U bent hier

Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Claes heeft het woord.

Ik ga even terug naar 24 november 2020. Toen kondigde de Vlaamse Regering aan dat ze, boven op de eerder voorziene 525 miljoen euro, bijkomend 577 miljoen euro uittrekt voor de zorgsector. Dit zorgt voor een ongeziene inspanning van 1,1 miljard euro per jaar om de loon- en arbeidsvoorwaarden in de zorg- en welzijnssector te versterken.

Op 25 november 2020 communiceerde de minister dat de medewerkers van de sociale economie in het kader van het globale voorakkoord voor de zorg- en de welzijnssector 1,1 procent extra koopkracht krijgen. Hiervoor zijn er jaarlijkse bijkomende investeringen van 8,1 miljoen euro, namelijk de automatische toepassing van de nieuwe loonnorm in 2023, 6,6 miljoen euro die de kwaliteit in de sector moet verhogen en ten slotte een eenmalige investering van 12 miljoen euro, onder meer voor opleidingen of digitalisering.

ABVV Maatwerk kaart aan dat een aantal sectoren uit de social profit de komende vijf jaar 4,5 tot 6 procent meer loon zullen ontvangen, maar dat de werknemers uit de maatwerkbedrijven het slechts met 1,1 procent extra moeten stellen. Om die reden werden er op vrijdag 11 december en maandag 14 december 2020 in de maatwerkbedrijven acties gevoerd voor een hoger minimumloon van 14 euro per uur.

Minister, kunt u meer duiding geven bij de maatregelen die genomen zullen worden voor de sociale economie? Hoe zullen deze middelen concreet worden ingezet? In welke projecten wordt voorzien in het kader van opleiding en digitalisering?

Wat is uw visie op de actie en de vraag van ABVV Maatwerk?

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ook ik heb een vraag over de koopkrachtverhoging en het sociaal akkoord, meer specifiek met betrekking tot de maatwerkmedewerkers. U weet dat wij vanuit de sp.a-fractie het akkoord voor de social profit met een koopkrachtverhoging van 4,5 tot 6 procent in de zorgsectoren hebben toegejuicht. Maar niet alle werknemers onder hetzelfde sociaal akkoord kunnen van dezelfde voorwaarden genieten. Werknemers die actief zijn in de sociale economie kunnen maar rekenen, zoals collega Claes al zei, op een koopkrachtstijging van een keer 1,1 procent. Een vakbond noemde dat het equivalent van 3 cent netto per uur, ofwel twee broden extra op het einde van de maand.

We hebben daarnet al gezegd, minister, – en ik denk dat u dat beaamt –, dat maatwerkbedrijven ook in de coronacrisis cruciaal waren ter ondersteuning van de zorg en andere essentiële sectoren, met onder andere de productie van medisch materiaal, zoals mondmaskers en alcoholgel.

U weet ook dat maatwerkwerknemers momenteel slechts het minimumloon van zo’n 9,87 euro per uur verdienen. Dat is natuurlijk karig om mee rond te komen. Tijdens de coronacrisis waren er ook wel wat bedrijven die in periodes van tijdelijke werkloosheid gingen, waardoor de betrokken maatwerkwerknemers het heel moeilijk hadden om het einde van de maand te halen.

Minister, hoe verklaart u dat de maatwerkwerknemers een lagere koopkrachtstijging hebben in het sociaal akkoord in vergelijking met de andere sectoren?

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, in de week van 14 december 2020 voerden maatwerkers op enkele plaatsen actie. Men wilde hiermee de aandacht vestigen op de recente loonsverhoging van 1,1 procent voor de maatwerkers.

Eind november kondigde u, minister, deze koopkrachtverhoging voor maatwerkers aan.  Die verhoging past in het sociaal akkoord voor de Vlaamse zorg- en welzijnssector, het VIA6 (Vlaams intersectoraal akkoord), dat eind november 2020 werd afgesloten. Voor de sectoren uit de social profit wordt er in de komende vijf jaar tussen 4,5 procent en 6 procent meer koopkracht toegekend. De maatwerksector maakt, net zoals de socioculturele sector, integraal deel uit van de VIA-akkoorden van de Vlaamse social profit. Dus, zo stellen de actievoerders, heeft de maatwerksector recht op dezelfde verhoging als in de zorg- en welzijnssectoren.

