U bent hier

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Michèle Hostekint (sp·a)

Sinds 1 maart 2017 is de eigendomsvoorwaarde gewijzigd en strenger geworden. Waar men zich vroeger niet kon inschrijven voor een sociale huurwoning als men een woning of een perceel volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik had, is het kaderbesluit Sociale Huur gewijzigd en uitgebreid. Het volstaat om gedeeltelijk een eigendom te hebben, gedeeltelijk in volle eigendom of gedeeltelijk in vruchtgebruik. Het gaat dan om een woning of een bouwperceel.

Die regeling is ook van toepassing voor zittende huurders. Voortaan zal er dus een opzegging van de huurovereenkomst mogelijk zijn als de referentiehuurder en/of zijn wettelijke of feitelijke partner gedeeltelijk een woning of bouwgrond verwerven. Van de huurder wordt verwacht dat hij dat spontaan meldt aan de verhuurder. Als hij kosteloos een woning heeft verworven, moet hij die woning binnen het jaar na de verwerving vervreemden. Als dat door omstandigheden niet kan, dan kan de verhuurder beslissen – de sociale huisvestingsmaatschappij (SHM) dus – om die huurder meer tijd te gunnen. Er zijn een aantal overgangsbepalingen en voor de zittende huurder geldt een overgangsmaatregel waarbij hij tijd heeft tot 1 maart 2018. Hij moet binnen het jaar uit die onverdeeldheid zijn getreden of die woning hebben verworven.

De SHM’s moeten de zittende huurders daarvan op de hoogte brengen. Als de huurder dan gegronde redenen kan aanvoeren, dan kan hij de verhuurder verzoeken om die termijn van een jaar te verlengen.

Dit heeft nogal wat huurders voor verrassingen geplaatst en heeft nogal wat repercussies in de praktijk. Ik heb geen exacte cijfers, maar de meeste SHM’s hebben er intussen werk van gemaakt om de huurders op de hoogte te brengen van deze nieuwe reglementering. Ze hebben hun gemeld dat de huurder tot eind februari 2018 de tijd heeft om zijn eigendom te verkopen waarvan hij gedeeltelijk eigenaar is of gedeeltelijk het vruchtgebruik heeft, op straffe waarbij de SHM de huidige huurovereenkomst kan stopzetten. Heel wat mensen zijn daarvan geschrokken en in paniek geschoten, om het zacht uit te drukken. We hebben geen exacte cijfers, maar we vermoeden dat het om een niet gering aantal huurders gaat. Dat zijn vaak mensen waarvan een van de ouders is overleden en waarbij de andere ouder in de woning is blijven wonen. Die mensen hebben nu zo'n brief gekregen en zijn wel wat geschrokken.

Ik heb u hierover al een schriftelijke vraag gesteld. Daaruit blijkt dat er geen operationele gegevens worden bijgehouden van de sociale huisvestingsmaatschappijen. Het is dan ook niet duidelijk hoeveel kandidaat-huurders die reeds voor 1 maart 2017 waren ingeschreven en die een eigendom in gedeeltelijke eigendom of in vruchtgebruik hebben, hieronder vallen. Evenmin is duidelijk hoeveel zittende sociale huurders door de nieuwe reglementering worden gevat. Ook over het aantal kandidaat-huurders dat spontaan aangifte heeft gedaan van een eigendom, zijn er geen cijfers.

Minister, bent u van oordeel dat de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) operationele gegevens zou moeten bijhouden, opdat op zijn minst de relevantie van genomen beleidsmaatregelen – in dit geval de verstrengde eigendomsvoorwaarde – kan worden getoetst?

Deelt u de overtuiging dat de verstrenging van de eigendomsvoorwaarde vervelende gevolgen kan hebben voor sociale huurders? Men kan bijvoorbeeld niet in de mogelijkheid zijn, wegens die onverdeeldheid, om de woning meteen te vervreemden of verkopen.

