundeld is, ook met de prijzen of aangevend of iets gratis is. Nu kunnen we mensen immers in een nieuwe mindset brengen. Ik hoor nu veel mensen zeggen dat het de eerste keer is dat ze een onlinecursus hebben gevolgd, dat ze ervan uitgingen dat ze naar de les moeten gaan, maar dat dat eigenlijk niet nodig is, dat ze dat ook thuis kunnen doen. We zitten in een slechte situatie, in een gezondheidscrisis, maar we kunnen daar dus goede dingen uit leren, en hier zit misschien een vliegwiel in om tot veel meer te komen.

Wat de facturen betreft, denk ik dat onze minister-president al een duidelijke oproep heeft gedaan. Hij wil daar ook nog iets over zeggen. Idem wat de aanbestedingen betreft.

Collega Bothuyne had ook nog wat opmerkingen gemaakt over de globale economie. De Vlaamse Regering heeft vrijdag ook nagedacht over de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat we voldoende expertise kunnen bundelen. Vorige week is daar al een aanzet toe gegeven hier. Het is dus echt de bedoeling om ook wat de economie betreft diepgaand na te denken over wat er moet gebeuren na dit, over de positieve en negatieve lessen die we kunnen trekken, over de vraag wat de juiste ingrepen zijn die we moeten doen in de toekomst. We hebben ook al wat denksporen wat dat betreft, maar het is uiteraard goed dat we ons laten bijstaan door experten. De maatregelen die we nu nemen, zijn zonder uitzondering maatregelen om zuurstof te geven, zodat men kan overleven en die periode kan overbruggen, opdat we nadien geen tsunami aan faillissementen zouden hebben, want dat is ook slecht voor werknemers, dat is voor iedereen slecht.

Collega Bothuyne, u had een bijzondere uitdrukking voor mezelf. Ik weet dat hij vindt dat het slecht is als je hem vermeldt, maar ik wil verwijzen naar onze minister van Financiën en Begroting, want alles wat wij hier doen, kost natuurlijk geld. Ik kan hier alle uitleg geven, maar hij voorziet ons van de budgetten, en u als parlement zou eigenlijk ook die budgetten moeten goedkeuren. Dat is evident. Dus, bij voorbaat dank voor uw constructieve houding ter zake.

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Collega’s, wat de betaaltermijn betreft, hebben we inderdaad gevraagd aan de hele Vlaamse administratie om de niet-betwiste facturen – je hebt nog altijd betwiste facturen – binnen de tien dagen betaald te krijgen. Dat is evident, denk ik, in deze moeilijke periode.

Wat de aannemers betreft, hebben we zowel in het Departement Mobiliteit en Openbare Werken (MOW) als in het Facilitair Bedrijf gezegd dat de werken eigenlijk gewoon moeten doorgaan, natuurlijk altijd rekening houdend met de regels van physical distancing en de veiligheid van de werknemers. Daar is geen discussie over, dat kan je niet genoeg herhalen, maar de werken moeten doorgaan. Als aannemers denken dat ze die regels van physical distancing niet kunnen naleven, dan moeten ze komen uitleggen aan diegenen bij ons die de werven opvolgen waarom dat niet kan, waarna men gemeenschappelijk tot de conclusie kan komen dat dat daar inderdaad niet gaat. Oké, dan gaat het niet.

Het uitgangspunt is dat de werken gewoon moeten voortgaan. Zeker nu het verkeer compleet platgevallen is, is het de ideale periode om wegen, fietsostrades en dergelijke aan te leggen en zo weinig mogelijk files te provoceren. Ik zeg het nog eens – en ik kan het niet genoeg herhalen – dat dit moet gebeuren op de uitsluitende voorwaarde dat de veiligheid en de gezondheid van de medewerkers gegarandeerd kunnen worden. Daar hoeft geen enkele toegift op gedaan te worden. Ik kan mij een aantal dingen voorstellen waar dat niet kan, maar waar het wel kan moeten we van deze periode profiteren om zaken vooruit te laten gaan.

Dan gaan we over naar het thema Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden.

De heer Rzoska heeft het woord.

Minister-president, u hebt daarnet zelf gezegd dat we een ongelooflijke storm beleven, en het is goed dat heel wat mensen schouder aan schouder dingen aan het doen zijn: zorgverleners, werknemers, vrijwilligers die zich elke dag onvermoeibaar inzetten, wetenschappers en experts die wel onvermoeibaar lijken. Die solidariteit is enorm van belang. Vorige week hebben we ook internationale felicitaties gekregen voor de manier waarop we het aanpakken. Ik vind de manier waarop politici het vandaag aanpakken, zoals in dit parlement maar ook binnen de lokale besturen en de overkant van de straat, ook een voorbeeld. Politici gaan samen op zoek naar oplossingen die de samenleving op dit moment nodig heeft.

Als je buiten Vlaanderen en buiten België kijkt, dan zie je dat in Europa toch een aantal landen in een soort van inferno zitten. Als je kijkt naar Italië en Spanje, dan zou ik niet graag in die situatie zitten. Daar doet het zich voor dat men de doden niet meer kan begraven en dat men in ziekenhuizen keuzes moet maken over wie men helpt en wie niet. Het zijn beelden en situaties die we niet associëren met het ontwikkelde Europa, met de ontwikkelde samenleving waarin we leven.

Dus schakelen ook het Europees Parlement en de Europese Commissie een tandje hoger. Ik vind dat goed. Net als alle andere politieke besturen gaan zij op zoek naar welke middelen ze zeer snel kunnen inzetten, naar welke middelen ze op korte termijn kunnen inzetten om de noden te lenigen die er zijn. Het voorstel om aan de slag te gaan met de zogenaamde cohesiemiddelen, de structuurfondsen, ligt eigenlijk voor de hand. Het akkoord werd in het Europees Parlement de afgelopen week bijna unaniem goedgekeurd. Bijna unaniem: 26 lidstaten steunden de deal, zelfs al betekende dat voor hen niet altijd de beste oplossing. Als je kijkt naar de Quarterly National Account (QNA) die vanuit de Europese Commissie is vertrokken en naar de tabel wie wat nog krijgt van de middelen die nog vrijgemaakt moesten worden voor de lidstaten, dan is dat misschien niet zo logisch, maar ze hebben er zich wel bij aangesloten omdat ze snappen dat het een soort van boekhoudkundig instrument is om nu snel middelen vrij te maken, wat alle besturen en beleidsmakers doen. 26 van de 27, maar wij niet. Dat stoort mij, minister-president, omdat we net nu schouder aan schouder in urgente tijden die noden moeten kunnen lenigen. Ik vind dat een valse noot op ons internationaal blazoen, dat vorige week toch wel hoog stond. Ik begrijp het niet goed. Waarom hield de Vlaamse Regering vast aan dat weinig solidaire standpunt?

Ik vind het niet meer dan logisch dat u een signaal geeft, en dat hebt u gegeven met de brief die vertrokken is vanuit de Vlaamse Regering. Op een moment dat in heel Europa dingen onder druk staan en Europa zelf onder druk staat – er komt trouwens regelmatig vanuit uw partij de vraag waar Europa blijft – maar Europa er wel staat – stel u voor dat wij op een aantal dagen het Gemeentefonds zouden moeten herbekijken, dat zou nog wat geven –, geeft u verstek, net op het moment dat solidariteit nodig is. Hoe komt het dat de Vlaamse Regering tegen die solidariteit is ingegaan door zich te onthouden, terwijl 26 van de 27 lidstaten, ondanks het feit dat er voor hen ook wat vragen in zaten, wel de steunmaatregelen hebben verwelkomd?

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Beschamend, hé. Op het moment dat we door een grote crisis gaan, slaagt de Vlaamse Regering erin om ervoor te zorgen dat België zich als enige lidstaat onthoudt op een Europees steunpakket met middelen voor gezondheidszorg, voor ondernemers die vandaag worstelen om rond te komen. Dat krijg je wat mij betreft niet uitgelegd. Minister-president, uw reactie had ook kunnen zijn: ‘Wij vinden het niet eerlijk dat de Walen een fractie meer krijgen, maar op het moment dat duizenden Italianen en Spanjaarden aan het creperen zijn in ziekenhuizen, is het misschien niet het moment om communautaire spelletjes te spelen.’ Het gaat hier over mensenlevens. En wat CD&V en de Open Vld betreft: ik snap het niet. Vorige week grote verontwaardiging over de onthouding van de N-VA in het Europees Parlement en deze week dansen jullie willoos naar de pijpen van de N-VA en hun kinderachtig verzet tegen die steunmaatregelen.

Oké, collega Goeman.

Grote woorden over solidariteit. De Vlamingen hebben dat begrepen maar jullie niet. Wat we nu nodig hebben zijn Europese solidariteit en staatsmanschap. Jullie hebben weer een kans gemist om die te tonen.

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, ik dacht dat we hier deze namiddag waren samengekomen om maatregelen te bekijken en om burgers, sectoren en bedrijven die het moeilijk hebben in Vlaanderen door deze crisis te loodsen. Ik dacht niet dat wij hier waren bijeengekomen om het te hebben over ocharme een stemming in het Europees Parlement, of hier in het Vlaams Parlement een debat te houden over de onthouding van één lidstaat, die geen enkele impact heeft op de uiteindelijke beslissing. Trouwens, vooraleer daar vragen over gesteld worden: ja, onze fractie, het Vlaams Belang, heeft dat in het Europees Parlement goedgekeurd omdat je nu eenmaal ja moet stemmen om de middelen uit die fondsen richting lidstaten te krijgen. Vervolgens is het aan de lidstaten zelf om die verdeelsleutels aan te passen of te bekijken. Ik denk dat als de partijen die deel uitmaken van de Federale Regering of er deel van hebben uitgemaakt in het verleden, bedenkingen hebben bij die verdeelsleutels tussen Vlaanderen en Wallonië, ze die op dat moment dan maar hadden moeten aanpassen.

Hebt u ook een vraag?

In tegenstelling tot de collega's denk ik dat de Vlamingen niet kunnen begrijpen dat, hoewel Vlaanderen veel meer coronaslachtoffers heeft dan Wallonië, ook per hoofd van de bevolking, Wallonië toch meer middelen krijgt uit dat fonds. Ik denk dat de Vlamingen dat niet begrijpen. Ik denk dat Vlamingen ook niet begrijpen dat er op dit moment honderden miljoenen euro's vanuit de Europese Unie richting Marokko en Tunesië gaan, ook al komt het geld dan uit andere fondsen. Dat zijn zaken die Vlamingen niet begrijpen.

De heer Schiltz heeft het woord.

Collega's, ik vind het een beetje jammer dat het debat dat tot nu toe zeer sereen verliep, nu volledig ontaardt. Uiteraard gingen wij niet akkoord met de manier waarop dat verlopen is maar we hebben wel begrip voor de haast waarmee het is moeten gebeuren. Dat is in een technische werkgroep beslist. Uiteraard hebben wij ons toen onthouden en hebben we gezegd dat die verdeling een beetje raar was, collega Goeman. Maar hier nu een spektakel opvoeren over handpop, mensenlevens zijn niet belangrijk en dit en dat? Ik zal u iets vertellen. Het gros van die middelen gaat naar Italië en Spanje. Er was geen tijd om nieuwe verdeelsleutels op te bouwen. Dat zou nog maanden duren. Is dit ideaal? Neen, dat is niet ideaal, maar het is wel beter dan niets. Ik heb liever dat er geld naar Italië en Spanje kan gaan, wat voor ons iets minder rechtvaardig is.

En nog iets: over hoeveel geld gaat het? Over 19 miljoen euro. We zijn hier vandaag aan het spreken over 2 miljard euro die op tafel zal worden gelegd om levens te redden. Die positie wordt zoals u goed weet tussen de verschillende entiteiten in België bepaald. En inderdaad, we hebben aangegeven dat we die verdeling niet rechtvaardig vonden. Maar hoe er uiteindelijk gestemd is, maakt niet uit. Dat maakt voor België niets uit. Wij zijn hier werk aan het doen. Wij zijn hier mensenlevens aan het redden. Wij zijn hier onze economie aan het redden. Nadien zullen we kijken wat we in Europa kunnen doen om de relance te versterken en nog meer middelen te oriënteren naar landen die het nog harder nodig hebben.

De heer Vandaele heeft het woord.

Voorzitter, ik sluit me aan bij collega Schiltz. Ik sprak vanmorgen af met mijn collega's van de partij die hier zijn, om dat thema niet uit te benen, hoe interessant het ook is. Ik zie zelfs dat die afspraak die ik gemaakt hebt, de online pers haalt. Mooi.

Ik denk dat we een beetje verbaasd kunnen zijn – ik denk dat dat in elke partij zo was – dat die verdeelsleutel zo raar valt en dat er 6,5 miljoen euro voor Vlaanderen is van de 36 miljoen euro die er voor België komt. Dat is een verdeelsleutel, als ik het goed heb, die is gebaseerd op de Cohesiefondsen en niet op de echte gezondheidsnoden die vandaag leven. Ik denk dat dat iedereen wel wat verbaast. Maar dat is een veel te complexe en technische thematiek om die vandaag hier met z'n allen uit te benen. Als wij het al onrechtvaardig vinden, denk ik dat andere landen dat misschien ook niet helemaal correct vinden. Collega Schiltz zegt dat Spanje en Italië wel wat binnenhalen. Ik zie hier 1,1 miljard euro voor Spanje en 853 miljoen euro voor Italië. Maar Polen krijgt bijvoorbeeld 1,13 miljard euro terwijl dat land door heel die gezondheidsproblematiek momenteel minder wordt getroffen.

Dus ik denk dat dat iets is waar we ooit eens naar moeten kijken, maar nu zijn we vooral bezorgd om de volksgezondheid en het indijken van het coronavirus.

De heer Van Rompuy heeft het woord.

Ik had mijn tussenkomst ter zake eigenlijk daarnet al gehouden, net om te vermijden dat we in een dergelijke polemiek zouden belanden. De mensen verwachten immers dat we de crisis verenigd proberen aan te pakken. Ik vind het daarom zeer jammer.

Ik heb daar twee zaken over te vertellen. Ten eerste, als je alle Europese fondsen samentelt, dan gaat iets meer dan de helft van wat voor België bestemd is, naar Vlaanderen. Ik denk dus dat we naar het geheel moeten kijken. Ten tweede, op dit ogenblik hebben we meer dan ooit nood aan Europese solidariteit. Waarom? Kijk naar het voorbeeld van het medisch materiaal. Er is geen enkele Europese lidstaat in staat om al het nodige medisch materiaal te produceren binnen de eigen landsgrenzen, dat is onmogelijk. Ik vind het in dat opzicht bemoedigend dat Frankrijk en Duitsland ondertussen meer mondmaskers gestuurd hebben naar Italië dan zelfs China heeft kunnen doen. Dat is het pad dat we moeten inslaan met de Europese Unie, het pad van solidariteit.

Maar ik herhaal: ik heb helemaal geen zin om de polemiek hierover te voeren. De burger heeft daar absoluut geen boodschap aan. Het enige waar we ons nu mee bezig moeten houden, is de strijd tegen het coronavirus.

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Dank u wel, collega’s.

