U bent hier

De heer Caron heeft het woord.

In mei debatteerden we al over de link tussen volksgezondheid en grootschalige intensieve veeteelt. Aanleiding was een grootschalig onderzoek dat een zijsprong maakte naar West-Vlaanderen en dat onlangs het onderwerp vormde van een studievoormiddag in Brugge. De heer Dochy en ikzelf waren daar aanwezig. Vandaar ook onze vraag om uitleg. Logischerwijze hadden wij dezelfde aanleiding voor onze vraag.

Ondertussen leverde het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu een bijkomende studie af, getiteld ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)’. Deze bijkomende studie bevestigt op statistische wijze – met alle problemen die statistiek in zich draagt – de bevindingen uit de oorspronkelijke studie: er is een significant groter risico op het oplopen van een longinfectie wanneer men dichter bij een kippen- of geitenbedrijf woont. Chronische longpatiënten moeten er ook vaker naar hun ‘puffers’ grijpen.

Ter verklaring van dit fenomeen werd de samenstelling van het fijn stof in de directe omgeving van de stallen onderzocht. Fijn stof op zich is namelijk geen eenduidig begrip. Uit de metingen blijkt dat naarmate men dichter bij de stallen meet, het aandeel endotoxinen in het fijn stof toeneemt. Endotoxinen zijn kleine onderdelen van micro-organismen die luchtwegenirritatie en ontstekingsreacties kunnen veroorzaken. Ik begeef mij op glad ijs, want ik ben absoluut geen medicus, maar ik kan wel citeren uit de studie. Afhankelijk van bepaalde parameters, zoals tijd en temperatuur, kunnen deze endotoxinen actieve bacteriële ziektemakers blijven, hetgeen tot zoönosen kan leiden.

Veehouderijsectoren met de hoogste uitstoot van fijn stof, zoals pluimvee- en varkenshouderij, dragen duidelijk bij tot de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Maar opvallend is dat ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen, toch substantieel daartoe lijken bij te dragen.

Minister, hebt u kennis genomen van dit bijkomende onderzoek en wat besluit u eruit?

Volstaan de regulier opgelegde emissiereducerende maatregelen bij stallen, zoals luchtwassers, om ook de uitstoot van exdotoxinen tegen te gaan, of zijn hiervoor verfijndere technische ingrepen nodig?

Acht u het nuttig dat de veehouders en hun personeel beter geïnformeerd worden over de mogelijke medische gevolgen van langdurige blootstelling aan endotoxinen?

In hoeverre noopt deze bijkomende wetenschappelijke informatie ons tot een preventievere aanpak met het versterken van het voorzorgsprincipe in het vergunningenbeleid voor grootschalige veehouderij, zowel naar densiteit van de veehouderij als naar nabijheid tot bewoning?

De heer Dochy heeft het woord.

Minister, ik verwijs inderdaad ook naar die studiedag van 15 januari 2017 in het provinciehuis Boeverbos. Er werd een studie voorgesteld, uitgevoerd in opdracht van de provincie West-Vlaanderen en getiteld ‘Analyse van de problematiek op basis van literatuurstudie betreffende intensieve veeteelt en de gezondheid voor de omwonenden’. Die studie werd gemaakt door het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) en is een samenvatting van wat wetenschappelijke tijdschriften en studies met betrekking tot die problematiek al hebben weergegeven.

De studie analyseert de risico’s verbonden aan gereglementeerde stalemissies, zoals ammoniak, fijn stof en geur, maar ook van de niet-gereglementeerde emissies, zoals endotoxines en bacteriën, en de problematiek van antibioticaresistentie, virussen, parasieten en azolenresistente schimmels.

Mijnheer Caron, ik wil wel nog even ingaan op die endotoxines. Ik lees in die studie – en dat is heel eigenaardig: “Naast de negatieve effecten zou de blootstelling aan endotoxines via inhalatie ook positieve effecten op de gezondheid hebben. Uit recent onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat blootstelling op jonge leeftijd aan boerderijstof bescherming biedt tegen astma en allergieën. Endotoxines zouden hierbij een belangrijke rol spelen.” Dat geeft nog maar eens aan dat er nog vragen zijn en dat verder onderzoek minstens aan de orde zou moeten zijn.

Op basis van het literatuuronderzoek in zijn geheel kan geconcludeerd worden dat een groot aandeel van de onderzochte potentiële gezondheidsrisico’s niet aanwezig is en/of niet specifiek is voor omwonenden van veehouderijen. Het mogelijk negatieve effect van fijn stof gecombineerd met ammoniak op de menselijke gezondheid dient volgens de onderzoekers van het ILVO verder onderzocht te worden.

