U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

(N.v.d.r.: Tinne Rombouts en Chris Steenwegen hadden hun vragen reeds gesteld op het einde van de commissievergadering van 9 december 2020. Minister Zuhal Demir was toen echter niet meer in de mogelijkheid om haar antwoord nog te geven. Daarom werd beslist het antwoord van de minister uit te stellen naar deze commissievergadering. De vraagstelling van Tinne Rombouts en Chris Steenwegen werd echter niet meer hernomen. Het onderstaande verslag daarvan is dus de weergave van hun vraagstelling tijdens de commissievergadering van 9 december.)

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Vlaanderen telt ongeveer nog 23.000 landbouwbedrijven en dat aantal neemt jaarlijks af. Ongeveer de helft van die 23.000 landbouwbedrijven doet aan veeteelt. De overige bedrijven specialiseerden zich in akkerbouw – 27 procent – of tuinbouw – 12 procent – of zijn gemengde bedrijven – 11 procent. De sector staat niet op zichzelf, maar is door zijn werkzaamheden ook verantwoordelijk voor een hele keten van verwerking van de voedingsindustrie. De landbouwsector is één schakel in een groot agrobusinesscomplex. In 2016 realiseerde dat Vlaamse agrobusinesscomplex een omzet van 61,7 miljard euro en stelde meer dan 150.000 mensen tewerk.

Naast het instaan van de zorg voor de dieren of het telen van gewassen, doen heel wat landbouwbedrijven ook aan verbrede activiteiten. Ze nemen zorggasten op, ontvangen logies, doen aan hoeveverkoop, produceren energie of sluiten beheersovereenkomsten af voor natuur, milieu en landschapsbeheer. Landbouwer zijn is dus meer dan alleen maar zorgen voor dieren of gewassen.

De voorbije decennia deed de sector heel wat inspanningen om te verduurzamen. Landbouwers en tuinbouwers investeerden in technieken of speelden in op nieuwe maatschappelijke noden of vragen van consumenten. De Vlaamse land- en tuinbouw bestaat uit een diversiteit aan bedrijven, die elk inspelen op een bepaald deel van de markt. Deze diversiteit aan bedrijven maakt de sector robuust en zorgt ervoor dat de sector ook in de toekomst verder kan verduurzamen.

Om landbouwer te zijn is echter ruimte nodig, maar die staat steeds meer onder druk, omdat ze beperkt is. We zijn ook de voeling kwijt met de oorsprong van ons voedsel. Naast landbouwers komen er, terecht, ook andere mensen genieten van het platteland, waar activiteiten van de landbouwer zich centraliseren, en daar botst het soms, want op het platteland moeten ook akkers bewerkt worden, zijn er stallen waarin dieren staan en komt een melkwagen ‘s morgens vroeg of ‘s avonds laat de melk ophalen.

Minister, u hebt een aantal uitspraken gedaan met duidelijke meningen over de landbouw. In Humo zei u: “Ik weiger ook systematisch dossiers voor megastallen met honderdduizenden kippen of tienduizenden koeien” – ik ben zeer benieuwd naar die vergunning – “en varkens. We moeten naar een korte keten met kleine, lokale boerderijen die ons van voeding voorzien, in plaats van varkensvlees voor dumpingprijzen uit te voeren naar Azië en Oost-Europa”. In een artikel in Het belang van Limburg zei u: “In 2017 was de landbouw verantwoordelijk voor 95 procent van de totale ammoniakuitstoot in Vlaanderen. Die uitstoot, samen met de hinder voor omwonenden en de impact op het landschap, is voor mij als minister de belangrijkste parameter bij vergunningsaanvragen. Die grote impact pleit enorm tegen grote industriële megastallen. Vandaar dat ik bij beroep meestal niet vergun of enkel aan strikte voorwaarden.”

Hiermee geeft u aan dat er volgens u per definitie geen plek meer is voor grote landbouwbedrijven en dat vergunningen niet goedgekeurd worden wanneer die op uw bureau belanden, ongeacht de inhoud van het dossier en ongeacht welke prestaties het bedrijf op vlak van vernieuwing of innovatieve technieken voorlegt om de milieukwaliteit te verbeteren. Dat leidt de landbouwsector naar complete rechtsonzekerheid, waarmee u een standstill creëert. Bedrijven die immers niet kunnen vernieuwen of uitbreiden, kunnen niet investeren in duurzame innovatieve technologieën die nodig zijn voor een toekomstgerichte landbouwsector. In de cijfers is te zien dat er minder bedrijven zijn met een gelijk aantal dieren of grond – behalve in de kippensector is er een groei –, maar dat er op het vlak van milieu toch positieve resultaten geboekt worden. Dat kan alleen maar verklaard worden doordat er in de land- en tuinbouwsector geïnvesteerd wordt in betere technieken.

Bovendien hebben we een Vlaams luchtkwaliteitsbeleidsplan waarin maatregelen zijn opgenomen om de emissies van ammoniak in de landbouwsector terug te dringen. Uit een rapport van de Europese Commissie die de nationale plannen van de lidstaten analyseert, blijkt dat er de laatste jaren een daling is vast te stellen in Vlaanderen én wijzen de prognoses uit dat we de doelstellingen voor ammoniak tegen 2030 zullen halen, als we de maatregelen uitvoeren.

U pleit voor het enkel ondersteunen van kleine landbouwbedrijven en de korte keten. In welke mate is deze visie afgestemd met uw collega’s in de Vlaamse Regering en in het bijzonder met de minister van Landbouw? Wat is voor u de precieze definitie van kleine landbouwbedrijven? Hoe kijkt u naar van oorsprong kleinere bedrijven die naar de toekomst toe wensen op te schalen?

Door de uitspraak dat u systematisch dossiers voor megastallen weigert, brengt u de rechtszekerheid voor vele bedrijven nadrukkelijk in het gedrang. Op basis van welke objectieve argumenten weigert u systematisch deze vergunningen?

Als u grotere veehouderijen verbiedt en alleen de kleine landbouwbedrijven overblijven, vreest u dan niet dat die veehouderijen naar een andere plek op zoek gaan om hun activiteiten verder te zetten, mogelijk op plaatsen waar de regelgeving minder streng is dan in Vlaanderen, waardoor het netto-effect op duurzaamheid vermindert? Bovendien vormen onze land- en tuinbouwers de basis voor ons Vlaams innovatief en kwaliteitsvol agrobusinesscomplex. Hoe zult u dit complex ondersteunen in de verduurzaming en lokale verankering indien de duurzame basis wegvalt?

Het luchtkwaliteitsplan bevat maatregelen die genomen moeten worden om onze doelstelling, namelijk 13 procent ammoniakreductie tegen 2030, te bereiken. Om de impact op natuur te kunnen beoordelen is er het PAS-beleid (Programmatische Aanpak Stikstof). Welk bijkomend kader en motivering hanteert u om nog strengere maatregelen of striktere voorwaarden op te leggen per bedrijf?

U geeft aan een omzendbrief te zullen sturen naar de lokale en provinciale besturen met de vraag om het Vlaamse beleid te volgen. Kunt u verduidelijken wat dat Vlaamse beleid inhoudt en op welke decreten, besluiten of regeringsbeslissingen het gebaseerd is?