Ik wil eerst en vooral duidelijk zeggen dat de Vlaamse Regering blij is met de initiatieven die Europese Commissie neemt om de coronacrisis aan te pakken en mensen en bedrijven die eronder lijden, te ondersteunen. Laat daar geen twijfel over bestaan. De Vlaamse Regering stelt zich wel al van bij het begin vragen bij de mogelijke verdeling van de financiële middelen die de Europese Commissie vooropstelt. Volgens ons is die verdeling niet juist, zoals ook de federale minister van Financiën deze morgen bevestigd heeft. Daarom heb ik op 13 maart, samen met viceminister-president Hilde Crevits en na overleg met de regering, een brief gestuurd aan commissievoorzitter Ursula von der Leyen, om duidelijk te maken dat we het onjuist vinden dat er van de 37 miljoen euro die Europa aan België toebedeelt, slechts 6,5 miljoen naar Vlaanderen gaat, terwijl we allemaal weten dat de meeste coronaslachtoffers hier vallen. Op dat moment hadden ook heel wat andere EU-lidstaten bezwaren rond de vooropgestelde verdeling. Sindsdien is er wel een evolutie geweest en hebben al die andere lidstaten hun bezwaren laten vallen. Het klopt dat België alleen stond toen er een standpunt bepaald moest worden. Mijn vertegenwoordigers tijdens die vergadering hebben de lijn aangehouden die we daarvoor hadden. Wat we toen niet gedaan hebben, was om voorafgaand aan de eindstemming nog een consultatie te houden binnen de Vlaamse Regering. Ik neem hier het engagement, zoals ik gisteren ook binnen de Vlaamse Regering gedaan heb in de beste verstandhouding, om in het vervolg, zelfs wanneer het snel gaat – en het ging ineens snel, maar dat hoeft geen excuus te zijn –, die consultatie zo goed en zo kwaad mogelijk te houden, voor we een standpunt innemen.

Verder hoop ik dat we ons nu weer met de essentie van de zaak kunnen bezighouden. Op zich heeft die standpuntbepaling geen euro verandering in de ene of andere richting opgeleverd.

De heer Rzoska heeft het woord.

Eerst voor alle duidelijkheid: ik heb geen polariserende toon aangenomen, ik heb enkel feiten benoemd en een vraag gesteld. Wij zitten hier in het parlement. Dat dit nu een speciale situatie is, mag ons er niet van weerhouden om af en toe een kritische vraag te stellen. Ik heb het antwoord van de minister-president gehoord en ik ben hem daar erkentelijk voor. Het feit dat hij hier voor een deel de hand in eigen boezem steekt, vind ik belangrijk om aan te stippen.

We moeten met zijn allen middelen bij steken. Dat moet ook op Vlaams niveau, en we gaan nog discussies hebben over hoe we de afrekening daarvan moeten aanpakken, minister Diependaele. Dat zal geen gemakkelijke discussie zijn. Wat mij vooral stoorde – en dat heb ik daarnet ook aangegeven – is het beeld, het beeld van een eendrachtig Europa. We gaan dat eendrachtig Europa nodig hebben, want collega Van Rompuy heeft honderd procent gelijk: China en Rusland staan bijzonder gretig klaar en wij hebben een Europees solidariteitsmechanisme nodig. Er gaan nog discussies komen op Europees vlak rond die financieringsmechanismes, en dat zullen er geen gemakkelijke worden.

Dus ik ben tevreden met het antwoord, en wat mij betreft was het gewoon een signaal: laat ons goed de ogen richten op wat de focus moet zijn en laat ons niet vervallen in een standpunt dat bij heel wat mensen op onbegrip stuit. Maar goed, ‘case closed’ en nu vooruit.

Collega's, we gaan nu over naar het thema Welzijn en Volksgezondheid.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Waarde collega's, dag negentien van de quarantaine en er zijn gelukkig hoopvolle signalen. Steeds meer patiënten mogen het ziekenhuis verlaten, allemaal dankzij de inspanningen van burgers en uiteraard – we kunnen het niet genoeg zeggen – het heroïsche werk van de mensen in de zorg. Die eerste positieve berichten, dat doet deugd.

Jammer genoeg horen we de voorbije dagen ook heel zorgwekkende zaken. Wat was ook weer de reden om binnen te blijven? Inderdaad, we blijven allemaal in ons kot om de meest kwetsbaren in ons land tegen het virus te beschermen. Die meest kwetsbaren zitten in onze woonzorgcentra.

Minister, zij worden vandaag echt veel te weinig beschermd. Een derde van de coronabesmettingen zit daar en de berichten zijn echt onheilspellend: te weinig begeleiding van het personeel, geen beschermend materiaal, veel te weinig testen, geen informatie voor de eenzame bewoners en hun bezorgde familieleden. Minister, we hebben echt het gevoel dat ze aan hun lot worden overgelaten.

Zo sprak ik bijvoorbeeld met een vrouw wier moeder met dementie al ongeveer een week lang is opgesloten in haar kamer omdat er een vermoeden van corona is. Pas na dagen aandringen kreeg ze inderdaad de bevestiging dat ze waarschijnlijk het virus heeft. Ze kreeg ook een brief dat al een aantal andere mensen in het rusthuis besmet zouden zijn, ook onder het personeel. Ondertussen is er nog niemand getest. Ja, het moet echt verschrikkelijk zijn om in die onzekerheid te leven, zeker ook als je je moeder niet kunt zien. Dat is een van de schrijnende verhalen die ik heb gehoord.

Gisteren is daar nog het nieuws bij gekomen dat er 94 extra doden zijn gevallen in onze woonzorgcentra, die niet eerder werden gerapporteerd, niet alleen in Vlaanderen, neem ik aan. Daar schrik ik enorm van.

Minister, kunt u ons de cijfers geven van het aantal vermoedelijke besmettingen in onze woonzorgcentra op dit moment? Hoeveel daarvan zijn er bevestigd met een test? Hoeveel mensen zijn er intussen jammerlijk overleden?

Minister, ik hoop dat ik het u niet moet vertellen, maar er heerst vandaag heel veel onrust en frustratie in de woonzorgcentra bij bewoners en familie, die het gevoel hebben dat ze niet altijd even goed geïnformeerd zijn, zoals die vrouw waar ik het zo-even over had. Zeker ook het personeel heeft het gevoel dat ze er een beetje alleen voor staan. Ze hebben gelijk, want ze weten nog altijd niet goed genoeg wat er van hen wordt verwacht. Er is echt een gebrek aan duidelijke richtlijnen, deels omdat de instructies van het agentschap Zorg en Gezondheid wat te laat op gang zijn gekomen, deels omdat de directies zelf niet weten van welk hout pijlen maken of geen tijd hebben om die vaak technische instructies van het agentschap te doorploeteren en dan hun personeel deftig te briefen.

Ze hebben gelijk, want ze worden niet beschermd. Er is nog altijd een groot gebrek aan beschermingsmateriaal. Uit een enquête bleek gisteren dat meer dan de helft van de mensen in de woonzorgcentra niet of onvoldoende beschikt over mondmaskers, mondmaskers die worden geleverd in – we hebben het verhaal gehoord – gebruikte bananendozen uit Colombia die bestemd zijn voor de bouw in plaats van de zorg. Dat is echt onbegrijpelijk.

Ze hebben gelijk, want ze worden nog altijd veel te weinig getest. Er is een totaal gebrek aan testing van de bewoners en het zorgpersoneel, terwijl dat toch de grootste risicogroep is van ons land.

Minister, het zorgpersoneel doet vandaag echt zijn uiterste best om in tijden van crisis zorg te geven aan de meest kwetsbaren, maar u moet ook voor hen zorgen. Het personeel is bang om bewoners te besmetten, het personeel is ook bang om zelf te worden besmet, want steeds meer collega's vallen uit met coronasymptomen. De woordvoerder van de Belgische Federatie voor Zorgkundigen voorspelde gisteren dat het slechts een kwestie van tijd is voor er ook doden zullen vallen onder het zorgpersoneel. De mensen die wel blijven werken, staan onder een ongelooflijke druk. Dat zorgt voor stress en het komt de kwaliteit van de zorg zeker niet in goede.

Ik hoorde nog een verhaal van twee bewoners die moesten hoesten tijdens het eten, die naar hun kamer werden gestuurd en niet op even vriendelijke wijze. Eentje moest huilen en de overgebleven bewoners kregen zomaar ineens het eten op hun bord gekwakt en niemand kreeg nog een hap door de keel.

Mevrouw Goeman, als u nog concrete vragen wilt stellen, dan hebt u daar nog 30 seconden voor.

Ik kom nu tot mijn concrete vragen.

Steeds meer zorgkundigen melden zich ziek. Hoeveel personeelsleden zijn al thuis? Is er nog voldoende personeel? Hoeveel mensen uit de zorgreserve zijn al aangesproken? Hoe staat het nu met het materiaal? Is de industrie intussen ingeschakeld? Graag krijg ik ook een woordje uitleg over het verhaal van de mondmaskers uit Colombia.

Hoe zit het met de testing? Hebt u van minister De Backer al de garantie gekregen dat de mensen in de woonzorgcentra, in de psychiatrische verzorgingsklinieken, in de thuiszorg de eerste prioriteit krijgen voor de testing? Want wij maken ons grote zorgen over de situatie in de woonzorgcentra. Ik hoop dat u zich daarvan bewust bent en dat de overheid de rol speelt die ze moet spelen.

De heer Parys heeft het woord. U hebt zes minuten.

Voorzitter, minister, collega's, het zijn bijzondere tijden. Wij, Vlamingen, wij rechten onze rug en naast alle leed dat corona aanricht, zien we ook zeer veel mooie verhalen. ‘Vlaanderen helpt’, ‘Vlaanderen luistert’, ‘Vlaanderen zorgt, klapt, innoveert’: dat is zeer fijn, ook om te zien.

Vandaag zit heel Vlaanderen met één vraag: wat mogen we weten en wie bepaalt dat in deze crisis, en vooral, wie mogen we nog vertrouwen? Ik heb het dan over de vraag of mondmaskers dragen als bevolking nu wel of niet nuttig is in de strijd tegen het coronavirus.

Ik vat kort de laatste informatie samen: of een masker nut heeft, hangt af van het antwoord op de vraag of er voorraad is. Als die er is, zijn maskers medisch zinvol. Is die voorraad er niet, dan wordt ons wekenlang verteld dat maskers volstrekt zinloos zijn, onnodig, verspilling en weggesmeten geld. Als die communicatie is ingegeven door het feit dat er anders hamstergedrag zou ontstaan voor de weinige maskers die nog wel beschikbaar zouden zijn, dan pleit ik ervoor om de bevolking toch eerlijk en transparant in te lichten. Ik denk dat we allemaal wel begrijpen dat, als er geen maskers voorradig zijn, die die er wel zijn, eerst toekomen aan onze zorgverstrekkers en dat er dan is geplunderd. Waarom is er ons wekenlang iets anders verteld over het nut van mondmaskers dan wat we vandaag horen?

Minister, mijn vraag aan u is ingegeven door een bezorgdheid om snel duidelijkheid te scheppen. Zonder duidelijkheid wordt het publieke vertrouwen in de adviezen van de Federale Regering en de experten ondermijnd. Als de bevolking niet langer gelooft wat die regering vertelt, en als ze ook die experten niet langer volgt, dan zal deze pandemie langer duren. Dat is een simpele waarheid en daarom is eerlijk communiceren zo cruciaal en vertrouwen zo fundamenteel.

Collega's, dat vertrouwen heeft de laatste weken een aantal beproevingen moeten doorstaan. Als we kijken naar die mondmaskers, dan was er eerst de vernietiging van de strategische voorraad zonder dat die werd vervangen. Daarna was er een bestelling van mondmaskers die de mist is ingegaan en waar een onderzoek van het parket op volgde. Dan is er een bestelling gekomen van een lot van 3 miljoen mondmaskers dat opnieuw is afgeblazen, geplaatst bij een ‘malafide leverancier’, zo genoemd door federale excellenties. Die leverancier wordt nu toch opnieuw gecontacteerd om een aantal mondmaskers te leveren.

Minister, daarover zou ik graag duidelijkheid hebben, net zoals over de communicatie die de laatste dagen en weken is ontstaan, over de publieke discussie tussen een minister en een professor over wat thuisquarantaine nu betekent. Die minister vroeg aan haar eigen administratie op Twitter of virologen nog wel naar tv-studio's mochten komen. Helpt een handgel effectief of niet? En zo kan ik nog wel even doorgaan. Dan is er natuurlijk nog altijd het schrijnend tekort aan testen, aan handschoenen, aan schorten en aan ander beschermend materiaal.

Minister, mijn vraag aan u is heel concreet. Welke rol kan Vlaanderen spelen om het vertrouwen te herstellen en om ervoor te zorgen dat er eenduidig en heel transparant wordt gecommuniceerd? En vooral, kan Vlaanderen zelf een aantal initiatieven ontwikkelen om, aanvullend op wat er federaal gebeurt, voor het nodig materiaal te zorgen voor iedereen die in de frontlinie tegen dit virus vecht?

Ik sluit me aan bij een aantal vragen die eerder zijn gesteld over de woonzorgcentra, waar het personeel heel bezorgd is, waar de oudere bevolking ook getroffen is. Er is een vraag naar meer testcapaciteit, want die zou ons kunnen helpen om te zeggen wie er echt is besmet en wie er echt binnen het woonzorgcentrum in quarantaine zou moeten worden geplaatst, zodat mensen die niet zijn besmet, die loodzware eenzaamheid kunnen doorbreken en met andere mensen contact kunnen hebben. Minister, u zou in overleg gaan met minister De Backer over die testcapaciteit. Wat is de uitkomst van dit overleg? Kunnen we die woonzorgcentra enig perspectief bieden?

Naast over onze oudsten, minister, maken we ons ook zorgen over de jongsten in onze samenleving. Eerst en vooral een pluim voor u en voor het agentschap Opgroeien, omdat die vaccinaties vandaag opnieuw zijn opgestart, vroeger dan u vorige week aankondigde. We zijn ook heel blij met de verruimde openingsuren van de online dienstverlening, echt nodig als je ziet dat een aantal chatlijnen drie keer zo veel oproepen krijgen, en ook met de versnelde procedure om hulpverleners kandidaat-pleegouder te laten zijn. Dat zijn heel goede initiatieven.

Maar voor jongeren die geen evidente thuissituatie hebben, is ‘blijf in uw kot’ wel een heel bijzondere opdracht. Vaak zitten ze dan in een residentiële voorziening, maar ook daar wordt heel flexibel gewerkt en wordt er alles aan gedaan om die jongeren de nodige omkadering te geven. Maar er bereiken ons berichten van een aantal voorzieningen die kampen met een kwart personeelstekort door ziekte. De vraag is, minister: wat als er geen minimale personeelsbezetting gehandhaafd kan worden in zo’n voorziening? Wat is dan het noodplan?

Dat brengt mij bij mijn volgend punt. Vorige week hebben we gediscussieerd over hoe we bijvoorbeeld opvoedsters in kinderdagverblijven kunnen inzetten in jeugdhulpvoorzieningen. Mijn vraag is, minister, hoe dat matchinginitiatief er concreet uitziet. Wanneer zullen we daar op het terrein resultaten van kunnen zien?

Ook over mensen die in voorzieningen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) verblijven, zijn er heel veel vragen. Er is de vraag of ze daar eventueel hun kind opnieuw mogen achterlaten wanneer de zorg thuis vandaag echt onhoudbaar wordt. En wat dan met de medische veiligheid van de bewoners en van het kind dat in een nieuwe groep wordt opgenomen? Er zijn ook vragen over de budgetten. Als het voucherbudget blijft voortlopen voor de voorziening, maar de ouders ondertussen het kind opvangen en wel cash uitgaven doen, hoe wordt dat dan geregeld?

Mijn voorlaatste punt, minister, heb ik vorige week ook al heb aangestipt: het psychisch welzijn van de Vlaming. Er zijn een aantal mensen die vandaag al in de psychische hulpverlening zaten, waarvan de sector ons nu vertelt dat ze niet deelnemen aan die online hulpverlening die wordt voorzien, en waarover men zich grote zorgen maakt.

Kunt u afronden, alstublieft?

Zeker. Er is dus de vraag naar een algemeen psychosociaal plan voor de hele bevolking.

Mijn laatste punt – omdat we moeten vooruitkijken en geleidelijk aan ook de terugkeer naar een meer normale vorm van samenleving voorbereiden – is wat de heer Annemans gisteren heeft gezegd: er moeten een aantal afwegingen worden gemaakt wanneer we naar die normaliteit gaan terugkeren. De vraag is, minister: wat is het afwegingskader om daar heel belangrijke en cruciale beslissingen te nemen om delen van die quarantaine op te heffen versus de volksgezondheid, waarvoor u ook verantwoordelijk bent?

