U bent hier

De heer Warnez heeft het woord.

Minister, begin vorige week kwamen de resultaten naar voren van een bevraging van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en de Vlofin, de vereniging van financiële directeurs. Daaruit blijkt dat de coronacrisis een zware impact zal hebben op de gemeentelijke financiën. Dat is natuurlijk geen verrassend resultaat, maar de concrete cijfers verrassen misschien wel wat meer. Volgens die bevraging bij de financiële directeurs lopen de extra kosten van de gemeente op tot 139 miljoen euro en de mininkomsten tot 141 miljoen euro. Dat maakt dat het totale kostenplaatje volgens de bevraging dus 280 miljoen euro bedraagt. U bent daar ook over aangeschreven door de VVSG.

Nadat mijn vraag was ingediend, heeft ook Belfius zijn jaarlijkse studie gepubliceerd, Lokale Financiën 2020. Daarin komen ietwat andere cijfers, maar toch in een brede vork, naar voren. Bij een stevige economische heropleving zouden de tekorten in 2020 beperkt blijven tot 22 miljoen euro. Maar er bestaat een stressscenario, met een verlenging van de impact door een nieuwe lockdown, waarbij de tekorten kunnen oplopen tot 339 miljoen euro.

Ministens even belangrijk als de genoemde cijfers, is de impact op de fiscale inkomsten in 2021, en eventueel ook 2022, en die zijn nog niet vervat in deze cijfers. U weet dat de gemeentelijke opcentiemen op de personenbelasting zeer belangrijk zijn voor de gemeenten. De tijdelijke werkloosheid en de economische crisis zullen die inkomsten doen dalen.

De Vlaamse Regering heeft al heel wat maatregelen genomen tijdens deze coronacrisis en daarbij middelen toegekend aan de lokale besturen. U moet ze niet allemaal opnoemen, maar de domeinen Sport, Jeugd, Cultuur, Welzijn en Armoede hebben allemaal extra middelen gegenereerd voor die lokale besturen om daar ter plekke te gaan werken. Ook in het regeerakkoord zijn er heel wat middelen naar de lokale besturen gevloeid.

Toch geeft, in de bevraging van de VVSG en Vlofin, één op de vijf gemeenten aan dat ze zullen moeten besparen of de belastingen verhogen. Dat heeft natuurlijk een rechtstreekse negatieve impact op de lokale economie of op de economie tout court en op de koopkracht van de burger. En dat is uiteraard een nefaste beweging in het postcoronatijdperk.

Minister, op welke manier ziet u mogelijkheden voor de lokale besturen om ondanks de kosten en mininkomsten de impact op de economie en koopkracht te beperken? Hebt u reeds de indicatie dat de lokale besturen bepaalde investeringsplannen on hold aan het zetten zijn ingevolge de financieel onzekere toekomst?

Hebt u reeds zicht op welke impact de coronacrisis zal hebben op de gemeentelijke inkomsten uit de personenbelasting en eventueel de onroerende voorheffing – maar dat zal dan beperkt zijn – in 2021?

In welke mate zult u, minister, rekening houdend met de cijfers, toestaan dat de autofinancieringsmarge tijdelijk afwijkt van de vereiste dat die positief moet zijn in het laatste boekjaar van de periode van het meerjarenplan? Met andere woorden, wordt de vereiste aangehouden dat op het einde van de meerjarenplanning de begroting in evenwicht moet zijn?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mijnheer Warnez, hartelijk dank voor uw vraag. Het is een vraag die eigenlijk, in zijn variatie, al een paar keer en terecht werd gesteld in onze commissie. U vertaalt de bezorgdheid: wat zal de impact zijn van de coronacrisis op de lokale begrotingen? Er is nu een studie van Belfius en ook de VVSG heeft erover gecommuniceerd. Ze hebben een aantal scenario’s bekeken en spreken altijd onder het grootste voorbehoud. Want het gaat over een moment waarop er nog heel veel zaken instabiel zijn, waarop we nog niet echt kunnen inschatten hoe het herstel zal verlopen, hoe diep de crisis zal zijn en hoe het herstel zal verlopen.

Op basis van factoren die men uiteraard nog niet kan inschatten, omdat we niet weten hoe de coronaepidemie zelf gaat evolueren, hebben zij een aantal oefeningen gemaakt. En u hebt daarover een aantal vragen gesteld.

