U bent hier

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, de financiële toegankelijkheid van kwalitatieve zorg in de ouderenzorg is belangrijk. Dat is een open deur intrappen. Dat komt terug in elke beleidsnota – ook in die van u, minister, en terecht. Maar de realiteit is dikwijls anders. We hebben daar de afgelopen maanden al een paar keer over gediscussieerd.

Op vrijdag 18 maart publiceerden de Socialistische Mutualiteiten hun rusthuisbarometer. Er is daarover wat over en weer gediscussieerd. Het ziekenfonds analyseerde een representatief staal rusthuisfacturen van zijn leden. De resultaten laten spijtig genoeg niets aan de verbeelding over. In Vlaanderen betaalt een rusthuisbewoner gemiddeld 1595 euro uit eigen middelen. Dat is een zeer gepeperde factuur, aan dagprijs en supplementen – een factuur die veelal het inkomen van de rusthuisbewoner overschrijdt. Achter dit gemiddelde gaan grote verschillen schuil. Er zijn bijvoorbeeld ook op provinciaal niveau grote verschillen in de gemiddelde prijs die men uit eigen zak moet betalen. Zo was het prijsverschil tussen de minst dure provincie en de duurste 200 euro per maand. Dat is niet niks. Limburg is met 1534 euro ongeveer 200 euro goedkoper dan het gemiddelde rusthuis in de aangrenzende provincie Antwerpen, dat 1725 euro kost. Daarnaast bestaan er ook verschillen tussen de organisatoren: OCMW-instellingen, vzw-instellingen en commerciële instellingen.

Tot slot, het meest frappante is dat de studie aantoont dat 75 procent van de Vlaamse ouderen hun plekje in een woonzorgcentrum niet kunnen betalen met hun maandelijkse inkomsten.

Minister, graag wil ik uw zienswijze kennen over deze rusthuisbarometer. Welke beleidsaanbevelingen onderschrijft u en welke actie zult u ondernemen in verband met dit aanslepend maatschappelijk probleem? Een zorgzame oude dag verzekeren hoort mijns inziens immers tot de kerntaak van een Vlaams welzijnsbeleid. Onze fractie vindt dat we actief moeten optreden.

Bent u bereid om maatregelen te nemen die de prijzen in de woonzorgcentra betaalbaarder maken, aangezien de prijzen in woonzorgcentra de financiële draagkracht van veel ouderen overstijgt? Hoe garandeert u een sterk en betaalbaar ouderenzorgbeleid in het algemeen?

Wat is volgens u de verklaring voor de grote gemiddelde prijsverschillen tussen de provincies in Vlaanderen? Welke oorzaken ziet u voor de variatie in de dagprijzen tussen de woonzorgcentra? Hoe zult u de rusthuisfactuur transparanter en leesbaarder maken voor wie ze moet betalen? Op welke manier wilt u de rusthuisbewoner nu beschermen tegen scherpe prijsverhogingen?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

We hebben de studie van de Socialistische Mutualiteiten 'Rusthuisbarometer – analyse bewonersfacturen in woonzorgcentra' van maart 2016 doorgenomen. Deze studie is gebaseerd op een verwerking van een beperkte steekproef van de bewonersfacturen van de leden aangesloten bij deze mutualiteit die in het eerste en tweede semester 2014 in een woonzorgcentrum verbleven in Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Voor Vlaanderen gaat het hierbij om een aantal van 1323 bewoners op een totaal van 72.839 bewoners in 2014 of een steekproef van 1,82 procent.

De studie geeft zelf reeds aan in de beschrijving van de gehanteerde methodologie dat er een aantal beperkingen bij het uitvoeren van de studie werden vastgesteld. De studie baseert zich op een representatieve steekproef van facturen van woonzorgcentra en dus niet op alle facturen van de bewoners van woonzorgcentra in België. Door het feit dat slechts een beperkt aantal woonzorgcentra op elektronische wijze factureert en door het zeer tijdsintensieve proces van gegevensregistratie, heeft men zich tot een steekproef moeten beperken. Hierdoor heeft men minder zicht op de variatie van dagprijzen binnen de woonzorgcentra en was het niet mogelijk om een gewogen gemiddelde te berekenen, waardoor de verkregen dagprijzen enigszins vertekend kunnen zijn. De studie geeft informatie over de gehanteerde prijzen in de woonzorgcentra. Op basis van de verzamelde gegevens kan men geen uitspraken doen over de kwaliteit en het geboden comfort, noch kunnen we verbanden leggen tussen de aangerekende prijs voor de bewoner en de geboden dienstverlening. De studie beperkt zich tot de kosten van een verblijf in een woonzorgcentrum die vermeld worden op de individuele kostennota. Niet alle kosten verschijnen echter op de factuur. Uitgaven die gedaan worden buiten het woonzorgcentrum,  zoals voor materiaal of geneesmiddelen die de bewoner of diens familie van buitenaf meebrengt naar het woonzorgcentrum, of kosten gelinkt aan bepaalde prestaties, zoals doktersbezoek, kapper enzovoort worden rechtstreeks betaald aan de verstrekker en verschijnen dus niet op de individuele kostennota’s. Met deze studie verkrijgt men een zicht op de gehanteerde prijzen in 2014. Het rapport geeft aan geen zicht te hebben op de evolutie van de prijzen.

