U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, dit jaar was er een digitale editie van Batibouw, wat enigszins anders was. U was als bevoegd minister ook bereid om een licht te werpen op de investeringen die zullen gebeuren in de woningbouw.

Naar aanleiding van de start van Batibouw zei u dat Vlaanderen in de periode 2021-2024 ongeveer 9,1 miljard euro zal investeren in woningbouw. Het gaat dan vooral over leningen in de sociale woningbouw voor ongeveer 4 miljard euro en sociale leningen aan mensen met een beperkt inkomen voor ongeveer 3,9 miljard euro. Daarbovenop rekent u op 1 miljard euro aan overname van rentelasten voor renovatiekredieten en 200 miljoen euro aan premies inzake woningrenovatie.

Dit zal uiteraard een hefboomeffect hebben. U hebt er zelf naar verwezen: “Elke euro die we in woningbouw investeren, heeft een hoger rendement voor de bouwsector. Onze vrijgemaakte middelen voor bijvoorbeeld de premies of de renteloze lening zullen uiteindelijk veel meer euro’s mobiliseren dan hetgeen wij voorzien.”

Dat is uiteraard een feit, maar het is ook belangrijk om te verwijzen naar de moeilijke periode waaruit we komen en het feit dat de bouwondernemers minder opdrachten verwachten te krijgen. Daarom heb ik een paar vragen, minister.

De bedragen die u opsomt, gaan enerzijds over leningen die verstrekt worden en anderzijds over rechtstreekse uitgaven. Beide instrumenten zijn belangrijk. We hebben die ook afgesproken in het regeerakkoord. Je kunt beide ook als een investering beschouwen, maar toch zijn het twee andere instrumenten. Kunt u toelichting geven over hoe we het investeringsbedrag van 9,1 miljard euro precies moeten interpreteren? Ik heb daarnet een overzicht gegeven van hoe ik dacht dat het in elkaar zat, maar misschien kunt u nog wat meer duiding geven.

Kunt u ook de grootteordes aangeven van de resultaten die u daarmee wenst te realiseren, en dan vooral op het terrein zelf? Wat zullen de mensen voelen? Want daar gaat het natuurlijk om: hoeveel geproduceerde nieuwbouwwoningen, hoeveel gerenoveerde woningen en het hefboomeffect in de bouw. Het lijkt mij heel belangrijk om goed te weten hoe u dat ziet en hoe u dat interpreteert.

Mevrouw Smeyers heeft het woord.

Minister, aansluitend bij de vraag van collega Schauvliege, wil ik van u meer uitleg krijgen over de investeringen die zijn aangekondigd in de bouwsector. Uit verschillende goede bronnen vernemen we dat Vlaanderen tegen 2024 nog eens bijkomend 9,1 miljard euro zal investeren in woningbouw. De bouwsector blijft een van onze belangrijkste economische sectoren. Men zegt altijd: gaat het goed in de bouw, dan gaat het goed met de rest van de economie. Maar het omgekeerde is jammer genoeg ook waar. Als het slecht gaat in de bouw, dan zegt dat iets over de algemene economische situatie van je land.

Uit een studie van Bouwunie bij 375 bouwondernemers blijkt intussen dat 90 procent van de bouwbedrijven zegt dat ze de crisis voelen. 45 procent van de bevraagde bouwondernemers geeft aan minder opdrachten te verwachten voor 2021 dan in 2020.

Die 9,1 miljard euro is een aanzienlijk bedrag, waarbij vanuit verschillende invalshoeken en departementen middelen worden vrijgemaakt. Zo wordt er voor het sociale luik van de woningbouw 7,9 miljard euro voorzien en voor energie en renovatiepremies 1,1 miljard euro. Ten slotte wilt u via 100 miljoen euro aan renteloos renovatiekrediet een hefboomeffect creëren. U wilt het tienvoudige, 1 miljard euro, mobiliseren en laten terugvloeien naar de bouwsector.

We zijn nu in het eerste kwartaal van 2021. Zijn er al gegevens die de verwachting uit de bevraging staven? Klopt dat? Zo ja, in welke grootorde is er een terugval van de opdrachten? Kunt u toelichting geven bij de 9,1 miljard euro investeringen die Vlaanderen tot 2024 plant? Kunt u ons een stand van zaken geven over de eengemaakte energierenovatiepremie, waar u samen met minister Demir aan werkt? En kunt u tot slot toelichting geven bij het verwachte hefboomeffect in verband met het renteloze renovatiekrediet?