Ook in bepaalde maatwerkbedrijven werden tijdens de coronacrisis immers uitzonderlijke prestaties geleverd en speelden maatwerkbedrijven een cruciale aanvullende rol in de ondersteuning van ziekenhuizen, woonzorgcentra, de voedingsindustrie of farmaceutische bedrijven.

De actievoerende vakbond dringt erop aan om minstens in dezelfde loonsverhoging voor maatwerkers te voorzien en om werk te maken van barema’s, zoals voorzien in het nieuwe functieclassificatiesysteem.

Anderzijds vergeten de actievoerders er wel bij te vermelden dat er ook in recurrente en eenmalige middelen wordt voorzien voor de maatwerksector. Jaarlijks wordt in 6,6 miljoen euro extra voorzien voor kwaliteits- en andere maatregelen. Het kan gaan om kwaliteitsversterking, uitbreidingsbeleid of harmonisering van bepaalde collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) in de sector. Want door het samenvoegen van beschutte en sociale werkplaatsen tot maatwerkbedrijven zijn nog niet alle afspraken geharmoniseerd tussen beide types werkplaatsen. Met die extra middelen kunnen verschillen nu worden gelijkgeschakeld.

Verder wordt er dit jaar ook 12 miljoen euro geïnvesteerd om rond kwaliteit te werken. Dat kan gaan over ondersteuning voor opleidingen, digitalisering, innovatie en digitale transformatie. Ik had begrepen dat de onderhandelingen over de concrete uitwerking van alle mogelijke maatregelen nog lopende zijn.

Minister, wat is de stand van zaken rond deze sectorale onderhandelingen?

Wanneer moet er een definitief akkoord zijn? Want nu gaat het om een voorakkoord.

Zijn er plannen om nieuwe barema’s op te stellen? Zo ja, welke timing is hierrond afgesproken?

Wordt het standpunt van de actievoerende vakbond ook gedragen door de andere sociale partners?

Welke inspanningen wilt u dit jaar nog doen om de maatwerkbedrijven na de coronacrisis extra wendbaar en veerkrachtig te maken met het oog op een sterke economische relance?

Ik dank u.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik dank u voor de gestelde vragen. Het is belangrijk dat we de sociale economie binnen VIA6 eens onder de loep nemen. Ten eerste, dat verschillende parlementsleden tegelijk of gecoördineerd vragen stellen over een beleidsitem in de maatwerksector, is goed. Dat toont uw betrokkenheid bij de sector van de sociale economie en ook het grote belang van VIA6 aan. 

In VIA6 werd onderhandeld over een stevig loonakkoord voor de zorg- en welzijnssector. Officieel is VIA het Vlaams intersectoraal akkoord voor de social profit- en non-profitsectoren.

Ook de sociale economie, met name de maatwerkbedrijven, zijn verenigd in paritair comité 327.01. De lokale diensteneconomie (LDE) is deels ondergebracht in paritair comité 329.01 en valt traditioneel onder het VIA-toepassingsgebied. Gelet op jullie vragen, zal ik mij focussen op de maatwerksector, paritair comité 327.01.

Op 24 november 2020 werd er een voorakkoord VIA6 afgesloten tussen werkgevers en werknemers en de Vlaamse Regering. Dit voorakkoord betreft een generiek intersectoraal kaderakkoord VIA6 voor de periode 2021-2025 en bevat enerzijds koopkrachtmaatregelen en anderzijds kwaliteitsmaatregelen. Het is nu aan de sociale partners en de Vlaamse Regering om de afgesproken maatregelen te concretiseren op intersectoraal en vooral op sectoraal niveau tot een definitief VIA6 tegen eind januari 2021.