Tijdens de toelichting waren verschillende vertegenwoordigers van tegen de komst van specifieke veehouderijen opgerichte actiegroepen aanwezig. Het is duidelijk dat onwetendheid ongerustheid met zich meebrengt. Het is eveneens duidelijk dat vandaag niet alle parameters geïdentificeerd zijn om een volledig correcte inschatting te kunnen maken. Bovendien zet de evolutie in de staltechnieken zich verder door waardoor emissies steeds beter onder controle kunnen worden gebracht, terwijl veehouders vragende partij zijn voor rechtszekerheid bij vergunningsaanvragen. Ze willen, voorafgaandelijk aan de vergunningsaanvraag, de normen en de regels kennen.

De voorstelling van de studie in het provinciehuis heeft in elk geval bijgedragen tot een open communicatiesfeer en tot een verduidelijking van de beschikbare wetenschappelijke rapporten over deze problematiek. Het werk is duidelijk nog niet af.

Minister, bent u bereid om verdergaand onderzoek in deze problematiek te ondersteunen?

Ziet u mogelijkheden om de bekommernissen van de omwonenden te verzoenen met de rechtszekerheid van de veehouders?

Minister Schauvliege heeft het woord.

Minister Joke Schauvliege

Collega’s, bedankt voor de vragen. Uiteraard hebben wij kennisgenomen van het onderzoek van het ILVO. Het ILVO heeft een literatuurstudie gemaakt. Het heeft enerzijds het Nederlandse onderzoek bekeken waarover vorig jaar al breed werd gecommuniceerd en dat we hier in deze commissie al hebben besproken, en anderzijds ook andere beschikbare wetenschappelijke bronnen.

De literatuurstudie omvat de onderzoeksresultaten die van belang zijn om de risico’s op een correcte manier te kunnen inschatten. Dit draagt bij aan de objectivering van de maatschappelijke discussie over de relatie tussen veehouderij en volksgezondheid. Het ILVO concludeert dat op basis van deze gegevens geen causaal verband kan worden gelegd tussen een verhoogd voorkomen van longontstekingen en de aanwezigheid van pluimvee- en geitenhouderijen in de omgeving. Het is evenzeer onmogelijk om conclusies te trekken over het effect van endotoxinebevattende stoffracties op omwonenden. Daarvoor is bijkomend onderzoek nodig is.

U weet dat zowel Volksgezondheid als Dierengezondheid onder federale bevoegdheid valt en dat het onderzoek waarover we het hier hebben gecoördineerd wordt op het federale niveau. Wat betreft de infectieziekten en epidemiologie gebeurt het onderzoek door het federale Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA). Wat betreft de humaangerelateerde consequenties zijn de federale Wetenschappelijke Instelling Volksgezondheid en het Instituut Louis Pasteur bevoegd. Op beleidsniveau worden deze volks- en dierengezondheidsdossiers opgevolgd door het Federaal Voedselagentschap (FAVV) en door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, onder voogdij van ministers De Block en Ducarme.

Wat betreft de luchtwassers is het zo dat de eerste generatie toestellen destijds ontwikkeld werd met het oog op ammoniakemissiereductie. Maar de technologie staat niet stil en de huidige installaties zorgen daarnaast ook voor belangrijke reducties van fijn stof en geuremissies. Over het reduceren van endotoxines door luchtwassers is nog te weinig informatie beschikbaar. Er is echter wel al onderzoek waarin meer dan 90 procent reductie van endotoxines is gemeten door gebruik van een wasser. Het potentieel lijkt er dus te zijn, maar dat zal nog verder bevestigd moeten worden.

Veehouders zelf worden inderdaad blootgesteld aan hogere concentraties endotoxinen dan de omwonenden. Arbeidsveiligheid op land- en tuinbouwbedrijven staat al geruime tijd op de agenda van sensibiliserings- en informatiecampagnes. De voorbije jaren is via diverse kanalen zoals filmpjes, studiedagen, demonstratieprojecten, aandacht besteed aan dit thema. Ook via Prevent Agri wordt er naast preventie voor arbeidsongevallen volop ingezet op veiligheid en gezondheid van de werknemers en bedrijfsleiders. Bij nieuwe wetenschappelijke bevindingen zullen er ook aanbevelingen naar werknemers en bedrijfsleiders geformuleerd en gecommuniceerd worden.