De eerste vraag die u stelde, ging over de mogelijkheden om de economie en de koopkracht te ondersteunen. Welnu, er zijn er natuurlijk een aantal en we hebben die al een aantal keer besproken, maar ik wil enkele daarvan graag nog heel even opsommen.

De lokale economie kun je ondersteunen door uitstel of vrijstelling te geven voor het betalen van bepaalde belastingen, bijvoorbeeld de terrasbelasting of de belastingen op overnachtingen in toeristische logiezen. Je kunt het lokale verenigingsleven ondersteunen via subsidies en premies. Er bestaat het systeem van de gemeentelijke aankoopbonnen. En ook voor de versterking van de sociale maatregelen hebben we middelen voorzien.

En uiteraard kunnen de investeringen die in het meerjarenplan gepland zijn, wat vertraging oplopen, maar tot nu toe hebben we geen signalen van lokale besturen dat ze bepaalde investeringen on hold moeten zetten uit financiële overwegingen. De echte balans kunnen we natuurlijk maar opmaken zodra de gemeenten na de zomer een aanpassing van hun meerjarenplan hebben opgemaakt. Pas dan zal het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) een zicht hebben op waar we staan.

De VVSG-enquête zegt dat de impact vooral te voelen zal zijn bij de aanvullende personenbelasting en bij de onroerende voorheffing. De stijgende werkloosheid en mogelijke faillissementen zullen de belastinggrondslag trager doen groeien of zelfs doen dalen. De vermindering van ontvangsten zal zich vooral laten voelen in 2021 en 2022. Of die vermindering ook nadien zal doorwerken, zal afhangen van de evolutie van de werkloosheid en de economische groei. Het is nu dus nog niet mogelijk om de verwachte vermindering in te schatten. Daarvoor zijn herberekeningen van de FOD Financiën en de Vlaamse belastingdienst (Vlabel) nodig, en die worden verwacht na de zomer. We weten wel dat een vermindering van de ontvangsten uit de aanvullende persoonsbelasting van 1 procent een daling van zowat 21 miljoen euro op jaarbasis zou betekenen voor alle Vlaamse gemeenten samen.

Hoe willen we daarmee omgaan? Nogmaals, ik ben voorzichtig en terughoudend om nu al een definitieve piste op tafel te leggen. Dat wil ik absoluut niet doen. U weet dat de autofinancieringsmarge (AFM) de basisnorm is voor het structurele financiële evenwicht van de lokale financiën. Daaraan tornen zou, denk ik, heel ingrijpend zijn. Ik sluit dat nog niet uit, maar het zou toch wel ingrijpend zijn. De Belfiusanalyse toont aan dat de Vlaamse gemeenten het globaal genomen – nogmaals, het globale beeld zegt weinig over de individuele gemeenten – net iets beter doen dan de Brusselse, omdat ze gezamenlijk een AFM-buffer van 339 miljoen euro hebben opgebouwd. De VVSG vraagt op dit moment niet om de AFM in 2025 los te laten, wel om het beschikbaar budgettair resultaat (BBR) in 2020 en 2021 los te laten. Dat is wat ze nu vragen. Op basis van de recentste cijfers, op basis van wat ik nu weet, denk ik ook niet dat het nodig zal zijn om de evenwichtsvoorwaarde voor de AFM in 2025 tijdelijk te versoepelen. Maar nogmaals, dat is nog geen beslissing, maar een aanvoelen op basis van wat we nu weten. Dit is dus met alle mogelijke voorzichtigheid aangebracht.

Uit de bevraging van de VVSG en de Vereniging van Financieel Directeurs (Vlofin) bij de lokale besturen blijkt dat er voor dit jaar een geraamde budgettaire impact van 280 miljoen euro is: 139 miljoen niet-geplande uitgaven en 141 miljoen gederfde inkomsten. De cijfers die Belfius liggen in die lijn. Belfius hanteert twee scenario’s, u hebt ernaar verwezen. In het gematigd scenario blijft de AFM in 2025 – nogmaals – globaal gezien positief. In het stressscenario, dat uitgaat van een tweede lockdown, wordt de AFM globaal gezien negatief.

De lokale besturen hebben de legislatuur aangevat met een solide financiële uitgangspositie en een ruime budgettaire reserve – dat mogen we ook niet vergeten. De huidige meerjarenplannen bevatten milderende elementen die nu nog buiten beeld blijven. Investeringen worden in het begin van een meerjarenplan bijvoorbeeld traditioneel veel te hoog ingeschat en de reële uitvoering komt altijd wat later op gang.

