U bent hier

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

De heer Björn Anseeuw (N-VA)

Voorzitter, minister, geachte leden, Zorginspectie levert elk jaar een rapport af over gedwongen opnames in de psychiatrie. Ook dit jaar heeft het zonet dat rapport bekendgemaakt, voor 2013. We leren daaruit onder andere dat het aantal gedwongen opnames in Vlaanderen gestaag toeneemt, maar ook dat een op de vijf jongeren die gedwongen worden opgenomen, legale of illegale middelen misbruikt. Er is toch sprake van grote onderlinge verschillen. Wat vooral opvalt, is dat er in 90 procent van die gevallen illegale drugs worden misbruikt.

In schril contrast daarmee – maar daarom natuurlijk niet minder belangrijk – is dat ‘slechts’ 27 procent alcohol misbruikt en 22 procent medicatie.

Waarom is dat verschil zo belangrijk? Waarom wil ik u daarop wijzen? Vorige week nog maar hebt u in deze plenaire vergadering gezegd dat preventie niet zozeer gericht moet zijn op één middel, maar dat het om een breder verhaal moet gaan, waarin er wordt gekozen voor een gezonde levensstijl. Dat klinkt natuurlijk een beetje als een ‘one fits all’-benadering.  Maar als we deze cijfers zien, lijkt dat niet echt de goede aanpak te zijn. Deze cijfers suggereren dat er in een preventief drugsbeleid echt wel ruimte moet zijn voor een specifieke aanpak gericht op bepaalde doelgroepen en bepaalde middelen.

Minister, als u er inderdaad werk van wilt maken, op welke manier wilt u dan werk maken van een preventief drugsbeleid dat toelaat dat er wordt ingezet, niet alleen specifiek gericht op doelgroepen, maar ook specifiek gericht op bepaalde middelen? We zien dat er binnen bepaalde middelen grote verschillen zijn tussen welke middelen al dan niet worden misbruikt. 

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega, ik heb niet gezegd dat er in een preventief beleid geen plaats is voor een doelgroep of een productgebonden preventiebeleid. Dat is het andere extreem. Ik heb wel gezegd dat een aantal boodschappen met betrekking tot middelengebruik vrij algemene boodschappen zijn. Dat heeft te maken met keuzes die jonge mensen in dit geval maken. Er zijn een aantal algemene attitudes die opgaan voor heel wat van die thema’s. Het is zeker niet de negatie van het andere waarvoor u pleit.

Ik wil het eerst hebben over de cijfers. Het eerste cijfer dat u hebt genoemd, is juist. Als je de cijfers bekijkt van de gedwongen opname via de jeugdrechter, dan gaat dat in 18,97 procent van de gevallen over een opname die te maken heeft met middelengebruik. Dat is een daling ten opzichte van 2009. De eerste geobserveerde trend is dat het reële middelengebruik voor collocatie of gedwongen opname gedaald is. Het tweede dat uit die cijfers moet worden opgemaakt, is dat het hoofdprobleem middelengebruik 36 procent is. Het bijprobleem bedraagt 68 procent. Van een aantal is het niet bekend. Als dan gekeken wordt naar het product of de combinatie van producten – want dat verschil kan men niet maken aan de hand van deze cijfers – is het duidelijk dat ook de illegale drugs daarin een heel belangrijke plaats inneemt.

Mijn eerste analyse en die van onze experts is dat je aan de hand van die cijfers over dit aspect en het al dan niet succes van een preventief beleid weinig kunt zeggen. Je kunt dat daar zo niet uit opmaken.

Uw tweede punt wil ik graag onderstrepen. Ik heb dat vorige week ook gezegd. We gaan naar een nieuwe conferentie over het middelengebruik, naar een nieuwe gezondheidsdoelstelling. Uiteraard zal daar ook met de experts moeten worden gesproken over de vraag wat de beste en meest succesvolle strategieën zijn om die gedragsverandering te realiseren. We zullen daarvoor inspanningen moeten leveren. Er moet zeker sprake zijn van een debat. Doe je dat met universele of specifieke boodschappen? Ik denk dat we het best bekijken met de experts en de ervaringen in het buitenland welke strategie of mix van strategieën daarvoor het best is aangewezen.

De heer Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, ik zou de cijfers die zijn genoemd, toch niet te snel van tafel vegen door te zeggen dat we daaruit niets kunnen opmaken. Ze illustreren wat mij betreft toch wel dat die algemene boodschappen niet afdoende werken. De vraag die er vorige week is gesteld, was ook gebaseerd op cijfers waaruit blijkt dat het aantal problematische gebruikers – toch wel de grote maatschappelijke kost – stijgt. We moeten inderdaad bekijken waarom we niet genoeg resultaat boeken.

