U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Meremans heeft het woord.

Collega’s, sinds 2018 zijn de provincies niet langer bevoegd voor persoonsgebonden bevoegdheden, zoals Cultuur. Er werden middelen overgedragen, circa 63 miljoen euro, en ook personeelsleden, roerende en onroerende goederen, naar hetzij Vlaanderen, hetzij gemeenten of steden. De samenwerking hierbij liep niet met elke provincie even vlot. We herinneren ons nog de leuke discussies die we daarover hebben gevoerd.

Voor 2018 en 2019 werd er door uw voorganger, minister Gatz, een warme overdracht beoogd door middel van de continuering van structurele middelen en een transitiereglement voor projecten. Waar mogelijk heeft men dus provinciale taken geïntegreerd binnen sectorale decreten. Voor de taken waarvoor dit niet mogelijk was, hebben we sinds 2020 het decreet betreffende de bovenlokale cultuurwerking, waar men kan rekenen op steun voor projecten en andere ondersteuning.

De afslanking van de provincies zorgde voor ongerustheid, zoals bij elke verandering. Met de eerder vermelde acties en de overname van het provinciaal personeel heeft minister Gatz toen geprobeerd om toch de nodige rust te brengen in de sector.

We zien nu ook al de eerste positieve resultaten van die afslanking. Ik denk bijvoorbeeld aan de vrijwilligersverzekering en de uitrol van Boekstart. Dat neemt niet weg dat er ook een aantal aandachtspunten zijn waarop we verder moeten inzetten. Ik denk bijvoorbeeld aan de drempelverlagende maatregelen voor de kleinere organisaties.

Wat het Bovenlokaal Cultuurdecreet betreft, hebt u, in uw antwoord op de vraag om uitleg van collega Van de Wauwer van 29 januari 2020, reeds aangegeven dat u het decreet zult evalueren nadat het een aantal projectrondes heeft doorlopen.

Net zoals het logisch is dat we het nieuwe Bovenlokaal Cultuurdecreet evalueren, is het misschien ook wel opportuun dat we een evaluatie maken van de andere onderdelen van de provinciale afslanking wat betreft Cultuur om zo een goed overzicht te krijgen en na te gaan of er eventueel hiaten gevallen zijn in het culturele landschap.

Minister, wat zijn volgens u tot dusver de succesverhalen die voortvloeien uit de afslanking van de provincies met betrekking tot Cultuur?

Bent u van oordeel dat er met de afslanking van de provincies ook voldoende budget mee is overgeheveld vanuit alle provincies?

Op welke manier wordt het budget van 63 miljoen euro – de overgedragen provinciale middelen – momenteel in 2020 gebruikt? In hoeverre zijn die middelen bij de oorspronkelijke cultuursector – erfgoed, amateurkunsten – gebleven waarvoor ze ten tijde van de provinciale subsidies werden gebruikt?

Zijn er naast het Bovenlokaal Cultuurdecreet andere specifieke aandachtspunten met betrekking tot de afslanking waarvan u een evaluatie overweegt? Zo ja, wenst u die evaluaties te kaderen in een algemene evaluatie van de afslanking van de provincies met betrekking tot Cultuur om hiaten te detecteren? Overweegt u ook om de overdracht van het personeel mee te evalueren?

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Mijnheer Meremans, voor het beleidsveld Cultureel Erfgoed werden niet alleen subsidieregelingen overgedragen van het provinciale naar het Vlaamse niveau, maar ook twee zeer goed uitgebouwde dienstverlenende componenten. Zo waren er enerzijds de erfgoedconsulenten, die ondersteuning boden op het vlak van behoud en beheer van collecties en die – kleinere – musea ondersteunden en begeleidden bij hun werkingen. Anderzijds waren er de consulenten gespecialiseerd in collectieregistratie en digitalisering. Beiden hadden ook een eigen instrumentarium ontwikkeld, zoals DEPOTWIJZER.be, uitleendiensten en erfgoeddatabanken.

De vaststelling was dat het aanbod en bijhorend instrumentarium van provincie tot provincie verschillend werd uitgebouwd en dat bijgevolg de dienstverlening voor de vele erfgoedhouders en beheerders sterk kon verschillen. 