Bij lezing van deze relevante studie wordt opgemerkt dat enkele vaststellingen niet of slechts gedeeltelijk ten gronde verklaard worden. Bijvoorbeeld, wat betreft de bewoners opgenomen in de steekproef voor Vlaanderen zou 77 procent genieten van een verhoogde tegemoetkoming binnen de verplichte ziekteverzekering. Dit recht op verhoogde tegemoetkoming binnen de verplichte ziekteverzekering wordt gegeven aan personen met een laag inkomen, waardoor ze onder andere kunnen genieten van lager remgeld bij uitgaven voor gezondheidszorg. Alhoewel wel aangegeven wordt dat dit aandeel beduidend hoger ligt dan het percentage ouderen die nog thuis verblijven, waar een derde recht heeft op verhoogde tegemoetkoming, wordt niet aangegeven hoe het percentage verkregen in de studie, zich verhoudt tot het globale aandeel van het ouderen in de woonzorgcentra met een verhoogde tegemoetkoming binnen de verplichte ziekteverzekering.

Uit de gegevens binnen de zorgverzekering weten we dat het percentage van personen met verhoogde tegemoetkoming 55 procent bedraagt in de thuiszorg en 59 procent in de residentiële zorg. In de steekproef van de socialistische mutualiteit ligt dit aandeel dus beduidend hoger, maar we mogen dit niet veralgemenen.

Ondanks de beschreven beperkingen van de studie worden een aantal interessante conclusies en beleidsaanbevelingen geformuleerd, waarvan een aantal evenwel niet nieuw is, zoals de vraag om te blijven investeren in zorg. U weet dat we voorzien in uitbreiding van de erkenningskalender: 8413 woongelegenheden op 4 jaar tijd.  De aanbeveling om financiering van de zorg vanuit collectieve solidaire middelen te blijven realiseren en een duidelijke opsplitsing te maken van woon-, leef- en zorgkosten, is opgenomen in de conceptnota Vlaamse sociale bescherming (VSB), waarbij we een onderscheid maken tussen cash vergoedingen, die niet gelinkt zijn aan het gebruik van professionele zorg, en het persoonsvolgende financieringssysteem voor de woonzorgcentra. De doelstelling blijft dat we zorg financieel toegankelijk maken.

Wat de opdeling in woon- en leefkosten betreft, citeer ik de conceptnota VSB: “Op termijn is een opdeling denkbaar tussen vergoede medische kosten, zorg- en ondersteuningskosten hoofdzakelijk ten laste van VSB en een persoonlijke bijdrage voor woon- en leefkosten ten laste van de persoon met een zorgbehoefte. Zo zou bijvoorbeeld de dagprijs onderverdeeld kunnen worden in een eigen bijdrage voor zorgkost en een bijdrage voor woonkost (infrastructuur). Ook dit perspectief zal geleidelijk en met respect voor historisch tot stand gekomen regelingen moeten verlopen en, zoals aangegeven, kunnen afhankelijk van de zorgvorm bepaalde kosten al of niet terugbetaalbaar zijn in de ziekteverzekering. De randvoorwaarden hiervoor, waaronder ook de mogelijkheid van sociale correcties, worden onderzocht. Uiteraard veronderstelt deze omschakeling ook aandacht voor de financiële leefbaarheid van de (bestaande) zorgaanbieders.” De concretisering van dit principe zal tijd vergen en ook op budgettair vlak zullen we in een realistisch scenario moeten voorzien.

Een andere belangrijke aanbeveling is de bekommernis om bewoners van een woonzorgcentrum te beschermen tegen prijsverhogingen. Hierbij verwijs ik naar de aangepaste evaluatiecriteria voor aanvragen van dagprijsverhoging. We hebben in Vlaanderen, zodra we bevoegd zijn geworden, werk gemaakt van uniforme, duidelijke criteria en de stapsgewijze toepassing van dagprijsverhogingen. We hebben in die nota een aantal formules opgenomen. Een andere aanbeveling: zorgen voor een permanente monitoring van de evolutie van de dagprijzen en de supplementen in de woonzorgcentra – zo dadelijk zal ik hierop dieper ingaan, en de aanbeveling om de tegemoetkoming vanuit de zorgverzekering te moduleren in functie van de zorgafhankelijkheid van de oudere: dit is een vraagstelling die zeker onderzocht zal worden in het kader van de ontwikkeling van de persoonsvolgende financiering binnen de Vlaamse sociale bescherming.

