U bent hier

Dames en heren, aan de orde is het actualiteitsdebat over de aanpak van het gewelddadige radicalisme.

Het debat is geopend.

Minister-president Bourgeois heeft laten weten dat hij eerst een verklaring wenst af te leggen.

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Geachte voorzitter, dames en heren, vorige week heeft het Vlaams Parlement unaniem een resolutie aangenomen waarin de aanslag op het tijdschrift Charlie Hebdo in Parijs in sterke bewoordingen is veroordeeld. Dit halfrond stond niet alleen. De brede internationale gemeenschap rouwde mee met de Franse Republiek en manifesteerde massaal voor de verdediging van onze rechten en vrijheden. De Vlaamse Regering sluit zich hierbij aan en veroordeelt de afschuwelijke aanslagen met klem. We betuigen ons medeleven met de gewonden, de getraumatiseerden en de nabestaanden.

De aanslag op journalisten, cartoonisten, politiemannen, op toevallig aanwezige burgers, was gericht op het wezen en op de essentiële waarden van onze samenleving. De samenleving die wij samen vorm geven, is gebaseerd op de idealen van de verlichting, vertaald in de fundamentele rechten en vrijheden, waaronder het recht op vrije meningsuiting, het recht om zich te verenigen, het recht op vrijheid van geweten en levensbeschouwing. Meer dan ooit moeten we schouder aan schouder, oude en nieuwe Vlamingen, gelovigen en niet-gelovigen, gezamenlijk opkomen voor deze vrijheden.

Veel Vlamingen, ook jonge mensen, zijn zich te weinig bewust van de ongelofelijke luxe in een democratische rechtsstaat te mogen leven. Onze rechten en vrijheden hebben de generaties voor ons nochtans moeizaam en met mondjesmaat verworven, vaak ten koste van zware offers. Laten we tevens niet vergeten dat veel tijdgenoten in de wereld niet zo geprivilegieerd zijn als wij. Amnesty International onderzocht in 2012 159 landen, en daaruit bleek dat in liefst 101 van de onderzochte landen de vrijheid van meningsuiting werd beknot. Dit onderzoek is ontnuchterend en bewijst dat onze rechten en vrijheden fragiel zijn en niet veilig voor eeuwig en altijd. Anno 2015 worden ze niet alleen betwist in West-Europa, in het hart van de republiek van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Mensen die met geen ander wapen dan hun potlood opkwamen voor het recht om vrij hun mening te mogen uiten, werd het meest essentiële recht brutaal en meedogenloos ontnomen, met name het recht op leven.

Dat brengt mij bij een eerste zorg, collega’s. Het is ons aller verantwoordelijkheid om deze fundamentele waarden altijd en overal te verdedigen en ze zelf te respecteren. Daarbij rust een grote taak op al wie in de samenleving een inspirerende, een educatieve, een voorbeeldrol heeft: op ons, politici, maar ook op journalisten, leerkrachten, kunstenaars, zorgverstrekkers, het verenigingsleven, de jeugdbewegingen en vele anderen. Ook ouders dragen een grote verantwoordelijkheid om hun kinderen de waarden en normen van onze samenleving bij te brengen.

Collega’s, de Vlaamse Regering neemt haar verantwoordelijkheid op. Ze nam en neemt in samenwerking met alle politieke niveaus de nodige maatregelen. We zijn verheugd dat het Vlaams Parlement vanaf volgende week hoorzittingen organiseert. Ongetwijfeld zullen we er bijkomende inzichten en lering uit kunnen halen.

De dreiging die van het radicalisme uitgaat, vereist vanzelfsprekend een integrale en transversale aanpak over alle beleidsdomeinen heen. De Vlaamse Regering heeft al in de vorige regeerperiode in tal van beleidsdomeinen initiatieven genomen en expertise ontwikkeld om met radicaliserende jongeren om te gaan. Onderwijs heeft een belangrijke preventieve opdracht, ook inzake radicalisering. Het is in de klas en op de speelplaats dat kinderen en jongeren leren omgaan met diversiteit, met kritisch denken, met identiteitsontwikkeling, met het respectvol omgaan met en het erkennen van de ander.

Daarnaast heeft Onderwijs de opdracht om te werken aan vorming en het informeren van het onderwijsveld, en om als verbinding te fungeren met hulpverlening. Binnen Onderwijs bestaan er al verscheidene initiatieven. De rol die Onderwijs heeft, vraagt een blijvende samenwerking en afstemming met het lokale, het Vlaamse en het federale niveau. We gaan in overleg met directies en leerkrachten en met de onderwijskoepels om zicht te krijgen op welke noden aan afstemming of samenwerking zij nog meer zien.

Onderwijs werkt al samen met de Staatsveiligheid om gegevens over geradicaliseerde jongeren uit te wisselen. Ook verspreiden we informatie omtrent radicalisering via veel kanalen, gericht op leraars en directies. We organiseren vormingsmomenten en rondetafelgesprekken met leerkrachten, lokale en centrale belanghebbenden over de onderwijsdimensie in het radicaliseringsproces.

Schoolteams hebben een sterke signaalfunctie. Bij vragen krijgen ze ondersteuning van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s), die de band met hulpverlening maken. Er is een professionaliseringstraject, gericht op onze maatschappijkenmerken en rechtsbeginselen, waar islamleerkrachten, islamconsulenten en imams, al dan niet in opleiding, aan kunnen deelnemen. En vooral: het onderwijs is en blijft de plaats waar kinderen en jongeren respectvol leren omgaan met diversiteit.

Ik waardeer namens de hele Vlaamse Regering de inzet van onze leerkrachten om elke dag bij te dragen aan een attitude van verdraagzaamheid en respect voor elkaars overtuiging, ook in de levensbeschouwelijke vakken.

In het domein Welzijn is in de integrale jeugdhulp voor jongeren en jongvolwassenen bewust de keuze gemaakt voor een geïntegreerde aanpak, met alle welzijnsactoren, maar tevens in overleg met Justitie. De aanpak van radicaliserende jongeren, hun ouders en omgeving staat hier op de agenda. Zo is er een rol gegeven aan de Ondersteuningscentra Jeugdzorg, die in het kader van het decreet Integrale Jeugdhulp specifiek inspelen op verontrustende situaties. Tevens is werk gemaakt van meer rechtstreeks toegankelijke begeleiding aan huis, onder andere binnen de thuisbegeleidingsdiensten en binnen het aanbod Herstelgerichte en Constructieve Afhandeling (HCA), zoals een individueel leerproject voor radicaliserende jongeren.

Daarnaast worden in de gesloten instellingen een aantal acties uitgerold en de sensitiviteit verhoogd. Ook in de – recent overgehevelde – Justitiehuizen zal werk worden gemaakt van een adequate specifieke benadering. In het domein Jeugd is het toegankelijk maken van jeugdwerk voor maatschappelijk kwetsbaren en jongeren van vreemde origine een belangrijke doelstelling. Het moet – nog meer dan voorheen – een doelstelling worden dat álle jongeren kunnen participeren aan de samenleving. Inzake radicalisering heeft het jeugdwerk enkel een preventieve functie, waarbij kennis via de kanalen van het georganiseerd jeugdwerk kan worden verspreid. Zo weten de eerstelijnswerkers waar ze terecht kunnen. Het is in dat opzicht niet de opdracht van het jeugdwerk om op individuele situaties in te gaan. Het jeugdwerk kan dit wel aan tweedelijnsdiensten signaleren.

Het Steunpunt Inburgering en Integratie ondersteunde de brochure waarin aan lokale besturen en aan eerstelijnswerkers – schooldirecteurs, leerkrachten, politiediensten, middenveldorganisaties, welzijnsinstanties, sportclubs, jeugdverenigingen, enzovoort – advies en tips worden gegeven om met radicalisering om te gaan. Op ons initiatief tekenden de Vlaamse overheid en de vertegenwoordigers van alle erkende confessionele en niet-confessionele levensbeschouwingen reeds op 21 maart 2014 een belangrijke verklaring. De ondertekenaars engageerden zich om geregeld met elkaar in dialoog te gaan en om de basisprincipes van de democratie en de rechtsstaat blijvend te onderschrijven. De interlevensbeschouwelijke dialoog, symbool van onze actief-pluralistische samenleving, vindt sindsdien om de drie maanden plaats.

De huidige Vlaamse Regering besloot bij haar aantreden dit werk voort te zetten en uit te diepen. Veel maatregelen die in de vorige periode zijn geïnitieerd, worden momenteel uitgerold en toegankelijk gemaakt. We hebben een Vlaams Platform tegen Radicalisering, met experten uit alle beleidsdomeinen, opgericht. Dat platform moet informatie uitwisselen, inspelen op acute vragen van lokale besturen of anderen en concrete maatregelen uitwerken. De startvergadering vond plaats in september vorig jaar. Concrete maatregelen zijn in volle uitwerking. Er is een centraal aanspreekpunt in het Agentschap voor Binnenlands Bestuur opgericht. Het treedt op als verbindingspersoon tussen de verschillende overheden. Op korte termijn zal de Vlaamse Regering een conceptnota bespreken. In die nota wordt een nog bredere aanpak voorgesteld. Het Vlaams platform zal de diverse maatregelen concretiseren en uitbouwen.

Vanuit de bevoegdheid Stedenbeleid zijn, na overleg met de deradicaliseringsambtenaren, al twee concrete projecten van start gegaan. Ze komen tegemoet aan heel concrete noden van steden en gemeenten. Het project vzw Motief, een erkende vormingsinstelling die gespecialiseerd is in levensbeschouwing en samenleving, biedt een vierdaags vormingspakket aan op maat voor eerstelijnswerkers – leerkrachten, jeugdwerkers en welzijnswerkers – over identiteitsontwikkeling bij moslimjongeren. De VVSG kan met steun van de Vlaamse overheid een voltijdsequivalente medewerker aanstellen die zich concentreert op kennisverzameling, expertiseontwikkeling en kennisdeling over identiteitsontwikkeling bij moslimjongeren.

Collega’s, zoals ik al zei, moeten we het gewelddadige radicalisme op een transversale en meerlagige wijze aanpakken. Samenwerking tussen het lokale, Vlaamse, federale, Europese en internationale niveau is nodig. Coördinatie tussen de Federale Regering en de regeringen van de verschillende deelstaten in de strijd tegen radicalisering is noodzakelijk. Zo zal de Vlaamse overheid de komende maanden een actieve bijdrage leveren aan de kadernota Integrale Veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan.

Collega’s, de Vlaamse Regering wil alles op alles zetten om te komen tot een inclusieve samenleving met een gedeeld burgerschap. Alle burgers, zonder onderscheid, hebben in Vlaanderen gelijke rechten en gelijke plichten. In dat opzicht is de overweldigende steun voor de universele rechten bijzonder hoopvol.

In uitvoering van de interlevensbeschouwelijke dialoog legden alle erkende levensbeschouwingen vorige week donderdag een duidelijke verklaring af: “De gruweldaden vormen een regelrechte aanval op onze universele mensenrechten. We zijn diep geschokt en verontrust. Het recht op vrije meningsuiting en de persvrijheid zijn universeel. Ze liggen aan de basis van al onze vrijheden die vastgelegd werden in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Mensen hebben de vrijheid om te denken en te handelen volgens eigen overtuigingen met respect voor de ander en respect voor de waardigheid van de medemens.” Dit werd onderschreven door alle, alle erkende levensbeschouwingen.

De West-Europese samenleving geeft blijk van een ongelofelijke weerbaarheid en een diepgeworteld geloof in onze vrije, pluralistische samenleving. Deze waarden worden gedeeld door oude Vlamingen en nieuwkomers, door gelovigen en niet-gelovigen. Dat alles stemt ons hoopvol. Dat alles geeft ons de kracht om in te gaan tegen het gewelddadige extremisme en radicalisme. Geweld krijgt onze open en verdraagzame, onze pluralistische samenleving niet klein. (Applaus bij de N-VA, CD&V, Open Vld, sp.a en Groen) 

De heer Kennes heeft het woord.

Voor het serene verloop van het debat zou ik willen vragen om niet te worden onderbroken.

Voorzitter, minister-president, ministers, collega’s, het WTC in New York, een discotheek op Bali, een hotel in Mumbai, een treinstation in Madrid, een winkelcentrum in Nairobi, een kerk en een school in Peshawar, het Joods museum in Brussel, de dagelijkse terreur door Boko Haram, IS en Al Qaeda op diverse plaatsen in de wereld. De moorden en gijzelingen in en rond Parijs passen in een lange reeks. Ze hebben ons diep geraakt. Omdat woorden tekortschieten, hebben velen deelgenomen aan symbolische acties om hun afschuw te tonen en hun medeleven voor de slachtoffers en hun families te betuigen. Maar ook om hun geloof te bevestigen in de democratie, in een vredelievende en verdraagzame samenleving en in de vrije meningsuiting.

Deze terreur roept vele vragen op. Waarom radicaliseren mensen in die mate dat ze hun leven op het spel zetten en overgaan tot geweld? Wat maakt dat binnen de islam een kleine groep zich radicaal afkeert van de samenleving en zijn heil zoekt in een mythisch verleden of zich gewelddadig afzet tegen de waarden van de moderniteit en een open en democratische samenleving?

Maandag starten we met hoorzittingen over deze problematiek. Ik hoop dat ze ons inzicht en antwoorden verschaffen zodat we na afloop relevante aanbevelingen kunnen formuleren. CD&V wil deze hoorzittingen grondig aanpakken en daarom vandaag nog geen conclusies trekken. Dit actualiteitsdebat biedt iedereen wel de kans om zijn uitgangspunten scherp te stellen.

Ook in onze hoofdstad is een aanslag gepleegd. Ook van hier vertrekken Syriëstrijders. Ook bij ons circuleren haatboodschappen op internet. Dit veiligheidsprobleem vraagt volgens CD&V een integrale en geïntegreerde aanpak.

Vanaf een bepaald dreigingsniveau kan het inzetten van het leger een gepast antwoord zijn. Maar een louter pleidooi voor machtsvertoon zal ons niet ver brengen. Er is nood aan een evenwichtig plan van aanpak met duidelijke en gecoördineerde beleidslijnen en afspraken gericht op een gesloten veiligheidsketen die gaat van preventie tot remediëren en bestraffen.

Volgende vrijdag staat de radicalisering op de agenda van de federale ministerraad. Dit niveau speelt een cruciale rol voor het veiligheidsbeleid, de inlichtingendiensten, de strafbaarstelling, de uitbreiding van de bijzondere opsporings- en inlichtingenmethoden. Daarbij moeten we als samenleving steeds de vraag voor ogen houden hoever we willen gaan in het inperken van vrijheden en privacy om precies deze publieke goederen veilig te stellen.

Op Europees vlak staat een betere uitwisseling van gegevens en het versterken van de samenwerking nu prominent op de politieke agenda. Voor de preventie van radicalisering heeft Europa ondertussen ook al een concreet project uitgewerkt met instrumenten om de veerkracht van jongeren te versterken. Het gaat om instrumenten voor de jongeren zelf, maar ook voor de ouders en de eerstelijnswerkers. Vlaamse hogescholen en organisaties hebben aan dit Europees project meegewerkt.

Wat Vlaanderen betreft, antwoordde minister Homans mij vorige week dat de cel met experten, met name het Vlaams platform radicalisering, en het centraal aanspreekpunt operationeel zijn. Vlaanderen heeft daarnaast een rol in het preventief beleid via inburgering en integratie, onderwijs, welzijn, en de band welzijn-justitie.

Dit vraagt niet noodzakelijk nieuwe instrumenten. Vaak komt het erop aan de bestaande kanalen te versterken of specifiek uit te rusten. Maar een integrale aanpak vraagt ook de betrokkenheid van de hele samenleving. De overheden kunnen dit niet alleen. Ook het brede middenveld, de geloofsgemeenschappen, de media, welzijns- en onderwijsinstellingen en jeugd- en sportverenigingen hebben een rol te spelen.

CD&V wil het debat sereen én realistisch voeren. Sereen, omdat wij geen ‘wij tegen zij’-discours willen, maar een verhaal van verbondenheid en gemeenschapsopbouw. Realistisch, omdat radicalisering het resultaat is van een complex samenspel van factoren, zoals een selectieve lezing van religieuze geschriften, van migratie, van vervreemding van de samenleving, van individuele psychologische factoren, van globalisering, van verontwaardiging, van manipulatie en van de digitale technologie die extremisten de kans geeft om zich op te sluiten in hun eigen community.

Jammer genoeg is er niet één sluitende verklaring waarom jongeren of volwassenen soms op zeer korte tijd het pad inslaan van radicalisme en gewelddadigheid. Een kwetsbare sociaal-economische situatie kan een risicofactor zijn. Maar ook wie niets te kort komt en een diploma op zak heeft, is niet immuun voor de sirenenzang van de extreme islam.

Gelukkig vormen de extremistische moslims een minderheid. De zeer vele afwijzende reacties uit de moslimgemeenschap zijn belangrijk. In heel Europa, maar ook in de Arabische en de islamitische wereld zijn de terreurdaden scherp veroordeeld. In vele betogingen liepen moslims vooraan mee. Het is dan ook niet correct om de pijlen te richten op één bepaalde godsdienst, laat staan op alle godsdiensten.

Wat we wel moeten aanklagen en ontmaskeren, is de manier waarop religieuze gevoelens worden misbruikt. Het is merkwaardig dat sommigen de aanslagen door drie ontspoorde terroristen nu plots aangrijpen om de afschaffing van levensbeschouwelijke vakken te bepleiten. Dat is naast de kwestie.

Wij zijn ervan overtuigd dat kwalitatieve en eigentijdse lessen godsdienst en zedenleer net een troef zijn voor jongeren om hun identiteit te ontwikkelen en zich op een positieve manier te situeren binnen onze samenleving.

Ik wil niet vooruitlopen op de hoorzittingen, maar wel namens de Vlaamse christendemocraten vandaag acht uitgangspunten vooruitschuiven voor een deradicaliseringsbeleid.

Allereerst moet er een goede samenwerking en coördinatie zijn tussen alle betrokken overheden en partners. Gegevensuitwisseling en kennisdeling zijn essentieel voor de opbouw van expertise over radicalisering, de praktijkkennis, de vaardigheden en de methodieken voor een efficiënte aanpak.

Vervolgens speelt het lokale niveau een cruciale rol, zowel in de vroegdetectie als in het bijeenbrengen van de diverse actoren. Er zijn deradicaliseringsambtenaren in een aantal steden, en preventieambtenaren, netwerken en taskforces in andere. Die lokale invulling verdient ondersteuning.

Onderwijs heeft een belangrijke preventieve opdracht én een signaalfunctie. In de klas en op de speelplaats – de minister-president verwees daar ook al naar – leren jongeren omgaan met verschil en diversiteit. Het onderwijs versterkt de weerbaarheid van jongeren. Daarnaast heeft onderwijs ook de opdracht om tijd te maken voor specifieke zaken, zoals een informatiepunt zijn, vormingsactor, vindplaats, een link naar de hulpverlening, met de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s) en de lokale overlegplatformen (LOP’s) als antenne voor signalen van radicalisering.

Mijn vierde uitgangspunt is dat ouders moeten worden ondersteund wanneer ze te maken hebben met een radicaliserend kind. Opvoeding blijft in de eerste plaats een zaak van de ouders. Laagdrempelige, niet-stigmatiserende praktijkvoorbeelden zoals in Nederland kunnen ons inspireren. Ouders zijn vaak de eersten die merken dat hun kind zich anders gaat gedragen: andere kleren aantrekt, anderen vrienden opzoekt, bepaalde sites op internet bezoekt, zich afwijzend gaat opstellen tegenover de samenleving. Zij moeten met hun vragen en ongerustheid terecht kunnen in een vertrouwenwekkende omgeving.

Een vijfde punt is welzijn met een belangrijke plaats in het streven naar een ketenaanpak. In de vorige legislatuur werd structureel overleg vanuit welzijn opgestart. Dit moet worden voortgezet. Daarbij wordt bekeken hoe het omgaan met jongeren die dreigen te radicaliseren, ingepast wordt binnen de concepten van de integrale jeugdhulp. Hoe dienen we met name het begrip ‘verontrusting’ in deze context te interpreteren? Hoe kan er worden afgestemd over een gestroomlijnde aanpak in het intersectoraal regionaal overleg waar de bijzondere jeugdzorg samenzit met Onderwijs, CAW’s en Kind en Gezin? Vanuit dit regionaal overleg werd trouwens ook de afstemming met lokale actoren, zoals de radicaliseringsambtenaren, opgestart.

