U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, ik denk dat het goed is dat we deze discussie eens apart kunnen behandelen na de voorzet die collega Van Werde vorige week heeft gegeven.

Eind vorig jaar kopte De Morgen ‘Is er hoop voor de bioscoop?’. Net zoals in 2016 vallen de bioscoopcijfers tegen. De dalende trend zet zich dus voort. Nochtans – daar zijn we allemaal van overtuigd – beschikt Vlaanderen over pakken talent en wordt de kwaliteit van onze audiovisuele productie internationaal geprezen, getuige de vele prijzen die we halen.

Tijdens de hoorzitting van 13 juli 2017 over het jaarverslag van het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) werd het veranderde kijkgedrag van de Vlaming ook al aangekaart. Pierre Drouot, de voormalige directeur, zei hierover toen het volgende: “Vandaag kunnen we in goede omstandigheden thuis film kijken en is het aanbod groot.We zien tevens hoe online kijken en streamingdiensten zoals Netflix en Amazon aan belang winnen.

De Unie van Regisseurs heeft aangekondigd dat ze naar aanleiding van de cijfers van 2017 in februari zullen samenzitten, maar er wordt nu al hevig gedebatteerd over zowel de oorzaak als een oplossing voor het dalende bioscoopbezoek. Sommige regisseurs vinden dat er te veel films worden geproduceerd en dat er meer gefocust moet worden op hoogstaande kwaliteit. Anderen vinden het veranderde kijkgedrag de hoofdoorzaak, terwijl Dries Phylpo stadsbioscopen als oplossing ziet.

De rol van het VAF in dit verhaal moet van naderbij worden bekeken, aangezien het de spilfiguur is in het beleid rond Vlaamse films en kan zorgen voor een geïntegreerde aanpak.

Minister, noch in uw beleidsbrief Cultuur 2017-2018, noch in de beleidsbrief Media 2017-2018, wordt het veranderende kijkgedrag in verband gebracht met een daling in bioscoopcijfers.

Wat is uw analyse van het fenomeen inzake teruglopend bioscoopbezoek? Aan welke factoren wijt u de tegenvallende cijfers?

Plant u om beleidsmatig ter zake initiatief te nemen? Zo ja, op welk terrein en via welke instrumenten? Dienen volgens u bijvoorbeeld de criteria op basis waarvan het VAF momenteel steun verleent, herbekeken te worden, zoals collega Van Werde al suggereerde? Is er ook meer promotie nodig voor de Vlaamse film binnen het Nederlands taalgebied? Ik hoor graag uw analyse en uw oplossingen.

De voorzitter

Mevrouw Van Werde heeft het woord.

Voorzitter, ik wou ook een gedichtje doen. Het is iets naar aanleiding van wat ik de laatste dagen hoor en gisteravond was het ook nog in Terzake of in De afspraak – ik twijfel eraan. Het is een gedichtje van een heel onbekend iemand, een heel jong iemand ook, want het ritme zit niet altijd even juist, denk ik. Ik vond het wel heel leuk en heel toepasselijk.

Eigenlijk is het niet gewoon,
hoe vaak ik kijk op mijn telefoon.
En niet dat ik me belangrijk voel,
maar je weet wel wat ik bedoel.

Even checken of je een bericht hebt gehad,
een sms, whatsapp, mailtje noem maar wat.
Spelletjes kun je er ook op doen,
maar dat zijn er wel een miljoen.

Ik heb hem ook altijd bij de hand,
overal mee naartoe zelfs het strand.
Hij viel eens een keer in de wc,
wie neemt hem daar dan ook mee.

Veel mensen ergeren zich eraan,
maar wie is er tegenwoordig niet aan.
Ze zijn de toekomst de smartphone
dus eigenlijk toch heel gewoon.

Met dank aan Marleneke.

En dan de vraag. De nieuwe beheersovereenkomst met het VAF legt nieuwe klemtonen: meer aandacht voor scenario en ontwikkeling en de nood aan internationaliseren. Maar ondertussen hebben we blijkbaar wel een probleem op het thuisfront.