De rusthuisbarometer van de Socialistische Mutualiteiten geeft terecht aan dat de betaalbaarheid van een verblijf in een woonzorgcentrum een zeer complexe problematiek is. Mijn inziens is het dan ook erg belangrijk om deze problematiek niet te verengen tot enkel een vergelijking tussen de maandelijkse factuur van een bewoner in een woonzorgcentrum en het wettelijk pensioen dat betrokkene ontvangt. De studie formuleert als conclusie dat wanneer men een vergelijking maakt tussen de gemiddelde factuur van het woonzorgcentrum en het totaal beschikbare inkomen van een alleenstaande 80-plusser, zoals vervat in de EU-statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC), en dat naast pensioenen ook inkomens uit huuropbrengsten en/of interesten omvat, 75 procent van de ouderen over onvoldoende inkomen beschikt om de factuur in een woonzorgcentrum te betalen.

Ik stel me ten gronde vragen over deze conclusie. Ik verklaar me nader. Ouderen die door hun te lage pensioen over onvoldoende financiële middelen beschikken, kunnen aanspraak maken op de inkomensgarantie voor ouderen. Daarin zijn een aantal specifieke correcties voorzien voor personen die in het woonzorgcentrum verblijven. Zo wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner als beiden in het woonzorgcentrum verblijven of wanneer de aanvrager of zijn partner het woonzorgcentrum als hoofdverblijfplaats heeft. Het bedrag voor alleenstaanden en hiermee gelijkgestelden dat van toepassing is voor bewoners van een woonzorgcentrum, bedraagt momenteel 1032 euro, te verminderen met de effectieve bestaansmiddelen van de oudere persoon. Daarnaast heeft elke bewoner in een woonzorgcentrum in Vlaanderen recht op een maandelijkse tegemoetkoming vanuit de zorgverzekering van 130 euro. Het bedrag van deze maandelijkse tegemoetkoming wordt niet gemoduleerd in functie van het inkomen of de zorgbehoevendheid van betrokken oudere.

Een aantal bewoners van de woonzorgcentra kunnen daarnaast aanspraak maken op de Tegemoetkoming Hulp aan Bejaarden (THAB), waarvan het toegekende bedrag afhankelijk is van de graad van zorgbehoevendheid en het inkomen van betrokkene. De toekenning van die tegemoetkoming gebeurt onder andere op basis van een grondig onderzoek naar het inkomen van betrokken oudere en zijn eventuele partner. Hierbij wordt er ook rekening gehouden wordt met de onroerende en/of roerende goederen die betrokken oudere en/of zijn partner gedurende de voorafgaande tien jaren hebben verkocht of weggeschonken, en waarvan de opbrengsten eventueel werden herbelegd. De studie geeft aan dat in Vlaanderen ongeveer 27.500 ouderen die in een residentiële setting verzorgd worden – dat kan gaan om woonzorgcentra, assistentiewoningen of ziekenhuizen – een THAB krijgen.

In een zeer groot aantal gevallen spreken de oudere of zijn familie ook het beschikbare spaargeld aan dat men opgebouwd heeft gedurende zijn leven door het opzijzetten van een deel van het loon en andere inkomsten. Ook de opbrengsten van de verkoop of verhuring van de eigen woonst die men betrok voor de opname in het woonzorgcentrum, worden hiervoor doorgaans aangesproken. Daarnaast wordt in een aantal gevallen ook een beroep gedaan op familieleden om een bijdrage te leveren bij het betalen van de factuur.

Wanneer de bewoner niet in staat is de factuur van het woonzorgcentrum te betalen, dan kan het OCMW tussenkomen. Hieraan gaat een sociaal-financieel onderzoek vooraf. Het OCMW zou, volgens de rusthuisbarometer, in zo’n 7 procent van de gevallen tussenkomen in de factuur. Veelal passen OCMW’s een plafond in de tussenkomst toe. Daarnaast voorziet de onderhoudsplicht dat de OCMW’s de kosten geheel of gedeeltelijk kunnen terugvorderen van de onderhoudsplichtige familieleden. Uitgaande van dit gegeven betekent dit dat 93 procent van de bewoners van een woonzorgcentrum op basis van hun inkomen en andere vermogensbronnen in staat zijn om de maandelijkse factuur te betalen.