Gelet op het feit dat veel zittende huurders pas enkele weken of zelfs maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe reglementering op de hoogte werden gebracht, lijkt de tijdspanne van een jaar bijzonder kort om een woning te verkopen, temeer zij in de meeste gevallen slechts gedeeltelijk eigenaar zijn en dus niet alleen kunnen handelen of beslissen – denk maar aan erfeniskwesties. Bent u zich hiervan bewust? Bent u bereid om de termijn die al kan worden verlengd, automatisch te verlengen wanneer de sociale huurder hierom verzoekt, zodat men niet afhankelijk is van de goodwill van de SHM waarbij men huurt? Of wilt u de sociale verhuurder hier ten volle zijn rol laten spelen en autonoom laten beslissen? Dat brengt met zich mee dat verschillende SHM’s hier op verschillende wijzen mee kunnen omgaan.

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw Hostekint, het voorbeeld dat u geeft, is net een voorbeeld dat niet onder die regelgeving valt. U gaf het voorbeeld waarbij een van de ouders overlijdt en waarbij de erfgenaam in kwestie in een sociale woning woont, maar er dan uit zou moeten. Neen, als een van de ouders overlijdt, impliceert dit dat de andere ouder nog leeft. Er is dan ook geen sprake van eigenaarschap maar ook niet van vruchtgebruik. Het is een heel slecht voorbeeld.(Opmerkingen)

De huurdersbonden hebben heel veel zaken op hun webstek gezet, bijvoorbeeld over welke gevallen er wel en welke gevallen er niet onder vallen. Dat is zeer informatief, zeer bruikbaar en handig voor mensen die zich willen informeren.

Ben ik van oordeel dat de VMSW operationele gegevens zou moeten bijhouden zodat de relevantie van de genomen beleidsmaatregelen – uw woorden – zou kunnen worden getoetst?

De relevantie van de genomen beleidsmaatregel wil ik absoluut niet in twijfel trekken. Anders hadden we die ook niet genomen. Het doel is en blijft dat de sociale woningen die we hebben, terechtkomen bij die mensen die daar ook het meest aanspraak op kunnen maken, die ze ook het meest nodig hebben.

U hebt zelf aangehaald dat die eigendomsvoorwaarde is veranderd ten opzichte van de vorige regelgeving. Toen mocht men niet voor honderd procent eigenaar zijn. Nu mag men tout court geen eigenaar meer zijn. Dat is een uitvoering van het Vlaamse Regeerakkoord, waarin werd opgenomen dat men geen woning of geen bouwgrond gedeeltelijk in volle eigendom in binnen- of buitenland mag hebben. De Vlaamse Regering heeft ook beslist dat de verstrengde eigendomsvoorwaarde ook zouden gelden voor de zittende huurders. Ik vind dat eigenlijk de logica zelve. Ik vind het moeilijk te verantwoorden ten opzichte van al die mensen die op de wachtlijst staan, dat mensen die een eigendom of bouwgrond hebben, toch in een sociale woning kunnen blijven. Wel is er voor zittende huurders die in zulke situaties zouden verkeren, een overgangsperiode van een jaar uitgewerkt, die ook verlengbaar is in bepaalde gevallen. De huurder moet dan ook gegronde redenen kunnen aanvoeren. De verhuurder, dus in dezen de SHM’s, kreeg de opdracht om de zittende huurders daarvan op de hoogte te brengen. Dat is ook allemaal gebeurd.

De verstrenging van de eigendomsvoorwaarde is uitgevoerd door een wijziging aan het kaderbesluit Sociale Huur door het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2016. Dat is inderdaad, zoals u zelf zei, in werking getreden op 1 maart 2017.

Ik zal uw tweede en uw derde vraag gewoon tegelijk beantwoorden, als u me dat toestaat. De verstrenging van de eigendomsvoorwaarde heeft uiteraard gevolgen, maar de mogelijkheid om de termijn van een jaar te verlengen als daar gegronde redenen voor zijn, geeft mijns inziens absoluut voldoende garantie wat het veroorzaken van drama’s betreft. Ik weet ook dat SHM’s ook worden overstelpt door huurders die zeggen in die situatie te zitten en vragen wat ze moeten doen, of ze uitstel kunnen krijgen, of dat misschien nog een jaar langer kan. U weet dat er al een uitzondering is, dat de termijn langer kan zijn als er bijvoorbeeld onverdeeldheid is in erfeniskwesties en dergelijke meer. Het feit dat u zelf aangeeft dat er toch wel heel veel zaken zijn, bewijst voor mij echter ook dat de maatregel nodig was, dat de maatregel ook wel efficiënt is, dat we eigenlijk in een situatie zaten dat in Vlaanderen toch wel een behoorlijk deel mensen – uiteraard niet allemaal –in een sociale woning woonden en tegelijkertijd ook eigenaar waren. U kunt dat misschien sociaal vinden, maar ik vind dat absoluut niet sociaal. Mevrouw Hostekint, het is natuurlijk niet aan mij om u te ondervragen, maar puur uit nieuwsgierigheid, ik heb er eigenlijk totaal geen idee van of sp.a voor of tegen deze maatregel is. Ik kan het maar vragen. Misschien wilt u erop antwoorden. Ik weet het niet. Over de andere zaken weet ik het wel, over tijdelijke contracten en dergelijke, maar in dezen is dat me niet zo duidelijk.