De heer Steenwegen heeft het woord.

De afgelopen weken konden we in de media lezen dat er de laatste jaren steeds meer vergunningen voor grote veestallen werden aangevraagd en die ook bijna altijd werden toegekend. De problematiek die samenhangt met steeds grotere stallen, dreigt zo het voortbestaan van die stallen en dat vee aan te tasten.

In een eerdere vraag wees ik er u al op dat die grote megastallen – die vaak vanuit Nederland bestuurd worden – de milieuruimte dreigen in te nemen van onze eigen landbouwbedrijven, waardoor zij er het slachtoffer van dreigen te worden. De boodschap die u naar buiten bracht als reactie op deze cijfers, is er een die wij willen ondersteunen, hoewel ik uw uitspraak in Humo betreur, omdat die het gevoel geeft dat de vergunningverlening niet meer zou gebeuren op basis van wettelijk vastgelegde criteria. Ik begrijp wat u bedoelt, maar het was ongelukkig geformuleerd.

Wat ons betreft, is het tijd om het geweer van schouder te veranderen en de bescherming van het leefmilieu echt in rekening te brengen, iets wat naar ons aanvoelen vroeger veel te weinig is gebeurd. U zult dat wel niet alleen kunnen doen. Als reactie op uw uitspraken heeft de ene na de andere landbouworganisatie haar bezorgdheden geuit. Daarmee raken we aan het heikele punt dat de perceptie ontstaat dat het leefmilieu tegenover de landbouw staat, terwijl het eigenlijk anders kan en u kunt hier een belangrijke rol in spelen.

U kunt, samen met minister Crevits, werk maken van een strategisch plan voor de veesector. In dat plan is er dan ruimte voor de innovatieve landbouwsector, maar worden ook duidelijke grenzen getrokken om onder meer ons leefmilieu te beschermen. Het plan zou kunnen bepalen hoe groot de veestapel per regio mag zijn om te grote negatieve milieu-effecten te vermijden. Dit brengt me weer bij het concept van de milieugebruiksruimte. Er is een bepaald effect op de regio en als dit wordt overschreden, krijgen we problemen met onder meer stikstof. Staldering, een concept dat in Nederland wordt gebruikt, is een van de mogelijkheden hiervoor.

Minister, welke stappen zult u ten aanzien van minister Crevits zetten om de belangen van het leefmilieu en de landbouw te verenigen en om constructief samen te werken, weliswaar met als vertrekpunt dat de landbouw, net als alle andere sectoren, moet werken in de ruimte die hiervoor in Vlaanderen beschikbaar is?

Ziet u het nut in van een gezamenlijk strategisch plan voor de veesector, waarin de limieten van de veestapel die Vlaanderen aankan en de manier waarop de sector moet werken, worden vastgelegd?

Bent u het concept van staldering genegen of ziet u andere mogelijkheden om de Vlaamse veestapel en vooral die grote stallen niet verder te laten groeien en om tegelijkertijd op een verduurzaming van de veestallen in te zetten?

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Dit is iets wat heel veel commissieleden beroert, maar ook daarbuiten leeft het heel erg, als ik kijk naar de toevloed aan mails die ik ontvang.

Ik wil eerst nog eens duidelijk aanstippen dat ik geen vergunningen verleen. Dat zit bij de lagere besturen. De deputaties en de lokale besturen zijn bevoegd voor de vergunningen. Pas als een dossier in beroep gaat, komt het bij mij.

Vaak zijn dat ook gecontesteerde dossiers. Vaak zijn dat moeilijke en complexe dossiers, met heel wat aspecten, onder andere geurhinder. Vaak gaat dat over megastallen. Om u een idee te geven: de voorbije drie jaar waren er 2383 landbouwdossiers, waarvan er het laatste jaar slechts 77 bij mij zijn gekomen. Dat is ongeveer 7 procent van het totaal die ik in beroepsinstantie behandel. Ik lees over een vergunningsstop, maar dat klopt niet, integendeel. De cijfers spreken voor zich. 7 procent van de dossiers komt bij mij. Dat zijn vaak de grote en moeilijke dossiers – anders zouden die ook niet bij mij komen.

Bij de beoordeling van een vergunning wordt nagegaan of de hinder voor de omgeving en de impact op het milieu aanvaardbaar zijn. Dossiers van dergelijke omvang worden meestal onderworpen aan tal van screenings, zoals het MER-onderzoek (milieueffectrapport) en al dan niet de passende beoordeling/VEN-toets (Vlaams Ecologisch Netwerk), die bijkomende informatie en inzichten aanreiken om een vergunningsbeslissing op te baseren. Daarnaast gaat men na of de aanvraag in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening en de planologische voorschriften van bijvoorbeeld het landschappelijk waardevol agrarisch gebied.

Ook de geurhinder wordt bekeken. Dat is een belangrijk aspect. In die grote dossiers die bij mij komen, gaat het vaak over geurhinder. En het gaat natuurlijk ook over de geldende afstandsregels.

Ik wil benadrukken dat ik tijdens het jaar dat ik hier zit, nog geen enkel regelgevend initiatief genomen heb in verband met milieunormen. Wat is er het afgelopen jaar wel gebeurd? We hebben een uitspraak van de Raad van State. Jullie weten dat de VLAREM-wetgeving (Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning), zeker voor de grote kippenstallen, zegt dat er een afstand moet zijn van 500 meter. In het verleden is daarvan afgeweken. Men heeft daar 200 meter van gemaakt. Dat is door de Raad van State vernietigd. Dat is nog maar een jaar zo. Toen ik hier toekwam, kregen we dat arrest. We hebben dat geanalyseerd. Dat wilde zeggen dat we terugvielen op de VLAREM-wetgeving, en dat dus de 500 meterregel moet worden nageleefd.

Een tweede arrest, ook van de afgelopen maanden, is het arrest van het Grondwettelijk Hof dat het decreet van 2016 vernietigt. Wij hebben dat arrest ook goed bekeken. Dat zegt dat stallen niet meer kunnen in waardevol agrarisch gebied. Dat zijn twee arresten die versoepelingen van de regel vernietigden. Het zou toch raar zijn indien ik daar als minister niets mee zou doen en dat naast mij zou neerleggen. Die rechtspraak moet gevolgd worden. Daardoor moest ik op de VLAREM-wetgeving terugvallen enzovoort. Ik wilde eerst beklemtonen hoe we dat aanpakken.

Ik wil er ook op wijzen dat tientallen vergunningen die tijdens de vorige bestuursperiode werden afgeleverd door de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vernietigd zijn. Dat toont aan dat het, zeker met het oog op rechtszekerheid, zeer belangrijk is dat de vergunning die wordt afgeleverd, bijdraagt tot rechtszekerheid. We mogen die landbouwbedrijven geen blaasjes wijsmaken.

Ik lever liever een vergunning af waarvan men zeker is, aangezien het doorgaans gaat om grote investeringen, dan een vergunning die achteraf wordt vernietigd. Ik vind het heel belangrijk om die regels, die kaders, goed te volgen. Ik wil ook wijzen op de grote rechtsonzekerheid die zou worden veroorzaakt door de bestaande rechtspraak van het afgelopen jaar niet te hanteren.

