U bent hier

De voorzitter

Dames en heren, aan de orde is het actualiteitsdebat over de toekomst van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn.

Het debat is geopend.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, eerst en vooral een gelukkig en sociaal nieuwjaar gewenst, ook in naam van de vele mensen die op zoek zijn naar hulp voor zichzelf of voor hun familie en in naam van vele duizenden mensen die actief zijn in de sociale sector. Ik denk dat het in hun naam ontzettend belangrijk is dat we vandaag de kans krijgen om inhoudelijk te debatteren over de toekomst van ons sociaal lokaal beleid.

Artikel 1 van de OCMW-wet is een van die zeldzame wetteksten die oprecht het predicaat ‘mooi’ verdient. Mooi, omdat het uitdrukking geeft aan een van de meest fundamentele waarden in onze samenleving. Het artikel stelt dat elk persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening die hem de mogelijkheid biedt om een menswaardig leven te leiden. Dankzij dit wetsartikel heeft elke Vlaming, elke Belg er recht op geholpen te worden als hij, al dan niet tijdelijk, arm wordt of op zoek is naar zorg voor kinderen, senioren of zieken in onze gemeenschap. In deze eenvoudige zin zegt de overheid eigenlijk in naam van ons allen dat wij niemand mogen achterlaten. Dat is voor sp.a de essentie van elke gemeenschap.

Nochtans zullen in de komende jaren heel veel mensen hulp nodig hebben. De feiten zijn wat ze zijn, collega’s. Niemand hier in dit parlement of erbuiten zal ze betwisten. Er woedt nog steeds een economische crisis die weegt op onze groei en onze werkgelegenheid. Helaas heeft de Vlaamse Regering als reactie hierop ervoor gekozen om in de dienstverlening aan mensen te snoeien en tegelijkertijd allerlei facturen, ook in de zorg, de kinderopvang en de rusthuizen, te verhogen. Sp.a betreurt dat. Het aantal zorgvragen is stijgende. Die trend is nu al een feit. Het aantal leefloners bedraagt maandelijks meer dan 100.000 in Vlaanderen. Armoedeorganisaties krijgen vandaag tot 30 procent meer hulpvragers over de vloer dan vorig jaar. Almaar meer ouders kunnen de schoolfactuur van hun kinderen niet meer betalen. Mensen die vandaag nog net boven de mazen van het net bleven, die nog net rondkwamen, zullen onvermijdelijk in armoede terechtkomen. Zij zullen, evident, gaan aankloppen bij hun lokale sociale huizen, onze OCMW’s.

Uiteraard zullen er de komende jaren ook veel meer ouderen zijn. Onze generatie babyboomers, voorzitter, is nu al volop op pensioen aan het gaan, al wens ik het u niet toe. Die generatie babyboomers zal in de komende decennia veel, heel veel, zorg nodig hebben: ouderenzorg, zowel thuis als in rusthuizen, maar ook gezondheidszorg. Zorgnet Vlaanderen slaakte al een alarmkreet. Zorg moet betaalbaar blijven, zeker voor onze senioren. Wat zien we? De rusthuisfacturen dreigen met 20 procent de hoogte in te gaan. Ik kan me niet voorstellen dat in een rijk en beschaafd land als het onze dat de bedoeling kan zijn.

Samengevat, minister: als je kijkt naar de huidige maatschappelijke context, zal de behoefte aan lokale, sociale zorg alsmaar toenemen. Meer nog, ze is nog nooit zo groot geweest als in deze jaren van aanhoudende crisis en evidente en gelukkige vergrijzing.

Die maatschappelijke context zet de uitdaging voor onze Vlaamse Regering dan ook wel degelijk op scherp. De vraag die we ons vandaag moeten stellen, is wat een lokaal sociaal beleid anno 2015, een modern sociaal beleid 2.0, nu eigenlijk moet en kan zijn. En welke rol kunnen de lokale besturen hierin spelen? Hoe kan de Vlaamse Regering deze lokale besturen en andere partners hierin ondersteunen?

Voor ons gaat modern sociaal beleid heel duidelijk over het versterken van autonomie, over mensen kansen geven. Want sociaal beleid gaat over mensen: mensen die op zoek zijn naar werk, naar een betaalbare woning, naar kinderopvang. Maar sociaal beleid gaat ook over participatie, over buurtgericht werken, over gemeenschapsvorming.

En de creatie van zo’n bijkomend betaalbaar en kwaliteitsvol zorgaanbod van crèche tot rusthuis, veronderstelt uiteraard een proactief beleid. In elk proactief beleid probeert men kennis en expertise van zoveel mogelijk actoren samen te brengen, actoren te laten samenwerken. Een overheid die regisseert en waar nodig haar rol als actor ook volwaardig kan opnemen. Daarom is voor ons dan ook de prioriteit van een Vlaamse Regering in een zorgzame regio als de onze dat lokale sociale diensten, tot nader order de OCMW’s, door de regering worden gesteund en dat alle mensen in onze regio, in onze gemeenschap de middelen krijgen die nodig zijn om dat volwaardig leven te laten leiden.

Als we naar de praktijk kijken en naar wat deze Vlaamse Regering doet, dan zien we eigenlijk iets helemaal anders. Deze Vlaamse Regering gaat enkel en alleen morrelen aan structuren. Deze Vlaamse Regering – en u hoort het goed – heeft de ambitie om te vechten tegen instellingen en symbolen in plaats van lokaal sociaal beleid te detecteren, zorgvragen duidelijk te krijgen en er ook een lokaal sociaal beleid op aan te passen. Ik vat de belangrijkste ambitie inzake lokaal sociaal beleid samen. Er is maar één zin in uw regeerakkoord: “We integreren de OCMW’s volledig in de gemeentebesturen.” Point final. Daarmee moeten de mensen op het terrein het doen. Daarmee moeten de mensen in de sociale sector het doen.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega, ik heb al veel zaken gehoord waarmee ik het volstrekt niet eens ben. Maar het is natuurlijk evident dat in de beleidsnota Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en ook in het regeerakkoord bij herhaling verwezen wordt naar de regisseursrol en mogelijk ook actorrol van de lokale overheid in het sociaal beleid. Het is niet omdat in het hoofdstuk Bestuurszaken en Institutionele Zaken, om een aantal redenen die we met velen onderschrijven, gezegd wordt dat we ook aan de structuren gaan werken, al was het maar om efficiëntiewinsten te kunnen boeken, dat daarmee gezegd is dat de rol van de lokale overheid als regisseur en actor in het sociaal beleid in het regeerakkoord en de beleidsnota niet voorkomt.

Het is juist het tegenovergestelde. Ik kan u bevestigen dat wat het welzijnsbeleid betreft de lokale overheid uiteraard een cruciale factor is, om tal van redenen die misschien nog ter sprake zullen komen. Nu een beetje de indruk komen wekken dat de aandacht voor het lokale sociale te reduceren valt tot één regel in het hoofdstuk Bestuurszaken, is van een intellectuele oneerlijkheid die ik toch even wou rechtzetten. (Applaus bij de meerderheid)

Minister, ik ben dan ook nog maar bij het begin van mijn betoog. Ik ben blij dat u me de woorden uit de mond neemt.

De voorzitter

Bij het begin?

De voorzitter

Uw spreektijd zit er wel bijna op.

Ik heb toch nog een en ander te zeggen. (Opmerkingen)

Als dat mag van u.

U weet dat de N-VA en haar partners, althans in het hoofdstuk Bestuurlijk Beheer, alle hoop stellen op een verandering van de structuren. Niemand betwist dat, minister! Iedereen is voorstander van een terugdringing van overheadkosten, op het vlak van personeel, technische diensten, aanbestedingen… We steunen de samenwerking tussen stad en privé, tussen OCMW’s onderling, met non-profitactoren en waar mogelijk zelfs met het bredere middenveld.

De vraag is eigenlijk: waarom wil men per se en alleen maar die OCMW’s doen opgaan in de gemeentebesturen? Deze voorafname rond structuren lijkt een doel op zich met op het terrein desorganisatie, demotivatie en fundamentele vragen tot gevolg.

De voorzitter

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw Gennez, u bent zich wellicht bewust van het feit dat de integratie van het OCMW in het gemeentebestuur ook in het vorige regeerakkoord stond. Daar maakte u toen deel van uit. (Applaus bij de meerderheid)

Het enige dat ons toen belette om dat door te voeren, was een federale wet die zei dat het OCMW een rechtspersoonlijkheid moest zijn. We hebben afspraken gemaakt met de federale overheid dat we dat kunnen wegwerken.

De aanleiding tot dit actualiteitsdebat is een nota van mei 2014. We hebben tijdens de bespreking van de beleidsnota geen nota Bestuurszaken maar wel een nota Binnenlands Bestuur behandeld. We hebben gepraat over de integratie van de OCMW’s in de steden en gemeenten. We hebben een aantal principes naar voren geschoven. Het grootste principe gaat niet over het wegwerken van overtollige structuren. Op dat punt ben ik het met u oneens. Het gaat er ons om een betere dienstverlening te kunnen garanderen aan de mensen die het heel hard nodig hebben. (Applaus bij de N-VA)

Dat is de bedoeling van de integratie van het OCMW in de gemeente of stad.