Vrij recent hoorden we dat de Vlaamse film het niet zo goed doet in de bioscoop. Wat de reden daarvoor is, daar lopen de meningen over uiteen. Het zal inderdaad wel zo zijn dat de technologische ontwikkelingen daar invloed op hebben, hoe de mensen tegenwoordig kijken, en waar. Gisterenavond hoorde ik ook regisseur Michaël Roskam op Terzake of De afspraak over het illegale downloaden en piraterij, wat volgens hem ook een van de redenen is voor het dalende bioscoopbezoek.

Publiekswerking begint met kennis van het publiek. De vraag die ik me stel, is: kennen we het Vlaamse publiek wel goed genoeg? Wat maakt dat de Vlaming naar de bioscoop gaat? Wat bijvoorbeeld met anderstalige films die door het VAF gemaakt worden, is die anderstaligheid een factor die het bioscoopbezoek beïnvloedt? Of de keuze van het onderwerp?

Ik heb daarover een schriftelijke vraag gesteld op 7 januari 2016 over steun van het VAF – Filmfonds aan anderstalige filmproducties. Ik citeer uit het antwoord van de minister: “Het is duidelijk dat onze Vlaamse cultuurgemeenschap niet langer monocultureel ‘Vlaams’ is, maar wordt verrijkt met makers van een andere etnische of culturele achtergrond. Respect voor deze makers gebiedt dat zij ook hun eigen verhalen kunnen vertellen in de taal die daar het best bij past.”

Er zijn dingen die vanzelfsprekend zijn. Een film als ‘Black’ speelt zich af in de Brusselse straten – logisch dat daar Frans gesproken wordt. Idem dito voor documentaires, want die hebben vaak buitenlandse onderwerpen.

Maar als ik focus op de categorie fictie langspeelfilms, waar het probleem zich stelt – en het gaat tenslotte over veel gemeenschapsgeld – moeten we ons bij sommige fictieprojecten durven af te vragen of de lagere publieksopkomst niet te voorspellen was, bijvoorbeeld door de keuze van het onderwerp, of van de taal. Nog uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag: “De Nederlands gesproken taal is, samen met andere factoren, een onderdeel van het Vlaams, cultureel karakter van een productie maar is geen conditio sine qua non om steun te krijgen van het VAF.”

Ik gaf twee voorbeelden ter illustratie, maar ik had ook andere voorbeelden kunnen geven. Vorig najaar kwamen tegelijkertijd twee langspeelfilms in onze bioscopen die voor het VAF majoritaire projecten waren: ‘Blue Silence’ en ‘Zagros’, allebei tegen de achtergrond van de Koerdische kwestie, respectievelijk in het Turks en het Koerdisch. Beide films kregen meer dan een half miljoen steun van het VAF. Die steun staat niet in verhouding tot het toeschouwersaantal, wat vooral jammer is voor de makers zelf, uiteraard. Ik zeg daarmee niets over de kwaliteit van de films in kwestie, want ik weet dat ze prijzen verzamelden op filmfestivals in binnen- en buitenland. Maar net zo min als bezoekcijfers het enige criterium mogen zijn, kunnen prijzenkasten dat zijn.

Ik beschouw het alvast als een positief signaal dat de sector zich zal beraden over de teruglopende bezoekcijfers, hoe die te interpreteren, en op zoek zal gaan naar oplossingen.

Minister, u mag uiteraard niet ingrijpen in de interne werking van het VAF, laat staan in de selectie van films die het VAF wil ondersteunen. Hoe interpreteert u de ambitie van het VAF om meer aandacht te besteden aan de ontwikkelingsfase van langspeelfilms in het kader van de discussie over bezoekcijfers? Hoort daar volgens u ook een herziening bij van het aantal fictiefilms dat op jaarbasis steunt krijgt? Acht u een inhoudelijke herziening van de selectieprocedure noodzakelijk?