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Bedankt voor de vragen, collega’s. Laat het duidelijk zijn: we hebben naar aanleiding van Batibouw inderdaad eens de optelsom gemaakt van wat we al doen. We hebben ook telefoon gekregen met de vraag of dat bijkomend was. Neen, dat is beslist beleid. Dat is wat we vandaag al doen. We moeten daarmee opletten, zomaar even 9 miljard euro. Dat is wat we nu al doen, voor alle duidelijkheid.

Inderdaad, mevrouw Schauvliege, we zijn er ook in onze persmededeling zorgvuldig in geweest. Je hebt leningen en premies en dat zijn allemaal verschillende soorten. Dat hebben we in onze persmededeling zorgvuldig meegegeven.

Ik geef eerst even toelichting over dat cijfer. Het is zeer belangrijk, zeker naar investeringen in de sociale woningen, dat we altijd spreken over de legislatuur, namelijk 4,5 miljard euro. Van 2021 tot 2024 is dat natuurlijk minder, namelijk 3,7 miljard euro. We plannen dus een bedrag van 9,1 miljard euro dat zal worden geïnvesteerd in woningbouw.

Dit bedrag kan als volgt worden opgesplitst, waarbij wordt vertrokken van de budgetten uit het beleidsveld Wonen. Het grootste deel hiervan, 3,7 miljard euro, bestaat uit gesubsidieerde investeringskredieten voor initiatiefnemers van sociale huurwoningen via het FS3-stelsel. Dat stelt initiatiefnemers in staat om nieuwe sociale huurwoningen te realiseren en bestaande te renoveren.

Verder kunnen bij de nieuwbouw en renovatie van sociale huurwoningen de initiatiefnemers ook een beroep doen op infrastructuursubsidies om bijvoorbeeld de nodige wegen, voetpaden en groenvoorzieningen aan te leggen. Deze investeringen worden voor 100 procent gesubsidieerd en daarvoor wordt in de periode 2021-2024 een budget vrijgemaakt van ongeveer 235 miljoen euro.

Ten slotte wordt in die periode nog voor circa 30 miljoen euro aan premies voorzien voor investeringen in sociale huurwoningen waarbij een grondige energetische renovatie gebeurt. Dat zijn de premies uit het Vlaams Klimaatfonds die worden toegekend aan de sociale huisvestingsmaatschappijen en het Vlaams Woningfonds bij het plaatsen van onder andere een condenserende verwarmingsketel, hoogrendementsraamsystemen of dak- of zoldervloerisolatie.

Naast investeringen in sociale huurwoningen, is in de periode 2021-2024 voorzien in een investeringskrediet van 3,9 miljard euro voor particulieren die een bijzondere sociale lening afsluiten voor de verwerving of de renovatie van hun enige woning. Zo’n bijzondere sociale lening zorgt voor een sociale rentevoet om 100 procent van de investeringen te financieren.

Verder ondersteunt de Vlaamse overheid met de renovatiepremie eigenaars die een eigen woning van minstens 30 jaar oud willen renoveren of die een bestaand gebouw willen omvormen tot woning. Hiervoor wordt een budget uitgetrokken van ongeveer 300 miljoen in de periode 2021–2024. Dit bedrag zal slechts een bepaald percentage vertegenwoordigen van de totale renovatiekosten die een stuk hoger zullen liggen en die verder worden gefinancierd door de premieaanvrager. Op die manier wordt een hefboomeffect gecreëerd.

Vanuit het beleidsveld Energie, wordt door minister Demir met allerhande instrumenten ook ingezet op investeringen in de woningbouw. Concreet gaat het dan over het renteloos renovatiekrediet dat nieuwe eigenaars kunnen afsluiten bij de reguliere kredietverstrekkers bij het aangaan van een engagement om binnen de vijf jaar een bepaald energielabel te behalen, REG-premies (rationeel energiegebruik) en een premie voor de plaatsing van zonnepanelen. Rekening houdend met het budget dat werd voorzien vanuit de relanceprovisie zal op die manier door het beleidsdomein Energie nog een bedrag van plusminus 880 miljoen euro worden geïnvesteerd in de woningbouw in de periode 2021–2024.