Ik wil daaraan toevoegen, voorzitter, mevrouw Gennez, dat ik heb aangekondigd, zowel tijdens de plenaire vergadering vlak voor het kerstreces, als tijdens de bespreking van een beleidsnota in de commissie, dat er uiteraard een conceptnota zal volgen. U hebt me nog geen enkel argument gegeven om onze zeer goede beslissing niet door te voeren.

Ik roep u op, minister, om uw energie te steken in de zorg en bijstand van echte mensen in plaats van in het verplaatsen van poppetjes en het bestrijden van sociale symbolen.

De voorzitter

De heer De Loor heeft het woord.

Voorzitter, ik voel me geroepen om te reageren op de tussenkomst van minister Homans. Als het enige beletsel tijdens de vorige legislatuur de federale OCMW-wetgeving was, wel, minister, dan hebt u het debat toen echt niet gevolgd. U noemt als reden een efficiëntere dienstverlening. Wel, in de commissievergadering en hier in de plenaire vergadering eind december heb ik u tot vervelens toe gevraagd waarom u die scalp van de OCMW’s wil hebben. Daarop kwam geen antwoord. Maar ik weet, u hebt een verborgen agenda met deze regering. (Rumoer bij de N-VA)

U hebt een verborgen agenda. Dat is voor de N-VA de afbraak van het sociaal beleid op lokaal vlak. (Rumoer bij de N-VA)

Dat is een verzuiling en een privatisering van openbare diensten die de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit absoluut niet ten goede komen. Als dit niet uw verborgen agenda is, geef me dan eens de echte reden. Welke efficiëntiewinsten verwacht u van het inkantelproces die nu niet mogelijk zijn?

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Ik ga hier kort op reageren. Dit is geen symbolenstrijd maar wel degelijk een strijd of een maatregel met een zeer duidelijk doel, met name efficiëntie voor de doelgroep. Mijnheer De Loor, daar hebben wij inderdaad een verschillende agenda. Onze agenda, onze prioriteit is de doelgroep, de mensen die dat nodig hebben, en niet ons eigen postje. (Applaus bij de N-VA)

Ik stel voor om het debat inhoudelijk te voeren, mijnheer Diependaele. Dat zou getuigen van intellectuele eerlijkheid.

De voorzitter

Mevrouw Gennez, ik stel voor eerst het woord te geven aan mevrouw Schryvers, dan aan minister Homans, aan minister Vandeurzen en vervolgens aan de heer De Loor. En dan kunt u uw redenering afmaken.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Mevrouw Gennez, u doet een oproep om te komen tot de essentie van het debat. Wel, voor ons is de essentie een sterker sociaal beleid, een sociaal beleid dat deel uitmaakt van het algemene beleid dat geïntegreerd is. Of wilt u het sociaal beleid afzonderlijk in een hoekje zetten met een moeilijkere toegankelijkheid voor iedereen die er nood aan heeft? (Applaus bij de meerderheid)

Ik kan getuigen, mevrouw Gennez, want ik ben toevallig actief – eerst jaren als burgemeester en nu als OCMW-voorzitter – in een bestuur dat als een van de eersten zoveel mogelijk heeft geïntegreerd. Ik ben er als OCMW-voorzitter nog veel meer van overtuigd dat dit nog veel meer dan voorheen nodig is. Ik stel immers vast dat ook de drempel naar het OCMW voor de mensen sterk is verlaagd en dat het sociaal beleid veel sterker is geworden binnen de totaliteit van het beleid, ik ben daar absoluut van overtuigd. Het gaat hier niet alleen over efficiëntiewinsten, het gaat over een existentieel sterk sociaal beleid. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Schryvers, ik dank u voor uw zeer adequate reactie. Wij streven niet naar efficiëntiewinsten vanuit financieel oogpunt, waar uw partij blijkbaar van overtuigd is, mevrouw Gennez. Integendeel, wij willen een geïntegreerd lokaal sociaal beleid. Ik kan u een aantal voorbeelden geven van taken die zowel door een gemeente of stad als door een OCMW worden uitgevoerd. Ik heb het dan over drugspreventie, gezondheidszorg, crisis- en transitwoningen. Is het efficiënt dat zowel een OCMW als een gemeente of stad een aantal crisiswoningen heeft waarbij er geen overzicht is van de beschikbaarheid op een bepaald moment? Neen, ik denk het niet. Er is ook het voorbeeld van de daklozenopvang. Is het efficiënt dat zowel een stads- of gemeentebestuur als een OCMW los van elkaar, zonder een centrale dispatching, daklozenopvang organiseert? Neen, ik denk het niet. Meer nog, mevrouw Gennez, er zijn ook een aantal wettelijke tekortkomingen. Zo mag een OCMW geen winteropvang aanbieden aan illegale daklozen. Ik weet dat ik volgens sommige mensen van uw fractie zonder kennis van zaken spreek, maar ik kan u zeggen dat het veel beter wordt georganiseerd als men dat samen doet. Men heeft dan ook een veel beter en duidelijk aanbod. Dit gaat niet over een scalp, integendeel, het gaat over een betere dienstverlening aan de mensen in onze samenleving die het nodig hebben. Die dienstverlening is minder stigmatiserend en aan het eind van de rit beter voor de betrokkenen.

En voor de sp.a-fractie: stond het in het regeerakkoord tijdens de vorige legislatuur, ja of neen?

Minister Jo Vandeurzen

De redenering die hier is ontwikkeld is evident, ook vanuit het welzijnsstandpunt. Steeds meer geldt de regel dat het welzijnsbeleid een onderdeel is van zoveel beleidsdomeinen dat het welzijnsdomein er alle belang bij heeft om zo geïntegreerd mogelijk te werken. Sociale restaurants, collectieve voorzieningen, samenlevingsopbouw, ruimtelijke ordening enzovoort hebben allemaal te maken met wat in een ander stadium, misschien geëscaleerd of geproblematiseerd, sociale ondersteuning kan betekenen. Die verwevenheid is zo groot dat men er alle belang bij heeft om de integratie van dat beleid zo goed mogelijk te realiseren.

Natuurlijk zijn er kerntaken voor een sociale dienst van een OCMW die we moeten vrijwaren en waarvoor we de juiste context moeten creëren. Zij moeten gewaarborgd blijven, op een correcte en professionele manier. Maar het inzicht van ‘Health in All Policies’ is toch een evidentie van deze tijd. Ik begrijp niet goed dat er zoveel problemen over worden gemaakt, nadat het al zo vaak politiek en beleidsmatig is bevestigd, in alle mogelijke samenstellingen van meerderheden.

Als het gaat over privatisering, mijnheer De Loor, is het zo dat de grootste operatie in Vlaanderen ooit, waarbij openbare ziekenhuizen geprivatiseerd zijn, is gebeurd in de stad Antwerpen onder leiding van sp.a. Daar heeft men een openbaar ziekenhuis in een verzelfstandigde context gebracht, privaatrechtelijk. Omdat men van oordeel was dat men zowel de openbare en sociale missie van dat ziekenhuis als de beheersstructuur op die manier het best kon verzekeren. Als dat privatisering is in uw ogen, heeft uw partij er de grootste inspiratie voor gegeven in Antwerpen. (Applaus bij de meerderheid)

Mijnheer Diependaele, het debat mag vandaag ook inhoudelijk worden gevoerd. Mevrouw Gennez heeft duidelijk gezegd dat het voor sp.a heel belangrijk is dat de sociale dienstverlening op de eerste plaats staat, vertrekkend vanuit de noden. De vraag is: waarom schuift u een cruciale partner op lokaal vlak, de OCMW’s, a priori aan de kant en zegt u dat ze moeten verdwijnen, dat ze moeten inkantelen in de gemeenten? Daar kan ik niet bij.

Minister Homans, u geeft voorbeelden van een aantal gemeenten en steden waar er nu al heel nauw wordt samengewerkt. Dat kan ik enkel beamen. Het is er gekomen op basis van het decreet op het lokaal sociaal beleid van 2004, dat de synergie tussen OCMW en gemeente veel nauwer heeft gemaakt, om de overheadkosten te beperken en om bepaalde diensten te laten samenwerken.

Welk probleem willen we in feite oplossen? Die vraag stel ik me al weken en maanden. Ik krijg er geen antwoord op. U geeft een aantal voorbeelden, minister. Welke efficiëntiewinsten en welke oplossingen verwacht u van dit inkantelproces, die nu nog niet mogelijk zijn? Dat had ik graag eens van u gehoord.

Mijnheer De Loor, u wilt maar niet luisteren naar de antwoorden die ik geef en al heb gegeven in het verleden. Ik heb heel duidelijk gezegd dat het de bedoeling is van deze oefening om te gaan naar een geïntegreerd lokaal sociaal beleid dat de meest behoeftigen in onze samenleving ten goede komt. Ik heb niet zozeer voorbeelden van samenwerking gegeven, mijnheer De Loor, maar vooral van zaken die zowel door een gemeente- als een stads- als door een OCMW-bestuur worden gedaan, en dikwijls naast elkaar. Dat vind ik niet goed, zeker voor de betrokkenen.