Voor de maatwerkbedrijven werden de volgende afspraken gemaakt. Wat koopkracht betreft, komt er een versterking van 1,1 procent. Vanaf 1 januari 2021 komt er een verhoging van de koopkracht van de medewerkers van 1,1 procent. Dat is ondertussen al voorbij. Dat betekent een jaarlijkse bijkomende investering van 8,1 miljoen euro. Er zijn ongeveer 22.000 medewerkers in de vroegere sociale en beschutte werkplaatsen. Zij krijgen 1,1 procent boven op hun huidige loon.

Bovendien is ook tot automatische toepassing van de IPA-loonnorm (interprofessioneel akkoord) in 2023. Dat betekent dat de loonsverhoging, zonder dat er inspanningen moeten worden geleverd, automatisch zal worden toegepast voor de werknemers in de maatwerkbedrijven. Dat wordt nu eigenlijk vaak vergeten, maar die bijkomende koopkrachtversterking uit de IPA-loonnorm 2023 wordt automatisch toegekend, zonder dat daarover nog moet worden onderhandeld.

De huidige koopkrachtstijging is in lijn met de afspraken in de eerdere VIA-akkoorden.  VIA5 voorzag ook een koopkrachtstijging met 1,1 procent en 1,1 procent was ook de interprofessionele loonnorm voor 2019-2020. Daar zet het akkoord zich volledig mee in lijn.

Daarnaast zijn er kwaliteitsmaatregelen, sommige recurrent, sommige eenmalig. Er is 6,6 miljoen euro recurrent en 12 miljoen euro eenmalig voor de versterking van de kwaliteit in de sector. Dat komt dus naast de koopkrachtverhoging. Die middelen zijn bedoeld voor het verhogen van de kwaliteit in de maatwerksector. Dat kan gaan om investeringen in bijvoorbeeld uitbreiding – extra groeipaden, waarover we het deze namiddag al hebben gehad, collega Gennez – en extra kwaliteitsbeleid of om de harmonisering van de verschillende cao’s. Door het regelgevend samenvoegen van sociale en beschutte werkplaatsen tot maatwerkbedrijven zijn nog niet alle collectieve arbeidsovereenkomsten geharmoniseerd. Ik geef een voorbeeld. Het kan gaan over de fietsvergoeding of over de tussenkomst in het woon-werkverkeer die niet in elke beschutte of sociale werkplaats dezelfde is. Door die extra kwaliteitsmiddelen kunnen we de verschillen in principe ook systematisch meer gelijkschakelen en wegwerken. Maar dat is ook het voorwerp van sociaal overleg.

Boven op die reguliere 6,6 miljoen euro kwaliteitsmiddelen komt er nog eenmalig 12 miljoen euro bij in 2021. Over die middelen moet nog verder worden onderhandeld tussen werkgevers en werknemers. Die middelen kunnen bijvoorbeeld investeringen in opleiding of digitalisering omvatten. Ze worden bovendien aan de fondsen voor bestaanszekerheid gestort. Het zijn de sociale partners die vrij zullen kunnen bepalen waarvoor die middelen worden ingezet.

Collega’s, persoonlijk ben ik tevreden dat er een stevig akkoord gevonden is voor de zorg- en de welzijnssector na goede tripartite onderhandelingen, maar dat is zeker ook de verdienste van de  secretaris-generaal van ons departement, Dirk Vanderpoorten, die als gevolmachtigd onderhandelaar namens de Vlaamse Regering is opgetreden en die ook bevoegd is voor de sociale economie.

In het VIA6 zitten heel wat goede hefbomen ten voordele van de maatwerkbedrijven en de werknemers. Als ik naar het volledige pakket kijk, koopkracht én kwaliteit, dan is dit toch een aanzienlijk bedrag, en beduidend meer dan wat er in VIA5 werd afgesproken. Dat werd door de meeste sectorale sociale partners ook zo beoordeeld. Alle werkgevers, zowel Groep Maatwerk en HERW!N als ACV hebben het goedgekeurd. De vakorganisatie ABVV heeft een andere mening.