De volgende vraag gaat over de hefboomeffecten. Zoals ik ook al op 22 oktober 2020 heb aangegeven in mijn antwoord op de vraag om uitleg nr. 311 over bijkomende middelen voor sociale woningbouw als relancemaatregel, is het niet evident om de grootteorde van de investeringen in de sociale huursector te vertalen in aantallen nieuwe of gerenoveerde sociale huurwoningen. Het aantal woningen dat uit dit volume kan resulteren, is afhankelijk van de vraag hoeveel grond er bijkomend aangekocht moet worden, en hoeveel woningen er op al beschikbare grond gerealiseerd kunnen worden. Op basis van gemiddelden van de afgelopen jaren, zouden met het volledige FS3-budget bestemd voor nieuwbouw van ongeveer 2 miljard euro 10.800 nieuwe sociale huurwoningen gerealiseerd kunnen worden.

Het aantal sociale huurwoningen dat met het FS3-budget bestemd voor renovatie en vervangingsbouw, namelijk 1,7 miljard euro, gerenoveerd kan worden, hangt dan weer af van de aard van de renovatie. Hoewel het vervangen van de ramen ook al een aanzienlijke investering is, zal die een stuk lager liggen dan een totaalrenovatie. Daarom is niet mogelijk om hier een redelijke inschatting over te maken. Maar laat het duidelijk zijn dat de investeringen die nodig zijn om de sociale huurwoningen in overeenstemming te brengen met de langetermijnklimaatdoelstelling 2050 aanzienlijk zijn en dit budget zeker noodzakelijk is.

Wat de bijzondere sociale leningen betreft, moet allereerst opgemerkt worden dat er geen lening kan worden toegestaan voor de nieuwbouw van een woning. Het is wel zo dat men voor de aankoop van een sociale koopwoning een bijzondere sociale lening kan krijgen, al zijn die aantallen beperkt op het totaal aantal toegekende leningen, namelijk ongeveer 15 procent van het totaal aantal toegekende leningen in 2020. De meeste bijzondere sociale leningen worden immers opgenomen voor de aankoop van een private woning met eventueel een renovatie. Veel beperkter zijn ten slotte de leningen voor zuivere renovaties.

In 2020 werden er door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) en het Vlaams Woningfonds (VWF) samen 3464 leningen toegekend, voor een gemiddeld bedrag van 173.901 euro. Met het volume dat in de periode 2021-2024 is voorzien, kunnen dus 22.426 bijzondere sociale leningen voor dit gemiddelde bedrag worden toegekend. Dit geeft al een eerste idee welke impact deze budgetten kunnen hebben op de bouwsector.

Wat het hefboomeffect betreft, kan ik het volgende meegeven. Wanneer bijvoorbeeld aan iemand een renovatiepremie of premie voor de plaatsing van een PV-installatie wordt toegekend, gaat die slechts een percentage van de totale kostprijs dekken. Het overige gedeelte van de kostprijs zal moeten worden gefinancierd door de persoon in kwestie die de premie heeft aangevraagd.

De totale impact op onze economie zal wel de volledige kostprijs van die werken zijn. Daar zit dus het hefboomeffect. Door een deel van de kosten te subsidiëren, worden personen gestimuleerd om bepaalde werken uit te voeren waarvan de totale impact op de bouwsector dus groter is dan de subsidie zelf die wordt toegekend. Op die manier wordt dus een hefboom gecreëerd om de bouwsector te stimuleren.

Het zou trouwens een boeiende wetenschappelijke studie zijn om uit te maken in welke mate die premie mensen overtuigt om de renovatie te doen, of die bij een sowieso geplande renovatie echt een extra hulp is. Beleidsmatig is dat een zeer groot onderscheid.

Ik heb geen zicht op de cijfers over de vraag of de bouwondernemers minder bouwopdrachten krijgen in het eerste kwartaal van 2021. Dat is trouwens niet echt een studie, maar een bevraging geweest. Met het algemene aanvoelen in de economie is die uitkomst niet zo onlogisch, alhoewel er ook andere signalen kunnen worden gedetecteerd. We zullen zien wat dat geeft in de komende maanden.

Ik verwijs naar mijn antwoord op uw schriftelijke vraag over de eengemaakte energierenovatiepremie. Intussen is het ontwerp van decreet tot wijziging van het Energiedecreet en de Vlaamse Codex Wonen om een wettelijke basis te bieden voor een eengemaakt loket en een overkoepelende premie, door de regering principieel goedgekeurd op 5 februari 2021.