De Nederlandse PAS-problematiek (Programmatische Aanpak Stikstof), met als gevolg het volledig stilvallen van de vergunningsverlening, is natuurlijk ook een aspect. Ik denk dat niemand in toestanden zoals in Nederland wil terechtkomen, waarbij er een algemene vergunningsstop is. De Nederlandse minister en ambassadeur hebben al meermaals contact met ons kabinet en met de gouverneur opgenomen, vooral voor de grensgebieden, de Noorderkempen en Noord-Limburg. Door de strengere regelgeving in Nederland steken sommige Nederlandse boeren de grens over. Vraag is of dat wenselijk is.

Mevrouw Rombouts, de vergunningen voor die grote veehouderijen lopen nog. Dat ziet u in de cijfers van de deputaties, die de vergunningverlenende overheid zijn. Bij mij komen de dossiers in beroep, dat zijn grote en complexe dossiers. Het is dus niet zo dat er in Vlaanderen niets meer wordt vergund. Dat is het beeld dat de afgelopen weken en maanden is ontstaan, maar dat is dus helemaal niet het geval.

We moeten in het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) richting geven aan dit locatiebeleid. In het Vlaams regeerakkoord hebben we daarover afgesproken dat er een ruimtelijke differentiatie van agrarische activiteiten met het oog op een duurzame afstemming met de omgeving komt. Dat betekent concreet dat ik specifieke locaties en voorwaarden zal omschrijven waar dergelijke grootschalige activiteiten kunnen, en waar niet. Ik zal hiervoor ook de typevoorschriften voor ruimtelijke uitvoeringsplannen toekomstbestendig maken en in lijn brengen met het BRV. Ik zal ook onderzoeken of en hoe de VLAREM-voorwaarden moeten worden geactualiseerd om te komen tot een toekomstgericht en rechtszeker kader voor vergunningverlening.

Vanuit mijn bevoegdheden overleg ik met mijn collega, minister Crevits die bevoegd is voor de landbouw, wanneer het gaat over bijvoorbeeld het waarmaken van de duurzaamheidsambities in de nieuwe Europese landbouw- en voedingsstrategie. Voorbeelden hiervan zijn het produceren van gezonde voeding, het internaliseren van de milieukosten en de bijdrage van de Vlaamse landbouw tot een verbeterde omgevingskwaliteit. Op die manier draag ik vanuit mijn bevoegdheden bij aan de ontwikkeling van een duurzaam, ambitieus en geïntegreerd Vlaams voedingsbeleid.

Bovendien zal ik de samenwerking tussen het Departement Omgeving en het Departement Landbouw die de opmaak van de Vlaamse eiwitstrategie coördineert, voortzetten. Ik zal in 2021 een Green Deal rond duurzame eiwitconsumptie onderhandelen die past binnen de uitvoering van de eiwitstrategie die gecoördineerd wordt door collega Crevits.

Ik benadruk dat ik een rechtvaardige landbouw- en voedseltransitie wil bewerkstelligen. Hierbij is het noodzakelijk de sociale gevolgen voor landbouwers niet uit het oog te verliezen.

Collega Rombouts verwijst naar het luchtkwaliteitsplan. Het luchtkwaliteitsplan bevat een aantal maatregelen, zoals een betere monitoring van de werking van luchtwassers, waarmee Vlaanderen het emissieplafond voor ammoniak tegen 2030 beoogt te halen.

Voor de beoordeling van de impact op natuur is er inderdaad het voorlopige PAS-kader dat een beoordelingskader vormt voor de effecten op Europees te beschermen habitats en soorten. Daarnaast dient onder meer toepassing te worden gemaakt van de natuurtoets, volgens dewelke geen vergunning mag worden verleend indien een activiteit vermijdbare schade aan de natuur kan veroorzaken. Bij een stal die bijvoorbeeld geen enkele maatregel voorziet om de ammoniakemissies terug te dringen, moet dus worden beoordeeld of deze ammoniak geen schade kan toebrengen aan nabijgelegen natuurwaarden, zelfs indien het gaat om niet-Europees beschermde natuur.

Mevrouw Rombouts had het over een vraag aan lokale en provinciale besturen om het Vlaamse beleid te volgen. Lokale besturen zijn zelf vragende partij. Zij zeggen zelf dat ze niet de knowhow hebben om na te gaan of het klopt. Ze zitten zelf met de handen in het haar. In eerste instantie moeten we de regels die vandaag bestaan en de wijzigingen in de rechtsspraak, waardoor je op de bestaande VLAREM-wetgeving terugvalt, goed meedelen aan de lokale besturen en provincies. Volgend jaar moeten we dan met de bevoegde deputaties en lokale besturen nagaan wat er nog nodig is. Zij zitten met de handen in het haar. Ze krijgen vragen van bewoners enerzijds en landbouwbedrijven anderzijds. Het lijkt mij nuttig om na te gaan hoe zij het zien en welke knowhow ze nog nodig hebben zodat ze ter zake inderdaad een goede beslissing kunnen nemen. Om te starten kunnen we de regels nog eens meegeven, net als de gewijzigde rechtsspraak van de afgelopen maanden.

Collega Steenwegen, welke stappen zal ik zetten met collega minister Crevits? We zijn in overleg met collega Crevits rond het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). We zetten bij de Vlaamse invulling van het post-2020 GLB versterkt in op agromilieu- en klimaatmaatregelen om milieu-, klimaat-, biodiversiteits- en landschapsdoelen te realiseren door landbouwers, en gebruiken ze als hefboom om lokale samenwerking tussen landbouwers en andere plattelandsactoren te bevorderen. In overleg met collega Crevits voorzie ik duidelijke accenten in het GLB vanuit de Europese biodiversiteitsstrategie. Ik maak, in overleg met mijn collega bevoegd voor landbouw, gebruik van de financiële mogelijkheden die de verlenging van het huidige GLB biedt om een positieve dynamiek op ons platteland te behouden en verder te stimuleren. We zullen verder ook maximaal in overleg gaan over het mestbeleid, het erosiebeleid, alsook het nieuwe landbouwbeleid maximaal afstemmen op de stroomgebiedbeheerplannen en het bereiken van de waterkwaliteitsdoelen in 2027. Dat lijkt mij niet meer dan normaal. We hebben de tussentijdse evaluatie gehad van die waterkwaliteit, waaruit gebleken is dat die niet evolueert zoals vooropgesteld in het zesde Mestactieplan (MAP).

Ik zal ook met collega Crevits, die bevoegd is voor de landbouw, nagaan hoe we de huidige maatregelen evalueren en waar er nog bijkomende nodig zijn. Uiteraard zullen we dit ook doen in overleg met de sector, voor alle duidelijkheid. Dat geldt ook voor andere zaken waarvoor ik bevoegd ben. Meestal komen wij tot een goed akkoord. Je moet natuurlijk beide verzoenen. Vandaar dat ik denk dat het goed is dat we voor het GLB, MAP, PAS goed samenwerken, in overleg met de sector.

Ik heroriënteer de voorlichting en de begeleiding met betrekking tot oordeelkundige bemesting en geïntegreerd bodembeheer zodat Vlaamse land- en tuinbouwers beter op de hoogte zijn van de beste en innovatieve landbouwpraktijken.