De overdracht naar het Vlaamse niveau bracht de mogelijkheid om voor iedereen een gelijkaardige en gelijkwaardige dienstverlening uit te bouwen. Een voorbeeld hiervan is de realisatie van één centrale uitleendienst met materiaal dat kan ingezet worden voor erfgoedbeheer in de ruime zin, met tien decentrale uitleenpunten mooi regionaal gespreid over heel Vlaanderen. Voor deze dienstverlening werd vanuit het departement nauw samengewerkt met het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed (FARO) en de erfgoedcellen. Het resultaat is dat elke erfgoedhouder vandaag over eenzelfde aanbod aan materiaal beschikt en op eenzelfde dienstverlening kan rekenen. 

De uitleendienst werd intussen, samen met een deel van het consulentschap overgedragen aan het steunpunt FARO, waar expertise gebundeld kan worden en efficiënt, in samenwerking met diverse actoren over Vlaanderen, wordt uitgerold. 

Voor de Erfgoeddatabanken loopt momenteel een gelijkaardige alles omvattende oefening, in nauw overleg met diverse actoren en gebruikers. Het doel is daar een dienstverlening uit te bouwen op basis van noden en behoeften, voortbouwend op de kennis en expertise die overgedragen werd vanuit de provincies, maar wel ingebed in een breder kader en over provinciegrenzen heen.

2018-2019 was een geslaagde overgangsperiode waarin 547 bovenlokale projecten uit diverse sectoren – kunsten, erfgoed, sociaal-cultureel volwassenenwerk, circus, amateurkunsten en jeugd – werden ondersteund via het transitiereglement voor de subsidiëring van culturele projecten met een bovenlokale uitstraling, voor een totaalbedrag van bijna 7 miljoen euro. Via de continuering van de provinciale werkingsmiddelen werden de subsidies van alle 1056 organisaties, die voorheen werkingssubsidies voor cultuur of jeugdwerk ontvingen via de provincies, of amateurkunstenverenigingen die subsidies ontvingen voor hun deelname aan de provinciale wedstrijden, gecontinueerd in 2018 en 2019 door de Vlaamse overheid. 

Daarnaast vonden de voormalige provinciale musea een verankerde plaats binnen het Cultureelerfgoeddecreet en werden een aantal provinciale cultuurinstellingen die geen lokale inbedding vonden, overgenomen, met name het Streuvelshuis/Lijsternest, Mu.ZEE en Z33.

De uitrol van het Bovenlokaal Cultuurdecreet van 15 juni 2018 kan tot dusver zeer succesvol genoemd worden. In 2018 en 2019 werden via talrijke drukbezochte infosessies de voorwaarden bekendgemaakt voor de verschillende subsidielijnen van het decreet. Op die manier werd ook het begrip ‘bovenlokaal’ geïntroduceerd. De definiëring van dit begrip gebeurt met voortschrijdend inzicht en krijgt meer en meer concrete vorm. Dit proces zal de komende jaren voortgezet worden.

In 2019 waren er 2 indienrondes voor bovenlokale cultuurprojecten, waarbij op 15 mei 153 en op 15 november 137 projecten een subsidieaanvraag indienden. In de eerste ronde werden door collega-minister Peeters, die nog even minister van Cultuur is geweest, 34 projecten gehonoreerd, in de tweede ronde werden 27 projecten gehonoreerd. 

Op 1 oktober dienden 19 intergemeentelijke samenwerkingsverbanden een aanvraag voor een werkingssubsidie in voor de komende 6 jaar. Alle 19 aanvragen werden gehonoreerd, wat betekent dat op dit ogenblik 147 Vlaamse gemeenten participeren in een bovenlokaal cultureel samenwerkingsverband. Deze subsidielijn treedt in de plaats van de vroegere ondersteuning van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden voor de afstemming van het aanbod en de cultuurcommunicatie, in het kader van het decreet betreffende het Lokaal Cultuurbeleid van 6 juli 2012. Daarop werden 10 samenwerkingsverbanden gesubsidieerd waar in 2019 78 gemeenten aan deelnamen. Vlaanderen heeft vanaf 2020 dus 9 intergemeentelijke samenwerkingen meer, in dit geval specifiek met een regisseursrol voor het bovenlokale culturele veld, met een bereik van 69 gemeenten meer. Dit wil ik een succes noemen. 