Ik wijs op artikel 32 van het Gemeentedecreet, dat bepaalt dat een OCMW-voorzitter, ook al is hij of zij lid van een college, in de gemeenteraad nooit kan worden geïnterpelleerd over zaken die het OCMW aanbelangen. Het is van het grootste belang, vooral voor de zwaksten in de maatschappij, dat er een debat kan komen waarbij iedereen een mening kan hebben. Zo kunnen we alle krachten bundelen.

Ik herhaal – en excuses voor de herhaling – dat dit geen financiële efficiëntieoefening is. Dit is een efficiëntieoefening in het belang van de solidariteit, die wij toch allemaal in dit parlement ter harte moeten nemen, voor de allerzwaksten in onze samenleving. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Keulen heeft het woord.

Goede collega’s mevrouw Gennez en mijnheer De Loor, ik wil naast uw opmerkingen de universiteit van het leven plaatsen. Ik ben burgemeester van een gemeente van 26.000 inwoners. Dat is zo’n typische, modale Vlaamse gemeente en die heet Lanaken. We hebben er daar voor gekozen om alle generieke diensten van gemeente en OCMW te integreren: boekhouding, personeel, technische dienst, secretariaat, juridische dienst. Dat levert jaarlijks, dus recurrent, een besparing op van 220.000 euro. Met dat geld kun je heel veel mensen in nood helpen. (Applaus bij de meerderheid)

Het zijn instellingen waar de mensen in nood ook geen boodschap aan hebben. Zij willen gewoon geholpen worden. Of dat gebeurt onder de noemer stad of gemeente of onder de noemer OCMW, blijft hun gelijk. Zij willen laagdrempelig worden aangesproken en worden geholpen met de vraagstukken waarmee ze worstelen.

Dat is eigenlijk de keuze die nu alle gemeentebesturen in Vlaanderen maken, wat ook hun samenstelling is, vaak ook met sp.a mee in de meerderheid, net als in Lanaken! (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Ik wil me graag aansluiten bij de heer Keulen. In mijn gemeente, Puurs, is dat immers net hetzelfde. Ter zake begrijp ik sp.a echt niet. (Opmerkingen)

Mevrouw Gennez, mijnheer De Loor, het gaat niet over efficiëntie en louter financieel gewin. Het gaat over een sterker sociaal beleid, en vooral een sterker geloof in die lokale besturen! Wie is het best geplaatst als het gaat over onze levenskwaliteit, het welzijn, het geluk, om de mensen ter plaatse te helpen? Dat is het lokale bestuur. Dat heeft daar het beste zicht op. Laat dat bestuur dan ook dat sociaal beleid zelf organiseren! Geef vertrouwen aan uw lokale bestuurders. Vertrouw op uzelf, mijnheer De Loor. Blijkbaar hebt u immers Vlaanderen nodig om in Zottegem een goed sociaal beleid te voeren. Neen, deze regering gelooft in en geeft vertrouwen aan die lokale besturen. Zij zijn het best geplaatst om een krachtiger sociaal beleid te voeren, een geïntegreerd beleid voor minder geld. Wat zeggen verenigingen waar mensen in armoede het woord nemen? Ga weg van een stigmatiserend sociaal beleid, zodat die mensen overal in het sociaal leven van de gemeente aan bod komen. Dat gaat over de bibliotheektoegang. Dat gaat over de toegang tot het cultureel centrum. Dat is een sportbeleid. Dat is een cultuurbeleid. Dat is een geïntegreerd beleid. Kom los van de structuren: daarover gaat het! (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord;

De heer John Crombez (sp·a)

Het is soms moeilijk om iedereen bij de essentie van het debat te houden. Als het waar is dat een groot stuk van dit parlement al jaren vindt dat dingen om efficiëntieredenen samen kunnen gebeuren op lokaal niveau, dan is het vreemd dat de heer Keulen en anderen wat we aan het zeggen zijn raar vinden. Ze zeggen hier een na een dat er nu al sprake is van die geïntegreerde operationele diensten, dat ze dat nu al doen. De vraag van de heer De Loor wat nu de echte bedoeling is van het zetten van een stap verder, is dus zeer relevant. Minister Homans, dit debat komt er niet naar aanleiding van een nota in mei 2014. Dit debat komt er na berekeningen van diegenen die in Vlaanderen aan het bekijken zijn wat er aan het gebeuren is met de OCMW’s. Een van hun vaststellingen is dat de OCMW’s tot 27 procent minder zullen kunnen investeren. Dus, al die holle woorden die u allemaal gebruikt om te zeggen dat u goede bedoeling hebt met het lokaal sociaal beleid, dat is allemaal fantastisch, maar wat doet u met de vaststelling van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) dat de investeringen met 27 procent zullen dalen?

Ik denk dat mevrouw Schryvers en minister Vandeurzen het min of meer met me eens zullen zijn als ik zeg dat de OCMW’s vandaag goed werk leveren. De vraag waarop het antwoord maar niet komt – maar de discussie zal altijd maar groter worden – is de volgende: hoe komt het dat u altijd maar zegt vertrouwen te hebben in de lokale besturen, in de OCMW’s, en zegt dat men nog meer vertrouwen moet hebben, terwijl het altijd maar duidelijker wordt dat u altijd maar meer bevoegdheden en noden aan die lokale besturen en die OCMW’s geeft, met minder middelen? De concrete vraag is hier nog niet gesteld, alle mooie voorbeelden ten spijt. De concrete vraag gaat over die investeringen. Zorgnet Vlaanderen zegt dat met wat de regering gaat doen, de rusthuizen 20 procent duurder dreigen te worden. Wel, als het zo moeilijk is om ons te begrijpen, geef daar dan een duidelijk antwoord op. Is wat u doet, goed of slecht voor de prijzen in de rusthuizen? Het is slécht. Dat is wat we aankaarten, en dat is een van de gevolgen. Als u toch vindt dat ook de sociale budgetten in dezelfde pot van de gemeentebesturen moeten, dan is er voor het beleid, voor de sociale objectieven geen enkele garantie dat de Vlaamse Regering met de hand op het hart kan zeggen het nodige te zullen doen om die rusthuizen niet 20 procent duurder te maken. U mag het nieuwe jaar inzetten zoals het oude, met honderd keer te herhalen dat u ons niet begrijpt, maar de sp.a-fractie zou gewoon graag begrijpen dat u een begin van beleid hebt dat ervoor zorgt dat de rusthuizen niet 20 procent duurder zullen worden. Daarop hebben we nog geen énkel antwoord gekregen.

Vlaanderen is eigenlijk toch ook één grensgebied. In Nederland kennen ze de figuur van het OCMW niet. (Opmerkingen)

In Duitsland kennen ze de figuur van de OCMW niet. In alle sterke democratieën in Noord-Europa kennen ze de figuur van het OCMW niet, maar die hebben wel een traditie van een sterk lokaal sociaal beleid.

En wat wij nu doen, is inderdaad net door een efficiëntieoefening meer geld vrijmaken voor dat lokaal sociaal beleid en ervoor zorgen dat we daarmee de mensen in nood, in de steden en gemeenten, daar waar de mensen wonen, ook daadwerkelijk kunnen helpen. Dat doen ze dus in heel Noordwest-Europa. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Somers heeft het woord.

De heer Bart Somers (Open Vld)

Voorzitter, ik begrijp het betoog van de heer Crombez niet, want ik vind dat hij zichzelf volledig tegenspreekt. Eerst en vooral gaat het natuurlijk niet alleen over het integreren van ondersteunende diensten. Het moet de ambitie zijn een geïntegreerd sociaal beleid te kunnen voeren, waarbij alle hefbomen die een sociaal beleid kunnen schragen, in één hand en door één visie worden gedragen. Dat gaat veel verder dan de huidige kerntaken van het OCMW. Een modern, toekomstgericht sociaal beleid heeft ook repercussies op het onderwijs, het culturele leven, het sociale leven, het jeugdwerk enzovoort. Een breed ingebed sociaal beleid is het meest efficiënte beleid. Maar waarin ik de heer Crombez niet begrijp … (Opmerkingen van de heer John Crombez)

Mijnheer Crombez, ik heb aandachtig naar u geluisterd, maar ik denk dat u zelf eens moet luisteren naar wat u hebt gezegd. U zegt dat de OCMW’s vandaag 27 procent moeten besparen. (Opmerkingen van de heer John Crombez)

Er is vandaag dus al druk op de OCMW’s. De huidige structuur verhindert dus niet dat, wanneer er wordt bespaard, ook de OCMW’s in beeld komen. Er is dus geen beschot tussen een gemeente en een OCMW. Het sluitstuk van een OCMW-begroting is de gemeentebegroting. (Opmerkingen)

Ik denk, met alle respect, net het omgekeerde. Ik ben overtuigd van het omgekeerde. Ik ben ervan overtuigd dat de dag dat de huidige taken van een OCMW de verantwoordelijkheid worden van een voltallig schepencollege, waar lokaal de sterkste mensen zitten, de mensen met het meest autoritair gezag, met een veel breder draagvlak, er een veel grotere betrokkenheid zal zijn bij het sociaal lokaal beleid, er een veel sterker sociaal beleid zal zijn en er veel meer middelen zullen worden vrijgemaakt voor een gedegen sociaal beleid dan vandaag. Dat is mijn overtuiging, na vijftien jaar als burgemeester. (Applaus bij de meerderheid)

Minister Jo Vandeurzen

Wij zijn hier aanwezig om een debat te voeren over iets dat volgens sp.a actualiteitswaarde heeft, namelijk een passage uit het regeerakkoord waarin wij als regering aankondigen dat er een integratie zal zijn. (Opmerkingen)

Het punt dat vandaag aan de orde is – al dan niet gewenst – is hoe je dat lokaal sociaal beleid gestalte moet geven. De vragen over de woonzorgcentra en de financiering, de vragen over het investeringsbeleid in de welzijnssector, zijn zeker pertinente vragen die wij hier bij herhaling al hebben besproken, maar ze zijn absoluut niet rechtstreeks verbonden met de vraag wat er met de OCMW’s zal gebeuren. Er zijn vele partners op het terrein die die taken uitvoeren. De financiering van die zaken is inderdaad geen kerntaak voor het lokaal bestuur, maar het zijn financieringen die op andere niveaus worden georganiseerd. Daarover moeten we hier een gesprek voeren, maar ook op het federale niveau, met de ziekteverzekering en iedereen die daarin verantwoordelijkheid draagt.