Ik verwijs in dit verband naar een door de Vlaamse Regering op 5 februari 2016 goedgekeurde ‘Conceptnota Vlaams welzijns- en zorgbeleid voor ouderen. Dichtbij en integraal. Visie en veranderagenda’. De voorliggende conceptnota heeft niet de pretentie om alle aspecten van het welzijns- en zorgbeleid te omvatten en uit te diepen. We hebben de meest in het oog springende en belangrijkste aandachtsdomeinen opgelijst, voorzien van een oriënterende tekst en acties geformuleerd die kunnen worden gerealiseerd op korte en op lange termijn. Het is belangrijk deze conceptnota in samenhang en complementair te zien met de ontwikkelingen op vlak van de Vlaamse sociale bescherming, de eerstelijnszorg, de geestelijke gezondheidszorg en de welzijnszorg. Het finale doel is om de komende jaren te werken aan een performant Vlaams welzijns- en zorgbeleid voor ouderen dat, inclusief waar mogelijk, doelgroepspecifiek waar nodig, in staat is de toenemende vraag naar aangepaste woon-, zorg- en ondersteuningsvormen voor de ouder wordende Vlaming op adequate wijze te beantwoorden.

Er zijn toch al een aantal initiatieven rond de dagprijzen, want natuurlijk is het thema pertinent en zijn de signalen die door de enquête naar voren worden gebracht, ernstig te nemen. De toegankelijkheid en de betaalbaarheid zijn heel belangrijke kwesties. Op 17 juli 2015 werd door de Vlaamse Regering een nota goedgekeurd met betrekking tot het prijzenbeleid in de woonzorgvoorzieningen in Vlaanderen. Naast een overzicht van de regelgeving omvatte deze nota ook een situering van het prijzenbeleid in het licht van het Vlaamse regeerakkoord 2014-2019 en onze beleidsnota Welzijn, Volksgezondheid en Gezin voor de periode 2014-2019. Op basis van de geformuleerde uitgangspunten van het Vlaamse beleid met betrekking tot de prijzen werden hierin de contouren bepaald voor de operationele behandeling van de aanvragen tot prijsverhoging. Sinds 1 oktober 2015 zijn er dan ook reeds transparantere criteria van toepassing voor de behandeling van aanvragen tot prijsverhoging van de dagprijs of de supplementen voor onder andere woonzorgcentra. De aanvragen tot prijsverhoging van de dagprijs of de supplementen moeten sinds die datum gebeuren aan de hand van aanvraagformulieren die het agentschap Zorg en Gezondheid hiervoor ter beschikking stelt en waarin de nieuwe criteria verwerkt zitten. Meer informatie over deze werkwijze vindt u op de website van het agentschap Zorg en Gezondheid onder de rubriek ‘prijswijzigingen in de ouderenzorg’.

Vanuit het cliëntenperspectief gelden er sinds 1 oktober 2015 ook reeds een aantal maatregelen ter bescherming van de bewoners die in een residentiële woonzorgvorm verblijven. Zo werd ervoor gekozen om aanvragen tot grote prijsstijgingen procentueel te beperken en gefaseerd te laten uitvoeren. Een voorziening kan daarnaast slechts met een interval van minstens 365 dagen een nieuwe aanvraag tot prijsverhoging indienen, ook indien de vorige aanvraag tot prijsverhoging geweigerd werd. Uitzonderlijk kan er worden afgeweken van een interval van 365 dagen – ook bij weigering van prijsverhoging – als er ten opzichte van de initiële aanvraag nieuwe, onbekende elementen door de voorziening worden aangebracht.

In eenzelfde jaar mag een voorziening zowel een aanvraag tot prijsverhoging indienen als een mededeling voor een indexering van de dagprijs doen. De dagprijzen kunnen echter slechts na een interval van minstens 365 dagen opnieuw worden geïndexeerd. Aanvragen tot prijsverhoging kunnen een voorstel van gefaseerde verhoging bevatten voor zover die fasering niet over meer dan de eerstkomende twee jaar wordt gespreid. In uitvoering van wat hieromtrent bepaald werd in de nota van 17 juli 2015, is op 1 april 2016 de wetenschappelijke studie ‘Onderzoek naar de noodzaak van en de voorwaarden voor de ontwikkeling van een duurzaam systeem van prijzencontrole voor de ouderenvoorzieningen in Vlaanderen’ van start gegaan. Die studie loopt tot 31 maart 2017.

In de studie wordt, ten eerste, een desktopresearch uitgevoerd van buitenlandse literatuur van hoe men aan prijzencontrole doet in andere landen van Europa in de residentiële ouderenzorg in relatie tot het gezondheidszorgfinancieringssysteem. Ten tweede wordt een SWOT-analyse gemaakt van enerzijds het hebben van een prijzencontrolesysteem en anderzijds van het afschaffen van het prijzencontrolesysteem al dan niet in het kader van een persoonsvolgende financiering. Ten derde wordt nagegaan hoe een eventueel prijzencontrolesysteem zich verhoudt tot een persoonsvolgende financiering op het vlak van de woon-, de zorg- en de welzijnscomponent. Ten slotte wordt onderzocht of het loslaten van het prijzencontrolesysteem een belemmerend of een stimulerend effect zal hebben op de financiële toegankelijkheid van voorzieningen, in het licht van de persoonsvolgende financiering.

