U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het voorstel van decreet van Tinne Rombouts, Wilfried Vandaele, Lydia Peeters, Bart Dochy, Jelle Engelbosch en Bart Nevens tot wijziging van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Voorzitter, wordt er verslag uitgebracht?

De voorzitter

Het reglement zegt dat, als u verslag wilt uitbrengen, u dat voor de aanvang van de vergadering aan de voorzitter moet melden. Ik breng dat nogmaals onder de aandacht van u allen, maar mild als ik ben … Wie is verslaggever? Mijnheer Caron, bent u verslaggever?

De heer Bart Caron (Groen)

Voorzitter, ik zou graag hebben dat tijdens deze bespreking de minister bevoegd voor de landbouw en het leefmilieu aanwezig is. Ik vraag dat omdat zij nauw is betrokken bij de zaak – dat spreekt voor zich –, maar ook en nog belangrijker is dat ze vorige vrijdag bij de opening van de Week van de Biologische Landbouw heeft verklaard dat via een amendement een oplossing voor het probleem van de biolandbouw wordt gevonden. De biolandbouw wordt door de fosfaatnormen getroffen.

Voorzitter, in de commissie is het door mij ingediende amendement niet aanvaard. Ik heb het opnieuw ingediend. Nu de minister heeft verklaard dat het is goedgekeurd, zou ik haar dat toch graag in dit halfrond horen zeggen.

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez (sp·a)

Voorzitter, ik heb echt niet met de heer Caron afgesproken, maar ik wil hetzelfde punt maken. De minister verklaarde nog maar enkele dagen geleden dat ze de vraag zal honoreren. Deze zaak is een onderdeel van de bespreking. Ik vraag dus haar aanwezigheid hier.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer (CD&V)

Ik heb een kleine bedenking. In principe is het niet nodig dat een minister aanwezig is wanneer een voorstel van decreet wordt besproken. Ik begrijp de reactie van de collega’s,  maar het ware toch fijn geweest als men de vraag vroeger zou hebben gesteld. Niet enkel voor de minister zelf, maar ook voor de andere volksvertegenwoordigers.

De voorzitter

Het Vlaams Parlement kan te allen tijde vragen dat een minister aanwezig is. Dat staat het reglement toe. Vraag ik dat de minister komt, terwijl we alvast met de bespreking beginnen? (Instemming)

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, we bespreken vandaag het Mestdecreet. Uit bezorgdheid voor onze leefomgeving en de kwaliteit van ons grond- en oppervlaktewater is een goed gereguleerd mestgebruik in Vlaanderen van kracht. U weet allemaal dat landbouwers vandaag de dag niet zomaar kunnen beslissen wanneer en hoeveel mest ze op het veld uitrijden. Onze landbouwers hebben bij de uitvoering van verschillende opeenvolgende mestactieplannen al heel wat inspanningen geleverd om de Europese doelstellingen te halen. Een vierjaarlijks actieplan zorgt voor de opvolging en de bijsturing opdat men die Europese doelstellingen ook effectief haalt. In het vorige MAP 4 werd dankzij de inspanningen van de landbouwsector heel wat vooruitgang geboekt inzake de kwaliteit van onder meer het grondwater. Als die trend zich doorzet, zal de doelstelling voor MAP 5 worden gehaald.

Inzake de kwaliteit van het oppervlaktewater zijn er grote sprongen voorwaarts gemaakt. Maar er zijn ook sterke regionale verschillen. In zeven van de elf bekkens werden de doelstellingen voor MAP 4 gehaald. In de Leie-, Maas- en IJzerbekkens is er echter nog werk aan de winkel. Uit de evaluatie van het vorige MAP blijkt …

De voorzitter

Collega’s, het Koffiehuis is open. Als u niet geïnteresseerd bent in de bespreking, dan kunt u in het Koffiehuis iets gaan drinken.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Dank u, voorzitter.

Uit de evaluatie van het vorige MAP blijkt dus dat sommige regio’s extra aandacht vergen. Gebieden die extra aandacht vergen, zullen aangeduid worden als focusgebieden. Bedrijven met veel percelen in focusgebieden zullen extra maatregelen opgelegd krijgen, zoals minder dierlijke mest uitdragen, kortere periodes waarin men mest op het veld kan uitdragen en striktere transportregelingen. Echter: landbouwers die het zeer goed doen in focusgebieden, zullen een vrijstelling kunnen krijgen. Precies dat is een belangrijke stimulans om het steeds beter te doen.

Ook de waterkwaliteitsgroepen die u kent van het vorige MAP, blijven actief. Onderzoek blijft ook noodzakelijk. Meer concreet kan men in deze gebieden zoeken naar oorzaken waarom men volgens de meetresultaten de vooropgestelde doelstellingen niet haalt. Beter onderzoek van de nitraatrijke bronnen ter plekke kan helpen om bij te sturen, zodat men sneller betere resultaten behaalt.

In dit MAP wordt ook sterker op de fosfaatuitmijning ingezet. Dit betekent dat fosfaat uit de bodem zal worden gehaald. Voor de hele sector zal dit een nieuwe uitdaging vormen.

De biolandbouwsector heeft tijdens de hoorzitting aan de alarmbel getrokken. Aangezien die landbouwers geen gebruik kunnen maken van kunstmest, zouden ze op gronden in de fosfaatklassen 3 en 4 in de problemen kunnen komen. De heer Caron heeft daarnet al vermeld dat de biosector aan de alarmbel heeft getrokken. We hebben in de commissie echter een zeer duidelijk engagement uitgesproken. We zijn het engagement aangegaan dat de toestand van de gronden van de biobedrijven versneld in kaart zullen worden gebracht. We zullen effectief nagaan of er een probleem is en hoe groot dat eventuele probleem is. Vervolgens kunnen we dan, in overleg met de Europese Commissie, nagaan op welke wijze we dit probleem kunnen oplossen.

Dit actieplan is in overleg met de Europese Commissie tot stand gekomen. Het Vlaams Parlement kan, met andere woorden, dan ook geen andere beslissing nemen dan het actieplan dat met de Europese Commissie is afgesproken, correct om te zetten. Om die reden is het belangrijk dat we moeten nagaan hoe we dit probleem eventueel kunnen oplossen. De biosector erkent dat dit moet worden overwogen.

Beide principes gaan gebiedsgericht en op bedrijfsniveau te werk. Samen vormen ze de sleutels tot het succes van dit vijfde mestactieplan.

Als dit voorstel van decreet straks wordt goedgekeurd, is een goede implementatie natuurlijk zeer belangrijk. Heel wat bedrijven zullen zich weer aan een aangepaste wetgeving moeten aanpassen. Een goede informatiedoorstroming, communicatie en begeleiding is dan ook uitermate belangrijk. Dit betekent dat de Mestbank weer voor een gigantische opdracht staat.

Als dit voorstel van decreet straks wordt goedgekeurd, staat alles klaar, buiten dan de bekrachtiging door de Vlaamse Regering, om onze derogatieaanvraag tijdens de vergadering van het Europees Nitraatcomité van 25 juni 2015 te bespreken.

De derogatie is belangrijk. De derogatie biedt de landbouwers immers de kans op een milieukundig verantwoorde wijze meer dierlijke mest in plaats van kunstmest te gebruiken. Wat dit betreft, is iedereen vragende partij.

Tot slot wil ik nog vermelden dat iedereen weet dat met betrekking tot dit voorstel van decreet in het Vlaams Parlement een zeer kort tijdspad is gevolgd. We hebben nochtans een grondige bespreking en een uitgebreide hoorzitting in de commissies kunnen houden. Ik wil dan ook de betrokken Vlaamse volksvertegenwoordigers, maar ook de diensten van het Vlaams Parlement en iedereen die dit proces mee tot een goed einde heeft gebracht, van harte danken. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

De heer Vandaele heeft het woord.