Op 1 januari 2019 ging, in aanloop naar de volledige implementatie van het Bovenlokaal Cultuurdecreet van 15 juni 2018 een steunpunt voor bovenlokale cultuur van start met als taak de versterking en de ondersteuning van het bovenlokale culturele veld. Op 1 november laatsleden diende dit steunpunt een aanvraag voor een werkingssubsidie in voor de komende vijf jaar, om de doelstelling van het Bovenlokaal Cultuurdecreet mee te helpen realiseren en het veld daartoe de nodige ondersteuning te bieden. De Vlaamse Regering besliste op 27 maart om deze opdracht toe te kennen aan het Steunpunt voor Bovenlokale Cultuur OP/TIL en kende daarvoor een werkingssubsidie toe van 920.000 euro. Intussen is ook een beheersovereenkomst afgesloten met dat steunpunt. Het bovenlokale culturele veld heeft er dus een aantal belangrijke spelers bij gekregen, en via de projectsubsidies krijgen bestaande en/of nieuwe initiatieven een impuls om een bovenlokaal project op te zetten.

De naar de Vlaamse Gemeenschap overgedragen provinciale gebouwen worden beheerd door het Fonds Culturele Infrastructuur (FoCI). De Vlaamse overheid zet haar expertise in om de gebouwen verder te onderhouden, maar ook om ze te verbeteren. Na de bouwkundige audits die via de quickscans in 2018 werden uitgevoerd, voert het FoCI nu aanpassingen uit. Het legt daarbij onder andere de focus op relighting en een verbetering van de klimatisatie en toegankelijkheid.

Ik heb momenteel nog geen signalen ontvangen dat er onvoldoende budget is overgeheveld vanuit alle provincies.

Op welke manier wordt het budget van 63 miljoen euro in 2020 gebruikt? Het overgrote deel van de verevende middelen, met name de structurele werkingstoelagen, werden toegevoegd aan de subsidie-enveloppes van de ex-provinciale jeugd- en culturele organisaties. Het Bovenlokaal Cultuurdecreet van 15 juni 2018 en het decreet van 22 december 2017 houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen hebben met ingang van 2020 de vroegere taakstellingen van de provincies gecontinueerd, maar ze doen dat vanzelfsprekend vanuit een Vlaamse focus. De budgetten zijn vanaf 2020 finaal bij deze decreten terechtgekomen.

Vanaf 2020 is er 940.000 euro ex-provinciaal geld verankerd voor talentontwikkeling in de sector van de amateurkunsten. Oorspronkelijk was dat 1 miljoen euro, maar door de besparing van 6 procent is dat 940.000 euro geworden.

Via de World Choir Games werd in 2019 500.000 euro en in 2020 nog eens bijkomend 1 miljoen euro in de amateurkunstensector geïnvesteerd.

Bij de afslanking van de provincies werd 24,5 miljoen euro aan investeringsmiddelen overgedragen aan het FoCI. In de periode 2018-2024 wordt jaarlijks 3,5 miljoen euro verdeeld over de naar de Vlaamse Gemeenschap overgedragen gebouwen en de lokale besturen waarnaar de andere gebouwen werden overgeheveld. De verdeling werd vastgelegd in het door de Vlaamse Regering goedgekeurd meerjarenplan 2018-2024.

Aandachtspunten blijven een correcte migratie van het bovenlokaal bibliotheekbeleid, een expliciete taakstelling van het voormalig provinciaal cultuurbeleid, en de optimalisatie van de regionale erfgoeddatabanken. Ook de dienstverlening vanuit het erfgoedconsulentschap met daaraan verbonden de website https://www.depotwijzer.be/ en de eerder reeds genoemde Uitleendienst Erfgoed, vragen blijvende aandacht. Deze opdrachten werden samen met het daaraan verbonden personeel op 1 juli 2019 overgedragen aan het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed FARO. De opvolging verloopt via de beheersovereenkomst en het structureel overleg tussen het steunpunt en het departement. 