Ik ben me er wel van bewust dat de termijn van een jaar in een aantal situaties kort is, maar ik heb daarnet al gezegd dat in dat geval de huurder ook aan de verhuurder, dus aan de SHM, een verlenging van de termijn kan vragen. Dat is ook zo ingeschreven in de overgangsbepaling. Het behoort tot de autonomie van de SHM’s om al dan niet over de gegronde redenen te oordelen. Zij zijn zelf baas als het erover gaat te zeggen of een reden al dan niet gegrond is. Ik vertrouw absoluut op de professionaliteit van de SHM’s. Ik vertrouw erop dat ze dit alles op een zeer redelijke wijze zullen doen, dat ze er absoluut niet voor zullen zorgen dat er drama’s ontstaan. Als de SHM oordeelt dat er geen gegronde redenen voorhanden zijn, dan zal ze ook grondig moeten motiveren waarom ze dat vindt. Als het tot een conflict zou komen tussen de huurder en SHM, kan ook nog het oordeel van de vrederechter worden gevraagd.

Ik geef u ook nog mee dat de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) in haar jongste nieuwsbrief sociale huur onder de rubriek ‘FAQ’s in de kijker’ op basis van een aantal concrete vragen van de sector alvast een aantal heel concrete situaties heeft opgenomen die aanleiding kunnen geven tot uitstel. Let wel op, het gaat om een niet-limitatieve lijst. Ik heb daarnet gezegd dat er ook nog andere instanties bezig zijn met het plaatsen van heel concrete praktijkvoorbeelden op hun webstek.

De lijst van de VMSW geeft echter toch wel heel wat houvast, niet alleen voor huurders in zulke situaties, maar ook voor de verhuurders, dus voor de SHM’s.

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Michèle Hostekint (sp·a)

Minister, dank u wel voor uw antwoord. Het doel blijft natuurlijk er inderdaad voor zorgen dat sociale woningen terechtkomen bij woonbehoeftigen die daar recht op hebben. Ik denk dat we allemaal datzelfde doel nastreven, dus in die zin is mijn antwoord zeer duidelijk.

Waarom vind ik die cijfers relevant? Omdat, als men die operationele gegevens bijhoudt, men op die manier kan zien of een beleidsmaatregel al dan niet efficiënt is, of een maatregel al dan niet het doel bereikt dat men daarmee eigenlijk voor ogen had. Daar u me geen algemene cijfers kon verstrekken via een schriftelijke vraag, ben ik zelf maar eens gaan rondbellen om te zien hoeveel huurders nu eigenlijk in dat geval zijn. Ik heb dat bijvoorbeeld nagevraagd bij de SHM De Mandel – dat zal u uiteraard niet verbazen – maar ik heb het ook op andere getoetst. Men zei me dat driehonderd huurders in dat geval waren op een totaal van vijfduizend woningen. Dat gaat dus over 6 procent mensen die om een of andere reden in een onverdeeldheid waren.

U kunt zich natuurlijk heel die administratieve mallemolen wel voorstellen. Die mensen moeten allemaal een brief krijgen waarin staat dat ze zich als huurder in een situatie bevinden waarin er sprake is van een onverdeeldheid of ze minstens gedeeltelijk eigenaar zijn van een stuk bouwgrond of een woning, dat ze zich daarvan moeten ontdoen tegen 1 maart 2018, zo niet kan er worden opgezegd. Al die mensen schrikken natuurlijk van zo’n brief. Die beginnen allemaal te bellen naar die SHM om te vragen wat er gebeurt, over wat dat gaat. Al die mensen krijgen dus een brief en moeten ook antwoorden over welke situatie het gaat. De SHM moet heel dat geval gaan onderzoeken, in dit geval driehonderd woningen, 6 procent van alle huurders.

