U bent hier

De heer Annouri heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, naar aanleiding van de resultaten van de eenmeting van het lokaal jeugdbeleid hebben we in deze commissie op 13 juni 2017 een uitgebreid debat gevoerd. Ondertussen zijn we meer dan een half jaar verder en de ongerustheid over de evolutie van het lokaal jeugdbeleid blijft op het terrein aanwezig.

Hoewel er ook positieve zaken uit de eenmeting kwamen, waren de resultaten op sommige punten onrustwekkend. Ik ga ze hier niet allemaal opsommen, maar ik herhaal er twee.

In veel gemeenten werden de doelgroepen en adviesraden minder betrokken dan tijdens de periode van het aparte jeugdbeleidsplan. Jongeren voelen zich minder betrokken en dat is een betreurenswaardige evolutie. Ook de lokale jeugdraden voelen zich veel minder betrokken bij de uitvoering van het lokaal jeugdbeleid dan vroeger.

Hoewel een meerderheid van de ambtenaren en schepenen in het algemeen tevreden is over de manier waarop het jeugdbeleid in het strategisch meerjarenplan werd geïntegreerd, zijn heel wat jeugdambtenaren ook erg kritisch. Ze vinden de manier van planning te algemeen, te oppervlakkig, te beknopt en te weinig concreet. Wanneer men het strategische meerjarenplan vergelijkt met het vroegere jeugdbeleidsplan, blijkt de tevredenheid over verschillende kenmerken afgenomen te zijn. Vooral de zichtbaarheid, concreetheid en onderbouwing van het jeugdbeleid scoren minder goed in het strategisch meerjarenplan.

Scouts en Gidsen Vlaanderen doen in hun memorandum een aantal voorstellen naar aanleiding van deze eenmeting. Ze vragen onder andere voldoende middelen voor Vlaamse monitoring en metingen van lokaal beleid specifiek rond jeugdwerk en jeugdbeleid. Minister, bent u dit van plan? Zo ja, hoeveel middelen trekt u hiervoor uit?

Zij stellen ook: “Plan een tweemeting in 2020 en maak middelen vrij om opnieuw om de twee jaar een sterk cijferboek lokaal jeugdbeleid te maken.” Gaat u ermee akkoord dat een blijvende monitoring noodzakelijk is? Wanneer plant u een volgende meting en bent u inderdaad van plan om een tweejaarlijkse cijferanalyse te doen?

Een derde vraag luidt: “Leg decretaal vast hoe het proces van een gemeente moet lopen om participatief te werk te gaan in de opbouw van hun strategisch meerjarenplan. Pas artikel 5.3. van het decreet Lokaal Jeugdbeleid aan om meer inspraak en betrokkenheid van kinderen en jongeren te garanderen.” Wat vindt u van deze voorgestelde aanpassing van artikel 5.3.? Waarom gaat u er wel of niet mee akkoord?

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, naar aanleiding van een eerdere vraag om uitleg hebben we het al uitgebreid gehad over de nogal onrustwekkende resultaten van de eenmeting met betrekking tot de dalende participatie van kinderen en jongeren aan het lokale jeugdbeleid. Er waren toen ook een aantal positieve dingen, zoals u in uw antwoord hebt aangegeven. Maar op het vlak van participatie, waarover wij ons in het verleden al bezorgd hebben getoond, geeft de eenmeting onrustwekkende resultaten. We weten dat participatie nu eenmaal extra aandacht vergt, zeker voor kinderen en jongeren en de methode daarbij.

Op 22 mei 2017 werden de resultaten voorgesteld van het onderzoek over het ‘Lokaal jeugdbeleid in een nieuwe context van strategische meerjarenplanning’, dat door het Leuvense Instituut voor de Overheid werd uitgevoerd in uw opdracht. Dit onderzoek is een vervolg op de nulmeting lokaal jeugdbeleid, die in 2013 werd uitgevoerd. De meting gebeurde, net als in 2013, aan de hand van een uitgebreide websurvey, afgenomen bij jeugdschepenen, jeugdambtenaren en jeugdraadsleden. 80 procent van de Vlaamse gemeenten nam eraan deel, op zich een heel positief resultaat.

De eenmeting peilde enerzijds naar de beleving en tevredenheid over het werken met een apart jeugdbeleidsplan. Anderzijds werden de lokale actoren ook bevraagd over de risico’s, mogelijkheden en verwachtingen bij de overstap naar het strategisch meerjarenplan en de verdwijning van de sectorale beleidsplannen. De eenmeting onderzocht ook wat de daadwerkelijke bevindingen zijn bij de totstandkoming en uitvoering van het strategisch meerjarenplan. Thema’s zoals de rol van de jeugdambtenaar, participatie van kinderen en jongeren, financiën in het jeugdbeleid komen uitgebreid aan bod. Dat zijn ook de belangrijke pijlers van het jeugdbeleid.