De bijkomende financieringslijnen van de Vlaamse en de federale overheid zijn ook een belangrijke financiële steun in de rug geweest. Denk aan de 83,9 miljoen euro voor het verenigingsleven, 30 miljoen euro voor armoedebestrijding, en nog eens 15 miljoen euro van de federale overheid. Daar is dus toch wel wat geld dat de eerste schok moet kunnen opvangen. En dat kan op korte termijn worden ingezet.

Voor de langetermijneffecten van de crisis en de financiële impact voor de gemeenten geven de VVSG- en de Belfiusstudie aan dat ze die nog niet kunnen inschatten, omdat er nog veel te veel onzekerheden zijn. Dat bevestigt voor mij dat het nu echt te voorbarig is om in te grijpen en nu al de weg te bepalen. Ik wil daar echt nog een beetje mee wachten. We gaan binnen de Vlaamse Regering na de zomervakantie beslissen welke maatregelen we gaan nemen. Dat betekent ook dat we de omzendbrief over de opmaak van de aanpassing aan de meerjarenplanning, die normaal voor het zomerreces komt, verschuiven naar na het zomerreces, omdat we anders toch nog wat in het ijle zitten te werken. Ik denk dat we er niets aan hebben om nu een omzendbrief te versturen op basis van wat we nu weten, om dan in september vast te stellen dat we er totaal naast zitten en dat er een nieuwe omzendbrief moet verschijnen. Daarom hebben we beslist om de omzendbrief eenmalig pas in september te versturen.

Ik neem nu dus nog geen piste. Autofinancieringsmarge wordt op dit moment niet gevraagd. We willen wel versoepelingen voor de BBR. Dat is de piste waar de VVSG over spreekt, maar met het grootste voorbehoud. Met alle ‘ifs and buts’ denkbaar, is dat de weg die zij suggereren. Ik wil daar nu nog niet ten gronde en definitief een standpunt over innemen. Bovendien wil ik waarschuwen dat als we over lokale besturen spreken, we dat altijd geaggregeerd doen, in globale termen. Dat zegt heel weinig over individuele gemeenten links en rechts. De ene kan zwaarder getroffen zijn dan de andere. Ik geef het voorbeeld van een kleinere gemeente waar één grote onderneming zit die bijdraagt aan de lokale financiën en die onderuitgaat. Dat heeft een enorme impact. Er zijn zo een aantal gemeenten in Vlaanderen. Er zijn gemeenten waar de armoede sterk toeneemt, met heel veel extra kosten voor het sociaal beleid. Dat zijn dingen die we nu nog wat moeten afwachten. We moeten kijken hoe dat evolueert. De bandbreedte van de scenario’s is nog altijd heel ruim. Dat moet nog een beetje naar elkaar groeien, voordat we zinvol de juiste weg kunnen uitgaan, mijnheer Warnez. Maar het zijn alleszins de eerste belangrijke, richtinggevende studies, die ons kunnen helpen bij het maken van de juiste keuzes in de loop van de komende weken en maanden. Het is een relevante vraag, maar ik denk dat u wel had verwacht dat ik nu nog niet decisief kan zeggen of het deze of gene richting uitgaat. Dat is echt nog te vroeg.

De heer Warnez heeft het woord.

Daar heb ik alle begrip voor, minister. Ik wil nog twee zaken aanhalen. Als die omzendbrief er in september komt, zullen op dat moment de cijfers van de APB-mininkomsten (aanvullende belasting op de personenbelasting) daarbij zitten? Of is dat nog later? De gemeenteraden hebben immers de verplichting om te rapporteren over hun meerjarenplan voor het einde van het derde kwartaal. Het zou wel zinvol zijn, mochten ze daar al iets van kunnen meenemen in de voorbereiding van de meerjarenplanning.

Zult u de impact van de APB actief monitoren? Of wacht u af tot de meerjarenplannen gewijzigd zijn? Ik denk wel dat er een groot verschil zal zijn tussen bepaalde gemeenten. Kustgemeenten zijn bijvoorbeeld veel sterker afhankelijk van een aantal belastingen, terwijl de inkomsten in steden bijvoorbeeld vooral uit werkingssubsidies bestaan. Daar zit een groot verschil in. Denk aan de bankencrisis: misschien is er een soort stresstest mogelijk, waarbij je in de databank automatisch een aantal gegevens aanpast rond inkomsten, waarbij je zelf al actief de gemeenten in het rood ziet gaan of niet.