Men heeft dat onderzocht, en – nu wordt het interessant – wat blijkt? Bij geen enkele van die driehonderd huurders zal er worden opgezegd. Er is van die driehonderd huurders dus geen enkele waarvan blijkt dat hij eigenlijk onterecht in een onverdeeldheid zou zijn of onterecht gedeeltelijk eigenaar zou zijn van een woning, of er geen geval is om dat te verschonen. Dat betekent dat die driehonderd huurders allemaal opnieuw een brief moeten krijgen om hun mee te delen dat hun geval is onderzocht, dat blijkt dat er geen reden is voor paniek, dat ze daar gewoon mogen blijven wonen, dat er niet zal worden opgezegd.

Minister, ik ga ervan uit dat dat voor andere huisvestingsmaatschappijen op net dezelfde manier gaat, dat het over soortgelijke percentages van huurders gaat, en dat men die administratieve rompslomp dus ook in die andere huisvestingsmaatschappijen heeft moeten doorlopen. Mijn vraag is gewoon de volgende. Het is relevant om dat te gaan bijhouden, om te zien of u het doel daarmee ook bereikt. U legt nu immers natuurlijk de bal volledig in het kamp van de SHM. Ik weet dat niet, maar het kan zijn dat de ene huisvestingsmaatschappij dat op een heel andere manier interpreteert dan een andere. Dan is een huurder eigenlijk afhankelijk van de goodwill of de interpretatie van die regelgeving door de SHM. Het zou dus relevant en goed zijn, mochten we weten over hoeveel huurders het eigenlijk gaat, om te zien of die beleidsmaatregel al dan niet zijn doel bereikt. Het behoeft immers geen betoog dat u met deze maatregel eigenlijk een heel zware administratieve last legt bij die SHM’s. Ik heb het nu gehad over twee keer driehonderd brieven die zijn verstuurd in die korte periode, om te zeggen dat er kan worden opgezegd, om te zeggen dat er niet zal worden opgezegd, en het gaat alleen nog maar over de zittende huurders. Voor de kandidaat-huurders moet heel dat onderzoek nog eens gebeuren.

U legt daarmee dus een heel zware administratieve last bij de SHM’s. Dan lijkt het me interessant om te zien over welke aantallen het gaat. Ik kan ze niet allemaal vergelijken. Ik heb niet de mankracht om alle huisvestingsmaatschappijen van Vlaanderen te gaan opbellen en te vragen over hoeveel huurders het gaat, bij hoeveel dit onterecht is, bij hoeveel er moet worden opgezegd wegens het feit dat ze op een niet-geoorloofde manier eigenaar of gedeeltelijk eigenaar zijn van een woning. Het gaat uiteraard heel vaak over mensen die door een erfeniskwestie een klein deel hebben geërfd en niet in staat zijn om zomaar een-twee-drie uit die onverdeeldheid te treden. Ik denk dat dat logisch is: als er meerdere eigenaars zijn, dan heeft men niet altijd zelf het beslissingsrecht daaromtrent.

Minister, het zou me dus heel erg interesseren om te zien of die situatie, die ik heb afgetoetst bij een aantal huisvestingsmaatschappijen, representatief is voor de rest van Vlaanderen, en dat men daar cijfers over zou bijhouden, zodat men kan zien of die beleidsmaatregel daadwerkelijk zijn doel bereikt.

De heer de Kort heeft het woord.

Dirk de Kort (CD&V)

Minister, u weet dat onze fractie zeker en vast geen enkel probleem heeft met de gewijzigde eigendomsvoorwaarden in het kaderbesluit Sociale Huur en de gevolgen daarvan voor de sociale huurders. Ik denk dat wij allemaal willen dat de sociale woningen ook daadwerkelijk toekomen aan de mensen die daarom verzoeken. Het is ook goed om te horen dat u er eigenlijk ook vertrouwen in hebt dat die maatregel op een redelijke manier kan en zal worden toegepast door de SHM’s. Het is goed dat u dat hier naar voren hebt gebracht.