Naast de analyse van de resultaten van de bevraging werden ook concrete beleidsaanbevelingen geformuleerd.

Minister, in uw antwoord op die vragen kondigde u aan dat er in het kader van de monitoring van het lokaal cultuur-, jeugd- en sportbeleid een dataverzamelingstool wordt ontwikkeld waarmee lokale besturen de nodige gegevens over het vrijetijdsgebeuren binnen hun gemeente zullen kunnen registreren. Dit instrument werd inmiddels uitvoerig getest door een aantal pilootgemeenten. Tijdens de bespreking van de beleidsbrief Jeugd kondigde u aan dat eind 2017 een ontsluitingsplatform zou worden gelanceerd om een technische koppeling met externe databronnen mogelijk te maken. Hierdoor zouden de gegevens van verschillende bronnen op één plek en op een uniforme manier worden samengebracht, zodat lokale besturen er beleidsmatig aan de slag mee kunnen.

Voor de wijze waarop de ontsluiting van de gegevens wordt aangepakt, werd een behoefteanalyse opgemaakt. Begin 2018 zou deze lokale vrijetijdsmonitor via een website worden gelanceerd.

Daarnaast lanceerde u vorig jaar samen met minister Homans de digitale tool www.jeugdmonitor.vlaanderen.be, die lokale besturen een duwtje in de rug wil geven bij het uitstippelen van een kindvriendelijk beleid. De jeugdmonitor is een onlinebevragingstool die de Vlaamse overheid ter beschikking stelt van alle Vlaamse steden en gemeenten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). Met de tool kunnen groepen kinderen en tieners vanaf het derde leerjaar tot en met het tweede middelbaar bevraagd worden over hoe zij het wonen en leven in hun buurt, stad of gemeente ervaren. De tool is opgebouwd rond drie thema’s: spelen, buiten zijn, dingen doen met je vrienden; iets doen voor andere mensen, zorgen voor mijn buurt; mijn school en hobby’s. Steden, gemeenten en de VGC kunnen zelf kiezen over welke thema’s ze een bevraging opzetten.

Minister, wat is de stand van zaken van de lancering van de lokale vrijetijdsmonitor? Wanneer zullen de lokale besturen er effectief mee aan de slag kunnen en mogen we de eerste resultaten verwachten?

Wat is de verhouding van deze vrijetijdsmonitor met de bevraging van de eenmeting? Met andere woorden: welke indicatoren uit het lokale jeugdbeleid zullen gemonitord worden in de vrijetijdsmonitor?

Wat is de stand van zaken van de voorbereiding van de tweemeting die u aankondigde voor 2019?

Wat is de stand van zaken van de opvolging van de beleidsaanbevelingen in opvolging van de eenmeting?

Wat zijn de eerste bevindingen van het gebruik van de jeugdmonitor? Hoeveel lokale besturen gingen er al mee aan de slag en wat zijn hun reacties op deze tool?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Het Departement Cultuur, Jeugd en Media startte, in samenwerking met Sport Vlaanderen en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), in december 2015 het project ‘lokale vrijetijdsmonitor’. Verschillende gemeenten waren van meet af aan betrokken bij het project en hebben in overleg met de sectororganisaties en de Vlaamse overheid een set van indicatoren samengesteld en een concrete aanpak uitgewerkt om de nodige data te verzamelen, te verrijken en te ontsluiten. Voor veel initiatieven is het lokale bestuur zelf de drijvende kracht. Om gegevens over deze initiatieven in beeld te brengen, heeft het departement een registratietool voor de gemeenten ontwikkeld. Vanaf 2 maart 2018 is de communicatiecampagne naar de gemeentebesturen gestart. Op 13 maart 2018 volgt de algemene lancering voor de dataverzameling bij lokale besturen via de website www.vrijetijdsmonitorvlaanderen.be.

Eind 2018 wordt alle informatie uit de registratietool, samen met de meest relevante informatie uit bronnen zoals de Uitdatabank, Bios, Sector Informatie Sociaal-Cultureel volwassenenwerk en Amateurkunsten (SISCA), het Centrum voor Jeugdtoerisme, de sportfederaties, de Ambrassade, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) en mogelijk nog andere die als input kunnen dienen voor de meerjarenplanning van het lokale vrijetijdsbeleid, gebundeld en ontsloten op de website vrijetijdsmonitorvlaanderen.be. Zo kunnen gemeenten zelf aan de slag om hun situatie te monitoren, te benchmarken met andere gemeenten of om algemene trends te analyseren. Op die manier hebben gemeenten alle informatie in handen om een cultuur-, jeugd- en sportbeleid op maat uit te bouwen. De timing van ontsluiting is gekozen opdat steden en gemeenten er optimaal gebruik van zouden kunnen maken bij de opmaak van het strategisch meerjarenplan 2020-2025.