Ook de optimalisering van de talentontwikkeling bij onze amateurkunsten blijft een prioriteit. Ik zal de ambitienota’s van de desbetreffende koepelorganisaties opvolgen en erover waken dat de middelen die nu worden ingezet voor de organisatie van de World Choir Games in de toekomst worden aangewend voor de verdere uitbouw en ondersteuning van ons rijk amateurkunstenveld.

Een algemene evaluatie, mijnheer Meremans, dringt zich mijns inziens niet op. De evaluatie van de overdracht van het personeel wordt zeker meegenomen in de algemene evaluatie van het apparaat en in het bijzonder van de personeelsinzet.

De heer Meremans heeft het woord.

Het dossier van de provincies is een van mijn kindjes geweest vorige legislatuur, ik heb dus met veel aandacht naar uw antwoord geluisterd. Ik ben het er uiteraard wel mee eens: het was een zeer moeilijke operatie waar ik tot op vandaag nog steeds grijze haren van krijg, van de verschillende overdrachten. Het waren soms heroïsche discussies met gedeputeerden die dat beleid natuurlijk ook als hun kindje zagen en het niet graag zagen vertrekken. Dan moet je soms de bluts met de builen nemen. Is alles perfect verlopen? Neen, maar in alle grote lijnen wel.

Ik denk dat er zich nog drie hiaten bevinden in de hele overheveling. Het eerste is het streekgericht bibliotheekbeleid. We hebben het daar al eens over gehad in een commissievergadering. Toen vroegen we ons ook af of dat wel goed ingebed was in de administratie. U gaf ook de erfgoedconsulenten aan. Ik denk dat dat inderdaad een heel goede efficiëntieoefening geweest is door dat samen te doen met het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed FARO. Ik denk dat we voor het streekgericht bibliotheekbeleid naar eenzelfde oefening moeten gaan waarin we de bibliotheekconsulenten toevoegen aan een intermediaire speler zodat de uitoefening van dat streekgericht bibliotheekbeleid dan door een intermediair kan gebeuren à la FARO, maar dan op bibliotheekbeleid. Dat hoeft eigenlijk niet ingebed te worden in de schoot van het departement. Dat is een eerste aandachtspunt, maar ik herinner mij dat u een aantal maanden geleden in de commissievergadering zei dat dat bekeken moest worden.

Het tweede aandachtspunt lijkt mij het decreet Bovenlokale Cultuurwerking. Dat decreet werkt, zeker als je kijkt naar de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Het doet mij plezier om de cijfers te horen. Maar volgens wat ik verneem van een aantal provinciale spelers is daar de drempel te hoog. We hebben al langer gezegd dat dat decreet geëvalueerd moet worden, laat ons daar dus rekening houden met die drempel om subsidies binnen te halen.  

Het derde punt, het depotbeleid, is een echt kluwen. Eigenlijk gebeurde dat heel goed door de provincies. Er was per provincie een depot waar bijvoorbeeld ook kerkelijke goederen enzovoort naartoe konden gaan. Het was heel moeilijk om dat vanuit Vlaanderen over te nemen, zeker in de zin dat je daar wat meer sturende regierol op wilt.  Het departement heeft daar toen een nota over gemaakt, maar dat betekent dus ook dat er daar infrastructurele middelen voor nodig zijn. We moeten nog altijd in ons achterhoofd houden dat dat depotbeleid nog een tandje bij kan hebben. 

Nog even tussen haakjes: u hebt de cijfers meegegeven van de bovenlokale projecten. Ik zie dat collega Meremans daar straks ook een vraag over heeft. Ik vond dat een beetje eigenaardig – ik heb dat ook laten weten aan de voorzitter – want ik had daar een schriftelijke vraag over ingediend omdat dat heel veel cijfers zijn. Normaal gezien zou ik het antwoord daarop gekregen moeten hebben op 20 april. Dat antwoord is er nog altijd niet. Ik vind het dus een beetje raar dat collega Meremans daar nu een mondelinge vraag over stelt, met alle respect voor collega Meremans. Ik geef maar mee dat ik daar ook een schriftelijke vraag over gesteld had en dat de twee zaken elkaar gekruist hebben. Het is spijtig dat het antwoord nog niet beschikbaar was.