Denkt u dat de nieuw afgesloten beheersovereenkomst het VAF meer slagkracht geeft op het vlak van publiekswerving, te beginnen met publiekskennis?

De promotie- en marketinginspanningen van het VAF, van de afdeling Flanders Image, zijn grotendeels op het buitenland gericht. Denkt u dat hierin bijgestuurd moet worden ten voordele van promotie in het binnenland?

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Ik zal beginnen bij de belangrijkste vraag: de analyse, mijn analyse van het teruglopend bioscoopbezoek. Om te beginnen wil ik de aandacht vestigen op het volgende: de evolutie in het kijkgedrag die we nu zien, is recent. Tot twee jaar geleden deed de Vlaamse film het erg goed in de zalen. Omzichtigheid met het trekken van al te grootse conclusies is dan ook op zijn plaats.

Als we deze problematiek bestuderen, is het ook belangrijk om een onderscheid te maken tussen trends met betrekking tot de algemene bioscoopcijfers en de bioscoopcijfers voor de Vlaamse film.

Net als bij de meeste andere Europese landen zijn de officiële Belgische bioscoopcijfers voor 2017 nog niet voorhanden. De cijfers zullen midden februari door het Europees Audiovisueel Observatorium worden bekendgemaakt op het Filmfestival van Berlijn. In Nederland, waar verschillende bioscoopgroepen, waaronder Kinepolis, zwaar investeren in de bouw van nieuwe multiplexbioscopen, zijn de cijfers wel bekend. Het bioscoopbezoek groeide in 2017 aan met 5 procent. We moeten echter vaststellen dat – ondanks deze stijging – het marktaandeel van de Nederlandse film, zoals waarschijnlijk ook het geval zal zijn voor de Vlaamse film, achteruitgaat. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat een stijgend of dalend marktaandeel in kleine filmlanden vaak wordt bepaald door één succesfilm.

Omdat de bioscooprelease de eerste confrontatie is van een film met het publiek, krijgen bezoekcijfers meestal alle aandacht en persaandacht. We verliezen daarbij uit het oog dat de carrière van een film vandaag veel verder reikt dan de bioscoop. Via andere media of platformen, zoals video on demand, dvd, streaming, televisie enzovoort bereiken films een publiek dat vele malen groter is dan in de bioscoop.

De terugval in het bioscoopbezoek is te wijten aan een veelheid van factoren. Dat is niet zo origineel, maar ik wil ze toch opsommen. Het kijkgedrag is volop in beweging. Dat merken we ook op het vlak van televisie, waar lineair kijken zwaar onder druk staat, eerst door de introductie van digitale televisie en de digicorder, vervolgens door de komst van streamingdiensten als Netflix, die voor een eerder bescheiden maandelijkse bijdrage toegang geven tot een grote verzameling van televisieseries en films. Deze streamingdiensten hebben er ook toe bijgedragen dat kwaliteitsvol televisiedrama, ook van eigen bodem, vandaag steeds meer aan populariteit wint. De Vlaamse film krijgt vandaag dus ook geduchte concurrentie van televisiefictie van eigen bodem zoals ‘Beau Séjour’, ‘Tabula Rasa’, ‘Callboys’, ‘Spitsbroers’ en binnenkort ‘De Dag’.

Een tweede factor is de inflatie van het aantal in bioscopen uitgebrachte speelfilms. In 2017 werden in totaal meer dan 450 nieuwe speelfilms bij ons in de bioscopen uitgebracht. Dat komt neer op een gemiddelde van negen nieuwe speelfilms per week, waarvan het merendeel, ongeacht de afkomst, na amper één, soms twee weken alweer uit roulatie is. Vijftien jaar geleden duurde de commerciële carrière van een film gemakkelijk drie tot zes maanden.

