U bent hier

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, het is met spijt in het hart dat ik dit politieke werkjaar moet beginnen met deze vraag. Ik had u veel liever een applaus gegeven voor het verschaffen van de oplossing die ons voor de zomer beloofd was in verband met deze thematiek. Er was voor de zomer sprake van een oplossing, maar die is er niet gekomen. De jongdementerenden en hun familie, hun gezinsleden, hun kerngezin, voelen zich – wat mij betreft terecht – in de steek gelaten. Ze hebben geen zorggarantie gekregen, noch wat betreft de zorg, noch financieel, noch wat betreft de ondersteuning. De politiek en voornamelijk u hebt hen in de steek gelaten.

Waarover gaat het, minister? Ik veronderstel en hoop dat u het weet. Eind augustus, begin september werd in verschillende media uitvoerig aandacht besteed aan de ‘cri du coeur’, de noodkreet, de hartenkreet van onder meer het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen én – die ‘en’ is belangrijk – van partners van personen met jongdementie. De verhalen die we in de media konden lezen, waren schrijnend. De partners en gezinnen hekelden – mijns inziens terecht – dat enkele duizenden Vlamingen met jongdementie tot op heden door de mazen van ons sociaal systeem glippen. Want die personen zijn jonger dan 65 zijn en komen dus niet in aanmerking voor hulpmaatregelen vanuit de ouderenzorg. Ze worden evenmin erkend als persoon met een handicap en daardoor krijgen ze ook geen ondersteuning vanuit het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH).

Gevolgen van dit alles – de partners hebben dit in de media voortreffelijk beschreven – zijn een gebrek aan zorg op maat, levensontwrichtende situaties voor alle betrokkenen, partners, kinderen, andere familieleden, en een enorme financiële aderlating voor deze gezinnen. In deze gezinnen valt immers niet alleen een van de inkomens weg – aangezien de partner geen professionele activiteit meer kan uitoefenen –, er komt plots ook een zwaar zorgbehoevende persoon bij, die natuurlijk ook zorguitgaven heeft. De terechte vraag was dan ook of de Vlaamse Regering deze situatie kon oplossen door jongdementie te erkennen als een handicap, zodat ze ondersteuning kunnen krijgen door het VAPH.

De schrijnende voorbeelden waren legio. We hebben ze niet alleen in de pers kunnen lezen, we hebben ze ook allemaal persoonlijk te horen gekregen, bij een rondgang van een deel van het Expertisecentrum en een aantal partners bij verschillende parlementsleden, en wellicht ook bij u, minister.

We kennen die verhalen wel. Maar als ze je persoonlijk komen vertellen hoe de situatie is, worden die aandoenlijke verhalen toch nog iets aandoenlijker. Sommige mensen moeten, ondanks hun hoge inkomen, leven met 75 euro, niet per dag of per week, maar per maand, met twee studerende kinderen. Dat hakt er diep in. Het is duidelijk dat wij, politici, dat maatschappelijke probleem moeten oplossen, niet alleen met woorden, maar ook met daden.

Minister, ik verwijs naar de gedachtewisseling die we op 19 juni, net voor het zomerreces, hebben gevoerd. In mijn ogen was dat een positieve gedachtewisseling. In mijn herinnering was er toen een brede consensus, bij meerderheid en oppositie, dat het beleid hier niet voldeed of voldoet en dat deze lacune in de regelgeving moest en moet worden opgelost.

Minister, ook u gaf aan dat er een lacune is in de regelgeving en dat u daarvoor snel een oplossing wilde zoeken. ‘Snel’ werd toen, zowel door een deel van de oppositie als door de meerderheidsleden – want we hebben daarover nog discussie gevoerd naar aanleiding van de begrotingscontrole – begrepen als dat er in 2018 een oplossing zou komen.

Minister, daarom vond ik het zeer teleurstellend om te moeten lezen dat u ‘misschien’ een oplossing zult bieden bij de begrotingsopmaak 2019. Het debat daarover en de snelle maatschappelijke oplossing zijn dus niet meer voor dit jaar, maar zullen er ‘misschien’ in 2019 komen. Minister, daarom kunnen wij niet anders dan deze vraag te stellen, terwijl we u liever een applaus hadden gegeven. 

Minister, bent u, gezien de ernst van de situatie, zoals nog eens heel klaar en duidelijk naar voren is gebracht, de ernst van het risico waarin deze personen met jongdementie en hun omgeving zich in bevinden, samen met de verwachting en de wetenschappelijke onderbouwing dat jongdementie de komende jaren in prevalentie alleen maar zal toenemen, nu bereid tot concrete acties?

Minister, bent u bereid om maatregelen te nemen die tegemoetkomen aan de vraag van het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen en vanuit de doelgroep om jongdementie te erkennen als handicap? Deze vraag wordt pertinent gesteld. 

Zult u het VAPH gelasten een adequaat ondersteuningskader uit te werken voor deze doelgroep, waarbij zowel de financiële risico’s worden opgevangen als aangepaste zorg mogelijk wordt, in elke regio van Vlaanderen?

Zult u binnen de schoot van de Vlaamse Regering aandringen op de nodige middelen om dit met de hoogste urgentie te realiseren, zodat die mensen niet nog langer in de steek worden gelaten? Het zijn geen onoverkomelijke bedragen. Ze werden geciteerd in de pers. Het gaat over minder dan 10 miljoen euro. Waarom toch, minister, blijft een oplossing uit? Waarom gebruikt u niet – dat is een stokpaardje dat ik telkens herhaal – de niet-gebruikte kredieten bij Welzijn? Die zijn er ook nog voor dit jaar. U kunt op die manier 10 miljoen euro vinden op jaarbasis om dat probleem op te lossen. Waarom gebeurt dat niet?

De voorzitter

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

Minister, collega’s, collega Bertels heeft de problematiek geschetst, en ook verwezen naar de schrijnende getuigenissen van afgelopen zomer. Toch even in herinnering brengen dat we samen eind februari 2018 de resolutie hebben goedgekeurd betreffende specifieke beleidsaandacht voor jonge personen met dementie. Daarin werd onder andere aandacht gevraagd voor meer onderzoek, maar ook meer aandacht voor de financiële leefbaarheid. Er werd ook voorgesteld om een persoonsvolgende benadering voor deze precaire groep van personen en hun families te onderzoeken.