Het is nu eenmaal onvermijdelijk dat er soms overlapping is in die vragen. Maar ik geef iedereen mee dat als een schriftelijke vraag niet op tijd beantwoord is, je ze kunt indienen als vraag om uitleg. Dan wordt die opgenomen in de agenda, er zijn dan weinig redenen om die tegen te houden, zelfs al vraagt men naar cijfers. U moet dat zeker in het achterhoofd houden, u kunt dat altijd doen.

De heer Pelckmans heeft het woord.

Gustaaf Pelckmans (Groen)

Goedemorgen, collega’s, u zult begrijpen dat ik hierover toch wat kritischer ben dan de voorgaande stemmen, enerzijds vanuit mijn politieke overtuiging, maar anderzijds ook vanuit mijn eigen ervaring.

Eerst wil ik een algemene opmerking maken. Groen heeft zich steeds iets afgevraagd. De hervorming van de provincies en de interne staatshervorming was zeker aan de orde. Daarover hebben we zeker geen twijfels. Maar we hadden dat liever veel grondiger gezien. Nu blijf je eigenlijk met halve structuren en halve oplossingen zitten, terwijl het probleem van de zogenaamde verrommeling eerder zit in andere structuren die regionaal nog actief zijn, zoals intercommunales, vervoersovereenkomsten enzovoort. Wij hadden veel liever gezien dat er meteen een veel grondiger verhaal werd voorzien.

Ik ga meteen door naar de cultuursector. Voor alle duidelijkheid – en ik richt mij uitdrukkelijk tot collega D’Hose: ik heb altijd heel veel waardering gehad voor de wijze waarop u, uiteraard onder leiding van uw minister, dit verhaal hebt behandeld. Dat is inderdaad warm gebeurd. Maar warm is voor mij in dezen natuurlijk niet genoeg. Natuurlijk zijn er heel goede en positieve effecten. Het hele verhaal dat de minister-president over het erfgoed heeft gedaan, dat volg ik wel. Maar verder heb ik ook een aantal echt – excusez le mot – lugubere vaststellingen moeten doen. Er is volgens mij heel veel geld, dat vroeger provinciaal werd uitgegeven voor onze sector, verloren gegaan. Echt heel veel. Daar zijn verschillende redenen voor, niet het minst dat de verschillende provincies bij de afrekening ook zelf hebben geprobeerd wat geld achter te houden, omdat zij in een moeilijke positie kwamen. Dat onderken ik zeker. Ik vind het voor een stuk ook begrijpelijk. Maar de reden is vooral ook dat een aantal middelen werden gemeten aan de logica en de beoordeling van het Vlaamse niveau. En daar zit nu net de hele queeste, want daarin is een heel groot verschil.

Minister, ik zou heel graag willen dat die studie wordt uitgevoerd. Ik heb zelf eens geprobeerd om die oefening te maken. Maar dat is niet te doen. Je moet je daarvoor heel professioneel laten begeleiden. Minister-president, ik vraag me echt objectief af of het vanuit het beleid geen juiste keuze zou zijn om bij zo'n belangrijke oefening, waarbij zoveel mensen betrokken zijn, achteraf na te gaan of die helemaal geslaagd is of niet, op basis van cijfers en interviews in het veld. En dan kunnen we kijken of we daar eventueel moeten bijsturen of moeten teruggaan – en dat is absoluut geen pleidooi van mij. In ieder geval moeten we bekijken of we daar niet grondig moeten bijsturen, zeker als we straks gaan naar een evaluatie van het decreet betreffende de bovenlokale cultuurwerking.

Minister-president, ik herhaal de vraag – ik ben trouwens heel blij met de vraag van collega Meremans – om wél een grondige evaluatie uit te voeren op basis van cijfers.

Ik wil ten slotte nog een punt aanhalen. In de huidige structuur tussen Vlaanderen, het wegvallen van de provincies en het nieuwe decreet, mis ik de regionale benadering. Ik wil daarrond kort een politiek-filosofisch verhaal vertellen.  

Mijnheer Pelckmans, u had eigenlijk twee minuten.

Gustaaf Pelckmans (Groen)

Oké, ik sluit af. Mijn eerste vraag is duidelijk een vraag naar die studie.

