U bent hier

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, de aanleiding van mijn vraag is de conceptnota van ‘Naar een versterkt streekbeleid en (boven)lokaal werkgelegenheidsbeleid’ van juli 2015 en de uitwerking en toepassing ervan op het terrein. De Vlaamse Regering wilde hiermee het streekbeleid en (boven)lokaal werkgelegenheidsbeleid hervormen.

De uitgangspunten en de visie van deze conceptnota waren duidelijk. Ik vat ze even samen: voor sterke projecten gaan op maat van een bepaalde regio waarbij steden en gemeenten het voortouw nemen en niet langer de provincies; het streekbeleid een nieuwe stimulans geven vanuit de steden en gemeenten; lokale mandatarissen moeten de verantwoordelijkheid en het vertrouwen krijgen voor de sociaal-economische ontwikkeling van een streek waarbij de geografische vastlegging flexibel kan zijn. Provinciegrenzen kunnen daarbij overschreden worden en er kan ook worden gewerkt met de huidige RESOC-afbakeningen (regionaal sociaal-economisch overlegcomité).

De klemtoon ligt op de partnerschappen van lokale besturen. Streekbestuur is maatwerk en lokale besturen zijn het best in staat om de aandachtspunten te onderschrijven en aan te pakken. Lokale besturen staan centraal in dit verhaal. De provincies en de sociale partners kunnen enkel nog ondersteunend zijn. Ook private partners kunnen tijdelijk of permanent deelnemen aan het samenwerkingsverband. Dat zijn de uitgangspunten en de visie van uw conceptnota.

We stellen echter vast, in ieder geval in West-Vlaanderen – ik spreek me niet uit over andere provincies – dat de krijtlijnen uit de conceptnota helemaal niet worden gevolgd. Enkel qua gebiedsomschrijving en voor een aantal subregio’s heeft men zich aangepast aan de conceptnota, maar voor de rest blijft de provincie een centrale rol spelen binnen het RESOC en het erkend regionaal samenwerkingsverband (ERSV). In de schriftelijke weergave van mijn vraag kunt u enkele indicaties lezen die tot die conclusie leiden. Belangrijk hierbij is dat in West-Vlaanderen de provincie tot 2019 de volledige financiering van het ERSV en RESOC-verhaal heeft overgenomen.

Ik heb de volgende vragen: hoe reageert u op de evolutie wat de conceptnota betreft in de provincie West-Vlaanderen ? Hoe evolueert de beoogde hervorming van het streekbeleid in de andere Vlaamse provincies ? Welke maatregelen of welke mogelijkheden hebt u als minister om alsnog de uitgangspunten van de conceptnota 2015 ook op het terrein gestalte te geven ?

Minister Muyters heeft het woord.

Ik denk dat u de grote contouren heel goed hebt weergegeven. Ik ga ze dus niet herhalen. Ik wil wel een nuance aanbrengen. Voor mij is het vernieuwde streekbeleid effectief bottom-up, maar het zijn de lokale partners die zelf bepalen wie volgens hen geschikt is om een streekbeleid te formuleren. Ik heb de provincies duidelijk niet uitgesloten, ik heb ook de bestaande structuren, ERSV, de RESOC en de sociaal-economische raad van de regio (SERR), niet uitgesloten. Als men lokaal op het terrein van mening is dat zij de partners zijn die men het liefst vertrouwen geeft om een rol te gaan spelen, mag dat van mij. Wij leggen echter niet vast, zoals in het verleden automatisch gebeurde, waar de SERR en de RESOC zijn en welke rol de provincie heeft. Dat doe ik niet meer. Als men plaatselijk van mening is dat de West-Vlaamse provincie het best geschikt is om een streekbeleid te voeren, dan mag dat van mij. Het zijn de lokale partners die daarover beslissen. Dat is bottom-up. Dat is verantwoordelijkheid geven aan wie de verantwoordelijkheid moet krijgen. Voor mij geldt de oproep nu voor drie jaar. In 2019 gaan we evalueren wat er beter kan.

Ik moet er iets aan toevoegen, en dat is de reden waarom ik weinig kan antwoorden op uw volgende vragen: de oorspronkelijke indieningsdatum was tot 31 maart, maar die is op vraag van de VVSG verschoven naar 30 april. Ik heb vandaag dus zelf nog geen zicht op de indiening, noch door West-Vlaanderen, noch door de andere provincies. Het is voor mij nu nog te vroeg om een evaluatie te geven of een inzicht te hebben in de respons op de oproep.