Collega Steenwegen verwijst naar de limieten van de veestapel in Vlaanderen. Het Vlaams regeerakkoord voorziet in een evaluatie en eventuele hervorming van het systeem van nutriëntenemissierechten, zodat het meer bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen op vlak van waterkwaliteit, klimaat en luchtkwaliteit. Ik zal die evaluatie in 2021 opstarten, samen met de sector, en hieruit de nodige conclusies trekken.

De laatste vraag ging over het concept van staldering. Sinds 2004 is het verplicht om nieuwe varkens- of pluimveestallen ammoniakemissiearm te bouwen. Sindsdien stijgt het aantal varkens en pluimvee dat gehouden wordt in een ammoniakemissiearme stal. Voor pluimvee zien we dat de relatieve groei van de emissieverliezen kleiner is dan de groei van het aantal dieren, wat erop duidt dat een groter aantal dieren in emissiearme stallen worden gehouden. Deze trend wordt bij de varkens ook waargenomen, tot 2015, waarna ook het aantal varkens daalde, en dus ook de emissieverliezen.

In 2019 werd 14 procent van de varkens gehouden in emissiearme stalsystemen, en werd 19 procent gehouden in stallen met een wasser die de ammoniak uit de lucht vastlegt in het waswater. Dit betekent dat 33 procent van de varkens al gehouden wordt in een ammoniakemissiearme stal. Van de belangrijkste pluimveecategorieën is het aandeel in emissiearme stalsystemen gestaag gestegen tot 57 procent in 2019.

Een landbouwer die investeert in een ammoniakemmisiearme stal, kan hiervoor rekenen op steun vanuit het Vlaams Investeringsfonds.

Een principe zoals u staldering noemt, is een van de vele mogelijkheden die ik bekijk als een mogelijke maatregel. Ik ga er nu nog geen uitspraak over doen. Het definitieve PAS-programma staat volgend jaar op de agenda. We moeten alles goed bekijken, ook in overleg met mijn collega die bevoegd is voor de landbouw en uiteraard ook met de sector. Het dossier en de thematiek zijn ook maatschappelijk belangrijk en de politiek moet daar antwoorden op hebben. In de rechtspraak zijn er wijzigingen die we ook moeten bekijken. We moeten proberen om leefmilieu en landbouw maximaal te verzoenen.

Mevrouw Rombouts heeft het woord voor een iets uitgebreidere mogelijkheid tot antwoord dan de normale timing.

(slechte geluidskwaliteit)

Minister, dank u wel voor het antwoord. Ik moet toegeven dat uw antwoord mij iets positiever en geruststellender klinkt dan de boodschappen die u zou gegeven hebben in de kranten. Als de journalist u niet correct zou hebben weergegeven, kunt u dat uiteraard aangeven. Ik begrijp dat u zegt dat u de wil hebt om effectief te zorgen voor een rechtszeker kader, in overleg met de sector en met de minister van Landbouw, om te kijken hoe u die rechtszekerheid die noodzakelijk is voor elke ondernemer, ook voor de agrarische ondernemer effectief kunt realiseren.

Ik wil u daarin vertrouwen en daar effectief op verder bouwen, maar u stelt omgekeerd dat u zich vragen stelt bij de beroepen die op uw bureau komen, als het over grote stallen gaat, omdat u zich daar niet achter wilt zetten maar eerder wilt kijken naar de korte keten. U geeft aan dat de beroepen die bij u komen, veelal complexe en grote dossiers zijn. Van een aantal dossiers twijfel ik of het effectief over grote dossiers gaat, er zijn ook gemiddelde bedrijfsgroottes bij. Er worden ook weigeringen gegeven, bijvoorbeeld waar enkel mestopslag wordt gevraagd door een bedrijf dat zich in regel wil stellen met de mestwetgeving, daar wordt bijvoorbeeld toch een probleem van gemaakt. We hebben daarnet gesproken over geur. Bij diersoorten waar bijvoorbeeld nog geen geurkader voor is vastgelegd door de overheid, krijgt men een weigering omdat er geen geurafweging is gemaakt.

Omgekeerd hebt u ook aangegeven – dat las ik althans in het weekend in de krant – dat bijvoorbeeld in landschappelijk waardevol agrarisch gebied geen stallen zouden thuishoren. Dat is een zeer strikte, enge interpretatie van de rechtspraak. Dat is zeker niet datgene wat de wetgevende macht in dezen heeft aangegeven. Ik moet vaststellen dat kleine wijzigingen, in echt niet de grootste dossiers, op basis van het feit dat er een klacht wordt ingediend, worden geweigerd. U geeft het gevoel om naar een rechtszeker kader te gaan voor de ondernemers, maar men ervaart dat in de praktijk tot nu toe niet zo, getuige een aantal reacties van de afgelopen weken. Ik ben er toch wel wat bezorgd over dat we de doelstellingen die u daarnet heel duidelijk hebt uitgedrukt, in lijn kunnen brengen met de effectieve praktijk. Ik heb begrepen dat u in overleg wilt gaan met de sector en met de minister van Landbouw. Dat lijkt me alleszins een heel belangrijk element.

U wilt ook kijken naar de regelgeving en de rechtsuitspraken en u zegt dat u zich daaraan moet houden. Overweegt u dan ook om effectief wijzigingen aan het regelgevend kader te doen? Rechtspraak is een zaak, maar dat is zeer afhankelijk van het specifieke dossier, tenzij de regelgeving aangepast zou zijn. Zijn er dan noodzakelijke aanpassingen volgens u nodig? Ik denk bijvoorbeeld aan de afstandsregels waar u naar verwezen hebt. Hoe ziet u dat dan? Ik denk dat een omzendbrief naar de gemeenten onvoldoende is. Daarin kan men de gemeenten erop wijzen dat er rechtspraak is, maar er is ook nog het regelgevend kader. Het is belangrijk dat die op elkaar afgestemd zijn. Hoe kijkt u daar naar?

Dan wil ik nog even ingaan op de milieuresultaten. Ik heb het gevoel dat heel veel op een hoopje wordt gegooid, dat de omvang van de stallen in relatie wordt gebracht met de impact op het milieu. Wij moeten omgekeerd vaststellen dat er geen rechtstreekse correlatie is. Er is vaak een positieve relatie, bijvoorbeeld in verband met emissies. Minister, met de milieuresultaten met betrekking tot ammoniak zitten we op koers volgens het kwaliteitsplan. We moeten 13 procent minder bereiken tegen 2030. We hadden een tussentijdse doelstelling voor 2020 van 7 procent minder ammoniakemissie en we zitten op 9 procent minder. We moeten vaststellen dat het PAS-beleid van 2008 tot 2013 een daling kende van 23 ... (onverstaanbaar) ... per jaar en dat we na de PAS-toekenning van 2013 tot 2018 naar een gemiddelde daling van 560 per jaar gaan. Dat zijn positieve evoluties, die we te danken hebben aan investeringen door landbouwers, onder andere op hun bedrijven. Op welke manier kunnen we die investeringen positief blijven stimuleren in de plaats van ze af te remmen?