Voorzitter, zoals daarnet al is gesteld, heeft het Vlaams Parlement dit voorstel van decreet in een recordtempo behandeld. Aangezien het een dossier van dergelijk groot belang betreft, kan dit verbazing wekken. Om te vermijden dat onze landbouwers met betrekking tot het uitrijden van mest met bijkomende problemen zouden worden geconfronteerd, wilden we echter in elk geval de deadline in verband met de derogatie halen. Op 25 juni 2015 zal het Europees Nitraatcomité vergaderen. Uit respect voor onze landbouwers wilden we deze deadline halen. Dat zal dus ook lukken. Om die reden heeft de N-VA het voorstel van decreet in de commissie goedgekeurd. We zullen dat uiteraard ook tijdens deze plenaire vergadering doen.

Het feit dat de deadlines in verband met andere dossiers die met landbouw te maken hebben niet altijd worden gehaald, laat ik hier even buiten beschouwing. Ik denk dan, bijvoorbeeld, aan het dossier van de permanente graslanden. In elk geval spelen we geen spelletjes op de kap van de landbouwers. We verwachten van alle Vlaamse volksvertegenwoordigers natuurlijk eenzelfde correcte houding.

De discussie tussen de Europese Commissie en de Vlaamse Regering heeft behoorlijk lang geduurd. Hierdoor is het normale traject langs de adviesraden, de Raad van State, de interkabinettenwerkgroepen en dergelijke niet gevolgd. Dat is in het verleden al eerder gebeurd.

Het heeft blijkbaar wat moeite gekost de Europese Commissie ervan te overtuigen dat dit plan echt een verbetering van de waterkwaliteit waarborgt. Dat de milieubeweging in de loop van de voorbereidingen heeft afgehaakt, hebben we in de commissie betreurd. Dat is jammer. Toch denken we dat dit nieuwe mestactieplan een aantal nuttige instrumenten bevat die kunnen werken.

Het mestactieplan wordt nog complexer dan het al was. Dit betekent niet enkel meer werk voor de landbouwers, maar ook voor de handhavers. Dat is een zorgelijk punt dat we zeker moeten opvolgen.

In de vele dossiers, collega’s, waar leefmilieu en landbouw elkaar raken, moeten we eindelijk stappen vooruit zetten, in het belang van het leefmilieu maar ook in het belang van de landbouw.

Het Koffiehuis is open, voorzitter. (Applaus)

De voorzitter

Mijnheer Vandaele, minister Crevits kwam mij een aantal mededelingen doen. En als u nog één opmerking maakt, dan krijgt u het woord niet meer, zo simpel is dat! (Gelach)

Rond maar af, mijnheer Vandaele.

Er moet vertrouwen groeien en we moeten vooruit gaan. Voor achterhoedegevechten is er echt geen plaats meer. Daar heeft niemand baat bij.

Ook de N-VA begrijpt dat een snel goedgekeurd gewijzigd Mestdecreet levensnoodzakelijk is voor onze veeboeren om hun mest via het pad van de derogatie af te kunnen zetten. Onze bekommernis gaat uiteraard ook naar de biolandbouwer, waarvan we de bezorgdheid hebben gehoord in de commissie, die door dit MAP met extra problemen geconfronteerd wordt. We hopen en we maken ons sterk dat we voor dit probleem alsnog een oplossing kunnen vinden.

Ik besluit, voorzitter. Wij zullen dit MAP goedkeuren in de hoop dat de waterkwaliteit erdoor verbetert en omdat we de derogatie willen halen om onze landbouwers niet nog meer in de problemen te brengen. Wij rekenen erop dat in andere landbouwgerelateerde milieudossiers eenzelfde goede wil, eenzelfde constructieve houding aan de dag wordt gelegd. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Ter mededeling aan het parlement: minister Schauvliege zit in het buitenland en kan onmogelijk aanwezig zijn binnen de korte tijdsspanne waarin we deze bespreking houden. Maar aangezien minister Crevits viceminister-president is en eigenlijk alles weet over wat in de Vlaamse Regering gebeurt, en als u het daarmee eens bent, dan zal zij antwoorden. U kunt daar trouwens achteraf in de commissie Landbouw nog altijd op terugkomen.

Is dat een compromis waar iedereen zich in kan vinden? (Instemming)

Dan dank ik u voor uw begrip.

De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez (sp·a)

We zijn dit voorstel van decreet eigenlijk een week vervroegd aan het behandelen. We hebben daar in het Bureau geen enkel probleem van gemaakt. Als er goede redenen zijn om dingen te doen, laat ons dat dan vooral doen. Het is natuurlijk geen probleem van het parlement dat precies over een discussie over het voorstel van decreet die gevoerd is, de minister publiek een engagement neemt, net voor de stemming over wat ons betreft een heel belangrijk onderwerp. Dat zijn de simpele feiten, dat is niet iets dat wij creëren. Dit is toch de evidentie in de politiek. Je kunt als minister van alles gaan beloven, maar het is op het moment van de stemming dat het gebeurt. Dus willen wij van de minister of iemand van de Vlaamse Regering weten of de beloftes aan de biolandbouw kunnen worden gehonoreerd.

De voorzitter

De reden die minister Schauvliege mij meedeelt, is dat ze eigenlijk niet verwacht was, zoals de heer Vandaele zei. Ik moet de regering niet verdedigen, maar ik ben in contact met de minister via sms. Ze zegt: “Mijn aanwezigheid was niet gepland omdat het een voorstel van decreet is.” De afspraak is dat minister Crevits haar vervangt. Wat kan ik daar meer aan doen? Ik kan ook de vergadering schorsen en wachten tot ze hier is. Gaat u hier nog drie uur wachten of zo? Ik denk dat dat niet de bedoeling is. U kunt trouwens de minister daar volgende week over ondervragen in de desbetreffende commissie. Ik heb geen andere oplossing voor u.

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron (Groen)

Ik vind het een beetje zuur. Ik zal u zeggen waarom.

De voorzitter

Wat vindt u zuur? Wat ik gezegd heb?

De heer Bart Caron (Groen)

Neen, niet wat u gezegd hebt. Het voorstel van decreet gaat trouwens over verzuring, maar dat geheel terzijde.

Voorzitter, de behandeling is, zoals de heer Crombez zegt, een week vervroegd. Ik heb vrijdag op vraag van de diensten en van de leden van de meerderheid die het ingediend hebben, als verslaggever het extra snel behandeld omdat ik er geen politieke zaak van wilde maken om met het verslag tijd te winnen. Dat is echt niet mijn bedoeling, al hebben we wel fundamentele problemen met een aantal inhoudelijke punten. Maar dat spel wil ik niet spelen. We hebben ons maandag op het Uitgebreid Bureau niet verzet tegen de behandeling.

Ik ben geneigd, en ik zoek een oplossing, om mij vandaag ook niet te verzetten tegen de verdere behandeling, mocht ik over dat ene aspect waar de minister een uitspraak over heeft gedaan, een meer bindende afspraak kunnen maken.

Beste collega’s, we hebben in de commissie een heel duidelijke bespreking gehad over dit knelpunt. Ik was er niet bij op het moment dat de minister uitspraken zou hebben gedaan over BioForum. Ik kan me dus niet uitspreken over de bewoordingen die de minister aldaar heeft gebruikt. Maar, dit is een voorstel van decreet, de minister wordt in dezen niet verwacht.

Het is het parlement dat aangeeft op welke manier wij een oplossing bieden aan de problemen die vandaag op tafel liggen. We hebben in de commissie aangegeven dat wat BioForum betreft er een versneld onderzoek zal gebeuren naar de toestand van de gronden van de biobedrijven. We hebben inderdaad ook moeten vaststellen uit verdere besprekingen dat men er eigenlijk geen goed zicht op heeft wat de fosfaatclassificatie is van de gronden van de biologische landbouwbedrijven. We weten vandaag dus eigenlijk niet hoe groot het eventuele probleem zou zijn.

We weten wel, zoals ik daarnet heb aangegeven, dat we geen uitzonderingen kunnen toelaten als er geen akkoord is van de Europese Commissie. Dat is ook wat de minister steeds, in elke bespreking of bij elk contact, onderstreept heeft.

In dezen is het dus aan ons en niet aan de minister. Eigenlijk kan de minister zeggen wat ze wil, het is het parlement dat over het voorstel van decreet stemt en dat een amendement zal moeten indienen en daarover ook zal moeten stemmen. Op zich kunnen wij onze verantwoordelijkheid ten volle nemen. We kunnen het engagement inzake de grondtoestand uitvoeren en opvolgen. Als er eventueel problemen zijn, kunnen we ook daarover in overleg met de Europese Commissie een oplossing uitwerken.