Zoals reeds eerder toegelicht, wordt er in het kader van het prijzenbeleid voorzien in een jaarlijkse monitoring van de evolutie van de dagprijzen in de woonzorgcentra. Een eerste nulmeting zal gebeuren op 1 mei 2016.

Een tweede initiatief zijn de inspanningen binnen de begroting 2016. De Vlaamse Regering heeft de nodige budgettaire middelen uitgetrokken die ertoe bijdragen dat enerzijds de reële stijging van de zorgzwaarte binnen rustoord voor bejaarden (rob) gefinancierd wordt, goed voor een bedrag van 16,1 miljoen euro, en anderzijds dat er een toename van het aantal erkende bedden rvt kan worden gerealiseerd. De besluiten in verband met de planning en de toewijzing van die rvt-bedden werden vrijdag laatstleden definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering, goed voor 1226 bijkomende bedden, wat staat voor 10,8 miljoen euro. Ten slotte koppelen we, vanaf 1 juli 2016, de animatiesubsidie aan het zorgforfait dat in functie van de zorgzwaarte en voor de hele sector wordt uitbetaald.

Een derde initiatief is dat de Vlaamse Regering op vrijdag 25 maart haar goedkeuring heeft gehecht aan het nieuwe concept voor de financiering van de infrastructuur in de sector van de ouderenzorg. Dat concept wordt nu omgezet in een regelgevend kader opdat het nieuwe financieringssysteem effectief dit jaar van start kan gaan. Het financieringsconcept houdt in dat een voorziening per woongelegenheid die het voorwerp uitmaakte van een investering – nieuwbouw, vernieuwbouw of verbouwing – vanaf de ingebruikname of de heringebruikname een forfaitair bedrag kan ontvangen van 5 euro per dag. De onderhoudsinvesteringen komen daarbij niet in aanmerking. Het basisprincipe is dat de gebruiker zelf instaat voor de huisvestingskost en dat de overheid tegemoetkomt om de kosten te helpen dragen verbonden aan het zorggerelateerd en het collectieve karakter van het gebouw.

Een woonzorgcentrum dat gebruikmaakt van het forfait kan de dagprijs niet bepalen op basis van vrije prijszetting, noch aan de hand van verantwoorde prijszetting, dus via een melding van een nieuw product onder een bestaand erkenningsnummer. De voorziening moet een dagprijsverhoging aanvragen waarin het infrastructuurforfait de dagprijsverhoging, die gepaard gaat met de realisatie van een investering, mildert. Indien vóór het verkrijgen van het forfait al een dagprijsverhoging werd doorgevoerd zonder verrekening van het forfait, zal voor de forfaitgerechtigde woongelegenheden nadien een dagprijsverlaging ten bedrage van het forfait dienen te worden toegepast. Het forfait dient hierdoor steeds via de voorziening terecht te komen bij de gebruiker.

U stelt de vraag naar de oorzaken die een verklaring zouden kunnen geven van de grote gemiddelde prijsverschillen tussen de provincies in Vlaanderen, alsook de verschillen tussen de dagprijzen binnen de woonzorgcentra. In de studie van het socialistische ziekenfonds kunt u lezen dat de prijsverschillen tussen de provincies wellicht te wijten zijn aan een samenspel van factoren. De studie somt er enkelen op. Zo is de kostprijs van een verblijf wellicht duurder in regio’s waar de vestigings- en exploitatiekosten van het woonzorgcentrum hoger zijn. Een studie van Pacolet toont inderdaad aan dat de prijs van de bouwgrond van de gemeente en de woondichtheid van de gemeente belangrijke verklarende factoren zijn voor de variatie in dagprijzen tussen instellingen. Men veronderstelt evenzeer dat er effecten spelen aan de vraagzijde: zo kan het zijn dat er in rijkere regio’s meer bereidheid is tot betalen of dat er meer vraag en dus aanbod is van luxueuzere kamers. Naast die factoren kunnen ook andere zaken spelen, zoals het aanbod van de kamers, het profiel van de instellingen in de regio – grootte, eigendomsstructuur enzovoort – of nog het bewonersprofiel binnen het woonzorgcentrum. Op al die vlakken bestaan er verschillen tussen de verschillende provincies.

In zijn recent onderzoek van 2015 met betrekking tot de ‘Financiering van de residentiële ouderenzorg: het perspectief van de voorzieningen’ stelt professor Jozef Pacolet vast dat de dagprijs van de voorzieningen sterk uiteenloopt en afhangt van verschillende elementen, zoals de graad van zorgbehoevendheid, beheersinstantie, de concurrentie, nieuwbouw, de ligging, de regio, de kwaliteit enzovoort. Naast voorgenoemde elementen haalt de analyse van de feedback-enquête ‘Volksgezondheid in de rust- en verzorgingstehuizen’ van 2004 aan dat de dagprijs ook gedetermineerd wordt door de volgende factoren: de grootte van de voorziening, de aangerekende supplementen, de personeelsomkadering enzovoort.