De heer D’Haese heeft het woord. U hebt vijf minuten.

Bedankt, voorzitter, om me daaraan te herinneren. Eerst heel kort nog over de persconferentie van daarnet, die ons allemaal een klein beetje overviel, denk ik. Ik denk dat er noodzakelijke maatregelen werden aangekondigd om zelfstandigen te ondersteunen, die tot nu toe buiten de categorieën vielen, maatregelen die hier ook gevraagd werden. Wat me opviel bij de persconferentie, is dat er geen nieuwe maatregelen kwamen voor het zorgbeleid, geen nieuwe maatregelen voor de zorg en al die mensen en die diensten die daaronder vallen. Dat heeft me wel een beetje verbaasd.

Ik kreeg zonet een bericht van Lise Vandecasteele, parlementslid hier. Ze komt hier straks mee stemmen en is nu digitaal aan het volgen. Deze voormiddag was ze, als huisarts, nog in een woonzorgcentrum op bezoek. Ze heeft het personeel daar aangetroffen in een staat van lichte paniek. Mensen zijn in paniek. Mensen hebben ongelooflijk veel vragen, zijn bezorgd en zijn stilaan ten einde raad. Er zijn enorme tekorten. Er zijn enorme onzekerheden. Mensen die voor onze ouderen zorgen, dat zijn helden. Dat hebben we hier al vaak gezegd. Maar ook helden kunnen bang zijn. Ook helden hebben bescherming nodig. En dat ontbreekt vandaag.

Minister, nu is het moment om krachtig op te treden. We horen hier telkens opnieuw, in de persconferenties en in het parlement, dat er binnenkort ladingen maskers zullen aankomen. Dan lezen we een paar dagen daarna in de krant dat ze teruggestuurd zijn omdat ze in bananendozen zaten. We horen hier nu zelfs de N-VA vragen stellen, terwijl jullie in de regering zaten die die mondmaskers heeft laten vernietigen en terwijl jullie in de regering zitten die er niet in slaagt die mondmaskers tot bij de mensen te laten komen. Ondertussen zijn er op het terrein enorme tekorten: tekorten aan maskers, tekorten aan handgels en ook steeds meer tekorten aan schorten. Twee derde van de zorgkundigen zegt dat ze onvoldoende beschermingsmateriaal hebben. En als er wel beschermingsmateriaal is, dan zijn er vaak richtlijnen om dat niet te gebruiken.

We weten op dit moment niet welke ouderen besmet zijn omdat we geen testen doen. We weten niet wie van het personeel besmet is omdat we geen testen doen. En we weten dat er heel veel besmettingen zijn die je niet kunt zien, waarbij mensen niet hoesten, waar er geen symptomen zijn. De huidige richtlijnen rond het gebruik van beschermingsmateriaal zijn gebaseerd op schaarste. Dat staat letterlijk in die richtlijnen. Het is nu dus tijd om die schaarste op te lossen en die richtlijnen aan te passen. In onze praktijken van Geneeskunde voor het Volk hebben wij dat gedaan. Wij hebben zelf maskers laten komen om onze verpleegkundigen en huisartsen te beschermen en om ze te verdelen over andere wijkgezondheidscentra en over een aantal woonzorgcentra. Dan hebben we de richtlijn aangepast, zodat vanaf nu bij elk contact met een patiënt een masker wordt gedragen omdat we niet weten of die patiënt ziek is of niet ziek is. Dat hebben wij vandaag nodig voor alle zorgverleners, minister Beke. De mensen die vandaag dat virus bestrijden, mogen niet onbeschermd in de frontlinie blijven staan.

Ik heb vier concrete voorstellen voor de woonzorgcentra.

Zorg ten eerste voor voldoende materiaal en zorg ook voor transparantie daarin. Het is op het terrein volledig onduidelijk wanneer er voorraden zullen aankomen en zullen worden verdeeld. Zorg ervoor dat bedrijven ingeschakeld worden en zorg ervoor dat speculanten worden aangepakt. En doe geen zaken meer met malafide handelaars.

Twee. Pas de richtlijnen aan. De richtlijnen zijn nu ingegeven door schaarste. Eigenlijk zou in de ouderenzorg bij elk patiëntencontact een mondmasker moeten worden gedragen. En eigenlijk is het niet verantwoord om ze acht uren aan te houden. Normaal gezien is de richtlijn bij een besmettelijke ziekte om bij elk patiëntencontact een nieuw masker op te zetten.

Ten derde, test alle inwoners van woonzorgcentra en test alle mensen die thuisverpleging of thuiszorg verrichten. Op dit moment hebben die mensen ongelooflijk veel schrik om mensen te besmetten, terwijl ze zelf niet weten of ze drager zijn van het coronavirus.

Ten vierde, zorg voor opleiding. Mensen in de woonzorgcentra zien vandaag van alles op zich afkomen. Zij moeten ineens patiënten in isolatie verzorgen die bevestigde coronavirusgevallen zijn en die palliatief zijn en die dus zullen doodgaan, die zullen sterven – maar ze hebben daar te weinig handvatten voor. Er zijn al een aantal online cursussen uitgeschreven, en dat is een goede zaak. Maar wij moeten verder gaan. Er is een heel concreet voorstel. U hebt de goede maatregel genomen om een medische reserve op te richten. Daar zitten heel veel mensen in die een hogere specialisatie hebben dan de mensen die aan de slag zijn in woonzorgcentra. Kunnen wij die niet inschakelen om op de vloer vorming te geven, om de mensen in de woonzorgcentra heel praktisch handvatten te geven om om te gaan met besmettingsgevaar, met zo’n besmettelijke ziekte, met de maatregelen die vandaag genomen moeten worden? Het zijn helden, maar helden hebben ook bescherming nodig.

De heer Schiltz heeft het woord.

Een aantal van de collega’s hebben goede punten gemaakt. Ik ga er twee aanstippen. Maar als wij daarnet aan de oppositie hebben gevraagd om niet te veel pingpongspelletjes te spelen en om ons te focussen, zoals de minister-president het heeft aangehaald, op wat we hier in Vlaanderen met onze bevoegdheden kunnen doen, collega Parys, dan is het een beetje flauw om te verwijzen naar een aantal federale situaties rond leveringen. Met betrekking tot de levering waarnaar u verwijst heeft de minister onmiddellijk klacht ingediend bij het parket. Dat zal worden onderzocht. Ik stel voor dat we dat onderzoek afwachten. Ondertussen spreekt iedereen zijn contacten aan om maskers te laten leveren, om materiaal geleverd te krijgen en om ervoor te zorgen dat het degelijk materiaal is.

Collega’s, er wordt wel eens gezegd dat de mate van een beschaving in de maatschappij kan worden afgemeten aan hoe we met onze zwaksten omgaan. Vandaag, zeker bij dit noodweer, is het onze morele plicht om die graad van beschaving hoog te houden. We zien inderdaad dat in de woonzorgcentra de situatie zeer ernstig is. De vraag is of het personeel voldoende opleiding heeft om te weten hoe ze zich moeten beschermen.

Collega Parys, je kunt maskers opzetten zoveel je wilt, maar als je vervolgens je handen niet wast en aan je gezicht komt nadat je je masker hebt opgezet, heeft het ook geen nut. Niet elke besmetting verloopt via de mond. Volgens de specialisten – en dat ben ik niet – zijn de handen minstens een even grote gevarenzone als het gezicht, al was het maar omdat we drieduizend keer per dag met onze handen aan ons gezicht komen.

De vraag is dus of de mensen voldoende zijn ingelicht over hoe ze zich moeten beschermen.

Is er voldoende materiaal? De collega’s hebben een terechte oproep gedaan om meer transparantie te bieden. Is het omdat er schaarste is of is het omdat het een opportuniteit is? Heel de wereld wil vandaag mondmaskers en beschermend materiaal. Het is dus evident dat het moeilijk is om daar op tijd aan te geraken. Daarom moeten wij een beroep doen op onze grondstof in Vlaanderen, onze creativiteit, onze innovatiekracht. Ik lees vandaag dat een aantal universiteiten, productontwikkelaars en technisch gespecialiseerden de koppen samen steken om oplossingen te zoeken. Minister Crevits, dat is ook uw winkel: innovatie. Kunnen wij daar niet een tandje bijsteken om alle knappe koppen van onze maatschappij bijeen te brengen om te zien hoe we de graad van bescherming kunnen opvoeren?

Mijnheer D’Haese, u hebt er vorige week naar verwezen dat duikmaskers blijkbaar interessant zijn. Ik krijg van ziekenhuizen de vraag om onze duikmaskers in te leveren. Waarom niet, als het kan helpen? Laat ons dat dan doen. Het is alle hens aan dek.

De situatie in de woonzorgcentra is schrijnend. We hebben allemaal wel kennissen, dierbaren en zelfs geliefden in die centra. Niet alleen bij het personeel, maar ook bij de bewoners is de angst ernstig en is er eenzaamheid.

Er is veel eenzaamheid in de maatschappij, maar er is ook veel solidariteit. De platformen waarop vrijwilligers worden gevraagd zich aan te melden, stromen over. Dat is echt fantastisch. Dat is nog iets anders dan De Warmste Week.

We zien echter ook dat veel zorgbehoevenden niet altijd de weg naar die platformen vinden. Mijn vrouw had een lumineus idee. Ze heeft een briefje met haar telefoonnummer in alle brievenbussen in de straat gestoken. Hierop vroeg ze of de mensen graag bij de WhatsAppgroep van onze straat wilden komen. Ze kreeg een telefoontje van een oudere dame die we nog nooit hadden gezien. Ze wist niet goed hoe WhatsApp marcheert. Mijn vrouw heeft haar even uitgelegd hoe dat moet, en ze was zeer dankbaar dat ze opeens in de gemeenschap van haar wijk zat. Ze kan vragen stellen als ze de weg niet vindt en als ze boodschappen nodig heeft van waar ze zelf niet kan geraken.

Minister, op welke manier kunnen we ervoor zorgen dat de vele vrijwilligersacties ook terechtkomen bij de mensen die er nood aan hebben? Wat kunnen Vlaanderen en de steden en gemeenten daaraan doen? Wat kan Vlaanderen doen om de steden en gemeenten te ondersteunen om die solidariteit te laten toekomen waar ze van pas komt? Op welke manier kunnen we de innovatiekracht van Vlaanderen mee inschakelen om tot een hogere productie van beschermingsmateriaal te komen?

De heer De Reuse heeft het woord.

Minister-president, ik wil me vooreerst aansluiten bij uw woorden van medeleven ten aanzien van al die families die geliefden kwijt zijn en bij uw woorden van steun voor hen die momenteel tegen het coronavirus strijden. Daarnaast richt ik graag een dankwoord tot iedereen die momenteel in de zorg de strijd met dit vreselijk virus aangaat, tot al onze zorgverleners in de ziekenhuizen, de woonzorgcentra en de instellingen, tot onze thuisverpleegkundigen en iedereen die hiermee bezig is, maar ook tot hen die onze economie draaiende houden, van winkelbedienden en de transportsector tot de landbouwers. Ik bedank hen allemaal.

Minister, ik ben hier vandaag natuurlijk ook om een kritische, maar opbouwende stem te laten horen. We stellen, samen met heel wat mensen, vast dat u de crisis momenteel niet de baas kunt. Al dagen horen we dat de curve afvlakt, dat het kantelpunt in zicht is en dat de kentering kan worden ingezet.

Toch heerst er grote ongerustheid bij de mensen in onze rusthuizen. Ze blijven daar kampen met grote tekorten aan de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen voor het zorgpersoneel. Het is dagelijks te lezen in de kranten, te horen op de radio en te lezen in de vele spots die de zorgverstrekkers zelf op sociale media posten. Heel wat mensen die zorg toedienen, zijn heel ongerust, zowel voor hun eigen gezondheid, maar zeker en vast ook voor de gezondheid van de mensen die ze met hart en ziel verzorgen. Nu ze bewoners moeten verzorgen met beschermingsmateriaal dat niet voldoet, vragen velen zich af wat ze eigenlijk nog aan het doen zijn. Ze zien op televisie hoe de hulpverleners en artsen in onze ziekenhuizen als ruimtevaarders in beeld komen. Ze zijn terecht goed beschermd, maar het steekt natuurlijk heel wat de ogen uit van mensen die zelf met grote tekorten aan goede beschermingsmiddelen kampen.

Aangezien onze bewoners niet worden getest, weten onze zorgverstrekkers niet of ze al dan niet besmet zijn. Een kamer binnenstappen, is zoiets als Russische roulette. Dat demotiveert onze mensen en het ziekteverzuim stijgt. U moet daar iets aan doen.

We lezen hoe schorten voor 48 uur in kartonnen zakken worden gestopt om te worden hergebruikt en hoe mondmaskers voor eventuele sterilisatie worden verzameld. In deze tijden van besmettingsgevaar proberen ze zich met huis-tuin-en-keukenmiddeltjes te behelpen. Dit is ons land echt onwaardig, en dan spreken we nog niet over de farce met de honderdduizenden waardeloze mondmaskers die de Federale Regering heeft gekocht en waar al terecht naar is verwezen.

Ook onze thuisverpleging zit met de handen in het haar. Zeker de zelfstandigen hebben grote tekorten aan beschermingsmiddelen en kunnen zo ongewild voor een sneeuwbaleffect van besmettingen zorgen. Indien ze enkele COVID-19-patiënten hebben, is dat, door alle tijdrovende eisen waaraan ze moeten voldoen, voor hen ook bijkomend een financiële strop.

De vraag – en dat is dan een vraag voor minister Crevits – is of ook zij in aanmerking komen voor de steunmaatregel van 3000 euro die u deze ochtend hebt aangekondigd. Maar ook heel wat secundaire ambulancediensten die zorgen voor het vervoer van onder andere besmette patiënten, en ook vroedvrouwen, politie, onthaalcentra voor daklozen, apothekers en poetshulpen smeken om mondmaskers en om de juiste bescherming. De bevraging die de Belgische Federatie voor Zorgkundigen gisteren deed onder haar leden, geeft ons de bevestiging van wat iedereen in onze maatschappij ondertussen al weet.

Een tweede punt is het grote gebrek aan testen. Vlieg er alsjeblieft in, zou ik zeggen. Iedereen heeft op school altijd geleerd: meten is weten. En net in deze crisis, net nu, stappen we hier voor een groot deel van af. Ik geef een voorbeeld: als vijf mensen positief testen in een woonzorgcentrum, moet men er maar van uitgaan dat iedereen op de afdeling besmet is. Dat heeft natuurlijk verstrekkende gevolgen voor de bewoners. Zo worden er mensen vastgehouden in hun kamer, ook zonder dat ze besmet zijn: de zogenaamde cohortisolatie. Maar ook voor onze zorgverleners is het moeilijk te kaderen. Verplaats u alstublieft eens in de psyche van onze zorgverleners. Info, de juiste info over hun bewoners is essentieel om hen extra te motiveren. Zeker nu, in een periode waarin naast de psychologische druk ook de werkdruk enorm stijgt.

Vanuit de thuisverpleging komt de grootste stroom van patiënten naar onze ziekenhuizen. Maar die doelgroep, hun patiënten, komen qua prioriteit pas op de vierde plaats om te testen. Minister, verander dat. De dokters zeggen nu meestal: ‘Blijf maar wat thuis, om een beetje uit te zieken.’ En op het moment dat ze getest moeten worden, is het veelal te laat. Daarom doe ik deze oproep: test, test, test!