Er is al veel gezegd. Midden juni hebben we inderdaad dat pittige debat gehad in deze commissie over de betaalbaarheid van de zorg. Toen zijn er cijfers genoemd, in het bijzonder voor die families wanneer een residentiële opvang zich opdringt. Dan, met de hoge kosten van een residentieel verblijf, wordt het echt bijna onmogelijk voor die jonge gezinnen met nog tal van andere zware lasten om het hoofd boven water te houden. Er zijn in de zomer inderdaad een aantal schrijnende getuigenissen geweest. De mensen hebben ook alle betrokken beleidsmakers aangezocht. Minister, in juni reeds hebben we echter de hand uitgestoken om te zoeken naar een haalbare oplossing, voor mijn part niet alleen binnen het VAPH, met een erkenning voor een persoonsvolgende financiering (PVF) stricto sensu, maar ook binnen het brede welzijnsbudget. Ik heb toen verwezen naar de 12 miljard euro, maar er is ook de Vlaamse sociale bescherming (VSB), die toch de ambitie heeft om naar een chronische ondersteuning, naar chronische zorg te gaan voor patiënten, en die eenmaal op kruissnelheid ook al gauw zal beschikken over een budget van 4 miljard euro.

We zijn nu enkele maanden verder. We hebben die getuigenissen gehoord, soms ook mensen opnieuw ontmoet. Minister, vandaar mijn vraag: welke acties hebt u inmiddels ondernomen of zult u op korte termijn nog ondernemen om voor die mensen de betaalbaarheid van de zorg te kunnen garanderen?

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Freya Saeys (Open Vld)

Het is inderdaad zo dat we de afgelopen weken toch zijn geconfronteerd met heel wat verhalen van gezinnen met een partner die jongdementie heeft. Voor gezinnen met kinderen betekent dat dat er, naast de afbetaling van het huis en ook de kosten van studies, natuurlijk ook belangrijke kosten zijn wanneer een opname in een woonzorgcentrum nodig is. Eerdere discussies in de commissie hebben toch geleerd dat het VAPH jongdementie weigert te erkennen als een handicap die recht geeft op een persoonsvolgende financiering. Bovendien zou een erkenning van jongdementie als een handicap ook niet meteen soelaas kunnen bieden, gelet op lange wachtlijsten, tenzij men jongdementerenden als een automatische prioriteitengroep zou erkennen, natuurlijk. De 130 euro van de Vlaamse zorgverzekering volstaat natuurlijk niet voor die kosten die een woonzorgcentrum met zich meebrengt voor die jonge gezinnen, en voor de tegemoetkoming hulp aan bejaarden zijn de patiënten natuurlijk te jong, want ze hebben nog niet de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Minister, daarom had ik toch ook enkele vragen aan u. Er werd in de krant gesteld dat het toekennen van een persoonsvolgend budget aan jongdementerenden 9 miljoen euro meer zou kosten. Klopt dat? U hebt ook verklaard dat u onderzoekt hoe u dit probleem zou kunnen remediëren. Welke pistes worden er momenteel onderzocht, en kunnen er daaruit al conclusies worden getrokken? Naast financiële bekommernissen worden patiënten en hun familie ook geconfronteerd met het feit dat het aanbod voor jongdementie in Vlaanderen beperkt is en geografisch ook niet evenwichtig verspreid is, zodat sommige mensen geen aangepaste dagopvang of residentiële setting vinden voor hun jongdementerend familielid. Zijn er volgens u vandaag voldoende opvangmogelijkheden voor jongdementerenden? Zijn er vandaag ook initiatieven voor jongdementerenden in ontwikkeling? Zo ja, waar dan? Zo niet, zult u het ontwikkelen van die opvangvormen voor mensen met dementie stimuleren, en hoe zult u dat dan doen?

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Nog een keer dezelfde vraag als die van de collega’s, vrees ik. Het dementieplan spreekt van ongeveer 5500 mensen met jongdementie. Dat is een schatting. Dat zijn natuurlijk mensen die behalve medische ook een aantal sociale problemen te verwerken krijgen. Voor veel mensen zijn er ook financiële problemen. Vooral wanneer er een residentiële opname nodig is, kunnen die kosten ook heel hoog oplopen.

Het VAPH voorziet niet in tegemoetkomingen, tenzij er naast jongdementie nog een andere diagnose is die wel valt binnen de erkenningen van een handicap. Mensen met enkel jongdementie komen niet in aanmerking. Dat betekent dat de volledige kostprijs voor een woonzorgcentrum bovenop andere kosten komt. Aangezien het, gezien de definitie van jongdementie, vaak om redelijk jonge mensen gaat, komt dat vaak bovenop een woonlening, zijn er studerende kinderen enzovoort. Het is dus van belang dat voor die personen en hun netwerk die in die situatie belanden, die sowieso al een heel zware impact heeft op hun sociaal leven en de onderlinge menselijke omgang, minstens de financiële steun voldoende is om alle zorg te kunnen organiseren, om dat mogelijk te maken qua betaalbaarheid.

Er is tot nu toe niet in een tegemoetkoming voorzien voor die groep mensen. Ze kunnen niet rekenen op ondersteuning, tenzij ze die zelf financieren. Mensen met een handicap met uitsluitend een of meerdere psychische stoornissen zoals vermeld in het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen, zijn uitgesloten van niet-rechtstreekse hulp. Minister, het is daarover dat we voor de zomer nog een debat hebben gehad. U zei dat u die groep uitsluit. Dat is ook een heel bewuste keuze. Daar werd op dat moment heel ontgoocheld op gereageerd, niet alleen bij de oppositie, maar ook bij de meerderheid. Collega’s hebben het gezegd: er zijn intussen veel getuigenissen geweest in de media, en er zijn ook verklaringen geweest van u dat u eventueel toch nog een oplossing zou uitwerken. Op zich is dat de deur op een kier zetten, natuurlijk, een deur die voor de zomer dicht was. De vraag is dus wat dat betekent en wat we achter die deur kunnen zien.