Ik begrijp niet dat nu ineens het debat over de plaats van het OCMW in het lokaal sociaal beleid het debat moet worden over de financiering van de woonzorgcentra. Dat laatste is een pertinente discussie, maar is zeker niet het monopolie van het OCMW.

U had het over investeringstabellen. Wat is het Zorgbedrijf Antwerpen? Is dat lokaal beleid? Het is een openbaar bestuur dat investeert in welzijn en zorg. Wat is het openbaar ziekenhuis van Genk? Staat dat in uw tabel bij de investeringen? Natuurlijk zijn dat investeringen! En dan heb ik het nog alleen maar over de publieke rechtspersonen op lokaal niveau die ook investeren, die ook VIPA-geld hebben gekregen, en ook worden geëxploiteerd met middelen uit een ziekteverzekering of uit de Vlaamse begroting, maar die niet in uw tabellen voorkomen. Met andere woorden, als iemand verzelfstandigt en weggaat uit de rechtspersoon OCMW, dan is dat plots alsof het investeringsritme zou dalen. En als de private partner, de vzw, of de commerciële partner het doet in de lokale gemeenschap, zijn dat investeringen die niet in beeld komen als investeringen in het sociaal beleid.

Tja, dat soort debat voeren is een mikmak maken van allerlei zaken om een punt te bewijzen dat ik eerlijk gezegd nog altijd niet heb gezien. (Applaus bij de meerderheid)

Het zal u niet verbazen, maar wat de heer Vandeurzen zegt, is volgens mij echt pertinent en zeer nodig in dit debat. Mijnheer Crombez, het is niet enkel dit document, van mei 2014, dat de aanleiding is geweest tot dit actualiteitsdebat. Een lid van uw fractie heeft daarover – en dat is trouwens zijn volste recht – tijdens de kerstvakantie allerlei verklaringen afgelegd in de media. Dat was eigenlijk de aanleiding tot dit actualiteitsdebat. (Opmerkingen van de heer John Crombez)

Misschien waren er ook nog andere parlementsleden. In ieder geval was het op basis van het document van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur (ABB) dat dateert van mei 2014.

Wat minister Vandeurzen zegt, is dus pertinent juist. Alle investeringen die worden gedaan door autonome gemeentebedrijven (AGB’s), door OCMW-verenigingen en door private partners, zijn er niet in opgenomen.

Komt er een verlaging van investeringen? Neen! We zien in Vlaanderen natuurlijk de tendens van verzelfstandigen en dergelijke. Wat zorg betreft, wordt niet alles nog gedaan door het OCMW. Dat is goed. We moeten een breder aanbod krijgen omdat ook de vraag toeneemt. Dat is absoluut essentieel.

Wat betreft de cijfers van het OCMW in het desbetreffende document van ABB, kan ik u zeggen dat de exploitatie-uitgaven stijgen van 3,3 miljard euro in 2014 naar 3,6 miljard euro in 2019. Het zou er nog aan moeten mankeren, mijnheer Crombez. Dit is belangrijk. Dit is geen daling, ook niet in de investeringen. Als we alle investeringen van de private partners, van de OCMW-verenigingen en van de AGB’s die niet opgenomen zijn in de meerjarenplanning van OCMW’s, meetellen, dan kunnen we zeggen dat we met deze Vlaamse Regering, in samenspraak met allerlei partners, meer dan een tandje bij steken.

Ik wil nog opmerken dat het intellectueel niet correct is om zich te baseren op het laatste jaar van de beleids- en beheerscyclus (BBC). Het gemiddelde moet worden genomen over heel de cyclus. Er mag niet alleen worden gefocust op het laatste jaar, want dan liggen de investeringen altijd net iets lager dan de jaren ervoor.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, ik wil naadloos aansluiten bij de laatste opmerking van de minister. Ik ben ervan overtuigd dat in heel de sector serieus wordt geïnvesteerd, niet alleen door de OCMW’s, maar ook door tal van organisaties.

Gisteren werd ik geholpen door een bepaalde krant. Naar aanleiding van de titel dat de OCMW’s minder investeren, heeft die krant een bevraging gedaan bij OCMW’s. Ik heb het resultaat bij van een bevraging bij 27 gemeenten, weliswaar in één regio. De conclusie was dat de meeste gemeenten en OCMW’s hun grootste investeringen achter de rug hebben. Velen hebben zich al klaar gemaakt, ze zitten op een goed tijdspad wat hun investeringen betreft. Laten we daar dus ook het positieve van nemen. Tegelijkertijd moeten we de zaak met argusogen blijven bekijken.

Van de investeringen die de voorbije zes jaar zijn gebeurd, zullen we de komende decennia de vruchten kunnen plukken. (Applaus bij de N-VA)

Als ik de heer Van Dijck en zijn collega’s goed begrijp, zijn alle zorgvragen beantwoord in heel Vlaanderen, in elke gemeente, wat betreft kinderopvang en rusthuisfacturen. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Ik geef u een ander cijfer. Ik wil ook wel eens iets zeggen. Het Gemeentefonds verhoogt wettelijk met 3,5 procent. Wat doet deze regering voor de OCMW’s? 1,68 procent! Het relatieve aandeel is veel kleiner, dit is een besparing bij de lokale besturen. (Rumoer bij de meerderheid)

Laat ons nu even terug tot de essentie van het debat komen. (Rumoer. Opmerkingen van de voorzitter)

De essentie is een geïntegreerd sociaal beleid. En dat vertrekt van de zorgvraag en bekijkt dan welk huis het beste geplaatst is om die zorg te coördineren, welke actoren kunnen samenwerken. En wat ons betreft zijn dat gemeenten, OCMW’s, zorgbedrijven, OCMW’s samen, de private sector en non-profitorganisaties.

Laten we kijken naar de feiten en naar de kwaliteit van de dienstverlening. Er werd allusie gemaakt op Engeland en op het Nederlandse model, dat geen autonoom sociaal beleid nodig zou maken. Wel, laten we naar Nederland kijken. Daar rekent men met zorgminuten. Men weegt er de pampers van bejaarden in rusthuizen om te kijken of het tijd is om ze te vervangen. Men legt mensen om half zes in hun bed omdat er later geen personeel meer is, behalve de bewaking. Is dit het model waarnaar we willen evolueren? (Rumoer bij de meerderheid)

En dat aan duurdere tarieven? (Rumoer bij de meerderheid. Applaus bij sp.a)

Laten we intellectueel correct zijn en het hebben over de kern van het debat. (Rumoer bij de meerderheid)

Wij zijn voor een geïntegreerd sociaal beleid …

De voorzitter

Dames en heren, heel wat mensen zijn tussengekomen naar aanleiding van de uiteenzetting van mevrouw Gennez. Laat mevrouw Gennez nu haar betoog ontwikkelen. U kunt dan nog eens reageren. Dat lijkt mij niet meer dan logisch. Zij heeft nog maar twee woorden gezegd, en ik zie al vier mensen het woord vragen. Houd u wat in.

Mevrouw Gennez, u hebt het woord.

Mijn fractie wil heel sterk benadrukken dat het onmogelijk maken van een autonoom sociaal beleid niet onze keuze is. Een sociaal beleid, het garanderen van een menswaardig leven, zoals het in de OCMW-wet staat, is niet zoiets als een stoep aanleggen of een nieuwjaarsdrink organiseren. (Opmerkingen)

Dat is ook belangrijk, maar de regisseurs- en de actorsrol van het lokaal bestuur moeten voor het sociaal beleid sterk en autonoom kunnen blijven. Een sterk Sociaal Huis maakt daar integraal deel van uit.

Collega’s, als we het eens zijn over zoveel doelstellingen, zoals mevrouw Schryvers en de heer Keulen zeggen, laten we dan met het veld de discussie voeren over hoe we de rusthuissector in de toekomst organiseren, en over hoe we regisseur zijn in het lokale kinderopvangbeleid. Laten we de focus weghalen van de structuren.

Minister, nu zegt u in uw regeerakkoord dat u de OCMW’s, die min of meer goed werken, afschaft, en dan pas gaat u met de mensen overleggen over hoe we dat het best kunnen doen. Ik vind dat geen goed bestuur, ik vind dat geen goed beleid.