Verder wil iedere filmmaker graag op het ideale moment van het jaar uitkomen, namelijk van de herfstvakantie tot het eindejaar of van de krokusvakantie tot en met de paasvakantie, waardoor Vlaamse films elkaar ook onderling beconcurreren en de media-aandacht moeten delen. Daarnaast – dat kwam gisteren in De Afspraak aan bod met de interventie van Michaël Roskam – vormt ook piraterij, het illegaal downloaden van films, vandaag een ernstig probleem. Dit geeft een gratis, maar illegaal alternatief voor het bezichtigen van films in onze bioscopen. Een andere factor is de steeds toenemende mobiliteitsproblematiek, die het thuis kijken in comfortabele omstandigheden extra aantrekkelijk kan maken. Ten slotte, een algemeen gegeven, heeft de burger – en elk jaar meer – ook de keuze uit een zeer uitgebreid aanbod van vrijetijds- en cultuurbesteding.

Dit zijn één voor één externe factoren. We moeten echter ook kritisch durven te kijken naar de Vlaamse film zelf. Zoals u weet, zijn er bij het VAF nieuwe beheersovereenkomsten en is er een nieuwe directeur-intendant, Erwin Provoost. Het is belangrijk hen en hem de nodige tijd te geven om zich in te werken, de globale situatie te analyseren, en te bekijken waar van overheidswege kan worden bijgestuurd.

Ik deel de mening van het Vlaams Audiovisueel Fonds: niets doen is in deze context geen optie. Als we niets ondernemen, dreigen we in de toekomst geconfronteerd te worden met een ernstig verschraald aanbod. Maar het zou in dit stadium fout zijn om tot overhaaste conclusies en ingrepen te komen. Ik verwacht dat het VAF hier prioriteit aan geeft, maar ook voldoende tijd neemt om adequate antwoorden in de diepte te zoeken en te vinden.

De nieuwe beheersovereenkomst reikt alvast een aantal instrumenten aan om de kwaliteit van onze audiovisuele producties nog te verhogen. Hierop moeten we blijven inzetten. Er zal daarom meer aandacht uitgaan naar de ontwikkeling van scenario’s, zoals ik vorige week al zei; het VAF zal hierin investeren en via de uitbouw van zijn domein Talentontwikkeling meer vorming en begeleiding aanbieden. Het in Vlaanderen aanwezige talent moet alle kansen krijgen om zich vooral op het vlak van scenario en storytelling verder te bekwamen.

Arthousefilms of meer artistieke films in het bijzonder hebben het vandaag moeilijk. In de grote complexen met zeer commerciële programmatie vinden ze geen plaats. Dat is mede te wijten aan een gebrek aan grote promotiebudgetten. Dergelijke films vinden meestal hun publiek via arthousecinema’s of kleine stadsbioscopen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland ontbreekt dergelijke infrastructuur grotendeels in Vlaanderen. Via de poot Publiekswerking startte het VAF in de loop van vorig jaar met nieuwe stimuli om de Vlaamse film meer kansen te geven in het ruimere zalencircuit: in de kleinere zalen en de culturele centra – wij hebben niet veel arthousecinema’s maar wel, zoals u weet, veel culturele centra. Dit is geen zaligmakende oplossing, maar het kan bijdragen tot een betere zichtbaarheid van onze lokale producties. Laat ons ook hier de resultaten opvolgen.

Tegelijkertijd moet er, gezien de veelheid aan factoren bij deze problematiek, ook buiten de doos, out of the box, nagedacht worden over bijkomende oplossingen of modellen om deze vaak mooie parels toch tot bij het publiek te krijgen. Het onlinekijken is in deze reflectie een cruciaal gegeven, zo niet nog belangrijker, nu de bioscoop misschien niet langer het belangrijkste scherm is.