De heer Sintobin heeft het woord.

Ik begrijp natuurlijk wel dat, wanneer de indieningsdatum is verschoven, u weinig informatie kunt geven. Ik zal zeker terugkomen met een vraag.

De bottom-up en de keuze van de lokale besturen, al dan niet de provincie, moeten we in een breder kader zien. We moeten zien hoe we verder moeten omgaan met de rol van de provincies en de provinciebesturen. We spreken altijd over maatwerk. Ik denk bijvoorbeeld aan uw eigen partij. De voorzitter is één van de grote voortrekkers om in het streekbeleid voor maatwerk te zorgen. Dat kan het best via kleinere structuren, via lokale mandatarissen, die het best weten om te gaan met de economische realiteit van hun streek. Dat kan niet vanuit – ik wil het geen ivoren toren noemen – de provincieraad, die daar in mijn ogen minder voor geschikt is. Iedereen die toch een beetje geschiedenis kent en weet hoe de RESOC en dergelijke in elkaar zit, weet dat dat vastgeroeste structuren zijn, en dat er dringend een nieuwe dynamiek nodig is. Vrij laten kiezen wie wel of niet de kar trekt, vind ik een lightversie.

Ik weet natuurlijk ook dat er bepaalde politieke belangen spelen, waarbij andere partijen misschien verkiezen dat een groot deel van de macht en het initiatiefrecht bij de provincie ligt en niet of minder bij de lokale mandatarissen. Ik zou dan ook een oproep willen doen aan mensen die in het beleid zitten – lokale mandatarissen, burgemeesters en schepenen – om er in de provincieraden naar te streven om het idee van de conceptnota beter te gaan toepassen en effectief te kiezen voor een economisch beleid dat dichter bij de mensen staat. Iedereen kan daar alleen maar wel bij varen. Ik zal in ieder geval een opvolgingsvraag indienen na 30 april.

Mevrouw Talpe heeft het woord.

In West-Vlaanderen was de streekwerking eigenlijk al goed uitgewerkt en kiest men er dan ook, niet onbegrijpelijk, voor om de bestaande werking en het inhoudelijke traject waar de voorbije jaren hard aan werd gewerkt, maximaal voort te zetten. Indien aan de voorwaarden voldaan wordt, kan dat geen probleem zijn. Enerzijds, zoals u ook zegt, minister, moet de keuze van de vorm van samenwerking en met wie er wordt samengewerkt, en in welke verhouding, op het terrein zelf liggen. Anderzijds kan men zich de vraag stellen waar het vereiste element dan blijft want tot op vandaag wordt er iets te veel gepraat en soms te weinig gerealiseerd op het veld. Dat is net de kern waarrond het draait. Er moeten resultaten worden geboekt en we moeten de inschrijvers de kans geven om resultaten te boeken.

Vandaar gaat mijn vraag eerder naar de evaluatie, hoe u de resultaten zult screenen en welke opvolging u eraan zult geven. Er zijn drie tussentijdse rapporteringen gepland: een inhoudelijke, een aanpassing aan de planning en een financiële rapportering. We hebben ook de controle door het Europees Sociaal Fonds -Vlaanderen (ESF Vlaanderen), door de projectbeheerder en dan zijn er nog de inspectiediensten van de Vlaamse Gemeenschap en de Europese instanties. Hoe die controle precies zal lopen of hoe de resultaten zullen worden afgetoetst, is iets waar we vandaag nog geen zicht op hebben. Misschien kunt u daar wat meer duiding over geven.

De heer Gryffoy heeft het woord.

Als het voor de West-Vlamingen een troost mag zijn, we ondervinden dezelfde problemen in Oost-Vlaanderen. Ik begrijp de bezorgdheid van collega Sintobin voor een stuk wel.

Als er één les is die we uit het verhaal kunnen trekken, dan is het dat de provincies niet met budgettaire problemen kampen. Wat heeft de provincie West-Vlaanderen immers gedaan op het moment dat de conceptnota streekontwikkeling is gelanceerd? Twee zaken: ze heeft ten eerste een arsenaal aan leugens getorpedeerd op de hele publieke opinie, als zou onze minister de geldkraan toedraaien, als zou onze minister en de Vlaamse Regering heel wat mensen op straat zetten, als zou de minister niet meer investeren in diversiteitsbeleid. Niets is minder waar. Het wordt via de kmo-portefeuille nooit zo toegankelijk als ooit tevoren.