Minister, u zei vorig weekend dat inzake klimaat de voedingsproductie in Vlaanderen de beste praktijken heeft. De journalist zei dat er op de regeringstafel een voorstel zou liggen rond 40 procent afbouw van de veestapel. Is dat inderdaad voor u een doelstelling? Ik meen dat de regering, in overleg met de sector, de keuze heeft gemaakt om de afbouw van emissies, wat niet gekoppeld is aan dierenaantallen, maar aan de uitstoot van de dieren, te realiseren, onder andere door de uitstoot van de dieren met ... (onverstaanbaar) ... procent af te bouwen. Ik zou ook daarover graag wat duidelijkheid krijgen want daar heerst wat verwarring rond, wat daar nu precies uw doelstelling is.

De heer Steenwegen heeft het woord.

Minister, in het verleden was er op het veld voor wat betreft de rechtszekerheid de perceptie dat het om zekerheid ging. Men was er zeker van dat wanneer men een vergunning aanvroeg, men ze ook kreeg. Dat was de realiteit waarin we de laatste decennia hebben geleefd. Maar rechtszekerheid is iets anders. Rechtszekerheid is dat je erop kunt rekenen dat de vergunningverlenende overheid of de beroepsinstantie haar oordeel uitspreekt op basis van regelgeving. Rechtszekerheid moet er niet alleen zijn voor de aanvrager, maar natuurlijk ook voor de andere partijen, de omwonenden, de middenveldorganisaties en verenigingen die belangen vertegenwoordigen, bijvoorbeeld inzake natuurbehoud. Rechtszekerheid is hier belangrijk. U wees op de versoepelingen die in het verleden decretaal of op andere manieren werden goedgekeurd, en dan door de Raad van State of door het Grondwettelijk Hof werden vernietigd. Men keerde met andere woorden terug naar het kader dat vroeger vastlag, terecht, denk ik, en de rechtspraak toont dat ook aan. Dat kader gaf limieten aan voor wat kon of niet kon. Ik denk dus dat we vandaag in een rechtszekerder kader zijn terechtgekomen dan wat het in het verleden was. Ik kan alleen maar zeggen dat heel veel partijen in het verleden een enorme rechtsonzekerheid hebben gevoeld wanneer het ging om het vergunnen van veestallen.

Het is ook zo dat u een zekere discretionaire bevoegdheid hebt. Zo niet, zou men de bevoegdheid om te vergunnen evengoed aan de ambtenaren kunnen geven. Vanuit een bepaalde kijk of een bepaalde visie, en rekening houdend met de regelgeving, hebt u nog altijd de mogelijkheid om in een bepaald geval op een bepaalde manier te oordelen. Dat is een goede zaak.

Ik wil niet te veel ingaan op de details en de techniciteit. Mijn vraag gaat eigenlijk over de toekomst van de veesector. Alles wat we vandaag zien, heeft daarmee te maken. Maatschappelijk voelen we een zekere bezorgdheid langs allerlei kanten: binnen de landbouwsector zelf, maar ook bij andere partijen. Wanneer we kijken naar de maatschappelijke uitdagingen, en dan denk ik onder andere aan klimaat, dan zien we dat er bepaalde systemen zijn die grondig moeten worden hervormd en waar een transitie nodig is. Het gaat dan over ons mobiliteitssysteem, ons energiesysteem, onze ruimtelijke ordening en ons voedingssysteem. Op die verschillende terreinen zijn er echt heel diepgaande hervormingen bezig. Zo zijn we bijvoorbeeld in ons energiesysteem bezig met een volledige omschakeling naar duurzame energie. Ook binnen mobiliteit trekken we grenzen, bijvoorbeeld inzake levenskwaliteit. Gisteren was er een debat over de lage-emissiezones omdat men vindt dat er grenzen zijn aan wat houdbaar is voor de bewoners van een stad. Om die reden wil men de automobiliteit begrenzen en de impact ervan verminderen. Op die terreinen wordt dat aanvaard en worden maatregelen genomen om de omslag te maken naar die andere, toekomstgerichte systemen.

Wat wij allemaal aanvoelen en wat velen ook zeggen, is dat ook het landbouw- en voedingssysteem moet worden omgevormd. Sinds mijn vraag is ingediend, hebben we het rapport gekregen van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) over de waterkwaliteit die de laatste jaren niet meer vooruit gaat.

Eergisteren hadden we ook de voorstelling van het Natuurrapport 2020. Daarbij viel op, en dat is ook niet nieuw, dat de druk op onze natuur te groot is en dat de druk van bijvoorbeeld stikstof heel sterk gelinkt is met landbouw. Bij de voorstelling van het rapport viel bij het slotwoord van de administrateur-generaal van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) ook op dat er een hand wordt uitgestoken naar de landbouwsector. Men heeft heel duidelijk gezegd dat de landbouw een partner is voor de natuur en dat ze samen moeten zoeken naar een toekomstgerichte rol van de landbouwsector. De landbouwers zijn nodig en kunnen nuttig zijn voor het landschapsbeheer en voor de biodiversiteit, gekoppeld aan de functie van voedselproductie. We voelen dat er een grote maatschappelijke bezorgdheid is, maar dat er ook toenadering wordt gezocht tot de sector om, weliswaar los van taboes, een debat aan te gaan over hoe het nu verder moet met de sector. Bedoeling is om met de verschillende sectoren een gesprek aan te gaan. Dat is ook een oproep van verschillende middenveldorganisaties.

Specifiek voor landbouw is natuurlijk ook die milieugebruiksruimte. Men kan maar een bepaalde druk uitoefenen, een bepaalde impact hebben in een bepaalde regio. Mijn vraag blijft dan ook wat u vindt van het idee om een toekomstvisie te ontwikkelen voor de veeteelt, om los te komen uit dat technische verhaal – al dan niet het vergunnen van een stal – en een grondig maatschappelijk debat te voeren waarbij alle aspecten in rekening worden genomen en samen met alle sectoren wordt bekeken wat de toekomst kan zijn van de veesector in Vlaanderen. Hoe kunnen we onze veeboeren ondersteunen om in dat nieuwe traject te stappen om hen op die manier ook een toekomst te bieden?

De heer Ceyssens heeft het woord.

Collega Steenwegen, ik pik even in op uw oproep, over de natuur die de hand uitsteekt naar de landbouw. Ik denk dat de landbouw daarin inderdaad een heel belangrijke rol kan spelen en dat de voorbije jaren ook al heeft gedaan. Ik wil in mijn achtertuin gerust eens met u een wandeling maken. U weet ook dat de inspanningen die er gebeurd zijn vanuit de landbouwsector, inzake beekrandenbeheer, kleine landschapselementen, broedvogels enzovoort, onmiskenbaar zijn. De landbouwsector kan daarin zeker en vast een verdere rol spelen. Maar die sector kan dat natuurlijk alleen maar doen indien hij verder kan blijven bestaan, indien onze land- en tuinbouwers een inkomen hebben, zodat ze inderdaad verder kunnen blijven bestaan. Ook daarvoor moeten we oog hebben. Dat is één.