Mijn tweede vraag is: moeten we met z'n allen niet vooruitkijken en ook, zoals voor brandweer, politie en ziekenhuizen, naar een echt regionaal cultuurbeleid gaan, met eventueel een regionale cultuurraad, gestructureerd en daarin ondersteund door Vlaanderen?

De heer Meremans heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitvoerig antwoord, waarvan ik toch 90 procent heb gehoord. Door problemen met de internetverbinding heb ik de laatste 10 procent niet meer gehoord.

Er zitten zeker positieve elementen in die overheveling. Er is een proces dat moet worden opgestart. Dat begrijp ik ook. Ik begrijp ook wat de heer Pelckmans zegt. Ik heb dat zelf in het verleden ook al gezegd. Op termijn – daar ben ik het mee eens – zou je eigenlijk moeten komen tot cultuurregio’s waarbij Vlaanderen zegt dat we alles wat lokaal is lokaal doen. Vlaanderen geeft dan voor het bovenlokale geld aan die regio, en dan zou die regio dat zelf kunnen beheren. Maar zover zijn we nog niet. Dat is een lopend proces. Ik zie dat er nu al veel meer gemeenten intergemeentelijke samenwerkingsverbanden sluiten. In dat decreet lijkt dat een goede zaak.

We kunnen niet zeggen dat de overheveling voor een kaalslag heeft gezorgd in de provincie. Daar ben ik het niet mee eens. Dat we het moeten blijven monitoren, daar ben ik het wel mee eens. Wel is het zo dat elke provincie zo haar eigen dada’s had, haar eigen manier van werken. Terwijl het nu voor heel Vlaanderen een beetje hetzelfde is. Dat komt volgens mij de kwaliteit ten goede en maakt het aanbod voor iedereen gelijk.

Ik geef dat mee als eerste repliek. 

Mevrouw Brouwers heeft het woord.

De collega heeft een interessant item aangebracht. De overheveling van het provinciale cultuurbeleid deels naar Vlaanderen en deels naar de gemeenten is nog vrij nieuw. Volgens ons zijn de middelen correct overgedragen. Minister-president, u hebt dat bevestigd. Daar is een akkoord over. We moeten daar verder geen vragen over stellen.

Natuurlijk zijn er wel wat vragen over het personeel. Minister-president, u hebt gezegd dat u een algemene evaluatie zult maken van het apparaat en dat die dan kan worden meegenomen. De vraag is inderdaad hoe de overgehevelde personeelsleden zich daarbij voelen. Zijn er ondertussen alweer mensen vertrokken? Dat soort vragen hebben wij natuurlijk ook.

Het is waar dat het cultuurbeleid zelf geen kaalslag is geworden. Het is waar wat de heer Meremans daarover zegt. Maar de vraag is of het cultuurbeleid an sich hier beter van wordt. Dat zullen we misschien pas binnen een paar jaar goed kunnen evalueren. Staat het cultuurbeleid nog dicht genoeg bij de mensen, de organisaties en burgers? Een evaluatie van dat hele bovenlokale decreet zal zeker eens moeten gebeuren.

Ik ben het eens met collega D’Hose, die zegt dat er nu wel een hiaat is rond het depotbeleid. Vroeger hadden we toch een bepaalde post waar depots een subsidieaanvraag konden doen. Bestaat dat nog? Is er eigenlijk een beleid rond depots? Dat is in Vlaanderen op dit moment een hiaat. Dat werd vroeger voor een deel door de provincies opgenomen. Daar moeten we het in de toekomst eens over hebben. Hoe gaan we daarmee verder?

Dan heb ik nog een vraagje. De provinciebesturen hadden vroeger een goed uitgebouwde vrijwilligersvereniging, waar verenigingen maar ook burgers hun weg naar vonden. Hoe gebeurt dat nu? Worden de overgehevelde middelen daar nog voor gebruikt? Kunnen burgers en vooral organisaties en verenigingen nog een beroep doen op een vrijwilligersverzekering? Waar kan dat? Is dat voor hen nog gemakkelijk?

Mevrouw Segers heeft het woord.

Dank aan collega Meremans voor de vraag en aan minister-president Jambon voor het antwoord.