Ik heb deels begrip voor de bezorgdheden, in verhouding tot de andere zorg- en welzijnssectoren, maar ik ga er niet helemaal in mee. Ik vind dat we naar het totale akkoord moeten kijken, koopkracht én kwaliteit als één pakket, en ook vanuit een breder perspectief, naar de structurele inspanningen die we doen, ook los van VIA6, om de maatwerksector te versterken. Ik denk bijvoorbeeld aan het extra groeipad ten belope van 5 miljoen euro recurrent en de 12 miljoen euro extra relancemiddelen ter versterking van de sociale economie in het kader van het akkoord ‘Alle hens aan dek’, waar we het vanmorgen over hebben gehad.

Mijn kabinet heeft vernomen dat de socialistische vakbond na de acties midden december 2020 intussen heeft gevraagd om weer aan de tafel van het sociaal overleg te kunnen plaatsnemen voor de verdere concretisering en finalisering van het sectoraal deelakkoord in Paritair Comité 327.01. Ik vind het een heel goede zaak dat alle partners opnieuw rond de tafel zitten. Ik heb er ook vertrouwen in dat men tot een goede oplossing zal komen.

De maatwerksector is een specifieke sector die sterk geregeld wordt door de maatwerkwetgeving. Die wetgeving verankert de verloning van de doelgroepmedewerkers aan de minimumlonen, een federale materie gebaseerd op federaal sociaal overleg. Structurele ingrepen op de lonen van de doelgroepmedewerkers zijn bijgevolg onlosmakelijk verbonden met de afspraken die hierover op interprofessioneel federaal niveau worden gemaakt.

Daarnaast verwijs ik naar het Vlaams regeerakkoord, waarin duidelijk vermeld staat dat werken moet lonen. We hebben daar ook in opgenomen dat er een jobbonus moet komen. Wat de middelen betreft, staat die jobbonus ingeschreven in de begroting 2021. Ook die zal een positief effect hebben op de koopkrachtversterking van de doelgroepmedewerkers in de maatwerksector.

Collega Vandromme, in 2020 is in het kader van de coronacrisis een hele reeks van ondersteunende maatregelen genomen om de financiële positie en rechtsbescherming van de maatwerkbedrijven te verzekeren. Ik denk onder andere aan de tijdelijke schorsing van de doorstroomtrajecten, de opschorting van de regel van de automatische herverdeling bij onderbenutting van het contingent, de invoering van het gunstig herstelkrediet coronacrisis bij het Sociaal Investeringsfonds (SIFO), de opschorting van de automatische inhoudingen op de maandelijkse betalingsvoorschotten, de beschermingsvergoeding en de aanpassingspremie.

Daarnaast zijn er – en daar hebben we het vanochtend al uitgebreid over gehad – 12 miljoen euro aan relancemiddelen, specifiek voor de sociale economie.

Collega’s, het is nu nog minstens een week onderhandelen om de maatregelen te concretiseren, maar ik vind het pakket voor de sociale economie zeker ook aanvaardbaar binnen VIA6.

Mevrouw Claes heeft het woord.

Minister, ik dank u om alles nog eens op een rijtje te zetten en te verduidelijken hoe de vork in de steel zit. Uit de vragen van de collega’s kan ik afleiden dat het nooit genoeg zal zijn. Sommigen staren zich blind op percentages, sommigen reageren sneller dan ze oordelen en sommigen wegen die percentages of die loonsverhoging van 4,5 tot 6 procent af tegen die 1,1 procent. We moeten hier duidelijk stellen dat het gaat om een vraag naar loonsverhoging van 40 procent. Dat is heel veel. En wie gaat er meer bieden? Laten we dus zeker het hoofd koel houden en ook geen appelen met peren vergelijken. De sociale economie is zwaar gesubsidieerd. En terecht, want zij levert uitstekend werk; zij levert enorme inspanningen om mensen die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt, te ondersteunen, te begeleiden en aan het werk te helpen. In die zin is dat terugverdieneffect voor de samenleving en voor de economie enorm groot.

