U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Tavernier heeft het woord.

Voorzitter, ik ben blij dat ik deze vraag eindelijk kan stellen want ik had ze al in februari ingediend. Door de gedachtewisselingen met de verschillende ministers en de coronacrisis is ze een beetje op de lange baan geschoven. Gelukkig komt er van uitstel geen afstel.

Minister, het Huis van het Nederlands is in Brussel hét centrale punt voor het verlenen van advies aan volwassenen over Nederlands leren en oefenen. Na het afnemen van een taaltest worden bezoekers doorverwezen naar de meest geschikte cursus Nederlands als tweede taal (NT2) en hebben zij eveneens de mogelijkheid om zich ter plaatse voor zo’n cursus in te schrijven.

Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag aan uw collega, minister Bart Somers, over de uitstroom bij het Huis van het Nederlands, blijkt dat in 2019 maar liefst 17.729 bezoekers aanklopten bij het Huis van het Nederlands met een vraag over taalcursussen NT2. Van deze groep bezoekers schreven 10.022 individuen zich effectief in voor een NT2-cursus.

De cijfers bewijzen dat de taalcursussen Nederlands niet enkel interesse wekken bij nieuwkomers, maar ook, en vooral zelfs, bij landgenoten met het Frans als moedertaal. Dat is een erg positief signaal, dat aantoont dat het Nederlands aan belang en respect heeft gewonnen onder de Brusselaars.

Anderzijds blijkt uit de cijfers ook dat de slaagcijfers per lesmodule problematisch zijn. Amper 52,8 procent van de cursisten slaagt voor de module waarvoor ze ingeschreven zijn. 11,2 procent slaagt niet en maar liefst 24,9 procent valt in de loop van de module uit.

Minister, in uw beleidsnota geeft u aan dat het versterken van de positie van het Nederlands in Brussel een rode draad vormt doorheen uw beleid. U onderschrijft daarbij de centrale rol van het Huis van het Nederlands in een actief taalpromotie- en oefenkansenbeleid.

Minister, hoe evalueert u deze cijfers? Welke oorzaken ziet u voor deze lage slaagcijfers en hoge uitval?

Welke beleidsmaatregelen zult u koppelen aan deze evaluatie?

Op de volgende deelvraag hebt u al gedeeltelijk geantwoord bij mijn vorige vraag om uitleg. Zult u samenzitten met minister Bart Somers om te bekijken hoe de hoge uitval bij de cursussen NT2 aangepakt kan worden en de lage slaagpercentages verhoogd kunnen worden?

Zult u samenzitten met het Huis van het Nederlands om samen te bekijken op welke manier het Huis – bijvoorbeeld door middel van zijn adviesverlening – kan bijdragen aan het opkrikken van de slaagpercentages van de cursussen NT2?

Minister Dalle heeft het woord.

Minister Benjamin Dalle

Dank u wel, voorzitter. Collega Tavernier, naar aanleiding van uw huidige vraag om uitleg en uw vraag om uitleg nr. 1385, werden de cijfers uit het antwoord op schriftelijke vraag nr. 65 aan minister Somers inderdaad verder vervolledigd en verfijnd door het Huis van het Nederlands Brussel. Dat levert lichtjes andere cijfers op dan de cijfers die u aanhaalde. Ook hier, voorzitter, stel ik voor dat ik na de commissievergadering de tabel doorstuur, zodat het helder is.

Belangrijk is het totaal aantal eerste inschrijvingen door het Huis van het Nederlands Brussel in NT2-modules, en dat bedroeg 12.447. Hoeveel mensen daarvan waren geslaagd? Dat is wat meer dan wat eerder werd geciteerd: het gaat om 59 procent of 7377 geslaagden. Er waren 13 procent niet-geslaagden en 28 procent nam niet deel (zie bijlage 1).

Nu we dus de volledige cijfers voor 2019 hebben, stellen we vast dat iets meer dan 59 procent van de Brusselse cursisten slaagt voor de module waarvoor ze in 2019 door het Huis van het Nederlands werden ingeschreven. 13 procent slaagt dus niet en 28 procent neemt niet deel aan de examens.