Het is aan ons, zeker ook wat de timing betreft. Ik weet dat de collega’s al inschikkelijk en positief hebben meegewerkt om de timing voor de derogatie te halen. Dat is ook vandaag nog altijd een belangrijk punt. Ik hoop dat we als parlement ten volle onze verantwoordelijkheid kunnen nemen en dat we ook deze bespreking vandaag kunnen afronden.

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Heel kort, want het betoog van mevrouw Rombouts was eigenlijk al voldoende. In tegenstelling tot minister Crevits ben ik geen expert op dit gebied. Ik heb wel wat begrip voor de vraag om minister Schauvliege hierbij aanwezig te laten zijn, maar het gaat natuurlijk om een voorstel van decreet, dat is iets heel anders dan een ontwerp van decreet.

Ik wil er gewoon op wijzen dat de motivatie om dit agendapunt naar vandaag te verhuizen wel degelijk in het belang van de landbouwers was. Dat is natuurlijk het twistpunt waar ook u mee zit. Stellen we dat belang in vraag wegens het niet aanwezig zijn van de minister voor iets wat sowieso nog niet kan worden toegezegd, zoals mevrouw Rombouts zei?

Ik stel voor om dit vandaag te behandelen. U kunt nadien naar hartenlust terugkomen op dat ene punt.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik kan natuurlijk niet in het lichaam van minister Schauvliege stappen, maar ze heeft me zopas nog eens bevestigd dat ze inzake het amendement – en ik veronderstel dat dat het amendement is waarover in de commissie werd gesproken en waarnaar mevrouw Rombouts verwijst – het engagement op zich neemt dat het besproken wordt met de Europese Commissie.

Als de Europese Commissie het licht op groen zet, zal, naar ik veronderstel, het parlement, of eender wie, het initiatief nemen om ervoor te zorgen dat het in orde is. Minister Schauvliege geeft dus nog eens dit engagement om voor het verslag duidelijk te maken wat ze precies bedoelt en hoe het zijn gang kan gaan. Maar u kunt nu niet al iets in een decreet stoppen waarvoor er nog geen groen licht gegeven werd.

Ik bevestig nogmaals dat minister Schauvliege het engagement op zich heeft genomen om met het amendement naar de Europese Commissie te stappen.

De voorzitter

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Mevrouw Lydia Peeters (Open Vld)

Voorzitter, minister, collega’s, enkele maanden geleden hebben we hier de onheilspellende berichten gehoord dat het voorliggende Mestactieplan, MAP 5, nooit het fiat van Europa zou krijgen. Het was een weinig bemoedigende boodschap voor de landbouwers, die in het verleden al veel inspanningen hebben geleverd. Die inspanningen bleken ook duidelijk uit de resultaten aangaande de waterkwaliteit. Het zijn de landbouwers zelf die altijd heel constructief hebben deelgenomen aan de besprekingen rond MAP 5. Ze hebben zelf een groot aantal voorstellen op tafel gelegd. Het is dus goed dat uiteindelijk ook Europa definitief goedkeuring heeft gegeven aan MAP 5 waardoor de onheilspellende berichten de grond werden ingeboord.

We willen dat dit voorstel van decreet vandaag wordt goedgekeurd om uiteindelijk die zeer belangrijke derogatie te krijgen die Europa ons zou kunnen verlenen tijdens de Commissie van 25 juni. Niemand wil het immers op zijn geweten hebben dat de landbouwsector de derogatie zou mislopen. Het is voor de landbouwsector al een zeer moeilijk jaar geweest. Ik geef enkele voorbeelden: de Programmatische Aanpak Stikstof, de instandhoudingsdoelstellingen, de afschaffing van de melkquota, de nieuwe regeling van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds enzovoort.

Dit nieuwe MAP 5 is geen lachertje of copy-paste van MAP 4 en ook geen MAP 4 light. Het is een zeer complex voorstel van decreet dat vandaag ter goedkeuring voorligt. Het gaat nog een stap verder dan het vorige Mestactieplan en het vraagt dan ook heel wat extra inspanningen van onze landbouwers.

Onze gebieden zullen worden ingedeeld in focusgebieden en niet-focusgebieden. Er komt meer maatwerk en ook meer responsabilisering op bedrijfsniveau.

De overgang van een generiek naar een specifiek beleid dreigt wel ten koste te gaan van de administratieve vereenvoudiging. Open Vld had nochtans graag gezien dat de administratieve lasten gevoelig zouden afnemen. Dat blijft in elk geval een werkpunt voor de toekomst.

Er is ook een minpuntje dat ik hier even wil aankaarten. Open Vld betreurt dat zaken als de burenregeling, de uitrijregeling en de opslag van stalmest op de akker niet optimaal beantwoorden aan de praktische noodzaak op het veld. Dit MAP is er echter gekomen op basis van een compromis, en dat betekent geven en nemen. We hopen dat daar in de toekomst mogelijke bijsturingen voor mogelijk zijn.

We vinden het heel positief dat er gehoor is gegeven aan onze suggestie om staalnames terug te laten betalen door de Mestbank indien blijkt dat zij positief zijn. Die staalnames betekenen een investering voor de landbouwers. Door die staalnames worden de gegevens voor de Mestbank wel enorm uitgebreid. Het lijkt ons dan ook niet meer dan logisch dat die staalnames worden terugbetaald. Een goede leerling mag niet worden gestraft met extra kosten voor die staalnames.

Wat de biosector betreft, kan ik beamen wat mevrouw Rombouts daarnet heeft gezegd. We hebben de problematiek van de biosector besproken in de commissie. We weten dat het voor hen een groot probleem is om hun stalmest op de biogronden kwijt te geraken. Daar zal bijkomend onderzoek over gevoerd worden en er zal aan Europa gevraagd worden om indien nodig een uitzonderingsregeling voor te stellen in MAP 5.

De reguliere sector vraagt terecht om de vijfmeterstrook langs alle bevaarbare en onbevaarbare waterlopen als bemestingsvrije zone te beperken.

Tot slot vinden wij het gebruik van moderne technologieën belangrijk zoals gps, mestinjectie, drones enzovoort om te komen tot precisiebemesting.

Dit Mestactieplan zal zeker niet het laatste zijn. We hebben in Vlaanderen een intensieve landbouw en we moeten er dan ook voor zorgen dat onze landbouwers zelf hun verantwoordelijkheid nemen. Daarnaast moet ook de overheid haar verantwoordelijkheid nemen. Zij moet in de eerste plaats een partner zijn die rechtszekerheid en vertrouwen biedt aan de landbouwers. Zij moet niet als politieagent voortdurend optreden tegen mensen die het goed doen. Vandaar dat wij eens te meer een pleidooi houden voor het belonen van wie positieve resultaten boekt en het sanctioneren van wie het niet goed doet.

Dit MAP is niet perfect, noch voor de boeren noch voor de milieubewegingen. Dat is een compromis nooit. Het is opnieuw geven en nemen voor iedereen. Maar alleszins moet dit MAP wel een effectief en werkbaar instrument zijn. Wat dat betreft, durven wij te hopen dat het misschien geen grote onderscheiding maar alleszins een royale voldoening verdient.

Wij hebben de indruk dat dit MAP – hoewel niet van harte – aanvaardbaar is voor de landbouwsector. Als het aanvaardbaar is voor hen, en het krijgt ook het fiat van Europa, dan hebben wij alleszins niet de neiging om daarin dwars te liggen en zullen wij ten volle onze steun geven aan dit Mestdecreet, dat uiteindelijk definitief de derogatie zal kunnen toestaan. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Lieten heeft het woord.