De financiële middelen die aan de tool en de ontsluiting worden besteed, bedragen in totaal 180.000 euro. 120.000 euro wordt gedragen door het Departement Cultuur, Jeugd en Media en 60.000 euro door Sport Vlaanderen. Verhoudingsgewijs betekent dit dus een investering van 60.000 euro voor het gedeelte lokaal jeugdbeleid.

In de lokale vrijetijdsmonitor komt het lokale jeugdwerk en jeugdbeleid uitgebreid aan bod. De insteek vanuit het beleidsveld jeugd is deels gebaseerd op het voormalige Cijferboek Lokaal Jeugdbeleid, waarvan in 2015 de laatste editie verscheen. De indicatoren die in het Cijferboek aan bod kwamen, zijn in het participatief traject van de lokale vrijetijdsmonitor herbekeken en aangevuld met materiaal dat uit verschillende bestaande bronnen wordt samengebracht.

In het kader van de lokale vrijetijdsmonitor zullen data verzameld en ontsloten worden om indicatoren te creëren over volgende elementen van het lokale jeugdwerk en jeugdbeleid: het aantal jeugdverenigingen per gemeente; het gemeentelijk aanbod aan jeugdinitiatieven; de aanwezigheid van beroepskrachten binnen het particulier jeugdwerk; lokale initiatieven naar verenigingen om niet-doelgroepspecifiek aanbod toegankelijk te maken voor bijzondere doelgroepen; de betrokkenheid van verenigingen bij projecten van andere beleidsdomeinen; samenwerking tussen verenigingen; participatie aan het jeugdwerk (ledenaantallen bij verenigingen en deelnemersaantallen bij initiatieven); deelnemers aan deeltijds kunstonderwijs; vormen van gemeentelijke ondersteuning van het verenigingsleven; gemeentelijke budget voor jeugd; de lokale jeugdinfrastructuur (infrastructuur van jeugdverenigingen, aanwezigheid van fuifruimtes, jeugdverblijfcentra); vormen van tijdelijke tewerkstelling binnen gemeentelijke jeugdinitiatieven; het aantal voltijdsequivalenten tewerkgesteld binnen gemeentelijke vrijetijdsdiensten; de tewerkstelling binnen de jeugdsector; de organisatie van de jeugddienst (autonome dienst of deel van een bredere administratieve entiteit); de samenwerking tussen het lokaal bestuur en derden in functie van de realisatie van het jeugdbeleid, bijvoorbeeld met Welzijn, Onderwijs, Mobiliteit of andere; intergemeentelijke samenwerking met betrekking tot jeugdthema’s; het aantal vrijwilligers binnen het jeugdwerk; de vormen van inspraak en beleidsparticipatie georganiseerd door de gemeente.

Dat is een vrij uitgebreide lijst.

Samen met minister Homans, bevoegd voor het binnenlands bestuur, heb ik op 21 september 2017 de jeugdmonitor gelanceerd. Die gratis aangeboden tool is ontworpen voor lokale besturen en voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC). De jeugdmonitor bevat een set vragen op maat van kinderen en tieners van het derde leerjaar tot het derde jaar van het middelbaar onderwijs. Lokale besturen kunnen de tool gebruiken om te peilen naar wat kinderen en jongeren wensen, welke problemen ze ondervinden en wat ze van hun buurt vinden op het vlak van speelruimte, veiligheid, vrijetijdsbesteding en dergelijke. Het Departement Cultuur, Jeugd en Media en het Agentschap Binnenlands Bestuur hebben samen 17.000 euro geïnvesteerd in de ontwikkeling van de jeugdmonitor.

Er is me gevraagd wat de eerste bevindingen zijn in verband met het gebruik van de jeugdmonitor. Op 27 februari 2018 hadden 44 gemeenten zich geregistreerd. Daarvan hadden 23 gemeenten reeds een of meerdere bevragingen gehouden. Dat zijn duidelijk de voorlopers.

De reacties van de gemeenten die reeds met de tool aan de slag zijn gegaan, zijn nog niet systematisch verzameld. Uit sporadische telefonische contacten met het departement blijkt echter dat de gemeenten het een vlot en kindvriendelijk instrument vinden om, momenteel voornamelijk in scholen, groepen kinderen te bevragen.