Andere concrete acties die vanuit Welzijn reeds werden opgestart, zijn de expertise-uitwisseling met de veiligheidsdiensten, een dienstorder binnen de gemeenschapsinstellingen over de aanpak van geradicaliseerde jongeren, afspraken inzake informatie-uitwisseling en veiligheidsmachtiging, lokale afspraken rond doorverwijzing, het verhogen van de kennis van het aanbod en ook nog een brede bevraging van de voorzieningen in de bijzondere jeugdzorg.

Voorzitter, collega’s, de structuren van afstemming bestaan en werken ook. Bovendien kan er, indien nodig, snel een link worden geopend naar het parket. Zo kom ik tot mijn zesde insteek. In het kader van de gesloten veiligheidsketen in het structureel overleg van de Vlaamse actoren met de betrokken actoren in justitie, moeten we mee het voortouw nemen. CD&V wil dat de Vlaamse initiatieven worden geplaatst in een integrale veiligheidsbenadering. Er bestaat immers reeds een institutioneel kader met de kadernota Integrale Veiligheid, het nationaal veiligheidsplan, de zonale veiligheidsplannen, en de Interministeriële Conferentie inzake Veiligheids- en Handhavingsbeleid. Bijzondere aandacht moet daarbij gaan naar begeleiding en opleiding van gedetineerden. Dit sluit aan bij de bezorgdheid van minister van Justitie Koen Geens, die eraan herinnerde dat heel wat extremisten in de gevangenis geradicaliseerd zijn.

Mijn zevende punt is het bevorderen van de interlevensbeschouwelijke en interreligieuze dialoog. Wij willen de dialoog met de moslimgemeenschap aangaan over de opleiding van de imams in Vlaanderen, over de kwaliteit van de lessen islam in het onderwijs, over de ontwikkeling van een Europese islam en over de waarden die de verschillende geloofsovertuigingen delen. Ik hoop dat de nieuwe opleiding islamitische theologie die dit jaar aan de KU Leuven van start is gegaan, hieraan een bijdrage kan leveren. Ondertussen zijn er ook professionaliseringstrajecten waarbij imams, imams in opleiding en islamconsulenten opleidingsonderdelen kunnen volgen om hun competenties te versterken om werkzaam te zijn in onze westerse maatschappij.

Mijn achtste en laatste punt is het versterken van de inburgering en van het integratiebeleid, ook via specifieke maatregelen gericht op inschakeling in de arbeidsmarkt en in het sociale weefsel van onze samenleving, zoals jeugdwerk en sport. Via integratie en participatie moeten we de band van radicaliserende jongeren met onze democratische samenleving versterken of herstellen.

Collega’s, ik vat samen. Alle overheidsniveaus hebben het garanderen van de veiligheid van hun inwoners als kernopdracht. Wanneer we er niet in slagen die verantwoordelijkheid in een coherente en zorgvuldig afgestemde veiligheidsketen te vatten, dan dweilen we met de kraan open. Het bestrijden van ziektes gaat in eerste instantie altijd gepaard met symptoombestrijding. Het is echter onverantwoord om alleen daarop te focussen. We mogen niet nalaten het complexe samenspel van diepliggende oorzaken van de radicalisering verder te detecteren en aan te pakken. Het belang van de geplande hoorzittingen is dan ook niet te onderschatten. Voor onze fractie staan daarbij de acht opgesomde uitgangspunten voorop. Wij zijn klaar om het democratische debat in al zijn aspecten hier in het parlement aan te gaan. (Applaus)

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, ik heb begrepen dat de spreker van CD&V een sereen debat heeft gevraagd en dat hij derhalve niet onderbroken wenste te worden. Dat geeft ons alleen maar de kans om op het einde van het pleidooi van de collega een aantal vragen of bedenkingen te maken.

Nu, wij zijn eveneens vragende partij om een sereen debat te voeren, maar laat ons wel de problemen bij naam noemen. Ik haal maar één ding aan uit uw betoog. U zegt: laat ons in hemelsnaam niet de pijlen richten op één bepaalde godsdienst.

Ik breng toch even in herinnering waarom we dit debat vandaag houden, naar aanleiding van de aanslagen in Parijs. Die zijn er gekomen omdat enkele moslims niet tolereerden dat er met de profeet Mohammed werd gespot. Als we vandaag het debat voeren over de aanslagen in Parijs zonder het over de islam te hebben, kunnen we beter de boeken dichtdoen.

Meteen zeg ik erbij, voor de duidelijkheid, en voor er verwijten over heen weer worden gestuurd: zijn alle moslims extremisten en potentiële terroristen? Nee, gelukkig niet. Ik ben ervan overtuigd dat de overgrote meerderheid van de moslims in dit land gematigde en vredelievende mensen zijn, die het geweld schuwen en de aanslagen veroordelen. Al zijn er, zo heb ik de laatste dagen gezien op sociale media, helaas ook heel wat jonge moslims die het lef hebben om de aanslagen niet te veroordelen, of ze zelfs te steunen.

Mijnheer Kennes, mijn oproep aan u en aan de andere collega’s is: laat ons het politiek correcte discours achterwege laten. Laat ons de problemen bij naam noemen. En laat ons dus ook de moed hebben om het debat vandaag te voeren over de politieke ideologie die achter de islam schuilgaat, zonder daarbij iedereen meteen voor racist of xenofoob uit te maken.

U hebt gezegd dat we moeten voorkomen dat er een wij-zij-tegenstelling komt, dat we dat wij-zij-debat opnieuw gaan voeren. Misschien is er bij de radicaliserende moslims heel weinig bereidheid om deel uit te maken van onze westerse samenleving. En zijn het zeker niet wij, of bij uitstek het Vlaams Belang, indien men dat verwijt wil maken, die het wij-zij-debat hebben gelanceerd. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mijnheer Janssens, ik heb de islam en de moslims misschien tien of vijftien keer genoemd. Ik probeer niets weg te duwen. Ik ben begonnen met een lange lijst van aanslagen door moslimterroristen. Ik heb ook specifiek gesproken over de dialoog met de moslimgemeenschap. We noemen man en paard, maar genuanceerd.

Enerzijds wil ik hard veroordelen wat er is gebeurd en de vinger op de wonde leggen. Anderzijds wil ik niet meegaan in uitspraken over een hele gemeenschap. Ik heb de afgelopen dagen verschillende vertegenwoordigers ontmoet die bijzonder verveeld zitten met de situatie. Ze vinden het vreselijk en toch voelen ze dat ze erop worden aangekeken. Die zijn er bijzonder veel in Vlaanderen: moslims die absoluut verafschuwen wat er is gebeurd. En toch vinden ze dat iedereen naar hen kijkt. In die val mogen we niet trappen. De verbondenheid die er is, moeten we koesteren.

Voor de mensen die afstand nemen van onze samenleving, moeten we in de hoorzittingen absoluut op zoek gaan naar wat daar speelt. Zijn het politieke zaken, psychologische, economische, culturele factoren? Ik heb een hele reeks mogelijke zaken genoemd. Ik hoop dat die hoorzittingen ons daarin meer inzicht gaan geven en we dan verstandige besluiten kunnen trekken. Om nu al daarop vooruit te lopen, dat wil ik niet doen. Ik wil absoluut niets verbloemen. Daar is niemand bij gebaat. Ik heb dat ook niet gedaan.

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Collega’s, ik heb hierop een heel duidelijk antwoord, denk ik. Ik zie wel een verhaal van wij tegen zij, maar die scheidingslijn loopt niet tussen moslims en andere Vlamingen. Ik zie een scheidingslijn tussen zij die geweld gebruiken in naam van de islam en zij die een gemeenschap willen vormen, en dat zijn wij. Het klopt dat we voorzichtig moeten zijn in de semantiek, want we willen niemand stigmatiseren. Maar we mogen onze kop niet in het zand steken. De extremisten spreken weliswaar onterecht in naam van Allah om hun gewelddaden goed te praten. Nog eens, dit is een kleine minderheid waar de moslims zich zelf tegen afzetten. Dat heeft de minister-president hier net aangetoond.

U spreekt over de opdracht die het onderwijs heeft inzake detectie en ik kan u volledig bijtreden. Wanneer een leerkracht bijvoorbeeld wordt geconfronteerd met een leerling die een hakenkruis tekent, dan weet die leerkracht perfect hoe die moet reageren. Maar wanneer een leerkracht hiermee wordt geconfronteerd, dan weet die vaak niet waarover het gaat. Collega’s, wat staat hier op? Enkel de boodschap ‘Er is geen God dan Allah en de profeet is Mohammed’. Is er iets mis met die boodschap? Neen. Maar witte letters op een zwarte achtergrond gebruiken, is een code om te zeggen dat men in oorlog is. Die fijne symboliek wordt vaak niet begrepen door eerstelijnswerkers.

Het is onze opdracht om mensen, om eerstelijnswerkers, te trainen in dit soort van fijne symboliek zodat zij kunnen detecteren. Wij moeten leerkrachten niet gaan betrekken bij dit hele traject van preventie. Wij moeten leerkrachten en eerstelijnswerkers dít duidelijk maken. (Applaus bij de N-VA en CD&V)

De heer Annouri heeft het woord.

Collega Kennes, wat ik vooral heel erg waardeer aan uw toespraak, net als aan die van de minister-president, is dat u beiden zeer duidelijk stelt dat dit debat het wij-zij-denken moet overstijgen. We moeten met z’n allen nagaan wat oplossingen zijn.

Ik ben het eens dat we niets moeten verbloemen en dat we de islam moeten noemen waar nodig. Bij alle aanslagen die u hebt aangehaald, waren moslims mee slachtoffer. In Parijs waren moslims mee slachtoffer. De islamitische gemeenschap in Vlaanderen, de Vlaamse islam, is de grootste en eerste bondgenoot voor Vlaanderen om een dam op te werpen tegen het extremisme. Het zal een deel van de oplossing zijn om een dam op te werpen tegen het extremisme. Ik heb er dus absoluut geen moeite mee om heel duidelijk te stellen dat er een groep extremisten is die inderdaad geweld gebruikt om zijn mening op te leggen aan anderen. Dat is het verleden zo geweest en dat zal in de toekomst ook niet uit te sluiten zijn. Men kiest altijd een vorm om zijn wil op te leggen.

Maar als wij hier de rangen willen sluiten – en dat hoor ik toch en stemt mij uitermate optimistisch want dat signaal hebben de burgers de afgelopen dagen ook gegeven –, dan zullen we onze bondgenoot moeten zoeken. Ik zeg u heel duidelijk: de moslim in Vlaanderen is uw bondgenoot. Ga ernaar op zoek en zorg ervoor dat we samen een dam kunnen opwerpen tegen het extremisme. (Applaus bij de N-VA, CD&V, Open Vld, sp.a en Groen)

De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez (sp·a)

Collega Kennes, u zei “van preventie tot remediëring”, en ik denk dat dat ook klopt. Die formulering strookt ook heel erg met wat we vanuit Vlaanderen kunnen doen. Er zijn twee dingen. In december is beslist om een debat te hebben, samen met de hoorzittingen. Daarnaast zullen we moeten nagaan wat we heel concreet en heel snel kunnen doen. Een aantal vragen van burgemeesters leefden al heel lang. U haalde de gegevensuitwisseling aan wat op federaal niveau ook al heel lang een discussie is zonder dat er concrete antwoorden op zijn. We moeten er een aantal dingen uitlichten waar we heel snel antwoorden op kunnen bieden.

Hetzelfde met de vroegdetectie. De problematiek in verschillende steden en gemeenten is natuurlijk zeer verschillend. De vraag is dan in hoever men kan bijsturen om bijkomend te ondersteunen waar de problematiek groter is. Ik ben het in grote mate eens met de opsomming van de punten. We zullen moeten in staat zijn om redelijk snel vanuit Vlaanderen te kunnen definiëren wat snel beter kan. Het is een deel van de opdracht die we moeten doen, naast de hoorzittingen en het werk dat we de komende maanden gaan doen.

De heer Somers heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, het afschuwelijke drama in Parijs heeft ons allen diep geraakt. De brutale moordpartijen en de middeleeuwse barbarij laten niemand in Vlaanderen onberoerd. Er is het onnoemelijke menselijke leed van zeventien vermoorde mensen, cartoonisten, journalisten, politieagenten, een winkelier, zijn klanten, een toevallige passant. Moslims, joden, christenen, burgers, allemaal slachtoffers. Onschuldige mensen weggevaagd door haat. Elke vader en moeder, elk burger voelt dat onrecht, die absurditeit, het onpeilbare verdriet.

Niet alleen het menselijk leed raakt ons maar ook de aard van de moorden. De moord op die zeventien mensen was een regelrechte aanslag op het wezen zelf van onze samenleving, een aanslag op de meest fundamentele principes die we koesteren, een raid op onze democratie en op het recht op vrije meningsuiting. En daarom waren we de voorbije week allemaal slachtoffers. Op zo’n moment moeten we samen, christenen, moslims, joden, atheïsten, jong en oud, allochtoon en autochtoon, wij allemaal, burgers van dit land, gelijkwaardige burgers, samen opstaan en eensgezind en met gesloten rangen onze democratie verdedigen. Wij moeten het opnemen voor onze samenleving in diversiteit.

De meer dan twee miljoen mensen die zondag betoogden, gaven een nooit gezien signaal. Aangrijpend door het ingetogen karakter, door de vastberadenheid. Ze weigerden in de wij-zij-val te trappen die het extremisme spant. Ze kozen niet voor de spiraal van wederzijdse verwijten maar deden net het tegenovergestelde. Ze zochten elkaar op, ze sloten de rangen en bezorgden zo de terroristen de grootst denkbare morele nederlaag.

Zondag betoogden miljoenen schouder aan schouder voor een verdraagzame samenleving. Ze spraken hun gehechtheid uit aan de democratische principes die onze maatschappij schragen. Omdat die fundamentele mensenrechten net garanderen dat we elk onze eigen geloofsovertuiging of levensbeschouwing mogen beleven, omdat het recht op de vrije meningsuiting, hoe kwetsend die ook kan zijn, de garantie is voor ons allen tegen dictatuur, tegen onwetendheid, tegen geestelijke dwang van wie dan ook.

Die miljoenen betoogden omdat ze de vrijheid koesteren, omdat ze weten dat er geen diversiteit mogelijk is zonder vrijheid en geen vrijheid zonder diversiteit. Diversiteit en vrijheid zijn de keerzijde van eenzelfde medaille. Die overtuiging, dat hoopvolle signaal moeten wij als verkozenen van het volk voluit overnemen en versterken. Vandaag moeten wij over de grenzen van meerderheid en oppositie, over partijpolitieke meningsverschillen heen, onze solidariteit uitspreken ten aanzien van de slachtoffers maar vooral onze vaste wil om niet te wijken voor geweld, terreur en intimidatie.

Er was nog een ander hoopvol nieuw signaal in de reacties op het drama van Parijs. Veel krachtiger dan ooit voordien namen moslims expliciet het woord om hun afkeer te uiten voor dat moslimextremisme, hun afkeer ten aanzien van diegenen die hun godsdienst perverteren tot politiek totalitair denken. Talrijker dan voordien waren de stemmen in die geloofsgemeenschap die opriepen tot kritische reflectie over het wezen van hun godsdienst en hoe die beter aansluit bij de realiteit van hun Europese samenleving.

Collega’s, ik ben geen moslim. Ik ben heel beschroomd om me uit te spreken over de invulling van een godsdienst die niet de mijne is. We moeten de nieuwe openheid van de groeiende groep die uitdrukkelijk het geloof wil beleven binnen en op de sokkel van de moderniteit, aanmoedigen. Het is nu het moment om werk te maken van een kwaliteitsvolle imamopleiding, om de erkenningsprocedure van moskeeën onder de loep te nemen, om de dialoog op te zoeken en aan te gaan met de nieuwe generaties die in tal van moskeebesturen opduiken. Het gaat om mensen die hier geboren zijn, meer nog om mensen wier ouders hier vaak geboren zijn. Minder populisme en minder wij-zij-denken, en meer zelfreflectie in het debat binnen de moslimgemeenschap: twee hoopvolle veranderingen.

Bevinden we ons op een kantelmoment in onze samenleving? Dat weten we nu nog niet. Alleszins zijn er onder de oppervlakte zaken aan het verschuiven die te lang vastgeroest zaten. We mogen de kans op een doorbraak naar een meer open en meer rechtvaardige samenleving niet laten liggen. Velen vragen zich af wat we nu moeten doen, welke maatregelen we nu moeten nemen om het gewelddadig moslimextremisme een halt toe te roepen, en dat is een aartsmoeilijke vraag. Er bestaat jammer genoeg geen wonderformule die alle extremisme uit de wereld helpen, er is geen ‘silver bullet’ die alle terroristen kan uitschakelen. Maar ook al weten we vandaag nog niet wat de juiste antwoorden zijn, ook al weten we op het terrein nog niet wat echt zal werken en wat niet, toch mag er geen twijfel zijn over de richting die we met zijn allen moeten uitgaan, federaal, Vlaams en lokaal.

Vooreerst moeten terroristen consequent worden opgespoord, voor de rechtbank gebracht en streng gestraft. Dat is de kerntaak van de federale overheid. Veiligheidsdiensten en Justitie moeten meer middelen en mogelijkheden krijgen om die strijd efficiënt te voeren, zonder dat we daarbij de democratie en de rechtsstaat die we willen verdedigen, gaan uithollen. Maar opgelet: wie absolute veiligheid belooft, creëert een illusie. En wie denkt dat repressie alleen volstaat, slaat de bal volkomen fout. We moeten het probleem bij de wortel aanpakken. En die verantwoordelijkheid, het moeilijkste maar tevens het belangrijkste onderdeel van een antiradicaliseringsbeleid, ligt hier: bij het Vlaams Parlement en bij de Vlaamse Regering.

We moeten elke koudwatervrees achter ons laten en ons volop smijten in wat een politiek-maatschappelijke strijd is om meer mensen op het platform van de democratie te tillen, ze erop te houden en ze er vooral niet af te duwen. Een strijd om de harten en hoofden van mensen. Een strijd tussen tolerantie en onverdraagzaamheid, tussen democratie en totalitair denken.

En dat werk begint in het onderwijs. Onze scholen zijn de plek bij uitstek om democratische waarden en vrijheden uit te dragen. Op de schoolbanken moeten jongeren kennis kunnen maken met de verschillende erkende godsdiensten en levensbeschouwingen, niet op een theoretische en abstracte, maar op een actuele manier, die rekening houdt met hun concrete leefsituatie. Het onderwijs moet jongeren een gezonde portie kritisch denken bijbrengen, evenals een dieper inzicht in onze democratische structuren, zodat ze gewapend zijn tegen vooroordelen en indoctrinatie. Dat alles moet een prominente plaats krijgen in het onderwijs. Maar ook in Welzijn, Jeugd, Cultuur en vele andere domeinen liggen hefbomen om de democratische overtuiging te versterken en om radicalisme tegen te gaan.

Nogmaals: laten we zo weinig mogelijk naar anderen wijzen en vooral de vraag stellen wat wij kunnen doen. Als gevangenissen nu broeinesten zijn van islamradicalisering, dan is dat inderdaad in de allereerste plaats een taak voor de federale overheid. We moeten tegelijkertijd vragen hoe wij kunnen helpen, welke rol onze re-integratieambtenaren kunnen spelen. Geen paraplu, maar actie. Preventie, jeugdbescherming, justitiehuizen, spijbelproblematiek, buurtopbouwwerk, stedenbeleid, inspectie op thuisonderwijs, gezinshulp en ga zo maar door, het zijn stuk voor stuk instrumenten die in stelling kunnen worden gebracht waarmee we sneller radicalisering kunnen opsporen, voorkomen en terugdringen.