Professor Pacolet stelt aan de hand van de gegevens van het jaar 2012 van de FOD Economie – het prijzenbeleid van de woonzorgcentra was voor de staatshervorming de bevoegdheid van de federale overheid – vast dat de dagprijs in Vlaanderen van de twee private spelers, non-profit en for-profit, nagenoeg gelijk is. In het verleden lag de gemiddelde dagprijs van de commerciële voorzieningen lager dan die van de vzw’s. Anno 2012 zijn de dagprijzen naar elkaar toe aan het groeien. De openbare voorzieningen afficheren een dagprijs die gemiddeld 3 euro lager ligt.

Nu Vlaanderen bevoegd is voor het prijzenbeleid van de residentiële ouderenzorg en een jaarlijkse monitoring van de dagprijzen in het vooruitzicht wordt gesteld, moet het op termijn mogelijk zijn op basis van de koppeling van de diverse beschikbare gegevens meer inzicht te verwerven in de evoluties van de dagprijzen, alsook in de mogelijke oorzaken die aan de oorsprong zouden liggen van de provinciale verschillen en de verschillen tussen de woonzorgcentra, onder andere in functie van hun juridisch statuut.

Dit veronderstelt echter ook dat we in overleg en consensus met de sector richtlijnen bepalen voor een transparante sectorspecifieke boekhouding, met respect voor de diversiteit in juridische organisatiestatuten en hieraan gekoppelde wettelijke kaders. In de conceptnota met betrekking tot het infrastructuurforfait staat alvast dit voornemen ingeschreven. We bereiden op dit ogenblik het concept Vlaamse sociale bescherming en persoonsvolgende financiering voor de woonzorgcentra voor. Het is mijn overtuiging dat op basis van de daarin ontwikkelde inzichten ook de transparantie van de factuur voor een verblijf in een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of dagverzorgingscentrum een belangrijk uitgangspunt zal zijn.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, veel voornemens, maar ik neem aan dat u niet hebt gekozen voor methodologische beperkingen. Dat staat ook beschreven in de studie van de Socialistische Mutualiteiten. De kernboodschap ervan kunnen we toch niet negeren of in vraag stellen. We moeten het probleem onderkennen. Er is een probleem van betaalbaarheid van de rusthuisfactuur voor een deel van onze ouderen, ondanks de zorgverzekering, ondanks de tegemoetkoming aan bejaarden die onderhevig is aan medische en inkomensvoorwaarden.

Het volstaat niet dat u zegt dat 93 procent geen probleem heeft met de betaling van de maandelijkse factuur. Ze moeten dan maar een beroep doen op hun familieleden, en die andere 7 procent moet dan maar naar het OCMW gaan en uitmaken of er een onderhoudsplicht is. Dat volstaat niet als antwoord.

Minister, ik neem aan dat u onderkent dat sommige zorgbehoeftige bewoners zelfs niet in het rusthuis geraken, uit vrees voor die financiële problemen. Die zitten niet in uw 93 of 7 procent. Die mensen durven gewoon niet naar een rusthuis te gaan uit schrik voor de potentiële financiële gevolgen voor hun eigen vermogen of dat van hun kinderen of andere familieleden.

U zegt – waarschijnlijk met goede bedoelingen en terecht – dat op termijn de Vlaamse sociale bescherming hiervoor een oplossing zal bieden. Het probleem is dat we nu en ook al gisteren en eergisteren een probleem hebben van betaalbaarheid voor sommige mensen die geen beroep kunnen doen op kwalitatieve zorg in een rusthuis, terwijl ze die wel zouden moeten kunnen krijgen tegen een betaalbare prijs. Het kan toch niet zijn dat we in het Vlaanderen van vandaag sommige mensen de kwalitatieve zorg die ze nodig hebben, ontzeggen om puur financiële redenen.

Het ontgaat ons waarom u niet voortwerkt aan de mogelijkheid van een maximumfactuur. U kent de methode, die al bestaat in andere takken. Waarom voert u geen maximumfactuur in voor kwetsbare doelgroepen in de ouderenzorg? Ook zij die het financieel moeilijk hebben, hebben recht op een mooie, oude dag en de maximumfactuur zou hiertoe kunnen bijdragen. Alle voornemens die u gaat uitwerken, zijn goed, maar het probleem is door de besparingen die u van de Vlaamse Regering hebt moeten of willen doorvoeren, verergerd voor infrastructuur en animatie. We moeten daar nu iets aan doen en we moeten niet wachten op de Vlaamse sociale bescherming op termijn.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Freya Saeys (Open Vld)

Mijnheer Bertels, u hebt over het verschil in rustoordprijzen. Dat is gekend, we hebben het al herhaaldelijk onderzocht. Het heeft onder andere te maken met de grondprijzen die natuurlijk hoger zijn in de stad. Betaalbaarheid hangt ook samen met de voorwaarden die we opleggen aan woonzorgcentra, en die de prijs de hoogte in drijven. We moeten zeker goed waken over de meerwaarde van die maatregelen ten opzichte van de prijsverhogingen die ze voor de ouderen veroorzaken.