Minister, wat het inrichten van zorghotels of schakelzorgcentra betreft, wil ik benadrukken dat de piek eraan komt. Het is nodig plaats te hebben voor deze mensen die besmet zijn en niet thuis in quarantaine kunnen worden opgevangen, met het oog op de volksgezondheid. Groepeer die mensen. Bied hun goede zorg. Ook mensen die net ontslagen zijn uit het ziekenhuis, maar niet naar huis kunnen voor de nodige opvang. Hoe zult u dat uitrollen? U liet deze ochtend weten een budget vrij te maken. De eerste centra zijn ondertussen een feit. Het zijn lokale initiatieven. Maar hoe zal de Vlaamse Regering deze achterstand inhalen? Zult u hierover in contact gaan met de eerstelijnszones?

Een spreektijd van vijf minuten is inderdaad heel beperkt. Ik sluit af met drie oproepen voor u. Een, stel duidelijke richtlijnen op en communiceer deze. Collega Dewinter verwees er vorige week al naar en minister Weyts deed er wat lacherig over. Communiceer alles duidelijk en eenvoudig. We zien welke vaudeville er nu inderdaad aan de gang is rond het nut van het dragen van een mondmasker. Op die manier raken jullie echt alle krediet bij de bevolking kwijt. Twee, zorg er nu eindelijk voor dat alle zorgverstrekkers het correcte beschermingsmaatregel hebben om veilig, zowel voor henzelf als voor hun patiënten, zorg te kunnen toedienen en verdere besmetting te voorkomen. En drie: test, test, test!

Mevrouw Groothedde heeft het woord.

Minister, we moeten het breder zien, ook vandaag. We bevinden ons in een enorm veranderd land, ook in wat de mensen hebben ingezien. Er is nu in ons land geen enkele twijfel meer dat solidariteit nodig is. Het is inderdaad zo dat de Vlaming en de Brusselaar dat inzien. Zij zien dat dat de basis is om door deze crisis te komen. Dat betekent het rechthouden van onze maatschappij, heel concreet, elke dag. De Vlaming en de Brusselaar doen dat. Er komen heel veel burgerbewegingen tot stand. Brussel Helpt, het Gentse solidariteitsplatform, dat in Antwerpen: zij doen heel knap werk. De lokale besturen nemen heel knappe maatregelen. Ik denk aan Leuven, Brussel, Gent, Oostende enzovoort. Er zijn CAW's die hun werking versterken voor de kwetsbaren. Vzw SAM (steunpunt Mens en Samenleving) geeft aan iedereen op het terrein steun, die heel erg nodig is met deze omschakeling. Er zijn OCMW's die heel erg hun rol opnemen. Een aantal organisaties en koepels, die voor deze crisis steun ontbraken, tonen zich nu als de sterkhouders die ze zijn.

Bea Cantillon heeft het vandaag nog gezegd in Knack: er is een ideologische strijd gevoerd tegen het middenveld. Wel, minister, vandaag zijn het de organisaties in zorg en welzijn die het land rechthouden. En die zijn van nature solitair. En zij doen dat met hart én met deskundigheid. En die deskundigheid hebben we vandaag nodig.

Maar ze kijken wel naar u, minister. En de wrevel groeit. Want ze hadden al te kort. En u hebt hier vorige week geweigerd om de besparingen in zorg en welzijn te bevriezen, om ze terug te draaien. En dat zorgt ook voor angst. Ze hebben zelf gezegd – ook deze weken – dat er werkingsmiddelen te kort zijn, dat er structurele middelen te kort zijn. We zijn nu aan het praten over de economische relance – en dat is heel erg terecht. 

Deze week hebben grote organisaties in zorg en welzijn crowdfundingcampagnes opgericht. Liefdadigheid voor de mensen die ons land rechthouden.

Minister, het is nodig dat u nu niet alleen een minister bent die loyaal is aan de Vlaamse Regering, maar dat u ook loyaal bent aan de zorg- en welzijnssector. Ik heb een paar constructieve voorstellen, waarmee u dit aan de sector kunt laten zien. Ik hoop echt dat u daarin schittert, dat zou heel goed zijn voor onze maatschappij en dus voor ons allemaal.

Ten eerste hebben we voor Vlaanderen een sociaal noodfonds nodig. Brussel heeft dat net voorzien. Met hun beperkt budget hebben ze daarvoor 30 miljoen euro uitgetrokken. Als Vlaanderen het in alles beter doet, kunnen wij niet achterblijven. Zo’n noodfonds zou ons toelaten om de dringendste noden in zorg en welzijn te lenigen en om de dringendste investeringen te doen die nodig zijn.

Ten tweede moeten we ervoor zorgen dat we iedereen meenemen, zoals de minister-president net heeft gezegd. Dat zijn de mensen die in armoede verkeren, mensen die dakloos zijn, mensen die op dit moment, ook door de crisis, te weinig geld hebben om elke dag van de maand rond te komen. Voor die mensen bestaat er een concreet voorstel dat door de armoedeorganisaties wordt onderschreven. Zet een taskforce rond corona, armoede en kwetsbare groepen op. Werk daarvoor ook samen met uw Brusselse en federale collega’s, zodat de overheid de mensen die het nu moeilijk hebben over deze crisis heen helpt, en dat op een goed gecoördineerde manier.

Ten derde zijn er in de sector heel veel concrete bezorgdheden. Mijn collega’s hebben ze punctueel aangekaart, maar je kunt ze tot een paar bezorgdheden herleiden. Er is een groot personeelstekort en dat zal nog groter worden. Mijn collega’s hebben het terecht gehad over de woonzorgcentra, over het psychisch welzijn, over kinderen die nu in nood verkeren en over huiselijk geweld. Ik moet zeggen dat ik de vraag over wie op dit moment te vertrouwen is nogal vreemd vind. De informatie van de experten is eenduidig en duidelijk. Wat we wel nodig hebben, is duidelijke en geruststellende informatie over de maskers en bescherming aan de bevolking. Op dat vlak kan ik mijn collega’s volgen, ook als het over de opleidingen in de thuiszorg gaat. Wat we op dit moment vooral nodig hebben, zijn politici die mee betrouwbaarheid geven aan de informatie die wordt verstrekt, waardoor we zelf het vertrouwen niet afbreken in wat we op dit moment allemaal samen aan het realiseren zijn, over de meerderheid en oppositie heen.

Minister, er bestaat veel angst dat er op dit moment personeel zal uitvallen. Het gaat over woonzorgcentra, maar ook over voorzieningen voor jongeren en kinderen in nood, voor personen met een handicap en voor geestelijke gezondheidszorg. Vandaag beginnen de consultatiebureaus van Kind en Gezin opnieuw met hun consultaties. Ze hebben deze week nog een oproep naar vrijwilligers gelanceerd. Weet u daar meer over? Zijn er genoeg mensen? Ik moet mijn collega’s ook bijtreden als het over het beschermingsmateriaal gaat, en ook die vraag gaat verder dan de zorg- en welzijnssector. Ik moet de heer Schiltz ook bijtreden, want er zijn heel wat mooie initiatieven die vanuit het veld worden opgestart. Kunnen we in Vlaanderen ook structureler aan de slag gaan? Wallonië is hiervoor op dit moment met een taskforce begonnen. Het gaat niet alleen over maskers, maar ook over meer beschermingsmateriaal. We zitten met zo veel sociale economie, met zo veel hoogtechnologische bedrijven. Op welke manier kunnen we hen inschakelen?

Tot slot is er door het tekort aan geld ook een tekort aan menselijkheid in de sector. Er zijn heel veel mensen die al weken hun geliefden en familie niet hebben gezien. Dat gaat vaak over kinderen, over kwetsbare mensen, over mensen voor wie het begrip ‘tijd’ heel moeilijk is als ze in de geestelijke gezondheidszorg of in instellingen voor personen met een handicap verblijven. Voor hen moeten we die lacune in menselijkheid opvangen. Dat kan door te skypen via een laptop, dat kan via smartphones, maar dat kan ook via speelgoed waarmee we al die kinderen en jongeren kunnen bezighouden. Wordt er nagedacht over hoe we die crisis menselijk kunnen overbruggen?

Minister, ik roep u van harte op, want dit is het moment om met heel je hart en vol vuur je sector te verdedigen. Die mensen houden het land recht. U moet ervoor zorgen dat die dijk nu stevig blijft staan. Ik wens u echt toe dat u zo loyaal en fel de zorg- en welzijnssector verdedigt dat u vanaf nu schittert. Want als het nu goed gaat met de zorg- en welzijnssector, zal dat goed zijn voor de maatschappij, en voor ons allemaal. 

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Bedankt, collega's, voor de vele vragen en voor de bezorgdheid. Dat is een bezorgdheid die wij met z'n allen delen. Laat mij beginnen met mijn waardering uit te drukken voor iedereen in de brede sector van zorg en welzijn, zeker in de woonzorgcentra, maar ook daarbuiten, die daar vandaag, 's morgens, 's middags, 's avonds en 's nachts ten volle mee bezig is. We kunnen dat niet voldoende benadrukken.

Ik zal proberen om systematisch een aantal antwoorden te geven op vragen die hier zijn gesteld. De woonzorgcentra hebben vanaf dag nul mijn eerste en mijn grootste aandacht gekregen, omdat het voor mij van in het begin, nog voordat vele anderen er zich goed van bewust waren, absoluut vaststond dat daar de meest kwetsbare groep zat en dat daar dus ook de eerste maatregelen rond moesten worden genomen. Dat hebben wij ook gedaan. De eerste richtlijnen voor de woonzorgcentra zijn begin maart gestuurd. En die worden voortdurend bijgewerkt, op basis van input die we krijgen. Wij zitten om de twee à drie dagen samen met de verantwoordelijken van de woonzorgsector, om te kijken hoe we moeten sturen en bijsturen. We hebben hun van in het begin gezegd geen bezoek toe te laten. We hebben hun van in het begin gezegd mantelzorgers niet meer zomaar toe te laten, maar te registreren en alleen de geregistreerden nog binnen te laten.

Ik heb ook hier in het parlement veertien dagen geleden al gezegd dat dit noodzakelijke maatregelen waren, maar ook, collega Groothedde, dat dit maatregelen zijn waarvan men niet mag onderschatten welke impact ze hebben op het psychologische welzijn van de mensen die vandaag in die woonzorgcentra verblijven. We mogen dat niet onderschatten. Geen bezoek, je afsluiten van je omgeving en je dierbaren, dat is voor hen niet te onderschatten. Maar het zijn maatregelen die we genomen hebben en die noodzakelijk waren. Hetzelfde geldt voor de assistentiewoningen die gekoppeld zijn aan die woonzorgcentra, net om zoveel als mogelijk te proberen het virus daarbuiten te houden.

Er is gevraagd naar de stand van zaken in de woonzorgcentra en het aantal gevallen. Ik hoop, collega's, dat daar geen karikaturen over worden gemaakt, zoals ik er daarnet toch een paar heb gehoord. Het aantal nieuwe gevallen bedroeg gisteren 274. Sinds 18 maart is dat een stijging van 32 procent. Als we dat vergelijken met het aantal nieuwe gevallen in de ziekenhuizen, gaat het voor de ziekenhuisopnames in dezelfde periode over een stijging van 200 procent. In totaal zaten we gisteren aan vermoedelijk 1917 gevallen. Dat is 2,45 procent van de populatie. In drie vierde van de woonzorgcentra gaat het over minder dan 3 procent. In een vierde zitten we aan een hoger percentage en zijn er uitbraken, en daar hebben we ook outbreakteams voor, die ter plaatse gaan waar het agentschap naartoe gaat, om daar ook de nodige maatregelen rond te nemen.

Het personeel zet zich vandaag ten volle in. Wij monitoren dat elke dag. Ongeveer 5 procent van het personeel is afwezig. Ik heb die cijfers hier vorige week ook gebracht. Dat is ongeveer een constante, rond de 5 procent. Maar we zien wel verschillen. Soms is het minder dan 3 procent, bij een uitbraak zien we dat er een grote stijging is. Ik heb in het begin als eerste, en ik ben nadien gevolgd door de andere regio's, opgeroepen tot een medische reserve, omdat ik wist dat personeel een grote kritische factor zou zijn. Er is gevraagd of Vlaanderen zich solidair toont. Wel, Vlaanderen toont zich solidair, op vele vlakken: al die vrijwilligers die in alle straten en buurten aanwezig zijn om dingen te doen, maar ook in die medische reserve. 3330 mensen hebben zich op dit ogenblik aangemeld. De woonzorgcentra hebben de sleutels en maken daar ook gebruik van, als het personeel uitvalt, om dat te kunnen doen. Is dat voldoende? Neen, dat is niet voldoende. Is dat noodzakelijk? Ja.

Ik heb een overleg met het federale niveau om de mensen uit de thuiszorg, ook thuisverpleging, ook in de woonzorgcentra te kunnen inbrengen en daar de nodige ondersteuning te geven wanneer dat noodzakelijk is. We gaan momenteel na hoe we dat kunnen organiseren. Dus ja, daar bestaat een grote bezorgdheid over en we zijn daar elke dag mee bezig.

Wat het beschermingsmateriaal betreft, is de vraag niet of Vlaanderen te krenterig is om dat materiaal aan te kopen. Integendeel, voor de sectoren waarvoor we hebben afgesproken dat wij daarvoor zouden zorgen, hebben wij beschermingsmateriaal waaronder mondmaskers gekocht en besteld waarvan er intussen zijn geleverd. We doen er alles aan om zoveel mogelijk beschermingsmateriaal bij de mensen te krijgen.

In Vlaanderen is vorige maandag een eerste bestelling van 4,6 miljoen chirurgische maskers geleverd. Die zijn naar de militaire basis van Peutie gebracht, daar herverpakt en naar de verschillende hulpverleningszones gebracht. Het gaat niet over de zogenaamde FFP3-maskers die in bananendozen werden gestopt. Van die maskers zijn er bijna 33 miljoen naar de woonzorgcentra gebracht, naar de centra voor herstelbedrijf, naar de diensten voor de gezinszorg, de thuisverpleging, de psychiatrische verzorgingstehuizen, een aantal voorzieningen voor personen met een handicap, de centra algemeen welzijnswerk (CAW’s), de gemeenschapsinstellingen met een ziekenboeg. Er is ook een voorraad voor het onderwijs en het bijzonder onderwijs voorbehouden.

Dat was het eerste contingent. Eergisteren zijn opnieuw 2 miljoen maskers geleverd en we hebben nog bijkomende bestellingen geplaatst van ongeveer 7 miljoen maskers. We zullen nog bijkomende bestellingen doen wanneer dat noodzakelijk blijkt.

De grote vraag is niet of Vlaanderen bestellingen wil plaatsen, maar wel hoe we ze hier krijgen. Dat is de zorg, want heel de wereld zoekt op dit ogenblik maskers. En ja, het kan zijn, en dat is ook gebeurd, dat de leverancier niet de juiste maskers aflevert. Dat wordt gecontroleerd door het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) en door de FOD Economie. In de roep om maskers en in onze ambitie om zoveel mogelijk maskers naar hier te krijgen, kan men hier of daar natuurlijk al eens een steek laten vallen. En er zijn vrijwilligers die deze maskers in bananendozen hebben gestopt, wat niet mag en kan en waardoor die dus ook niet mogen worden geleverd, maar we moeten daar geen karikatuur van maken, alsof dat mainstream zou zijn, want dat is niet het geval en daar is ook onmiddellijk tegen opgetreden.  We hebben maskers en beschermingsmateriaal besteld en geleverd en we hebben er nog veel meer besteld die zullen worden geleverd aan de sectoren die deze nodig hebben.

We hebben daar een interministeriële conferentie (IMC) over gehad, ik heb daar ook vorige woensdag al over bericht. Wij werken graag samen met het federale niveau, maar Vlaanderen moet wel de bestellingen kunnen doen voor de sectoren waar Vlaanderen voor bevoegd is. Dat is niet tegen de ene of de andere maar dat is onze verantwoordelijkheid. En als we daarin dan op een bepaald moment solidair moeten zijn, dan zullen we dat ook zijn wanneer een regio bijvoorbeeld maskers te weinig heeft en wij er op dat moment een aantal kunnen missen.