Collega’s, we moeten tegelijk resoluut het samenleven in diversiteit omarmen met meer dan lippendienst alleen. We moeten het onderhuidse idee loslaten dat sommigen hier een soort van eerstgeboorterecht hebben, een claim omdat hun voorouders hier eerst waren, dat we gelijk zijn, maar sommigen net iets meer omdat ze hier al langer zijn.We mogen evident geen millimeter toegeven op fundamentele principes, zoals gelijkheid van man en vrouw, scheiding van kerk en staat, vrijheid van meningsuiting. Maar niet omwille van de traditie, niet zozeer omdat het zogezegd ónze waarden zijn. Nee, we moeten ze verdedigen omdat ze zonder onderscheid voor ons allen – oude en nieuwe Vlamingen – de onvervreemdbare fundamenten zijn van een vrije, democratische samenleving. Omdat ze elk van ons zonder onderscheid de meeste kansen op ontplooiing geven. Maar tegelijk moeten we niet van elk gebruik, elke gewoonte of traditie een heilig principe maken, zodat niets kan veranderen en elke verandering een aanslag wordt op onze identiteit. Als we ons zo verstard opstellen, lijkt onze houding dan niet verdacht veel op de houding van die extremisten? Alleen in hun denkwereld blijft alles al duizend jaar hetzelfde, terwijl onze open samenleving net al eeuwen gekenmerkt wordt door permanente en vaak ingrijpende verandering.

Vlaanderen verkleurt en wij zijn allen samen de eerste generatie nieuwkomers in dat 21e-eeuwse, superdiverse Vlaanderen. En die realiteit omarmen, betekent ook elkaar opzoeken, bruggen bouwen, dichter bij elkaar gaan staan, plaats maken voor elkaar, meer empathie, oude muren slopen tussen mensen. Minder groepsdenken, meer samenleven in de letterlijke betekenis van het woord. Ook hier kan Vlaanderen het verschil maken, door er bijvoorbeeld een erezaak van te maken om de instroom van allochtone jongeren in het klassieke jeugdwerk – bij onze chiro’s en scouts – te versterken. Omdat kinderen die daar samen vriendschappen sluiten, ravotten en kattenkwaad uithalen, later veel minder snel uit elkaar te drijven zijn. En hetzelfde geldt voor cultuur en sport.

Ten slotte, collega’s, en dit is misschien het moeilijkste: we leven niet in een vrijblijvende tijd. We moeten als samenleving in de spiegel kijken. “Niet de afkomst, maar de toekomst telt” moet meer zijn dan een slogan. Het moet een realiteit worden, ook in het leven van allochtone Vlamingen. “Walk our talk.” We moeten racisme en discriminatie krachtiger, sluitender en consequenter aanpakken. Want racisme is een schandvlek in onze maatschappij. Discriminatie kan onder geen enkel beding een excuus zijn voor gewelddadig extremisme, evident niet. Maar omgekeerd is er voor een democraat geen enkel excuus om te discrimineren of discriminatie te gedogen. Je kunt niet tegelijkertijd onze westerse waarden propageren en discriminatie en racisme door de vingers zien. Hier moet Vlaanderen beter doen.

Collega’s, moeten wij, tot slot, ten aanzien van het moslimextremisme nu een hard of een zacht beleid voeren? Ik denk dat we vooral een moedig beleid moeten voeren. Het vergt weinig moed om mensen te culpabiliseren, tegen elkaar op te zetten, in te spelen op angst. Het vraagt daarentegen moed om zich kwetsbaar te maken, bruggen te bouwen, zichzelf ter discussie te stellen. We hebben een Vlaams beleid nodig dat onze democratische rechtsstaat versterkt door iedereen aan boord te trekken, een beleid dat niet aan de zijlijn treuzelt maar dat krachtig mobiliseert voor onze democratie, dat haar beleidsinstrumenten volop inzet om onze rechtsstaat te versterken. Een Vlaams beleid dat verbindt, waarvoor elke mens telt, dat niemand achterlaat, niemand uitsluit. Zo’n Vlaanderen is de beste dam tegen elk extremisme. Zo’n Vlaanderen is het mooiste geschenk dat we onze kinderen kunnen nalaten. Of ze nu Ali of Jan, Fatima of Veerle heten. Voor zo’n Vlaanderen tekenen wij. (Applaus bij Open Vld, de N-VA, CD&V, sp.a en Groen)

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Mijnheer Somers, u en uw collega’s hebben al ontzettend veel werk verricht in Mechelen. Ik denk dat we veel ideeën delen, dat we willen samenwerken en verbinden. Dat staat centraal in uw boodschap en dat is ook onze bekommernis. Het is dezelfde bekommernis die we horen van heel wat vertegenwoordigers op het veld. Mensen uit de moslimgemeenschap, jeugdwerkers, welzijnswerkers en gisteren nog Raymonda Verdyck vanuit het onderwijs, ze willen allemaal hun verantwoordelijkheid opnemen. Ze willen werken aan het tegengaan van radicalisering, op elke mogelijke manier. Ze willen signalen detecteren, ze zijn daar goed voor geplaatst. Maar, zeggen ze vandaag in de krant, ze hebben ondersteuning nodig.

Het is een politieke keuze geweest, mijnheer Somers, men kan voor of tegen zijn, dat is gerechtvaardigd, om in een aantal sectoren serieus te gaan besparen. Onderwijs was er een van; jeugdwerk was erbij; investeringen in welzijnswerk en de bijzondere jeugdzorg zijn misschien niet voldoende om het hoofd te bieden aan deze problematiek.

Ik vraag me af, mijnheer Somers, naast de verbindende rol die we als politici moeten spelen, of we die ondersteunende middelen niet dringend naar voren moeten schuiven. Moeten we dat bij de begrotingscontrole niet onder de loep nemen? Volgens mij zal dat cruciaal zijn. Dat moet in het beleid terug te vinden zijn.

Mevrouw Meuleman, u hebt de minister-president gehoord. Deze regering heeft het engagement opgenomen om daar diepgaand werk van te maken. We staan bij het begin van dat werk. Wij beginnen in het parlement met hoorzittingen nu. Er zijn trouwens geen wonderoplossingen. Mijn ervaringen als burgemeester is dat bij verschillende ministers van de Vlaamse Regering een grote openheid bestaat om mee te werken, te zoeken en te kiezen voor ondersteuning op het terrein. In de komende weken en maanden zal men prioriteiten moeten stellen. Maar niet alles kost geld.

We zullen dat ook lokaal moeten doen. Als mijn collega Bart De Wever aankondigt dat hij in Antwerpen zes mensen extra en expliciet inzet in de strijd tegen de radicalisering, is dat niet omdat hij extra geld heeft gekregen van Vlaanderen. Dat is een keuze van de stad Antwerpen. Ik juich dat toe, ik bewonder dat. De stad maakt de keuze om de problematiek ernstig aan te pakken. Als wij dat in Mechelen proberen met onze beperkte middelen, dan is dat een keuze. Uiteraard moet er meer gebeuren.

In plaats van nu te vervallen in een soort partijpolitieke polemiek, roep ik u allen op om de krachten te bundelen en samen de problemen aan te pakken. (Applaus bij de meerderheid)

Als de schuld effectief ligt aan het gebrek aan financiële middelen, hoe komt het dan dat dit probleem zich al jarenlang manifesteert? Dit is geen nieuw probleem. De besparingen starten nu, die staan daar volledig los van. Ik heb sterk het gevoel dat dit op politieke recuperatie lijkt. (Applaus bij de meerderheid)

Dat het tot de structurele opdracht van de Vlaamse overheid behoort om gelijke kansen te bieden aan jongeren, daar ben ik het volledig mee eens, maar de Vlaamse Regering doet dat ook.

Ik heb sterk het gevoel dat u probeert het debat in de volgende richting te duwen: jongeren krijgen niet genoeg kansen, dus ze gaan gewelddaden plegen. Ik weiger dit als excuus te aanzien! Er is geen excuus voor dit soort extremisme! (Applaus bij de meerderheid)

Over dat laatste wil ik heel duidelijk zijn. U haalt mijn betoog aan. Ik ben u er dankbaar voor dat u mij nog eens herhaalt. U onderstreept heel duidelijk nog eens, en terecht, dat er geen excuus is voor extremisme, maar er is ook geen enkel excuus om te discrimineren en voor racisme. De twee gelden. (Applaus van mevrouw Ann Brusseel en de heer Mathias De Clercq)

Ik wil mijn uiteenzetting beëindigen met een oproep aan én de partijen van de meerderheid én de partijen van de oppositie. Ik wil de oppositie vragen om niet te vervallen in een partijpolitieke polemiek van meerderheid en oppositie, en te zoeken naar een constructieve samenwerking. Ik wil ook de partijen van de meerderheid – ook mijn partij, en ik wil me daartoe ook engageren – oproepen om niet te snel te zeggen dat we al genoeg doen, om ons ook kwetsbaar op te stellen en bereid te zijn te onderzoeken wat we meer kunnen doen. Er moet op het terrein immers méér gebeuren, ook op Vlaams niveau. (Applaus bij Open Vld, de N-VA, CD&V, sp.a en Groen)

Mijnheer Somers, mevrouw Sminate, ik ben het er absoluut mee eens dat we aan één zeel moeten trekken, dat we echt moeten proberen om samen oplossingen te vinden. Daarom reiken we ook heel duidelijk de hand. Dat zal ik straks doen. Dat hebben we vanmorgen gedaan met ons actieplan, waarin we vragen dat we zouden samenwerken. Alleen, dit is een vraag met betrekking tot de toekomst. Als ik de reeks zie van preventieve maatregelen die mensen voorstellen en waar we achter kunnen staan, als we de reeks van veiligheidsmaatregelen zien die nodig zullen zijn, dan vraag ik ook engagement en wil ik de Vlaamse Regering er ook van bewust maken dat dit bepaalde politieke keuzes inhoudt waarover we moeten nadenken. We zullen daar bij een volgende begrotingscontrole over moeten spreken. Niet alles kost geld, maar alles gaat ook niet voor niets, denk ik. We kunnen niet alles op het onderwijs blijven laden en vragen om grote problemen op te lossen, problemen die jeugdwerkers en welzijnswerkers echt te boven gaan. Zij zeggen dat ze meer mensen nodig hebben, dat ze dit anders het hoofd niet kunnen bieden. Straathoekwerkers willen absoluut hun werk doen. Ze willen mensen aanklampen, mensen opvolgen, mensen van de straat halen, maar ze kunnen dat niet als er zo aanzienlijk wordt gesnoeid in hun werking dat ze met te weinig zijn om nog op straat te kunnen komen en mensen aan te pakken. Dan vraagt u te veel van hen. De mensen op het terrein willen dus hun verantwoordelijkheid opnemen, maar ze vragen onze hulp daarbij. Ik meen dat we daar niet doof voor mogen zijn. Dat is geen partijpolitiek spel. Dat is een vraag, een heel bezorgde vraag om het middenveld, om onze mensen op het terrein, om het onderwijs, om de jeugdwerkers, om de welzijnssector niet met verantwoordelijkheden om de oren te slaan die ze niet kunnen dragen, omdat ze te weinig worden ondersteund. Dit is dus geen verwijt, maar een oproep om samen te werken, om dit samen, wars van partijpolitiek, aan te pakken. (Applaus bij Groen)

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, ik wou gewoon even kort ingaan op wat de heer Kennes daarnet zei en waarop de heer Somers heel kort de aandacht heeft gevestigd, namelijk die levensbeschouwelijke vakken in het onderwijs. Ik wil vragen dat men die bij de voortzetting van dit debat buiten de discussie zou houden. Het gaat dan immers helemaal niet over radicalisme, maar louter over het organiseren ervan en de moeilijkheden die dit soms geeft in het onderwijs.

De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez (sp·a)

Ik wil even terugkomen op het vorige. In mijn eerste interventie was ik zeer voorzichtig ter zake, maar het is wel belangrijk. Als we er in de politiek en als parlement voortdurend op hameren dat we een aantal zaken moeten kunnen overstijgen, dan zal het ook een beetje een oefening zijn om hier – de heer Somers zei het op het einde zeer goed – ook te durven vaststellen dat we een aantal dingen moeten veranderen, en soms zelfs snel, zonder dat we op zoek gaan naar degene die 100 gram te veel of te weinig heeft gegeven, of 1 meter te ver of niet ver genoeg heeft gesprongen. We dreigen dat hier immers heel snel weer enigszins te doen. We moeten dat niet doen. Een aantal mensen op het terrein zeggen dat er dringend een aantal dingen kunnen worden aangepast. Parlementair wordt dat dan een begrotingsaanpassing, waarbij we noodzakelijkerwijze een schuldige moeten aanduiden. Qua beeld past dat eigenlijk heel goed bij de grond van het debat zelf. Ik heb het ook in mijn eerste interventie al gezegd: laten we ook bekijken wat we redelijk snel kunnen doen. Een aantal burgemeesters hebben dingen opgesomd die noodzakelijk zijn. Ze hebben daarbij ook niet gezegd dat de ene of de andere te veel of te weinig deed. Ik pleit er dus voor dat we die oefening zouden doen zonder een aantal typische politieke reflexen waarbij alles op een weegschaaltje wordt gelegd.

We moeten ook durven afwijken van de verhoudingen tussen de lokale besturen. Als we vaststellen dat er ergens een groter probleem is, moeten we daar ingrijpen. We moeten beslissingen nemen en daar de nodige middelen aan verbinden. Dat kan zonder elke keer de weegschaal te hanteren. Dat lijkt me een nuttige oefening voor het Vlaams Parlement. Het wijkt af van de wijze waarop we het meestal doen. De woorden van mevrouw Meuleman waren volgens mij absoluut niet aanvallend bedoeld.

De heer De Ro heeft het woord.

Mevrouw Sminate, volgens u is geld niet de oplossing. U hebt daar misschien een punt, maar ik heb u deze ochtend op Radio 1 horen verklaren dat er ook in tijden van overvloed mensen zijn vertrokken. U hebt dat daarnet net niet woordelijk herhaald. Ik heb zelden op een kwartier tijd zo veel reacties uit het onderwijs in mijn thuisstad Vilvoorde gekregen. Ik kreeg telkens de vraag of ik het ermee eens was dat het onderwijs, de welzijnssector en het jeugdwerk in de getroffen steden jaren van overvloed hebben gekend. Ik denk het niet.

Eind 2013 hebben we hier een debat gevoerd. Alle toenmalige Vlaamse volksvertegenwoordigers hebben toen een brief of een mail gekregen die de drie onderwijsnetten in mijn stad gezamenlijk hebben verstuurd. Ik citeer daar een stukje uit: “Wij willen jongeren in een warme omgeving blijven steunen om hun weg te vinden in deze complexe wereld, maar op bepaalde terreinen schieten onze ervaring en onze competenties tekort. Daarom vragen wij al langer ondersteuning.” Ze hebben ons toen kamerbreed opgeroepen om een voorstel van resolutie van de oppositie te steunen. De meerderheid heeft toen de moed gehad dit voorstel van resolutie van Groen, Open Vld en LDD te steunen. Ik heb nog steeds waardering voor de Vlaamse volksvertegenwoordigers die toen hun steun hebben gegeven. Deze week hebben alle onderwijsnetten in Vilvoorde een excellentie van de Vlaamse Regering ontvangen. Van de ondersteuning die ze vanuit de Vlaamse overheid verwachten, is op het terrein nog veel te weinig te zien.

Mijn fractievoorzitter heeft iedereen er daarnet toe opgeroepen niet te snel tevreden te zijn. We moeten een tandje bijsteken. Vanuit de invalshoek van het lokaal beleid onderschrijf ik dat. We mogen uitspraken die laten uitschijnen dat er in het verleden een overvloed was, niet te licht in de mond nemen. Ik heb in verband met Onderwijs, Welzijn of Jeugd nooit een overvloed meegemaakt en mijn stad al evenmin. (Applaus bij Open Vld, sp.a en Groen)

De heer Diependaele heeft het woord.

Voorzitter, eerst en vooral kan ik heel goed vinden in bepaalde punten die tijdens het debat reeds naar voren zijn gebracht. Ik ben het eens met een groot gedeelte van de analyse.

Mijnheer Somers, mevrouw Meuleman, er is racisme in Vlaanderen. Er is een veel te hoge allochtone werkloosheid. Dat zijn zaken die we niet kunnen aanvaarden en waartegen we moeten optreden. We moeten in dit verband een beleid voeren. Dit debat gaat echter over het gewelddadig radicalisme. Als we blijven steken in de problemen die er in Vlaanderen zijn, maken we slechts een gedeeltelijke analyse.

Mijnheer Somers, wat mevrouw Sminate net heeft verklaard, was geen citaat. U hebt zelf maar een gedeelte van de analyse gemaakt. Ik heb deze middag nog met moslims gesproken die dat hebben bevestigd. We moeten zeker twee elementen toevoegen om een antwoord op het gewelddadig radicalisme te kunnen formuleren.

Eerst en vooral moeten we aanvaarden dat het radicalisme voor een groot deel door een systeem wordt gestuurd. Daar moet iets aan worden gedaan. Ik denk dan onder meer aan de imamopleidingen. Er zitten een systeem en geld achter het radicalisme. De sociale media en alles wat op het internet te vinden is, worden gestuurd door heel extremistische groepen in het Midden-Oosten. Een religie wordt politiek geïnstrumentaliseerd tot een gewelddadige ideologie. Om daartegen te kunnen optreden, moeten we dat erkennen.

Een tweede vaststelling is dat er een impliciete steun is bij heel wat moslims. Dat wordt eveneens bevestigd, onder meer door de cijfers die een paar maanden geleden in Gazet van Antwerpen zijn verschenen. We moeten erkennen dat heel wat moslims dit stilzwijgend steunen.

We moeten erkennen dat een deel van de islam de normen en waarden die wij hier belijden, niet volgen. We moeten dat erkennen. Ik zal de moslims zeker niet allemaal over dezelfde kam scheren. Een minderheid volgt onze normen en waarden niet. Om daartegen te kunnen optreden, moeten we dat erkennen.

Wat is mijn kernboodschap? De manier om hiertegen op te treden, is net die grote groep moslims niet langer te laten zwijgen. Ze moeten samen met ons een tegendiscours voeren tegen de mensen die de islam misbruiken en instrumentaliseren tot een gewelddadige ideologie en een politiek instrument.

We moeten de handen in elkaar slaan met de moslimgemeenschap om daar een krachtig antwoord op te geven. Alleen door meer geld te geven aan straathoekwerkers en welzijn – voor alle duidelijkheid, ik ben daar niet tegen – komen we er niet. We moeten de volledige analyse onder ogen durven te zien. (Applaus bij de N-VA)

Mijnheer Diependaele, samen met twee andere burgemeesters heb ik twee jaar geleden als allereerste het probleem op de agenda gezet. Ik ben burgemeester in een stad waar 13.000 moslims wonen op 85.000 inwoners. We hebben de tweede grootste moslimgemeenschap in Vlaanderen en verhoudingsgewijs ook de tweede grootste. Uit mijn stad zijn nul moslims vertrokken. Nul! Dat is in belangrijke mate toeval en niet alleen de verdienste van een beleid, een beleid dat door velen wordt gedragen. Ik heb steeds geprobeerd de integrale oefening te maken.

We zeggen niet zoveel dingen die heel ver uit elkaar liggen. Als je verbindend wil zijn, dan is empathie het eerste wat je nodig hebt. Dat is de volgende vraag stellen: hoe kunnen we voorkomen dat Mohammed, 19 jaar, of Jejoen, 20 jaar, die beiden gefrustreerd zijn, om welke reden dan ook, en die zich beiden in deze samenleving niet goed in hun vel voelen, om welke reden dan ook, bezwijken voor de lokroep van diegenen die hun een heel simpele wereld voorspiegelen van absoluut goed en absoluut slecht? In onze maatschappij staan ze in hun hoofd onderaan de maatschappelijke ladder. In dat nieuwe zwart-wituniversum dat hun wordt aangeboden, zijn ze helden. Hoe kunnen we dat doen? Met welke empathie proberen we in de huid te kruipen van die jongeren om te verhinderen dat ze die stap zetten? En omgekeerd: hoe zorgen we ervoor dat die jongeren – of ze Jejoen, Jan, Mohammed of Ali heten – de democratie interioriseren, dat ze zich een volwaardig lid voelen van onze samenleving en zich betrokken voelen? Dat is de fundamentele vraag. Daar gaat het over.