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Het is een zeer terechte vraag van collega Warnez. Het is inderdaad iets waarbij we, ongeduldig als we zijn, af en toe al proberen om een en ander op tafel te leggen en te kijken waar we komen.

De aanleiding van deze vraag is wel logisch, omdat er toch wel wat nieuwe elementen op tafel liggen en cijfers naar voren zijn gekomen. Vandaar dat ik toch een paar aanvullende vragen heb. Het is een beetje zoals een bewolkte hemel die stilaan opklaart, maar ik vrees dat er achter de bewolking nog bewolking is. Stilaan krijgen we toch meer beeld en info over wat er allemaal komt.

Ik herinner me nog uw communicatie in januari, minister, over hoe trots we waren op de investeringsplannen van de lokale besturen voor de komende zes jaar. Gecombineerd met belangrijke opdrachten die ze op dit moment hebben voor corona maar ook voor andere kernopdrachten, maakt dat we dit heel nauw moeten opvolgen.

Ik vind het zelf een heel interessante piste – en ik wil er meer over vernemen – om te weten of het mogelijk is om meer maatwerk te doen. We spreken inderdaad geaggregeerd over die lokale besturen. Wat doen we met gemeenten waar er zich door specifieke omstandigheden specifieke problemen voordoen? Zijn daar specifieke antwoorden voor? Wordt erover nagedacht?

De timing is redelijk duidelijk, maar ik zou toch het pleidooi willen steunen om een goede balans te vinden tussen lang genoeg wachten tot we alles weten en ook niet te lang wachten. Waar ik wel wat bezorgd voor ben, is dat er bij de lokale bestuurders zelf een dynamiek van besparen ontstaat met het oog op het financieel plaatje en dat ze een aantal investeringen voor de komende jaren gaan schrappen. Probeer dat maar een keer om te keren. Als de dynamiek is ingezet, probeer dan drie maand later maar opnieuw om te gooien en het er allemaal opnieuw in te zetten. Het is geen kritiek, voor alle duidelijkheid, het is logisch dat we die balans moeten vinden tussen te snel ageren en niet te snel. Het is een aandachtspunt om extra op te letten.

De heer Van Miert heeft het woord.

Minister, u hebt meermaals de woorden ‘voorzichtig’ en ‘behoedzaam’ gebruikt. Dat is heel belangrijk, want we hebben al heel veel geld gegeven. Collega Warnez verwees er al naar. Er is ook nog het noodfonds, de ruimte en de respobijdrage. Het is onderhand wel een mooi pakketje van maatregelen die van bovenlokaal naar beneden gaan.

Ik volg ook de collega's. Ik denk dat het voor de lokale overheden belangrijk is dat we een bepaalde timing voor ogen houden, niet alleen binnen de gemeenteraden maar ook binnen de administratie. We moeten kunnen zeggen wanneer we vanuit Vlaanderen met een globaal idee komen. Het zal niet in steen gebeiteld zijn. Het zal zijn zoals we al drie maanden aan het werken zijn: vandaag weten we dit en morgen moeten we bijsturen. Het bijsturen van een meerjarenbegroting is niet evident. Ik voel ook bij ons dat er investeringen zullen wegvallen en dat is net het effect dat we niet willen. Het is misschien beter om nu een beetje bij te lenen dan de economie nog dieper in het slop te duwen.

Minister, ik ben heel blij met uw behoedzaamheid en uw voorzichtigheid, maar ik vraag toch ook om een timing te respecteren zodat de lokale besturen weten waarop en waaraan.

De heer Ongena heeft het woord.

Ik heb vrijdag meegedaan aan de webinar van de VVSG waarin ze de enquête hebben toegelicht. Het was zeer interessant. Wat me ook is bijgebleven, is dat men niet dramatiseert bij de steden en gemeenten. Men weet dat er iets gaat komen. Er is natuurlijk wel onzekerheid rond bepaalde aanvullende personenbelasting, wat altijd een beetje een onzekerheid is. We kennen het systeem. Nu is er natuurlijk een nog grotere onzekerheid over de onroerende voorheffing van bedrijven. Er is zeker onzekerheid, maar geen paniek. Dat was heel duidelijk. Ook voor een langere termijn zoals een meerjarenplanning was het duidelijk dat men niet verwachtte dat het een zeer zware impact zou hebben. We moeten wel afwachten hoe het zal evolueren.