Ik merk ook, met de vragen vanuit het terrein, dat het toch wel wat administratieve overlast veroorzaakt bij de SHM’s. We moeten bekijken, want daarvoor zitten we eigenlijk toch hier in het Vlaams Parlement, of in de toekomst die administratieve overlast voor de huisvestingsmaatschappijen tot een minimum kan worden beperkt. In de toekomst zullen we die vragen ook bij andere maatregelen toch ook wel telkenmale kunnen stellen. Wat is eigenlijk de meest efficiënte manier om een aantal terechte beleidsmaatregelen die worden voorgesteld, te kunnen implementeren, zonder dat dat zware administratieve overlast veroorzaakt voor de SHM’s?

Minister, zult u ook nog verder overleg en contacten hebben omtrent dit punt, ook met minister Vandeurzen? Mijns inziens is voor heel wat mensen die nu merken dat ze eigenlijk een gedeelde eigendom hebben, een verkoop van die gedeelde eigendom of schenking dikwijls de enige oplossing. Bij heel wat mensen die een tegemoetkoming genieten, zeker senioren, zal dat ook wel enig effect hebben op hun mogelijke tegemoetkoming. Kan dat ook verder mee worden verduidelijkt? Kan er op dat vlak ook verder overleg komen? Ik denk dus dat het niet meteen een effect heeft op het aantal opzeggingen, maar dat het veeleer ten aanzien van de mensen zelf wel een gevolg kan hebben voor de tegemoetkoming die ze verkrijgen.

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, de nieuwe eigendomsvoorwaarde is vanzelfsprekend een heel goede zaak. Het is inderdaad natuurlijk wel mogelijk dat voor sommige huurders, die overeenkomstig artikel 14 van het kaderbesluit Sociale Huur een jaar hebben om zich daaraan te conformeren, dat jaar wat kort is. Ik lees ook in datzelfde artikel dat een verlenging met een jaar kan worden gevraagd, maar in het geval, bijvoorbeeld, van een gerechtelijke vereffening en verdeling van een nalatenschap heeft die zittende huurder natuurlijk weinig controle over de snelheid van de juridische mallemolen, en die kan wel langer draaien dan twee jaar.

Mijn vraag is dus de volgende, en misschien is dat een mogelijke oplossing. Hoe moet ik het laatste stukje van artikel 14 van het kaderbesluit Sociale Huur lezen? Ik citeer: “Als de huurder daarvoor gegronde redenen kan aanvoeren, kan hij de verhuurder verzoeken om de termijn van een jaar te verlengen.” Het is een termijn van een jaar, die kan worden verlengd. Hoe lang kan die worden verlengd? Is dat eenmalig? Of kan het bijvoorbeeld zijn dat voor het verstrijken van het eerste jaar die huurder aan de verhuurder zegt dat hij een probleem heeft omdat hij verwikkeld is in een gerechtelijke vereffening en verdeling, die niet is afgerond binnen een jaar, en vraagt of dat met een jaar kan worden verlengd? Als op het einde van dat tweede jaar die mallemolen nog altijd niet ten einde is, kan er dan opnieuw een verlenging worden gevraagd?

In dat geval volstaat eigenlijk wat nu in het kaderbesluit Sociale Huur staat. Dat lijkt me eigenlijk het antwoord op de vraag van collega Hostekint: als het gaat over echt gegronde redenen, die tijd in beslag nemen, dan denk ik dat we met de huidige regelgeving inderdaad wel goed zitten. Minister, is mijn lezing van dat artikel correct?

Minister Homans heeft het woord.

Mijnheer Anseeuw, om op uw vraag te antwoorden: ja, uw interpretatie is juist. U gaf het voorbeeld van een gerechtelijke ontbinding die maar aansleept. Dan kan de SHM elke keer opnieuw, jaar na jaar een jaar uitstel geven.

Mevrouw Hostekint, u suggereerde het bijhouden van operationele gegevens. Ik wil hier wel duidelijk maken dat het normaal gezien wel maar een eenmalige operatie is. Als men spreekt over de zittende huurders, oké, dat is nu een bulk van huurders die daarmee worden geconfronteerd, maar bij nieuwe huurders wordt dat gecheckt bij het al dan niet afsluiten van een contract.