Mevrouw Ingrid Lieten (sp·a)

Beste collega’s, ondanks alle inspanningen die in het verleden gebeurd zijn en die wij natuurlijk respecteren, gaat het met onze waterkwaliteit niet goed. De Europese Commissie, waarmee hier wordt geschermd, heeft onlangs gezegd dat de evaluatie aantoont dat de doelstellingen van MAP 4 in grote delen van Vlaanderen lang niet gehaald worden, en dat de nitraatconcentraties in de oppervlaktewateren zeer hoog blijven. De realiteit is dat op 42 procent van het landbouwgebied de normen helemaal niet worden gehaald. Dat zijn net die gebieden met een concentratie van intensieve veeteelt. Dus, beste vrienden en beste collega’s, moet er verder actie worden ondernomen. In die zin begrijpen wij dat de meerderheid daartoe een initiatief heeft genomen.

Die actie is om verschillende reden nodig. Iedereen zal het misschien hebben over die saaie bespreking over mest. Maar het gaat over heel belangrijke dingen in ons leven. Het gaat over de biodiversiteit die sterk bedreigd wordt. Het gaat uiteindelijk over de gezondheid van onze kinderen. Het gaat over de waterzuivering, die steeds duurder wordt en waarvan de factuur ook naar de gezinnen wordt doorgeschoven. Het gaat eigenlijk over de landbouwsector zelf. Uiteindelijk veroorzaken die hoge nitraatconcentraties ook ziektes bij het vee en brengen ze een verminderde opbrengst met zich mee. U zult zeggen: “Dat weten we allemaal al, maar de economische belangen van de landbouw …” Maar, beste vrienden, de schades die ik opsom, zijn ook berekenbaar. De Nederlandse Gezondheidsraad berekende dat de schade aan de volksgezondheid door de intensieve veeteelt meer dan 1000 euro per inwoner per jaar bedraagt. Dat weegt wel door. 1000 euro per inwoner per jaar is meer dan de kosten en de economische baten van de intensieve bemesting.

De meerderheid heeft een initiatief genomen. Beste collega’s, sta mij toe om daar toch een paar randbemerkingen over te maken. Het is een beetje vreemd dat niet de minister dit initiatief neemt. De minister is verantwoordelijk voor landbouw, natuur en leefmilieu. De heer Vandaele heeft al een tipje van de sluier opgelicht: blijkbaar zijn er heel wat discussies in de meerderheid aan voorafgegaan om tot een compromis te komen. Zo heb ik dat in elk geval van de heer Vandaele gehoord. Nu wordt dit door de meerderheidspartijen in de plaats van de minister ingediend en hebben wij dat op een drafje behandeld, zo snel zelfs dat ik wel op de hoorzitting aanwezig kon zijn maar niet tijdens de besprekingen gisteren. Dit heeft ertoe geleid dat de normale regels niet werden gevolgd, onder andere dat men normaal het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) vraagt. Dat is in dezen niet gebeurd, ook niet door de meerderheidspartijen. Ik betreur dat omdat daardoor het inspraakrecht, de burgerparticipatie en de impact en het belang van onze middenveldverenigingen systematisch onderuit worden gehaald.

Gelukkig heeft de Minaraad op eigen initiatief een advies gegeven. We hebben dat kunnen lezen. Het levert ons waardevolle evaluaties op van dit decreet.

Als laatste element haalt de meerderheid dan het schild van Europa boven. Sta me toe daar vragen bij te hebben. In de commissie zegt men dat Europa MAP 5 heeft goedgekeurd. Wel, ik zou dat graag willen zien. Waar is het document waarin Europa dit MAP 5 goedkeurt? Voorzitter, als dat kan, wil ik dat document graag opvragen. Ik heb eerder de interpretatie dat men in Europa op consultatie is geweest en er vermoedelijk een goed gesprek heeft gehad. Maar het document waarin Europa zegt “Stempel erop, dit is een goed decreet”, heb ik nog niet gezien. Ik zou het dan ook graag willen zien.

Mevrouw Lieten, ik wil even ingaan op de methodiek die u blijkbaar totaal verbaast. Nu, het verbaast mij dat u daardoor verbaasd bent. U was minister in de vorige regering, tijdens de vorige legislatuur. Dan zou deze werkwijze u niet vreemd mogen zijn. Er is namelijk op dezelfde manier gewerkt. U maakte toen deel uit van de meerderheid, dus u weet heel goed wat de gevolgde stappen waren. U kunt zich goed indenken wat de gevolgde stappen vandaag zijn.

Gaat het dan om grote spanningen en onenigheden in de huidige meerderheid? Nee, collega. Daarover gaat het niet. U weet heel goed dat het overleg met Europa in dezen zeer tijdrovend is. Waarom? Omdat het niet eenvoudig is. Ik denk dat de collega’s dat ondertussen hebben begrepen. Het gaat over een zeer technische, vaak wetenschappelijk onderbouwde aangelegenheid. U verdedigt een actieplan. Er worden vragen gesteld. Er worden wetenschappelijke onderbouwingen gevraagd. Het vraagt de nodige tijd en ruimte om daarop te antwoorden. Er is opnieuw overleg. Het duurt opnieuw een tijdje voordat u daar een verslag van krijgt. Enzovoort. U weet uit het verleden, toen u deel uitmaakte van de regering, dat dat inderdaad een tijdrovend overleg is. Op een bepaald moment zegt Europa: “Oké, het is goed. U kunt met dit actieplan verder. Zet het om naar decreetgeving.”

Op 25 juni zal het Nitraatcomité de derogatie voorleggen. Dan zal er de controle zijn dat er een goede omzetting is gebeurd. Als dat niet zo is, zullen we worden teruggefloten door Europa. U weet dat. Er zijn met andere woorden voldoende controlemechanismen ingebouwd om ervoor te zorgen dat we ons werk degelijk en goed hebben gedaan.

Mevrouw Lieten, u hebt het over burgerparticipatie van de middenveldorganisaties. Ik vind het spijtig dat u zegt dat er totaal geen overleg zou zijn geweest over het decreet. (Opmerkingen van mevrouw Ingrid Lieten)

U weet dat er een omzetting is gebeurd van het actieplan. U weet ook dat dat actieplan zeer ruim is besproken, ook al is er inderdaad een partner gaan lopen op het moment dat er moeilijke besprekingen waren. Alle partners zijn steeds op de hoogte gehouden van de vooruitgang van het actieplan. Dat is steeds benadrukt in dit parlement. Met andere woorden, alle middenveldorganisaties die op een of andere manier betrokken waren in dit dossier, zijn steeds op de hoogte gehouden. Ze hadden dus voldoende kansen om in de loop van het gesprek mee te geven wat hun bezorgdheden waren.

We hebben uiteindelijk inderdaad ook de hoorzittingen gehad. U hebt zelf aangehaald dat er nog adviezen zijn binnengekomen. Ik denk dat al die elementen meegenomen zijn.

Wat burgerparticipatie betreft, is er bovendien ook een openbaar onderzoek geweest. Ik begrijp heel goed dat het op zeer korte tijd moest worden doorlopen. Ik herhaal: uit het verleden weet u ook dat dat inderdaad op een korte termijn moet gebeuren, maar dat alle zaken wel degelijk hebben kunnen plaatsvinden. 

Ik sluit me aan bij mevrouw Rombouts. Als mevrouw Lieten uit mijn woorden heeft begrepen dat er binnen de meerderheid grote discussies zijn geweest, dan is dat niet zo, collega, niet op dat punt.

We wilden allemaal snel doorgaan met dat MAP. Zoals mevrouw Rombouts zei, is het ook de vorige keer zo gelopen. We kunnen betreuren dat we daar allemaal niet meer tijd voor hadden, maar het is de vorige keer op een vergelijkbare manier verlopen. Ik zou zeggen: volgende keer beter misschien.

Mevrouw Ingrid Lieten (sp·a)

Beste collega’s, ik weet dit ook uit de ervaring van de vorige regering: de regering neemt haar toevlucht om aan de meerderheid te vragen om iets in te dienen als ze in tijdsnood zit. In die zin heb ik geen probleem met het feit dat jullie een initiatief nemen. Wat ik wel een probleem vind, is dat de minister er niet vroeger aan begonnen is en dat de minister dit traject niet zelf op een fatsoenlijke manier heeft geleid en tot een goed einde gebracht. Dat had ons misschien tot een werkelijk compromis geleid.