Maar we zitten met een grote uitdaging, en dat is ten eerste: wie kan ze leveren? Kan de fabrikant ze leveren? Ik heb honderden en honderden suggesties daarover gekregen. Ik wist niet dat er zoveel mensen in Vlaanderen vrienden, connecties, relaties of familie hadden in China die zegden: wij kunnen maskers leveren. Ik hoorde dat ook van vele collega’s hier in het parlement. Wij laten dat via Flanders Investment and Trade (FIT) en via Buitenlandse Zaken controleren, of het koosjere maskers zijn, of we daarmee kunnen starten en dan plaatsen we de bestelling, samen met het Facilitair Bedrijf.

Ten tweede, de bestelling plaatsen is één zaak, bij een fideel bedrijf dan, maar hoe krijgen we ze hier? De cargo en het transport is op dit ogenblik wereldwijd één grote strijd. Ik heb het vorige week al gezegd, ik kan het alleen maar herhalen. Een vliegtuig van China naar hier krijgen, en ervoor zorgen dat de maskers niet worden geconfisqueerd bij een tussenlanding om te tanken?  Daar kunt u veel over zeggen, maar dat kunt u mij, een Vlaams minister, een federaal minister of wie dan ook niet kwalijk nemen. Daar zitten risico’s tussen. We hebben dat niet gedaan, maar dat betekent, zoals vorige week, dat we dan 24 uur langer moeten wachten op een levering. Die was op zaterdag voorzien, maar kwam uiteindelijk pas maandagochtend aan. Als u wilt dat we alles van A tot Z, van begin tot eind, weten, dan zullen we hier geen maskers hebben. Dat is op dit ogenblik gewoonweg de situatie waarin we zitten.

Een derde vraag is of ze aan de kwaliteitsvereisten voldoen. Dat kunnen we maar checken als ze hier ter plaatse zijn. Dat doen we ook.

Mijnheer Schiltz, ik heb u gehoord, ik vind dat een zeer intrigerende en interessante vraag en oproep. Kunnen we geen eigen maskers fabriceren? We zouden op zich niet liever willen. We hebben aan het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten gevraagd op welke manier, volgens welke standaarden, bedrijven die hier kunnen fabriceren. We hebben er al gehad, nieuwe maskers. We hebben al bedrijven gehad die ze willen kuisen en hergebruiken, en die ze dan terug op de markt willen brengen.

Het enige wat we willen, is de standaarden hebben zodat we dan kunnen zeggen: het mag. Anders gaan we hier in het parlement de vraag krijgen: er zijn nu wel bedrijven en u hebt die FFP3-maskers nu wel besteld, maar u kunt er niets mee doen, want ze worden niet volgens de nodige kwaliteitsstandaarden gemaakt. Dan zitten we met dat probleem. Dat is de vraag die we stellen. Er zijn er die dat willen doen, er zijn er waarschijnlijk die dat kunnen doen, maar we hebben de standaarden nodig om ze op de markt te mogen zetten.

Wie moet er nu een mondmasker dragen? Ik ga me niet in het debat tussen dokters, professoren en experten wagen. Het is niet aan mij om dat te doen. Wie wil er een mondmasker dragen? Volksgezondheid heeft op zijn website gezet hoe men een mondmasker kan maken. De zorg die wij hier hebben en die in verschillende tussenkomsten terugkwam, is dat onze zorgverleners met de juiste mensen kunnen werken, en met de juiste producten en beschermingsmaterialen. We hebben altijd de lijn gekozen dat de producten die met de juiste kwalificaties worden gemaakt, in eerste instantie dienen voor degenen die de kwetsbare mensen moeten opvangen. Dat belet niet dat anderen mondmaskers kunnen maken voor eigen gebruik of voor anderen. Ik ga daar geen mening over uiten. Ik kan alleen maar verwijzen naar de Wereldgezondheidsorganisatie die daarover haar advies heeft gepubliceerd. Ik heb het daarnet nog eens van de website gehaald. De Wereldgezondheidsorganisatie zegt dat voor gezonde mensen een masker alleen nuttig is als ze zorg dragen voor een verdacht of besmet persoon, of als men zelf verdacht is. Ik kan niemand beletten om een mondmasker te dragen, maar dat is niet het debat dat we hier op dit ogenblik daaromtrent moeten voeren.

Waar ik wel zorg voor wil dragen, is dat, met de wereldwijde roep om die maskers, we er voldoende kunnen hebben voor ons eigen zorgpersoneel.

We zijn daar dus elke dag mee bezig, niet alleen wat de maskers betreft. Er zijn ook de handgels. We hebben met het Facilitair Bedrijf bestellingen geplaatst, onder andere voor handgels. Ik heb daartoe vorige week hier een oproep gedaan. Dat heeft men niet in de wind geslagen. Er zijn bedrijven die ons hebben gecontacteerd die normaal alcohol distilleren en dat nu ter beschikking stellen, met de vraag of daarmee aan de slag kan worden gegaan. Dat is niet zonder slag of stoot gegaan. We hebben daarvoor een aantal hindernissen moeten weten te overwinnen, inzake kwaliteit, inzake fiscaliteit en ook andere dingen, maar uiteindelijk is dat wel gelukt. We zijn daar voortdurend mee bezig.

Ook zijn we de markt aan het bekijken wat de schorten betreft, wat de brillen betreft, want dat zijn andere zorgen die er natuurlijk ook zijn: hoe kunnen we in nodige middelen voorzien om de mensen op een juiste manier te beschermen?

Collega’s, ik heb ook vragen gekregen over het testen. Vorige week is die vraag ook gesteld: testen, testen, testen. Ik heb toen gezegd dat ik het daar volledig mee eens ben. Ik heb toen ook gezegd, en ik heb dat de voorbije week ook herhaald, elke dag opnieuw, toen ik overlegde met de federale overheid, met collega De Backer, in de interministeriële conferentie of op andere plaatsen, dat de woonzorgcentra wat mij betreft een absolute prioriteit zijn wat dat betreft. Dat is ook geavaleerd door de Risk Management Group (RMG). Mijn oproep is geavaleerd door minister De Backer, opdat dat testen zou worden opgedreven, uiteindelijk ook voor de woonzorgcentra.

Misschien toch even zeggen dat we drie verschillende soorten tests hebben. Er zijn de PCR-tests (polymerase chain reaction), de tests die we nu veelvuldig gebruiken en die het meest valide zijn. Men is de productie daarvan aan het opdrijven. We komen van 2000 tests 10 dagen geleden. Op dit ogenblik zijn het er 3500 à 4000, en men wil dat opdrijven tot 10.000 per dag.

Dan is er de tweede soort tests. Daar hebben we vanmorgen opnieuw een interministeriële conferentie over gehad, en daarbij is ook bevestigd dat de woonzorgcentra daarbij een eerste belangrijke prioriteit zullen zijn. Dat zullen we ook verder moeten evalueren, natuurlijk ook wat die andere sectoren betreft. Ik denk dat de sector van de mensen met een handicap ook een belangrijke sector is. Mijnheer Parys, u hebt daarover daarstraks een vraag gesteld. Vandaag zijn er mensen die thuiszitten met iemand met een handicap. Op 18 maart dachten ze dat dit tot 5 april zou zijn. Vandaag zeggen ze dat ze het thuis niet meer kunnen houden, en vragen ze of ze hen niet terug naar een instelling kunnen brengen. Of omgekeerd, als dat kan worden gedaan, dan moeten daarvoor een aantal regels worden afgesproken. Ik heb vanmorgen tijdens de interministeriële conferentie ook gevraagd dat daarvoor in een volgende fase, naast de woonzorgcentra, ook een teststrategie zou worden afgesproken, en dat intussen de nodige veiligheidsmaatregelen worden afgesproken om die regimes, die we in het begin heel strak hebben gehouden, voor een stukje te versoepelen zonder dat we de kans op besmetting vergroten.

Dus ja, die teststrategie zijn we voortdurend in overleg aan het opdrijven, en dat zullen we in de komende periode ook verder uitrollen. Die bede is hier vorige week niet alleen aanhoord, we zijn daar ook onmiddellijk mee aan de slag gegaan, en dat zal een werk van lange adem worden, maar het begint wel bij de eerste stap.

Er wordt soms ook nog gesproken over een derde soort tests, de zogenaamde serologische tests of immuniteitstests. Ik denk dat dat een belangrijke zaak is, maar een zaak waarvan de wetenschappers ons zeggen dat ze vandaag nog niet op punt staat. In een volgende fase van deze strijd kunnen die echter wel een belangrijke rol spelen. Daar is men dus ook mee bezig, niet alleen wat de testcapaciteit betreft, maar ook met het bredere vraagstuk. Er is immers uiteindelijk telkens de vraag wat er moet gebeuren als een test positief is; en als hij negatief is, is er de vraag hoe zeker we daarvan zijn en wat er dan kan gebeuren. Dat is iets, denk ik, voor de volgende fase van de aanpak van deze strijd, en bij de vraag hoe we een aantal maatregelen van social distancing op termijn moeten evalueren en desgevallend versoepelen en afbouwen, zal dat ook wel een belangrijke rol spelen.

Ik heb hier gehoord dat wat de woonzorgcentra betreft de verpleegkundigen niet weten hoe ze met deze situaties moeten omgaan. Dat is een probleem dat ons inderdaad een dag of tien geleden al is gesignaleerd. We hebben met de Belgische Federatie voor Zorgkundigen, met Paul Cappelier, onmiddellijk contact opgenomen en we hebben daar de nodige maatregelen voor genomen, namelijk filmpjes, heel eenvoudige modules die via zijn federatie en de hogeschool zijn gemaakt maar ook instrumentenfilmpjes die op onze website zijn geplaatst, e-learning dus. We gaan verpleegkundigen en mensen uit hbo5 (hoger beroepsonderwijs), stagiairs, vandaag echt niet in groepen in klassen zetten, maar ze wel digitaal informeren over hoe ze dat kunnen doen. Dit wordt op dit eigenste ogenblik massaal uitgerold om daar bijkomend op in te zetten.

Wat de mensen met een handicap betreft, hebben we verschillende bijkomende maatregelen genomen. Op het ogenblik dat duidelijk werd dat de periode na 5 april verlengd zou worden, hebben we ingeschat dat een aantal zaken herbekeken moeten worden. We hebben een meldpunt waar oudervoorzieningen personeelstekorten kunnen aangeven. We hebben gekeken hoe mensen die vandaag thuis zijn met bijvoorbeeld een zoon of dochter met een handicap, die terug kunnen brengen, hoe we een aantal regels kunnen versoepelen en hoe voor mensen met een persoonsvolgende financiering die thuis zijn, die financiering gegarandeerd kan worden.

Er is daarstraks gezegd dat er in de communicatie van de Vlaamse Regering niets gezegd is over de budgetten. Dat klopt, omdat we het daar vorige week al over hebben gehad. We hebben daar vorige week al een voorafname op gedaan. Subsidies worden gegarandeerd en we steken bij waar we bij moeten steken. Ik heb inderdaad gezegd dat we die debatten niet moeten verwarren, maar we zullen doen wat nodig is. Vorige week vrijdag heeft de Vlaamse Regering daar al het eerste voorbeeld van gegeven. Online chats: hier in het parlement werd terecht gevraagd om daarop in te zetten, om daar meer in te investeren. We hebben dat gedaan. We hebben 460.000 euro uitgetrokken om dat te kunnen doen. We hebben geïnvesteerd in Tele-Onthaal, Awel en noem maar op omdat het nuttig en omdat het nodig is, omdat het een absolute must is. We doen dat dus, absoluut.

Wat de personeelstekorten betreft in de woonzorgcentra, wil ik nog een laatste opmerking maken. Ik ga niet zeggen dat er geen personeelstekorten zijn. We hebben in de begroting 2020-2024 100 miljoen euro ingeschreven voor bijkomend personeel in de woonzorgcentra. Dat gaat over tweeduizend voltijdsequivalenten. Dat was niet het grote probleem. Over het grote probleem, vlak voor de crisis, heb ik de cijfers in het parlement meegedeeld, namelijk dat er tweeduizend vacatures waren in de woonzorgcentra voor zorgkundigen, verpleegkundigen, technisch personeel. Op dat ogenblik vond men die mensen niet, niet omdat de budgetten er niet waren, maar omdat ze de mensen niet hadden. Het blijft een belangrijke uitdaging in de nabije toekomst hoe we daarmee kunnen omgaan. We hebben nu de medische reserve om dat voor een stukje weg te werken. We willen de thuisverpleging daarvoor inzetten. We willen ook kijken hoe we jobstudenten daarvoor kunnen inzetten, hoe we stagiairs daarin meer kunnen betrekken en hoe we de huidige vacatures verder kunnen invullen, want we zullen al die handen absoluut nodig hebben voor deze en vele andere mensen.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik heb nog een kleine aanvulling op alles wat minister Beke heeft gezegd. Er waren een paar mensen die vragen stelden naar initiatieven vanuit innovatie en wetenschapsonderzoek. Ik wil meegeven dat wij absoluut niet wachten om initiatieven te nemen. Onze Vlaamse onderzoekers staan wereldwijd aan de top in de bestrijding van corona. Je ziet dat dagelijks in de nationale en internationale media. Op het vlak van klinisch onderzoek zijn er schitterende onderzoeken bezig en kunnen doorbraken worden gerealiseerd. Ook is er de modellering rond het epidemiologisch onderzoek, dus de verspreiding en het verloop van het virus, hoe je een lockdown moet organiseren, wat de strategieën zijn om te vaccineren en ook ‘test and trace’-strategieën in het postcoronatijdperk. Als je mensen opnieuw aan de slag wilt krijgen, ga je veel meer vertrouwen krijgen als je weet dat er zoiets bestaat als een test waarmee je weet dat je voldoende immuniteit hebt. Ik wil meegeven dat onze bedrijven en onderzoeksinstituten daar volop mee aan de slag zijn. Ik heb daar geen grote hoogmis rond georganiseerd maar wij zijn in permanent overleg. Ik vind het wel het moment om nu eens te verduidelijken dat het goed is om vast te stellen dat we wereldtop zijn en dat het goed is dat we vanuit Vlaanderen de voorbije jaren daar zo zwaar in geïnvesteerd hebben.

Er zijn zeer veel bedrijven in Vlaanderen die op dit ogenblik mee willen investeren in datgene wat nodig is. Dat gaat van mondmaskers – collega Beke heeft het gezegd – over allerhande andere zaken. De gels zijn ook genoemd. Maar alle initiatieven moeten wel leiden tot datgene wat we nodig hebben. Alle stoffen die aangeboden worden, moeten getest worden door Centexbel, dat is een textielonderzoeksinstituut. We stellen vast dat heel veel zaken worden afgekeurd als het gaat over datgene waar we echt nood aan hebben. Maar weet dat onze Vlaamse diensten echt proberen een platform te zijn om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Want het heeft geen zin om te investeren in zaken waarvan we weten dat ze niet zullen voldoen aan de normen. Dat is ook de reden waarom we hier nog geen grootschalige productie hebben kunnen opstarten. Maar weet dat ook de innovatiemiddelen daar volop op ingezet worden.

Ik heb begrepen dat minister Beke nog iets wil toevoegen aan zijn antwoord.

Minister Wouter Beke

De vraag was hier gesteld wat de cijfers in de woonzorgcentra zijn. Ik heb die cijfers gegeven maar ik wil die wel in een duidelijk perspectief plaatsen, mevrouw Goeman, omdat u gezegd hebt dat een derde van de besmettingen in de woonzorgcentra gebeuren. Dat is absoluut onjuist. Registraties van Sciensano en registraties bij ons in de woonzorgcentra zijn niet een op een te vergelijken. Dat is appelen met peren vergelijken. Wat wij in de woonzorgcentra vragen is dat, wanneer men een vermoedelijk geval heeft waarvan slechts een minderheid effectief via een testing bevestigd wordt, men dat bij ons ingeeft. Als u de echte vergelijking wilt maken, dan moet u die maken met al degenen waarvan de huisartsen in de triagecentra vandaag zeggen: ‘Blijf maar thuis want u hebt symptomen, u hebt een hoest, u hebt een snotvalling, u hebt wat meer koorts, alles wijst erop dat u een coronabesmetting hebt.’ Daarvan worden de meeste mensen dus effectief niet getest. Dat is wat wij in de woonzorgcentra vragen. U mag die cijfers niet tegenover elkaar plaatsen.