De problematiek raakt ook aan het creëren van interesse en vooral zin in de niet-Amerikaanse commerciële film. Het gaat dus net zo goed over filmeducatie. Met het oog hierop reserveerde ik al in 2017 middelen voor het project Filmclub. Het idee is dat kinderen en jongeren in het verlengde van de school, maar duidelijk na de schooluren, samen films bekijken. Cruciaal is dat het geen schoolse aanpak betreft met omstandige, educatieve pakketten die naadloos aansluiten bij lesplannen en te realiseren eindtermen. Het onderdompelen in en het beleven van filmcultuur staat centraal. JEF vzw zal hier samen met het VAF optreden als trekker. Maar ook andere gekende spelers zullen participeren en mee instaan voor het aanbod van de films.

Ik zie uiteraard ook een rol voor de sector zelf om in te spelen op een veranderend landschap, door de nodige creativiteit aan de dag te leggen om zijn publiek te vinden.

We kunnen inderdaad onderzoeken of Flanders Image ingeschakeld kan worden voor promotie in het binnenland. Tot op heden bestaat de opdracht van Flanders Image quasi uitsluitend op het vlak van de internationale promotie van Vlaamse audiovisuele creaties, een terrein waarop overigens mooie successen worden geboekt.

De binnenlandse promotie is tot op vandaag het actieterrein van de distributeur. Het wordt echter steeds duidelijker dat er meer nodig is om de eigen, lokale content zichtbaar te maken, zeker in een context van de competitie om de aandacht van de kijker, waarbij internationale films met grote marketingbudgetten op ons publiek worden losgelaten. Het kan dus inderdaad interessant zijn om de knowhow van Flanders Image actiever in te zetten voor binnenlandse promotie. De nieuwe directeur-intendant gaf alleszins aan dat hij dit een belangrijke piste vindt.

Ik denk wel dat we dit met de nodige omzichtigheid moeten bekijken. Er worden immers heel wat Vlaamse films gemaakt, zonder steun van het Filmfonds. Hoe kan Flanders Images zich tot deze films verhouden?

Dan is er een vraag over de ontwikkelingsfase van langspeelfilms. Zoals al aangehaald is de scenariofase cruciaal. Er moet eveneens voldoende tijd en ruimte gecreëerd worden voor de ontwikkelingsfase, alvorens de productie zelf van start gaat. Preproductie is cruciaal om tot kwalitatieve films te komen.

Momenteel kan het VAF/Filmfonds gemiddeld acht majoritair Vlaamse fictie-langspeelfilms per jaar steunen, jeugdfilms inbegrepen. Dat is een derde van wat het Nederlands Filmfonds doet. Dit aantal verminderen is geen oplossing voor de complexe problematiek die zich stelt. Stel dat het VAF nog slechts twee films per jaar zou ondersteunen, dan betekent dit niet noodzakelijk dat deze twee films veel kijkers in de bioscoopzalen krijgen. Bovendien ligt het jaarlijkse aanbod aan Vlaamse films ook heel wat hoger. Niet alle Vlaamse films worden door het VAF/Filmfonds gesteund.

Het herzien van de selectiecriteria is een zaak die ook in alle omzichtigheid moet worden bekeken omdat je dan als overheid ingrijpt in de creatieve en inhoudelijke voorstellen van makers. De nieuwe directeur-intendant moet nu de tijd krijgen om zich in te werken in de materie, om dan samen met de raad van bestuur en mijn kabinet en administratie te bekijken of, en zo ja welke, nieuwe inhoudelijke accenten er dan zouden kunnen worden gelegd bij de projectselectie. Ik laat dat op dit ogenblik zeker nog open.

In mijn antwoord op de eerste vraag ben ik ingegaan op de veelheid aan factoren bij deze problematiek. Het is duidelijk dat op meerdere terreinen tegelijk moet worden ingezet en dat het versterken van de inhoud daarin slechts één aspect is.