Het is goed dat u wacht tot september, tot er meer zicht op is. Wat ik vooral onthoud, is dat er geen paniek was en dat op de langere termijn, met de autofinancieringsmarge op het einde van deze legislatuur, men niet echt vragende partij is om dat los te laten. Ik denk ook dat het verstandig is om dat niet los te laten.

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Collega's, bedankt voor de wijze beschouwingen. We moeten inderdaad niet panikeren. Dat blijkt ook uit cijfers. Dat zou een verkeerde reactie zijn. Verkeerd zou zijn dat we alle investeringen stilleggen, want we hebben investeringen nodig voor de relance. Lokale besturen zijn de publieke investeringsmotor van ons land. Ze zijn goed voor 8 procent van het BBP en voor 50 procent van de publieke investeringen. Dat is ongeveer de realiteit.

Het grote probleem is dat VLABEL en de FOD Financiën pas in oktober met nieuwe cijfers zullen komen. Ze kunnen dat niet vroeger omdat mensen ook nog hun belastingbrief moeten invullen. Ze moeten daar een relatief aantal van hebben verwerkt voor ze een inschatting kunnen maken. Daar kunnen we niet op wachten. De administratieve cyclus die lokale besturen volgen, begint vaak in de zomer met de opmaak van de begroting. Gelukkig is het de tweede van de cyclus. De eerste, belangrijkste en moeilijkste is al gemaakt.

Veel gemeenten en steden beginnen dus al in de zomer. De diensten beginnen dan te werken en te verzamelen. Er kan al voorbereidend werk gebeuren, maar de omzendbrief kunnen we echt niet later dan in september versturen. Dat is mijn overtuiging. Je moet die dan versturen, je kunt niet wachten op die heel actuele cijfers. Sommigen vroegen daarnaar, maar dat mogen we niet doen.

Het Federaal Planbureau schat nu een daling van het beschikbaar inkomen met 2 procent. Als je uitgaat van 2 miljard euro ontvangsten, dan is dat min 50 miljoen euro voor alle gemeenten samen. Dat is veel, maar ook niet onmogelijk. Dat is de benadering van collega Ongena. We moeten wel kijken hoe het verder verloopt. Als bij de OCMW's de mensen in armoede massaal aan de deur komen staan, is dat natuurlijk iets anders. Als de werkloosheid massaal toeneemt, is er een terugval van het beschikbaar inkomen dat misschien wel groter zou kunnen zijn enzovoort, enzovoort.

Ik wil wachten op de zomermaanden om iets meer cijfermateriaal in handen te hebben, en om in september de omzendbrief rond te sturen. Zo krijgt iedereen voor het einde van het jaar zijn begroting rond. In die omzendbrief gaan we natuurlijk oproepen om de investeringen niet los te laten. Ze kunnen het ook op een andere manier doen. Als we de komende twee, drie jaar wat meer ruimte laten om zich te herstellen en om met zachte maatregelen terug naar een evenwicht te komen, dan moet je dat als lokaal bestuur ook overwegen. De investeringen zijn heel belangrijk. Niet elke investering is zinvol, maar investeringen waarvan je weet dat ze de economie kunnen ondersteunen en voor groei kunnen zorgen, zou ik toch vasthouden.

De timing voor de omzendbrief moet dus september zijn. Daaraan moeten we ons proberen te houden. Er zullen nieuwe rapporten verschijnen van banken en van internationale instellingen. Op dat moment moeten we met alle informatie die we hebben, een zo goed mogelijk advies kunnen geven aan onze lokale besturen.

Extreme gevallen moeten altijd naar maatwerk gaan. Er was een gemeente die dat eens heeft voorgehad, ik denk dat het Genk was. Op het moment dat Ford Genk failliet ging, was dat onmogelijk voor Genk. We hebben daar toen goed over nagedacht en we zijn komen helpen, maar verder dan dat mogen we niet gaan, want binnen de kortste keren krijg je frustraties van het soort: waarom zij wel en wij niet? We moeten bij generieke maatregelen blijven. Een drama moet je altijd op zijn waarde weten in te schatten.

De heer Warnez heeft het woord.

Minister, ik ben bang dat de cijfers van VLABEL en de FOD Financiën er pas in oktober zullen zijn. Die zijn echt essentieel. Ik hoop dat er ergens nog genoeg slimme koppen worden gevonden die een raming kunnen maken. We weten hoeveel tijdelijk werklozen er zijn. (Opmerkingen)

Dat durf ik niet te zeggen. Mochten er toch slimme koppen worden gevonden, dan heel graag, en anders wordt het nattevingerwerk.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.