Minister, welke stappen zet u om alsnog een oplossing uit te werken voor de ondersteuning van mensen met jongdementie? Zal die oplossing binnen het kader van de persoonsvolgende financiering gebeuren of zal er een apart ondersteuningsmechanisme worden uitgewerkt? Indien de oplossing erin bestaat die groep toegang te geven tot persoonsvolgende budgetten – wat in de ogen van Groen het enige juiste om te doen is, voor alle duidelijkheid –, dan wil ik u ook vragen om het budget voor die niet-rechtstreekse hulp te verhogen, om te vermijden dat we enkel meer wachttijd krijgen. Welke budgettaire ruimte zullen we hiervoor mogen vaststellen in de begroting die we binnenkort in het parlement bespreken? Hebt u voldoende gegevens om de omvang van jongdementie en de zorgkosten voor mensen met jongdementie in kaart te brengen, om op die manier een inschatting te maken van wat de reële kostprijs is om die mensen de zorg te geven die nodig is?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, ik denk dat iedereen beseft dat vraag naar de oplossing voor de betaalbaarheid van de zorg voor een persoon met dementie, inzonderheid bij de opname in een woonzorgcentrum, terecht is. We moeten inderdaad trachten daar spoedig een passend, dus ook structureel antwoord op te bieden. Mensen met jongdementie zijn ziek en omstandigheden kunnen ertoe leiden dat het op termijn ook noodzakelijk is dat ze in een aangepaste omgeving buiten het gezin gaan wonen en bijkomend worden verzorgd. De opname in een woonzorgcentrum kan daarvoor een oplossing bieden. Voor gezinnen waarvan de vader of moeder wordt getroffen door deze ziekte, betekent dit dat, naast de verwerking van de ziekte en het uit huis plaatsen van de getroffen persoon, ook grote financiële zorgen zich opdringen.

Een gevalideerde raming van de zorgkosten is niet beschikbaar. De zorgkosten zijn sterk afhankelijk van het stadium van dementie, de specifieke symptomen die zich ontwikkelen en de context van de persoon. Voor situaties waarbij een opname in een woonzorgcentrum zich opdringt, zijn casuïstisch berekeningen beschikbaar. Die casuïstiek wijst daadwerkelijk op een probleem inzake betaalbaarheid, zeker, zoals gezegd, op het moment dat die opname noodzakelijk is. De combinatie van de zware zorgkosten met een vaak plotse inkomensdaling in het gezin is problematisch. Het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden volstaat voor hen niet om daar een antwoord op te bieden. Daarbij moeten we ook rekening houden met het feit dat die personen met jongdementie door hun leeftijd niet in aanmerking komen voor een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood. Ook de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap is sterk inkomensgerelateerd en daarom vaak niet toegankelijk voor deze doelgroep.

De concrete zorgsituaties die ons de jongste maanden werden toegelicht, maken dit aangrijpend zichtbaar. Ik heb ook een aantal mensen persoonlijk ontmoet. De gemiddelde kostprijs van een woonzorgcentrum bedraagt op dit ogenblik 1800 euro per maand. Vaak is bij de gezinnen de lening van het huis nog niet volledig afbetaald, gaan de kinderen nog naar school of naar de universiteit en valt er mogelijk een deel van het inkomen weg wegens de ziekte van de getroffen persoon. Het verblijf in een woonzorgcentrum van een persoon met jongdementie kan dientengevolge het gezin in een financieel prangende, precaire situatie brengen.

Mogelijk is de kostprijs van een verblijf in een woonzorgcentrum dan ook een reden waarom een opname wordt uitgesteld of geweigerd, met risico op overbelasting van de mantelzorgers.

Wij zullen prioritair een beleidsinitiatief nemen dat ertoe bijdraagt dat de financiële toegankelijkheid van het woonzorgcentrum voor deze specifieke doelgroep wordt gevrijwaard. Een opname in een woonzorgcentrum gespecialiseerd in de zorg en ondersteuning van deze doelgroep en met een betaalbaar perspectief kan voor personen met jongdementie en hun gezin een betekenisvol soelaas bieden en vermijden dat het gezin verarmt ten gevolge van de ziekte en de noodzakelijke zorgverlening. In een latere fase kunnen we onderzoeken of ook voor de dagverzorgingscentra die personen met jongdementie opvangen binnen eenzelfde logica en financieringsmethodiek als bij de woonzorgcentra de betaalbaarheid kan worden geoptimaliseerd. Wanneer personen met jongdementie thuis verblijven en worden verzorgd kan men een beroep doen op de gezinszorg en de aanvullende thuiszorg, waarvan, zoals bekend, de persoonlijke bijdrage inkomensgerelateerd wordt berekend.

Naar aanleiding van de resolutie en trouwens ook van de bespreking in deze commissie zijn medewerkers, ook van het kabinet, samen met het agentschap Zorg en Gezondheid en het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen verschillende pistes aan het onderzoeken op hun voor- en nadelen, hun haalbaarheid en uiteraard ook de mogelijkheid tot een snelle implementatie. De oplossing die we wensen uit te werken, moet alvast een tweeluik omvatten: vooreerst de inzet op kwaliteitsvolle, aangepaste, gespecialiseerde zorg en ondersteuning voor de persoon met jongdementie én zijn familie of gezin, en ten tweede een financiële tegemoetkoming wat de kosten van het woonzorgcentrum betreft. Dat laatste is overigens een techniek die reeds van toepassing is in een aantal specifieke federale conventies. We onderzoeken of we dat inderdaad binnen de begroting 2019 op een passende manier kunnen realiseren. U zult me toch moeten vergeven dat ik nu in deze commissie niet kan vooruitlopen op de bespreking van de begroting in de schoot van de regering over vier of vijf dagen, maar het is natuurlijk de bedoeling te bekijken of we inderdaad een antwoord daarop kunnen budgetteren, specifiek met aandacht voor de betaalbaarheid van de gespecialiseerde opvang van personen met jongdementie die verblijven of moeten worden opgenomen in een woonzorgcentrum.