Evident moet er worden opgetreden tegen politiek extremisme. Ik ben hoofd van een politie die daar elke dag aan werkt, samen met heel veel burgemeesters. Ik ben vragende partij voor strengere straffen. Ik pleit al een jaar voor het strafbaar maken van iedereen die in het buitenland gaat vechten. Ik heb daar geen enkel probleem mee, maar daarmee lossen we de kern van het probleem niet op. De kern van het probleem, het fundament, bestaat uit drie zaken: de democratie versterken en mensen ervoor winnen, samenleven en niet naast elkaar leven, en ‘walk your talk’, maak de samenleving geloofwaardig en vecht tegen vormen van achteruitstelling, discriminatie en racisme. (Applaus bij Open Vld)

De heer Janssens heeft het woord.

Mevrouw Meuleman, u doet een doorzichtige poging om het debat opnieuw in de richting van de besparingen te sturen. Laat ons de essentie toch niet vergeten. De aanslag van vorige week was een oorlogsverklaring, niet meer of niet minder dan een oorlogsverklaring van de radicale islam aan het vrije Westen. Er komt een moment dat u moet spreken in plaats van zwijgen, ook aan de linkerzijde. Er komt een moment dat u moet handelen in plaats van te minimaliseren.

Het gaat hier om mensen die de vrije meningsuiting betwisten, die andere waarden aanhangen die haaks staan op onze manier van leven, op de fundamenten van onze democratie: vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat, gelijkheid van man en vrouw. Alleen een streng en kordaat beleid dat tegen elke vorm van radicalisme en jihadisme optreedt, zal nog soelaas brengen.

De tijd van subsidiëring, van pamperwerk, van integratieprojecten moeten we achter ons laten. Dat hebben al vele decennia meegemaakt, en kijk waar het ons heeft gebracht. Ook aan de linkerzijde moet u eens luisteren naar de boodschap van bijvoorbeeld een socialistische burgemeester uit Nederland die heel duidelijk zei dat wie het hier niet past, maar elders waar het beter is zijn heil moet zoeken. Hij zei in niet meer of minder bedekte termen: “Aanpassen of opkrassen!”. Dat is de enige boodschap die we kunnen geven aan radicale islamieten. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Voorzitter, ik wil drie zaken oppikken uit het debat. Er wordt gepleit voor middelen enzovoort. Dat is inderdaad het debat over de besparingen en de begroting nog eens overdoen. Er zijn op dit moment ook heel veel andere zaken nodig. Er is al gepleit voor moed, moed om dingen te benoemen en het debat aan te gaan, om ook face to face het debat aan te gaan met mensen die aan het radicaliseren zijn. Dat is erg belangrijk: er niet gewoon over spreken, maar ook de confrontatie aangaan met de betrokkenen.

Er zijn vragen over hoe we moeten omgaan met het beroepsgeheim, als het gaat over Welzijn en Justitie. Ook dat is een punt dat op zich niets kost, maar waar wel afspraken over moeten worden gemaakt. Er is nood aan meer gegevensuitwisseling. Dat is vaak geen kwestie van financiële middelen, maar van goede afspraken en een juist kader.

We mogen niet vergeten dat voor een aantal mensen die in de val van extremisme trappen, de vertrekbasis een idealisme is dat op een verkeerde manier wordt aangesproken. Het komt erop aan om mensen bij wie er een positieve energie is, maar die heel snel kan ontsporen en in zeer gevaarlijke wateren terecht kan komen, op een goede manier aan te spreken, en niet meteen in een zwart-witverhaal terecht te komen. We moeten hen erop aanspreken en kijken hoe we die positieve energie in goede banen kunnen leiden voor positieve zaken.

Tot slot was er het discours vanuit Rotterdam, dat mensen die het niet eens zijn met onze waarden en normen, maar moeten opkrassen. Ik vind het bijna misdadig om te zeggen dat dergelijke mensen dan maar moeten worden losgelaten op de jezidi’s, de christenen, de sjiieten in Irak of waar dan ook. Het is een probleem van hier, en we zullen het hier moeten oplossen. (Applaus bij CD&V)

Collega’s, we kunnen de analyse natuurlijk maken. Er zijn de laatste weken al veel analyses gemaakt. Het heeft ons allemaal ontzettend geschokt. Er zijn ontzettend veel debatten geweest, die ook interessant waren, maar wij zitten in een parlement, wij zijn politici, en wij moeten twee dingen doen. Ten eerste moeten we een heel sterk signaal geven dat wij willen verbinden, maar ten tweede moeten we ook beleid voeren. En daar waren wij eigenlijk al maanden mee bezig. We waren al maanden bezig met een actieplan, met rondetafels, met praten met mensen uit binnen- en buitenland, om te kijken wat het beste antwoord van het beleid is.

Eén conclusie die we kunnen delen, denk ik, is dat de materie niet simpel is, maar net ontzettend complex. De oorzaken van radicalisering zijn velerlei en complex. Wie gelooft dat er eenvoudige antwoorden zijn, is verkeerd.

Tegelijk hebben wij bekeken waar we moeten op inzetten. En dat is veiligheid. Dan zie je dat betere coördinatie en het doorgegeven van gegevens belangrijke elementen zijn. Maar evengoed zie je dat de besparingen die nu doorgevoerd worden op federaal niveau, te hard zijn om de veiligheidsdiensten te laten werken, om hen het internet te laten surveilleren. Dat zijn zaken die belangrijk zijn en die we ook moeten durven te benoemen.

Als we hier naar buiten gaan en enkel de analyse maken en niet durven te spreken over het beleid en de politieke keuzes die moeten worden gemaakt, dan zijn we ook niet goed bezig, collega’s. Die boodschap wilde ik geven. Ik wil absoluut niet polariseren. Ik wil verbinden. Ik wil samen nadenken over politieke keuzes die ons vooruit kunnen helpen.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ik denk dat het parlement ook zeer goed beseft dat de vraag is hoe je binnen de middelen die beschikbaar zijn, een aantal keuzes kunt maken en prioriteiten leggen. Daarnaast is de vraag wat de specifieke noden zijn waarvoor naar extra middelen moet worden gekeken. Het is geen kwestie van daar nu een nieuwe laag van middelen, structuren en initiatieven bovenop te leggen. Ik hoop dat er geen enkele politieke partij is die denkt dat met dat soort mechanieken – meer van hetzelfde, altijd maar in termen van budgettaire groei – een aantal maatschappelijke problemen een antwoord kunnen krijgen. Zo werkt dat in deze samenleving niet. Dit is een probleem van een geglobaliseerde wereld. Het is een heel complex probleem, en we moeten in eerste instantie kijken naar wat we kunnen doen met de ons beschikbare mogelijkheden en middelen.

Er is in dit land naar aanleiding van vorige grote evenementen, crisissen en drama’s een heel arsenaal aan methoden ontwikkeld om een geïntegreerd veiligheidsbeleid te voeren. Veel collega’s hier hebben daar trouwens in al hun hoedanigheden aan meegewerkt. Als je een nationaal veiligheidsplan maakt, ga je daarin na hoe je met de gemeenschappen preventie een plaats kunt geven binnen dat nationale veiligheidsplan. Dat zullen we ook moeten doen als het gaat over gewelddadigheid en radicalisering. En dan moet je spreken over capaciteit van politie en alle actoren die daarin betrokken zijn. Die keuzes moeten in een veiligheidsbeleid altijd op een of andere manier gemaakt worden.

Met het beschikbare arsenaal van Welzijn, dat overigens zal groeien, moet dat kunnen. In de integrale jeugdhulp wordt geïnvesteerd. We moeten onze concepten en methoden gebruiken om dit probleem daarin te vertalen en aan te pakken. Er is een groot gebrek aan kennis bij tal van actoren die op de eerste lijn met die jongeren worden geconfronteerd. Dat is zo in het onderwijs, maar ook in de welzijnssector en in alle andere domeinen van de samenleving. We moeten de competenties van die actoren uitbreiden. Is dat de eerste keer dat we die oefening moeten maken? Neen, we hebben nog momenten gehad dat onze samenleving geschrokken was en revolteerde tegen gruwelijkheden. Ook toen moesten we die oefening maken. Laat ons nagaan hoe we snel die extra competenties kunnen inzetten. Laat ons nagaan hoe we in de integrale jeugdhulp concepten kunnen aanwenden om snel en goed reageren.

Laat ons proberen om de CLB’s en CAW’s snel aan te leren welke methoden werken en welke niet werken. We hebben heel veel mogelijkheden om een goede ondersteuning aan te reiken. Ik zie dus echt niet in dat we voor de keuze zouden staan om te besparen of om een goed geïntegreerd beleid te voeren. Zo mag men het probleem niet formuleren. Ik ben ervan overtuigd dat onze mogelijkheden op het vlak van samenlevingsopbouw, jeugdhulp, de werking van de CAW’s en de afspraken die met Justitie kunnen worden gemaakt groot genoeg zijn om een aantal belangrijke stappen vooruit te zetten. Ik betwist niet dat we hier en daar extra ondersteuning moeten aanbieden, maar dat kan gebeuren in het kader van het uitbreidingsbeleid dat we in 2015 en 2016 willen voeren.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Aanvullend bij wat minister Vandeurzen zegt, en ook aangespoord door een aantal uiteenzettingen, wil ik toch de insteek vanuit het beleidsdomein Onderwijs verwoorden. We werken hard aan een conceptnota. Ik heb de afgelopen dagen geprobeerd om me niet met ‘one shots’ te profileren, want een genuanceerde, positieve benadering is nodig. De vorige sprekers hebben al duidelijk gemaakt dat onderwijs een cruciale rol vervult. Ik wil dat benadrukken. Veel, zo niet alle leraren zetten kinderen en jongeren aan tot verdraagzaamheid en respect – ook wanneer het gaat over levensbeschouwelijke keuzes van de ouders die kinderen overnemen.

Mevrouw Krekels zei dat we de levensbeschouwingen niet mogen meenemen. In dat verband denk ik dat we dat toch kunnen doen, en wel op een positieve manier. Mijn voorganger, minister Pascal Smet, heeft op 17 april 2013, naar aanleiding van een actualiteitsdebat in dit halfrond, alle vertegenwoordigers van de interlevensbeschouwelijke competenties bij elkaar geroepen. Dat was een zeer goed initiatief, want daaruit is een protocol of samenwerkingsakkoord voortgekomen met daarin een kader dat aansluit bij een conclusie van een commissie die zich in 2012 heeft gebogen over levensbeschouwelijke vakken. In dat kader komt alles aan bod wat hier al is vermeld: respect, empathie, probeer respect op te brengen voor elkaars levensbeschouwing. Op basis van dit protocol heb ik het initiatief genomen om samen met mijn inspectie volgende week alle vertegenwoordigers van de levensbeschouwingen uit te nodigen om na te gaan hoe we, naar aanleiding van wat vorige week is gebeurd, kunnen voortbouwen op het engagement dat ze toen hebben aangegaan. Mevrouw Sminate zei hier dat leraren niet altijd een aantal elementen herkennen. Onze leraren levensbeschouwing kunnen helpen om bepaalde signalen te herkennen en te duiden. Dat is onze eerste actie.

Een tweede punt betreft de vaststelling dat iedereen het erover eens is dat we burgerschap, verantwoordelijkheid en verdraagzaamheid niet in een vakje mogen steken. Elke leraar is daarmee bezig, ook iemand die Nederlands, Frans of wiskunde geeft, of een onderwijzer in een lagere school, elke leraar moet pleidooien houden voor verdraagzaamheid. Ik ken geen enkele leraar die dat niet doet en die het omgekeerde zegt. Laten we dit dus niet verengen tot een bepaald vak, maar laten we dat vooral heel breed blijven bekijken. De eerste grote verantwoordelijkheid van Onderwijs is verdraagzaamheid, empathie en begrip voor elkaar te stimuleren.

Ik ben heel gevoelig voor alle signalen die worden gegeven. Mevrouw Meuleman verwijst naar wat mevrouw Verdyck gisteren zei op de nieuwjaarsreceptie van het GO! Ik heb ondertussen de heer Boeve en de vertegenwoordigers van het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten (OVSG) en het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (POV) ontmoet. We moeten signalen van radicalisering detecteren. Dat is niet vanzelfsprekend. Het is niet alleen de verantwoordelijkheid van de school, maar ook van de ouders, van de sportclub. Het kan op heel veel plaatsen. We moeten proberen alle expertise die vandaag bestaat, te delen.

Volgende week komen we samen met de koepels. Er zijn veel goede ervaringen in Vlaanderen. Verschillende directies hebben al veel expertise opgebouwd. Laat ons uitzoeken, voor we een budgettair debat aangaan, hoe we alle bestaande expertise kunnen delen met elkaar. In die zin wil ik verwijzen naar het effect van bepaalde belastingen die we doorvoeren. Het blad Klasse, dat tot voor kort in een gedrukte versie verscheen, maar dat nu de digitale toer opgaat, organiseert over twee weken een interactief debat met experts, dat te volgen is door alle klassen en scholen, om na te gaan hoe we de thematiek kunnen benaderen. Dat is bijna sneller dan papier het kan doen. Ik vind het schitterend dat dat wordt georganiseerd, dat Klasse vanuit een budgettaire krapte de juiste keuze maakt om moderne tools in te zetten en te gebruiken. Dat is heel positief.

Naast de detectie en het algemeen vormende, moeten we omgaan met signalen van radicalisering. De CLB’s hebben vandaag een cruciale rol. Ze willen die rol in de toekomst ook blijven spelen. Ze kunnen kortstondig jongeren opvangen en hulpverleningstrajecten sluiten. Ze kunnen ook doorverwijzen naar Welzijn. Die samenwerking verloopt goed.

In 2006 heeft de toenmalige minister van Binnenlands Bestuur een omzendbrief gemaakt over samenwerking tussen lokale politie en scholen. Dat was naar aanleiding van de moord op Joe Van Holsbeeck. De brief ging over geweld en hoe we daarmee omgaan. Je kunt die omzendbrief perfect uitbreiden tot de signalen en tekenen die wijzen op extremisme of radicalisering, en zo de scholen en lokale politiezones bepaalde ervaringen laten uitwisselen om de signalen beter te kunnen detecteren en sneller te kunnen komen tot actie als dat nodig is.

Vandaag stellen dat het warm water opnieuw moet worden uitgevonden, is absoluut onjuist. Er beweegt enorm veel op het veld. Vanuit mijn bevoegdheid Onderwijs zal ik in de komende weken ook initiatieven nemen om ervoor te zorgen dat we sneller kunnen detecteren en sneller kunnen ingrijpen, maar vooral dat de leerkrachten hun taak kunnen blijven doen die ze vandaag al doen, en dat is onderwijs bieden dat leidt tot tolerantie.

Mevrouw Van dermeersch heeft het woord.

Mijnheer Somers, u zegt dat u als eerste in uw stad het probleem op de agenda hebt geplaatst. U weet dat dat niet waar is: dat deed het Vlaams Belang in Antwerpen.

Hier worden nog dingen gezegd die kant noch wal raken. De analyses die worden gemaakt, zijn absoluut niet juist. Een analyse die dicht in de buurt komt, is wat de heer Diependaele zegt over een religie die politiek wordt geïnstrumentaliseerd. U moet weten dat de islam geen godsdienst is zoals we de meeste godsdiensten kennen, de islam is gewoon een politieke ideologie, die geen scheiding kent van kerk en staat en dat ook nooit zal kennen, want de teksten zijn niet voor interpretatie vatbaar. Daarin worden onderscheiden gemaakt, daarin wordt opgeroepen tot geweld. Het Jihadisme maakt deel uit van de politieke ideologie van de islam.

En dat moet hier geweten zijn. Het is mij opgevallen dat de analyse die hier wordt gemaakt, volkomen verkeerd is. Als uw analyse als uitgangspunt verkeerd is, zie ik ook niet veel heil in wat u hier als goede maatregelen zult nemen. U zou beter, net zoals de heer Somers heeft gedaan en het probleem in Mechelen op de agenda heeft gezet, de probleemanalyse eens duidelijk beluisteren en hier geen proces maken van extremisme alleen, radicalisering alleen. Ook racisme is hier trouwens mee op de hoop gegooid. Dat zijn allemaal dingen die absoluut niet goed te praten zijn. Maar het gaat hier niet over radicalisering. Het moet hier gaan over de gewelddadige islam waarvoor er geen plaats is.

U voert dit debat naar aanleiding van de extreem gewelddadige uitwas die we gezien hebben in Parijs. Maar mag ik u erop wijzen dat de islam ook in het dagelijkse leven terroriseert, in onze steden? Het gaat dan van genitale verminkingen, die ook hier gebeuren, tot en met het terroriseren van jonge meisjes die korte rokken dragen in de straten van Brussel, Antwerpen en andere steden van ons land.

Voor zo’n islam, die niet enkel een godsdienst is, maar een gewelddadige ideologie, is hier absoluut geen plaats. Dat moet het uitgangspunt zijn van dit debat. Men moet niet proberen alles te ‘containeren’ en het levensbeschouwelijke in het onderwijs daar al uit te filteren, net als de juiste analyse. We moeten durven zeggen waarover het gaat. Om te beginnen, moeten we de juiste analyse maken. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De heer Rzoska heeft het woord.

Collega’s, ik wil graag een tweetal dingen zeggen.

Ten eerste is het van groot belang dat we de sereniteit in het debat bewaren en terugkeren naar de kern. Ik wil daarbij iets duidelijk maken. Het is misschien verkeerd begrepen door een aantal mensen, maar ik ben het zeer hard eens met de manier waarop de heer Somers zijn betoog heeft gevoerd en de antwoorden die hij heeft gegeven. Collega’s, ik ben het ook zeer hard eens met de manier waarop minister Vandeurzen, minister Crevits en de minister-president bij het begin de toon van het debat hebben gezegd.

Wat mevrouw Meuleman voor een stuk bedoelde met haar vraag – dat is het enige wat achter die vraag zat – was dat we, gezien de complexe problematiek en aangezien het geen eenduidig verhaal is, ons niet mogen vastzetten op het taboe dat er geen middelen kunnen bij komen. Ik erken dat er heel wat kan gebeuren binnen de departementen. Minister Crevits, ik weet dat men dat ook doet binnen het onderwijsveld. Minister Vandeurzen is er even niet, maar ik weet dat men dat ook doet binnen Welzijn. Het pleidooi dat u houdt, is eigenlijk hetzelfde als het onze. Ik wilde dat misverstand uit de wereld helpen.

Collega’s, we waren goed begonnen aan het debat. Ik hoop dat we de serene toon terugvinden om op een volwassen manier met elkaar in debat te gaan. (Applaus bij de N-VA, CD&V, Open Vld, sp.a en Groen)

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Collega’s, ik sluit mij heel erg aan bij de vorige spreker en zeker bij de toon van de vorige spreker. Ik vind dat dit parlement geen forum en geen plaats mag zijn om in de nasleep van wat er in Parijs is gebeurd, opnieuw haatboodschappen te prediken.

Radicaal extremisme en moordaanslagen veroordelen, vergt geen enkele moeite, collega’s van het Vlaams Belang, ook niet van de linkerzijde. Maar nuance in het debat brengen en het debat op een serene toon voeren, dat vergt blijkbaar heel veel moeite. Het lukt bepaalde personen aan de rechterzijde in ieder geval niet om het op die manier te doen.

Voorzitter, er wordt verwezen naar de burgemeester van Rotterdam. Wat die burgemeester bedoelt, is dat dat soort uitingen van moorddadig geweld geen plaats heeft in deze samenleving, de onze, maar ook in geen enkele andere samenleving.

Het is aan ons allemaal, politieke partijen, middenveld, om collectief oplossingen te zoeken die gaan van het begin van de keten, van preventie, het voorkomen van radicalisering, tot het einde van de keten, tot justitie, vervolging en bestraffing van dat soort feiten.

In dit parlement, voorzitter, hebben we inderdaad een aantal cruciale bevoegdheden in handen. Ik ben het helemaal eens met wat de minister van Onderwijs heeft gezegd, namelijk dat er tussen religies en levensbeschouwelijke vakken op school meer dialoog moet zijn, meer uitwisseling van kennis vanuit de eigen levensbeschouwing en dat die dialoog ook moet worden gevoerd in het kader van de levensbeschouwelijke vakken.