De projectwerkgroep is operationeel sedert eind oktober van vorig jaar. Momenteel bereidt men de aanpassing van de respectieve uitvoeringsbesluiten binnen de beleidsvelden Energie en Wonen voor. Met het oog op de operationalisering van het unieke loket werd een externe partner aangetrokken om een analyse uit te voeren van de vereiste aanpassingen die nodig zijn aan de bestaande systemen bij Wonen-Vlaanderen en Fluvius om het unieke loket te realiseren. Uit deze analyse moet blijken hoe groot de aanpassingen zijn en welke timing haalbaar is. Het resultaat van de analyse zal in de laatste week van maart worden opgeleverd.

Op basis van deze analyse zal duidelijk worden tegen wanneer de inwerkingtreding haalbaar is. Op basis van de recentste inschattingen wordt rekening gehouden met een opstart op 1 april 2022. Dat is nog voorlopig. De haalbaarheid van deze timing is wel afhankelijk van het reglementaire besluitvormingsproces dat nog moet worden afgelegd en de keuzes die daarbij worden gemaakt met de gevolgen voor de complexiteit van de ontwikkeling van de ICT-systemen.

Momenteel is een gemengde projectgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap (VEKA), Fluvius en het agentschap Wonen-Vlaanderen, aan het werk met het voorbereiden van de verschillende componenten.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Minister, bedankt voor uw toelichting. Ik heb nog een paar opmerkingen. Er zijn al heel veel gegevens, cijfers, onderzoeken en monitoring over wonen in de ruime markt. Een deel van uw antwoord toont ook wel aan dat er nog werk aan de winkel is om daar nog een beter zicht op te hebben en de zaken nog beter in kaart te brengen. Gaat u daar blijvend op inzetten? U zei bijvoorbeeld zelf dat u geen zicht hebt of dit al dan niet mensen over de streep trekt. Dat is één voorbeeld, maar zo zijn er nog.

Een tweede bedenking gaat over de geschatte 10.800 bijkomende woningen van de sociale huisvestingsmaatschappijen. Ik wil daarover mijn bezorgdheid delen met de oefening die we doen rond de watermaatschappijen. Ik ben daar een voorstander van. We moeten ook goed monitoren dat het bezig zijn met het vormen van de watermaatschappijen geen vertraging brengt in het uitvoeren op de markt. De centen zijn er, daar heeft de Vlaamse overheid haar verantwoordelijkheid in genomen, maar we moeten zien dat het realiseren op het terrein niet in het gedrang komt doordat men bezig is met de structuren. Het zal onbewust zijn, maar dat zou wel eens een effect kunnen hebben. Wilt u dat goed blijven monitoren en ook ingrijpen als het nodig is?

Ten derde, wat de premies betreft, blijft het ook belangrijk om dat bekend te maken, en in te zetten op sensibilisering. Het is daarnet ook al aan bod gekomen naar aanleiding van die huurpremies. Daarnaast kan men ook onderzoeken of het mensen over de streep trekt. Is het bedrag oké, zit dat goed of zit dat niet goed? En dan is er ook de ontzorging: het is niet omdat je een premie geeft dat mensen niet nog aankijken tegen een grote rompslomp en alles wat bij een renovatie komt kijken. Ook dat laatste punt lijkt mij heel belangrijk om te blijven meenemen, om die ontzorging een stukje te verlichten.

Mevrouw Smeyers heeft het woord.

Ik kan mij aansluiten bij de reactie van collega Schauvliege dat het erop aankomt dat we al onze goedbedoelde beleidsbeslissingen en het hefboomeffect waarop we rekenen, alleen maar kunnen realiseren als we ook een goede infocampagne voeren daarrond, dat spreekt voor zich. Ik denk dat de minister daar ook wel werk van zal maken.

Het is duidelijk dat Vlaanderen niet stil blijft zitten, en snel uit de crisis wil geraken. Het relanceplan maakt dat duidelijk, maar het is heel goed dat er toch een hele grote hap naar wonen, renoveren en bouwen gaat. De bouwsector is een belangrijke economische motor voor Vlaanderen, dat spreekt voor zich. De Vlaamse Regering ziet dat ook en beseft dat maar al te goed.

Elke euro die je in de bouw investeert, geeft een return: de architect die de plannen maakt, de leveranciers die de bouwmaterialen leveren, de bouwonderneming. Ik moet jullie er niet van overtuigen dat dat een zeer goede beslissing is. Het is goed voor de economie, maar dus ook heel goed voor onze sociale woningen. Het is belangrijk, niet alleen voor de kwantiteit maar ook voor de kwaliteit van ons sociaal patrimonium. Ik kan dat alleen maar goedkeuren. We zullen dat samen met de collega’s monitoren en daar vragen over blijven stellen om te zien of we op schema zitten. Zo kunnen we snel uit die crisis raken.