Sinds enkele jaren is de ondersteunende zorg voor personen met dementie in Vlaanderen sterk uitgebreid. Volgens het Vlaams Expertisecentrum Dementie gaat het over 1800 personen. De meest actuele en toegankelijke info en een overzicht van het aanbod zijn beschikbaar via de website www.jongdementie.be. Die werd samengesteld door onder andere onze partnerorganisatie, het Vlaams Expertisecentrum Dementie. Ook de regionale expertisecentra dementie staan ter beschikking voor informatie en begeleiding. Zij bieden organisaties en hulpverleners informatie opdat ze in hun dienst- en hulpverlening een optimale begeleiding kunnen bieden aan personen met dementie, en specifiek ook aan personen met jongdementie. In tal van voorzieningen zijn er referentiepersonen dementie, die een uitgebreide vorming kregen van het Vlaams Expertisecentrum Dementie. Daarnaast is een verplichte opleiding dementiekundige basiszorg ingevoerd in de diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg en in de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen. De opleiding werd uitgebreid met specifieke leerinhouden inzake jongdementie. Het zorgaanbod voor personen met jongdementie gaat verder dan het verstrekken van informatie. Er is een uitgebreid trans- en intramurale aanbod ter beschikking. Reeds op elf plaatsen in Vlaanderen zijn er organisaties die via hun netwerk een buddywerking opzetten om personen met jongdementie te begeleiden. Zij bieden een zinvolle activiteit aan, die niet enkel aan de persoon met dementie tegemoetkomt, maar ook ondersteuning biedt en begrip geeft aan de mantelzorgers. Concreet vindt u die ondersteuning in Antwerpen, Bilzen, Brugge, Oostende, Ieper-Poperinge-Heuvelland, Kortrijk, Lokeren, Sint-Niklaas, Leuven, Hasselt, Zonhoven en Diepenbeek.

Ook de dagopvang op maat van deze doelgroep breidt uit. Vooreerst is er de collectieve autonome dagopvang (CADO): in vier centra wordt specifiek voor personen met jongdementie een aangepaste zorg en begeleiding geboden door een erkende dienst voor gezinszorg. Daarnaast zijn er dertien erkende centra voor dagverzorging die zich specifiek richten naar personen met jongdementie. Sommige ervan bieden ook kortverblijf aan. Deze centra zijn verspreid over Vlaanderen, zij het niet evenwichtig in elke provincie. Samen met de expertisecentra dementie bekijken we de mogelijkheden om die spreiding evenwichtiger te maken. Omdat de zorg voor personen met jongdementie soms te zwaar wordt voor de familie, kan men kiezen voor een intramurale opvang. We beschikken reeds over heel wat zorgvoorzieningen die een specifieke opvang voor personen met dementie uitbouwden.

In Vlaanderen zijn er een negental specifieke voortrekkers inzake dat aanbod: Cadiz in Antwerpen, De Rozelaar in Brugge, De Zandkorrel in Eeklo, Huis Perrekes in Geel, Het Portiek in Kortrijk, De Wingerd in Leuven, Zuiderlicht in Mariakerke, Het Anker in Tongeren, De Zonnebloem in Tremelo en Jomewo in Gent.

Zoals ik al naar aanleiding van andere vragen heb gezegd, zijn er ook een aantal specifieke maatregelen genomen of voorzien, met in het bijzonder de ambitie om het zorgaanbod ook voor personen met jongdementie uitgebreider te maken.

Ik geef u nog een kleine inventaris. De Vlaamse Regering heeft de opnamecriteria voor personen jonger dan 65 jaar in ouderenvoorzieningen versoepeld in het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van artikel 10/3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009. Bij de komende aanpassing van het Woonzorgdecreet wordt rekening gehouden met de gespecialiseerde zorg en ondersteuning binnen de dagverzorgingscentra. Het zorgaanbod wordt op bovenlokaal niveau afgestemd met de nieuw vast te leggen regionale zorgzones. Voor bepaalde specifieke aandoeningen, zoals niet-aangeboren hersenletsel, jongdementerenden en palliatieve zorg, worden regionale afspraken gemaakt in functie van de noden en een optimale spreiding.

Het geactualiseerde Woonzorgdecreet, dat nu bij de Raad van State is, voorziet eveneens in de erkenning en subsidiëring van een nieuw type van kortverblijf. Dat type van centrum voor kortverblijf heeft tot doel kleinschalige vormen van respijtzorg aan te reiken voor specifieke doelgroepen van 18 jaar en ouder, zoals jonge personen met dementie, personen met een oncologische aandoening en personen in een palliatieve fase die thuis verzorgd worden en waarbij thuiszorg tijdelijk niet haalbaar is of de mantelzorg nood heeft aan een adempauze.

Het regionale expertisecentrum dementie Memo, actief in de zorgregio Leuven, werd in 2015 geselecteerd naar aanleiding van de oproep van het agentschap Zorg en Gezondheid voor proeftuinen ‘woonzorg in de geestelijke gezondheidszorg’. In functie van de consolidatie en de uitbreiding van de ‘zorgcirkels’, het concept dat daar ontwikkeld is, kreeg het expertisecentrum dementie Memo een reguliere subsidie toegekend.

Zoals ik vroeger al heb toegelicht, kunnen personen met louter de diagnose jongdementie geen persoonsvolgend budget toegewezen krijgen, volgens artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015. Als er een andere problematiek of diagnose bij komt, waardoor ze niet meer onder dit artikel vallen, kan er wel een PVB toegewezen worden.

In overleg met de stakeholders via het raadgevend comité van het VAPH werd bij de invoering van de persoonsvolgende financiering gekozen voor een principe van standstill ten opzichte van de vroegere situatie met betrekking tot de doelgroepen die in aanmerking komen voor handicapspecifieke ondersteuning. Er is wat dat betreft dus niets veranderd aan de regelgeving. Artikel 2 is zo geformuleerd dat groepen van personen die vroeger uitgesloten werden van de niet-rechtstreeks toegankelijke VAPH-hulp, ook vandaag geen persoonsvolgend budget toegewezen kunnen krijgen.

Wat de informatie in de media betreft dat het toekennen van een persoonsvolgend budget aan jonge personen met dementie een meerkost van 9 miljoen euro zou bedragen: dat is een ernstige onderschatting van de potentiële kost. Het is mij en onze administratie ook niet zo duidelijk waar dat bedrag vandaan kan komen. Naar de toekomst toe dient evenwel voor alle personen die nu uitgesloten worden via artikel 2, wellicht bekeken te worden welke opdracht het VAPH hier kan opnemen en wat de financiële consequenties daarvan kunnen zijn. Als we de discussie openen over een potentiële verruiming van de doelgroep van het persoonsvolgend budget, kunnen we die discussie niet beperken tot één specifieke groep, namelijk jongdementerenden. Er zal een breder debat ontluiken, met name over de toegang van psychiatrische en chronisch psychiatrische patiënten en patiënten met andere aandoeningen, dus breder dan één specifieke groep van jongdementerenden. Dat debat zal inderdaad ooit gevoerd moet worden. Dat lijkt mij maatschappelijk ook noodzakelijk. Maar ik wil er toch op wijzen dat ook op korte termijn deze piste, namelijk de financiering via een persoonsvolgend budget, geen snelle oplossing met zich mee zal brengen, want de prioriteringsregels kunnen en zullen geen garantie geven dat een groep met een specifieke handicap opnieuw geprioriteerd kan worden. Dat staat een beetje haaks op de redenering dat we handicapspecifieke prioriteringen niet doen in het nieuwe systeem.