Sciensano heeft onze cijfers opgevraagd. Wij hebben gezegd – dat heb ik ook vanmorgen op de interministeriële conferentie gezegd – dat het geen enkel probleem is om die te hebben, maar men mag wel geen appelen met peren vergelijken. Hetzelfde geldt voor wat betreft de mortaliteit, het aantal overleden slachtoffers. Er zijn heel wat cijfers van overlijdens die wij meegeven, die niet ‘coronabevestigd’ zijn maar waarvan men het vermoedt op basis van een aantal symptomen. Ook die cijfers zijn niet het aantal bevestigde gevallen. Ook het aantal mensen dat overleden is mag u dus niet met elkaar vergelijken want dat zou een fout beeld geven.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Ik ben oprecht bezorgd om de situatie in onze woonzorgcentra. Ik ga met u geen discussie voeren over de cijfers. Ik hoop dat we het erover eens zijn dat er vandaag echt een probleem is en dat we vooral moeten voorkomen dat de situatie uit de hand loopt.

Bon, voldoende personeel. Ik heb u horen zeggen dat de medische reserve op dit moment nog niet is geactiveerd voor de woonzorgcentra.

Ik vraag mij ook af of er soort van screening plaatsvindt van de mensen die zich aanmelden, zodat we weten wie we op welk moment kunnen inzetten.

Over de noodzaak van voldoende bescherming en meer tests zijn we het natuurlijk eens. Ik begrijp dat er altijd risico’s verbonden zijn aan buitenlandse bestellingen, zeker in deze tijden, maar dat is een reden te meer om zoveel mogelijk zelf te proberen te produceren. Dat gaat niet alleen over mondmaskers, maar inderdaad ook over gels, schorten en brillen. Ik weet dat er van alles op stapel staat en dat er dingen gebeuren, maar onze oproep is vooral: probeer alstublieft zo snel mogelijk te gaan. De nood op het terrein is ongelooflijk hoog, niet alleen in de woonzorgcentra, maar ook in de instellingen voor mensen met een beperking, in de thuiszorg en thuisverpleging en in de psychiatrische ziekenhuizen.

Ik heb nog een heel korte opmerking. Mevrouw Groothedde had het ook over de mensen die vandaag genoodzaakt thuis vastzitten, soms in letterlijk gevaarlijke omstandigheden vanwege geweld of misbruik. Daarover stond een opiniestuk op VRT NWS van 1712 en de vertrouwenscentra kindermishandeling (VK’s), die aan de alarmbel trekken. Mijn heel concrete vraag is of leegstaande gebouwen niet kunnen worden opengesteld voor crisisopvang. Kan daarover nagedacht worden?

In Brussel loopt op dit moment een campagne met alle betrokken overheden en actoren om heel duidelijk te communiceren over alle mogelijke noodnummers en over wat de CAW’s allemaal kunnen betekenen. Valt zo’n campagne op alle mogelijke media en op het internet ook niet in Vlaanderen te overwegen?

De heer Parys heeft het woord. 

Minister, vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Mijn pleidooi was er een om te zeggen: als we duidelijk en transparant zijn, dan zal dat paard niet naar de uitgang galopperen. Ik vrees echter dat we, als we nu niet transparant communiceren, dat vertrouwen wel gaan verliezen. Ik begrijp heel goed dat u geen extra stem in het publiek debat wilt zijn, maar mijn vraag naar u, minister, is of u er op de IMC voor kunt pleiten dat er eenheid van communicatie komt, waar de experten allemaal achter staan, zodat iedereen weet waar hij aan toe is.

Als het dan gaat over wie die mondmaskers al dan niet moet dragen, begrijp ik heel goed dat de WHO zegt dat gezonde mensen dat sensu stricto niet nodig hebben. De WHO zegt echter ook: ‘Test, test, test!’ Als je die twee dingen niet samen leest, dan heb je natuurlijk geen volledig advies. Laat dat laatste, die ‘test, test, test’, nu net hetgeen zijn wat we hier niet doen, waardoor er heel veel mensen rondlopen die besmet zijn zonder symptomen te vertonen en die dus het best wel zo’n mondmasker zouden dragen. Ik denk dus dat dat een discussie is die de Vlamingen vandaag de dag bezighoudt en waar we duidelijkheid over moeten hebben. Dat is ook mijn vraag aan u.

Ik ben geen expert ter zake, maar als je gaat kijken naar drie landen die hun curve heel goed hebben weten af te vlakken, dan zijn dat – toeval of niet – drie landen waar mensen op grote schaal mondmaskers dragen. Is daar een correlatie tussen of niet, dat laat ik in het midden, maar ik zou het wel graag weten. (Lorin Parys toont een afbeelding)

Uw grondhouding, minister, is er een waar wij absoluut achter kunnen staan. U zegt samen te werken met het federale niveau, niet in een spirit van tegenwerking, maar samenwerking, maar u zegt ook dat wij in Vlaanderen niet bij de pakken gaan blijven zitten en ook voor onze eigen sectoren aanvullend gaan optreden. Op een moment dat er solidariteit wordt gevraagd van andere landsdelen, zullen we die ook leveren, wanneer we dat kunnen. De essentie van het verhaal is dat we voor onze Vlaamse sectoren snel materiaal krijgen voor al onze zorgverleners. Daarin hebt u onze volledige steun.

Mijn voorlaatste punt, minister, gaat over de woonzorgcentra. U hebt geantwoord dat er daar 1917 besmettingen zijn, maar daarvan is maar een klein deel getest. Ik denk dat dat belangrijk is om mee te geven.

Mijn laatste vraag gaat over wat professor Annemans geponeerd heeft. Wanneer we weer perspectief moeten geven over een evolutie naar een normale vorm van samenleven, met welk afwegingskader en op basis van welke criteria gaan we dan beslissen welke maatregelen we opheffen en welke we moeten verlengen? Dat is een vraag die naar de toekomst toe heel belangrijk is en waar we graag een antwoord op zouden krijgen.

De heer D’Haese heeft het woord.

Ja, we spreken hier over ouderen, zoals gezegd de meest kwetsbare groep in heel deze crisis. Als we die ouderen willen beschermen, dan moeten we ook het zorgpersoneel beschermen. Dat is niet alleen om hun gezondheid te beschermen, maar ook om ervoor te zorgen dat die niet onder al te hoge stress staan en zij de ouderen op een goede manier kunnen verzorgen.

Wat ik vandaag mis, is een inleving in de situatie. Ik heb de indruk dat u die schreeuw om hulp van het zorgpersoneel niet hoort. Over het beschermend materiaal zegt u: we zijn aan het bestellen en het wordt geleverd, maar er zijn enorme tekorten op het terrein. Dat zegt onder andere de heer Cappelier vandaag ook nog. Het gaat trouwens ook over spatbrillen en schorten. Dat zijn geen hoogtechnologische zaken. Die kunnen redelijk simpel worden geproduceerd. Een spatbril is een plexiglazen scherm voor een gezicht, een schort is iets dat je over iets aantrekt. Het zijn zaken die gemakkelijk zouden moeten kunnen worden geproduceerd, maar ik heb de indruk dat het ontbreekt aan een sense of urgency.

Minister, u zegt dat de testcapaciteit wordt opgedreven en dat federaal minister De Backer daarmee bezig is. Het is een week geleden dat men heeft beloofd om naar 10.000 tests te gaan, we zitten nu aan 3500 à 4000. Ondertussen kregen we vandaag het nieuws dat er een steekproef is gebeurd onder zorgkundigen uit 200 verschillende zorginstellingen, waaruit blijkt dat 1 op de 4 besmet is met het coronavirus. 1 op de 4 test positief, 1 op de 4 van de mensen die voor onze ouderen zorgen. We hebben dat onwaarschijnlijk urgent nodig en ik snap niet dat dat niet sneller kan gebeuren in een ontwikkelde regio als Vlaanderen.

In verband met opleiding zegt u dat u video's maakt. Ik heb gezegd dat dat een zeer goed initiatief is, maar opnieuw zegt de heer Cappelier vandaag dat volgens de helft van de respondenten in de bevraging de voorzorgen in hun woonzorgcentrum niet goed worden gevolgd. Er is een hiaat, en ik heb de indruk dat we een sense of urgency missen. Die video's zijn een goed idee, maar stuur de mensen ter plekke. We hebben 3330 mensen in de zorgreserve. Daar zitten verpleegkundigen tussen, daar zitten chirurgen en huisartsen tussen. Zorg dat die mensen op de vloer kunnen gaan. Je moet die mensen niet samenbrengen in klassen, je moet naar de woonzorgcentra gaan en zorgen dat die mensen ter plekke een opleiding krijgen over hoe dat allemaal marcheert.

Verdorie, onze ouderen zijn superkwetsbaar. 95 procent van de slachtoffers valt bij de plus 65-jarigen. Ik mis de sense of urgency om dat nu aan te pakken en die mensen te beschermen.

De heer De Reuse heeft het woord.

Ik ben inderdaad niet de enige met de vraag naar duidelijke communicatie en persoonlijke beschermingsmiddelen voor al onze zorgverstrekkers. Inderdaad, de laatste ‘test, test, test’ kan niet genoeg worden benadrukt. Eergisteren stond het in de krant: statistisch gezien zijn we derde in het aantal overlijdens en we zitten onder de mediaan van het aantal testen die we in ons land uitvoeren. Volgens mij is daar onmiskenbaar een correlatie tussen. Het mag zeker niet onder de mat worden geveegd. Minister, ik vraag u om verder druk te zetten in de Nationale Veiligheidsraad om het aantal testen op te drijven.

Ik had dan nog enkele vragen waarop er geen antwoord is gekomen. Minister Crevits, zullen de thuisverpleegsters aanspraak kunnen maken, indien ze zwaar inkomensverlies lijden, op de maatregelen die u deze morgen hebt voorgesteld? Die maatregelen zijn specifiek gericht op niet-essentiële zorg, terwijl thuisverpleegsters wel essentiële zorg toedienen.

Minister Beke, op mijn vraag over de zorghotels hebt u nog niet geantwoord. Hoe zal de Vlaamse Regering de verloren tijd inhalen en zult u in gesprek gaan met de eerstelijnszones om dat zo snel mogelijk te coördineren en op poten te zetten?

Iets wat heel belangrijk is en wat in het heetst van de strijd niet uit het oog mag worden verloren, is natuurlijk dat we ons moeten voorbereiden op het postcoronatijdperk. Ik roep uw kabinet op om daar zeker al oog voor te hebben. Er zullen heel wat gevolgen zijn voor onze woonzorgcentra. Het zal niet enkel de strategische voorraad zijn die op peil moet worden gehouden, maar ook de woonzorgcentra zullen daar de gevolgen van dragen, zeker inzake de bezetting en de financiering die daaruit volgt. Hierover zullen we zeker nog in de commissie kunnen spreken.

Dan heb ik nog een punctuele vraag. De dagverzorgingscentra voor mensen met een beperking zijn gesloten. Het gevolg is dat heel wat van die mensen 7 op 7 en 24 op 24 zijn aangewezen op volledige mantelzorg. Minister, wat denkt u ervan om die erkende mantelzorgers in dit geval betaald thuis te zetten?

Mevrouw Groothedde heeft het woord.

Minister, we zijn daar vorige week inderdaad op ingegaan, maar u hebt toen gezegd dat het het moment niet is. Als dit het moment niet is, wanneer is het moment dan wel? De noden worden groter, de sector die heel veel investeringen nodig heeft, voelt het heel erg, en die voelt intussen ook wrevel.

U zegt dat u punctueel de noden wel gaat lenigen. Ja, punctueel de noden lenigen is goed, maar zelfs in crisistijd is het verstandiger om dat gestructureerd te doen. Daar nodig ik u toe uit.

Vandaar de concrete vragen en het aanbod. Dit is een heel concreet voorstel: een noodfonds om de dringendste sociale noden in de sector te ondervangen, en een interparlementaire taskforce rond armoede voor de allerkwetsbaarste mensen. Op dit moment – en de minister-president haalde het ook aan – moeten we hen absoluut door deze crisis dragen, ook de Vlaamse overheid.

Minister Crevits, ik dank u voor uw antwoord. Inderdaad, mijn complimenten, want we merken dat onze sterk innoverende sector op dit moment vruchten afwerpt. We merken ook dat sterke academische instellingen in Vlaanderen heel belangrijk zijn en dat we die echt in ere moeten houden. We zullen hen nog heel erg nodig hebben in het postcoronatijdperk.

Een kanttekening: ik hoop dat de vaccinaties betaalbaar zullen zijn. Het zal niet alleen uw beslissing zijn, maar ze moeten betaalbaar zijn voor iedereen.

Wat het personeel betreft, hoop ik dat we een duidelijker antwoord krijgen in de commissie of misschien hier. Minister Beke, er moeten geen concrete cijfers zijn, maar we moeten toch een zekere algemene geruststelling krijgen, ook de sector. Het gaat niet alleen over woonzorgcentra, maar ook de jeugdhulp heeft grote noden, de mensen in de geestelijke gezondheidszorg enzovoort.

Ik ben blij dat u op menselijkheid ingaat, maar de vraag was concreter. Er zijn echt overwegingen te maken over contact opnemen met mensen thuis. Op dit moment zijn er kleinkinderen die laptops gaan kopen. Wat met kleinkinderen of grootouders die die laptops niet kunnen betalen? Wat met smartphones? Het wordt voorzien in het onderwijs. In zorg en welzijn is er een grote geïsoleerde sector die ook in contact moet kunnen treden met thuis, niet alleen met school, maar met de mensen die hun het allerdierbaarst zijn.

Ik ben er zelf niet op ingegaan, maar de vraag van een collega over psychische nood is een terechte vraag. Ik heb vernomen dat u daar deze week wel aandacht voor hebt gehad. Dat is goed, en ik hoop dat er ook middelen voor zijn. Ik hoop dat we er volgende week in de commissie verder op kunnen ingaan.

Graag iets structureler dus en ik zou ook graag een antwoord krijgen over het noodfonds en de taskforce.

Collega's, het staat u vrij om zeer punctuele en zeer technische vragen te stellen. Ik laat minister Beke natuurlijk antwoorden, maar ik kan het hem niet kwalijk nemen dat hij niet uit de vuist kan antwoorden op zeer technische en zeer gedetailleerde vragen, maar ik onderschat hem niet.

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Voorzitter, het is goed dat u mij niet onderschat. Er zijn er al meer verkeerd mee gevaren.

Collega's, ik onderschat de situatie absoluut niet. De ‘sense of urgency’ is voor mij al langer duidelijk, al veel langer. Ik ben van nature niet iemand die snel in paniek schiet, maar wel handelt. Ik kijk wat er moet gebeuren. Ik ben van nature niet iemand die 's morgens, 's middags en 's avonds in de media komt om te zeggen wat ik denk dat er allemaal zou moeten gebeuren. Ik zit wel constant met de mensen op het terrein samen om na te gaan wat er moet gebeuren, wat we moeten doen, hoe we kunnen handelen en hoe we het op het terrein kunnen waarmaken. Daar ben ik mee bezig, 's morgens, 's middags en 's avonds. Ik heb steun nodig en ik heb ook steun van de hele Vlaamse Regering.