Tot slot wil ik refereren aan die buitenlandse voorbeelden, aan de privatisering van de zorg in de Angelsaksische landen, in Engeland. Daar nemen grote concerns rusthuizen en verzorgingstehuizen over. Zij herinvesteren hun winst niet in de zorgvraag, maar keren hem uit aan aandeelhouders en beursgenoteerde bedrijven. Dat is niet onze visie op maatschappelijke zorg. (Applaus bij sp.a)

Collega’s, ik roep u op om niet te kiezen voor een beleid dat wordt gekenmerkt door langzaam doodgeknepen lokale bijstand en zorg en door een toegenomen greep van de private markt in de zorgsector: hogere prijzen, slechte kwaliteit en geen herinvesteringen in de sector. Collega’s, ik wil u vragen om met alle stakeholders op het terrein, de OCMW’s, de lokale zorgbedrijven, de actoren hier in dit parlement en het middenveld, eerst het Sociaal Huis van de toekomst uit te tekenen in plaats van het zomaar met één pennentrek af te bouwen. Ik denk en ik hoop dat u dan beter zult slapen. (Applaus bij sp.a)

De heer Bart Somers (Open Vld)

Voorzitter, ik voel mij genoodzaakt om te reageren op een aantal dingen die mijn voor het overige zeer sympathieke stadsgenote heeft gezegd.

Mevrouw Gennez, het groeipad van het OCMW wordt niet door de Vlaamse overheid vastgelegd. Het groeipad van het OCMW in onze stad en in alle andere gemeenten van Vlaanderen wordt bij het begin van een legislatuur vastgelegd door de nieuwe meerderheid, die beslist hoeveel geld er van de gemeentekas naar het OCMW gaat. Het is inderdaad zo dat in Mechelen in deze legislatuur het groeipad dubbel zo groot is als vorige legislatuur. Ook in andere gemeenten zal dat verschillend zijn. Dat is een keuze die men lokaal maakt, los van wat Vlaanderen beslist.

De grootste sociale investering die ooit in onze stad heeft plaatsgevonden, is men nu aan het bouwen. Dat heeft niets met het OCMW te maken. Het is een gloednieuw ziekenhuis, met achthonderd plaatsen, door de Emmaüsgroep. Dat is de zogenaamde private sector, die ervoor gaat zorgen dat de medische zorg voor de mensen in de Mechelse regio een veelvoud beter zal zijn dan een OCMW-ziekenhuis in het verleden ooit heeft kunnen bieden. Dat gebeurt vandaag, en het komt nergens in uw verhaal voor.

Ik zit nu al twintig jaar in de lokale politiek en ik heb al vijftien jaar de eer en het genoegen burgemeester te zijn. Ik stoor mij enorm aan het wantrouwen en het paternalisme dat u hanteert ten aanzien van lokale bestuurders, waarbij u denkt dat het organiseren van twee afzonderlijke publiekrechtelijke organen op hetzelfde niveau – wat nergens anders in de wereld bestaat – zogezegd de mensen beter gaat beschermen tegen de onmacht of het onvermogen of de ondeskundigheid van lokale verkozenen. Dat vind ik schandelijk. Dat is een misprijzen van de lokale democratie dat ik in dit parlement nog nooit heb gehoord. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Maertens heeft het woord.

Ik erger me dood aan de stemmingmakerij over de structuurverandering. Voor alle duidelijkheid: het OCMW wordt niet afgeschaft. We integreren de taken van het OCMW in de gemeente met het oog op een betere dienstverlening en een beter geïntegreerd beleid. Dat is de doelstelling. Als daar efficiëntiewinsten aan gekoppeld zijn, dan kunnen die worden toegevoegd aan het budget voor sociale dienstverlening. Dat zei de heer Keulen daarnet al. We schaffen het OCMW dus niet af.

Ik stoor me aan het beeld dat u ophangt dat door de integratie van het OCMW in de gemeente het sociaal beleid daar het slachtoffer van zal zijn, dat de mensen daar het slachtoffer van zullen zijn en dat de investeringen in zorg zullen dalen. Ik denk niet dat dit zal gebeuren door een wijziging van de structuren.

Vandaag bestaat een bipolaire structuur met stad of gemeente en OCMW. U weet zeer goed dat de gemeente het budget van het OCMW bepaalt. In het gemeentelijk budget staat het tekort van het OCMW ingeschreven als een dotatie van de gemeente. Het zal dus altijd de gemeente blijven die geïntegreerd de beslissingen neemt. Ik wil u en uw partijgenoten vragen om alsjeblieft meer vertrouwen te hebben in de lokale besturen. Ook in meerderheden zonder sp.a zal het echt niet zo zijn dat het sociaal beleid wordt ondergesneeuwd en uitgehold als het OCMW deel uitmaakt van de gemeente. Integendeel!

Mijnheer De Loor, wie denkt dat een schepencollege het garanderen van een menswaardig bestaan op hetzelfde niveau zal plaatsen als het realiseren van een toeristisch wandelpad – zoals ik tot mijn grote ontsteltenis las in de krant –, die dwaalt, doet aan stemmingmakerij en begeeft zich niet op maar over de rand van plat populisme. (Applaus bij N-VA)

Mevrouw Gennez, u stelt dat een sterk sociaal beleid alleen maar kan binnen een groot afzonderlijk huis met een afzonderlijke structuur, zoals het nu bestaat. Dat huis dat u tekent en dat we vandaag kennen, heeft drempels. Dat heeft meer dan één drempel en het heeft hoge drempels. De heren De Loor en Crombez hebben gevraagd dat als er vandaag al kan en wordt samengewerkt in vele steden en gemeenten, wat het nut dan nog is van verder gaan. Ik zal het u zeggen: vandaag zijn er op organisatorisch vlak heel grote drempels waardoor twee rechtspersonen, twee raden, twee budgetten, twee rechtspositieregelingen, twee personeelsformaties nodig zijn enzovoort. Ook voor een personeelsequipe is dat niet goed. Ik kan het u garanderen.

Maar bovenal zijn er hoge drempels om een sterk geïntegreerd sociaal beleid te voeren, en dat is wat we willen. We willen vooral ook de drempel wegwerken voor mensen om er aan te kloppen en binnen te stappen. Sinds we in onze gemeente onder één dak werken, is het aantal mensen dat bij het OCMW terechtkomt met 50 procent toegenomen. Dat is heus niet vanwege zo’n groei van de noden, maar omdat het sociaal beleid veel dichterbij is. Gaat het daar niet om? Ik zou denken van wel! (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

De heer Doomst heeft het woord.

De heer Michel Doomst (CD&V)

Ik nodig de collega’s van sp.a uit om progressief te denken en niet regressief. Structuren zijn er voor de mensen en niet de mensen voor structuren. Wat wij proberen te doen, is de structuur doorbreken en zorgen dat er een totaal sociaal beleid komt in de gemeente dat beter is voor de mensen.

Ik nodig sp.a uit niet voor het rode licht te blijven staan en de versnelling in vooruit en niet in achteruit te zetten. Met wat we nu doen, creëren we een volledig sociaal beleid waar iedereen beter van zal worden.

Mijnheer Van den Heuvel, volgens mij leeft het wantrouwen ten overstaan van de lokale besturen vooral bij uw partij. Ik luister gewoon naar de discussie die hier wordt gevoerd. Een cruciale partner wordt aan de kant geschoven. De OCMW’s moeten inkantelen.

Mijnheer Keulen, u hebt verwezen naar de efficiëntiewinsten en naar de financiële winsten die op deze manier kunnen worden geboekt. Volgens de minister is het de Vlaamse Regering daar niet om te doen. Ik blijf me echter afvragen wat er dan moet gebeuren dat nu nog niet mogelijk is. Er is overal reeds een nauwe samenwerking tussen de diensten. Volgens mij is iedereen daar een grote voorstander van.

Mijnheer Van den Heuvel, in Zottegem hebben we de Vlaamse overheid niet nodig om een goed sociaal beleid te voeren. Dat is niet mijn verdienste. Dat is een verdienste van het volledig stadsbestuur. Mijn partij zit daar trouwens in een coalitie met CD&V. We zetten echt in op een sociaal beleid. We hebben daar de Vlaamse overheid niet voor nodig.

Een punt dat ik hier wil aankaarten, is dat de OCMW’s zich in een catch 22-positie bevinden. We krijgen steeds meer hulpvragen. Er komen steeds meer cliënten over de vloer. De vragen en de problematieken worden complexer. Daar staan echter geen bijkomende middelen tegenover. Dat wil ik vandaag opnieuw meedelen. We merken dat de Vlaamse Regering en de Federale Regering hun facturen doorsturen. Dit geldt niet het minst voor de gesubsidieerde contractuelen. Volgens de berekeningen van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) zal dit de lokale besturen 18 miljoen euro kosten.

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez (sp·a)

Voorzitter, ik wil nog een paar korte opmerkingen maken. Eerlijk gezegd, ben ik blij dat dit debat hier wordt gevoerd.