En twee, los van de natuur, als we naar ons klimaat kijken, moeten we een aantal zaken onder ogen durven te zien. We staan allemaal achter initiatieven als korte keten enzovoort. Maar uiteindelijk moet de bevolking worden gevoed, moet er ook voedsel worden geproduceerd. Als er in Vlaanderen een liter melk wordt geproduceerd, gaat daar 0,95 CO2-equivalent mee gepaard. Dat is bijna de helft van de rest van Europa, waar het 1,7 is – en dan heb ik het nog niet over landen als Brazilië en dergelijke, waar het 2,7 is. Het voedsel dat hier in Vlaanderen wordt geproduceerd, wordt ook nog eens zoveel klimaatvriendelijker geproduceerd dan in de rest van de wereld. Ook daarmee moeten we rekening houden.

Minister, ik wil er nog iets aan toevoegen. Ik ben blij van u te horen dat het de ambitie is om absoluut niet in een vergunningenstop terecht te komen. Ik wil nog een bijkomende vraag stellen. U verwijst ook naar megastallen. Dat intrigeert mij. Wanneer spreken we over megastallen? We beginnen stilaan in een situatie te komen dat wanneer een regulier melkveebedrijf een uitbreiding vraagt – ik heb het voorbeeld gezien van een melkveebedrijf van één gezin, echt niet het grootste bedrijf – men dat blijkbaar ook al begint te percipiëren als een megastal. Minister, wat is voor u precies de definitie van een megastal?

De heer Vandaele heeft het woord.

Voorzitter, uiteraard moeten we onze landbouw een toekomst geven. Het blijft een belangrijke sector in Vlaanderen. Maar de vraag is en blijft – dat komt in elk debat naar voren – welke vormen van landbouw inpasbaar zijn in dat dichtbebouwde, dichtbevolkte, kleine Vlaanderen van ons. En waar hebben we plaats om grote bedrijven neer te zetten, zonder dat de impact ervan te groot wordt op natuur en milieu? Het is altijd hetzelfde dat terugkomt.

Het is daarnet al gezegd: doorgaans stellen we onze hoop op nieuwe technieken en technologieën, zoals luchtwassen. En dat helpt wel, uiteraard helpt dat. Maar toch, elk milieurapport, elk natuurrapport dat verschijnt, geeft telkens aan dat de negatieve impact van de sector te traag verbetert. De voorbeelden zijn de lucht- en waterkwaliteit, die voldoende bekend zijn.

Wat collega Rombouts daarnet zegt, zou weleens kunnen: het is niet omdat een installatie nieuw en groot is, dat die meteen een grotere impact zou hebben. Het kan best zijn dat die dan performanter is dan oude installaties, ik zal dat niet tegenspreken. Maar ik heb toch het gevoel – en het is meer dan een gevoel – dat de inspanningen nodig blijven, dat dit verhaal niet afgelopen is. Wat mij – of ons – betreft: een toekomst voor de landbouw, zeker, maar de impact op het milieu moet aanvaardbaar zijn. Dat is een heel moeilijke oefening – dat is al jaren zo –, maar het is een oefening die wel moet gebeuren.

Daarnet werd er gesproken over ‘de hand reiken’. Wat mij betreft, ik heb het al vaker gezegd, mag de landbouw best worden vergoed voor bepaalde ecosysteemdiensten die de sector levert. Die vergoeding mag dan bijvoorbeeld gerust komen via het GLB. Dat zou een goede zaak zijn.

De heer Dochy heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, na wat ik van de minister heb gehoord, denk ik dat we echt wel niet veel mogen verwachten en geloven van wat we lezen in kranten en tijdschriften. De minister is veel genuanceerder dan de uitlatingen die ik gelezen heb. Dat stemt mij wel tevreden.

Ik sluit mij ook aan bij de benadering van collega Steenwegen. We moeten vooruit denken met de landbouw, op lange termijn, want we komen van heel ver. Wat we vandaag zien, is ook niet van vandaag op morgen ontwikkeld. Het landbouwsysteem is er gekomen na het Verdrag van Rome in 1957, waarin men zich op voedsel focuste. Voldoende en kwalitatief voedsel was toen het basisuitgangspunt. Het Mansholtplan in de jaren 70 heeft dat nog versterkt en versneld. Het lijkt me dan ook evident dat iets dat in 40 of 60 jaar is gegroeid, niet van vandaag op morgen kan worden omgeslagen. Er moet een langetermijnperspectief worden geboden, gebaseerd op de behoeften die er vandaag zijn. Er is nog altijd nood aan kwalitatief voedsel, maar ook aan efficiënte productie. Efficiënt betekent economisch efficiënt maar ook efficiënt op het vlak van klimaat en milieu en omgevingsaspecten. Zoals collega Rombouts en Vandaele samen beamen, is de schaal een eerste criterium. Een grotere schaal kan een grotere efficiëntie betekenen, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn.

De impact op de omgeving en het milieu is natuurlijk ook belangrijk. We leven in een dichtbevolkt Vlaanderen. Dat is een nieuw gegeven van de laatste jaren, omdat de verweving nog is versterkt. Ook belangrijk – en dat mogen we niet vergeten – zijn de economische omstandigheden van de gezinnen. De landbouwbedrijven zijn – wat men ook mag beweren – veelal nog aangestuurd door gezinnen die er hun inkomen uit halen en hun sociale leven ontwikkelen.

Minister, ik ben hoopvol gestemd door wat u hier vandaag hebt gezegd, in tegenstelling tot wat ik van u de laatste weken in de pers had gelezen. Corona brengt ons niet in de mogelijkheid om elkaar fysiek te zien, waardoor we wat meer via de krant moeten vernemen.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Voorzitter, er is al heel veel gezegd. Ik juich enorm toe dat men het woord ‘rechtszekerheid’ heel vaak gebruikt; ik denk dat daar nood aan is.

Minister, u hebt het bij het rechte eind als u zegt dat een aantal wetten en regels moeten worden aangepast op basis van een aantal uitspraken die er de laatste jaren zijn geweest. Dat gebeurt inderdaad het best via formele beslissingen en niet via omzendbrieven, zodat er rechtszekerheid is.

Ik denk dat men het begrip ‘rechtszekerheid’ ook echt moet invullen. Rechtszekerheid wil zeggen: ik doe een aanvraag en ik weet zo goed mogelijk op voorhand waaraan ik mij moet houden en waaraan ik mij niet moet houden, wat kan en wat niet kan. Ik heb de indruk, met alle respect, dat er nu bepaalde mensen zijn – om geen landbouworganisaties te noemen – die er net alle belang bij hebben om geen rechtszekerheid te bieden en die nog altijd denken dat, als het dossier wordt afgekeurd, ze nog altijd kunnen ‘regelen’ dat het toch in orde komt. In beide richtingen pleit ik voor rechtszekerheid en zo duidelijk mogelijke regels. Het moet het trouwens ook – en daar volg ik de minister in – gemakkelijker maken voor lagere overheden om dossiers te beoordelen. Dat is nu vaak een probleem.

Minister, het zou niet slecht zijn als u toch probeert rechtszekerheid te bieden en een aantal dingen duidelijker te stellen. Wat zijn megabedrijven en wat zijn grote en kleine bedrijven? Ook daar heb ik de indruk dat sommige personen en organisaties, waartoe ik ook behoor, duidelijkheid willen, maar dat anderen dat eerder een beetje flou willen zodat ze ‘à la tête du client’ kunnen bekijken wat kan en wat niet. Dat moet volgens mij uit het landbouwbeleid in Vlaanderen, ook met het oog op leefmilieu en klimaat: gedaan met ‘à la tête du client’, heel duidelijke regels zodat iedereen weet wat kan en wat niet kan.