Biedt de nieuwe beheersovereenkomst meer slagkracht? Ik verwees al naar de nieuwe stimuli van het VAF om de Vlaamse arthouse- of meer artistieke films extra kansen te geven in het ruimere zalencircuit. Daarnaast maakt de nieuwe beheersovereenkomst het ook mogelijk om een werking rond filmeducatie van het jonge publiek op te starten. Ik verwees hiervoor naar het project rond de filmclubs in scholen. Zo kan het publiek van morgen op een niet-belerende manier de ‘goesting’ worden bijgebracht om naar kwalitatief hoogstaande en maatschappelijk relevante films te kijken. Kanttekening hierbij is dat de jongere generaties uiteraard niet meer per se het grote scherm opzoeken en het beeld via diverse kanalen en platformen consumeren. Dat konden we ook in het gedicht horen dat mevrouw Van Werde heeft voorgelezen.

Deze initiatieven moeten de tijd krijgen om resultaten af te werpen, terwijl tegelijkertijd verder moet worden nagedacht over bijkomende oplossingen of modellen om onze films maximaal tot bij het publiek te krijgen. Uiteraard zal ook de sector zelf hierin een rol spelen. Volgende week komt de Unie van Regisseurs samen. Er zullen nog andere overkoepelende deelbijeenkomsten van de sector zelf zijn. Zo zullen we hopelijk sneller en beter de antwoorden kunnen vinden.

Wat publiekskennis betreft, merk ik tevens op hoe een film als ‘Achter de wolken’ meer dan 100.000 bezoekers naar de zalen trok en daarmee een tot nog toe ‘unserved audience’, in dit geval een ouder publiek, bereikte. Dit illustreert dat er parallel met lopende initiatieven ook onderzoek moet worden gedaan naar de diverse publieksgroepen, zoals mevrouw Van Werde ook zei. Wat verwachten zij? Wat bepaalt het kijkgedrag? Hoe kunnen we daarop inspelen? Ik heb niet gezegd dat het zich daar exclusief toe moet beperken, maar die vraag stelt zich uiteraard wel.

Bij dit publieksonderzoek mogen we niet vergeten dat we als overheidsspeler eveneens alle inspanningen moeten blijven leveren om ook een vormelijk of inhoudelijk meer uitdagend aanbod mogelijk te maken en bij zijn publiek te krijgen.

Ik heb een eerste overzicht geboden van wat er allemaal is en nog kan gebeuren. Ik denk dat het zinvol zal zijn – maar ik ben zeker ook geïnteresseerd in uw inzichten ter zake – om daar binnen enkele maanden met het Filmfonds en de nieuwe intendant dieper op in te gaan.

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitvoerig en ook grondig antwoord. Ik deel uw analyse dat er inderdaad complexe elementen naast elkaar staan. Ik denk niet dat je de tendens aan één factor kunt wijten. Het zal de totaliteit zijn van de factoren die u zelf hebt opgesomd. Ik apprecieer ook de aanzetten tot oplossingen die u zelf ziet.

Het VAF is ongelooflijk belangrijk. Het is een grote stimulans voor onze audiovisuele sector. Het verricht heel belangrijk werk. Als wij willen dat niet alleen films als FC De Kampioenen – waarmee ik niets verkeerd zeg over die film – geproduceerd worden, maar dat je diversiteit en kwaliteit in je landschap kunt garanderen, dan hebben wij dit fonds absoluut nodig. Dat fonds heeft middelen nodig, maar heeft inmiddels ook bewezen ongelooflijk veel deskundigheid ter zake te hebben. Het heeft een ongelooflijke boost gegeven aan onze audiovisuele productiesector.

Ik deel uw mening dat het absoluut geen goed idee zou zijn om bijkomende criteria op te leggen aan het VAF. Zij kennen hun job. Maar de cultuurindustrie – en zeker de filmindustrie en de muziekindustrie – blijft een ‘risky business’. Mocht iemand het succes kunnen voorspellen, dan zou die al ongelooflijk rijk zijn. Overproductie is een wezenskenmerk van de cultuurindustrieën. Van elke tien cd's, platen of films die er worden gemaakt, zijn er drie een succes, ongeveer de helft draait break-even en de rest zijn verliezen. Dat hoort erbij.