Minister, met mijn eerste opmerking wil ik duidelijkheid verschaffen. U hebt naar het exploitatiebudget verwezen. Ik had het echter over het investeringsbudget. Volgens mij heb ik niet naar het laatste bedrag verwezen. Ik zal gewoon voorlezen wat in de nota staat: “Het gaat om een gemiddelde jaarlijkse daling van 27,4 procent.” U schudt het hoofd, maar dat staat letterlijk in de nota.

De OCMW’s hebben de vraag gekregen wat hun verwachtingen zijn. In het licht van dit beleid is er een probleem. Dat staat los van al die verzelfstandigingen, commerciële vzw’s en dergelijke. Volgens de VVSG blijkt uit die bevraging van de OCMW’s dat binnen deze legislatuur een gemiddelde jaarlijkse daling met 27,4 procent wordt verwacht. Als dergelijke gegevens aan de Vlaamse Regering worden voorgelegd, moet het antwoord verder gaan dan de verklaring dat de Vlaamse Regering vertrouwen in de lokale besturen heeft en dat het allemaal wel goed zal komen.

Mijnheer Somers, mijn tweede opmerking heeft betrekking op het geheel. U hebt al vaak aangehaald dat u ons niet begrijpt. Volgens mij is de oorzaak dat we andere statistieken bekijken. Wat deze discussie betreft, zitten we dan ook in zeer verschillende partijen.

De voorbije 25 jaar hebben we in dit halfrond met verschillende partijen bestuurd. Deze week heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) de cijfers over de evolutie van de ongelijkheid in Europa gepubliceerd. Er wordt hier vaak naar andere landen verwezen. In de Scandinavische landen is de situatie inzake ongelijkheid erop achteruitgegaan. Er is daar nu meer ongelijkheid. Het land waar de situatie het hardst is verslechterd, is toevallig Zweden.

Het land dat eigenlijk het strafste resultaat neerzet, is België. De ongelijkheid was al laag en is niet gestegen. Een van de redenen is dat we een wet hebben die vertrouwen schenkt aan de lokale besturen om hun wettelijke verplichting uit te voeren. Die verplichting houdt in dat de mensen moeten worden beschermd. Iedereen kan honderd keer verklaren dat er vertrouwen is. Dat bestaat er blijkbaar in alles in een pot te gooien.

Mevrouw Schryvers, ik vind het eigenaardig dat u steeds blijft terugkomen op het punt dat we de lokale besturen vertrouwen moeten geven. Wij hebben vertrouwen in de OCMW-besturen. Ik dacht dat uw partij dat ook had.

Die OCMW-besturen zijn er mee de oorzaak van dat België binnen Europa een onwaarschijnlijk resultaat heeft neergezet inzake ongelijkheid. Het was laag en het is laag gebleven in tegenstelling tot de voorbeelden die jullie steeds aanhalen. We wensen dat dat zo blijft. Dat kunt u ons verwijten. In de voorbije 25 jaar zal het mee de schuld zijn geweest van de socialisten, dat weet ik, maar de ongelijkheid is laag en is niet gestegen in tegenstelling tot ongeveer alle Europese landen. En ja, dat willen we behouden. En dat is mede veroorzaakt door de OCMW’s. Wat wij in alle duidelijkheid vragen, is: blijf die sociale objectieven door een onafhankelijk Sociaal Huis behartigen. Dat is wat heeft gewerkt en belangrijk is, en gooi dat niet weg.

Mevrouw Gennez, als u hier aberraties aanhaalt als voorbeeld om te zeggen dat daar een OCMW voor nodig is, wel, Nederland is tientallen jaren gidsland geweest mede dankzij de sterke lokale sociale diensten – dat waren geen aparte OCMW-structuren – en mede dankzij de inzet van een aantal PVDA’ers, ook op het lokale vlak. Als u zegt dat daar vandaag dingen mislopen, dan zegt u dat misschien tegen uzelf. De federale minister van Sociale Zaken daar is Lodewijk Asscher, en dat is toevallig de voorman van de PVDA. Misschien dat daar wel een aantal voorzieningen zijn doorgeschoten en dat men nu opnieuw op de rem staat. Wat dat betreft, moet je weten wat je vergelijkt: appelen met appelen, en geen appelen met peren.

Ik vind het jammer dat hier woorden als ‘vertrouwen’, ‘belang van lokaal sociaal beleid’ nogal lichtzinnig in de mond worden genomen. Waar het ons om gaat, zijn de zorgvragers, de alleenstaande moeder met een kind, de senior die moet worden opgenomen in een rusthuis. Waar het deze regering om te doen is, is een fetisj. Een structuur afbouwen, inkantelen in een lokaal bestuur en dan spreken over vertrouwen. Vandaag is er onrust op het veld, niet alleen bij mensen die bij het OCMW werken, maar ook bij zorginstanties, bij hulpvragers, bij het middenveld. Het veld is geen vragende partij voor het bruuske fait accompli. Efficiëntiewinsten ja, maar vooral met de zorgvraag centraal. Denk goed na voor u tot de daad overgaat. Eerst gaat u met uw kat naar de dierenarts. U geeft haar een spuitje en laat ze inslapen, en dan zegt u: toch jammer, ze vangt geen muizen meer. (Rumoer)

De rusthuizen worden 20 procent duurder, de kinderopvangplaatsen worden niet gecreëerd, de prijzen stijgen, en dat is toch een verantwoordelijkheid waar u bijzonder voorzichtig moet mee zijn in tijden van vergrijzing, van stijgende zorgvraag en van economische crisis. Luister naar het veld. Minister, veel succes in uw ronde van Vlaanderen. (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

De heer Maertens heeft het woord.

Mevrouw Gennez, het is absoluut geen fetisj voor deze meerderheid om het OCMW en de gemeenten te integreren. Ik zal proberen kort uit te leggen waarom en hoe we dat dan zien. Iemand die de drempel van het OCMW over stapt, heeft meestal niet enkel een vraag om een leefloon of andere materiële hulpverlening. Het probleem gaat meestal ook over werk, huisvesting, betalingsproblemen op school of in de jeugdvereniging, integratieproblemen enzovoort. Het zijn allemaal gemeentelijke bevoegdheden. De burger die centraal moet staan bij elke overheid, wordt heen en weer geslingerd tussen het OCMW en de gemeente. De totaalaanpak wordt zo een pak moeilijker en er is toch wel veel tijdverlies. Het is niet meteen een voorbeeld van een klantgerichte overheid die de dienstverlening voor de burger zo kwaliteitsvol en efficiënt mogelijk wil organiseren. Een goed uitgevoerde integratie van het OCMW in de gemeente moet daar een passende oplossing voor bieden.

Het gaat heel duidelijk niet om de structuren. Niet de structuren moeten centraal staan, maar de dienstverlening en het beleid voor de burger. Een eengemaakt totaalbestuur, waarbij een geïntegreerd sociaal beleid mogelijk wordt, is een grote opportuniteit voor het lokaal bestuur en niet alleen om kostenefficiënter te kunnen werken, maar vooral omdat je een veel kwaliteitsvoller en volwaardig sociaal beleid kunt ontplooien als je alle diensten samenvoegt die zich over sociale beleidsmateries buigen.

De integratie van het OCMW in de gemeente versterkt net het sociaal beleid, in tegenstelling tot wat ik hier van sommigen al gehoord heb.

Collega’s, de toevoeging van de OCMW-voorzitter aan het college van burgemeester en schepenen was al een eerste goede maatregel, een eerste stap naar een meer geïntegreerde visie en meer geïntegreerd beleid. Maar door een volledige integratie van het OCMW in de gemeente kan men eindelijk ook tot één gemeentelijk loket voor alle inwoners komen. Dat zorgt voor meer eenvoud, meer transparantie en meer klantgerichte dienstverlening voor de burger.

Collega Maertens, u zegt dat dit voor meer transparantie en duidelijkheid zorgt. In het regeerakkoord staat er letterlijk: “Ook inzake vereenvoudiging zetten we door. We integreren de OCMW’s volledig in de gemeentebesturen (vrijwillig voor de centrumsteden).” En minister Homans heeft in de commissie en in deze plenaire vergadering gezegd dat er verschillende modellen zullen worden uitgewerkt. Als lokaal bestuur kun je dan kiezen welk model van sociale aanbieder of aanbieders je in je gemeente hanteert.

Ik heb dan ook een aantal vragen over die vereenvoudiging en transparantie waarover u het hebt. Zo is voor de centrumsteden de inkanteling van OCMW’s in gemeenten vrijblijvend. Voor de andere gemeenten is dat wel verplicht. Daar zitten we dus al met een verschil.

Er zullen dus ook een aantal modellen worden opgezet. Is dat vereenvoudiging? Is dat transparantie? Iemand die verhuist van een gemeente naar een stad of omgekeerd – en mensen die het sociaal moeilijker hebben, verhuizen ook vaker – moet dan door dat kluwen zijn weg gaan zoeken. Dan werk je pas drempelverhogend voor die sociaal zwakkeren! Bravo daarvoor, dat u dat vereenvoudiging en transparantie noemt.

U hebt ook gezegd dat de inkanteling efficiëntiewinsten zal opleveren en ervoor zal zorgen dat er een veel daadkrachtiger lokaal sociaal beleid kan worden gevoerd. Waarop baseert u zich om dat te zeggen? En is er ooit al onderzocht of het niet meer efficiëntiewinsten en een krachtdadiger sociaal beleid zou opleveren als OCMW’s zouden kunnen samenwerken? Daar heb ik nog niets over gehoord, noch in het regeerakkoord, noch in de beleidsnota, noch in dit debat.