Nu hebben we heel vaak het probleem van de omvang van de bedrijven, familiebedrijf of geen familiebedrijf. Daarmee kom ik terug op wat collega Dochy daarnet zei. Ik heb vorige week nog aan tafel gezeten met een aantal jonge landbouwers. Ik begrijp wat zij zeggen vanuit hun situatie als bedrijfsleider. Zij zeggen dat ze nog grond hebben liggen naast hun grond en vragen waarom ze daar niet zouden kunnen uitbreiden. Zo werkt het natuurlijk niet. Het gaat niet alleen over het bedrijf, maar ook over de impact op de omgeving en het milieu. Ook dat moeten we in die vastere regels proberen vast te leggen. Minister u hebt mijn steun daarvoor.

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Voorzitter, ik kan kort zijn omdat veel collega's voor mij al heel veel gezegd hebben. Ik wil vooral collega Dochy bijtreden: ook ik ben gerustgesteld door het antwoord van de minister. Het leek de voorbije week misschien iets te veel alsof we politiek aan het kiezen waren voor een bepaald businessmodel in de landbouw. Ik denk dat we dat het best aan de landbouwondernemers zelf overlaten. Men kiest voor de korte keten of voor andere initiatieven om een rendabel bedrijf gestalte te geven. U hebt goed gekaderd dat het de taak is van de politiek om te zorgen dat de impact op het milieu, de veiligheid voor de mens en de volksgezondheid gewaarborgd worden. Die rolverdeling moeten we goed blijven bewaken. Er is in Vlaanderen ruimte voor allerlei bedrijven, ook grote industriële bedrijven. Wij kiezen ook niet voor het businessmodel dat men hanteert in de petrochemie. Wij zeggen aan welke voorwaarden men bij ons mag komen ondernemen en met welke beschermingsmaatregelen voor mens, klimaat en milieu men rekening moet houden. Als dat kan, is men welkom en als dat niet kan, is men niet welkom. Dat lijkt mij de juiste aanpak in dergelijke dossiers. Dank u wel voor de verduidelijkingen daarover.

De heer Pieters heeft het woord.

Voorzitter, er is inderdaad al veel gezegd, maar wij willen een lans breken voor de gezinslandbouw. Wat zijn megastallen? Welke grootte is toelaatbaar? Gezinslandbouw kan ook met grote stallen werken of kan een kleiner biobedrijf zijn. Dat moet mogelijk zijn. Maar zodra grote organisaties een heel businessmodel en een heel kader daarrond opstarten, dan moeten we toch op de rem gaan staan. Ik wil het volgende nog even benadrukken. Aan de Nederlandse import die we hier krijgen, waarbij er megastallen ontstaan die vanuit Nederland beheerd worden, weliswaar op een Belgisch adres en via Belgische vennootschappen, moet toch wel paal en perk worden gesteld.

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Verschillende collega's zijn hierin tussengekomen, en terecht, aangezien het echt leeft in onze samenleving. Ik heb verschillende dingen genoteerd.

Collega Steenwegen zei dat we moeten werken aan een toekomstvisie voor de veeteelt. Ik denk dat het parlement daar inderdaad over de partijgrenzen heen wel aan kan werken. Ik wil mijn schouders daar ook onder zetten.

Een tweede aspect is rechtszekerheid. Ik blijf dat heel belangrijk vinden, ik ben zelf jurist. Je moet ook wel leren uit uitspraken die de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft gedaan in tal van dossiers. Waarom vernietigt men dossiers? Ik heb daarstraks verwezen naar de afstandsregels van de Raad van State. Ik denk dat het wel een goede uitspraak was dat men zei dat 200 meter te dicht is bij woningen. Het is een continu afwegen. Ik heb vaak wenende mensen aan de lijn die last hebben van geurhinder.

Ik denk dat je nu net rechtszekerheid creëert voor de mensen in de omgeving en voor het bedrijf door te zeggen dat het geen 200 meter moet zijn maar bijvoorbeeld 500 meter. Daar volg ik de redenering van de Raad van State. Collega Rombouts vraagt of we dan de VLAREM-wetgeving niet moeten aanpassen. Als je een duidelijk kader wilt, moet je dat doen. Dan is het voor iedereen duidelijk waar je de grenzen trekt.

Men vroeg ook of er een definitie bestaat van een megastal, met grenzen en aantallen enzovoort. Er bestaat geen definitie. Een bepaalde stal kan in de ene omgeving een grote impact hebben dan in een andere omgeving. Dat moet dossier per dossier worden bekeken. Het is verstandig om daar geen aantallen op te plakken. Als je dat doet, maak je het onmogelijk voor grote bedrijven die aan de hoogste milieunormen voldoen.

Het is heel belangrijk dat we in het kader van het BRV bekijken wat de juiste locatie is, en dat we binnen de grenzen van de milieudraagkracht blijven. Dat hoor ik ook vaak van landbouwbedrijven. Zij zeggen dat ze van alles moeten doen, en geen enkele doelstelling wordt dan bereikt. Dat is voor hen enorm frustrerend. We moeten daarin een goed evenwicht vinden. De impact op leefmilieu en omgeving moet verzoend worden met het vergunningenbeleid. Ik doe dat continu.

De dossiers komen bij mij vanuit beroepsinstanties. Sommige collega’s zeiden dat daar ook kleinere stallen bij zaten. Er kunnen geen aantallen op geplakt worden. Je moet rekening houden met de omgeving. In de ene omgeving is dat mogelijk en in de andere niet. Dat wil ik benadrukken.

Wat moet er nu gebeuren? Collega Rombouts heeft verwezen naar de veestapel enzovoort. Ik kan alleen zeggen dat we vandaag in Vlaanderen wat klimaat betreft op 35 procent reductie van broeikasgassen zitten voor de komende tien jaar. Het enige wat ik over klimaat zeg als coördinerend minister, is dat het niet verhoogd moet worden. Ik zeg altijd, op basis van allerlei prognoses, dat we die 35 procent reductie echt moeten behalen de komende tien jaar. Als we alles uit het klimaatplan uitvoeren, behalen we dat. Maar als er partijen zijn die zeggen dat het meer moet zijn, dat het 55 procent minder moet zijn, dan ga je alles opnieuw moeten bekijken, dan komen alle maatregelen opnieuw op tafel. Maar nogmaals, ik denk dat wij in Vlaanderen op koers moeten blijven en dat wij die 35 procent reductie moeten behalen.

Er is verwezen naar het regelgevend kader inzake stikstof. Dat zal inderdaad moeten worden aangepast. Daarvoor moeten wij wachten op een definitieve PAS die moet ‘be-MER’d’ zijn, en waar ook een openbaar onderzoek overheen is gegaan. Het zou niet goed zijn om daar nu alle voorafnames op te doen. Het is wel belangrijk om te onderstrepen dat er een verschil is tussen de ammoniakdoelen uit het luchtkwaliteitsplan en het behalen van de Habitatrichtlijnen. Voor de luchtkwaliteit, wat betreft de ammoniakuitstoot, zitten we inderdaad op schema, collega Rombouts. Maar voor de klimaat- en de natuurdoelen is er helaas veel meer nodig. Ik wil daar niet op vooruitlopen. Eerst moeten het MER en het openbaar onderzoek er zijn, en dan moeten we in overleg gaan met minister Crevits en met de sector, om te zien wat we moeten doen.