Daarnaast denk ik dat er ook in dit parlement een groot draagvlak is, over de verschillende fracties heen, om ook het bredere debat te voeren over hoe we leren over levensbeschouwingen. Niet alleen het socialiseren in een levensbeschouwing, maar erover leren, verdient essentieel een plaats in ons onderwijs, net zoals de mogelijkheid om te leren filosoferen al van kleins af aan, net zoals de mogelijkheid om met alle leerlingen samen in elke klas dat debat rond burgerschapsvorming op school te voeren en die les in het curriculum te integreren. Ik hoop dat we de komende weken en maanden dat debat op een open manier zullen kunnen voeren.

Er is inderdaad gezegd in de vorige regering, ook door de minister van Onderwijs, dat de CLB’s een cruciale rol hebben te spelen in dit debat, dat de lokale overlegplatformen (LOP’s) een cruciale rol hebben te spelen in het detecteren en voorkomen van radicalisering. Wel, we hebben in de begroting die vorig jaar is goedgekeurd, drastische besparingen op die CLB’s doorgevoerd. Vijftig mensen moeten er afvloeien. Als het engagement hier zo duidelijk wordt genomen – ik juich dat absoluut toe – dat die rol versterkt moet worden, dan moet er bij de begrotingscontrole ruimte zijn om die investeringen te versterken om die radicalisering tegen te gaan en voor het een-op-een volgen van die jongeren. Het engagement is genomen door de minister van Onderwijs. De investeringen moeten volgen. Ik ben daar heel erkentelijk voor.

Mevrouw Gennez, u doet wat u en uw partij nu al vele jaren en al veel decennia doet, samen trouwens met een aantal van uw politiek correcte bondgenoten: u verwart islamkritiek met extremisme, u verwart islamkritiek met haatboodschappen en u gooit dat allemaal op een hoop. Intussen hebben u, uw partijgenoten en de traditionele partijen de mond vol van de vrije meningsuiting, maar blijkbaar geldt die vrije meningsuiting alleen maar voor iedereen die het met elkaar eens is en is er geen plaats of blijft u doof voor ongemakkelijke waarheden.

Mevrouw Gennez, ik zal niet aanvaarden dat u mijn partij, die al jarenlang waarschuwt voor oprukkend moslimextremisme, die al jarenlang waarschuwt voor het lakse immigratiebeleid en dat aan de kaak stelt, die na de aanslagen in Madrid, in Londen, in Brussel, in Amsterdam, en nu ook alweer in Parijs, andermaal feitelijk gelijk krijgt, gelijkstelt met diegenen waarvoor wij altijd gewaarschuwd hebben. Laat het voor u een geruststelling zijn: mijn partij en ik zullen zich niet verlagen tot het niveau van de radicale moslims die wij veroordelen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, de aanslagen op Charlie Hebdo en op de joodse supermarkt hebben een schokgolf van afschuw, verdriet en angst door onze samenleving gejaagd. Miljoenen mensen zijn op straat gekomen om respect te betuigen aan de slachtoffers en hun families en om op te komen voor onze vrijheid en voor onze veiligheid. Religieuze leiders hebben gezamenlijk een oproep gedaan om extremisme niet te beantwoorden met extremisme, maar te kiezen voor meer eenheid en verbondenheid.

Velen zijn in de pen gekropen om een antwoord te geven op de vragen en de emoties waarmee iedereen zit. Ze schreven dat we de veiligheidsrisico’s zeer ernstig moeten nemen maar ook de sociale problemen en de samenlevingsproblemen doortastend moeten aanpakken; dat het geen strijd is tegen de islam en tegen alle moslims maar wel tegen het gewelddadig moslimextremisme dat de islam misbruikt om terreur te zaaien; dat er evenwel binnen de islam ook tegengif moet worden geboden tegen de haatpredikers die op basis van de koran democratie, vrijheid en samenhorigheid afwijzen. Velen hebben ook terecht benadrukt dat het een wereldwijd probleem is. Onze waarden, onze samenleving, worden door het gewelddadig extremisme bedreigd.

Maar ook elders in de wereld zijn journalisten, vrouwen en onschuldige burgers het slachtoffer van gewelddadig extremisme. Getuige de terreur van Boko Haram, IS en Al Qaida, met onnoemelijk veel slachtoffers tot gevolg. Gewelddadig extremisme hoort niet thuis in onze samenleving, maar ook niet ergens anders.

Kortom, de samenleving heeft een zeer sterk signaal gegeven en verwacht een sterk antwoord van de politiek. En terecht. Daarom is het goed dat we daarover vandaag discussiëren in het Vlaams Parlement. Wat mijn fractie betreft, doen we dat met de bekommernis om een brede consensus te bereiken, over meerderheid en oppositie heen. Dat heeft ook de heer Somers benadrukt. We willen een doortastende integrale aanpak om gewelddadig moslimextremisme te bestrijden. Dat zijn we aan de samenleving verplicht. We moeten nu komen tot een alles overkoepelende aanpak van het radicalisme, een aanpak die echt iets verandert op het terrein.

En dat kan alleen als het Vlaamse en het federale niveau vanaf dag één samenwerken en hun preventieve en repressieve aanpak op elkaar afstemmen. Dat kan alleen lukken als Vlaanderen zijn welzijnsbevoegdheden maximaal invult en meer middelen vrijmaakt om radicalisering te voorkomen. Dat is wat wij willen vragen aan de Vlaamse Regering: dat zij constructief samenwerkt met het federale niveau en dat zij meer mensen en middelen vrijmaakt voor de aanpak van radicalisering.

Over hoe zo’n aanpak er concreet moet uitzien, zijn er de afgelopen jaren verschillende analyses gemaakt, rapporten geschreven, moties en resoluties ingediend, maatregelen genomen door de federale, regionale en lokale overheden. Die maatregelen hebben betrekking op het repressieve luik, waarvoor de bevoegdheden vooral liggen bij de politiediensten, de veiligheidsdiensten en Justitie, in samenwerking met lokale overheden en eerstelijnswerkers. Daarnaast heb je de curatieve aanpak, gericht op het ondersteunen en begeleiden van individuele personen die dreigen te radicaliseren of die willen deradicaliseren. En, zeer belangrijk, en daarvoor hebben wij ook op Vlaams niveau fundamentele bevoegdheden: de preventieve aanpak. Die is gericht op de brede samenleving en op diverse maatschappelijke sectoren, zoals Onderwijs, Welzijn, Jeugd en Sport. Het voornaamste doel is de voedingsbodems voor radicalisering zo veel mogelijk weg te nemen.

Eén ding staat vast: het vermijden, beheersen en bestrijden van gewelddadig extremisme is een uiterst complex probleem, dat een intensieve samenwerking veronderstelt tussen de federale, regionale en lokale overheden, zowel op politiek niveau als op operationeel niveau. Daarbij moeten gezamenlijk prioriteiten worden gesteld en daarvoor moeten de nodige middelen worden uitgetrokken. In budgettair moeilijke tijden is dat inderdaad niet evident, collega’s, dus dat is geen gemakkelijke oefening. Reden te meer om zeer gerichte keuzes te maken.

In juni 2013 trokken de burgemeesters van Antwerpen, Vilvoorde, Maaseik en Mechelen aan de alarmbel over de aanpak van de Syriëstrijders. Op hun initiatief werd een brochure gemaakt met richtlijnen voor de lokale besturen en aanbevelingen voor de regionale en federale overheid. De brochure biedt waardevolle input over het proces van radicalisering, het detecteren van risico’s en het ontwikkelen van een plan van aanpak op lokaal niveau.

In november 2013 werd dan in het Vlaams Parlement een motie aangenomen waarin aangedrongen wordt op een betere omkadering voor lokale besturen, scholen en welzijnswerkers, voor het opsporen van radicaliserende jongeren en voor een doortastend preventief beleid. In navolging van deze motie werd een ambtelijk expertenoverleg opgericht, dat in september 2014 voor het eerst samenkwam.

De burgemeester van Maaseik, de heer Creemers, heeft enkele dagen geleden evenwel zijn bezorgdheid geuit net over het gebrek aan samenwerking en het gebrek aan ondersteuning van de lokale besturen. Dat werd overigens ook benadrukt door de heer De Ro.

Wat burgemeester Creemers vanuit zijn eigen ervaring op het terrein aangeeft, vertolkt een bezorgdheid van zeer velen. Er zijn namelijk al verschillende maatregelen genomen en er worden vanuit de federale en Vlaamse overheid nieuwe maatregelen aangekondigd, maar of dit alles past in een gedeelde strategie over de verschillende beleidsniveaus heen, is nog niet duidelijk.

Dat brengt me bij mijn eerste vraag aan u, minister-president. Niemand zal ontkennen dat er vanuit de verschillende overheden uiteenlopende maatregelen zijn genomen op het vlak van repressie, preventie en remediëring. De vraag stelt zich of al die verschillende maatregelen wel passen in een gezamenlijk strategie, met eenduidige afspraken en verantwoordelijkheden en met goede informatie-uitwisseling. Een veelgehoorde bekommernis op het terrein is dat ouders, vrienden of familie die geconfronteerd worden met een jongere die dreigt te radicaliseren of geradicaliseerd is, niet weten waar ze het best aankloppen. In het beste geval spreken ze verschillende diensten aan, in het slechtste geval geen enkele omdat ze geen zicht hebben op de gevolgen van zo’n melding en dus de stap niet wagen. Onduidelijkheid over bevoegdheden, het naast elkaar werken van diensten, onvoldoende informatie-uitwisseling, het naar elkaar doorspelen van verantwoordelijkheden zijn de achilleshiel van een doortastende integrale aanpak, die u ook in uw betoog als zeer belangrijk hebt benadrukt.

Met zoveel betrokken spelers is een integrale ketenaanpak noodzakelijk. Zo’n ketenaanpak is maar zo sterk als zijn zwakste schakel. Hiaten in de keten kunnen we ons echt niet permitteren. Kortom, minister-president, is er op dit moment zo’n integrale strategie in samenwerking met de andere overheden in ons land? Het is immers goed om namens ons land te pleiten voor meer Europese samenwerking in het kader van terreurbestrijding, maar moet er in ons eigen land ook niet meer werk worden gemaakt van een gedeelde strategie en samenwerking? Is er over deze problematiek een regelmatig overleg met het federale niveau en met de ministers-presidenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Wallonië en de Duitstalige Gemeenschap? Hebt u bijvoorbeeld reeds met collega Vervoort samengezeten om concrete afspraken te maken over de aanpak van vertrekkers naar en terugkeerders uit Syrië? Deze Syriëstrijders opereren immers in netwerken die zich vertakken over de regio’s heen. Als een Antwerpse terugkeerder zich in Brussel ophoudt, dan is het belangrijk dat men deze vanuit Brussel intensief opvolgt en de nodige informatie hierover uitwisselt. Het zou goed zijn, minister-president, dat er snel duidelijkheid komt over de afstemming en samenwerking met de verschillende overheden.

Maar goed samenwerken is niet het enige dat we moeten doen. We moeten ook ten volle onze verantwoordelijkheid nemen op het Vlaamse niveau, vanuit onze eigen bevoegdheden. Vlaanderen heeft met zijn bevoegdheid voor onder meer onderwijs, welzijn, jongerenwelzijn, integratie, sport, tewerkstelling en stedenbeleid een aantal cruciale hefbomen in handen om radicalisering te voorkomen, tijdig te detecteren en te remediëren. Ook in onze eigen regio dringt zich een gecoördineerde strategie op. Er is een ambtelijke werkgroep, maar een duidelijk strategisch kader is er nog niet of is onvoldoende gekend.

Daarnaast rijzen er een heleboel vragen over hoe men vanuit Welzijn en Onderwijs gaat inspelen op deze problematiek. Verschillende geradicaliseerde jongeren worden door de jeugdrechter geplaatst in gesloten centra. Jongerenwelzijn probeert de instellingen voor te bereiden op de komst van deze geradicaliseerde jongeren. Vanuit de administratie werd hierover een nota opgesteld, met de vaststelling dat er nog veel onbeantwoorde vragen zijn en Jongerenwelzijn niet goed lijkt te weten wat er met deze geradicaliseerde jongeren moet gebeuren. Daarom minister Vandeurzen, hoe kijkt u aan tegen deze problematiek? U gaf aan dat er nood is aan expertiseopbouw. De signalen die we nu krijgen vanuit de jeugdinstellingen zijn echter niet geruststellend. Naast expertise-ontwikkeling is er kennelijk ook nood aan een duidelijk draaiboek met een duidelijk plan van aanpak voor zorginstellingen en welzijnswerkers.

Een ander aandachtspunt is de invulling van de nieuwe bevoegdheid die Vlaanderen heeft op het vlak van jeugdsanctierecht. Zijn er op dat vlak al initiatieven genomen om een strategie en richtlijnen te ontwikkelen voor de jeugdrechters? Stel dat men op federaal niveau zou beslissen om op vraag van de ouders de reisdocumenten van minderjarige Syriëstrijders die op het punt staan te vertrekken, in te trekken, komt dan de jeugdrechter automatisch in beeld? Of verschilt dat van jeugdrechter tot jeugdrechter? Dat is mijns inziens niet wenselijk. We moeten vermijden dat er op dat vlak een ad-hocaanpak groeit zonder duidelijke strategie.

En meer algemeen, wordt er gewerkt aan een integraal deradicaliseringsprogramma vanuit het oogpunt van het justitieel welzijnswerk? Nu legt de rechter het deelnemen aan een deradicaliseringsprogramma wel eens op als voorwaarde, maar is er op dat vlak een intensieve opvolging van de inhoud en de concrete uitvoering van zo’n programma? Zou het niet aangewezen zijn om daarover ook een algemene strategie te hebben?

Een ander beleidsdomein waar nadrukkelijk naar wordt gekeken is onderwijs. In de beleidsnota Onderwijs komt de problematiek niet expliciet aan bod. In de praktijk is er op ambtelijk niveau wel een samenwerking tussen de onderwijsadministratie en de veiligheidsdiensten. Het gaat over de detectie van problemen en het beheersen van veiligheidsrisico’s. Onderwijs speelt uiteraard ook een fundamentele rol op het vlak van preventie. Minister, u gaf daarnet aan dat u werkt aan een aantal concrete initiatieven om scholen en leerkrachten te ondersteunen. Ik kijk daarnaar uit. Leerlingen samen leren omgaan met gevoelens van afschuw, angst, afwijzing en wraak zijn essentieel. Zomaar verwachten dat leerkrachten automatisch weten hoe ze daarmee moeten omgaan, is te veel gevraagd. Ik hoor nu dat men een digitaal debat zal organiseren. Ik hoop dat als gevolg daarvan een concrete aanpak wordt uitgewerkt om die leerkrachten daarbij te ondersteunen.

Tot slot wil ik aan minister Homans een vraag stellen over de betrokkenheid van de moslimgemeenschap, de moskeeën, de imams en de islamleerkrachten in de discussie over en de aanpak van de problematiek. In de strijd tegen het gewelddadig moslimextremisme spelen religieuze leiders, islamleerkrachten en consulenten een cruciale rol. Maar dan moeten ze daartoe uitgerust en ondersteund worden.

Vanaf volgende week starten we de discussie in het parlement. Laten we zorgen dat we snel tot een brede consensus komen over een concrete aanpak die op het terrein het verschil maakt. Als meer dan een miljoen mensen in Parijs elkaar de hand reiken, moeten wij dat ook kunnen. (Applaus)

Minister Homans heeft het woord.

Minister Liesbeth Homans

Ik wil algemeen antwoorden op de vragen die mevrouw Kherbache heeft gesteld.

Vorige week in de commissie Binnenlands Bestuur – de heer Somers en nog andere commissieleden waren daarbij aanwezig – is redelijk ruim gedebatteerd over de problematiek naar aanleiding van drie of vier vragen om uitleg. Ik heb toen duidelijk gesteld dat het plan dat we nu hebben, de conceptnota die nu vrijdag geagendeerd staat op de Vlaamse Regering, niet is ontstaan op basis van holderdebolder werk en ook niet omwille van de dramatische gebeurtenissen vorige week in Parijs.

Over het feit dat het een werk van lange adem is geweest, stond in het regeerakkoord en in mijn beleidsnota Inburgering, Stedenbeleid en Binnenlands Bestuur bewust niets. Ik wil dit nog eens herhalen omdat ik vermoed dat er misschien nog uiteenzettingen daarover zullen volgen. Ik heb dit bewust niet in mijn beleidsnota opgenomen omdat ik niet een bepaalde groep wil stigmatiseren. Dat zou niet goed zijn.

Bovendien weten we ook dat veel van de jongeren die naar Syrië vertrekken, bekeerlingen zijn. Het zijn mensen die nooit, maar dan ook nooit met een inburgeringstraject geconfronteerd zijn geweest. Het zou niet verstandig zijn, ook al heeft een bepaalde partij dat gesuggereerd, om het te doen bij Inburgering. Ik heb het gedaan binnen Binnenlands Bestuur en Stedenbeleid.

Wat werd gezegd over een allesoverkoepelende aanpak, is waar. Niet alleen mevrouw Kherbache, maar ook de heer Somers verwees ernaar dat het absoluut noodzakelijk is dat er afstemming is tussen de verschillende niveaus. Hier wordt echter een niveau vergeten. Ik heb dat vorige week in de commissie ook al gezegd. Het gaat uiteraard om de Vlaamse overheid en de federale overheid, maar ook de lokale overheden hebben belangrijke hefbomen in handen. Ik zal het voorbeeld niet herhalen, iedereen die geïnteresseerd is, kan het lezen in de Handelingen van de desbetreffende commissie.

Ik heb het voorbeeld aangehaald van een burgemeester – niet die van Mechelen en ook niet die van Antwerpen – die in paniek belde omdat een lokale huisvestingsmaatschappij een vraag kreeg van iemand die teruggekeerd is uit Syrië. Volgens de wachtlijst komt die persoon in aanmerking voor een sociale woning en kon er niets anders worden gedaan dan die woning toewijzen. Het ambtelijk schrappen van dergelijke personen is een klein beetje de verantwoordelijkheid van de lokale besturen, in samenspraak met de lokale overheid welteverstaan. Dat gebeurt nu volgens mij ook.

Ik las vandaag in een krant dat het toch jammer is dat we een globaal plan van aanpak missen. Volgens mij ontbreekt dat niet. Omdat we met verschillende beleidsdomeinen, bevoegdheden en overheden zitten, is het normaal dat er niet echt een globaal plan van aanpak is. We moeten streven naar een zo goed mogelijk geïntegreerd plan van aanpak. En dat doen we absoluut. We hebben de Expertencommissie met niet alleen mensen van de beleidsdomeinen Welzijn, Onderwijs, Integratie, Binnenlands Bestuur, Jeugd en Werk, maar ook iemand van de FOD Binnenlandse Zaken en iemand van het OCAD. Dat is belangrijk.

Mevrouw Kherbache stelde de concrete vraag of er contact werd opgenomen met Brussels minister-president Vervoort. Dat is al meerdere keren gebeurd. Ik kan u met vreugde melden dat er volgende week een vervolgvergadering plaatsvindt. De samenwerking met Brussel is ook belangrijk, we hebben daar zeker al op geanticipeerd. 

Mevrouw Kherbache en mevrouw Meuleman, u stelde een vraag over middelen – en u gaf daarbij inderdaad niet aan dat we het begrotingsdebat zouden moeten overdoen. Ik denk dat het geen kwestie van middelen is, maar wel van af en toe de prioriteiten verleggen. Af en toe moeten we durven te zeggen dat we wel subsidies hebben uitgetrokken voor bepaalde projecten, maar dat we andere prioriteiten hebben binnen de meerderheid of binnen het parlement, misschien wel kamerbreed gedragen. Op zo’n moment moeten we de middelen ook consequent inzetten op onze prioriteiten.