De oplossing die we wel voorbereiden, heeft natuurlijk ook een aantal structurele budgettaire consequenties. We zijn die volop aan het berekenen. Zoals gezegd, is het mijn ambitie om te trachten om daar in het kader van de begroting voor volgend jaar ook een passend antwoord voor te vinden. Het voorstel is in ontwikkeling. Het wordt uiteraard ook besproken met de betrokkenen en relevante stakeholders, zodat we een gedragen concept kunnen maken, met de juiste omkadering en een daarop aansluitend budget. Zodra dat gefinaliseerd is en we daaromtrent de adviezen hebben ingewonnen, zal het uiteraard ook aan de collega’s binnen de Vlaamse Regering kunnen worden voorgelegd.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, ik zal beginnen met een positieve noot, namelijk de vaststelling die u maakt dat er een probleem is met betrekking tot de betaalbaarheid van jongdementie, zeker als er een opname is in een woonzorgcentrum. Dat daar een structureel antwoord voor nodig is, is niet nieuw. We hebben al verwezen naar de resolutie die in het Vlaams Parlement is goedgekeurd, dat daar meer aandacht aan moet worden gespendeerd. Het is dus een positieve zaak dat op zijn minst de vaststelling gedaan wordt die we enkele maanden geleden en voordien ook al gedaan hebben.

Ik heb na uw antwoord nog wat bijkomende vragen voor u. U stelt dat verschillende pistes worden bekeken, maar uit het verdere antwoord is mij niet duidelijk geworden welke pistes dat dan eventueel zijn. U zegt ook dat u een budgettaire raming aan het bekijken bent, maar zonder dat u erbij zegt in het kader van welke piste. Dan is de logische vraag: welke verschillende pistes bent u aan het bekijken? U hebt zelf gezegd dat er over vijf dagen aan de begrotingsbesprekingen wordt begonnen. Ik neem aan dat u dan een aantal pistes hebt die u kunt voorleggen en die besproken kunnen worden, samen met een budgettaire raming.

We hebben het al eens gehad over de VN-conventie inzake de rechten van personen met een handicap. Op basis daarvan kunt u een juridische discussie beginnen dat dementie of jongdementie een handicap is, want het gaat om een permanente aard van functie-uitval, waardoor het als handicap beschouwd wordt in de VN-conventie inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij je niet met één diagnose moet komen, zoals u nu gebruikt in de BVR van het agentschap. Is dat een piste die bekeken wordt? Die lijkt me wat logischer, in het kader van de draagwijdte van de VN-conventie.

U verwees in het begin naar het betaalbaarheidsprobleem. U hebt dan ook het woord ‘ziekte’ gebruikt, waarbij u – bewust of onbewust – het onderscheid maakt met een handicap. Is er op dat punt een doorschuifoperatie bezig naar het federale niveau, als u het woord ‘ziekte’ gebruikt? Of is er, nog veel beter, een interministerieel overleg met de collega’s van de federale overheid in het kader van de ziekteverzekering? Het viel me op dat u het woord ‘ziekte’ gebruikt hebt.

U verwijst naar de budgettaire oefening 2019. Waarom gebruikt u niet de middelen die vrij zijn in 2018 om die oplossing nu voor te stellen? Waarom stelt u dat uit naar de begrotingsbesprekingen 2019, terwijl u de financiële marge hebt in uw eigen begroting?

De voorzitter

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

Minister, ik ben alvast erg opgelucht en tevreden dat u woord gehouden hebt en in de zomer aan de slag gegaan bent met uw administratie en de betrokkenen in het werkveld. U had ons dat toegezegd en ook de betrokken families en de jonge personen met dementie.

U wilt niet vooruitlopen op de zaken. Ik begrijp dat, maar ik wil herhalen dat dit eigenlijk een testcase is voor de nieuwe Vlaamse sociale bescherming, waar toch alle partijen, meerderheid en oppositie, voorstander van zijn. We gaan naar zorggerelateerde budgetten op basis van de reële zorgbehoeften van mensen, niet afhankelijk van de leeftijd – of je nu toevallig jonger of ouder dan 65 bent – en niet afhankelijk van de pathologie, de oorzaak van je verminderde zelfredzaamheid.

U hebt gelijk, minister, om te zeggen dat we niet één groep een apart statuut gaan geven, want er staan nog tal van anderen in de wachtrij. Ik denk dat we daar in Vlaanderen de eer aan onszelf moeten houden en dat hokjesdenken moeten overstijgen. Dit is een mooi traject, een mooie testcase, ook in het licht van de nakende regionale verkiezingen, welke coalitie er dan ook het licht moge zien, om op dat spoor verder te gaan. Ik doe dus een oproep aan alle partijen, ongeacht de uitkomst in mei, om ook over die verkiezingen, in de volgende legislatuur, die Vlaamse sociale bescherming verder gestalte te geven.

Ik denk dat er toch een misverstand uit de wereld moet worden geholpen, collega’s. Jonge personen met dementie hebben wel degelijk een handicap, maar zijn voorlopig niet rechthebbend op de niet-rechtstreeks toegankelijke hulp. Ik wil dat misverstand toch even uit de wereld helpen. Ik heb het ook gecontroleerd bij de federale instanties. U weet dat wij daar ook connecties hebben. Die mensen hebben wel een handicap, maar komen niet in aanmerking voor de PVF stricto sensu, maar mogelijk wel voor de rechtstreeks toegankelijke hulp, die nu al in de Vlaamse sociale bescherming beschikbaar is. Denk aan het basisondersteuningsbudget (BOB). Dat is toch 300 euro per maand, en daar speelt leeftijd ook geen rol.