Want als u zegt, mijnheer Vandaele, dat hierover geen discussie is geweest in de regering, is het voor mij ook duidelijk. Dat betekent dan dat deze regering geen belang hecht aan de mening van de natuurverenigingen, want dan vindt men dat blijkbaar geen discussie waard, als belangrijke partners om een goed compromis te bereiken, de tafel verlaten en stellen dat ze niet ernstig worden genomen, dat ze het geen goed ontwerp meer vinden en dat de onderhandeling volgens hen op de verkeerde manier verloopt.

Ik neem er akte van, mijnheer Vandaele, dat er daarover binnen de regering dan blijkbaar geen stevige discussie geweest is.

Collega Lieten, u kunt zo kort mogelijk door de bocht blijven gaan. Het is uw interpretatie dat de minister daar in dezen niet op tijd mee zou zijn begonnen. Ik kan u meegeven dat er nog nooit zoveel tijd gestopt is in het vooroverleg met de middenveldorganisaties. Het is een moeilijke oefening geweest en dat zal altijd een moeilijke oefening zijn. Dat weet u ook.

U vraagt net dat zij betrokken worden. Wel, dat is inderdaad zo gebeurd. Dat zorgt er ook voor dat als je naar Europa gaat, het voortraject mogelijk langer is. Als u weet wanneer de eerste gesprekken hebben plaatsgevonden, kunt u de minister niet verwijten dat zij niet tijdig begonnen is.

Mevrouw Lieten, u speelt een beetje met woorden. Daarnet zei u: “Er is grote discussie geweest binnen de meerderheid.” Ik heb dan gezegd dat er geen grote discussie geweest is. Nu zegt u: “Ah, er is geen discussie geweest.” Ik hoop dat er over zo’n belangrijk onderwerp inderdaad toch wel enige discussie is geweest, zowel op het niveau van de regering als op het niveau van de meerderheidspartijen. Het zou nogal jammer zijn, mocht dat niet het geval zijn. Ook het opstappen van de milieuverenigingen is niet onopgemerkt voorbijgegaan. Ik heb daar zelf ook vragen over gesteld in de commissie.

Die grote discussie waarover u het daarnet had, is er niet geweest, omdat we allen hetzelfde doel voor ogen hebben. We willen doorgaan met dat MAP, ten gunste van de landbouw, maar ook ten gunste van het leefmilieu. Het zal moeten blijken of het volstaat, maar op dit ogenblik kunnen we niet meer dan hopen dat het werkt.

Mevrouw Ingrid Lieten (sp·a)

Ik wil even doorgaan op de inhoud. Ik zal eerst zeggen wat er goed is aan wat op tafel ligt. Goed is dat men naar een regionale benadering gaat en dat men kijkt waar de probleemgebieden in Vlaanderen zijn, om daar dan effectief ook regionale maatregelen te nemen, om in die gebieden de nitraatconcentratie naar beneden te halen. Dat vind ik een goede benadering.

Maar, beste collega’s, er zitten ook nog heel wat tekortkomingen in, tekortkomingen waardoor ik ook begrijp dat we hier niet van een compromis kunnen spreken, maar veeleer van een document waarin de landbouwverenigingen wel hun gading zullen vinden, maar dat de natuurverenigingen duidelijke redenen gaf om op te stappen. En ze hebben ons dat ook duidelijk laten weten in de hoorzittingen die we hebben gehouden. In dezen is de regering dan ook tekortgeschoten om een goed compromis te bereiken.

De redenen waarom de natuurverenigingen dit niet kunnen pruimen, en hier ook geen vooruitgang in zien, die wil ik onderschrijven. Een eerste belangrijke reden is dat we nog steeds aan de ene kant regelgeving maken om het uitrijden van de mest te regelen en bekijken hoe we dat in de toekomst nog beter kunnen organiseren, terwijl we aan de andere kant de achterpoort wagenwijd laten openstaan om die grootschalige uitbreiding van de veestapel toe te laten. Niet alleen wij zeggen dat die poort dicht moet. Zolang die poort open blijft, blijft de mest uitrijden onveranderd. De poort wordt opnieuw niet dichtgedaan, en dat is een gemiste kans.

Een tweede reden, wat ik ook niet begrijp, is dat wij eigenlijk op dit moment de impact op de gezondheid blind sturen. We hebben geen wetenschappelijk onderzoek naar de impact van de nitraten op de volksgezondheid van de mensen – en dus ook op de boeren en hun gezinnen – die in die streken wonen. Het is nodig om dat te hebben. Ik ga opnieuw even naar Nederland. De huisdokters hebben in verschillende gemeenten met een grote concentratie van veestapels, vastgesteld dat de klachten over en aandoeningen van de luchtwegen hoger liggen dan het landelijke gemiddelde. Dan heb ik het nog niet over de kankerconcentraties in die gebieden. Het is een gemiste kans dat we de impact op de volksgezondheid niet meten en monitoren en daar rekening mee houden bij de behandeling van mest.

Ten derde, het werd al aangehaald door de heren Crombez en Caron, de werking van de biologische landbouw wordt door dit voorstel van decreet moeilijker gemaakt. Beste collega’s, dat is toch de omgekeerde wereld? De biologische landbouw is toch niet verantwoordelijk voor die hoge nitraatconcentraties? Hij heeft een veel kleinere voetafdruk. Hij boekt veel betere resultaten qua bodemverbetering. Hij scoort veel beter inzake externe kosten. Hij heeft een lage milieu-impact. Wij vinden dit een gemiste kans om een specifiek bemestingssysteem voor de biologische landbouw op te nemen; een systeem dat de biologische landbouw toelaat om een groter aandeel te krijgen in de rundveeproductie.

In die zin steunen wij het amendement van de heer Caron. We hopen dat daarover verder discussie kan plaatsvinden in de commissie met de minister, zoals minister Crevits al heeft aangegeven.

Collega, ik wil even ingaan op die drie punten. U ziet de uitbreiding van de veestapel als een gigantisch probleem voor het bereiken van onze doelstellingen, namelijk 50 milligram nitraat in het oppervlaktewater. We kunnen hier alles op één hoop gooien, maar dat zou niet correct zijn in de bespreking van dit voorstel van decreet.

Mevrouw Lieten, bent u ervan op de hoogte dat met dit voorstel van decreet, en ook al in MAP 4 trouwens, uitbreiding mits mestverwerking, de milieu-impact verlaagd wordt? Bent u ervan op de hoogte dat bij simulatie en studiewerk inzake dierenaantallen een daling wordt voorspeld?

Mevrouw Ingrid Lieten (sp·a)

Mevrouw Rombouts, we moeten naar de realiteit kijken. Het onderzoek ging over varkens en kippen. Ik ben maar een simpel boerenmeisje, maar ik weet wel dat mest van een kip veel minder is dan mest van een rund. (Applaus)

In die zin wordt er hier mist gespuid en wordt uiteindelijk de werkelijke impact niet bemeten. 

Mevrouw, ik wou op de drie punten reageren en was dus nog niet klaar.

Mijn excuses, ik begrijp uw antwoord op mijn vraag niet. De vraag was dat u weet dat er door de uitbreiding mits mestverwerking een daling van de milieu-impact is. De hoeveelheid mest die wordt geproduceerd, is in dezen niet relevant. Het gaat ten eerste over de inhoud en ten tweede over de verwerking. De voortgangsrapporten – ik nodig u uit om bij de bespreking van het volgend voortgangsrapport in de commissie aanwezig te zijn – hebben al verschillende keren aangetoond dat het een verkeerde aanname is die u zou nemen. Ik wil dit even zeggen zodat u dat weet.

Over de impact op de gezondheid zegt u dat we gewoon blindweg bezig zijn. Mocht het zijn dat we blindweg bezig zouden zijn, zou het zeer terecht zijn om daar een punt van te maken. Maar de zaken die wij bereiken en de Europese doelstellingen die worden vooropgesteld, zijn wel degelijk wetenschappelijk onderbouwd. Er is heel wat studiewerk geleverd over de gezondheid. Ik wil verwijzen naar een studie van Van Veldhoven in opdracht van Alterra Wageningen – een gerenommeerd onderzoekscentrum voor volksgezondheid –, die aangeeft dat we wel degelijk gericht bezig zijn met die waterkwaliteitsnormen die bereikt moeten worden, namelijk 50 milligram nitraat. Dus zomaar denken dat ook Europa in het wilde weg bezig zou zijn rond gezondheid, is niet juist. Het zijn wel degelijk onderbouwde normeringen die worden vooropgesteld en die in stappenplannen worden bereikt.