Een sociaal noodfonds klinkt goed. Het zou geweldig zijn als ik hier zou zeggen dat we 100 miljoen euro voor een sociaal noodfonds hebben, alleen al voor welzijn. Collega's, ik laat me niet opsluiten. Wat ik vandaag en de voorbije weken al extra heb gevraagd voor de kinderopvang en vandaag opnieuw – 8 miljoen euro –, voor de mondmaskers, voor de schakelzorgcentra, voor de online-chat, is een veelvoud. Ik heb vandaag in de regering gezegd dat ik geen deel van dat noodfonds wil uitmaken, niet omdat de andere collega's vonden dat het niet kon, maar omdat ik vandaag geen berekening kan maken van de noden die er zullen zijn. Het klinkt dus allemaal goed en het zijn mooie slogans, maar ik wil op het terrein zien wat er kan gebeuren. En daarvoor heb ik de steun van iedereen. We zullen het de komende weken en maanden op die manier aanpakken.

Laat ons dus proberen elkaar geen vliegen af te vangen, want dat heeft absoluut geen zin. Zijn er laptops nodig in de ouderenzorg? Ja, misschien wel, en ik ben daarvoor in overleg met collega Somers. Misschien zullen we wel tot een voorstel komen, maar ik wil eerst en vooral zorgen dat er mondmaskers zijn. Ook met het andere zijn we bezig, in overleg met de verschillende collega's. We doen dat dus, op de verschillende terreinen, voor de fysieke gezondheid en voor de mentale gezondheid.

En, collega's, we hebben in Vlaanderen het voortouw genomen. We waren de eerste om een medische reserve aan te maken. De andere regio’s zijn er weken nadien achter gekomen dat ze dat misschien ook nodig hadden. We hebben hen alle informatie gegeven die ze nodig hadden. We waren de eerste om informatiecampagnes te voeren. De andere regio’s hebben gevraagd: mogen we uw pictogrammen, uw affiches en uw filmpjes gebruiken? Ja, waarom niet? Gratis, alsjeblieft! We waren de eerste om dat te doen. En als we andere regio’s daarmee kunnen helpen, dan doen we dat. We waren de eerste regio om een schakelzorgcentrum uit te bouwen. We zijn weken geleden begonnen met dat initiatief. Het is dus niet: ‘u loopt achterna’. We liepen voorop. We zijn, in overleg met die eerste lijn, gaan spreken over hoe we dat het beste uitbouwen. We hebben vrijdag dat draaiboek goedgekeurd. We hebben vandaag de financiering goedgekeurd. En we hebben niet gewacht om daar waar nodig intussen die initiatieven te nemen. Ik heb ons draaiboek overgemaakt aan Wallonië en gezegd: ‘als u dit ook wilt doen, hier is het’. Als we kunnen helpen met de expertise, wel, dan zullen we dat doen. Wij hebben als regio het voortouw genomen om te bekijken hoe we dat kunnen doen.

Hetzelfde geldt voor de woonzorgcentra. Ik ben in overleg met mijn collega’s uit Wallonië en Brussel. Ik heb bijna dagelijks contact, onder andere met de minister-president van Wallonië, om te bekijken hoe we een en ander het best kunnen aanpakken. Dat is niet de ene tegen de andere. Maar de indruk geven dat wij in Vlaanderen zitten te wachten en kijken naar de toestand en die niet in handen nemen, collega’s: niets is minder waar. Niets is minder waar. Ik wil dat idee, en dat cliché dat hier door sommigen naar voren werd gebracht, toch wel even doorbreken.

Hetzelfde geldt voor het mentale welzijn. Ik maak me daar inderdaad zorgen over. Ik heb een aantal mensen informeel samengebracht, de heer Annemans heeft er gisteren naar verwezen, dus ik kan het hier nu ook wel zeggen. Ik heb dus professor Annemans, professor Adriaenssens, professor Van Goethem, professor Van Hoof, professor De Wachter, Erik de Soir, psychiaters, traumapsychologen en anderen samengebracht. We gaan nog verder samenzitten. Ik ga naar de Vlaamse Regering komen met een voorstel om dit nu aan te pakken, in deze crisistijd, urgent. De eerste resultaten daarvan hebt u al gezien. Dat was het versterken van die online chat, voor een half miljoen. U vraagt hier: ‘Wanneer zult u de besparing van een paar duizend euro terugdraaien?’, terwijl we er al een half miljoen euro naast gezet hebben. Dat is de realiteit. Wel, we doen dat en we zullen dat ook stelselmatig verder uitbouwen. En we zullen dat doen op een goede en onderbouwde manier. Want ik ben er ook van overtuigd dat we moeten inzetten op dat mentale welzijn van vele mensen die het vandaag niet gemakkelijk hebben, die ongewild thuis zitten. En dat is voor vele gezinnen plezant voor een week. Na twee weken kijken ze uit naar hun job. Na drie weken denken ze aan niets anders meer dan: wanneer kan ik weer gaan werken? Bij een aantal gezinnen hakt dat erin. Dat zullen we dus moeten aanpakken, laagdrempelig of, daar waar gespecialiseerde hulp nodig is, met gespecialiseerde hulp. Ik zal daarvoor dus met een voorstel naar de Vlaamse Regering komen, over wanneer we dat kunnen doen. Maar ik wil eerst mijn oor te luisteren leggen bij de specialisten, om te bekijken wat we het best kunnen doen en wanneer, vandaag, morgen en overmorgen. Daarmee zijn wij elke dag mee bezig, collega’s. Dat zal, denk ik, nog wel een tijdje duren.

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Ik zou toch nog even de woorden van collega Beke willen onderstrepen. Als één collega vandaag de dag van ’s morgens tot ’s avonds, eigenlijk dag en nacht, bezig is met het aanpakken van die crisis, zo goed en zo kwaad als we allemaal samen kunnen, dan is het wel onze minister van Welzijn. Dan zie je collega’s zeggen: ‘Ik mis hier een sense of urgency.’ Het is niet omdat je rust en daadkracht uitstraalt, dat er geen sense of urgency  zou zijn. Iemand die dagdagelijks, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds zeer laat bezig is met het onder controle krijgen van die crisis, ik neem het niet dat hier daarover gezegd wordt: ‘Ik mis een sense of urgency.’ Dan moet u maar eens op het terrein komen kijken wat daar gebeurt, dag en nacht. (Applaus bij de meerderheid)

Collega's, dan gaan we nu over naar het thema Financiën en Begroting.

De heer Vandaele heeft het woord.

Dank u, voorzitter. Collega’s, toen deze regering vorig najaar aantrad, kondigde ze aan dat ze een daadkrachtige regering zou zijn, een regering ook die moeilijke beslissingen niet uit de weg zou gaan. Niemand kon toen natuurlijk vermoeden dat de lakmoesproef zo snel zou komen, en uit die onverwachte hoek: een virus dat ook Vlaanderen hard treft en waar onze regering een antwoord op moet bieden. Dat antwoord is er gekomen, collega’s. Elke dag opnieuw reikt de regering ook nieuwe elementen aan, die het antwoord sterker maken, ook deze ochtend nog.

Corona treft Vlaanderen, de meeste besmettingen vallen in onze deelstaat. De grootste economische schade wordt ook in Vlaanderen aangericht. We zijn nu eenmaal goed voor 84 procent van de Belgische export.

Onze regering maakt de belofte van een daadkrachtig optreden waar. Daar zijn we blij om. Meteen nadat de Nationale Veiligheidsraad de sluiting van cafés en restaurants verplichtte, koppelde Vlaanderen daar een hinderpremie aan vast. Iedereen besefte onmiddellijk welke zware aderlating dat zou zijn voor ons budget. Iedereen besefte ook dat dit niet het einde zou zijn, dat er nog extra uitgaven zouden volgen. Snelle ondersteuningsmaatregelen zijn nodig om een onherstelbare beschadiging van ons economisch weefsel te verhinderen. Ook al zijn die maatregelen nooit 100 procent sluitend, we moeten er wel naar blijven streven dat ze zo rechtvaardig en billijk mogelijk zijn. Werken moet beloond worden. Daarom herhalen we de oproep aan de Federale Regering om overuren, bonussen en allerhande voordelen voor de duur van de crisis gedeeltelijk vrij te stellen van sociale en fiscale lasten, waardoor de werkende mensen netto meer overhouden.

Collega’s, de coronacrisis is verantwoordelijk voor een van de grootste naoorlogse schokken in de economie. De cijfers zijn beangstigend. Meer dan 1 miljoen werknemers zijn tijdelijk werkloos. Volgens het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) is er wekelijks een economische schade van 2,4 miljard euro. Als de crisis zes weken aanhoudt, verliest de horeca 1 miljard euro, de evenementensector 400 miljoen euro, de bouwsector 1,1 miljard euro, de voedingssector 400 miljoen euro, en ga zo maar door.

Hoewel we vandaag nog met man en macht insijpelend water scheppen om onze roeiboot drijvende te houden, moeten we nu al nadenken hoe we op die boot straks een krachtige motor kunnen monteren om de toekomst tegemoet te treden. We moeten het postcoronatijdperk voorbereiden, ook al houden andere en meer acute zorgen ons vandaag bezig. In die zin is het positief dat de regering een sociaal-economische taskforce heeft opgericht.

De overwegingen die ik hier formuleerde brengen mij er toe om aan de minister van Financiën een paar vragen te stellen. We zien elkaar niet, maar dat is niet erg. Minister, we voelen elkaar perfect aan. We hoeven elkaar niet te zien.

We wezen er hier twee weken geleden op dat de Vlaamse Regering ondersteuningsmaatregelen kan nemen zonder de begroting in de afgrond te duwen. Dat was op dat moment een geruststelling. Maar nu het ernaar uitziet dat deze crisis nog een tijd zal duren, wil ik u toch de vraag stellen of die financiële gevolgen voor onze regio op de lange termijn inderdaad draaglijk zijn. Hebt u daar al zicht op? Hebt u daar prognoses over? Is er al enig zicht op het effect van de maatregelen en de economische parameters op de begroting in het algemeen?

Voorzitter, dat onze samenleving er na corona hoe dan ook anders zal uitzien, is nu al een feit. Telewerk krijgt een boost. We gebruiken nu met z’n allen systemen voor vergadering op afstand waar we enkele weken geleden nog huiverachtig tegenover stonden. Ik spreek uiteraard voor mezelf. Dat zullen zeker bouwstenen worden van een transitie die wij zullen doormaken na deze crisis. Ik sluit mij aan bij wat collega Bothuyne in het begin van de namiddag zei: zoals alle andere thema’s waarmee wij hier doorgaans in dit parlement bezig zijn, is ook het milieuthema ook vandaag niet ons eerste aandachtspunt, terecht. Maar hopelijk kan in de transitie die op ons afkomt en die vele middelen zal vragen, ook meteen de milieu- en klimaatproblematiek worden meegenomen. De investeringen in innovatie kunnen op die manier hopelijk een win zijn voor onze economie, en een win voor het milieu.

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Collega Vandaele, dank u wel voor de vragen. Het zijn inderdaad uitdagende tijden om minister van Financiën en Begroting te zijn. Het is niet voor niets dat ze mij hier in het hoekje van de regeringsbanken hebben gezet.

Laat eerst en vooral één ding duidelijk zijn: niemand in de ploeg twijfelt er natuurlijk aan dat we in de eerste plaats de gezondheidsuitdaging moeten aangaan. Ik onderschrijf helemaal de woorden van minister Beke van daarnet: dat is het eerste wat we moeten doen. We wisten ook dat dit heel veel geld ging kosten. Toen enkele weken geleden alles begon los te barsten, hadden we al door dat dit een heel groot effect ging hebben op de economische toekomst. Maar we weten nog niet precies hoe dat er zal uitzien. Het is nog te vroeg om daar de rekening van te maken. We weten ook dat de geschiedenis in de toekomst wordt geschreven.

Het enige wat we weten, is dat we dit moeten terugbetalen. We zullen ervoor moeten zorgen dat we hier in de toekomst mee omgaan en kijken hoe we dit kunnen ‘opsoppen’.

Ik begrijp zeer goed de vraag om daar een grote berekening van te maken, maar het is op dit moment nog te vroeg om al die zaken in te schatten. Heel wat zaken zijn op dit moment heel moeilijk te vatten, zeker wat onze minderinkomsten betreft. De economische prognoses die nu worden gemaakt, gaan uit van 0 procent tot min 8 procent groei, sommige liggen daar zelfs nog een pak onder. Het is bijna onmogelijk een vork te maken en daar een bedrag op te kleven. Op dit moment lukt dat nog niet. We weten natuurlijk wel wat we uitgeven, maar ik denk dat het nog iets te vroeg is om daar een totaal zicht op te hebben. Ik denk wel dat ik een dezer met een soort tussenstand naar de Vlaamse Regering zal moeten gaan en toelichting zal moeten geven.

We hebben inderdaad een gezonde basisbegroting. Onze onderliggende structuur is gezond. Een paar weken geleden, tijdens de eerste persconferentie die we over de coronamaatregelen hebben gegeven, heb ik gezegd dat onze begroting tegen een stootje kan, en dat is ook zo. We kunnen dat uiteindelijk een beetje vergelijken met twee huishoudens. Het ene huishouden heeft een lening voor de woning, wat de meeste huishoudens hebben, maar heeft daarnaast ook een consumentenkrediet voor een televisie, een koelkast en een wasmachine. Dat huishouden heeft veel leningen bovenop elkaar. Ik denk dat het andere huishouden het Vlaams huishouden is, we kunnen dat daarmee vergelijken. We hebben een hypothecair krediet op onze woning, maar we hebben onze televisie, koelkast en wasmachine direct kunnen betalen. Als er dan een crisis komt, bijvoorbeeld als de wasmachine kapot is, is het gemakkelijker om krediet aan te gaan voor wie geen andere lopende leningen heeft. Dat eerste huishouden heeft daar wel problemen mee, maar wij zitten in de tweede situatie. Niemand heeft gezegd dat we met deze maatregelen niet in het rood gaan. We gaan wel degelijk in het rood. Dat is ontegensprekelijk zo. We zullen nog met een cijfer komen om te zeggen over hoeveel het gaat, maar we staan er beter voor. Onze schuldpositie is een beter vertrekpunt dan voor andere landen in Europa. In die zin denk ik dat we wel degelijk tegen een stootje kunnen.

Mijn volgend punt is macro-economisch. We moeten goed afwegen vanaf welk moment we een kantelpunt hebben. De huidige uitgaven, voornamelijk de hinderpremie van minister Crevits, zijn een maatregel waarmee we van in het begin vertrouwen hebben willen wekken. We hebben vooral de kmo’s heel duidelijk een boodschap gegeven. Het kmo-weefsel in Vlaanderen mag op ons rekenen en kan ons vertrouwen. Wij zullen dat ondersteunen. We hebben dat gedaan, deels om aan die wensen tegemoet te komen, maar natuurlijk ook om het economisch weefsel in zijn totaliteit overeind te houden. We komen tegemoet aan de gezonde elementen, de overgrote meerderheid van onze Vlaamse economie, en we zorgen ervoor dat we dit overeind houden.

In een macro-economisch beeld moeten we altijd kijken naar het punt vanaf wanneer de kost van onze ondersteuning meer wordt dan als we iets minder zouden uitgeven. Dat moeten we in de toekomst bekijken. Dat is iets macro-economisch waarvoor we ons laten bijstaan door een paar economen die hiervan beter op de hoogte zijn.

Mijn volgend punt is vooral voor begrotingstechnici. We zullen hier in de commissie zeker nog verder op ingaan. We proberen een beetje een afzonderlijke begroting te maken. Naast die coronabegroting proberen we eigenlijk een structurele begroting overeind te houden. Daarnaast is er een soort besmette coronabegroting. Het is, voor alle duidelijkheid, onmogelijk die twee totaal te scheiden. Dat gaat niet, want ze hebben sowieso een impact op elkaar, zeker wat de economische groei betreft. Als er minder economisch groei is, zullen de inkomsten dalen en dan wordt de structurele begroting ook geraakt. We proberen die twee min of meer uit elkaar te houden. Daar wordt op dit eigenste moment werk van gemaakt.