Dan kom ik tot een bijkomende vraag. Een van de uitdagingen die we hebben wanneer het gaat over het evalueren van preventief beleid, is hoe we kunnen meten, hoe we kunnen weten welke preventieve actie nu eigenlijk welk effect heeft, positief of negatief, maar ook wat de omvang ervan is. Heeft het een sterk positief effect of niet? Brengt dat geen zoden aan de dijk? Vandaag slagen we er eigenlijk niet in om afdoende te kunnen zeggen: we hebben deze actie ondernomen in het kader van drugspreventie en het heeft dat resultaat geleverd. Eigenlijk doen we maar iets, voornamelijk vanuit een – goed ontwikkeld, daar niet van – buikgevoel. Veel verder dan dat geraken we eigenlijk niet.

Minister, op welke manier wilt u ervoor zorgen dat we dat preventieve beleid ook op een objectieve manier kunnen evalueren? Nu hebben we alleen maar het resultaat in de cijfers.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Minister, ik heb u in de commissie al ondervraagd over sensibilisering met betrekking tot xtc-gebruik bij festivalgangers. Blijkbaar wordt dat daar algemeen aanvaard. We weten dat het gebruik van harddrugs meestal start met het gebruik van softdrugs. We moeten jongeren en volwassenen bewuster maken van de gevaren van zowel soft- als harddrugs. Minister, bent u bereid om in te zetten op preventie en sensibilisering, en op de vroege detectie van drugsgebruik bij jongeren en volwassenen?

Minister Jo Vandeurzen

Uiteraard, het lijkt mij logisch dat dit ook bij het nieuwe actieplan een specifieke doelgroep is. Dat was het al bij het vorige plan. Wij moeten dit inderdaad evalueren. Bij deze groep moeten wij ons zeker afvragen hoe wij onze ontradende boodschap daar het op de meest succesvolle manier doen omzetten in een effectieve keuze of een gedrag.

In de opbouw van een nieuwe gezondheidsconferentie wordt er eerst en vooral ook een gezondheidseconomische evaluatie gemaakt, en een evaluatie van het voorbije beleid. We zullen inderdaad moeten bekijken welke inspanningen zijn gedaan, en wat wel en wat niet heeft gewerkt. Dat moet gebeuren met de nodige wetenschappelijkheid. Dan kunnen we advies geven: dat doe je best opnieuw, dat versterk je best, en dat zijn dingen die, gezien de afweging tussen investeringen en resultaat, geen verstandige keuzes meer zijn.

Met betrekking tot preventie zijn de zaken, volgens mijn ervaring, niet zo gemakkelijk te isoleren. Want dat is het grote punt: kun je een duidelijk causaal verband leggen tussen een bepaald gedrag of het niet voorkomen van bepaalde ziektes of het minder moeten terugbetalen van bepaalde handelingen enerzijds, en aan de andere kant een preventiestrategie? Het is mijn ervaring dat je dat tot op zekere hoogte kunt doen. Ik denk dat wij dat moeten doen als wij die conferentie behoorlijk willen voorbereiden. Maar dat is niet zo simpel. De beschikbaarheid van het product en alle mogelijke prijsaspecten kunnen daar ook mee te maken hebben. Misschien niet zozeer voor de illegale producten. Maar voor de legale producten is dat zeker iets wat het ontradend karakter bepaalt. Dan is het natuurlijk de boodschap of je op basis daarvan kunt detecteren welke maatregel welk effect heeft gehad. Dat is niet zo gemakkelijk. Maar die oefening – bepalen wat heeft gewerkt en wat niet, en hoe we er zijn geraakt met onze vorige ambities – moeten we in de voorbereiding van de conferentie zeker maken.

De heer Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, in uw antwoord op mijn bijkomende vraag hebt u ten dele mijn kritiek herhaald. Dat geeft aan dat ik gelijk heb. Dat is op zich wel leuk, alleen is het wel vervelend, want we blijven met die paradox zitten: we moeten kunnen uitmaken welke preventieve acties wij wel moeten kunnen versterken, maar we kunnen niet zeggen welke echt hebben gewerkt, welke tot op zekere hoogte, en welke niet. Maar eigenlijk kunnen we dat niet uitmaken. Je kunt een gezondheidseconomische analyse maken op macroniveau. Maar ook op microniveau, op het niveau van de effectieve concrete preventieve acties, moet je dat kunnen doen. U hebt zelf aangegeven dat dit vandaag veel te weinig gebeurt. Ik stel vast dat we dat vandaag niet doen. Vandaar mijn oproep: als we met de nieuwe gezondheidsconferentie echt een verschil willen maken, moeten we inzetten op die objectieve parameters, aan de hand waarvan we dat wel zullen kunnen doen in de toekomst. Als in de nieuwe gezondheidsconferentie hetzelfde hiaat blijft bestaan, zullen we moeilijk stappen vooruit zetten. Het is toch de bedoeling van ons allen om wel stappen vooruit te zetten, zeker als we zien dat het aantal problematische drugsgebruikers alleen maar toeneemt.

De voorzitter

De actuele vraag is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.