De heer Veys heeft het woord.

Collega’s, we weten allemaal dat de uitdagingen op het vlak van renovatie gigantisch zijn voor onze regio. Als we die goede doelstellingen waarvoor we hebben gekozen, willen halen, zullen we toch serieuze inspanningen moeten doen. In die zin heb ik nog wat vragen over de eengemaakte energierenovatiepremie. Ik baseer mij daarvoor deels op de studie uit 2019 van onder andere Michael Ryckewaert, over de inschatting van de renovatiekosten om het Vlaams patrimonium aan te passen. Ik ga even kort citeren en dan ga ik over naar de vragen: “Door de omvang van de renovatienoden en de vaststelling dat huurwoningen en huishoudens in het eerste inkomensquintiel een slechtere bouwtechnische kwaliteit, hogere renovatiekosten (voor de woningkwaliteitsgebreken) en een lagere kans op renovatie hebben, lijkt een heroriëntering van de substantiële overheidssteun voor eigenaarschap naar de ondersteuning van renovaties in het algemeen en met bijkomend accent op de huursector, bij te dragen aan een meer evenwichtige ondersteuning van de noden in de verschillende deelmarkten en de eigendoms-neutraliteit.” Dat geeft met andere woorden aan dat er in dat specifieke segment van de huurmarkt nog bijkomende inspanningen nodig zijn.

In het kader van het citaat uit die studie heb ik daarover drie vragen. Zal die heroriëntering merkbaar zijn in de nieuwe renovatiepremie? Hoe wilt u de meest kwetsbare groepen, die toch de grootste renovatienood hebben, bereiken? U hebt al eerder aangegeven dat u geen voorstander bent van die terugbetaling via de metersystemen. Met een tijdshorizon tegen 2050 zouden er toch 90.000 woningen per jaar moeten worden gerenoveerd. Op welk deel hiervan richt die nieuwe renovatiepremie zich?

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Eerst en vooral: die 10.800 woningen waar mevrouw Schauvliege naar verwees, dat gaat natuurlijk wel over het verleden. Ik heb het verleden gebruikt om de toekomst te proberen voorspellen. Ik wil dat duidelijk meegeven.

Mevrouw Schauvliege, ik deel uw bezorgdheid om de vertraging. Daar zal ik niet flauw over doen. Het is absoluut onze bedoeling dat bedrag van 4,5 miljard euro tijdens deze legislatuur buiten te krijgen, maar we weten dat de sociale huisvestingsmaatschappijen (SHM’s) en de sociale verhuurkantoren (SVK’s) ondertussen een zeer zware oefening maken. Het is niet zo evident, maar ik benut elke mogelijkheid die ik krijg om erop te hameren dat we wel degelijk willen voortwerken. Dit vergroot de uitdaging natuurlijk nog.

Ik ben het eens met wat u over de ontzorging hebt gezegd. We moeten echt nagaan wat de premies doen. Zetten we mensen die dat eigenlijk niet zouden doen ertoe aan te renoveren of is dit enkel een bijkomende hulp voor de mensen die sowieso zouden renoveren? Beleidsmatig is dat een zeer groot onderscheid. Als het enkel om bijkomende hulp gaat, kan dat ook een beleidskeuze zijn, maar dat is dan wel weinig sturend. Wat de aantallen en de doelstellingen betreft, zullen we met die centen dan weinig verandering teweegbrengen. We willen beleidsmatig vooral sturen. We moeten nagaan hoe we dat beter doen. 'Spending reviews' en dergelijke zijn ideale manieren om dergelijk onderzoek te voeren, maar ik ben het er zeker mee eens dat de ontzorging van mensen die het eigenlijk niet zien zitten een waardevol initiatief is.

Mijnheer Veys, het zal geen heroriëntering zijn. Het gaat, voor de duidelijkheid, om een eenmaking van de front office. De energiepremies blijven voor iedereen gelden. U hebt het over de meest kwetsbaren gehad, maar het zal voor de anderen wel degelijk ook mogelijk zijn. De energiepremies blijven natuurlijk wel inkomensafhankelijk. Het is een bevoegdheid die ik met minister Demir deel, maar we kunnen hier zeker nog eens verder op ingaan. Met betrekking tot die studie heeft minister Demir echter al veel vragen om uitleg beantwoord.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Minister, ik wil u bedanken. Ik denk dat we dezelfde bezorgdheid delen. We zullen dit verder opvolgen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.