Mijnheer De Loor, samenwerking tussen verschillende OCMW’s gebeurt nu al. Er zijn OCMW’s die bijvoorbeeld samen papier, installaties enzovoort aankopen. Maar het zou nog veel beter moeten kunnen. Het kan zeker ook voor een sociaal beleid. Ik denk bijvoorbeeld aan opdrachten inzake schuldbemiddeling. Daar zouden gemeenten samen kunnen werken. En niets zal beletten dat, wanneer het OCMW ingekanteld is in de gemeente, die gemeente dan ook gaat samenwerken met andere gemeenten. Die vraag is dus totaal niet terecht.

Wat de verschillende modellen betreft, denk ik dat die keuzevrijheid net een teken van vertrouwen in de lokale besturen is. Elke gemeente heeft een andere dynamiek, een andere specificiteit, een andere manier van werken, een andere zorgbehoefte enzovoort. Het is daarom goed dat een aantal modellen wordt aangereikt. Het zal dan aan de gemeenten zijn om te kiezen.

Ik heb net als u in de beleidsnota van de minister gelezen dat die modellen in het voorjaar ter bespreking zullen worden voorgelegd aan de regering en het parlement. Ik stel voor dat we dan, met tekst en inhoud, het debat over de modellen voeren.

De voorzitter

De heer De Meulemeester heeft het woord.

De heer Marnic De Meulemeester (Open Vld)

Mijnheer De Loor, als ik uw politieke discours hoor, krijg ik steeds meer de indruk dat u van alle steden en gemeenten van Vlaanderen één groot OCMW zou willen maken, met de oprichting van vele nieuwe diensten die niets met de kerntaak van het OCMW te maken hebben, en uiteraard met veel aanwervingen en benoemingen van personeel, en dat allemaal op kosten van de gemeenschap.

Is het dat wat sp.a wil? Wie gaat dat allemaal betalen? Waarschijnlijk de belastingbetaler. Ik zal u straks tijdens mijn betoog bewijzen dat het voor de Open Vld-fractie niet alleen over efficiëntiewinsten gaat maar over veel meer dan dat. (Applaus bij de meerderheid)

Collega’s, ik vervolg. Het ging over één gemeenschappelijk loket en het belang daarvan. Dat gemeenschappelijk loket zal er eindelijk ook voor zorgen, en dat is heel belangrijk, dat de stigmatisering van OCMW-cliënten, die vandaag nog veel te veel aanwezig is, kan weggewerkt worden. In nog veel te veel hoofden klinkt het vandaag alsof de gemeente er is voor de gewone normale zaken zoals een rijbewijs, een identiteitskaart enzovoort, en dat het OCMW er is voor de zogenaamde – pak me daar niet op – sukkelaars. Van die stigmatisering moeten we heel erg kordaat en duidelijk af. De invoering van het eenloketprincipe door de integratie van het OCMW in de gemeente zal daartoe bijdragen.

Maar er is meer dan dat. Armoede en hulpbehoevendheid kunnen vele oorzaken en gevolgen hebben die elkaar beïnvloeden en vragen dus een gecoördineerde aanpak, dwars door alle beleidsthema’s heen. Door die integratie kun je als lokaal bestuur beter antwoord bieden op een aantal van die maatschappelijke uitdagingen. Ik wil heel kort enkele voorbeelden geven. Het doelgroepenbeleid dat men in heel veel gemeenten probeert te ontwikkelen en de reflex om daar in alle beleidsdomeinen specifiek aandacht voor te hebben, zal veel gemakkelijker en sneller ingang vinden, cultureel dan, in de organisatie, als de gemeente en het OCMW ook structureel samengevoegd zijn. Een ander voorbeeld: de wijkwerking. In heel veel gemeenten is de wijkwerking vandaag het logistiek en inhoudelijk ondersteunen van wijkcomités, evenementen enzovoort. Wel, dat kan en dat moet verrijkt worden met sociale dienstverlening en het volwaardig betrekken van kansarmen of zorgbehoevende ouderen in de wijk. Alleen maar voordelen, collega’s. Een derde voorbeeld is het woonbeleid en het sociale huisvestingsbeleid, die binnenkort na de eenmaking overal één zullen worden. Men kijkt dan niet langer vanuit de ene of de andere bril. Woonaanbod, woonkwaliteit en woonbetaalbaarheid zullen een onlosmakelijk verbonden geheel kunnen vormen.

Collega’s, daarom is het een uitstekende zaak dat deze Vlaamse Regering verder werk maakt van de integratie tussen gemeenten en OCMW’s en niet, voor alle duidelijkheid, van de afschaffing van taken van dat OCMW.

Het moet gezegd: vele besturen zijn vandaag al actief bezig met de uitvoering van een stappenplan richting meer samenwerking en uiteindelijk de integratie van beide lokale besturen. Er zijn in Vlaanderen vandaag al 35 gemeenten waar er één secretaris is voor beide besturen en er zijn al minstens 84 financieel beheerders die zowel het petje van het OCMW als dat van de gemeente dragen. Met andere woorden: steeds meer gemeenten oefenen vandaag al de feitelijke integratie van het OCMW en de gemeente in de praktijk uit. Er zijn er die zelfs al alle zorgactiviteiten die voorheen opgesplitst waren tussen gemeente en OCMW, ondergebracht hebben in één gemeentelijk zorgbedrijf.

Collega’s van de oppositie, ik kijk specifiek naar u. Als vandaag al zo veel inspanningen gebeuren om de gemeente en het OCMW te integreren bij zo veel verschillende gemeenten met heel verschillende samenstellingen van meerderheden, dan moet het toch zijn dat die beweging nut heeft, dan moet het toch zijn dat de integratie niet zomaar zal gebeuren, maar daarentegen zal leiden tot een beter lokaal sociaal beleid. Uiteraard rekenen we er allemaal op dat de integratie ook op beheersmatig vlak efficiëntiewinsten zal opleveren, maar die vrijgekomen middelen moeten we dan echt investeren in verdere sociale dienstverlening.

In feite hoor ik collega Maertens nu vertellen wat ik daarnet ook gezegd heb. Die dynamiek is al elf jaar aanwezig en is opgestart met het decreet op het lokaal sociaal beleid. Ik wil daar nog wel eens aan herinneren. Vanuit die filosofie is er vertrokken om ervoor te zorgen dat er meer synergieën en samenwerkingen zijn, dat ondersteunende diensten worden samengevoegd en veel meer kunnen samenwerken om overheadkosten uit te sparen. Dat is één ding.

Wat ik u hoor zeggen, mijnheer Maertens, is dat we op het elan van het lokaal sociaal beleid, van het decreet van 2004, moeten verdergaan. Ook wordt het lokaal sociaal beleid uitgestippeld door de gemeenten in samenwerking met het OCMW. Ik vind het superbelangrijk dat dat gebeurt. Begrijp me niet verkeerd, ik vind dat superbelangrijk. Ik ben blij te horen, mijnheer Maertens, dat u ook op die golflengte zit, maar ik blijf dan wel bij de vraag: wat moet er nog extra gebeuren wat nu niet mogelijk is?

Want ook collega’s van de meerderheid geven voorbeelden van dingen die nu al gebeuren en nu al mogelijk zijn. Ik vraag me nog altijd af wat de echte redenen voor die inkanteling zijn.

Collega De Meulemeester, ik had me eerst voorgenomen om niet te antwoorden op uw vraag, maar ik kan het toch niet laten. U zegt dat als het van u afhangt, Vlaanderen tot één OCMW moet komen. Ik denk dat u dan echt niet naar het debat hebt geluisterd. Het is ook in mijn thuisstad Zottegem niet zo dat het OCMW een log gegeven is. Er zitten getuigen in de zaal.

Tot slot wil ik nog een vraag stellen aan de heer Maertens over de modellen. U hebt gezegd dat er naar aanleiding van de ronde van Vlaanderen die de VVSG zal organiseren, een aantal modellen zullen worden voorgelegd. Het zal ook blijken uit een conceptnota. Ik heb dan één vraag voor u, maar ook voor de minister. Zal bij de verschillende modellen die zullen worden voorgelegd, ook het huidig model tot de mogelijkheden behoren? Of sluit u dat uit? De minister sluit het uit op basis van het regeerakkoord. Ik vraag uw standpunt. Wordt het huidig model uitgesloten? Zo ja, waarom?    

Collega De Loor, als het regeerakkoord voorschrijft dat we gaan naar een integratie van gemeente en OCMW – en u kunt lezen en hopelijk beter dan ikzelf –, dan zal het niet zijn om de situatie van vandaag te behouden. Ik vind het een overbodige vraag.