Ik ben er geen voorstander van om te zeggen dat we minder films moeten gaan produceren. U verwees naar Nederland. We zijn met de commissie naar Kopenhagen geweest. Het Deense filmfonds steunt 25 films op een jaar en er zijn daar minder inwoners dan er Vlamingenzijn. Minder films zou dus geen goed idee zijn.

U geeft een aantal aanzetten waar ik absoluut achter sta. Ten eerste, dat Flanders Image bereid zou zijn om te kijken hoe er in het binnenland kan worden gepromoot. Ten tweede hebt u verwezen naar filmeducatie. Die is absoluut essentieel. Beeldgeletterdheid maakt een belangrijk deel uit van mediawijsheid. De initiatieven van de filmclubs zijn dus heel belangrijk. Ten derde is er het terechte punt van de spreiding. Ik weet alleen niet hoe het VAF daarin modererend zou kunnen optreden. We hebben vorig jaar inderdaad meegemaakt dat een paar grote kleppers – ik denk een vijftal – elkaar hebben beconcurreerd in de bioscoop. Mensen gaan natuurlijk niet vijf keer per week naar de bioscoop – hoewel, er zijn mensen die dat wel doen, maar dat is een beperkt aantal. Als er dan moet worden gekozen tussen vijf Vlaamse films, dan zijn ze elkaar aan het beconcurreren. Ten vierde ben ik blij dat u verwijst naar een beleid omtrent arthouse cinemas. Daarop zou de komende jaren zeker verder moeten kunnen worden ingezet, zodat niet alleen de grote multiplexen een optie zijn voor mensen, maar er veel meer in de centra van steden naar de cinema kan worden gegaan.

De voorzitter

Mevrouw Van Werde heeft het woord.

Minister, ik dank u. Mijn collega is al zeer uitvoerig ingegaan op alle initiatieven die u zult nemen, op alle aanzetten die worden gegeven om mensen op een andere manier naar films te doen kijken. Ik heb het dan over arthouse films enzovoort.

Ik ben blij dat u een antwoord hebt gegeven in verband met de promotie in het binnenland. Ik vind dat inderdaad zeer belangrijk.

Ik deel uw analyse ook. Er zijn verschillende factoren. De evolutie is wat ze is. Mensen kijken anders, kijken op andere toestellen, op andere ogenblikken. We zijn verwend. We zijn rotbedorven.

Ik denk dat we de intendant Erwin Provoost de tijd moeten geven om zich in te werken en om heel even te bekijken of het out-of-the-boxdenken wat kan opleveren, eventueel in overleg met jonge mensen, want het zijn zij die altijd nieuwe manieren en wegen vinden en nieuwe interesses vertonen.

Minister, ik stelde ook de vraag: wat met anderstalige films die door het VAF worden gemaakt? Is die anderstaligheid een factor die het bioscoopbezoek beïnvloedt? Ik heb het niet over de Engelstalige films, want daaraan zijn we allemaal al gewend. Wat Frans betreft, is dat al iets minder. Ik haalde daarnet een film aan. Nogmaals, ik wil geen negatieve dingen zeggen over die film. Ik heb alle respect voor de makers. Maar een film over een Turkse kwestie, in het Turks, schept toch wel een beetje een afstand.

Bart Caron (Groen)

Ik wil kort aansluiten. Minister, ik ben het eens met wat u en de collega’s aanbrengen. Tijdens onze commissiereis naar Denemarken heb ik een paar dingen, simpele dingen geleerd. Een heel groot deel van het budget wordt geïnvesteerd in ontwikkeling en scenario, dus in de prefase van de film. Dat gebeurt niet alleen financieel, maar ook door het inzetten van ervaren makers, met naam en faam, als professionele coaches van jongere of minder ervaren makers.

