U bent hier

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Minister, sta me toe dat ik toch wat cijfers breng, om mijn vraag te duiden en voor het verslag. Ik heb halfweg december een schriftelijke vraag gesteld, waaruit blijkt dat vorig jaar 7757 werkzoekenden een advies op een maatregel in sociale economie verworven hebben. Dat is ongeveer 40 procent van de 17.361 werkzoekenden die werden onderzocht in functie van het toekennen van een indicatie van persoon met een arbeidshandicap en de 2278 onderzoeken naar persoon met multipele problemen. Een beperkt deel van die groep overlapt, maar dat aantal blijft blijkbaar zeer beperkt. Van die 7757 personen kregen er 1647 een advies voor de sociale werkplaats, wat ongeveer 1 op 5 is, 7,5 procent voor de lokale diensteneconomie (LDE) en het grootste deel, 5530 of 71,3 procent, voor de beschutte werkplaats. De groep die potentieel in aanmerking komt voor toeleiding naar de sociale economie, is met andere woorden omvangrijk.

Daartegenover staat dat het aantal plaatsen gelimiteerd is door het systeem van contingenten. In totaal zijn er 20.363,83 voltijdse eenheden (VTE) toegekend, waarvan 14.507,3 aan beschutte werkplaatsen, 3965 aan sociale werkplaatsen en 1891,53 aan LDE. Als we dan kijken naar de concrete invulling van de contingenten – uiteraard volgens de momentopname op het moment van indiening van mijn schriftelijke vraag – merken we dat in totaal 1082,68 VTE niet is opgevuld. Dat betekent dat 5,3 procent van het totale contingent, of ongeveer 1 VTE op 20, niet is ingevuld.

Als we dat opdelen naar beschutte en sociale werkplaatsen en LDE, zien we ook verschillen. Bij de sociale werkplaatsen is het niet-ingevulde aandeel het grootst, met 7,4 procent, en bij de LDE het kleinst, met 2,3 procent. Voor de beschutte werkplaatsen zitten we met 5,1 procent net onder het gemiddelde. In de provincie Antwerpen zien we dat het percentage voor de sociale werkplaatsen zelfs oploopt tot 11,5 procent. Ook bij de beschutte werkplaatsen ligt het percentage daar met 6,6 procent hoger dan het gemiddelde van 5,1 procent.

Het gaat hier over voltijdse eenheden, dus dat betekent dat er jobs openstaan voor een potentieel van meer dan 1500 mensen. We weten immers dat heel wat jobs in de sociale economie niet voltijds, maar deeltijds zijn. Wellicht gaat het ook niet om een een-op-eenberekening, want de tijdelijke niet-invulling van sommige contingenten kan ook gebonden zijn aan een aantal andere factoren, zoals het werkaanbod, vooral dan op het niveau van de individuele ondernemingen. Maar dat neemt natuurlijk niet weg dat er gestreefd moet worden naar een optimale invulling van openstaande contingenten binnen het huidige regelgevende kader.

We hadden het eerder al over het pleidooi voor een herziening van de regeling inzake contingentering en het meer inpassen van de sociale-economiebedrijven in de economische wetmatigheden. Dat debat moet gevoerd worden, maar het staat natuurlijk los van de huidige vaststelling in verband met de invulling van de actuele contingenten.

Minister, wat zijn de oorzaken van het aanzienlijke aantal openstaande contingenten binnen de sociale economie? In welke mate situeren de oorzaken zich op individueel bedrijfsniveau? Hoe groot is het vervullingspercentage van de vacatures in de sociale economie door VDAB? Hoe kunnen de verschillen tussen beschutte en sociale werkplaatsen en LDE worden verklaard? Wat wordt ondernomen om de invulling van de contingenten te optimaliseren?

Minister Homans heeft het woord.

Collega’s, ik excuseer me bij voorbaat voor het nogal technische antwoord, maar het is ook een technische problematiek die wordt aangekaart.

Ik wil beginnen met te zeggen dat een invulling van geen 100 procent niet zo abnormaal is. Dat is eigenlijk normaal, want er moet altijd een marge ingebouwd kunnen worden om flexibel te kunnen inspelen op bijvoorbeeld bijkomende vragen en orders en dergelijke.

In de maatwerkregelgeving die in werking treedt op 1 januari 2019 – vooralsnog zitten we dus nog altijd in de oude regelgeving – is er dan ook een invullingsgraad opgenomen van 90 procent. Bij de bedrijven die onder die 90 procent zitten, zal er in de nieuwe regelgeving dan een herverdeling gebeuren. Vandaag, in de oude regelgeving, is daaromtrent niets opgenomen. Op basis van de cijfers in uw schriftelijke vraag stellen we vast dat de bedrijven gemiddeld boven die 90 procent zitten. We kunnen dus niet echt spreken van een lage invullingsgraad.

Ik wil nog twee belangrijke nuances aanbrengen bij de cijfers. Bij de meeste bedrijven is er een hoge invullingsgraad. Het is bij een beperkt aantal bedrijven dat de invullingsgraad lager ligt, waardoor het gemiddelde natuurlijk naar beneden gaat.