Wat de waarborgen betreft, kunnen we redelijk ver gaan. Dat is meer iets voor de technici, maar we horen in andere landen vaak gigantische bedragen vermelden. Het gaat dikwijls over waarborgen en we moeten natuurlijk weten dat we die waarborgen in onze schuld moeten opnemen, waardoor onze schuldpositie verslechtert, maar als die waarborgen binnen drie tot zes jaar niet worden ingeroepen, is dat geld niet verloren. Het wordt terugbetaald en het is geen probleem. We moeten dat tijdelijk in onze schuldpositie opnemen en we moeten bepaalde kosten in de begroting opnemen, maar dat we nu een waarborg van 3 miljard euro geven, betekent niet dat we ook effectief 3 miljard euro op tafel moeten leggen. Dat is niet het geval.

Daarnet werd trouwens een opmerking gemaakt – ik denk vanuit het Vlaams Belang – over het op tijd betalen van de facturen. Als Vlaamse overheid doen wij daarin sowieso al zeer goed ons best. Het gaat dan natuurlijk over niet-betwiste facturen. Wij behoren daarin al tot de betere leerlingen van de klas. Er zijn nog een paar andere voorbeelden te geven die daar wel wat beter kunnen doen. De Vlaamse overheid levert daarin al uitstekend werk.

Er is verwezen naar Mobiliteit. Maar ook in mijn eigen bevoegdheid Wonen doen we ons best om het geld dat daar voorzien is, ook buiten te krijgen. Zo is er bijvoorbeeld in totaal 850 miljoen euro voorzien voor die sociale woningen. We moeten ervoor zorgen dat we die dit jaar nog uitgeven. Collega Bothuyne heeft er daarnet al naar verwezen. We zitten daar natuurlijk met een vergunningenproblematiek, aannemers die niet altijd kunnen werken. Maar we proberen in ieder geval om die afspraken te maken om dat geld nog effectief buiten te krijgen. Dat zijn investeringen die we sowieso zouden doen, maar zo komen die centen ook in de economie terecht.

Dat is de tussenstand die ik kan geven.

Kan dat volstaan? Ja?

Dan gaan we over naar het laatste thema, Binnenlands Bestuur.

De heer Vandeput heeft het woord.

Minister, ik spreek u aan als voogdijoverste van de lokale besturen. We hebben vandaag al veel gesproken over de moeilijkheid om tot eenduidige richtlijnen te komen. Ik wil hier niet komen klagen, helemaal niet. Want burgemeesters en lokale besturen in het algemeen hebben die crisis aangepakt zoals iedereen dat heeft gedaan, naar beste  vermogen. Dat is belangrijk. Ze hebben daarbij de nodige dosis flexibiliteit getoond. Ondertussen hebben de gemeenten zich georganiseerd. Het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) heeft trouwens heel goed geageerd, in functie van de communicatie, met betrekking tot de continuïteit van de gemeentelijke werking en dergelijke. Dus daar: niets dan pluimen. Zoals uw andere collega's hier al hebben aangehaald: vanuit de Vlaamse Regering wordt in elk agentschap, elk bevoegdheidsdomein gedaan wat er moet gebeuren.

In heel de keten van het crisisbeheer – het Nationaal Crisiscentrum, de Vlaamse Regering met haar eigen Vlaams Crisiscentrum, dat dagelijks heel goede nieuwsbrieven verspreidt – zit ook het lokale bestuur, dat vaak wordt geconfronteerd met allerhande vragen. U kunt zich wel een beeld vormen van de veelheid en breedheid van de vragen die men krijgt. Vaak missen zij daarvoor echter een aantal stukken van de informatie. Dat wil niet zeggen dat ze bij alles betrokken moeten zijn. Ze zijn ook niet betrokken in de besluitvorming. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor het omzetten van de maatregelen. Dat hoort ook zo. Ik denk dat iedereen dat ondertussen ook wel begrepen heeft.

Ik geef een aantal voorbeelden, waarbij de verticale organisaties binnen hun organisatie heel goed werk leveren, heel goed communiceren, maar waarbij ze vergeten die informatie te delen met diegenen die vaak het meest directe aanspreekpunt zijn van de man in de straat: het lokale niveau. Ik geef het voorbeeld van de bedeling. We hebben het daarnet al veel gehad over de bedeling van de persoonlijke beschermingsmiddelen, met name de mondmaskers. Ik kan hier enkel spreken over de Limburgse situatie, aangezien ik die persoonlijk zeer goed ken. Het federale niveau heeft die besteld en verdeeld via de gouverneur. De gemeente heeft daarin eigenlijk geen rol. Ook Vlaanderen heeft zijn aandeel gehad en heeft verdeeld binnen zijn organisaties, zoals dat gecommuniceerd was. Maar daarnaast zijn er een heel aantal andere mensen, die als laatste noodhulp, als laatste reddingsboei, schrijven naar de gemeente. Ik heb het dan over thuisverpleegkundigen, die hier of daar buiten een koepel vallen, kinesisten, vroedvrouwen aan huis. Zij verwachten kennelijk op een of andere manier dat de gemeente daarin een rol kan spelen. Maar de gemeente weet op dat moment zelfs niet wat de kanalen zijn, hoe men daaraan kan geraken.

Een tweede voorbeeld betreft een heel duidelijke richtlijn van het Nationaal Crisiscentrum, waarin staat dat er niet zal worden gewerkt met attesteringen om de woonst te verlaten. Er moeten dus geen attesten worden afgeleverd, behoudens voor grensoverschrijdend verkeer in een aantal gevallen. In onze gemeentelijke cel werden we dan plots geconfronteerd met de vraag of de burgemeester attesten kon leveren voor de mensen van het onderwijs, op basis van een sjabloon dat wordt aangeleverd via Klasse. En van personeel van woonzorgcentra kregen we de vraag om te attesteren dat ze personeelslid van een woonzorgcentrum zijn, op basis van een sjabloon dat ze via hun keten hebben gekregen. Maar als lokale overheid werden we daarvan niet in kennis gesteld.

Daarom heb ik eigenlijk een heel concrete vraag. Kunt u bekijken op welke manier er in de verticale informatiestromen binnen die organisaties toch een link naar het lokale niveau kan worden gelegd, dat vaak het eerste en laatste aanspreekpunt is voor het individu?

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Petje af voor onze lokale bestuurders, die vandaag bergen werk verzetten. Er is echter altijd ruimte voor verbetering, ook wat de communicatie betreft.

Ik had een heel concrete vraag over de opvang. De lokale besturen hebben daarin de regierol gekregen. Ik vroeg me af of u mij hierover een stand van zaken kunt geven, minister, omdat ik op het terrein toch een aantal verhalen hoor dat het in sommige gemeenten vlotter gaat dan in andere om de nodige leerkrachten te vinden die vrijwillig opvang willen bieden in de scholen. Er zijn ook een aantal zorgwekkende verhalen dat die contactbubbels niet altijd worden gerespecteerd omdat kinderen bijvoorbeeld in de voor- en naschoolse opvang worden samengezet en alleen in hun klasjes van elkaar worden gescheiden. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Ik beaam wat door de twee interveniënten werd gezegd. In deze moeilijke tijden laten onze lokale besturen echt het beste van zichzelf zien. Ze fungeren als een eerstelijnsoverheid, die heel generalistisch moet optreden en met heel veel problemen wordt geconfronteerd. Ze doet dat op een heel goede, inventieve en vaak pragmatische manier. Dat is nogmaals een bewijs van mijn overtuiging dat het sterkste beleidsniveau het lokale beleidsniveau is, en dat dat zeker in zulke crisismomenten een grote rol speelt. Wij proberen samen met de collega’s van het federale niveau ervoor te zorgen dat er zo’n eenduidig mogelijke informatiestroom komt over de veelheid van beslissingen die door tal van organisaties moet worden genomen. We proberen daar eenheid in te krijgen.

Daarin spelen twee niveaus een rol: er is het Nationaal Crisiscentrum (NCCN), dat u heel goed kent, mijnheer Vandeput. Daar is er elke dag een call met de gouverneurs. De gouverneurs zijn in deze crisissituatie binnen het federale kader aangesteld als contactpersoon voor de burgemeesters. Ik ga ervan uit dat de gouverneurs op een heel regelmatige basis informatie delen met de burgemeesters van hun provincie. Sinds kort hebben we er ook voor gezorgd dat er iemand van het Crisiscentrum van de Vlaamse Overheid (CCVO) die dagelijkse calls bijwoont, zodat we uit de eerste hand, ook op het Vlaamse niveau, geïnformeerd zijn.

Dat brengt me dus bij het Vlaamse niveau. Daar heb je ons eigen crisiscentrum, het CCVO, dat probeert om alle informatie die op Vlaams vlak binnen de administraties bestaat te bundelen, en probeert om die zo eenduidig mogelijk door te geven aan de lokale besturen. Het kabinet van de minister-president is daarbij vertegenwoordigd, mijn kabinet is daarbij vertegenwoordigd en dat samen met onze ambtenaren die, in alle eerlijkheid, keihard werken en heel goede resultaten boeken.

Natuurlijk kan het altijd beter. We moeten ook regelmatig opnieuw aan de agentschappen en onderdelen van onze administratie vragen dat ze niet mogen vergeten om de informatie die ze in de huidige hectiek communiceren ook altijd aan het CCVO te bezorgen, zodat het centrum die voor de lokale besturen kan bundelen.

Wij proberen de burgemeesters aan te moedigen om ons hun concrete vragen te bezorgen en dat zijn er nogal wat. Je kunt het zo gek niet bedenken en mijn collega’s-parlementsleden zullen ook wel elke dag met nieuwe vragen worden geconfronteerd. We moedigen hen dus aan om die vragen zowel aan het Agentschap Binnenlands Bestuur als aan het CCVO te mailen. Zo hebben we bijvoorbeeld het verhaal van de attesten gecheckt. Er hoeven helemaal geen attesten te worden uitgeschreven. Ik denk dat we die problemen kunnen wegnemen als we de antwoorden met iedereen delen in de frequently asked questions (FAQ’s), die we elke dag aanvullen. Dat moeten we blijven doen. Ik wil hier dan ook een beroep doen op onze hardwerkende burgemeesters dat ze hun vragen ook echt aan ons doorspelen. Zo kunnen we de vragen die ook andere burgemeesters krijgen beter verspreiden.

Het tweede dat we proberen te doen, is het delen van de ‘best practices’. Collega’s Groothedde en Schiltz vroegen daarnet hoe we de goede ideeën die er lokaal zijn, kunnen oppikken en verspreiden. We hebben daar een website voor geopend. Ik nodig de collega's uit om eens te gaan kijken op www.vlaanderenhelpt.be. Dat is een snel gemaakte website, die wel heel heldere informatie geeft. Je kunt je daar onder andere aanmelden als vrijwilliger. Bijna tienduizend mensen hebben dat gedaan, wat ik toch wel spectaculair vind. Via die website hebben tienduizend mensen zich geregistreerd als vrijwilliger. Dat is nog naast alle vrijwilligers die zich via andere organisaties hebben laten registreren en naast alle vrijwilligers die dat soms via lokale besturen laten doen. Die mensen zijn zo ook gratis verzekerd geraakt.

Je ziet op die website ook heel veel mooie ideeën van wat gemeentebesturen doen. Het zou ons te ver brengen om die nu allemaal te overlopen, maar ik geef er toch een paar die mij bijgebleven zijn. De gemeente Kalmthout bijvoorbeeld geeft aan elke inwoner een cadeaucheque van 10 euro, te spenderen bij de eigen lokale economie. Ik denk ook aan Veurne, dat Skype mogelijk heeft gemaakt op zijn stadskantoor, om te communiceren met mensen in woonzorgcentra als je zelf thuis geen technologie hebt om dat mogelijk te maken. Ik denk ook aan de zorgpassen die bijvoorbeeld door Begijnendijk verspreid worden, waarbij iemand die in de zorgsector werkt, voorrang krijgt bij de apotheek of in een grootwarenhuis, om sneller bediend te worden, zodat die toch wat ontlast wordt. Ik denk aan de gemeente Kortenaken, die elke dag voor de jongeren in de gemeente uitdagende opdrachten geeft. Hoe vul je je dag? Je kunt niet geloven hoeveel creativiteit er bij die lokale besturen aanwezig is. Er is ook het idee van vele gemeenten om alle senioren op te bellen om te vragen hoe het met hen gaat, of het lukt, of ze iets nodig hebben. Het zijn zulke dingen die we zo veel mogelijk moeten delen en proberen op te schalen.

Mevrouw Goeman, we hebben geen concreet zicht op elke gemeente. Dat is ook niet doenbaar op dit moment. We hebben een kader uitgewerkt. De reacties die wij gekregen hebben vanuit de administratie, samen met collega Beke en collega Weyts, waren dat er bijvoorbeeld verrassend veel leerkrachten waren die zich engageerden om in de paasvakantie hun verantwoordelijkheid op te nemen. Er waren, zoals ik ook vorige week gezegd heb, ongelooflijk veel jonge mensen in Vlaanderen die in de paasvakantie mee willen instaan voor die kinderopvang en daarin een verantwoordelijkheid willen nemen. We moeten ons daar ongelooflijk over verheugen dat er in Vlaanderen zoveel engagement aanwezig is.

Is dat overal gelukt? Is dat in elke school gelukt? Zijn er hier en daar bubbels of silo's die doorbroken zijn? Ik vrees dat dat hier en daar misschien wel gebeurd zal zijn. Ik denk dat we onszelf iets wijsmaken als we denken dat dat in de 3900 scholen die we hebben, niet hier en daar gebeurd zal zijn. Maar ik ben er wel van overtuigd dat het overgrote deel van de mensen dat op een heel secure en heel ernstige manier doet. We proberen dat verder te monitoren, maar het is onmogelijk om vanuit de positie die wij hebben, in die bijna 4000 scholen die Vlaanderen rijk is, te gaan kijken of dat in de paasvakantie overal op een perfecte manier gebeurt. We gaan uw bezorgdheid nog eens meenemen. We gaan proberen om die informatie nog eens te versterken.

Ik wil eindigen met nog eens de burgemeesters, de schepenen, onze lokale ambtenaren, enorm te bedanken voor het doorgedreven engagement in deze moeilijke tijden.

De heer Vandeput heeft het woord.

Bedankt voor het antwoord, minister. Ik heb nog één specifieke aanbeveling in het kader van de schakelzorgcentra. Dat is opnieuw een uitdaging die de gemeenten op hun niveau met veel enthousiasme hebben aangepakt. Er is een beetje onduidelijkheid over de financiering, maar vooral ook – en dat is heel belangrijk voor gemeenten met een sterke administratie – over de wijze waarop dat boekhoudkundig zal moeten worden verwerkt. Zeker over dat tweede zou u snel duidelijkheid moeten kunnen verschaffen.

Minister Bart Somers

Ik wil daar kort twee dingen over zeggen. We hebben afgesproken dat de gouverneur per twee of drie eerstelijnszones één schakelzorgcentrum mogelijk zal maken. Hij of zij gaat uiteindelijk bepalen waar dat juist moet komen. Daar zal een verantwoordelijke voor worden aangesteld. Dat kan een gemeente zijn, maar dat kan ook een ziekenhuis of een andere publieke organisatie zijn. Die beheert de facturen en zal ook kunnen factureren.

We hebben een vergoeding ingeschreven voor de coördinator, van 5000 euro per maand. Dat is een kleine tegemoetkoming, we beseffen heel goed dat daar veel meer kosten bij komen kijken maar vanuit het belfortprincipe lijkt het ons billijk dat wanneer we extra zaken vragen van de lokale besturen, daar ook een vergoeding tegenover staat.

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

In het Uitgebreid Bureau is eenparig afgesproken om tot besluit van dit actualiteitsdebat geen moties in te dienen.

Het debat is gesloten.

Samenstelling van de commissies
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.