U vroeg ook of er in de Vlaamse overheid een aanspreekpunt is, omdat u de indruk hebt dat bepaalde lokale besturen een beetje aan hun lot worden overgelaten. U weet wellicht dat ik eind 2014, twee of drie weken geleden dus, twee subsidiedossiers heb goedgekeurd. Een was dat van de vzw Motief. De vzw speelt vooral in op het aanbieden van vormingscursussen voor eerstelijnsmedewerkers en dergelijke meer, een heel mooi initiatief. Ik heb ook een subsidie van 114.000 euro gegeven aan de VVSG. De persoon in kwestie is maandag begonnen. Het is de bedoeling om in de eerste plaats te inventariseren wat er momenteel al allemaal bestaat. Het lijkt me niet verstandig om middelen, tijd en arbeid te steken in het opnieuw uitvinden van allerlei projecten als er al goede praktijkvoorbeelden zijn in bepaalde steden en gemeenten die ermee worden geconfronteerd. Het is goed dat er nu een concreet aanspreekloket, een aanspreekpunt, bestaat voor de steden en gemeenten. Het zijn immers niet alleen steden die met deze zaken worden geconfronteerd, het kunnen ook gemeenten zijn.

Het is ook belangrijk – dat heb ik in het debat over mijn beleidsnota Stedenbeleid ook al heel duidelijk aangehaald – om af te stappen van de traditionele aanpak met een stedenbeleid dat vooral is gericht op de dertien centrumsteden. We stappen nu af van die aanpak, we bekijken veeleer waar zich bepaalde maatschappelijke tendensen voordoen – om de stad Vilvoorde niet bij naam te noemen, want dat is geen centrumstad.

Ik wil alle vertegenwoordigers van de centrumsteden geruststellen. Dit wil niet zeggen dat de centrumsteden minder geld zullen krijgen. Maar het gaat om een verschil in visie. Het is belangrijk dat je in dergelijke zaken ook rekening houdt met de niet-centrumsteden.

De gecoördineerde strategie en visie van deze Vlaamse Regering bestaat dus wel degelijk. De conceptnota wordt vrijdag besproken en hopelijk ook goedgekeurd, en dat zal vervolgens uitmonden in een aantal concrete actieplannen.

Mevrouw Kherbache, u stelde een zeer concrete vraag over dialoog. En de heer Somers zei dat het zeer belangrijk is om in dialoog te gaan. Ik kan u zeggen dat de Moslimexecutieve zelf met mij contact heeft opgenomen naar aanleiding van de gebeurtenissen in Parijs. Ik heb er natuurlijk al contact mee gehad in het verleden. Wij hebben voor volgende week een afspraak vastgelegd. (Applaus)

Minister Jo Vandeurzen

Voorzitter, omdat er een aantal zeer juiste vragen zijn gesteld, geef ik enkele korte antwoorden.

In de gemeenschapsinstellingen zijn wij natuurlijk al een tijdje bezig met deze problematiek. Het is vandaag al een paar keer in het nieuws geweest. In een dienstorder van juli 2014 hebben wij geprobeerd om aan te geven hoe wij in de gemeenschapsinstellingen moeten omgaan met het gegeven dat radicaliserende jongeren, met al of niet een risico op geweld, door een jeugdrechter worden geplaatst. Die dienstorder beschrijft een aantal zaken: hoe ga je om met een juiste diagnose; risicotaxatie; hoe ga je om met de begeleiding van die jongeren. Het is niet de bedoeling om een soort van standaardbegeleidingspakket te maken, maar er zijn wel zaken die je in het oog moet houden en waarop je door die dienstorder wordt geattendeerd. Er wordt expliciet verwezen naar ‘best practices’, goede voorbeelden die inspirerend kunnen zijn en die ondertussen ook gebrieft zijn naar de leidinggevenden als zijnde de modellen waarop men zich eventueel kan baseren. Er wordt ook beschreven wat je moet doen als die jongeren extern contact hebben met familie of vrienden. Wat moet je doen als je merkt dat die jongeren toch nog willen mobiliseren? Wat moet je doen als je merkt dat er veiligheidsrisico’s zijn en wat betekent dat voor de lokale politie? Enzovoort.

Het zou oneerlijk zijn om te beweren dat dat allemaal loopt als een trein en dat dat allemaal zeer goed doorleefd is bij iedereen die erbij betrokken is. Maar dat het proces bezig is en dat men tracht dat te verwerken en die competenties te verwerven, kan ik alleen maar bevestigen. We doen dat al meerdere maanden.

Mevrouw Kherbache, u hebt zeer interessante vragen gesteld over de doorstroming van de informatie. Het is heel duidelijk dat binnen de bestaande concepten – zoals het nationaal veiligheidsplan, de kadernota Integrale Veiligheid, de interministeriële conferentie (IMC), het veiligheids- en handhavingsbeleid – er nog zeker over die thema’s zal moeten worden gesproken. Ik geef een heel concrete illustratie. Op het ogenblik dat wij gevat waren door de problematiek van de jongeren die vanuit deze radicaliseringsproblematiek worden geplaatst in de gemeenschapsinstellingen, hebben wij ons moeten organiseren om veiligheidsmachtigingen te hebben, om binnen onze administratie en gemeenschapsinstellingen in staat te zijn om de informatie van de staatsveiligheid en van het OCAD te kunnen ontvangen, voor zover het om informatie gaat waarvoor je een veiligheidsmachtiging nodig hebt. Ik ben het daar helemaal mee eens. Ik zal zeker niet zeggen dat we daar al helemaal op kruissnelheid zitten. Dat soort oefeningen moeten we zeer consequent en consistent doen. We hebben ons georganiseerd om met die veiligheidsmachtigingen in staat te zijn om met het OCAD te kunnen spreken en die informaties te kunnen ontvangen.

Minister Homans zei al dat er op het terrein al heel veel bezig is. We hebben absoluut niet de behoefte om nu plots te doen alsof er nu opeens heel veel nieuws zal worden ontdekt. Er zijn veel initiatieven, ook in de integrale jeugdzorg, die specifiek gaan over de radicaliseringsproblematiek. Mevrouw Kherbache, u bent van Antwerpen en zult dus zeker De Touter en Elegast kennen, waar met de middelen van de stad – dat moet gezegd, want er zijn zeer veel actoren die mee ondersteunen – thuisbegeleidingsdiensten kunnen worden georganiseerd en waar mensen die actief zijn in de integrale jeugdhulp, gespecialiseerde trajecten en programma’s van deradicalisering kunnen opzetten voor geradicaliseerde jongeren. We moeten datgene wat wordt opgebouwd, verduurzamen en breed uitrollen zodat het overal op een goede manier wordt geïnterioriseerd in de werking.

Dat zal niet betekenen dat er niet hier en daar extra werk zal zijn. Dat is wel het grote idee dat we in de jeugdhulp naar buiten willen brengen. Als het om volwassenen gaat, zullen we met de CAW’s moeten werken. Er zijn de bekende betrokken actoren. Zo zijn ook de diensten herstel en constructieve afhandeling erg betrokken. Aan een aantal hebben we de mogelijkheid gegeven om niet te moeten wachten op een beslissing van de rechter, maar rechtstreeks toegankelijk te zijn, snel op de bal te kunnen spelen, en om in zulke situaties te kunnen optreden.

U hebt veel terechte vragen. Sommige antwoorden moeten juridisch-technisch goed geëquilibreerd zijn, omwille van aspecten van privacy en beroepsgeheim. We gaan dat zeker proberen uit te rollen en te verbreden.

Nog één punt. U hebt een heel interessante vraag gesteld over de positie van de jeugdrechters. Het is inderdaad een vraag van Welzijn om te kunnen spreken met de actoren van Justitie. Met het parket is dat nog relatief eenvoudig omdat het een hiërarchische structuur heeft. Maar als men met zetelende magistraten te maken krijgt, is de grote vraag: wie vertegenwoordigt wie als het erop aankomt voorspelbare trajecten uit te zetten? Wat zijn de types maatregelen die een zetelend rechter, een onderzoeksrechter en vooral een jeugdrechter kan nemen? Hij is natuurlijk vrij en onafhankelijk, hij mag te allen tijde afwijken.

Het is wel de bedoeling, en wij zijn alleszins vragende partij, dat er aan de kant van Justitie een organisatie bestaat om met ons te spreken over dit soort zaken. Als de ene jeugdrechter, en dat hebt u heel juist gezegd, zus beslist, en de andere zo, dan wordt het zeer moeilijk om een gestroomlijnde aanpak op poten te zetten. Ik zeg niet dat ze verplicht moeten worden want ze zijn grondwettelijk beschermd in hun onafhankelijkheid, maar het punt dat ze op collectief niveau, als groep, zich zouden moeten organiseren om met ons te kunnen overleggen, is een zeer essentieel punt. Ik vind dat Vlaanderen ten opzichte van de actoren van Justitie echt vragende partij moet zijn.

Minister-president Geert Bourgeois

Mevrouw Kherbache, ik wil uw vraag beantwoorden. Ik deel met een aantal collega’s de mening dat we moeten zoeken naar gemeenschappelijke inzichten en standpunten. We mogen dat niet ‘partijpolitiseren’. Daarvoor is deze aangelegenheid te belangrijk. Het werd door heel veel collega’s benadrukt: het gaat hier om het wezen van onze samenleving, om de kern.

Er zijn vier luiken: preventie, detectie, ontrading en veiligheid. U hebt gelijk, mevrouw Kherbache: die zaken raken elkaar. Het is evident dat er voor een beleid inzake detectie verbinding is met het OCAD en de Staatsveiligheid. Die diensten kunnen vaak wijzen op evoluties en manieren om te detecteren. Ik heb het al beklemtoond: die verbindingen zijn daar. Er is samenwerking tussen Onderwijs en de Staatsveiligheid.

Het is heel belangrijk dat we het luik preventie met zijn allen dragen. Daarom wil ik nog eens beklemtonen dat ook de moslimgemeenschap in dit land in het kader van de interlevensbeschouwelijke dialoog opkomt voor de universele rechten. Dat is zeer belangrijk. Het is lang niet evident geweest, en nu wel. Ze onderschrijven die rechten.

Hoef ik u te wijzen op de imam van Islam4UK? Hij komt publiekelijk beweren in de media dat hij het daar niet mee eens is, dat hij de vrijheid van meningsuiting verwerpt, dat die incompatibel is met de islam.

Ik heb als minister van Inburgering gelukkig de kans om heel wat contacten te leggen, net zoals er heel veel lokale bestuurders die dat kunnen, minister Homans heeft er ook zoveel, net als elke minister binnen zijn vakgebied, met de islamgemeenschap. Ik kan u verzekeren dat die mensen zich inschrijven in onze samenleving. Het is belangrijk om dit te beklemtonen. Precies omdat we die pluralistische samenleving hebben, die de kans geeft aan elke levensbeschouwing en dus ook aan de islam, die we trouwens erkennen en subsidiëren, is er ook de mogelijkheid om die levensbeschouwing te beleven. Wie zich daartegen afzet, is niet compatibel met onze samenleving. Daar wijken wij niet van af. De kerk-staatverhouding moet er een van strikte scheiding blijven.

Dat is essentieel. Dat moeten we blijven beklemtonen. Dit gaat over burgerschap, gerelateerd aan die verlichtingswaarden. Dit gaat over de ‘citoyenneté’, zoals men die nu in Frankrijk beklemtoont, verbonden aan die fundamentele waarden.

Zoals collega Crevits zegt, is dat niet alleen een zaak van het onderwijs. Dit loopt dwars door alle vakken in het onderwijs. Men kan van elke onderwijzer, van elke leerkracht verwachten dat, wanneer de gelegenheid er is, dit ook wordt beklemtoond, aan de hand van voorbeelden, reacties enzovoort. Het is ook een zaak van ons allen, elke dag, in onze attitude, in ons omgaan met anderen. Ik meen dat we dit als verantwoordelijke politici moeten beklemtonen.

Mevrouw Kherbache, die onderdelen preventie, detectie, ontrading en veiligheid lopen door elkaar. Dat is evident. Ik wil niet polemiseren, maar ik wijs erop dat ik in de vorige periode herhaaldelijk aan de minister die toen federaal bevoegd was voor Binnenlandse Zaken, heb gevraagd om bijeen te komen, om samen te werken. Dat is nooit gebeurd. Nu hebben we voor het eerst contact gehad met premier Michel, zoals u weet. Tijdens een ontbijtvergadering hebben we dat punt aangekaart. Ook de andere deelstaten hebben dat aangekaart, dus ook het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest, en de Franse Gemeenschap. Daar is afgesproken om dat te doen. Ik had gehoopt dat het sneller zou gaan. Het wordt nu voor het eerst op de agenda van het Overlegcomité gezet. Ik hoop dat we snel samenkomen, want die dingen kun je inderdaad niet op een eilandje aanpakken. Je moet ervoor zorgen dat er informatiedoorstroming is, dat er samenwerking kan zijn. We zijn daar absoluut toe bereid.

Ik wil echter ook – en heel veel leden hebben dat beklemtoond – absoluut vermijden dat er een beeld zou ontstaan dat deze regering nog moet beginnen. Ik ben absoluut niet te beroerd om te zeggen dat er belangrijke initiatieven zijn genomen door de vorige regering, ook door mensen van uw partij. Laten we dat dus overstijgen. Het is minister Smet geweest die is begonnen met de vraag aan de universiteiten om te komen tot een opleiding Islamitische Godsdienstwetenschappen. Dat is geen imamopleiding. Laten we wel wezen: die leiden we niet op. Dat lijkt me belangrijk in onze samenleving. Er zijn toen heel wat initiatieven genomen, ook in Onderwijs, ook door collega Vandeurzen in Welzijn, ook door mezelf bij Binnenlands Bestuur en Inburgering. Ik ben blij dat die interlevensbeschouwelijke dialoog werkt, maar er is inderdaad nog iets dat ontbreekt, namelijk die samenwerking op ministerieel niveau, op ambtelijk niveau vaak, met de federale overheid en de andere deelstaten. Er zijn natuurlijk al wel samenwerkingsverbanden, zoals ik heb gezegd, met de Staatsveiligheid en op andere vlakken.

We zijn dus vragende partij. De principiële afspraak is gemaakt. Eind deze maand behandelt het Overlegcomité dit. Ik hoop dat we daarna met de betrokken ministers daadwerkelijk aan tafel kunnen zitten om tot de nodige uitwisselingen en afspraken te kunnen komen.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Kherbache, u had me persoonlijk aangesproken. Ik wil u gewoon melden dat ik denk dat ik al op uw vragen heb geantwoord. U zei me in blijde verwachting te zijn van een aantal initiatieven. Ik zou de bal willen terugkaatsen. U weet dat de vorige minister van Onderwijs tot uw partij behoorde, van uw strekking was, en die heeft een aantal zaken in de steigers gezet. We bouwen daar dus op voort. Ik gooi dat niet weg, maar ik hoop dat we inderdaad vooral met betrekking tot kennisdeling en signaaldetectie heel snel tot meerwaarde kunnen komen.

Ik wil een aanvulling geven op wat de minister-president zei over de imams en de opleiding. Het is geen imamopleiding. Ik wil er toch wel op wijzen dat die professionaliseringstrajecten er zijn gekomen op vraag van de gemeenschap zelf. Het is dus niet zo dat wij iets hebben uitgevonden. Die trajecten zijn er gekomen na overleg en op vraag. We kunnen nog niet echt evalueren, maar op dit ogenblik zijn er 27 studenten ingeschreven in de nieuwe opleiding in Antwerpen, en 8 in Leuven. Het zijn hoofdzakelijk meisjes, maar dat zijn wel mensen die bijvoorbeeld straks ook aan de slag kunnen gaan als islamconsulent in de gevangenissen. Ik verwacht dus wel veel van die professionaliseringstrajecten, omdat ze natuurlijk ook de kennis en de tolerantie voor een stuk kunnen vergroten.

Voorzitter, ik wou nog even terugkomen op de repliek van minister Vandeurzen. Minister, u zegt dat we eigenlijk moeten verduurzamen wat bezig is. Ik hoop dan toch dat we allemaal de interpretatie van ‘verduurzamen’ delen die de heer Somers hier net heeft verwoord, namelijk dat we dus op nogal wat vlakken een tandje zullen moeten bijsteken, ook voelbaar op het terrein. Ik zal niet ontkennen dat daar zaken bezig zijn, maar ik kan ook niet om de vaststelling heen dat tot op vandaag jeugdrechters teruggekeerde minderjarige Syriëgangers in gesloten jeugdinstellingen plaatsen en dat het personeel daarvan aangeeft eigenlijk niet goed te weten hoe ze daarmee moeten omgaan.

Minister, u hebt verwezen naar de dienstorder van juli 2014 en naar de lopende opleiding om begeleiders te trainen. Die begeleiders moeten vervolgens het personeel van de instellingen in hun omgang met deze groep sterken.

Ik heb een heel concrete vraag. Wanneer zal dit op het terrein voelbaar worden? Wanneer worden die mensen actief? Wanneer zal het personeel van de gesloten instellingen op het terrein ondersteuning krijgen? Zij worden nu reeds geconfronteerd met een doelpubliek waarmee zij vooralsnog, blijkens hun getuigenissen in de pers, niet adequaat kunnen omgaan.

Er is hier al veel gesproken over de verschillende initiatieven die op het vlak van onderwijs en welzijn zijn genomen. Ook de samenwerking tussen de federale overheid en de Vlaamse overheid is hier al aangekaart. Hetzelfde geldt voor de samenwerking op het Europees niveau.

Ik zou graag het belang van een Europese samenwerking en gegevensuitwisseling aankaarten. Zoals iedereen weet, ligt mijn stad, Menen, pal op de grens. Het is niet altijd evident om een beleid ten aanzien van radicalisering te voeren met aan de andere kant van de straat een ander land, Frankrijk. Het is niet evident die Franse gegevens te krijgen.

Ik zou de Vlaamse Regering ertoe willen oproepen hieraan de nodige aandacht te besteden. Het gaat niet enkel om de Europese samenwerking. Er moet eventueel, als dit mogelijk is, een grensoverschrijdende samenwerking op microniveau komen. De Vlaamse Regering zou eventueel ook moeten nagaan of het mogelijk is op het vlak van onderwijs en welzijn grensoverschrijdende initiatieven te nemen. Deze initiatieven moeten niet op Europees niveau, maar op microniveau worden genomen.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Voorzitter, het antwoord op de vraag van de heer Van Malderen luidt dat dit uit de conceptnota zal moeten blijken. We moeten een algemeen plan opstellen voor de uitrol van de vormingsinitiatieven. We zijn ermee bezig. Dit gebeurt al in Vlaams-Brabant. We hebben quota. Alle partners zijn ermee bezig. We zullen hier een systematiek in brengen.

Op die manier zullen we gradueel kunnen beschikken over een aantal mensen die opleidingen kunnen geven. Dan kunnen we ook in de gemeenschapsinstellingen en in de behandelingssettings kijken op welke wijze hier het best mee kan worden gewerkt.

Dat zal niet van vandaag op morgen gebeuren. Het is een verhaal over opbouw. Er zijn een aantal sporen getrokken die we nu moeten verbreden. We moeten ervoor zorgen dat we de acties voor heel Vlaanderen consequent kunnen coördineren.

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Voorzitter, waarom sta ik hier vandaag? Toen ik vijf jaar geleden voor het eerst volksvertegenwoordiger werd, hoopte ik dat ik hier nooit over dergelijke onderwerpen zou moeten spreken. Ik heb me steeds met thema’s als sociale zaken, sociale fraude, gezondheidszorg en bestuurszaken beziggehouden.

Vandaag sta ik hier omdat ik niet anders kan. Ik wil niet spreken namens alle journalisten of alle agenten. Ik ben niet Charlie of Ahmed. Ik wil ook niet in naam van alle moslims of alle burgers met een migratieachtergrond spreken. Ik wil hier spreken als bezorgde Vlaming. Ik wil als politica echter ook de vinger op de wonde leggen. Ik ben ervan overtuigd dat enkel een eerlijke en correcte analyse van dit probleem een antwoord kan bieden op deze problematiek en aan diegenen die onze samenleving op een dergelijke wijze aanvallen.

Hoe is het zo ver kunnen komen? Ik vertrek vanuit de analyse dat wij, in Vlaanderen en in Europa, met betrekking tot onze normen en waarden de afgelopen decennia enorm zijn geëvolueerd. Het gaat dan over de vrije meningsuiting, maar ook over de verhouding tussen man en vrouw en over de vrije keuze van godsdienst.