Wat de tweemeting en de middelen betreft, verwijs ik naar het Cijferboek Lokaal Jeugdbeleid, een driejaarlijkse publicatie die tussen 1993 en 2015 acht edities heeft gekend. Zoals ik al heb vermeld, wordt deze publicatie vervangen door de ruimere en digitale lokale vrijetijdsmonitor.

Zowel de nulmeting als de eenmeting van het lokaal jeugdbeleid heeft heel wat nuttige kennis opgeleverd over de positie van het lokaal jeugdbeleid en de lokale jeugdactoren in het werken met een strategisch meerjarenplan. Om die reden wil ik ook in de toekomst de vinger aan de pols houden en de evoluties van het lokaal jeugdbeleid van nabij opvolgen. Waar nodig en mogelijk, wil ik kunnen ondersteunen en stimuleren. Ik onderzoek of een tweemeting hiervoor het geschikte instrument is. Ik onderzoek tevens of deze informatie ook met andere tools of een breder onderzoek kan worden verkregen.

De periode van de meting is uiteraard ook belangrijk. In de lijn van de nul- en eenmeting zou een evaluatie van de betrokkenheid van de lokale jeugdactoren bij de opmaak van het nieuw meerjarenplan in 2019 met interessantst zijn. Dat betekent dat het onderzoek moet worden uitgevoerd in de loop van 2020 en 2021, wat binnen de volgende legislatuur valt.

Met betrekking tot de beleidsaanbevelingen in verband met de opvolging van de eenmeting worden in het onderzoeksrapport ‘Eenmeting jeugdbeleid in lokale besturen’ ten aanzien van de Vlaamse overheid een viertal suggesties in verband met het praktijkbeleid geformuleerd. De eerste suggestie is de ondersteuning van de partnerorganisaties voor het lokale jeugdbeleid. De tweede suggestie betreft de kennisopbouw over en de kennisdeling van goede praktijken en tools. De derde suggestie gaat over een blijvende stimulerende of sturende rol, vooral om de lokale participatiedynamiek te versterken. De vierde suggestie betreft de financiële continuïteit en is gericht op het geheel van actoren die de jeugd als doelgroep zien. Ik overloop even hoe ik met deze suggesties aan de slag ben gegaan.

Wat de ondersteuning van de partnerorganisaties voor het lokale jeugdbeleid betreft, heb ik bijkomende middelen vrijgemaakt voor de Vereniging Vlaamse Jeugddiensten (VVJ) en voor De Ambrassade. In de nieuwe subsidieovereenkomst die we voor de periode 2018-2020 hebben afgesloten, zijn ook acties opgenomen met betrekking tot de ondersteuning van het lokale jeugdbeleid en jeugdwerkbeleid. Wat de VVJ betreft, gaat het bijvoorbeeld om bijkomende middelen voor de ondersteuning van de lokale participatie van kinderen en jongeren. Wat De Ambrassade betreft, gaat het om bijkomende middelen voor de uitbouw van een informatieplatform waarin ook lokale informatie voor kinderen en jongeren een plaats krijgt. Beide organisaties krijgen ook middelen om initiatieven te nemen met betrekking tot de gemeenteraadsverkiezingen, waaronder onder meer het project ‘Debattle’. In dit project zijn tevens een aantal andere organisaties ingestapt, zoals de Vlaamse Jeugdraad, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), de Vlaamse Dienst Speelpleinwerk (VDS) en de verschillende jeugdbewegingen.

Wat de kennisopbouw over en de kennisdeling van goede praktijken en tools betreft, verwijs ik uiteraard naar de vrijetijdsmonitoring en de jeugdmonitor. Daarnaast verwijs ik tevens naar het traject ‘Bruggenbouwers’, waarvoor twaalf lokale of bovenlokale projecten zijn geselecteerd en middelen ontvangen. In dit traject heb ik ook middelen vrijgemaakt voor onderzoek en opvolging. Zodra de projecten zijn afgelopen, zal er een ontsluiting volgen van de kennis en de expertise die binnen de twaalf projecten is opgebouwd. Verder is in oktober 2017 de brochure ‘Kijk eens… zo doen we dat’ voorgesteld. Deze brochure is opgesteld naar aanleiding van de uitreiking van de prijs ‘Jeugdgemeente van Vlaanderen’ en bundelt een aantal praktijkvoorbeelden uit de twintig gemeenten die zich kandidaat hadden gesteld. Sinds 2017 heeft het departement de ondersteuning van de jury voor het label ‘kindvriendelijke steden en gemeenten’ op zich genomen. In dit licht is vorig jaar een intervisiemoment opgezet met de gemeenten die het label reeds hebben behaald. Ik heb eind 2017 ook middelen vrijgemaakt voor een onderzoek naar de verdieping van het concept ‘kindvriendelijke steden en gemeenten’. Dit onderzoek wordt eind dit jaar afgerond. Als laatste punt wil ik ook ‘Diversiteit in/en het jeugdwerk. Masterplan 2018-2020’ vermelden, en dan in het bijzonder het Vlaams netwerk ‘Jeugdwerk voor Allen’. Dit netwerk, dat ik op 23 februari 2018 heb gelanceerd, moet de lokale actoren, zoals jeugddiensten en jeugdwerkinitiatieven, vanuit een vraaggestuurd aanbod ondersteunen om het jeugdwerk nog toegankelijker te maken.