Een tweede belangrijke nuance is dat het heel moeilijk is om de cijfers van de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen en van de LDE-initiatieven met elkaar te vergelijken. Bij de invullingsgraad van de beschutte werkplaatsen wordt rekening gehouden met de effectieve prestaties van de doelgroepwerknemer, bijvoorbeeld de gepresteerde uren, en worden langdurig zieken niet meegeteld, aangezien die geen uren gepresteerd hebben. Voor de sociale werkplaatsen worden langdurig zieken dan weer wel meegeteld. In de LDE-regelgeving zijn het contracten die vergoed worden – in de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen heeft men ook contracten, maar het gaat erover hoe men de contingenten optelt. In de LDE speelt het dus absoluut geen rol of je langdurig ziek bent of niet, want je hebt een contract. Het is heel moeilijk, collega Talpe, om die cijfers met elkaar te gaan vergelijken. Maar als we gewoon die 90 procentgraad opleggen, zal het wel duidelijker zijn.

Hoe groot is het vervullingspercentage van de vacatures in de sociale economie door VDAB? Van de vacatures, zowel beschutte werkplaatsen als sociale werkplaatsen, die in 2017 opengesteld werden en nog niet geannuleerd werden, is op 31 december 2017 81 procent ingevuld. 19 procent staat dus nog open. Van de vacatures LDE die in 2017 opengesteld werden en nog niet geannuleerd werden, is op 31 december 2017 70 procent ingevuld en staat dus nog 30 procent open. Ter vergelijking: van de vacatures in het normaal economisch circuit (NEC) die in 2017 opengesteld werden en nog niet geannuleerd werden, is op 31 december 2017 45 procent ingevuld, en staat dus nog 55 procent open. Ik denk dus dat het wat betreft de vacatures in de sociale economie, zeker de goede kant uitgaat, en zeker veel beter is dan het normale economische circuit.

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Bedankt voor de verduidelijking, minister. Een aantal zaken zijn inderdaad heel technisch. Ik beaam uiteraard dat de toekenning van contingenten vaak op bedrijfsniveau gebeurt. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat er geen permanente benutting van 100 procent van de voorziene arbeidsplaatsen is. Er is heel vaak een economische dimensie, die ze niet zomaar kunnen uitschakelen. Dat is een feit.

De cijfers zijn ook een momentopname. Er kan dus ook een zekere fluctuatie in zitten, maar het gemiddelde van 5 procent vond ik toch even de moeite waard om hier te bespreken.

Het is goed dat u verduidelijkt hebt dat en hoe we dit moeten nuanceren. Er is heel wat meegegeven. We gaan dat eens herbekijken om het goed te kunnen capteren op basis van de informatie die u hebt meegegeven. Ik kan daar niet veel meer aan toevoegen.

U maakte ook de vergelijking tussen NEC en sociale en beschutte werkplaatsen. Je ziet dat de krapte op de arbeidsmarkt wat minder speelt in de sociale economie. Maar goed, we moeten overal zorgen dat onze vacatures zo maximaal mogelijk ingevuld raken.

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Sabine Vermeulen (N-VA)

Ik heb zelf jarenlang in de sociale economie gewerkt. Op het moment dat ik daar binnenkwam, was ik wel enigszins verrast door de grote fluctuaties in drukke en minder drukke periodes. Dat was frappant, meer dan in de reguliere economie, waar ik daarvoor werkte.

Er was wel een hoger ziekteverzuim van doelgroepmedewerkers, waardoor het moeilijker was om met de economische flexibiliteit om te gaan. Ik denk dat maatwerkbedrijven die economische flexibiliteit ook wel moeten kunnen hebben. Dat ze soms met vakantiejobs werken, daar heb ik totaal geen problemen mee, want die mensen moeten ook vakantie kunnen nemen. Dat ze soms met interims werken, daar heb ik ook geen problemen mee. Maar daardoor zat ik, toen ik daar werkte, soms met het idee – dat was een spielerei en het kan een spielerei blijven – van een interimkantoor voor doelgroepmedewerkers. Soms kwamen daar mensen op de werkvloer via een interimkantoor, die daar totaal niet gepast waren. Die gingen soms na een uur al weg, en zeiden: ‘Wat kom ik hier doen in een beschutte werkplaats, dat is mijn ding niet.’ Ik zit nog altijd met een soort spielerei in mijn hoofd, dat dat misschien wel een gat in de markt zou kunnen zijn, een soort interimkantoor voor doelgroepmedewerkers die de economische flexibiliteit in de maatwerkbedrijven kan opvangen.

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes (CD&V)

Dat bestaat al. In Limburg is er een interimkantoor voor doelgroepmedewerkers, in As. u kunt dat eens opzoeken. (Opmerkingen van Sabine Vermeulen)

Dat weet ik, maar ergens moet het warm water uitgevonden worden.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.