Het is wel belangrijk op te merken dat we die cijfers voorzichtig moeten interpreteren. Er worden bijvoorbeeld inschrijvingen geteld, geen cursisten. Bovendien gaat het om de inschrijvingen door het Huis van het Nederlands Brussel. Dit zijn overwegend eerste inschrijvingen van nieuwe cursisten die nog nooit eerder Nederlandse taallessen volgden of van cursisten die opnieuw startten na een lange tussenperiode. Cursisten die doorstromen naar een vervolgmodule of die zich een tweede keer inschrijven voor dezelfde lesmodule, komen meestal niet opnieuw langs bij het Huis van het Nederlands Brussel en zijn dus niet begrepen in deze cijfers.

Wanneer we de cijfers bekijken voor deze vervolginschrijvingen in de onderwijscentra, zien we dat het slaagpercentage logischerwijze hoger ligt – 64 procent – en het aantal niet-deelnames aan examens lager – 21 procent (zie bijlage 2).

Wanneer we dan de cijfers van het Huis van het Nederlands Brussel vergelijken met de cijfers voor heel Vlaanderen, valt eigenlijk vooral het relatief kleine verschil op tussen Brussel, de steden Antwerpen en Gent, en de Vlaamse provincies. De slaagpercentages daar variëren van 56 procent in de stad Antwerpen – dus lager dan in Brussel – tot 71 procent in de provincie Limburg.

Het gemiddelde slaagpercentage bedraagt 62 procent tegenover 59 procent in Brussel. Het grootste verschil tussen Vlaanderen en Brussel vind je bij de cursisten die wel starten, maar niet deelnemen aan de examens. In Brussel gaat het over 28 procent, in Vlaanderen over 10 procent in West-Vlaanderen en 25 procent in Gent.

Het relatief groter aantal afhakers in Brussel is wellicht vooral te wijten aan het feit dat in Vlaanderen verhoudingsgewijs meer cursisten worden begeleid en opgevolgd door het Agentschap Integratie en Inburgering of de stedelijke agentschappen Atlas en IN-Gent in het kader van de verplichte inburgering, door VDAB en/of door de OCMW’s. Zoals u weet, is er in Brussel geen verplichting om Nederlandse taallessen te volgen. De officieel tweetalige en de facto sterke meertalige context van Brussel maakt bovendien dat Nederlands leren voor nieuwkomers als minder hoogdringend wordt aangevoeld. Dat zoveel Brusselaars toch beginnen met Nederlands te leren en het slaagpercentage er niet substantieel lager ligt dan in Vlaanderen, is niet zo vanzelfsprekend en ook hoopgevend. Het gaat over heel veel mensen die zich inschrijven, en deze cijfers tonen dat aan. Die cijfers gaan zowel over eerste inschrijvingen als over vervolginschrijvingen, en de slaagpercentages in Brussel zijn redelijk hoopgevend, zeker als je die vergelijkt met andere grote steden zoals Antwerpen, dat minder goede slaagpercentages noteert.

Dat begeleiding helpt, bewijzen de slaagcijfers na de taalbaden die de Brusselse centra voor volwassenenonderwijs (CVO’s) organiseren in opdracht van VDAB. In 2019 lag het slaagpercentage van de inschrijvingen in het Huis van het Nederlands Brussel op 70 procent, versus 15 procent niet-geslaagden en 15 procent niet-deelnemers. Of de meer intensieve begeleiding de enige verklaring vormt voor het succes van deze taalbaden, moet wel nog worden onderzocht. Andere elementen die een rol kunnen spelen, zijn de duidelijke link met reële kansen op tewerkstelling in de Vlaamse Rand en de hoge intensiteit van de cursussen, tot negen dagdelen per week. Die maakt snelle resultaten mogelijk.

Ik heb eind 2019 extra middelen voor investeringen in Brussel gemobiliseerd. U weet, mevrouw Tavernier, dat deze regering sterk investeert en blijft investeren in onze hoofdstad en dat we die banden alleen maar willen versterken. Daarom hebben we aan het Huis van het Nederlands Brussel de opdracht gegeven onderzoek te voeren naar de verwachtingen, motivatie en persoonlijke doelstellingen bij volwassenen die in Brussel Nederlands leren. Het onderzoek focust op succesfactoren en valkuilen in het leertraject van deze taalleerders en zou duidelijk moeten maken welke externe factoren en welke cursistgebonden factoren motiverend werken bij een leertraject NT2. Meer inzicht in deze mechanismen zou stof kunnen opleveren om de leertrajecten van de Brusselse cursisten succesvoller te maken. Het onderzoek bevindt zich momenteel in een voorbereidende fase en start in juni 2020. Het zal lopen tot juni 2022, wat toelaat om cursisten van verschillende niveaus gedurende langere tijd te volgen. Het is dus een longitudinale studie.