Voor het overige merk ik dat er op het terrein zowel bij individuele landbouwers als bij natuurverenigingen veel goede wil is om samen alle uitdagingen waarvoor we staan aan te pakken. Ik zal natuurlijk daar altijd mijn schouders onder zetten want als er bij alle partners goede wil is, ben ik ervan overtuigd dat we die uitdagingen kunnen aangaan. De tijd en het klimaat zijn veranderd. De mensen verwachten echt wel dat we dat samen met iedereen en in goed constructief overleg aanpakken. Dat is dan goed zowel voor onze landbouwers, die zelf ook, voor alle duidelijkheid, moeite doen, als voor de natuur. Collega Steenwegen verwees naar het Natuurrapport, dat inderdaad helemaal niet goed was. Er ligt dus heel wat werk op de plank. Als we het samen aanpakken – en daar ben ik vragende partij voor – moeten we daarin slagen.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Het element rechtszekerheid is vandaag inderdaad de grote hamvraag: op welke manier geven we onze land- en tuinbouwers werkelijk rechtszekerheid? Gaat dat over zekerheid? Daar heeft nooit iemand over gesproken. Geen enkele overheid zal een sector of ondernemer 100 procent zekerheid geven. Het is unfair te stellen dat dit ooit zo zou zijn geweest. Het gaat altijd over rechtszekerheid. Het klopt, zoals collega Vandenhove aanhaalde, dat je dan precies wilt weten waaraan je moet voldoen. Ik moet vaststellen dat er vandaag met alle nodige kennis dossiers worden opgemaakt. Het is inderdaad vaak heel complex. Er wordt heel veel gevraagd van onze agrarische ondernemers. Zij moeten aan heel veel zaken voldoen. Zij hebben inderdaad expertise nodig om die dossiers op te maken. Samen met de experten en alle positieve adviezen van – daar ga ik toch van uit – neutrale administraties moeten we vaststellen dat er toch vergunningen werden geweigerd. Dan is het niet zo gek dat mensen vandaag in de praktijk niet het gevoel hebben dat de rechtszekerheid gegarandeerd is. Daarom heb ik deze vraag gesteld, omdat ik hoop dat we dat in de praktijk kunnen omkeren. Dit is niet oké. Dit geeft niet de rechtszekerheid waarop een ondernemer recht heeft.

De afwegingen in verband met natuur en milieu en omgeving zijn inderdaad allemaal correcte parameters. Ze werden in het verleden ook altijd vooropgesteld. Daar is een kader rond. Als men daar anders mee wil omgaan, moet dat besproken worden in een open en vaststaand overleg, zodat die kaders duidelijk zijn voor iedereen.

Wat betreft de resultaten die worden geboekt, heb ik er een beetje een hekel aan om hier permanent te moeten horen dat er geen enkel resultaat wordt bereikt. Minister, u zei dat er wat frustratie is bij landbouwers, die zeggen dat alles wat ze doen geen zin heeft. Dat klopt! Dat leidt inderdaad tot gigantische frustraties, en nog meer als wij, als parlementsleden, niet fair en correct zijn in het uitleggen of aangeven van de resultaten die wel geboekt worden. Het is niet fair indien we de geboekte resultaten niet zouden erkennen. Daarmee haal je het overleg al van tevoren onderuit.

Er worden ook vaak heel veel dingen op elkaar gelegd. Als het het ene niet is, dan is het het andere wel. Alles wordt door elkaar gehaald en er worden links gelegd die er niet zijn. Ik hoor dat de waterkwaliteit vandaag nog niet in orde is. Dat klopt. Maar er is in se geen rechtstreekse link met de hele vergunningenkwestie. Dat zijn niet mijn woorden, maar de woorden van de Mestbank zelf. Die geeft aan dat er geen correlatie is tussen de omvang en/of de opmaak van een bedrijf en eventuele negatieve resultaten. Het gaat over bemestingstechnieken. Dit leggen van links komt het overleg niet ten goede.

Minister, ik heb hier vandaag van u een duidelijke intentie gehoord om te bekijken op welke manier we die rechtszekerheid kunnen blijven garanderen. U staat open voor overleg met zowel de minister van Landbouw als met de sector zelf. Dat is heel belangrijk. Ik reken erop dat dit overleg snel kan plaatsvinden.

Naar welke landbouw willen we? De collega’s Steenwegen en Vandenhove verwezen daarnaar. In het regeerakkoord staat heel duidelijk dat we een diversiteit van landbouwbedrijven nodig hebben om een goede, veilige en kwaliteitsvolle voedselproductie te kunnen garanderen. Het zou al te zot zijn om onze klimaatvriendelijke voedselproductie te zien verdwijnen naar die regio’s waar het helemaal niet zo goed gaat.

De heer Steenwegen heeft het woord.

Collega Ceyssens, ik waardeer de inspanningen die landbouwers doen, ook vandaag, inzake natuur. Maar ik zou zeggen: lees het Natuurrapport, dat eergisteren werd voorgesteld. Dan ziet u dat we veruit tekortschieten en dat het landbouwgebied een echte woestijn blijft als het gaat over biodiversiteit. We stuiten op grenzen. We weten dat allemaal ondertussen. Als een wetenschappelijke instelling van onze eigen Vlaamse overheid dat zegt, mogen we daar toch wel op vertrouwen.

Er is ook zoiets als milieugebruiksruimte. Daar houden we te weinig rekening mee. Het gaat er niet over dat het op een andere plaats beter of minder goed zal gebeuren dan hier, het gaat erover dat je door de concentratie hier bepaalde limieten overschrijdt. De impact is lokaal. Dat moeten we bekijken. Je kunt maar een impact hebben, bijvoorbeeld op de natuur, op een bepaalde plaats. Als je die overschrijdt, heb je een probleem. Dat heeft niets te maken met andere regio’s waar dan minder goed zou worden gewerkt. Trouwens, onze landbouw heeft veel impact op andere regio’s in de wereld, en omgekeerd. We moeten het niet bekijken als een Vlaams issue. Het is een uitdaging, niet alleen voor Vlaanderen maar voor de hele westerse wereld, om ons voedingssysteem te herzien. De context is internationaal.

Ik ben wel blij dat collega Dochy is ingegaan op mijn suggestie om aan de lange termijn te denken en dat hij openstaat voor een breed maatschappelijk debat over de toekomst van de veesector op de langere termijn. Ik ben ook blij, minister, dat ook u achter zo’n debat staat en dat u bereid bent daar uw schouders onder te zetten. Ik vind dat belangrijk. Dat was ook mijn oproep: laat ons proberen de grenzen en de ideeën te overstijgen en op een brede manier in gesprek te gaan, niet alleen met de landbouwsector zelf, maar ook met andere actoren die daar belang bij hebben. Ik hoop dat anderen zich daar ook bij kunnen aansluiten en dat we op die manier dit debat kunnen voortzetten. Het is een belangrijk maatschappelijk debat. Ik hoop dat we hierover de volgende maanden verder een gesprek kunnen hebben.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.