Ik kijk uit, minister, naar de praktische oplossingen. Dat is misschien maar een opstapje naar soelaas voor de mensen. Ik denk dan in het bijzonder aan de families waar een residentiële opname noodzakelijk is. Ik denk aan de gevallen van frontotemporale dementie, waar er vaak gedragsproblemen zijn die een enorme impact hebben, niet alleen direct op de mantelzorger, dus vaak de partner van de betrokkene, maar ook op de jonge kinderen in het huishouden. En daar is opname vaak onvermijdelijk, om meer schade voor de gezinsleden, die dat soms levenslang meedragen, te vermijden.

Ik heb bijkomend een suggestie. De conventies van de revalidatie bestaan voor MS, maar die bestaan nu nog niet voor bijvoorbeeld frontotemporale dementie. Ik kijk ook naar andere collega’s – we hebben allemaal onze pendanten aan de overkant van de straat, waar we ook goed vertegenwoordigd zijn en waar dezelfde meerderheid zit aan de Vlaamse kant – om ervoor te pleiten om ook daar die ontschotting door te voeren. Want het is nu zo dat degenen die zich in het verleden geroerd hebben, die zich goed hebben kunnen laten vertegenwoordigen door patiëntengroepen en zelfhulpgroepen – ik denk bijvoorbeeld aan MS-patiënten en andere personen met bepaalde pathologieën, die een goede vertegenwoordiging hebben, maar bijvoorbeeld personen met jongdementie, in casu dan bijvoorbeeld de frontotemporale, vallen daar volledig uit de boot. In afwachting van een solide, structurele oplossing in onze nieuwe Vlaamse sociale bescherming, lijkt me dat ook die piste met de federale collega’s moet worden afgetoetst. Want die conventies voorzien in een platformfinanciering, onder andere voor verplegend personeel. Het is niet uitgesloten dat we dat in woonzorgcentra of in dagverzorgingscentra kunnen aanspreken. Dat gebeurt nu ook in de expertisecentra voor MS, waar een verpleegkundige en een ergotherapeute toch al op die basis mee gefinancierd kunnen worden.

Ik kijk uit naar de concrete oplossingen die in het vuur liggen en die hopelijk eind deze week, uiterlijk maandag, hun beslag krijgen, zodat we dan meer kunnen vernemen bij de Septemberverklaring of in de komende dagen. Ik hoop dat we daarmee een oplossing kunnen vinden voor deze precaire groep van patiënten.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Freya Saeys (Open Vld)

Minister, de collega’s hebben al heel wat aangehaald. Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn hoe schrijnend het wel niet is om een familielid te hebben met jongdementie. Die mensen vragen natuurlijk maar één ding: zo snel mogelijk een oplossing voor hun situatie. Ik kan dat perfect begrijpen, ook omdat we goed weten dat jongdementie niet hetzelfde is als dementie op oudere leeftijd. Jongdementie evolueert spijtig genoeg vaak veel sneller en agressiever dan de gewone dementie, vaak ook met frontotemporale symptomen, wat het natuurlijk nog moeilijker maakt. Vaak zijn de familieleden genoodzaakt om hun geliefde naar een woonzorgcentrum te doen, omdat het thuis gewoon onhoudbaar is.

Als Vlaanderen kunnen wij toch zeker en vast in die thuissituatie onze bijdrage leveren. Want we spreken hier vooral over opname in woonzorgcentra. Oké, ik denk dat er inderdaad ook pistes liggen op federaal niveau, maar ik denk dat wij hier in Vlaanderen toch ook wel onze verantwoordelijkheid hebben. We spreken niet alleen over residentiële, maar toch ook zeker en vast over die thuissituatie.

U hebt een aantal pistes, een aantal mogelijkheden die u gaat bespreken. Maar de mensen willen natuurlijk gewoon weten op welke termijn er iets uit de bus gaat komen. Op welke termijn verwacht u een oplossing? Gaat dat nog dit jaar zijn? Gaat dat volgend jaar zijn? We moeten die mensen echt laten weten dat dit niet zomaar iets is dat wij doen. We willen echt zo snel mogelijk een oplossing, en het liefst nog dit jaar.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Minister, er is een deur die open staat. Dat zat al in mijn vraag, en dat merken we nu ook. U zegt: we zijn aan een oplossing aan het werken, we bekijken de situatie, we gaan voor die specifieke doelgroep, in eerste instantie voor hen die verblijf nodig hebben, een oplossing uitwerken, en later ook voor dagverzorging. Dat zijn op zich positieve zaken, omdat dat beter is dan de stand van zaken voor de zomer. De vragen van de collega's naar wanneer dat dan is, deel ik. Verder zal ik inderdaad ook het geduld hebben om te wachten op wat de begroting volgende week geeft. U zegt zelf dat 9 miljoen euro een onderschatting is. Als er meer dan 9 miljoen euro in de begroting zit, kijk ik daar van harte naar uit voor die doelgroep. Maar dat zal nog afwachten zijn.

Ik zie echter een contradictie. Enerzijds zegt u dat u geen apart hokje wilt maken. Dat is ook wat de heer Persyn zei. Ik ben het daarmee eens. Dan is de meest logische oplossing om toch naar persoonsvolgende financiering te kijken. Ik hoor de heer Persyn zeggen dat ze niet in aanmerking komen. Ze komen niet in aanmerking omdat er een besluit van de regering is dat hen uitsluit. Maar er is niets dat een regering tegenhoudt om dat besluit van die regering aan te passen en die groep wel mee op te nemen, omdat je op die manier vermijdt dat je aparte zorgsystemen gaat krijgen voor aparte mensen. In die zin ben ik er niet helemaal gerust op dat we nu niet weer iets nieuws en iets aparts gaan opzetten voor een doelgroep, om te blijven werken. Zoals mevrouw Saeys zei, zijn er mensen bij wie het water aan de lippen staat en die een oplossing willen. Dat we die oplossing zoeken, is een goede zaak. Maar we moeten ook nadenken over hoe PVF op langere termijn kan voor mensen met jongdementie, maar ook voor mensen met andere neurologische stoornissen, de ziekte van Parkinson, de ziekte van Huntington enzovoort, of met een traumatisch hersenletsel. We moeten die groepen meenemen in de PVF, zodat je één coherent systeem krijgt.