Het probleem is dat een deel van de bevolking niet mee geëvolueerd is en is blijven steken in een soort onwrikbare waarheid die in mijn ogen eeuwen achter ons ligt. Dat kan zich dan helaas uiten in het willen opleggen van die waarheid aan ons, desnoods met geweld en terreur. Denk maar aan Sharia4Belgium. Ik wil duidelijk onderstrepen dat we enkel een probleem hebben met diegenen die geweld gebruiken in naam van de islam. Het gaat over die mensen die hun religie verkeerd interpreteren en zelfs misbruiken. Dat moeten we te allen prijze en met alle mogelijke middelen bestrijden, want we mogen absoluut niet afdingen op onze fundamentele rechten en vrijheden. 

Ik ben ervan overtuigd dat de 350 Syriëstrijders die vertrokken zijn uit ons land, slechts het symptoom zijn van een veel groter en dieper probleem, namelijk de passieve onderstroom van mensen die sympathie hebben voor dit gewelddadig islamisme. Daar zit de echte voedingsbodem: de mensen die onder de radar blijven. We moeten inzetten op detectie. Waar zitten de broeihaarden? Wie heeft er sympathie voor? We moeten het probleem bij de kern aanpakken.

Collega’s, het veiligheidsaspect springt het meest in het oog en zorgt ook voor de meeste onrust. De Federale Regering heeft in dit kader reeds verschillende maatregelen gepland. Deradicalisering staat hoog op de agenda van het federale parlement. Het staat zelfs als prioriteit in het federaal regeerakkoord. We kunnen er ons enkel over verheugen dat deze Federale Regering het probleem ernstig neemt sinds haar aantreden. De ambitie van de minister van Binnenlandse Zaken is om een geïntegreerd beleid te voeren. Dat wil zeggen, repressie maar ook preventie en detectie. Een geïntegreerde aanpak wil ook zeggen, diverse beleidsniveaus overbruggen. Dit is iets wat in het verleden moeilijker lukte. Europa, het federale niveau, gemeenschappen en steden/gemeenten moeten samenwerken. Iedereen moet mee.

Om een succesvol antwoord te bieden op de radicalisering die we in onze eigen steden en gemeenten zien, moeten we de oorzaken aanpakken. Het klopt dat sommige bevolkingsgroepen niet of moeilijker aansluiting vinden bij onze sociaal-economische welvaart. Het klopt dat racisme niet is uitgeroeid in Vlaanderen. Het klopt dat er veel te hoge werkloosheid is bij allochtonen. Ik verwijs daarbij naar de oproep van de minister-president naar werkgevers in Vlaanderen.

Maar neen, collega’s, ik aanvaard niet dat dit alles als excuus wordt ingeroepen voor het extremisme dat we vandaag zien. Ik geloof niet dat wij nieuwkomers te weinig kansen bieden, integendeel. Ik ben ervan overtuigd dat Vlaanderen een van de zeldzame plaatsen in de wereld is waar zoveel kansen worden geboden. Ik zie ook veel nieuwkomers fantastische dingen doen met de kansen die wij hun bieden. Dat kunnen we alleen maar toejuichen.

Als je van dichtbij naar die groep extremisten kijkt, dan zie je dat het niet gaat om een probleem van achtergestelden. Dat mag ook wel eens worden gezegd. Dikwijls gaat het om bekeerlingen of mensen uit betere sociale kringen die wel degelijk een opleiding kregen in ons onderwijs. Vooral de ronselaars blijken allemaal hoogopgeleiden. Het gaat hier om mensen die hun religie misbruiken en politiek instrumentaliseren tot een gewelddadige ideologie.

Veel belangrijke bevoegdheden bevinden zich inderdaad op het lokale en federale vlak. En Vlaanderen zal geen mirakeloplossing kunnen bieden. Er bestaat geen knop die wij vanuit het parlement kunnen indrukken om dit probleem uit te roeien. Maar Vlaanderen heeft wel heel wat bevoegdheden, die we maximaal moeten aanwenden om aan detectie en preventie te doen. Het zijn vooral die toegewijde medewerkers, die eerstelijnswerkers in het veld, die moeten kunnen detecteren en doorverwijzen.

Ik heb bij het begin van het debat het voorbeeld aangehaald van leerkrachten of andere eerstelijnswerkers die kunnen worstelen met de vraag hoe men zo’n probleem kan detecteren. Er leeft in het onderwijs inderdaad een grote vraag om training te krijgen in het herkennen van die symboliek.

En waarom gaan we niet over het muurtje kijken? In Nederland is er een proefproject om ouders te steunen en met raad en daad bij te staan, een initiatief dat vanuit de moslimgemeenschap zelf gegroeid is om een antwoord te bieden op radicalisering. Een laagdrempelige instantie waar zowel ouders als eerstelijnswerkers met al hun vragen terecht kunnen, is absoluut broodnodig, omdat de stap naar de politie vaak als een veel te grote drempel wordt ervaren. Op die manier kan die overbrugd worden.

Over een deradicaliseringsprogramma is al veel geschreven en het is ook hier al aan bod gekomen, maar persoonlijk zie ik geen heil in het samenbrengen van de zware jongens en samen een match voetbal te spelen of een potje te gaan biljarten. Deradicaliseringsprogramma’s bij teruggekeerde Syrië-strijders, bij de zware jongens, moeten gericht zijn op samenwerking met de families van die jongeren. Ik ben ervan overtuigd dat families en zeker de moederfiguur een belangrijke rol spelen in die gemeenschap. Het benaderen van die families, van die moeders, moet niet door de politie gebeuren. Dat moet gebeuren door sleutelfiguren uit die gemeenschap. En het misverstand bestaat dat dat dikwijls de imam is, maar in mijn ogen staat die vaak veel te ver van de leefwereld van die jongeren. Het moet iemand zijn die de taal van de jongeren spreekt. Het moet ook iemand zijn die de taal van de koran spreekt, van de echte koran, niet van de koran die op internet en op sociale media te vinden is, en die door sommigen misbruikt wordt om dit goed te praten. Ik pleit vurig voor die aanpak, die in Duitsland duidelijk vruchten afwerpt.

We kunnen niet alles verwachten van bijvoorbeeld het onderwijs, maar we moeten wel beseffen dat iedereen mee moet in dit verhaal. We hebben geen keuze. Daarom moeten we dit aanpakken over alle beleidsdomeinen heen. Daarom is het zo belangrijk dat Vlaanderen zijn bevoegdheden maximaal gebruikt. Collega’s, alleen samen kunnen wij hier sterker uitkomen. Hoe verschillend we ook zijn, we moeten allemaal één, Vlaamse, gemeenschap vormen. Voor ons, voor mij, is niet de afkomst, maar de toekomst van belang. En dat zal een gedeelde toekomst zijn, gebaseerd op de fundamentele Europese waarden en vrijheden.

Collega’s, ik stond hier vandaag, ik kon niet anders. Maar wij samen, als parlement, kunnen allemaal niet anders dan waakzaam blijven voor het kwetsbare goed dat onze democratie en onze rechtsstaat zijn. (Applaus)

Mevrouw Sminate, ik volg uw betoog voor een groot stuk. Vooral bij het eerste stuk, waarin u zegt dat we nu vooral nood hebben aan een eerlijke en correcte analyse, volg ik u helemaal. Ik denk dat iedereen hier u daarin volgt.

Zowel u als de heer Diependaele heeft gesteld dat het probleem er ook een is van een politieke vertaling van de islam die op het internet circuleert. Dat klopt. Het gaat om een politieke, perverse interpretatie die vanuit bepaalde regio’s van het Midden-Oosten overwaait en religie misbruikt om een politieke agenda op te dringen. We weten dat al lang.

Wat kunnen we daaraan doen? Een van de antwoorden heeft te maken met de Vlaamse imams die dicht bij de jongeren staat. De imam die hier wordt opgeleid en dicht bij de leefwereld van de jongeren staat. Die hun cultuur kent. De imam die me twaalf jaar geleden perfect zou hebben begrepen. Toen was ik een jonge gast die in Vlaanderen op zoek was naar zijn eigen identiteit. Daar gaat het over. We hebben te maken met jongeren die met veel vragen worstelen. Zij zijn op zoek naar antwoorden, maar ergens onderweg loopt het vreselijk fout. Als we daaraan willen remediëren, moeten we ervoor zorgen dat we Vlaanderen en de islam, met respect voor de democratie, op een moderne manier op elkaar kunnen afstemmen.

De afgelopen dagen en jaren heb ik veel signalen opgevangen die me hoopvol stemmen. Het klinkt paradoxaal, maar de gruwelijke gebeurtenissen van vorige week bieden kansen. Er zijn kansen om de vreselijke knoop, die na 11 september onontwarbaar leek, te ontwarren en iedereen, ongeacht zijn of haar afkomst, religie of ideologie zijn plaats in de samenleving te geven. Die verpletterende verantwoordelijkheid hebben we. (Applaus)

Collega, ik sluit niet uit dat imams die rol op zich kunnen nemen. Ik bedoelde dat we moeten vaststellen dat dat helaas niet altijd gebeurt. Vaak is er een grote afstand tussen de jongeren en de imam. Ofwel neemt een imam die rol op zich, ofwel doet een door de gemeenschap gerespecteerde sleutelfiguur die de taal van de jongeren beheerst dat.

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, collega's, woensdag 7 januari zal een dag zijn waarvan iedereen zich zal herinneren hoe een schok door onze samenleving ging. Hoe onze samenleving en haar waarden brutaal en in het hart werden getroffen. Hoe de wereld een ogenblik sprakeloos was na een koelbloedige daad van terreur.

Er is niets of niemand die dergelijke gewelddaden ooit kan rechtvaardigen. Er is niets of niemand die onze woorden en onze pennen mag en zal doen zwijgen. Maar na de sprakeloosheid kwamen woorden snel terug. Twee keer drie woorden, die luid en eensgezind uit de monden van miljoenen mensen kwamen: “Je suis Charlie”. “Je suis Ahmed”. Miljoenen mensen, ongeacht afkomst of religie, die met een stem opkwamen voor vrije meningsuiting en voor de onvoorwaardelijke verdediging hiervan. Verbindende woorden. Laat 7 januari ook en vooral daarvoor in ons geheugen gegrift staan.

We hebben ongetwijfeld met zijn allen, als politici en als mens, de reacties en debatten de voorbije week met meer dan gewone interesse gevolgd. Wat me daarbij opvalt, is dat een zeer grote groep mensen niet meegaat in verdere polarisatie. Ja, er was een kleine groep mensen die de aanslagen toejuichte en een kleine groep die toegaf aan blinde islamofobie. We mogen daar niet blind voor zijn. Maar die kleine groepen werden oorverdovend overstemd door miljoenen stemmen van eenheid en solidariteit. Ook politiek zijn posities naar elkaar toegegroeid, en dat is een goede zaak. We beseffen, over partijgrenzen heen, dat we als beleidsmakers, op welk niveau ook, een verantwoordelijkheid hebben. Dat empathie sterk is en verbindt, maar ook moet uitmonden in beleid, waarbij we intensief en gecoördineerd samenwerken.

Tegen een dergelijke dreiging kunnen we maar een ding doen: krachten bundelen en aan een zeel trekken. Simpele antwoorden tegen radicalisering en extremistisch geweld zijn er immers niet. De veiligheid van onze burgers moet onze eerste prioriteit zijn. Alle burgers moeten worden beschermd tegen geweld. Het is ook de eerste schakel in ons integraal actieplan Veiligheid en Verbinden, dat we deze ochtend hebben voorgesteld, en waar we met Groen al maanden aan werkten, samen met verschillende experts uit binnen- en buitenland.

De Federale Regering besliste vrij drastisch te besparen op veiligheidsdiensten. We moeten die besparingen kritisch tegen het licht durven te houden in het licht van deze nieuwe context. De veiligheidsdiensten moeten geradicaliseerde elementen in onze samenleving en terugkeerders voldoende kunnen opvolgen. Informatie-uitwisseling tussen veiligheids- en inlichtingendiensten, Binnenlandse Zaken en de lokale taskforces kan en moet beter. Justitie moet prioriteit geven aan strafrechtelijke vervolging van haatzaaien en oproepen tot geweld. In onze gevangenissen moeten we nadenken over een plaatsingsbeleid en meer inzetten op deradicaliseringsprogramma’s en re-integratie.

Bij de meeste partijen groeit ook het besef dat een sterk preventief beleid niet soft, maar levensnoodzakelijk is. Ook dat is een echte stap vooruit. Een veiligheidsbeleid alleen is slechts symptoombestrijding. Radicalisering moeten we bij de wortels uitroeien. We moeten de voedingsbodem van radicalisering opdrogen. Daarvoor heeft Vlaanderen samen met de lokale besturen toch wat sleutels in handen. Heel wat experts en ook de minister van Onderwijs zien een belangrijke rol weggelegd voor het onderwijs. Ook in ons integraal actieplan Veiligheid en Verbinden erkennen we dat het onderwijs bij uitstek goed is geplaatst om problemen en gedragsveranderingen vroeg te detecteren. Onze leerkrachten en directies kunnen dit echter niet alleen. Voor zo’n complexe problematiek is meer dan ooit expertise, vorming en ondersteuning nodig. Leerkrachten vragen daar dringend om.

De minister heeft gezegd dat het overleg is opgestart. Ze is daar diep op ingegaan. Ik geloof dat en vertrouw daar ook op. Maar de expertise en ondersteuning op het veld is er vandaag niet. We vroegen daar samen met Open Vld al om in 2013. Op dat vlak zijn er te weinig stappen vooruit gezet om de mensen in het veld effectief te ondersteunen.

Ik ben ervan overtuigd dat we leerlingen in onze scholen niet langer apart moeten zetten per overtuiging of godsdienst in de wekelijkse lessen over waarden. Er werd hier gezegd dat dat naast de kwestie is, maar dat vind ik niet. Het is een belangrijk aspect van ons onderwijs en iets waar het beleid over moet durven na te denken. Vooroordelen bij jongeren over elkaars geloof en overtuiging zijn er en ze zijn groot.

We willen één vak levensbeschouwing en burgerschap, omdat we de laatste weken hebben gezien hoe scholen in Lokeren, in Anderlecht en op andere plaatsen, scholieren uit aparte lessen haalden en ze de gebeurtenissen samen laten verwerken. Je ziet en hoort het op het veld: dialoog werkt. Een vak levensbeschouwing, het samenbrengen van jongeren om samen na te denken over burgerschap en levensbeschouwing, kan een stap zijn om jongeren te verbinden. Verbinden is waar we moeten aan werken.

De Vlaamse Regering zal meer moeten inzetten op de bijzondere jeugdzorg. Als jongeren bij de veiligheidsdiensten als problematisch worden beschouwd, moet Bijzondere Jeugdzorg die dossiers onmiddellijk en met de nodige expertise kunnen opvolgen. Hulpverleners in de bijzondere jeugdzorg slaken vandaag een noodkreet in de krant. Ook zij zeggen dat er dringend nood is aan expertise, vorming en extra ondersteuning. “Je mag naar ons kijken en wij willen onze verantwoordelijkheid mee opnemen, maar we moeten worden ondersteund.” Ook zij steunen die oproep.

We hebben meer jeugd- en straathoekwerkers nodig die kwetsbare jongeren opsporen, aanklampen en uit hun isolement halen. Dat is essentieel in een preventiebeleid.

We hebben programma’s nodig die werken met families. Dat heeft mevrouw Sminate daarnet ook gezegd. Ik geloof daar heel hard in. Ik denk dat we misschien dezelfde studiedag hebben bijgewoond en dezelfde mensen daarover hebben gecontacteerd. Die programma’s moeten de families betrekken, als het gaat over deradicaliseren en terugkeren, zoals in Duitsland en Denemarken. Daarvan moeten we ook hier werk maken. Die programma’s zijn er nog te weinig. In sommige steden en gemeenten begint men daarmee, mevrouw Sminate, maar we moeten die expertise toch ook delen. Ook ik geloof dat Vlaanderen daarin echt wel een rol te spelen heeft. We moeten dus een tandje bij steken.

Overheden moeten zich opstellen als bondgenoten van familieleden en vrienden die met wanhoop en verdriet hun zoon, dochter of vriend zagen radicaliseren of, erger nog, vertrekken, en die steun zoeken om de neerwaartse spiraal van vervreemding en radicalisering te stoppen. We moeten werk maken van een vertrouwensrelatie tussen overheidsinstellingen en de moslimgemeenschap. Ook dat zei u daarnet: soms is het wantrouwen groot en durft men niet naar de politie te stappen. We hebben nood aan die tussenfiguren. Daarvan moeten we werk maken. Zoals mijn collega al aanhaalde, gaat het om imams die daarin een rol kunnen spelen en die we hier moeten opleiden. Maar er is veel meer dan dat: we moeten die tegenverhalen, want dat zijn het, ‘counter narratives’, de mensen die de jihadistische strijd ontdoen van hun heroïsche romantiek, helpen ontwikkelen en verspreiden.

Moeders van geradicaliseerde jongeren kunnen daarrond ontzettend veel werk verrichten. Zij hebben doorgaans de meeste impact op die jongens. We moeten die natuurlijke bondgenootschappen herstellen. We moeten daarin als overheid investeren. Je ziet die bondgenootschappen ontstaan. Zo hebben in Brussel moeders van jongeren die vertrokken zijn, zich verenigd. Zij willen iets doen, willen dat tegenverhaal vertellen. Op dit moment voelen zij zich echter te weinig gesteund. Ik denk dat daarin een rol is weggelegd voor de overheid, om ervoor te zorgen dat die moeders worden versterkt om die verhalen te vertellen. Zij zullen een impact hebben op de jongeren die dreigen te radicaliseren of erger, en die we vroeg genoeg terug bij ons moeten krijgen.

Het probleem van radicalisering is complex. Niemand zal dat ontkennen. Er zijn vele oorzaken van radicalisering. Jongeren met een goede opleiding en werk, die goed geïntegreerd lijken, radicaliseren toch. Bij andere jongeren is het inderdaad de uitzichtloosheid, zich niet aanvaard voelen, gediscrimineerd worden of kansen hebben gemist.

Hét profiel van de geradicaliseerde jongere bestaat niet. Daarom pleiten we, vandaag en ook deze ochtend, voor een geïntegreerde ketenaanpak. Daarom ook hebben we een totaalplan voorgesteld, dat enerzijds inzet op veiligheid, maar anderzijds op verbinden.

Collega’s, het is ondertussen twee jaar geleden dat de eerste strijders vertrokken zijn naar Syrië. De golf van empathie na de aanslagen is hartverwarmend. Maar er is meer nodig: we zijn op 7 januari wakker geworden in een andere wereld. Dat geloof ik echt. We hebben – en dat is enige wat ik daarnet probeerde te zeggen – de moslimgemeenschap en de jeugdwerkers de voorbije week, de welzijnssector vandaag in de krant, Raymonda Verdyck gisteren op het opendeurevenement van het GO! duidelijk horen zeggen: “Wij willen onze verantwoordelijkheid opnemen en een dam opwerpen tegen radicalisme en extremisme, maar wij kunnen dat niet zonder ondersteuning.” Het eensgezinde signaal van burgers, verantwoordelijken van verenigingen, mensen uit onze maatschappij, is duidelijk.

De politiek moet twee dingen doen: dat verbindende verhaal mee vertellen en de nodige ondersteuning en middelen uittrekken. We moeten durven de beleidskeuze onder de loep nemen. Beschuldig mij niet van politieke recuperatie. Ik denk dat we dat samen moeten doen. De hoorzittingen zullen ons op weg helpen. Maar dan moeten we, op het moment van de begrotingscontrole, de politieke keuzes onder de loep nemen en herbekijken.

Zoals mevrouw Homans daarnet zei, is politiek een kwestie van het leggen van prioriteiten en het maken van keuzes. Je moet kiezen voor het ene project in plaats van het andere, want je kunt niet alles doen. We moeten die keuzes onder de loep durven te nemen, want we moeten ons beleid op dit vlak durven te versterken. Dat is duidelijk geworden na 7 januari.