Ik ben blij dat u zegt dat de kloof tussen werken en niet werken moet worden vergroot.  Aan het werk zijn moet ook zorgen voor een hoger inkomen. Dat is ook de filosofie van die jobbonus waar de Vlaamse Regering aan werkt. Ik vroeg me af hoe die jobbonus hier een belangrijke rol kan spelen, maar u hebt die vraag daarnet al gedeeltelijk beantwoord.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, ik dank u voor het antwoord. Wanneer alle partners rond de tafel komen, dan hoop ik inderdaad dat er in de concretisering, ook naar koopkracht voor de medewerkers, toch nog een extraatje in zit. U sluit dat nu uit. U zegt dat de 6,5 miljoen euro die u extra uittrekt, kan worden ingezet voor uitbreidingsbeleid, koopkrachtmaatregelen, het harmoniseren van de beschutte en de sociale werkplaatsen naar voordelen, en dat dit inderdaad ook ten goede komt van de werknemers. Dat is zeker een belangrijke oefening, maar ik zou toch ook aan collega Claes willen zeggen dat het nooit genoeg zal zijn. Het gaat over mensen die werken aan het minimumloon van 7,89 euro per uur, die gemiddeld tussen 1000 en 1300 euro per maand verdienen en die ook in de coronacrisis continu hebben gewerkt in de dienstverlening aan essentiële diensten in de zorg, de woonzorgcentra, de ziekenhuizen, de bedrijven die medische materiaal produceren. In die zin lijkt het ons zinvol om ook in VIA6 een bijkomende koopkrachtinjectie te doen.

Ik heb perfect begrip voor die 40 procent van de gesyndiceerde medewerkers die die eis hebben gesteld en ik heb begrepen dat u daar ook begrip voor hebt, minister. Ik daag u uit om eens met datzelfde loon een volledige maand rond te komen. Ik denk dan ook dat die vraag perfect legitiem is.

Ik kan uiteraard niet in de plaats treden van het overleg dat nog zal worden gevoerd, maar ik heb begrepen dat de structurele loonsverhoging voor het zorgpersoneel ook niet, zoals eerder aangekondigd, vanaf 1 januari in werking treedt, omdat men niet rond is met de functieclassificatie voor de IFIC-middelen (Instituut voor Functieclassificatie), maar dat de Vlaamse Regering wel wil dat de mensen vanaf 1 januari een koopkrachtinjectie krijgen in de vorm van een premie of een cheque. In die zin zou het misschien niet onzinnig zijn om de mensen in de sociale economie die injectie zo snel mogelijk te geven en dit mee in het akkoord op te nemen.

Ik denk dat er nog ruimte is voor onderhandeling en voor extra investeringen in koopkracht en ik hoop dat de interprofessionele federale onderhandelingen sterk genoeg zijn om ook voor deze mensen nog een extra koopkrachtverhoging te realiseren. Het is overigens een goede zaak dat dit automatisch wordt omgezet. Dat is bijvoorbeeld voor de dienstencheques, een ander dossier van mensen met een laag inkomen, niet het geval en dan begint op Vlaams niveau de discussie van vooraf aan. Dat is alvast beter geregeld met betrekking tot het maatwerk.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik zie dat u heel wat inspanningen levert voor de maatwerkbedrijven, zowel in het kader van VIA6 als in het kader van de relancemaatregelen, waarvoor hartelijk dank. Ik vraag me af of er ook bijkomende inspanningen kunnen worden geleverd voor de LDE-ondernemingen, zodat ook zij veerkrachtig en wendbaar kunnen zijn.

Ik wens u verder veel succes in de onderhandelingen in deze toch niet zo evidente tijden.

De heer D’Haese heeft het woord.

‘Het zal nooit genoeg zijn.’ Ik vind dat een heel straffe uitspraak wanneer we het hebben over mensen die inderdaad werken aan een minimumloon. U moet zich eens inbeelden in een situatie waarin u werkt voor 10 euro per uur. Daarvoor mag u dan de lakens wassen van besmette patiënten uit de woonzorgcentra, vaccins inpakken enzovoort. En dan – en dat zal wellicht allemaal populisme worden genoemd – komen hier parlementsleden, die 6000 euro per maand verdienen – dat is het zesvoudige –, hier vanuit hun Zoommeeting thuis zeggen dat het nooit genoeg zal zijn voor die mensen. Ik vind dat echt ongelofelijk.