Ik vind dat u wat kort door de bocht gaat door te stellen dat de biologische landbouw geen enkele uitdaging meer aan te gaan heeft in het Mestactieplan. U helpt er zeker de biologische landbouw niet mee vooruit. De biologische landbouw organiseert bepaalde zaken met een ander systeem dat inderdaad ook positief is. We hebben het voorstel dat ze de gronden waarop ze hun landbouwactiviteiten doen, in kaart brengen om de fosfaatklasse te bepalen. Als er effectief gronden bij zouden zijn die een hoge fosfaatklasse hebben, welke wetenschappelijke onderbouwing hebt u dan om te zeggen dat de biologische landbouw geen fosfaatuitmijning moet doen en de andere landbouw wel. Welke wetenschappelijke onderbouwing hebt u daarvoor? Ik denk – maar misschien kunt u mij dadelijk verrassen – dat u daarvoor geen wetenschappelijke onderbouwing hebt. Wil dat zeggen dat we niet mogen nadenken over hoe de biologische landbouw ook mee een transitieproces moet doormaken? Dat is iets anders. De meerderheid heeft ook net dat engagement aangegaan om eerst de problematiek in kaart te brengen en daarna naar een oplossing te zoeken, in overleg met de Europese Commissie, voor de biologische landbouw, als er een probleem zou zijn.

Mevrouw Ingrid Lieten (sp·a)

Collega’s, het gaat niet over de inspanningen die we bediscussiëren en hoe ze moeten gebeuren. Het gaat erover of ze voldoende zijn om het resultaat te behalen dat we voor ogen stellen. En dat is net waar het in dit ontwerp van decreet aan mangelt.

De voorzitter

De heer Dochy heeft het woord.

Mevrouw Lieten, ik begrijp dat u met nostalgie terugdenkt aan de tijd dat u een boerenmeisje was. (Gelach)

Ik wil erop wijzen dat intussen de landbouw enorm is geëvolueerd. De opmerking die u maakt over het verschil tussen de kip en het rund heeft geen enkele relevantie voor het debat dat wij vandaag voeren. Als u de landbouwsector kent, weet u dat van de pluimveemest die vandaag wordt geproduceerd in Vlaanderen, slechts heel weinig op de Vlaamse bodem terechtkomt. Die mest wordt in grote mate geëxporteerd.

Vandaag zijn we bezig, mevrouw Lieten, met de afstemming van bemesting op plantengroei, om te zorgen voor zo weinig mogelijk uitspoeling naar het oppervlaktewater. Dat is de essentie van het Mestdecreet. Het gaat niet over de kwaliteit van de lucht, maar over de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Mevrouw Rombouts stelde u daarstraks de vraag of u weet dat uitbreiding van dierlijke productie ervoor zorgt dat de hoeveelheid mest die op de bodem komt vermindert. Het antwoord hebt u niet gegeven, ik zal het doen. De reden is: als er uitbreiding gebeurt, is men verplicht om 125 procent van de bijkomende productie te verwerken. Als er wordt uitgebreid, wordt er meer mest verwerkt dan er bijkomend wordt geproduceerd. Zo neemt de druk op de Vlaamse bodem af. Dat is de technische achtergrond, die ik u zeker niet wilde onthouden.

Mevrouw Ingrid Lieten (sp·a)

U bewijst perfect mijn stelling dat u door heel de redenering die u opbouwt een boerenwijsheid probeert te verkondigen aan de mensen: als er meer runderen zijn, gaat er minder mest zijn of zijn er minder nitraten in de bodem. Dat kunt u iedereen proberen wijs te maken, maar niet aan mij en ook niet aan de natuurverenigingen.

Ik wil uitdrukkelijk besluiten dat het voorstel van decreet zijn doel voorbijschiet. We weten op voorhand dat het er niet voor gaat zorgen dat we in Vlaanderen de Europese normen voor propere rivieren halen. We weten op voorhand dat we het niet ernstig gaan meten en evalueren. En we weten ook op voorhand dat we in het decreet geen stok achter de deur hebben indien we de resultaten niet halen.

Beste collega’s, het is een mooie inspanning maar een maat voor niets. De natuurverenigingen zijn met recht en reden opgestapt. Ik betreur het dat deze meerderheid geen compromis kan voorleggen waarmee zowel de boeren als de natuurverenigingen zich akkoord kunnen verklaren. (Applaus)

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron (Groen)

Collega’s, ik ben geen boerenzoon. Laat me dat vooraf zeggen. Het is inderdaad al de vijfde keer dat er over mest een plan wordt gemaakt in dit parlement naar aanleiding van de Europese nitraatrichtlijnen. Dat is op zich een goede zaak.

In de commissie heb ik deze afweging ook gemaakt: zijn we nu aan het halfvolle dan wel aan het halflege glas gekomen? Hoeveel weg hebben we al afgelegd en hoeveel moeten we nog afleggen? Zijn we al halverwege of niet? Dat is de vraag waarmee dit MAP moet afrekenen. Hier staat een vol glas, dat is ook logisch, want de meerderheid is met meer dan de oppositie en dus moeten er volle glazen op de toonbank staan.

Ik zal enkele kritische bedenkingen maken, maar ik wil straks proberen om ook een positieve insteek te geven en een aantal uitwegen te schetsen. De landbouw is op het vlak van stikstof- en fosfaatvervuiling erg belangrijk, of we dat nu tof vinden of niet. Helaas is het zo. We kunnen de werkelijkheid en het licht van de zon niet ontkennen: het gaat om 61 procent van de stikstofvervuiling en 44 procent van de fosfaatvervuiling. Daarnet was er de discussie over de fosfaatvervuiling en over gronden van klasse 3 en 4. De biolandbouw moet daar ook aan voldoen. Dit is een onwaarschijnlijk anachronisme. De biolandbouw mag niet méér organische mest op gronden van klasse 3 en 4 voeren. Waar is de fosfaatvervuiling historisch door veroorzaakt? Door de gangbare landbouw! Eigenlijk wordt de biolandbouw gestraft door foute mesttechnieken van vroeger, waar veel landbouwers ook niet van op de hoogte waren. Nu zouden de bioboeren daarvoor de rekening moeten betalen.

In de commissie hebt u dat ook gezegd, zij het iets minder genuanceerd. U bent ondertussen iets genuanceerder, wat helpt. Ik zal toch nog een poging ondernemen om het nog meer te nuanceren. U zegt nu heel duidelijk dat er in het verleden zaken zijn gebeurd omdat men op dat moment de kennis en de wetenschap niet had. Om daar enkel de term ‘gangbare landbouw van vandaag’ op te kleven, is eigenlijk ongehoord, zeker door politici die – dacht ik – het belangrijk vinden om het verhaal tussen gangbare en biologische landbouw niet nog meer te verkrachten en in een negatief daglicht te stellen. We moeten een brug bouwen en proberen om zoveel mogelijke positieve vooruitgang te boeken in de landbouwsector. Het is intellectueel niet correct om het ene tegenover het andere te plaatsen, en dat weet u zeer goed.

– Peter Van Rompuy, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op.

De heer Bart Caron (Groen)

Of het intellectueel correct is… Mevrouw Rombouts, iemand is nooit verantwoordelijk voor zijn ouders, laat staan voor zijn grootouders en overgrootouders en voor wat zij op hun landbouwgronden hebben gedaan. De realiteit is er wel. Het is een gevolg van foute mesttechnieken, van metaalslakken, van een totaal fout gebruik. U weet hoe lang de uitmijning van fosfaat duurt. Ik wil niemand iets verwijten, maar het is wat het is. We kunnen niet doen alsof het niet bestaat.

Mijnheer Caron, bij dezen hebt u de volgende stap genomen. U zegt duidelijk dat u de ene of de andere niets wilt verwijten. Dan hoop ik ook dat u het woordgebruik van de ene tegenover de andere achterwege laat.