Wat de stimulerende of sturende rol betreft, verwijs ik naar de initiatieven die ik met betrekking tot de eerste en de tweede suggestie heb vermeld.

Wat de financiële continuïteit betreft, investeer ik als minister van Jeugd constant om jeugd als doelgroep te ondersteunen. Die ondersteuning gebeurt ook op lokaal vlak. Ik denk dat de net vermelde voorbeelden dat illustreren. Aanvullend hierop wil ik nog vermelden dat mijn erkenning en subsidiëring van verenigingen op basis van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid of op basis van het decreet van 22 december 2017 betreffende het bovenlokaal jeugdwerk ook betekent dat het lokaal jeugdbeleid door die verenigingen wordt versterkt. De met de VVJ afgesloten subsidieovereenkomst is daar een voorbeeld van. Een ander voorbeeld vormen de projecten voor jeugdhuizen met betrekking tot de artistieke expressie en het ondernemerschap, waarvoor ik momenteel jaarlijks 3 miljoen euro vrijmaak. Tot slot wil ik nog vermelden dat ik niet enkel door middel van mijn subsidiëringsbeleid voor financiële continuïteit zorg. Investeringen in tenten, bijvoorbeeld, zorgen ervoor dat lokale groepen hun lokale werking kunnen uitbouwen, waardoor ze kinderen en jongeren een mooi vrijetijdsaanbod kunnen aanbieden.

De laatste vragen houden verband met het gesuggereerd artikel om de procedurele methode in de jeugdraden te verankeren en vooral aan te scherpen of te wijzigen. Artikel 5, paragraaf 3, van het decreet betreffende het lokaal jeugdbeleid van 6 juli 2012 bevat de bepaling dat het college van burgemeester en schepenen moet aantonen de jeugdraad om advies te vragen over alle aangelegenheden die betrekking hebben op het jeugdbeleid en bij de opmaak van het meerjarenplan. Volgens mij zou een formalisering van alle adviesvragen over alle aangelegenheden de beleidsparticipatie niet bevorderen. Aangezien jeugdbeleid een categoriaal beleidsthema is, zou in dit geval voor een zeer groot deel van de vooropgestelde beslissingen van het college van burgemeester en schepenen eerst de jeugdraad officieel om een advies moeten worden gevraagd. Deze moeilijke situatie zou zeer veel werk vragen.

Het huidige decreet betreffende het lokaal jeugdbeleid belichaamt de gewijzigde relatie tussen de lokale besturen en Vlaanderen. Het betreft een meer volwassen verhouding die is gebaseerd op wederzijds respect en waarin Vlaanderen veeleer een ondersteunende en stimulerende in plaats van een controlerende rol opneemt. Daarnaast is de beleidsparticipatie van kinderen en jongeren op lokaal niveau volop in beweging. Naast de nog steeds bestaande decretale verplichting in verband met de jeugdraad, experimenteren heel wat lokale besturen met andere participatievormen dan enkel de klassieke adviesraden. Het kan dan gaan om overlegtafels, themacafés, digitale participatie en dergelijke. Zij kunnen minstens even waardevolle aanvullingen zijn op het werk van de jeugdraad. Hiertoe moeten de lokale besturen de nodige speelruimte krijgen. Het zou in dit verband contraproductief kunnen zijn de beleidsparticipatie en -evaluatie vanuit de Vlaamse overheid opnieuw in een strak keurslijf te gieten.

De participatie van kinderen en jongeren aan het lokale beleid en jeugdbeleid blijft uiteraard een belangrijk aandachtspunt. Ik wens dit door middel van de eerder vermelde monitoring- en onderzoeksinstrumenten nauwgezet op te volgen. Waar het nodig is, kunnen gepaste ondersteuningsmiddelen of stimulerende maatregelen worden ontwikkeld.

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Zoals u zelf even hebt aangehaald, moeten we ervoor zorgen dat we door alle bomen het bos nog blijven zien. Het is belangrijk dat we nauwgezet opvolgen dat de participatie van jongeren en de raadpleging van de jeugd voor het beleid er niet op achteruitgaat en zelfs wordt versterkt. Om hiervoor te zorgen, moeten we dit op een heldere manier in kaart kunnen brengen. Ik heb in dit verband nog twee bijkomende vragen.