Ik hoor het argument dat er wachtlijsten zijn. Er is al over de volgende regering gesproken, maar we hebben nog een jaar te gaan, dus we kunnen nog veel doen. Ik hoop dat er op korte en op lange termijn het engagement van alle partijen is om die wachtlijsten voor eens en voor altijd weg te werken, of toch zodanig in te korten dat het aanvaardbare wachttermijnen zijn, zodat die mensen wel in aanmerking komen, maar ook andere mensen, zodat er geen concurrentie moet zijn tussen mensen met een handicap. Want dat is waar het om gaat. Dit zijn mensen met een handicap, die geconfronteerd worden met een zware zorgvraag, die heel veel impact heeft op hun leven. Voor hen in een financiële tegemoetkoming voorzien om die zorg mogelijk te maken, lijkt me evident.

Ik wil niet te negatief of te zuur zijn. Er wordt aan een oplossing gewerkt. Ik kijk ernaar uit. Ik hoop dat we dan volgende week of binnen dit en een maand meer details krijgen over hoe die oplossing eruitziet.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega's, ik vind dat er een aantal juiste bedenkingen en suggesties zijn gedaan. U zult het mij niet kwalijk nemen, maar ik sluit me nogal aan bij de analyse die collega Persyn maakt. Er is natuurlijk een debat te voeren. Dat moet gevoerd worden. Ik hoop uiteraard dat op de fundamenten van de Vlaamse sociale bescherming dat debat over hoe wij in Vlaanderen langdurige vormen van ondersteuning organiseren, consequent zal worden gevoerd. Leeftijdsgrenzen en doelgroepen en pathologiegrenzen, dat is eigenlijk iets dat we gaan moeten overstijgen. Mijn stelling is dat je daarvoor eerst het fundament moet leggen. Dat proberen we ook te doen. Maar het debat gaat zich uiteraard voordoen. Ik kijk met u uit, collega Persyn, naar wat de partijen daarover gaan zeggen bij de volgende verkiezingen, want dat zal de nieuwe stap zijn die gezet moet worden, én budgettair én naar het concept dat daar met het VSB-verhaal voor is uitgetekend, met de unieke inschalingsinstrumenten en alles wat daarbij hoort. Ik ben het daar helemaal mee eens.

De conventie die ondertekend is met betrekking tot de handicapspecifieke ondersteuning, is een conventie die natuurlijk heel ambitieus is. Ook daar is het voor mij zeker duidelijk dat er zich een maatschappelijk debat zal voordoen, om die vraag te beantwoorden. Eigenlijk is dat, wat mij betreft, een beetje hetzelfde soort debat. Wat doen wij met langdurige vormen van ondersteuning, of ze nu veroorzaakt zijn door een handicap, ouderdom of een chronische ziekte? Ik zeg niet dat dat hetzelfde is, maar het zijn wel sectoren waarvan de grenzen langzaam vervagen, zeker als je het persoonsperspectief neemt, als je de zorgvrager als uitgangspunt neemt.

Ik ga daar dus absoluut mee akkoord. Sterker nog, ik denk persoonlijk dat wij in deze legislatuur de fundamenten om dat debat op een goede manier te kunnen voeren, aan het leggen zijn. Alleen hoor ik bij jullie ook een vraag naar een operationele oplossing op korte termijn voor deze mensen. Dat is ook belangrijk. Als je een aantal duizenden personen met dementie en jongdementie neemt en je zet daar een raming op van een gemiddeld persoonsvolgend budget, dan weet je ongeveer waarover gesproken kan worden. Maar in het systeem van de handicapspecifieke ondersteuning is die groep niet te prioriteren. Dat is dan in het chronologiesysteem dat dat wordt ingevoerd. Ik zeg er dus meteen bij dat dat debat niet het antwoord is op de vraag naar een kortetermijnoplossing.

Als ik de mensen goed beluister, en ik luister ook naar de mensen van het expertisecentrum, dan zeggen zij mij dat het meest prioritaire het moment is waarop een residentiële opvang noodzakelijk is. Als in een gezin waar een lening wordt afbetaald, waar kinderen studeren, een inkomen gederfd moet worden, is dat echt het moment waarvan iedereen zegt: nu is het wel heel precair geworden. Wij gaan ons concentreren op de korte termijn – dat is dan de begroting 2019, uiteraard – hoe wij daar een operationele oplossing voor kunnen vinden, die natuurlijk zo veel mogelijk probeert te surfen op de concepten en de technieken en instrumenten waarover wij beschikken, want anders moet je daar ook nog een heel nieuw regelgevend apparaat voor opzetten, wat natuurlijk ook niet de bedoeling is. Maar we zijn aan het zoeken in die richting.

Iemand heeft verwezen naar de conventies. Het is juist, we hebben nog een aantal RIZIV-conventies die aan woonzorgcentra zijn toegekend, voor MS, voor huntington, voor parkinson. Uiteraard kun je daarnaar kijken, we zullen dat zeker met de federale collega opnemen, maar als ik nu gezegd zou hebben dat de oplossing in de federale RIZIV-conventies ligt, dan zou u allemaal gezegd hebben dat dat wel heel gemakkelijk is, de hete aardappel naar een andere overheid doorschuiven. Ik denk dat we met zijn allen gaan trachten om daar op Vlaams niveau ook een antwoord op te bieden. En natuurlijk zijn er nog vijf, zes scenario's denkbaar waarbij ook andere overheden zich inschakelen om dat mee op te lossen. Ik wil dat allemaal bevragen, maar ik denk dat u het toch niet zou appreciëren als ik zou zeggen dat het daar op te lossen is en dat wij voorlopig onze handen in onschuld kunnen wassen. Dat zal niet werken, en dat wil ik eigenlijk ook niet doen.

Ik geef u dus aan in welke piste wij het antwoord zoeken. Het moment waarop u de vragen stelt – ik ben misschien van de oude stempel – heeft tot gevolg dat ik ook niet ga zeggen dat dat budgettair afgeklopt is, want we gaan pas eind deze week, in het weekend, afkloppen. We gaan zien wat er mogelijk is in onze begroting.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, ik heb twee opmerkingen. Ik hoop – samen met u, neem ik aan – dat niemand hier met een dubbele tong spreekt en dat als u praat over de operationele oplossing van het meest prioritaire naar aanleiding van een opname in een woon- en zorgcentrum, dat alle partijen die samen met u de meerderheid uitmaken, u dan ook de mogelijkheid geven om die operationele oplossing uit te werken en dat u daar geen ellenlange discussies over moet voeren.

Ik hoop ook dat we met betrekking tot de verdere uitbouw of uitwerking van de Vlaamse sociale bescherming allemaal naar zorgzekerheid streven. Ik denk dat er niemand vragende partij is om weer hokjes in het leven te roepen.