De heer Bart Caron (Groen)

Ik moet niet lang stilstaan bij de gezondheidseffecten van nitraten. Het is veel verbeterd, maar het blijft zo dat Kind en Gezin adviseert aan zwangere vrouwen en zuigelingen om geen kraantjeswater te gebruiken. Kraantjeswater is al een verre afgeleide van het oppervlaktewater of het grondwater, maar de problemen blijven bestaan. Geen enkele van de 700 Vlaamse rivieren, kanalen of beken beantwoordt aan de Europese normen. Dat is de discussie over het glas van daarnet. We zijn op weg, maar we hebben nog een lange weg te gaan. We moeten dat eerlijk durven zeggen. We hebben daarin allemaal onze verantwoordelijkheid.

De vermesting is een belangrijke bron van eutrofiëring en werkt de biodiversiteit tegen. Vandaar dat Europa nog andere maatregelen oplegt. De vermesting kost ook veel geld aan de samenleving. Het is niet alleen een kost voor de Mestbank, maar ook voor landbouwers is het een heel dure aangelegenheid. Dit decreet legt allerlei nieuwe testen op zoals water- en perceelonderzoek. Er moet ook gerapporteerd worden. De geschiedenis vormt voor de huidige generatie landbouwers een kostelijke aangelegenheid.

Ik heb het dan nog niet over de verwerkingskost van de grote hoeveelheid mest die we niet uitrijden, en die we exporteren of op een andere manier verwerken. Maar goed, nu ligt MAP 5 voor, en dat is een stap vooruit. Er zijn dus stappen gezet. Ik ontken het licht van de zon niet, maar we hebben nog een lange weg te gaan. Zeker in de problematische gebieden zijn de prognoses met wat vandaag voorligt en met de historische vervuiling, dat de problemen in 2018 niet zullen zijn opgelost.

Ik ben positief over de aanpak via focusgebieden, via bedrijven gelegen in die gebieden en handhaving op perceelniveau. Dat zijn goede stappen vooruit, maar we zullen toch een tandje bij moeten steken om het doel te bereiken. Dan hebben we het nog niet gehad over derogatie. Er blijven een aantal problematische stroomgebiedbekkens waarvoor we aandachtig moeten zijn in het belang van onze kleinkinderen.

Het gaat hier niet alleen over kunstmest, het gaat ook over veeteelt. Kijk eens naar de kaartjes die in het Landbouwrapport 2014 staan. Kijk eens naar de correlatie tussen dit probleem en de hoeveelheid vee in bepaalde gebieden in Vlaanderen. Kijk naar de stroomgebieden van Schelde, Leie en IJzer en kijk naar de mate waarin vee, vooral varkens uiteraard, wordt gekweekt. Er is een correlatie. Er worden allerlei maatregelen genomen om daaraan te werken, maar die correlatie blijft.

Ten gronde, hoe goedbedoeld ook, dit voorstel van decreet is een symptoombestrijdingsdecreet. Hier pakken we geen problemen aan in de kern, bij de oorzaken. Neen, op het einde van de rit hebben we met de mest een probleem van verzuring en vervuiling. Daar gaan we remediëren. Terwijl de problemen in de lange lijn daarvoor worden veroorzaakt, en die laten we ongemoeid. Vaklui noemen dat de end-of-the-pipeaanpak. Wel, dat is het. We moeten dit ten gronde durven aan te pakken.

Het woord ‘varken’ zet blijkbaar stekels op bij sommige collega’s. Het is in de hoorzitting aangehaald en daar werd ook een kaartje getoond. De correlatie, mijnheer Caron, is niet zo rechtlijnig als u ze alleen naar de veehouderij maakt. Dat is ook al gebleken in verschillende vorige besprekingen van het voortgangsrapport.

– Jan Peumans, voorzitter, treedt als voorzitter op.

U gebruikt dat heel graag, net als mevrouw Lieten. Voor u daar verdere conclusies aan verbindt, moet u weten dat het niet alleen om de veeteelt gaat, maar vaak over de mix van de verschillende teelten, en dus zijn het niet alleen dierlijke sectoren die zorgen dat er extra uitdagingen zijn in een gebied. De correlatie die u maakt om daar andere conclusies aan te verbinden, gaat uit van een beginpunt dat niet volledig correct is.

De heer Bart Caron (Groen)

Het omgekeerde is natuurlijk ook niet correct. Doen alsof er geen correlatie is, is ook niet juist, mevrouw Rombouts. Ik heb op een causaal verband gewezen. Er is een correlatie die niet altijd rechtlijnig is, maar ze is er wel. Omkeren kun je dat niet.

Ik ben blij dat de landbouwsector aan beterschap heeft gewerkt, een weg heeft afgelegd en ook beseft dat het noodzakelijk is om verder te gaan. Dat is alvast een verworven punt. Daar ben ik de landbouwsector dankbaar voor. Ze hebben door dat waterkwaliteit ook te maken heeft met bodemkwaliteit, die op zijn beurt ook weer te maken heeft met de kwaliteit van de landbouwproducten die ze telen en het vee dat ze hebben, met wat ze op de markt brengen en de prijs die ze ervoor krijgen. Helaas blijft de economische dimensie het debat zeer sterk domineren. Ik zou graag wat meer gevoeligheid zien voor biodiversiteit, voor de win-win van ecologische en economische maatregelen. Dat ontbreekt nog een beetje. Maar toch ben ik al blij dat er een stap vooruit is gezet.

Ik wil nog iets zeggen over het belang van preventie. Heel veel van de nutriënten zijn ook verantwoordelijk voor vervuiling. Er is heel veel werk te doen. We hebben daarvoor goede diensten bij de Vlaamse overheid, die onderzoek doen. Daarop moeten we volop inzetten. Dan gaat het bijvoorbeeld over de vraag welke soort veevoeders er zijn, over kunstmest en de evolutie ter zake. Er zijn allerlei dingen die op dat vlak kunnen helpen.

Dan is er de timing. Ik moet toch wel vaststellen dat het blijkbaar niet simpel was om tot een akkoord te komen. Anders was er wél een ontwerp van decreet geweest. Men moet daar eerlijk over zijn. Ik begrijp dat echter. Ik heb ook nog in een meerderheid gefungeerd: ik weet hoe dat werkt. Ik heb daar ook geen moeite mee. Tot daar aan toe. Dit voorstel van decreet is ook dringend, net om een derogatie te krijgen. Ik wil het nog eens hardop herhalen: we hebben op geen enkele manier geremd wat het komen tot een stemming betreft, want in de huidige context steunen ook wij de vraag van de landbouwsector om die derogatie te krijgen. Dat is in de huidige economische context ook begrijpelijk voor hen.

Ik heb niets tegen initiatieven van het parlement: laat dat duidelijk zijn. Als je echter op die manier werkt, dan kun je natuurlijk niet op een goede manier de Raad van State, noch de strategische adviesraden daarin betrekken. Dat wou ik nog eens uitdrukkelijk zeggen. Dit is een zo belangrijk voorstel van decreet. U kunt zeggen dat er over het actieplan dat aan het voorstel voorafging, al wel al advies is geven door de Minaraad en de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij (SALV), maar dat is niet gebeurd wat dit voorstel van decreet betreft, en zeker niet door de Raad van State. Die dimensie missen we eigenlijk nog, om dat nog beter te krijgen. Maar goed, de tijdsdruk was zo groot, en dat moet dan maar gebeuren.

Voor ik de amendementen toelicht, zal ik even een zijsprongetje maken. Ik hoop voor u allen dat het met dit voorstel van decreet snel gaat, en ik hoop dan ook dat er heel snel een akkoord komt over dat andere dossier. Gelet op het feit dat de heer Vandaele vandaag toch zeer loyaal de meerderheid steunt, kijk ik immers hoopvol en met blijde verwachting uit naar een oplossing voor de poldergraslanden. Ik denk dat die er nu snel zal komen. Dat lijkt me duidelijk. Ik weet niet of er een koppeling is. Dat durf ik echt niet hardop te denken, en zeker niet te zeggen. Mijnheer Vandaele, ik hoop echter dat uw loyaliteit wordt beloond, ondanks wat u vandaag in een weekblad enigszins stelde.