Minister, ik vind dat uw antwoorden ook eerder teleurstellend zijn. U zegt dat u fietsvergoedingen zult harmoniseren. Dat is natuurlijk goed, maar u moet een klein beetje serieus blijven. Dat is iets anders dan een deftige verloning. De IPA-loonnorm wordt automatisch omgezet, wat ook heel goed is, maar de afgelopen tien jaar heeft de IPA-loonnorm welgeteld 0 procent loonsverhoging opgeleverd, als je de indexsprongen van de vorige Federale Regering meerekent. Dat zijn geen oplossingen. Die mensen verdienen 10 euro per uur, werken hard en dragen heel veel bij en moeten daar ook absoluut voor verloond worden. Wat mij betreft, zal het inderdaad niet genoeg zijn. Een deftig loon is 14 euro per uur. Minister, ik hoop dat u toch zult proberen ervoor te zorgen dat er nog meer mogelijk is.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik heb de woorden ‘het zal nooit genoeg zijn’ niet uitgesproken. Ik voel mij daar niet door aangesproken. Ik heb het toch een beetje lastig met het zomaar opzijschuiven van wat er op het federale niveau moet gebeuren. De minimumlonen zijn een federale bevoegdheid. Het is, als ik me niet vergis, collega, het ABVV dat in het voorjaar of de zomer van 2019 de verhoging van de minimumlonen in de Groep van Tien heeft afgeschoten, tot ergernis van sommige partners. Ik heb alle begrip voor de commentaar op het minimumloon. Ik heb vandaag al een paar gezegd dat, als je nu tijdelijk werkloos bent en aan een minimumloon werkt, het verschrikkelijk is dat je dan met 75 procent van dat loon moet toekomen. Als dat te lang duurt, is dat verschrikkelijk weinig. Ik begrijp absoluut de zorgen die mensen zich daarover maken. De verhoging van de minimumlonen moet echter federaal, via de Groep van Tien, worden geregeld.

Wij hebben twee zaken: het zesde Vlaams intersectoraal akkoord, waarin we die 1,1 procent respecteren, en de jobbonus, waarmee we de laagste werklonen lonender maken.

Mijnheer D’Haese, ik heb niet gezegd dat we iets aan die fietsvergoedingen moeten doen. Dat hoort bij het sociaal overleg. Ik heb de budgetten meegegeven. Men is verzekerd van een loonsverhoging van 1,1 procent en van de loonnorm 2023. Daarnaast is men ook zeker van een bedrag van 6 miljoen euro voor kwaliteit en van 12 miljoen euro voor het sectorfonds. Ze onderhandelen nu over hoe ze die zullen inzetten. Dat is hun gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ik heb gezegd dat alle partijen hierover aan tafel zitten, ook de socialistische vakbond. Ik vind dat een goede zaak. Ik hoop dat ze er heel snel uitraken en dat we dan vooruit kunnen.

Het klopt absoluut dat die minimumlonen niet hoog zijn, maar laat ons het sociaal overleg dat nu loopt alle kansen geven, collega’s. Het is trouwens mijn keuze geweest om naast de 6,6 miljoen euro voor kwaliteit 12 miljoen euro eenmalige middelen uit te trekken. Over dat bedrag kan onderhandeld worden en ik heb al allerhande pistes gehoord over hoe ze dat willen inzetten. Ik geef het sociaal overleg hiervoor de volle uitrolmogelijkheden. Zodra er witte rook is, zal ik u hierover informeren.   

Mevrouw Claes heeft het woord.

Bedankt, minister, voor de bijkomende toelichting en voor de vragen van de collega’s. Ik wil nog duidelijk zeggen dat ik uit de vraagstelling van de collega’s kan afleiden dat het nooit genoeg zal zijn. Voor alle duidelijkheid heb ik dat niet veralgemeend.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ik kijk uit naar het vervolg van het sociaal overleg. Ik hou het verder in het oog.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Bedankt. Ik hoop dat er voor de LDE-ondernemingen nog inspanningen kunnen worden geleverd. Ik wens u verder heel veel succes met de onderhandelingen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.