Verder blijf ik uiteraard samen met het Huis van het Nederlands Brussel ook de volgende jaren sterk inzetten op oefenkansen Nederlands.

Minister Somers is door zijn bevoegdheid voor Integratie, Inburgering en Samenleving hoofdverantwoordelijke voor het Huis van het Nederlands Brussel. We overleggen uiteraard grondig over deze materie. Mijn administratie werkt samen met die van minister Somers om een meerjarige beheersovereenkomst 2021-2025 op te stellen met het Huis van het Nederlands Brussel. Dit is een nieuwe beheersovereenkomst die zowel door mijn collega minister Somers als door mezelf zal ondertekend worden. Uiteraard bespreken we dit ook met de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC).

Het is uiteraard een goede zaak dat een heel aantal bezoekers aanklopt bij het Huis van het Nederlands met vragen over het aanleren en inoefenen van het Nederlands. Dat is een positief signaal, want het toont aan dat het Nederlands bij de Brusselaars aan belang en respect heeft gewonnen. Dat is onder meer te danken aan de openheid en de kwaliteit van de Vlaamse instellingen in Brussel, maar ook aan het besef dat een goede kennis van het Nederlands betere jobkansen biedt. De cijfers bevestigen dat: 60 procent van de ingeschreven cursisten heeft nog geen job.

Tegelijkertijd legt de grote belangstelling van Franstaligen voor de cursussen NT2 een oud zeer bloot, met name de verwaarlozing van het vak Nederlands in de Franstalige scholen in Brussel. Het is toch geen normale zaak dat het Huis van het Nederlands zoveel aanvragen en inschrijvingen te verwerken krijgt van mensen die al hun hele leven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wonen. Wanneer gaat men langs Franstalige zijde in Brussel eindelijk eens werk maken van kwaliteitsvol talenonderwijs? Dat vraag ik mij af. Het Huis van het Nederlands levert enorm sterk werk, maar de echte opleiding van een hele generatie gebeurt natuurlijk in het onderwijs. De Franse Gemeenschap dient hierin haar verantwoordelijkheid te nemen.

Minister, u hebt de slaagcijfers wat genuanceerd. Ik zeg uiteraard niet dat ze dramatisch zijn, integendeel, relatief gezien zijn ze goed. Maar alles kan altijd beter. Ik streef graag naar perfectie. Als we de slaagcijfers willen opvoeren, moeten we de oorzaken bekijken van die lage slaagcijfers of van de uitval tijdens de lessenmodule. 13 procent slaagt niet en 28 procent valt uit tijdens de lesmodule. Het is cruciaal dat het aanbod NT2 behoeftedekkend is, dat de geïnteresseerden worden doorverwezen naar de meest gepaste cursus, en dat de cursist zelf voldoende gemotiveerd is om die module succesvol af te ronden. Het Huis van het Nederlands heeft dat zelf uiteraard niet in de hand.

Minister, ik ben tevreden dat u hebt samengezeten met minister Somers, dat u nadenkt over acties en dat u studies plant.

De heer Laeremans heeft het woord.

Minister, dank u voor uw antwoord. Ik neem aan dat er in deze cijfers geen enkele verplichting zit? In Vlaanderen valt het wel voor dat mensen soms een cursus moeten volgen om kans te maken op een job.

Het percentage mensen dat niet deelneemt, is toch vrij hoog. Dat is een kwart. Is daar een uitgebreide analyse van? Over welke categorie mensen gaat het? Waarom nemen zij niet deel? We steken daar middelen in, die dan toch weggesmeten geld zijn. Dat leidt tot frustratie bij de leerkrachten, die hun best doen om er iets van te maken en dan zien dat een kwart gewoon niet deelneemt. Kunt u daarover iets meer toelichting geven?