Ik hoop dat het nieuwe financieringsmechanisme voor infrastructuur niet langer een prijsverhogend effect heeft en dat het op die manier leidt tot een echte tegemoetkoming in de kostprijs voor de ouderen, waar het tot nu toe enkel verloren is gegaan in een duurdere bouwprijs.

Het is gemakkelijk gezegd dat een prijs niet mag stijgen, maar de reële kosten stijgen wel, en iemand moet die natuurlijk betalen, zelfs als het woonzorgcentrum wordt uitgebaat door een vzw of door een OCMW. OCMW-rusthuizen zijn vaak goedkoper, maar dat is een foutief beeld omdat het bestuur bijlegt. Dat die vaak zo duur zijn, komt omdat de personeelskost veel hoger ligt. We moeten daar toch naar kijken, zeker bij de openbare besturen.

De voorzitter

Mevrouw Coppé heeft het woord.

Griet Coppé (CD&V)

Minister, ik dacht dat de rust wat was teruggekeerd in de sector naar aanleiding van de conceptnota, het financieringsmodel infrastructuur ouderenzorg. We wachten wel nog op het vervolg. Dit is nog maar een conceptnota.

Maar het is toch een belangrijke nieuwe stap. Er is binnen de sector wat rust gekomen. Het zou spijtig zijn, mijnheer Bertels, dat we door opnieuw te zeggen dat het in de toekomst niet meer betaalbaar zal zijn, terwijl het nu ook al voor veel mensen niet meer betaalbaar is om naar een woonzorgcentrum te gaan, het omgekeerde effect krijgen dat zorgbehoevenden voor wie het beter zou zijn om in een woonzorgcentrum te verblijven, niet meer durven te gaan, omdat ze denken dat de factuur niet meer betaalbaar zal zijn. Ik hoor vanuit de sector dat het spijtig zou zijn dat daardoor dat omgekeerde effect zou worden bereikt. Ik denk niet dat dat de bedoeling is.

De zorgverzekering, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden en zo meer zorgen ervoor dat maar 7 procent geholpen moet worden door het OCMW om de factuur rond te krijgen. Dat is toch wel heel weinig. Daarom hoop ik dat door de nieuwe maatregelen, de bijkomende inspanningen voor bijkomende plaatsen die net werden goedgekeurd, de rust in de sector terugkeert en dat we naar de toekomst kunnen kijken, namelijk naar de Vlaamse sociale bescherming en de inkanteling voor de persoonsvolgende financiering, ook wat het ouderenbeleid en de facturen voor een woonzorgcentrum betreft.

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

De betaalbaarheid van woonzorgcentra is een bekommernis van iedereen die ermee te maken heeft. Het moet ook een grote bekommernis zijn van het beleid, en dat is het ook. Er zijn verschillende elementen die daarin meespelen. Zoals de minister heeft benadrukt, is pensioen lang niet het enige dat we mogen meetellen. Er is de inkomensgarantie voor ouderen (IGO), de zorgverzekering, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.

Dan rest de vraag in hoeverre we kunnen verwachten dat mensen ook hun spaargelden aanspreken, of de opbrengsten die ze hebben uit de verhuring of de verkoop van een woning. Ik denk dat we daar zeker een bijdrage kunnen vragen van de mensen.

Het aantal mensen voor wie het OCMW moet bijspringen, bedraagt 7 procent. Collega Coppé wees er zonet al op. Maar wat ook van belang is, is dat dat cijfer daalt. Een aantal jaren geleden was dat cijfer hoger. Het klopt dus niet dat het voor meer mensen moeilijk betaalbaar wordt, want de OCMW’s moeten ter zake minder bijspringen.

Een element dat daarbij ook van belang is en dat nog niet ter sprake is gekomen, is het feit dat de verblijfsduur in een woonzorgcentrum de laatste jaren sterk inkort. Mensen die vandaag in een woon- en zorgcentrum worden opgenomen, zullen daar gemiddeld nog maar anderhalf jaar verblijven. Dat maakt dus ook dat als je pensioen te laag zou zijn, ook aangevuld met de zorgverzekering en eventuele tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, en je je spaarcenten moet aanspreken, het aantal maanden dat je je spaarcenten zou moeten aanspreken, veel beperkter is dan vroeger, toen je een heel aantal jaren in een woonzorgcentrum verbleef. Dat zal wellicht ook mee een verklaring zijn voor het feit dat er minder mensen een beroep moeten doen op het OCMW.