Ten tweede is uit diverse evaluaties gebleken dat er ook in West-Vlaanderen nauwelijks betrokkenheid is van lokale besturen bij het RESOC-verhaal, hoe graag de provincie ook zwaait met het feit dat West-Vlaanderen een rolmodel is. Ik heb zelf in vijf van die praatbarakken gezeten in een vorig leven. De minister heeft, samen met de hele Vlaamse regering, een unieke kans geschapen om via de conceptnota bottom-upacties te doen. Er wordt in 7,5 miljoen euro aan Vlaamse middelen voorzien voor cofinanciering voor een periode van drie jaar. Voor West-Vlaanderen zou dat ongeveer neerkomen op 500.000 euro per jaar, mocht het netjes gelijk verdeeld worden, maar dat zal afhangen van de projecten die worden ingediend.

Wat doet de vermaledijde provincie West-Vlaanderen? Ze zegt: foert! We trekken ons daar niets van aan. We gaan in 4 miljoen euro voorzien. Waarvoor? Voor maar liefst veertien voltijdse medewerkers die voor overleg moeten instaan in vijf regio’s. Dat zijn veertien voltijdse equivalenten die een uitnodiging voor een vergadering moeten versturen, die een verslag van een vergadering moeten maken, en die nu en dan eens herinneringen moeten sturen voor de opvolging van zaken.

Minister, ik weet dat u geen impact hebt op wat een provinciebestuur op dat vlak kan doen, en dat het hun goed recht is om naast de conceptnota initiatieven te nemen, maar als de provincie nog eens komt klagen dat ze te weinig middelen heeft om aan economisch beleid te doen, dan nodig ik u uit om hun toch even mee te geven dat met die nodeloze investering van 4 miljoen euro misschien andere dingen kunnen worden gedaan. Mijnheer Sintobin, ik treed uw beschouwingen bij.

Er kan nog heel wat discussie op provinciaal vlak gebeuren, als ik het hier zo hoor. Mijn rol bestond erin om mogelijkheden te creëren en hier en daar een frisse wind te laten waaien. Ik weet niet of er een West-Vlaams dossier zal worden ingediend. Voor we over tussentijdse rapporteringen spreken, zullen we elk project dat ingediend wordt uiteraard op zijn mogelijke resultaten beoordelen. Zoals u zei, zullen de middelen verdeeld worden naargelang van de kwaliteit van de dossiers en niet volgens een andere verdeelsleutel.

Ik doe dus wat ik moet doen. De mogelijkheden om de lokale dynamiek te laten spelen werden gecreëerd door de conceptnota en de oproep zoals die nu is geformuleerd. Ik zal nooit in de plaats treden van de lokale besturen. Zo niet, zijn we verkeerd bezig.   

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, mijn vraag was vrij neutraal, denk ik. (Gelach)

Ik ben het niet gewoon dat iemand mij op die manier overklast. Ik dank u in ieder geval voor uw frontale aanval op de provincies. Uw tussenkomst en die van mevrouw Talpe bewijzen wel dat het niet alleen gaat om de efficiëntie van structuren en een nieuwe dynamiek, maar dat er zeker ook politieke belangen meespelen. In onze fractie en ook in die van de voorzitter zijn we ons ervan bewust dat de provincies moeten worden afgebouwd. Wat mij betreft, mogen ze zelfs verdwijnen. Zoals collega Talpe zegt, zijn het de resultaten die tellen. Wat we de afgelopen jaren hebben vastgesteld, is dat die resultaten uitblijven of minder goed zijn dan we zouden kunnen verwachten wanneer er nieuwe structuren ontstaan, zoals voorgesteld in de conceptnota 2015, waar we trouwens volledig achter staan.

Ik besluit. Ik zal hierop terugkomen in een nieuwe vraag. Voorzitter, u houdt infoavonden over dit thema en vandaag bewijst u aan welke kant u staat. Ik wil u oproepen om de burgemeesters en schepenen van de provincie West-Vlaanderen en bij uitbreiding van gans Vlaanderen ook protest te laten aantekenen bij de manier van werken van de provincie. Het is gemakkelijk hier in het parlement op tafel te kloppen en stoere taal te gebruiken. Maar in de eigen provincie – ik bedoel dit niet persoonlijk – heb ik vanuit uw partij nog maar weinig protest gezien over de gang van zaken in de provincie. Misschien kunt u wat dat betreft nog een tandje bijsteken, zoals u hier vandaag al hebt gedaan.       

Ik moet als voorzitter nu wel het reglement naleven en kan daar niet verder op ingaan.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.