Minister Benjamin Dalle

Collega’s, ik begin met dat laatste. ‘Vrijwillig’ mag niet betekenen ‘vrijblijvend’. De cijfers tonen aan dat dat voor de meesten het geval is. Ik deel de opinie dat het niet positief is wanneer men niet deelneemt. Dat is geen goede inzet van onze middelen. We moeten dat absoluut aanpakken. Onder andere om die reden heb ik die studie gelanceerd. Dat is een van de elementen die moeten worden bekeken: hoe komt het dat men afhaakt, wat zijn daar de motivationele redenen voor, wat kunnen we doen om dat te vermijden?

Anderzijds wil ik nog zeggen dat ook in andere provincies en zeker in grootsteden, dat afhaken ook bestaat. Maar de context is daar effectief anders, vanwege het vaak verplichte karakter van lessen Nederlands. Zoals u weet, gaan we in Brussel ook naar een verplicht inburgeringstraject. Maar men mag natuurlijk vrij een traject kiezen, Franstalig dan wel Nederlandstalig. Vanuit mijn beleidsdomein, als Brussels minister in de Vlaamse Regering vind ik het vooral belangrijk dat, als de verplichting er komt, dan een voldoende groot aantal Brusselaars zich wendt tot de Vlaamse Gemeenschap.

Ik ben dan ook blij dat collega Somers heel snel heeft gezegd dat, zolang het Franstalig traject niet te betalen is, het Nederlandstalig traject in Brussel ook niet te betalen zal zijn, zodat dat geen hinderpaal vormt. Ik ben ook blij dat hij gezegd heeft dat de engagementen genomen in het samenwerkingsakkoord om een substantieel deel van de inburgering op zich te nemen, verder gehonoreerd worden. Dat zijn engagementen die veel hoger liggen dan het relatieve aandeel van Nederlandstaligen in Brussel. Ik denk dat dat een bijzonder goede zaak is.

Maar u maakt daar inderdaad een belangrijk punt: die niet-deelnames moeten bekeken worden. Dat wordt ook meegenomen in de discussies.

Collega Tavernier, de conclusies die u trekt over het Franstalig onderwijs, deel ik gedeeltelijk. Gedeeltelijk, waarom? Omdat we niet kunnen zeggen dat mensen met als moedertaal Frans noodzakelijkerwijze ook het Franstalige onderwijs in Brussel hebben doorlopen. Het is ook mogelijk dat het bijvoorbeeld mensen zijn met een migratieachtergrond, die eerst het Frans leren en vervolgens het Nederlands. Het is dus niet mogelijk om op basis van deze cijfers conclusies te trekken over het Franstalig onderwijs. We hebben natuurlijk andere cijfers, die dat wel aantonen. Ik denk aan de Taalbarometer, maar ook andere studies, waaruit blijkt dat minder dan 8 procent van de afgestudeerden in het Franstalig onderwijs zelf zeggen goed Nederlands te kunnen spreken. Dat is inderdaad bijzonder zorgwekkend. Ik heb daar ook naar verwezen toen de meertaligheidsnota van collega Sven Gatz aan bod kwam in het Brussels Parlement: meertaligheid is zeker een goede zaak, maar ‘first things first’, de Vlaamse overheid wenst vooral dat de kennis van het Nederlands in Brussel wordt versterkt via onze eigen instellingen maar we moedigen graag onze Franstalige collega’s aan om aandacht te hebben voor de kennis van het Nederlands bij de leerlingen die het Franstalig onderwijs volgen in Brussel. In het regeerakkoord van de Vlaamse overheid en mijn beleidsnota – en ik was blij te zien dat dat ook door de VGC werd overgenomen en dat verschillende Franstalige Brusselse politici daar ook in mee zijn – is de uitwisseling van taalleerkrachten een belangrijke tool. Ik ga er ook van uit dat collega Weyts daar op korte termijn werk van zal maken in overleg met de Brusselse collega’s.

Mevrouw Tavernier heeft het woord.

Ik wil gewoon nog zeggen dat het inderdaad belangrijk is dat we een verspilling van tijd en middelen voorkomen. Daarom verwelkom ik die studie die de redenen moet blootleggen waarom 28 procent niet deelneemt aan die testen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.