Wat betreft het Vlaams omgevingsvergunningenbeleid, is het zo dat als de overheid een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een veehouderij levert, de algemene en sectorale VLAREM-voorwaarden van kracht zijn. Daarnaast kan de overheid ook bijzondere voorwaarden in de vergunning opnemen wanneer de VLAREM-voorwaarden niet volstaan. Mits het naleven van deze voorwaarden wordt de veehouderij geacht de impact op het leefmilieu en de hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Op die manier komt de huidige wetgeving tegemoet aan zowel de omwonenden alsook de rechtszekerheid voor de ondernemer in kwestie.

De heer Caron heeft het woord.

Ik heb begrepen uit de studiedag in het Boeverbos dat er een werkgroep wordt gevormd om enkele van die thema’s verder te onderzoeken. Ik hoor dat ook in uw antwoord. Ik wil niet vooruitlopen op wetenschappelijke conclusies, die inderdaad, zoals de heer Dochy zegt, zouden aangeven dat sommige vormen van blootstelling een soort resistentie in het lichaam zouden veroorzaken. Dat effect kan je ook krijgen. Ik wil de noodklok niet luiden over iets waarvoor nog geen wetenschappelijke basis voorhanden is. Deze bezorgdheid moeten we allemaal meenemen. Het is ook goed dat er in de sector van de veehouderij aan preventie wordt gedaan en dat er verder onderzoek komt.

Nog één element wil ik aanhalen: de luchtwassers die op het vlak van fijn stof en mogelijk ook voor de geurhinder een rol kunnen spelen. Er is een discussie ontstaan over kippenstallen en luchtwassers, omdat dit technisch moeilijker ligt dan voor varkensstallen. Toch is het blijkbaar haalbaar om een aantal van die problemen op te lossen. Hopelijk kan de technologie ons helpen om in dat verband iets te doen. Er is namelijk een explosieve groei van kippenhouderijen en dus ook van het aantal dieren. Ik wil de discussie van de omgevingsvergunning niet heropenen. Het speelt wel dat er een sterke groei is. De vraag hoe we preventief kunnen optreden is dus een aandachtspunt.  

De heer Dochy heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord en ik begrijp dat sommige bevoegdheden op het federale niveau zitten, bijvoorbeeld wat het onderzoek betreft. Dan is mijn vraag: is er enige coördinatie mogelijk? Het is zeer belangrijk om daar goed over te communiceren. Het belang van de veehouder loopt gelijk met het belang van de omwonenden. De veehouder zelf zit in de stal, waar de lucht de luchtwasser nog niet gepasseerd is. Daar moet ook wel aandacht voor zijn. Cruciaal is dat de juiste informatie, gebaseerd op correcte wetenschappelijke gegevens, verstrekt wordt. Die informatie verspreiden kan een taak voor VILT zijn, zodat er enkel bezorgdheid is wanneer er echt problemen kunnen ontstaan.

Mevrouw Joosen heeft het woord.

Dit is een belangrijk thema en de bezorgdheid daarover moeten we continu monitoren. We hebben het debat hierover in mei gevoerd en het is opportuun om het opnieuw te doen. Het is een verhaal met veel nuances. De internationale wetenschappelijke literatuur verschaft geen eenduidige inzichten. Het zou zeer onverstandig zijn om ons te verliezen in een paniekreactie. Het is van cruciaal belang om het debat te voeren op basis van correcte gegevens.

Het is natuurlijk ook niet juist om de landbouwsector te gaan vrijpleiten op basis van reeds gedane inspanningen. Ik ben ervan overtuigd dat de sector zelf daar niet beter van wordt. Er is veel gebeurd, er zijn enorme inspanningen gebeurd, maar de realiteit is dat bijkomende inspanningen nodig zijn, zowel voor de omgeving als voor de landbouwers zelf, natuurlijk. De toekomst van onze land- en tuinbouw ligt in innovatie, ligt in duurzaamheid. Ik denk dat we dus permanent moeten inzetten op bijkomend onderzoek om die correcte cijfergegevens te kunnen verkrijgen.

De heer De Croo heeft het woord.