We hebben allemaal de gebroken moeders, ontredderde broers, zussen, en vrienden gezien, in levenden lijve en op televisie. De wrede angstaanjagende terreuractie heeft ons in het hart getroffen. Er is dus nood aan die ketenaanpak, dat heb ik al gezegd.

Met ons actieplan ‘veiligheid en verbinden’ steken wij – echt waar – de hand uit naar alle democratische partijen om samen maatregelen uit te werken. Dat kan binnen de commissie die binnenkort zal worden opgestart.

We hebben in 2013 door de vastberadenheid van onder andere de heer De Ro, een motie goedgekeurd vanuit de oppositie, over de partijgrenzen heen, met de meerderheid. We moeten nu ook over partijgrenzen heen de handen in elkaar slaan. Ons actieplan ‘Veiligheid en verbinden’ is een voorzet omdat we met zijn allen willen dat de democratie wint. Burgers hebben zondag het signaal gegeven dat er meer democratie moet zijn. Wij moeten daar als politici samen mee aan het werk. (Applaus bij CD&V, Open Vld, sp.a en Groen)

Mevrouw Meuleman, ik ben het grotendeels met u eens. Zeker met het eerste deel van uw uiteenzetting ben ik het absoluut eens. Eén punt hebt u daar zeker naar voren gebracht en dat is voor mijn partij zowat de geloofsbelijdenis, namelijk gemeenschapsvorming. Daar ben ik absoluut voorstander van. Mevrouw Sminate heeft het daarnet zeer duidelijk gezegd: er is een nieuwe opdeling wij-zij. Wij die het willen maken met deze maatschappij, die deze maatschappij willen ondersteunen in positieve zin. Met ‘zij’ doelen we op degenen die dat op een gewelddadige manier proberen te ondermijnen. Ik ben er zeker van dat we het daarover absoluut eens zijn.

U zegt op een bepaald moment – en u hebt daarin gelijk – dat u niet wilt polariseren. Ik wil dat ook niet. Er wordt gewezen op een kleine groep. U hebt absoluut gelijk. Het is een kleine groep, dat klopt, niet alleen die die daden stelt maar ook degenen die dat impliciet steunen. Nu moet je goed nadenken. Er bestaat een mooi filmpje over op YouTube. Als je eens alle meest misdadige momenten van de geschiedenis oplijst, zijn het altijd kleine minderheden geweest die daarvoor gezorgd hebben. Als wij nu iets willen doen aan dat gewelddadig radicalisme, dan ben ik het met u eens dat we die gemeenschapsvorming zeker moeten doen, maar we moeten ook oog hebben voor die kleine minderheid. We moeten zorgen dat de stilzwijgende meerderheid niet langer zwijgt, dat we die kunnen betrekken.

U hebt vanmorgen voorgesteld om een apart vak voor burgerschap in te voeren. Over het leerplan islam bestaat een visietekst. Die visietekst bevat vijf pijlers: respect voor mensen, respect voor vrije meningsuiting, respect voor vrijheid, respect voor het morele, zoals eerlijkheid, naastenliefde en integriteit, en respect voor cultureel erfgoed. Dat staat er al in. Nog eens pleiten voor een apart vak, lijkt me niet goed te zijn.

U hebt daarjuist gezegd: het profiel van de geradicaliseerde bestaat niet. Ik ben het daar volledig mee eens. Net daarom moet je op twee zaken inzetten. Enerzijds is dat de voedingsbodem. Wat is dat? Dat is dat er mensen zijn, ronselaars, die op een of andere manier gaan proberen om de islam verkeerd uit te leggen en verkeerd weer te geven zodat er mensen zijn die daarop inpikken. Anderzijds moeten wij een tegendiscours opbouwen. Dat moeten we absoluut doen. U zegt dat we dat doen door straathoekwerkers. Daar hebt u wel aan politieke recuperatie van dit fenomeen gedaan om de besparingen aan te vallen. Ik vond dat niet netjes, daar blijf ik bij. Wat moeten we doen? Die straathoekwerkers en dergelijke meer moeten blijven bestaan. Maar daar alleen zal het niet mee gaan. We moeten effectief die ronselaars aanpakken. We moeten een tegendiscours opbouwen om ervoor te zorgen dat die jongeren niet meer vatbaar zijn voor die foute interpretatie en foute uitleg van de islam. Daar moeten we op inzetten. Dat zal veel belangrijker zijn om het radicalisme tegen te gaan. (Applaus bij de N-VA)

Mevrouw Meuleman, ik wilde even terugkomen op mijn betoog van daarstraks. Misschien hebt u dat niet helemaal goed begrepen. Ik had het niet over de inhoud daarvan en de discussie daarover. Het is een belangrijk vak. Ik sluit me aan bij de minister die zegt dat ze in gesprek gaat om dat zo goed mogelijk te organiseren. Wat ik wel terzijde wil opmerken, is dat de scholen geconfronteerd worden met de organisatie daarvan en het functionele van die organisatie. Soms moeten ze een leerkracht zoeken voor één leerling. Dat debat, dat we ook zullen moeten voeren, staat hier natuurlijk volledig terzijde.

Mijnheer Diependaele, opnieuw zijn we het over de grote lijnen eens. U zei dat we ons niet mogen laten terroriseren door een kleine groep. Als we filmpjes bekijken, zien we dat het in de geschiedenis telkens een kleine groep is die gewelddadige aanslagen pleegt. Ik ben begonnen met te zeggen dat veiligheid onze eerste prioriteit moet zijn en dat we daaraan moeten werken. Daarom heeft ons plan twee heel duidelijke luiken en is het luik veiligheid, met alles wat daar moet gebeuren, goed uitgewerkt.

Die ‘counter narratives’ zijn ook zeer belangrijk, zei u, dat ben ik ook met u eens. Ik heb er ook de nadruk op gelegd. Ik situeerde het meer bij moeders of gezinnen, zoals mevrouw Sminate ook deed. Er is meer nodig dan dat. Op het internet, en daar moeten we ons ook mee bezighouden, is het ook van belang dat die ‘counter narratives’ aan bod komen, zodat jongeren op het internet ook een ander verhaal kunnen lezen. Daarvoor is de moslimgemeenschap vaak het best geplaatst, om die verhalen te ontwikkelen en kwijt te geraken. Daarom moeten wij die moslimgemeenschap daarin ondersteunen. De imams hebben er ook een rol in te spelen.

Zoals gezegd, de problematiek is zeer breed. Ik heb enkele dingen uit ons actieplan naar voren geschoven, maar er zit veel meer in dan dat. Ik nodig u uit om het plan te bekijken.

In verband met het vak levensbeschouwing lijkt het ons goed om naast die aparte vakken, die we niet zomaar kunnen afschaffen, leerlingen toch samen te brengen. Ik twijfel er niet aan dat de doelstellingen van de vakken islam, zedenleer en katholieke godsdienst goed zijn. Het gaat over waarden. De studie van de Koning Boudewijnstichting toont aan dat er te weinig kennis en begrip is, en te veel vooroordelen. Hoewel verschillende religies van zeer goede doelstellingen vertrekken, zoals u hebt voorgelezen, is dat onbegrip er toch.

Praten na de evenementen kan in scholen leiden tot het collectief veroordelen van gewelddaden. Daarover was er een prachtig filmpje. Zulke momenten zijn zeer goed in het onderwijs, daar moeten we er meer van hebben. Het gebeurt in heel wat scholen, maar dat kunnen we echt versterken. Daarom heb ik dat voorbeeld eruit gelicht, zonder te denken dat het de wonderoplossing is. Dat is mijn boodschap vandaag, dat we alles samen moeten leggen dat we hebben, de ervaring op het lokale terrein, die er zeker is, en het denkwerk dat anderen hebben gedaan. Zo moeten we er echt werk van maken.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Meuleman, nog kort over die levensbeschouwelijke vakken, we mogen ook van mening verschillen. Kinderen krijgen onderricht in een bepaalde levensbeschouwing door mensen die die levensbeschouwing uitdragen. Ik heb net gewezen op de interlevensbeschouwelijke dialoog, waarvoor een engagement is genomen in 2013. Ik merk dat op het veld, gisteren nog in Vilvoorde. Nu werkt men in het gemeenschapsonderwijs bijvoorbeeld over alle levensbeschouwingen heen rond een aantal thema’s samen. Daarvoor zit men echt samen, men bekijkt die samen. Dat vind ik bijzonder sterk.

Ik zou het een fout signaal vinden om nu, op een ogenblik dat ze naar elkaar komen, al is het nog niet perfect, en dat men een engagement heeft ondertekend, te zeggen: nu terug naar af, er moet nu één vak komen, en je moet nu alle levensbeschouwingen krijgen. Het is goed dat de dialoog uitgaat van de eigen levensbeschouwing. Lieven Boeve van het katholiek onderwijs zei vorige week in een interview ook dat zij vertrekken van een katholieke dialoogschool. We willen dat die kennis en het wederzijds respect van en voor andere levensbeschouwingen er is.

Er is deze middag al een aantal keren gezegd dat ook de islam zelf heel sterk veroordeelt wat er is gebeurd. Het is nu een uitgelezen moment om die interlevensbeschouwelijke dialoog te versterken, maar niet door het in een apart vak te steken. Wat mij betreft, vertrekt het van het engagement dat twee jaar geleden al genomen is. Dat moeten we versterken, via de dialoog waar de gemeenschappen ook echt achter staan.

Terug naar af is het zeker niet. We willen werken op basis van de bestaande goede initiatieven. We zien dat het echt werkt om leerlingen meer samen te brengen. Daarom zeggen we: institutionaliseer dat voor een deel en zorg dat het in alle scholen gebeurt. In sommige scholen gebeurt het op dit moment echt goed, in andere nog te weinig. De studie van de Koning Boudewijnstichting stelt heel duidelijk dat burgerschap, nadenken over levensbeschouwing en filosofie over onze waarden nog kunnen worden versterkt in het onderwijs. Laat ons er inderdaad samen over nadenken hoe dat het best gebeurt.

Mevrouw Segers heeft het woord.

Binnen het GO! is het groot project ‘Interlevensbeschouwelijke dialoog en competenties’ een enorm voorbereid project waarvoor een breed draagvlak is gevonden. Alle pilootscholen zijn bijzonder lovend en zeggen dat het tegemoetkomt aan hun noden. We mogen dus absoluut niet het kind met het badwater weggooien en moeten deze piste van een apart vak levensbeschouwing, ethiek en filosofie (LEF) openhouden. 

De heer Van Grieken heeft het woord.

Voorzitter, ik wens niet onderbroken te worden.

Voorzitter, minister, collega’s, ik wou dat mijn partij, het Vlaams Belang, het niet bij het rechte eind had gehad. Ik wou dat we het niet bij het rechte eind hadden toen we waarschuwden voor de gevolgen van de massa-immigratie naar ons land. Ik wou dat we het niet bij het rechte eind hadden toen we waarschuwden voor de islamisering van onze Vlaamse steden ten gevolge van die massa-immigratie. Ik wou dat we het niet bij het rechte eind hadden toen we waarschuwden dat onze eigen Europese waarden in het gedrang zouden komen ten gevolge van die islamisering. Ik wou dat we het niet bij het rechte eind hadden toen we waarschuwden voor het potentiële gevaar van islamfanatici die desnoods met geweld onze samenleving zouden willen onderwerpen aan de islam.

U herinnert zich allicht nog de tijd waarin Sharia4Belgium en konsoorten door het hele establishment – media en politiek – werden weggezet als een groep ongevaarlijke carnavalsgekken, en het Vlaams Belang, dat een waarschuwende vinger in de lucht stak, werd bestempeld als een bende onruststokers en islamofoben.

‘Islamofoob’, beste collega’s, hoe vaak hebt u dat niet naar ons hoofd geslingerd wanneer we waarschuwden voor de gevaren van de islam. Een fobie, beste collega’s, is een irrationele angst voor bepaalde zaken. Onze angst was toen niet en ook vandaag niet irrationeel. Islamitisch extremisme is een concreet gevaar: iets wat afgelopen woensdag op een zeer pijnlijke manier, dicht bij huis, weer zichtbaar werd.

Maar de pijnlijke realiteit is dat men met de aanslagen die in naam van de islam worden gepleegd, dagelijks een krant vullen. Er is nauwelijks een moslimland in de wereld of er is wel een dodelijke terreurorganisatie actief die aan de lopende band mensen afslacht: Boko Haram, IS, Al Qaeda, de taliban, Al Shabaab, Jemaah Islamiyah, Abu Sayyaf, Al-Nusra, Ansar al-Sharia, Hamas. Ik zal er wellicht nog wel een aantal vergeten, maar welke andere godsdienst kan zo’n bedenkelijk palmares vandaag voorleggen? Diversiteit blijkt alleen maar interessant te zijn voor de islam daar waar ze niet de plak zwaaien.

Het is een terecht geformuleerde opmerking dat slechts een beperkt deel van de moslimgemeenschap in ons land er extremistische en gewelddadige denkbeelden op nahoudt en de onverdraagzame passages van de islamitische heilige teksten willen toepassen.

Fanatici zijn slechts een minderheid onder de moslims. Inderdaad, maar daar zijn de betreurde slachtoffers van het bloedbad in Parijs natuurlijk niet mee geholpen. Ook de christenen die hun land ontvlucht zijn voor het islamitische geweld, zullen uiteraard ook weinig troost vinden in de gedachte dat maar weinig moslims extreem zijn. De geschiedenis, beste collega’s, wordt helaas niet gemaakt door gematigde en vredevolle meerderheden, maar wel door extreme minderheden. De gematigde meerderheid is in deze discussie compleet, maar dan ook compleet irrelevant.

In het Duitsland van de jaren 30 waren de meeste Duitsers ook gematigd, maar de minderheid zorgde voor wreedheden op grote schaal. De vredelievende meerderheid was irrelevant.

De meeste Russen waren vredevol, maar onder leiding van linkse extremisten pleegde Rusland onder het communisme nog grotere misdaden. De vredelievende meerderheid was irrelevant.

De meeste Chinezen waren vredevol maar onder de communistische extremisten van Mao pleegden zij de grootste misdaden van de geschiedenis. De vredelievende meerderheid was irrelevant.

Bij de aanslagen van 11 september was de meerderheid van de moslims toen ook al vredelievend maar het was een minderheid die de aanslag pleegde. De vredelievende meerderheid was irrelevant.

Op 7 januari bij de aanslag op Charlie Hebdo was de vredelievende meerderheid ook irrelevant.

De discussie gaat inderdaad over wat we kunnen doen om aanslagen te vermijden, en niet over die vredelievende meerderheid waar politiek correcte politici bij bosjes staan te drummen om stroop aan haar islamitische baard te smeren. Het is tijd dat we de politieke correctheid definitief overboord durven te gooien en de problemen echt bij naam durven te noemen.

Het Franse parlement heeft gelijk wanneer het stelde dat de jihadisten, de extreme islam, ons, Europa, de oorlog heeft verklaard. Maar onze politici blijven dit ondanks alle terreurdreigingen ontkennen. Als je in oorlog bent en je kunt, durft, mag of wilt niet eens je vijand bij zijn naam vernoemen, dan heb je al half verloren. Het establishment trekt de verkeerde conclusies, ook vandaag. Men herleidt de kwestie tot een vaag verhaal over vrije meningsuiting en radicalisering. De aankondiging van het debat in dit halfrond is hier weer tekenend voor.

In plaats van pamfletjes en brochures te verspreiden moeten we het roer omgooien en inspanningen leveren om de invloed van de islam in de samenleving terug te dringen. We moeten meer de nadruk leggen op de dwingende naleving van onze waarden en normen.

Politici die van immigratie een positief verhaal willen maken, kloppen zich nu op de borst en zeggen, na de aanslagen: tot hier en niet verder. Sorry, beste collega’s, niet tot hier, het is al veel te ver gegaan. Wij moeten meer dan ooit onze essentiële waarden en normen durven op te leggen. Wij mogen geen toegevingen doen als het gaat over de vrijheid van meningsuiting, geen toegevingen doen als het gaat over de scheiding van kerk en staat, geen toegevingen als het gaat over de aanvaarding van homoseksualiteit in onze samenleving, geen toegevingen doen wanneer het gaat over de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw. Je kunt niet al je tradities, waarden en normen behouden als je hier een toekomst wilt uitbouwen. In de discussie hierover maakt men het vaak veel te moeilijk. Ik geef een heel eenvoudig maar duidelijk voorbeeld.

Als een Brit of een Engelsman in Vlaanderen wil komen wonen, dan kan zelf hij niet al zijn gewoontes behouden. Dan moet hij zich schikken naar de wetten en regels van ons land. Zo kan hij niet in zijn wagen stappen en links blijven rijden zoals hij thuis deed. Als iedereen zijn regels, waarden en normen blijft hanteren, dan krijgt men botsingen en niet alleen in het verkeer.

De socialistische burgemeester van Rotterdam formuleerde het nog straffer. Hij vindt dat iedereen die de westerse samenleving verwerpt, maar moet oprotten. Ik kan het in dezen niet meer met hem eens zijn.

Wat moet er voor het Vlaams Belang gebeuren om de veiligheid van onze burgers te verzekeren en onze Europese waarden te beschermen?

Ten eerste is preventie ongetwijfeld heel belangrijk. Maar wanneer straathoekwerkers extremisme onder moslims aankaarten bij hun burgemeester, moet er ook daadwerkelijk naar geluisterd worden. En niet zoals in het socialistische Boom, waar het gevaar van Belkacem al in 2003 onder de politiek correcte mat werd geveegd.

Ten tweede moet een halt worden toegeroepen aan de massa-immigratie vanuit moslimlanden. Wij maken iets unieks mee in onze geschiedenis: wij gaan niet ten onder aan de agressie van een of andere buitenlandse militaire strijdmacht. Neen, wij hebben die ineenstorting aan onze huidige politici, aan ons huidige elite te danken. Die elite die politiek, media en onderwijs domineert, heeft gewillig de deuren geopend voor de invasie die van buiten komt, door systematisch onze waarden uit te hollen en onze identiteit op de helling te zetten.

Ten derde moet de subsidiering van de islam worden ingetrokken. Negen moskeeën die in Vlaanderen subsidies ontvangen, zijn zogenaamde moskeeën die onder direct gezag staan van de Turkse regering. Die regering duidt er zelfs de imam aan. Gisteren konden we vernemen wat de mening van de baas van deze moskeeën, de Turkse president Erdogan, is over de aanslagen op Charlie Hebdo. Volgens Erdogan was zelfs niet de extremistische islam verantwoordelijk voor de aanslagen, maar wel het Westen, dat de aanslagen zou hebben uitgelokt. Deze man bepaalt wat er wordt gezegd in de moskeeën die deze Vlaamse Regering laat subsidiëren!

Ten vierde, moet er geïnvesteerd worden in de strijd tegen het islamfundamentalisme. Voor het onderwijs en het welzijnswerk moet er een meldingsplicht komen van fundamentalistische uitspraken of verdacht gedrag. Er moet meer en beter gecontroleerd worden wat in moskeeën wordt verteld. De tijd van wegkijken is nu echt wel voorbij.

Ten vijfde, van jihadi’s die in Irak of Syrië vechten, moet niet alleen de nationaliteit worden afgenomen, het moet hen bovendien onmogelijk worden gemaakt om nog terug te keren naar ons land.

Beste collega’s, laat me afronden met één vraag, een korte en pertinente vraag. Ik heb daarvoor illustratiemateriaal bij. Dit is de koran van de zogenaamde gematigde islam en dit is de koran van de terroristen en de jihadisten. U ziet het: één en hetzelfde boek. Zou het dan toch aan de islam liggen, beste collega’s?

Tot het moment dat er een ‘koran 2.0’ geschreven wordt die aangepast is aan de 21e eeuw, blijft het een boek dat in heel de wereld veel ellende zal veroorzaken. Ik hoop dat ik ongelijk heb, maar ik vrees ervoor. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Wenst iemand tot besluit van dit actualiteitsdebat een motie of een motie van wantrouwen in te dienen?

– Het Vlaams Belang en de meerderheid samen met sp.a en Groen kondigen aan een motie te zullen indienen.

(Opmerkingen van mevrouw Anke Van dermeersch. Rumoer)

De moties moeten uiterlijk om 17.40 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het debat is gesloten.

Ingekomen documenten en mededelingen
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.