Collega’s, ik heb drie amendementen ingediend. Amendement nummer 6 gaat over de biolandbouw. Er zijn heel veel organismen en organisaties – ik verwijs naar de plan-MER, de Minaraad en zelfs de SALV – die hebben gesteld dat wat hier wordt voorgesteld, aanvaardbaar is, zelfs gelet op die fosfaatproblematiek. Gezien de verklaring van mevrouw Rombouts en van minister Crevits, ter vervanging van de afwezige minister Schauvliege, wil ik dit amendement intrekken. Ik zal volgende week aan de meerderheid een voorstel van resolutie of zoiets voorstellen, om dat principe dat we hier mondeling hebben afgesproken, ook schriftelijk vast te leggen. Ik zal dat niet eenzijdig en op eigen initiatief, maar collegiaal doen. Ik merk immers dat de bekommernis wordt gedeeld. Ik hoop dat we daarover tot een formeel document en een formele uitspraak kunnen komen.

Er blijven twee amendementen over van mij. Er is een amendement over de evaluatie. Het vorige decreet bevatte wel een procedure met betrekking tot een tussentijdse evaluatie van de regeling, en zelfs het verscherpen van een aantal maatregelen indien niet zou worden voldaan aan de normen. Dat is weggevallen, en dat is geen stap vooruit. Ik ben geen vragende partij om landbouwers te straffen, verre van. Helaas moeten cowboys soms wel eens worden aangepakt als ze te geweldig zijn, wat soms ook zo is, maar daarmee pesten ze vooral hun collega-landbouwers die het wél goed menen. Ik vind het echter heel jammer dat er geen formeel evaluatiemoment is geregeld. Dat is dus amendement nummer 7. Ik hoop op uw milde steun voor dat amendement.

In de geest van dat vorige MAP, MAP 4, waarin over verscherpte maatregelen werd gesproken, heb ik een amendement bijgemaakt, amendement nummer 8. Ja, mevrouw Rombouts, dit gaat over de veestapel. Mijn stekels gaan niet rechtstaan als ik het woord ‘vee’ hoor, maar u weet dat we een fundamenteel verschillende visie hebben als het gaat over de veestapel in Vlaanderen. Dat is zo. Ik zal dat ook niet ontkennen. Collega’s, mest wordt namelijk geproduceerd door dieren, als ik dat even mag zeggen, niet door marsmannetjes of weet ik veel.

Als uit die tussentijdse evaluatie blijkt dat we geen stappen vooruit zetten, maar achteruit gaan, dan moeten we maatregelen nemen om de veestapel in Vlaanderen te beperken. Dat staat in het laatste amendement. Ik reken niet echt op uw steun, maar ik hoop dat men daarover eens nadenkt. Ik hoop ook dat we vrij snel een oplossing voor de biolandbouw kunnen realiseren. We pleiten allemaal voor derogatie van nitraatnormen voor de gewone landbouw, maar als een uitzondering voor de biolandbouw wordt gevraagd, dan kan het niet. Ik zou niet graag hebben dat we dat oneerlijke spagaat handhaven. Europa zal ons in dat verband wel op een goede manier op de goede weg zetten.

Ik wil even reageren op de vraag om de amendementen te steunen. Ik kan in dat verband naar de bespreking in de commissie verwijzen. U hebt ook daar voorgesteld om een evaluatie in te bouwen. Ik heb toen gesteld dat we elke vier jaar een actieplan uitwerken, en dat Europa dat een voldoende korte tijd vindt. Europa vraagt niet meer. Een plan uitwerken, dat uitrollen en vervolgens evalueren in het tijdsbestek van vier jaar is kort. We zullen het amendement over de evaluatie dan ook niet steunen.

Mijnheer Caron, de vraag naar derogatie, die betekent dat er meer dierlijke mest kan worden uitgedragen, weliswaar binnen de limieten van de bemestingsnormen, is op wetenschappelijk verantwoorde wijze onderbouwd. Die uitzondering kunnen alle Europese landen vragen en ook krijgen mits het akkoord van de Europese Commissie. Met uw vraag om die uitzondering uit te breiden naar de biolandbouw gaat u kort door de bocht. Want eigenlijk vraagt u dat de biolandbouw in gronden van klasse 3 en 4 wordt vrijgesteld van de fosfaatuitmijning. Fosfaatuitmijning is een milieukundige vraag. Anders gezegd, u vraagt om meer fosfaatbemesting toe te staan.

Ik denk dat de twee zaken niet vergelijkbaar zijn. In het ene geval gaat het om een milieukundig verantwoorde onderbouwing; in het andere geval, betreffende de transitie, moet er onderzoek worden verricht en moet de zaak met de Europese Commissie worden besproken.

De heer Bart Caron (Groen)

Ik wil toch even reageren. Het klopt dat ik twee vormen van uitzondering vergelijk. Ik wil er wel aan toevoegen dat u weet dat het uitstrooien van organische mest op biogronden positieve gevolgen heeft voor de aanwezigheid van kalium en koolstof. Dat creëert vezelrijke grond, met goede humus, waardoor die uitmijning ook gebeurt. We zijn niet tegen de uitmijning van fosfaatgronden. Maar de gezondheid van de gronden wordt door meer bepaald dan door de hoeveelheid fosfaat in de grond alleen.

Dat klopt, maar het blijft wel zo dat u op gronden van klasse 3 en 4 – dus gronden met veel fosfaat – vraagt om meer fosfaat toe te staan. Daarover moeten we onderzoek en de verdere bespreking afwachten, om te kunnen nagaan hoe ook de biologische landbouw in de transitie kan worden geloodst.

De heer Bart Caron (Groen)

Ik ben het daarmee eens, en ook de biosector is het daarmee eens. De biosector heeft gevraagd om gedurende vier jaar – voor MAP 5 – een uitzondering te krijgen, met daaraan verbonden het engagement om tegen 2018 oplossingen te zullen uitwerken op basis van het wetenschappelijk onderzoek waarover u het over hebt én op basis van het onderzoek van de betrokken percelen. De sector vraagt dus geen eeuwige en ook geen totale uitzondering, maar wel dat de helft van de uitgereden meststof in rekening wordt gebracht.

Mijnheer Caron, ik veel respect voor u, maar wat u zegt, zou ik toch niet zo luid verkondigen. Fosfaatuitmijning betekent dat men fosfaat uit de bodem haalt. Dat fosfaat heeft twee wegen. Het kan langs de planten of door uitspoelingen verdwijnen.

Uw theorie betreffende de vezels in de bodem, de humus en dergelijke klopt in zekere zin. Die bodem is misschien in staat om meer fosfaat vast te houden. Indien u echter een redenering met betrekking tot de ontmijning wilt opbouwen, klopt de theorie echter niet. Het is natuurlijk mogelijk dat dit wetenschappelijk kan worden onderbouwd. Ik heb er geen probleem mee hierover een wetenschappelijk rapport te lezen en dit samen met u te bespreken. Ik vrees echter dat dit vandaag niet aan de orde is. Dit is geen discussie voor het Vlaams Parlement, maar veeleer een discussie voor wetenschappers.

De heer Bart Caron (Groen)

Mijnheer Dochy, u hebt in zekere zin gelijk. We moeten het ook niet uitrekken. Ik heb enkel gesteld dat de algemene kwaliteit van de grond in de biolandbouw beter is. Indien we elementen van die grond neutraliseren of paramaters van het totaal afsnijden, voeren we een eenzijdige discussie. We moeten die discussie op een ander forum voeren. Het zou ons hier te ver leiden.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het voorstel van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2014-15, nr. 372/4)

– De artikelen 1 tot en met 7 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Amendement nr. 6, van de heren Caron en Sanctorum-Vandevoorde, op artikel 8, wordt ingetrokken.

– Artikel 8 wordt zonder verdere opmerkingen aangenomen.

– De artikelen 9 tot en met 46 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen tot invoeging van een artikel 46/1 en een artikel 46/2. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2014-15, nr. 372/5)

De stemmingen over de amendementen worden aangehouden.

– De artikelen 47 tot en met 49 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het voorstel van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.