De beslissing om een film al dan niet te steunen, hangt helemaal af van die prefase. Er wordt twee of drie keer zoveel begeleiding gedaan als er effectief ook films worden gemaakt. Men neemt heel dat traject mee in de afweging of het resultaat van die voorbereiding dusdanig is dat daaruit een goede film kan voortkomen. Het gaat inderdaad om ongeveer 25 films die worden gerealiseerd. Het grootste deel zijn ontspannende films. De kwaliteit ligt natuurlijk hoog. Dat heeft te maken met die coaching, maar ook met een aantal rolmodellen, zoals Lars von Trier en andere makers. Dat zie je ook heel sterk weerspiegeld in het tv-drama dat zij maken. Dat weten we heel goed.

Maar de kwaliteitslat ligt zeer hoog, ook van de ontspannende film. Dit is geen onderscheid dat ik maak tussen arthouse en populaire film. Ook de populaire film moet van een hoog niveau zijn.

Het budget ligt veel hoger dan het budget dat wij daar in Vlaanderen aan spenderen. Zij hebben wel geen taxshelter. Ik denk dat deze twee zaken naast elkaar moeten worden gelegd en vergeleken. Dat is wat ik daar heb geleerd. Investeren in ontwikkeling en scenario, daar komt men veel verder mee.

De arthousecinema BUDA in Kortrijk blijft groeien. Het is nu het vierde of vijfde jaar op rij dat er een groei is terwijl wij in onze stad een groot cinemacomplex van Kinepolis hebben zoals de meeste centrumsteden dat hebben. Desondanks is er een vrij groot aanbod. Het zou me niet verbazen dat de recente film ‘Three Billboards Outside Ebbing, Missouri’, die is genomineerd voor de Oscars, helemaal niet in de Kinepolis komt maar wel in de arthousebioscoop, wat ook wel iets zegt over de distributie. Er is dus een publiek voor, en dat stemt me heel tevreden.

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

We hebben de eerste ronde gedaan in de commissie. Vraag was waar het allemaal aan kan liggen. Het zal nu belangrijk zijn om het soortgelijk gewicht van de verschillende factoren van elkaar te proberen onderscheiden. Dat zal gebeuren binnen het Vlaams Audiovisueel Fonds. Mevrouw Van Werde, ik stel ook voor dat daar dan de anderstaligheid zoals u die hebt geschetst, wordt meegenomen in die vraagstelling. Is dat een factor, en zo ja, moet of kan daar iets aan gedaan worden?

Ik ben ook wel tevreden vast te stellen dat, hoewel het allemaal nog zeer pril is, de arthousecinema ook bij ons een grotere rol kan spelen. U had het over het succes van BUDA in Kortrijk. Eind februari gaat ook de Pathé Palace Brussel eindelijk open, en ik denk dat er nog een tweede initiatief is aangekondigd. Dat zijn ook wel een aantal zaken die ons op nieuwe sporen kunnen brengen.

De vergelijking met Denemarken is zeer interessant en boeiend als benchmark. Ik ben er twee jaar geleden ook op werkbezoek geweest. Ik heb daar iets geleerd over de financiële omkadering en zeker over de inspanningen voor scenario. We proberen dichter bij de Deense referentie te geraken met de accenten en de middelen in het nieuwe film- en mediafonds. Maar we moeten natuurlijk rekening houden met het hele verhaal. U hebt daar waarschijnlijk ook gehoord dat zij een numerus clausus hebben inzake filmmakers. In die zin is dat een heel ander model dan bij ons. Zij leven in een zeer democratische samenleving, en dit staat daar enigszins haaks op. Bij ons is het zo dat het aantal regisseurs en filmmakers dat afstudeert, niet meteen vermindert. Die mensen moeten ook een bepaalde kans krijgen. Die zaken spelen op de achtergrond mee.

We zijn vertrokken voor een boeiend debat waarvan het einde nog niet in zicht is. De komende maanden zullen vanuit het fonds en vanuit de sector zelf nog wel bijkomende problemen maar ook oplossingen naar voren worden geschoven.

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Zoals altijd zult u kunnen rekenen op onze medewerking en inbreng in dat boeiende debat.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.