U hebt verklaard dat u niet weet in hoeverre de tweemeting de beste manier is dit verder op te volgen en na te gaan welke stappen vooruit we zetten. U hebt laten verstaan dat er andere manieren zijn. Waaraan denkt u dan? Als het geen tweemeting is, welke andere tools zijn er dan om hierop in te gaan? Hebt u concrete ideeën over de manier waarop we dit zouden kunnen doen?

U hebt verklaard dat de participatie van jongeren niet per se zal worden versterkt door bepaalde zinnen in het decreet te veranderen of door alles weer in een strakker keurslijf te brengen. Tegelijkertijd hebt u verklaard dat we tools moeten maken om de participatie te verbeteren indien uit de meting zou blijken dat dat niet het geval is. Dit toont gedeeltelijk aan waarom jongeren en bepaalde organisaties zich zorgen maken. Ze zien de resultaten en zijn bezorgd dat de participatie niet zal verbeteren. Ze weten vooral niet wat hiertegenover staat.

In die zin is mijn vraag dezelfde als de eerste: wat zouden die tools dan moeten zijn? Op welke manier kun je daarvoor zorgen, als het niet decretaal is, om dat wel te doen? En waarom dan toch niet gewoon die decretale aanpassing doen, die ervoor zorgt dat er toch een bepaalde garantie overeind blijft?

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, bedankt voor uw antwoord. Er zijn heel veel elementen aangehaald. Ik zal het antwoord zeker nog eens nalezen. We moeten inderdaad door de bomen het bos nog zien. Eenvoud siert vaak een goed participatieproces. We moeten daar zelf zeker oog voor blijven hebben, dat we het zo eenvoudig mogelijk houden, enerzijds voor de inspraak, maar anderzijds vooral ook om die monitoring en opvolging te kunnen blijven doen.

Ik wil u alleszins al danken voor de lancering. Ik begrijp dat op 2 maart de communicatie naar de verschillende gemeenten gestart is. Ik ben benieuwd hoe die gestart is. Ik heb begrepen dat er op 30 maart een grote aftrap zou zijn. Er is daarstraks al aangehaald dat vragen soms heel snel effect kunnen hebben. Bij dezen ook dank u wel om de lancering effectief te laten starten.

Ik heb in het hele verhaal twee bezorgdheden, ten eerste wat betreft die tweemeting. We hebben de eenmeting gehad. We hebben er heel hard voor moeten pleiten om een eenmeting te hebben, om wat we doen, ook effectief te kunnen monitoren en te kunnen beoordelen. Het is belangrijk dat we dat kunnen doen. We kunnen daar dingen uit leren, en kunnen hopelijk ook snel zaken bijsturen of er extra aandacht aan geven. Maar belangrijk aan een meting en een monitoring is ook dat je kunt vergelijken. Anders hebben de tijd en energie die je in de eenmeting gestopt hebt, geen zin. U twijfelt of u het op dezelfde manier zult doen. U zei dat u wou nagaan of een tweede meting wel zin heeft, of dat we naar andere zaken moeten gaan, want misschien kunnen we uit andere dingen ook wel elementen halen. Dat kan ik mij inbeelden. Zoals ik al zei, is het belangrijk om het eenvoudig te houden. En dus moeten we geen twee dingen vragen als we het al ergens gemonitord hebben. Maar het is wel belangrijk dat we die vergelijking kunnen doen.

Voor ons als parlement is het superbelangrijk om te weten hoe u dat denkt te gaan aanpakken, en zeker met welke parameters. Hoe gaat u garanderen dat er ook effectief een vergelijking kan gebeuren? Gaan dat dezelfde parameters zijn? Hoe gaat u die vergelijkingsmogelijkheid garanderen? Daar zou ik graag wat meer zicht op krijgen. En als u zegt dat dat vandaag nog niet helemaal duidelijk is, hoe gaat dat proces dan lopen? Hoe gaan wij daarbij betrokken worden, zodat we als parlement ons werkinstrument zeker voorhanden kunnen blijven hebben?