Wat wij als fractie onderschrijven, is dat er bijkomend en blijvend gewerkt moet worden aan de transparantie van die facturen, zodat mensen duidelijk zicht hebben op wat erin is opgenomen en wat niet.

Mijnheer Bertels, ik heb nooit zo goed begrepen of uw fractie nu één maximumfactuur wilde invoeren voor iedereen, dan wel maar voor een beperkte groep van mensen die financiële behoeften hebben. Als het voor iedereen zou zijn, dan gaat dat over een nieuw gratisverhaal, waarbij, ongeacht het vermogen of de draagkracht van iemand, de belastingbetaler en dus de gemeenschap zal bijbetalen, wat heel grote consequenties zou hebben. Als het maar voor een beperkte groep is, dan is die er de facto al door het feit dat we de zorgverzekering aanvullen én de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden hebben, die we hopelijk nog kunnen versterken, maar ook door het feit dat als dat niet voldoende is, het OCMW sowieso bijpast. In de federale regelgeving is bepaald dat er dan sowieso nog in een bepaald bedrag als minimaal zakgeld moet worden voorzien. Dat is een bedrag waar de zorgbehoevende die in een woonzorgcentrum verblijft, sowieso een beroep op kan doen.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Het is wel degelijk een belangrijk onderwerp. Er is de vergrijzing van de samenleving, maar het is ook een sector die in volle evolutie is. In onze nota wordt ook de vraag gesteld of dat nog specifiek ouderenbeleid is, dan wel of dat in een ruimer beleid moet. Intersectoraal zijn er ook een aantal mogelijkheden enzovoort. Dat is een hele beweging. Ze moet ook aansluiten op de vraag van daarnet over de visie op wat goede zorg dan is. Ook daar is er een hele evolutie. De vragen over de betaalbaarheid zijn absoluut terecht.

Dat we dat nu geobjectiveerd kunnen monitoren en dat we daar criteria voor gemaakt hebben om de individuele beslissingen rond de dagprijzen te beoordelen, is al een belangrijke stap, maar dan geflankeerd met de andere initiatieven die we genomen hebben. Voor mij zijn er rond toegankelijkheid en betaalbaarheid twee instrumenten: de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden en de zorgverzekering – zeg maar cash financieringen die mensen in staat stellen om een aantal kosten te betalen – en aan de andere kant de betere financiering van de zorgzwaarte, de zorgkost die gerelateerd is aan de stijgende zorgzwaarte.

Ik denk dat dat een goede manier is om dat langs twee kanten te benaderen. Waar gaat het over wanneer u het hebt over de maximumfactuur als instrument? Hebben we het dan over een maximumfactuur voor de woon- en leefkosten? Als het standpunt is dat we een maximumfactuur moeten instellen voor de woon- en leefkosten, dan gaat het om een principiële benadering. In dat geval mag men vragen wat dat betekent voor wie in een thuissituatie zit en woon- en leefkosten heeft. De pleitbezorgers moeten dan op zijn minst verduidelijken waarover het gaat. Op dit moment lijkt het me een nogal abstract gegeven. Dat doet niets af aan het feit dat de toegankelijkheid en betaalbaarheid bewaken een terechte zorg is. THAB en zorgverzekering enerzijds en de financiering van de zorgzwaarte anderzijds lijken me op dit moment de goede instrumenten.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Minister, kwalitatieve zorg tegen een betaalbare prijs of financiële toegankelijkheid, hoe we het ook noemen, die zorg delen we, en daarbij gaan we bijna allemaal voor een solidaire financiering van die zorg. We moeten daaraan werken, via de technieken die u hebt genoemd of via andere technieken.

Mevrouw Coppé, dit is geen fictief probleem dat we hier benoemen maar een reëel probleem. Ik ben echt verbaasd dat u zegt dat wij geen onrust mogen zaaien omdat het probleem voor slechts 7 procent geldt, en dat we er niet voor mogen zorgen dat mensen niet meer naar een woon- en zorgcentrum durven gaan. Ik ben heel verbaasd dat dit de insteek van uw reactie is. Ik stel voor het probleem niet te ontkennen, de minister doet dat niet, en ik vraag u dat ook niet te doen. Er zijn betalingsproblemen voor een aantal mensen en die moeten we oplossen, nu als dat kan.

Naar aanleiding van de discussie over de begrotingscontrole hebben we aangekondigd dat we een voorstel zullen indienen over de maximumfactuur waarover we uitgebreid kunnen discussiëren met de voorwaarden die u hebt opgesomd. Het zal een gefundeerd voorstel zijn waarin uw vragen worden opgelost. Het is dan aan u om in het kader van die progressieve agenda ja of neen te zeggen, maar liefst ja waardoor die problemen nu uit de wereld kunnen worden geholpen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.