Mijnheer de Kort, ben ik het ermee eens dat dat voor administratieve overlast of extra last zorgt bij de SHM’s? Absoluut, maar ik kan de pijn misschien een klein beetje verzachten door te zeggen dat het eenmalig is. Mevrouw Hostekint, u vraagt om via de VMSW bij al die SHM’s al die cijfers te gaan opvragen. Ik wil dat doen, maar dan zorgen we voor nog meer overlast voor de SHM’s, denk ik. Ik weet niet of dat wenselijk is. Ik denk het niet. De Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen (VVH), bijvoorbeeld, klaagt erover dat we te veel cijfers opvragen.

Mevrouw Hostekint, het was zeker niet slecht bedoeld, maar u hebt wel elke keer over onverdeeldheid gesproken. Laten we wel wezen: niet bij elk voorbeeld dat u aanhaalt en waarbij er eventueel kan worden uitgesteld, gaat het over onverdeeldheid. Er zijn ook nog andere gegronde redenen en dergelijke meer, maar dat was misschien gewoon een voorbeeld. Dat maakt eigenlijk ook niet uit.

Dan was er de zeer specifieke vraag over de senioren met een tegemoetkoming. We zullen die problematiek onmiddellijk bespreken met het kabinet van collega Vandeurzen, want die is ons totaal onbekend, maar we zullen contact opnemen om te vragen waarover het specifiek gaat.

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Michèle Hostekint (sp·a)

Minister, dank u wel. We zijn natuurlijk voor elke doeltreffende maatregel die ervoor zorgt dat meer woonbehoeftige mensen in een sociale woning terechtkunnen, maar aangezien we dat vandaag niet weten, hebben we ook wel geen zicht op de doeltreffendheid van deze maatregelen, en dat was eigenlijk mijn punt. U kunt zeggen vertrouwen te hebben in de SHM’s. Dat is natuurlijk goed, ik ben daarvoor, maar het is ontegensprekelijk zo dat dit wel een heel grote administratieve last met zich meebrengt voor die SHM’s.

U zegt dat dit een eenmalige operatie is. Situaties kunnen natuurlijk veranderen, dus dat betekent dat zo’n SHM eigenlijk elk jaar een screening zou moeten maken van al die huurders. Niets zegt immers dat die huurders die vandaag misschien niet in dit situatie waren, dat morgen of volgend jaar niet zullen zijn. U schudt het hoofd, maar als u dat nu loslaat en dat volgend jaar niet meer controleert, dan kan die situatie helemaal anders zijn: men kan ondertussen een erfenis hebben gekregen of om het even wat. Als u dus wilt uitvoeren wat u wilt doen, dan zult u minstens een periodieke screening van die huurders moeten doen, en dan moet men wél heel die administratieve mallemolen nog eens doorlopen. Ik heb liever dat een SHM zich kan concentreren op haar kerntaak, namelijk kunnen zorgen voor betaalbaar wonen voor woonbehoeftige mensen.

Van deze maatregel kennen we niet de doeltreffendheid. U zegt dat er nog meer overlast, nog meer administratie zal zijn als men moet bijhouden hoeveel brieven men heeft geschreven. Ik denk dat dat eigenlijk heel goed meevalt, dat men dat perfect kan zeggen. Ik heb gebeld naar de huisvestingsmaatschappij en men kon me aan de telefoon zo uit het hoofd zeggen over hoeveel huurders het ging. Dat cijfer doorgeven zal dus, denk ik, peanuts zijn qua administratieve last in vergelijking met twee maal brieven te moeten sturen naar die mensen en een heel onderzoek te doen naar het al dan niet gerechtigd zijn of het al dan niet terecht een uitzondering kunnen krijgen op die maatregel. Ik zou graag weten hoe het in andere huisvestingsmaatschappijen hiermee is gesteld, dus ik vind het wel degelijk relevant dat men dat cijfermateriaal bijhoudt, en ik blijf ervoor pleiten dat men de administratieve last voor SHM’s zo gering mogelijk houdt, zodat die zich kunnen concentreren op hun kerntaak.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.