Ik heb nog een tweede vraagje rond de opvolging van de eenmeting. U hebt heel veel acties aangehaald. We hebben daar in het verleden ook al over gesproken. U sprak toen ook over extra middelen en budgetten. Bij de bespreking van de beleidsbrief heb ik het onder andere gehad over de extra middelen voor de VVJ. We hadden een beetje de bezorgdheid of dat budget wel voldoende zou zijn als zij ook alle provinciale taken moeten opnemen. U zou dan kijken wat het departement eventueel kon doen en wat de VVJ zou doen. Is dat onderzoek intussen afgerond? Misschien behoort dat niet helemaal tot uw parate kennis, maar ik heb nu een aantal keren gehoord dat er in extra middelen wordt voorzien, en ik heb het gevoel dat er ook al een aantal extra waren bij de beleidsbrief. Ik zou dus graag een overzicht hebben van wanneer welke extra middelen toebedeeld zijn aan wie en voor welke opdrachten, in het kader van die opvolging. Dat werd mij uit uw antwoord namelijk niet helemaal scherp. Zeker met cijfers is dat niet beantwoord. Mogelijk behoort het niet tot uw parate kennis, maar dan zou ik willen vragen of het mogelijk is om ons dat schriftelijk na te sturen.

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Minister, bedankt voor het uitgebreide antwoord. Ik ga het zeker en vast ook nog eens doornemen.

Wat die eenmeting betreft: daar zitten zowel positieve als negatieve resultaten in, dus dat was ook niet allemaal zwart-wit. Maar ondanks die nuance die ik wil maken, denk ik dat we de vastgestelde signalen zeker niet mogen verwaarlozen. Het is toch gebleken dat de rol van de jeugdraad verkleint. De zichtbaarheid van het jeugdbeleid in het strategisch meerjarenplan, de dalende participatie van kinderen en jongeren, dat zijn toch allemaal elementen die onze blijvende aandacht verdienen.

Daarom vinden wij het voorstel van de tweemeting, of hoe het er in de toekomst ook zal uitzien, een zeer waardevolle piste, omdat de eenmeting achteraf gezien toch ook een zeer nuttige oefening is geweest, waaruit blijkt dat de monitoring van het jeugdbeleid zeker en vast niet overbodig is.

Ik wil nog even terugkomen op dat lokale. Met onze fractie blijven wij geloven in die sterke lokale jeugdraden en het betrekken van kinderen en jongeren bij het beleid. Maar we geloven ook in de wijsheid van de lokale besturen. We mogen de rol van de lokale autonomie zeker niet onderschatten. We moeten voldoende vertrouwen hebben in de lokale besturen. Ik vind ook dat de manier waarop kinderen en jongeren participeren, onderhevig is aan verandering. Dat is een evolutief gegeven.

Waar ik me wel min of meer tegen kant, is de visie dat wij als Vlaamse overheid alles moeten verplichten. De Vlaamse overheid moet wel ondersteunen en coachen, en ik denk dat dat vooral kan via de Vereniging Vlaamse Jeugddiensten. Het is belangrijk dat dat op die manier gebeurt.

Wat de decretale bepaling betreft, vind ik het heel goed dat dat zo behouden blijft. Dat is heel belangrijk. De jeugdraad moet op die manier zijn rol ten volle kunnen invullen, zijn verantwoordelijkheid nemen en zijn plaats afdwingen.

Uit het antwoord op een schriftelijke vraag van mezelf blijkt dat intussen 44 gemeenten ingestapt zijn op de jeugdmonitor. Dat kan versterkend werken voor de participatie van kinderen en jongeren. We moeten wel vermijden dat we steeds dezelfde gemeenten bereiken met de jeugdmonitor, het label ‘kindvriendelijke steden en gemeenten’ en de prijs voor Jeugdgemeente van Vlaanderen. Hoe kan men hier voor een goede spreiding zorgen, zodat het niet steeds dezelfde gemeenten zijn die sterk staan in het jeugdbeleid?

Mevrouw Soens heeft het woord.

Ik wil de vraag van de collega’s ondersteunen om toch een tweemeting te organiseren. We hebben bij de eenmeting wel een aantal interessante dingen gezien rond de participatie van jongeren aan het lokale jeugdbeleid. Ik denk dat het zeer nuttig zou zijn om ook een tweemeting te organiseren, omdat ik denk dat we de effecten van de inkanteling in het Gemeentefonds pas vanaf 2019 zullen zien, en dat we dan ook de effecten van de inkanteling van de provinciale bevoegdheden zullen zien. Het lijkt me dus echt nuttig om die tweemeting te gaan organiseren en daar heel dicht op te zitten.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Wat de voorbereiding van de tweemeting – of iets anders, maar in elk geval iets vergelijkbaars – betreft, heb ik nog enige tijd nodig. We kunnen dat doen, omdat het zwaartepunt ervan pas in 2019 valt. Dat debat zullen we dus vervolgen. Maar als we iets ondernemen – en dat is wel degelijk de bedoeling, hetzij een tweemeting, volledig hetzelfde als nul en één, hetzij iets vergelijkbaars –, dan moeten we wel degelijk het ene met het andere kunnen vergelijken. Anders is het weinig zinvol.