De overheveling of de afschaffing van de persoonsgebonden materies op provinciaal niveau is een kwestie die ons al lang bezighoudt en die ik eigenlijk nooit heb begrepen. Jawel, ik heb ze wel begrepen, het is natuurlijk een ideologische beslissing geweest. Maar ze betekende wel dat een wezenlijke vorm van steun vanuit de provincies, vooral voor kleinere gemeenten, is weggevallen. Toen men besefte dat de afstand tussen de gemeenten en Vlaanderen te groot was, heeft met het decreet Bovenlokale Cultuurwerking gemaakt. We moeten allemaal toegeven dat dat geen ideaal decreet is. We staan dus zeker voor de oefening om daar een grondige evaluatie van te maken.

Mevrouw D'Hose zegt dat de intergemeentelijke samenwerkingen (IGS’en) goed verlopen, maar dat is toch nog niet overal zo. Er bestaan nog grote verschillen. Ik zie dat ook bij de IGS in onze regio. Ik ben zelf schepen van Cultuur geweest. De steun, niet alleen via middelen, maar ook via expertise vanuit de provincie, werd niet opgevangen door de IGS. Op dat vlak is er echt een gemis. Het gaat ook over de expertise van het personeel. Binnen de provincie hadden we ongelooflijk goede specialisten. Zij zijn overgeheveld naar de departementen en zijn nu niet meer beschikbaar voor de gemeenten.

Ik ondersteun zeker het idee dat als we het Bovenlokaal Cultuurdecreet zullen evalueren, we dat evidencebased moeten doen. Ik steun het voorstel van de heer Pelckmans om een grondige cijfermatige evaluatie te maken, waarbij we zowel de organisaties en de IGS’en bevragen, maar ook de lokale besturen en hun schepenen van Cultuur. Die moeten daar zeker bij betrokken worden, om een doordachte en evidencebased evaluatie van het Bovenlokaal Cultuurdecreet te kunnen maken. Ondersteunt u dit idee, minister-president?

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Over het bovenlokaal cultuurbeleid heb ik een paar weken verschillende vragen gesteld in deze commissie. Ik ben altijd blij wanneer dit thema opnieuw behandeld wordt. We hebben het hier al gehad over de nood aan een globale evaluatie. Het is natuurlijk belangrijk dat die er komt. Toch denk ik dat het nog iets te vroeg is voor een globale evaluatie van de overheveling van het provinciale cultuurbeleid. Zo’n evaluatie hangt ook af van de evaluatie en de bijsturing van het nieuwe Vlaamse beleid rond bovenlokaal cultuurwerk, en ook van hoe de nieuwe gemeentebesturen zullen omgaan met de gewijzigde bevoegdheidsverdeling na de interne staatshervorming.

Enkele zaken zijn al aangehaald en er zijn al bijkomende vragen gesteld door mijn collega’s. De bibliotheekconsulenten, waar de heer D’Haese naar verwees, heb ik ook al aangehaald in mijn vraag om uitleg over het bovenlokaal bibliotheekbeleid. Ik wil nog eens benadrukken dat ik daar volledig achtersta.

Ik wil ook opnieuw onze bezorgdheid over de amateurkunsten aankaarten. De amateurkunsten worden momenteel nog niet volledig opgevangen door het nieuwe beleid. Ik vermoed dat dit element ook ter sprake zal komen in de laatste vraag van de heer Meremans, dan kunnen we daar verder op terugkomen.

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Er zit natuurlijk een stuk ideologie achter de overheveling van de cultuurmiddelen, maar dat debat is al gevoerd. Daar komen we nu niet op terug.

Mevrouw D’Hose, u geeft drie hiaten aan en ik wil die meenemen. Ik heb al aangegeven dat we van het Bovenlokaal Cultuurdecreet een grondige evaluatie zullen maken, maar ik ondersteun de inbreng van een aantal collega’s die zeggen dat het daarvoor nog iets te vroeg is. We willen nu eerst het Kunstendecreet afwerken en daarna de evaluatie van het Bovenlokaal Cultuurdecreet maken. Dat is werk op de plank voor 2021.