Er moet een systeem georganiseerd worden waarmee we zorgzekerheid garanderen voor iedereen die zorg nodig heeft en waarmee er ook betaalbare zorg is, zodat iedereen die kan krijgen wanneer hij of zij die zorg nodig heeft en verdient. Die zorggarantie moeten wij geven, ook voor de langdurige zorg, waar u naar verwezen hebt.

Ten slotte wil ik nog iets zeggen met betrekking tot de discussie handicap of niet. Het klopt dat er wel erkenningen zijn voor de federale dienst voor personen met een handicap, maar het lijkt me toch moeilijk om te zeggen: u bent erkend voor de ene dienst en niet voor de andere dienst, u kunt daar geen tegemoetkoming voor krijgen. Dat is een beetje te gemakkelijk.

De voorzitter

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

U hebt het goed geresumeerd, minister. Ik geloof niet dat ikzelf en mijn fractie de nadruk legden op een dichotomie VSB of VAPH, want op de lange termijn zie ik die ook ooit nog samenkomen. Als we verder willen gaan met de ontschotting en als we echt in de filosofie van persoonsvolgende en zorggerelateerde ondersteuning willen gaan, is dat een ver streven. De oplossing voor deze hoge zorgnood en ondersteuning moet inderdaad in het brede kader van de Vlaamse sociale bescherming gezocht worden.

Mijn insteek van die conventies was gewoon ook om het operationeel haalbaar te maken. U kent mijn partij, u weet waar wij voor staan. Wij willen dat Vlaanderen straks al die middelen kan bundelen, dat dat allemaal in één hand zou liggen, wat coherent zou zijn en wat ook in het buitenland gebeurt. Ik hoop dat dat allemaal naar het Vlaamse niveau kan komen. Maar ik denk dat alle middelen kunnen helpen.

Tot slot wil ik nog even meegeven waar die cijfers vandaan komen. U weet dat uw dienaar graag al eens wat hoofdrekenen doet. Ik heb die cijfers van 10 miljoen of 9 miljoen euro zelf geproduceerd. De experten van de sector hebben gezegd dat de hoge nood van die mensen die residentieel moeten worden opgenomen, niet de 5500 personen zijn die gekend zijn of geschat worden, maar dat het er een 500-tal zijn. U sprak van 1800 euro per maand. Ik heb daar 2000 euro van gemaakt, om snel te rekenen. Maal 12 is dat 24.000 euro op jaarbasis. Maal 500 kom ik bij 12 miljoen euro. Ik heb dus gezegd dat voor die hoge nood – en dan hebben we het over die operationele oplossing – de orde van grootte ongeveer 10 miljoen euro is. Dat cijfer is dan blijkbaar ook elders als richtcijfer overgenomen. Dat was gewoon een korte berekening uit het vuistje.

Maar u hebt gelijk, minister. Als we de volledige groep overschouwen van degenen die thuis lichte problemen stellen en wat meer zorg nodig hebben of wat toezicht nodig hebben en op termijn eventueel naar de dagopvang moeten, de dagverzorging enzovoort, dan zitten we natuurlijk met het volledige bereik van mensen die vijf, tien jaar lang ondersteuning nodig hebben. Dan zitten we met een veel groter kostenplaatje. Maar mijn cijfer toen sloeg wel degelijk op die groep die de grootste en dringendste nood heeft. We kijken inderdaad uit, volgende week al, naar een eerste stap voor een oplossing, en dan op de redelijk korte termijn, collega's, na de volgende regeringsvorming, naar een gestructureerde aanpak voor de volledige groep.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Freya Saeys (Open Vld)

De collega's hebben het eigenlijk allemaal al verwoord. We moeten gewoon gaan naar een duurzame oplossing, op lange termijn misschien – ik hoop van niet –, voor inderdaad de hele groep. De heer Persyn zei vijftien jaar. Ik denk dat dat een beetje overschat is. (Opmerkingen van Peter Persyn)

Jammer genoeg evolueert jongdementie zeer snel, vaak op een paar jaar tijd. Het is niet de gewone vorm van dementie. Ik hoop inderdaad dat er op korte termijn zeker voor de hoogste nood al iets uit de bus kan komen, want dat is toch wel echt een noodroep van deze mensen.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Ik ga het positieve onthouden, en dat is dat we in de loop van de komende dagen of weken een oplossing zullen mogen hebben op korte termijn voor die groep die residentiële zorg nodig heeft. Ik denk dat dat al heel veel opluchting zou brengen bij die mensen. Daar kijk ik oprecht naar uit. We zullen daar bij de begrotingsbesprekingen zeker op terugkomen.

Een tweede zaak is op iets langere termijn, maar dat hoeft voor mij niet over de volgende regering te gaan. Dat kan nu opgezet worden om dat op langere termijn in te voeren. Nu is die zorgnood niet in te schalen, zegt u, omdat we daar het instrument niet toe hebben. Het is belangrijk dat dat dan meegenomen wordt in onderzoek.

Als we bijvoorbeeld een BelRAI opstellen, kunnen we dan nagaan of dat ook voor die groepen van toepassing is, zodat we die mensen op termijn niet in aparte systemen plaatsen, maar zodat ze effectief kunnen worden opgenomen in de bestaande systemen. En ik wil er dan geen heroïsche debatten over voeren of dat Vlaamse sociale bescherming (VSB) of persoonsvolgende financiering moet zijn. Want ik vermoed dat die systemen coherent en naast of zelfs in elkaar zullen moeten functioneren. Maar ik wil wel nagaan hoe dat op maat kan.

Minister, u hebt zelf gezegd dat die zorg individueel verschillend is. Voor de ene persoon met jongdementie gaat het om een andere omgeving, een andere context en een andere zorgvraag. Wat ze nodig hebben, is anders, dus zal ook het antwoord anders zijn, net als het budget dat daarvoor nodig is. Dat op een goede manier inschalen, lijkt mij een uitdaging. Ik hoop dat het onderzoek daarnaar nog door deze regering, en niet door de volgende, wordt opgestart. Ik hoop dat we op korte termijn mensen die in woonzorgcentra zitten of in residentiële zorg, en op termijn de volledige groep van mensen met jongdementie volwaardig kunnen meenemen en dat we kunnen bekijken of zij de steun krijgen die ze nodig hebben.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.