Ik zal inderdaad een kort overzicht geven met de bijkomende financiële steun aan de partnerorganisaties voor het lokale jeugdbeleid, zodat u kunt zien wat ze voorheen hadden en wat ze erbij gekregen hebben in functie van bijkomende opdrachten.

Wat betreft het uitbreiden van het aantal gemeenten die meedingen naar het label ‘jeugdvriendelijke gemeente’ of ‘meest kind- en jeugdvriendelijke gemeente’ tout court: ik denk dat we daar allemaal een stuk verantwoordelijkheid in hebben in het kader van het zichtbaar maken daarvan, om het ambitieniveau voor het jeugdbeleid lokaal te verhogen bij de gemeenteraadsverkiezingen die eraan zitten te komen. Maar ik wil zeker bekijken – ik ben trouwens niet zeker of ik het niet al gedaan heb – of we daar nog eens extra de aandacht op kunnen vestigen ten aanzien van de gemeenten, om dat mee te nemen in de sprong naar de volgende meerderheden en dus ook de volgende schepenen van Jeugd.

Wat de suggestie van Scouts en Gidsen Vlaanderen betreft, met een aanpassing van artikel 5, paragraaf 3, van het decreet Lokaal Jeugdbeleid in verband met een sterke verankering van de jongerenparticipatie, van de adviesraad: het is natuurlijk zo dat het tot uw volledige decretale autonomie behoort om daarover het debat nog verder aan te zwengelen. Ik nodig u daar ook toe uit. Dat is wat parlementen doen, natuurlijk. Het zal ons misschien helpen om het debat daarover wat breder te hebben. Ik denk dat men bij Scouts en Gidsen Vlaanderen wel zal hebben nagedacht over de veranderde formulering, maar misschien is het goed dat er in deze commissie tussen ons nog een intern debat kan zijn over precieze formuleringen, voor zover ze er moeten komen. Maar dat is de autonomie van het parlement.

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw bijkomende antwoorden. Bij wijze van afsluiter: de liberaal in mij volgt uw verhaal als het gaat over de vrijheden van de lokale besturen om dat zelf te kunnen invullen en om ter zake niet te veel decretaal opnieuw in een keurslijf te worden geduwd. Ik volg dat, maar de groene in mij, die nog altijd iets sterker is en op zoek is naar duurzaamheid en langetermijnoplossingen, beseft dat de participatie van jeugd die we hebben opgebouwd in Vlaanderen, van ongelooflijk belang is en dat dit het moment is waarop het risico bestaat dat die kan afkalven. Dat mogen we niet laten gebeuren, dus we moeten daarop als overheid een zekere vorm van controle blijven behouden. We zullen daar dus ook over blijven waken en zullen vragen blijven indienen om ervoor te zorgen dat we via cijfers op een transparante manier snel kunnen achterhalen welke bijkomende stappen we moeten zetten om ervoor te zorgen dat dit niet zal gebeuren.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw bijkomend antwoord en bijkomend engagement. Ik heb dus begrepen dat die cijfers inderdaad worden nagestuurd. U hebt aangehaald dat de tweemeting er in 2019 is, dat we daar nog wel enige tijd voor hebben. Dat klopt, het is nog maar begin 2018, maar ik weet dat de tijd bijzonder snel kan gaan voor zulke processen. Hebt u misschien al een procedure uitgeschreven in dezen? Met wie en wat en hoe wilt u dat aanpakken en evalueren? Welke stappen wilt u wanneer zetten? Wilt u eventueel ook met ons het debat daarover voeren? Als u daarover eventueel procedurele informatie hebt, dan mag u die ons zeker ook bezorgen. Dat maakt dat we niet bij wijze van spreken om de twee maanden een vraag moeten stellen over de stand van zaken. Dan kunnen we immers die procedure ook zelf voor een stukje mee volgen en weten wanneer we eventueel ook de mogelijkheid hebben om daarover mee het gesprek of het debat aan te gaan.

Minister, participatie en opvolging van het lokaal beleid op dat vlak zijn één zaak. Het is heel belangrijk om een goed jeugdbeleid te kunnen voeren. Ik weet dat u daar op zich ook wel van overtuigd bent, maar de vraag is natuurlijk op welke manier Vlaanderen mee ondersteuning kan bieden zodat in alle gemeentes alle kinderen en jongeren de kans krijgen om mee hun jeugdbeleid, om mee hun stad of gemeente vorm te geven. Ik weet dat er heel veel goede voorbeelden zijn. Ik weet dat het kan. Ik heb ook geloof in heel wat lokale besturen, maar het zou goed zijn dat we ze allemaal mee op die kar krijgen. Daarom zullen wij ook deze zaak op een goede manier blijven volgen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.