Mevrouw D’Hose, ik wil mij ook excuseren voor die schriftelijke vraag. Ik heb het nagekeken: ze zit vandaag bij mijn adviseurs, dus u gaat daar deze week een antwoord op krijgen. Het is niet mijn gewoonte om vragen te laten hangen, maar we hebben in het Bureau wel begrip gekregen dat, in het kader van corona, nu de antwoordtermijn voor schriftelijke vragen een beetje langer is. Maar deze week krijgt u nog een antwoord op de schriftelijke vraag, met alle gegevens die u vraagt. Mijn excuses, het is niet mijn gewoonte om vragen te laten hangen.

Mijnheer Pelckmans, u zegt dat u het veel grondiger gedaan had, dat is een algemene politieke vraag. Ik denk dat er in de intercommunales toch al een gigantische sanering was, zeker wat betreft raden van bestuur en fusies van intercommunales. Volgens mij is dat een werk dat nooit af zal zijn, men gaat daar altijd moeten evolueren en kijken waar men nog kan optimaliseren. Maar dat daar nog een traject af te leggen is, daar ben ik het absoluut mee eens.

Wat de grondige evaluatie op basis van cijfers betreft: als u dat tevreden zou stellen, kunnen wij u al een overzicht bezorgen van hoeveel van de middelen uit de provincies kwam en op welke manier die allemaal herbestemd werden sinds 2018. De evolutie van die cijfers voor 2018, 2019 en 2020 kunnen we u dus bezorgen.

Mevrouw Brouwers, wat de vrijwilligers betreft, denk ik dat daar het Vlaams Steunpunt Vrijwilligerswerk een belangrijke taak heeft. Zij doen goed werk in de ondersteuning van het Vlaams verenigingsleven. We hebben een open lijn met hen, ook in het kader van de coronacrisis, maar we kunnen uiteraard bekijken hoe we hun werking in de toekomst kunnen versterken. Er is daar permanent contact.

Wat het depotbeleid betreft – daar hebben mevrouw D’Hose en mevrouw Brouwers op gewezen – hebben wij in het Vlaams Regeerakkoord opgenomen dat wij een regierol opnemen voor een afgestemd depotbeleid dat niet enkel inzet op nieuwe bewaarplaatsen om te borgen, maar na waardering en inventarisatie ook resulteert in herbestemming en afstoting, een grondige doorlichting dus van wat daar thuis hoort en wat niet. We doen dat samen met specifieke partners en met lokale besturen, en gezamenlijk voor de culturele als de onroerend erfgoedsector. Mevrouw D’Hose heeft gezegd dat daar inderdaad ook kerkelijk archief in zit. Je hebt nu de situatie dat meer en meer kerken herbestemd worden, dat materiaal komt dus ook mee in depot en er wordt ook specifieke aandacht besteed aan collecties van herbestemde kerken.

Wat de amateurkunsten betreft ten slotte, is het mijn intentie om een decreet rond amateurkunsten nog deze legislatuur een update te geven. Dat komt ook nog, je kan niet alles tegelijk.

De heer Meremans heeft het woord.

Het is een beetje zoals Terminator: 'I’ll be back.' Internet weg, dan terug.

Maar in elk geval, bedankt iedereen, voor jullie bijdragen. Het is goed dat we die vraag gesteld hebben en dat debat voeren. Ik neem ook mee dat de heer Van de Wauwer zegt dat we een grondige evaluatie het best wat later doen, dat begrijp ik ook wel.

We krijgen info over die herbestemming van middelen. Ik denk dat we niet zo ver van elkaar zitten, collega’s, ik ben ook voor het pleidooi voor de regio’s, maar dit kadert in een algemeen geheel dat we willen gaan naar die regiovorming. Je kunt die regiovorming maar pas tot zijn volledig bloei laten komen op het ogenblik dat er ook geen schoonmoeder meer is, dat er geen provincies meer zijn, want dan ga je het werkelijk naar de regio’s laten gaan. Als je echt naar regiovorming wilt gaan, moet je het ook doen met sterke, bestuurskrachtige gemeenten, lees: grotere gemeenten. Dat is natuurlijk een politiek standpunt, maar daarvoor zit ik hier ook.

Ik heb ook begrepen dat er een decreet op komst is, maar eerst moeten we nog andere decreten behandelen, voor amateurkunsten. Dat is heel belangrijk. Heel veel Vlamingen zijn bezig met amateurkunsten. Een update is dus zeker nodig. Ik kijk daarnaar uit.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.