Voorzitter, daarstraks hebben we het Vlaams Infocentrum Land- en Tuinbouw (VILT) geciteerd. Op 28 april 2017 schreef het VILT in verband met het rapport van de West-Vlaamse Milieufederatie: “WMF wil ‘sereen debat’ over veehouderij en gezondheid”. Dat is belangrijk. We zullen die balans altijd voor ogen moeten houden. Er is de intensieve veekwekerij, in het bijzonder in West-Vlaanderen, en er is onze bevolkingsdichtheid. Dat zal ons altijd uitdagen om de beste oplossingen te blijven vinden.

Het is ook een winnende kaart. Men moet ook niet pessimistisch zijn. In Vlaanderen zijn we technologisch vooruitstrevend wat een aantal zaken betreft. We hebben dat uit noodzaak moeten doen. Dit kan op dezelfde wijze worden benaderd. We hebben ook het probleem gekend van de resistentie voor antibiotica, veel ruimer en met een aantal oplossingen. We hebben daarin vooruitgang geboekt. We stellen dat vast. Het wordt zelfs een argument ter promotie in sommige landen, ook bij ons. Minister, waarom zouden we niet nadenken over de impact van de ggo-technologie om bepaalde gevolgen te monitoren van de intensieve veekwekerij die volgens sommigen bedreigend zijn en die men volgens anderen in het oog moet houden? Men kan niet in één adem zeggen dat men die technologie niet wil toepassen en dat men de bestrijding wenst van eventuele vermeende of potentiële gevolgen van intensieve veekwekerij. De twee kunnen worden gecombineerd en kunnen een uitdaging zijn voor vooruitgang in onze contreien.

Collega’s, aanvullend bij de eerste woorden van het betoog van collega De Croo en om tegelijkertijd in de sfeer te blijven van de eerste vraag, over het VILT, zou ik alleen nog willen aanstippen dat over deze problematiek op 16 januari nog een heel interessant en aan te bevelen VILT-artikel is verschenen.

Minister Schauvliege heeft het woord.

Minister Joke Schauvliege

U ziet dat uw verzoek al meteen is ingewilligd door het VILT. Ik denk dat dat nog eens bewijst hoe zij toch met actuele thema’s bezig zijn en anticiperen. Leden roepen op tot een verder goed en objectief communiceren en het goed opvolgen van de zaken. Dat lijkt me volledig correct. Dat moet op de bevoegde niveaus. We hebben uiteraard het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), dat op dat vlak ook voor een stukje coördineert met betrekking tot de kennis die er is en de vooruitgang en zaken die federaal gebeuren. Zij houden alles goed bij. Ik denk dat die communicatie daar bijzonder correct is. Die communicatie moet natuurlijk aan beide kanten correct zijn. Ik maakte me wel wat zorgen toen vorig jaar in mei nogal eenzijdig bepaalde berichten de wereld werden ingestuurd, die nu eigenlijk al voor een stukje worden genuanceerd. Ik denk dus dat we hier in het parlement ook de moed moeten hebben om aan beide kanten op te roepen tot correcte, serene en juiste informatie. Het is immers natuurlijk altijd heel fijn om paniekerig te doen en mensen bang te maken, maar het kan niet de bedoeling zijn om mensen onnodig bang te maken. Laat ons goed, correct, objectief communiceren. Daarvoor is onderzoek inderdaad heel belangrijk. Het is dan ook goed dat in West-Vlaanderen dat initiatief is genomen, dat het ILVO daar ook aan heeft meegewerkt. Vanuit de bevoegdheden die we hebben, vanuit onze diensten, vanuit de instanties die we hebben, zullen we daar uiteraard zo veel mogelijk toe bijdragen.

Dat is vanuit het oogpunt van de landbouw. Ik ben als minister natuurlijk ook bevoegd voor het leefmilieu, en ook van daaruit blijven we dat natuurlijk ook goed opvolgen.

De heer Caron heeft het woord.

Dank u wel. Ik ben blij dat er opvolging gebeurt, dat het ILVO is betrokken, dat er onderzoek kan gebeuren. Ik denk dat het bewustzijn ook steeds meer groeit dat gezondheid en duurzaamheid ook voor de landbouw troeven kunnen zijn. Om het even te koppelen aan de eerste vraag van vandaag, ook voor het imago van de landbouw is dat zeer belangrijk.

De heer Dochy heeft het woord.

Ik ben blij te horen dat het ILVO daar inderdaad een belangrijke rol in speelt en wil blijven spelen, in elk geval inzake de coördinatie van gegevens die beschikbaar zijn omtrent deze problematiek, maar graag ook qua aansturing vanuit die hoek van eventueel bijkomend onderzoek dat nodig zou zijn.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.