U hebt het over de ondersteunende diensten gehad. Uiteraard doen al veel gemeenten dat, maar nog veel te weinig. Daarom kan een extra incentive nuttig zijn. U hebt het iedere keer over die ondersteunende diensten. Ze zijn er nu al, dus is er geen probleem. Voor ons gaat het over een geïntegreerd sociaal beleid. Vandaag kan men al samenwerken, maar een geïntegreerd sociaal beleid is veel meer dan dat en veel sterker dan dat. We moeten nagaan hoe het er vandaag aan toegaat en zeggen dat het model niet volmaakt is. Misschien denkt u er in Zottegem anders over. Ik weet niet of uw burgemeester aanwezig is. Maar ik denk dat een betere samenwerking nodig is en dat de integratie echt mogelijk is. We moeten komen tot één dienstverlening, één loket, één beleid, één geïntegreerd sociaal beleid dat horizontaal is en dwarsverbindingen maakt door de beleidsstructuur. Nogmaals, voor ons moet de burger daarbij centraal staan en niet de politieke structuur of wat dan ook.

Wij rekenen erop dat er ook op beheersmatig vlak efficiëntiewinsten zullen zijn. Die middelen moeten worden geïnvesteerd in de sociale dienstverlening. Maar – en misschien is dit weer goed voor een debatje – we moeten ons misschien ook eens de vraag stellen of de overheid alles zelf moet gaan doen. Moet een lokaal bestuur zelf een rust- en verzorgingstehuis bouwen en exploiteren? Wat ons betreft, kan dat gerust ook door anderen gebeuren, met garanties – heel eenvoudig te regelen, collega De Loor – voor minder gegoede inwoners op een betaalbaar verblijf en de bestaande normen inzake de kwaliteit van de zorg. Daar kun je als lokaal bestuur en Vlaamse overheid perfect regulerend optreden, ook al baat je zelf niet het rusthuis uit.

Collega’s, de regering maakt terecht werk van de integratie tussen OCMW en gemeente. Vanaf 2019 zal het de gemeenteraad zijn – die overigens wel rechtstreeks verkozen is door de bevolking –, die het sociaal beleid zal bepalen. Uiteraard zal het niet in de publieke gemeenteraad zijn dat individuele steundossiers zullen worden besproken. Uiteraard blijft de vertrouwelijkheid en de bescherming van de privacy ook in de toekomst gegarandeerd. Dat is nogal evident. Wie het tegendeel suggereert, doet bewust aan desinformatie en misleiding.

De minister zal binnenkort, zoals ik al heb gezegd, met een conceptnota naar het parlement komen. In die nota zullen verschillende modellen staan die we in het parlement zullen bespreken. Collega’s, wij geven de minister en de regering alvast het volste vertrouwen voor het uitwerken van deze heel erg belangrijke beleidsmaatregel. (Applaus bij de meerderheid)

Ik wou het met de heer Maertens – en hij is er zelf over begonnen – toch nog even hebben over de woonzorgcentra. Ik denk dat niemand in dit halfrond ervoor pleit dat alle woonzorgcentra moeten worden genationaliseerd. Daar pleit niemand voor.

Die indruk geeft u wel. Daar heb ik hier nog nooit iemand voor horen pleiten.

Sp.a is ervan overtuigd dat er naast de commerciële en de non-profitsector een sterke openbare poot nodig is. Die dreigt nu, minister van Welzijn, stilletjes, beetje bij beetje af te kalven. Dat heeft nefaste gevolgen. Dat gaat ten koste van de kwaliteit, de betaalbaarheid en/of de toegankelijkheid. Dat zijn de gevolgen als we het overlaten aan de markt. De sp.a-fractie is voor drie sterke poten waarvan de openbare poot er één is.

Bovendien, met een sterke openbare poot leggen we een druk op de prijzen. Als openbare woonzorgsector nemen we deel aan de prijssetting. Ik hoef u niet te vertellen dat de voorbeelden van mevrouw Gennez in het kader van een commercialisering niet uit de lucht gegrepen zijn.

Dat we bekommerd zijn om de kwaliteit, voorzitter, komt ook door de cijfers van de Woonzorglijn. In het jaarrapport lezen we dat amper 5 procent van de klachtentelefoons komt uit openbare woonzorgcentra. De overige 95 procent komt uit de andere centra. Dat zegt veel over de tevredenheid en kwaliteit van die openbare rusthuizen. Dat wou ik er nog eens aan toevoegen. Er moeten sterke garanties zijn om de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid te behouden, niet enkel voor de woonzorgcentra maar ook voor het sociaal beleid.

De voorzitter

We mogen niet voortdurend in herhaling vallen. Als uw punt gemaakt is, hoeft u het niet nog eens te herhalen. Er zijn nog mensen die iets willen zeggen.

De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez (sp·a)

Mijnheer Maertens, u vindt dat we eens moeten nadenken over wat de overheid doet en wat niet. Dat argument hebben we hier al vaak te horen gekregen in verband met verschillende sectoren. Maar dit debat gaat ook over wat er vandaag is. De vragen die we tot nu toe gesteld hebben en die jullie moeilijk kunnen begrijpen, gaan over dat aanbod.

Ik geef één voorbeeld. Naar aanleiding van het regeerakkoord, de verklaringen en de begrotingsbesprekingen, kwam er reactie van op het terrein. Er zijn – en we kunnen daar alleen maar respect voor hebben – veel mensen op het terrein die zich zorgen maken.

Een OCMW-voorzitter zei enkele weken geleden: we gaan oplossingen zoeken voor de gezinnen die het als gevolg van de prijsstijgingen door de Vlaamse Regering moeilijk zullen hebben. Dat is een ander debat, mijnheer Maertens, dan ons afvragen wat we nog gaan moeten doen. Dat is vandaag.

Net als Zorgnet met de 20 procent prijsstijging in de rusthuizen vraagt die OCMW-voorzitter zich af hoe ze het probleem van de stijging van de kinderopvangprijzen zullen opvangen. Die OCMW-voorzitter is een CD&V’er, mevrouw Schryvers. U begreep onze vragen over wat er gebeurt op het terrein daarnet niet. Dat is de aanleiding tot dit debat. Er is een verwachting van minder mogelijkheden van investeringen en minder middelen terwijl er zorgvragen zijn. U mag als regering en meerderheid honderd keer herhalen dat u eens gaat nadenken over wat u allemaal gaat doen, de vraag is vandaag de prijs van de rusthuizen en de kinderopvang … (Opmerkingen bij CD&V)

U zegt ‘nee’ vanuit de CD&V-fractie, maar mijn citaat komt van een OCMW-voorzitter van CD&V. U kunt dat erg vinden of niet. Neem het ons niet kwalijk dat we met hem die vragen stellen.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Het onderwerp van het debat is volgens de agenda “de toekomst van de OCMW’s”. (Instemming. Opmerkingen)

U vermengt voortdurend thema’s met elkaar. U suggereert relaties tussen bepaalde politieke opties. Dat bewijst dat u aanvoelt dat u het verkeerde debat hebt gekozen. (Applaus bij de meerderheid)

Laat me een en ander zeggen vanuit het perspectief van Welzijn. Uiteraard zijn er vele sectoren met initiatiefnemers met een verschillende rechtsvorm. Ik heb u al aangetoond dat dat debat na verloop van jaren een zeer relatief debat geworden is, want de garantie dat het openbare per definitie het meest sociale en efficiënte is, ik wil wel, maar die bestaat niet langer. Ik wil u de geschiedenis van een aantal openbare ziekenhuizen geven om aan te tonen dat die evidentie niet met beton onderbouwd is.

Dat is een redenering waarvoor een aantal dingen te zeggen zijn maar die absoluut niet evident is. De vzw Ziekenhuis Netwerk Antwerpen (ZNA) is een privaatrechtelijke rechtspersoon. Is dat volgens u dan een openbaar of privaat ziekenhuis? Wat de rechtsvorm betreft, is het in elk geval een privaatrechtelijk ziekenhuis. Het is een operatie door de stad en het OCMW van Antwerpen waarbij de openbare ziekenhuizen uit het OCMW zijn gehaald en verzelfstandigd. Het debat dat ik bij de heer De Loor onder de waterlijn voel, is de veronderstelling dat het openbaar moet zijn om sociaal te zijn. En als ik mevrouw Gennez goed heb begrepen, worden alle zorgvragen best door openbare partners verzekerd. Dat is een redenering waar ik als christendemocraat niet mee akkoord kan gaan. Natuurlijk kan men openbaar initiatief nemen. Waarom stoten momenteel veel lokale besturen initiatieven af? Waarom worden publieke woonzorgcentra verzelfstandigd? Dat is omdat men een kerntakendebat voert op het lokale niveau en men tot de conclusie komt dat het beter is dat op een goede manier te verzelfstandigen. Men kan zelfs publiekrechtelijk verzelfstandigen, men hoeft daarvoor niet de privaatrechtelijke rechtsvorm aan te nemen die uw partij voor Antwerpen heeft gekozen. Zo kan men initiatief nemen in de zorgsector, in de kinderopvang, in de gezinszorg enzovoort.

Persoonlijk ben ik erg voor die ontwikkeling omdat ik denk dat dit een heel wijze evolutie is. Ik vind dat de spreker op het spreekgestoelte overschot van gelijk heeft dat een lokale overheid beschikt over verschillende methodes om erover te waken dat haar inwoners een toegankelijke en betaalbare zorg kunnen krijgen. Wanneer het gaat over heel kwetsbare mensen kan men die kerntaak waarnemen met beheersovereenkomsten en alle mogelijke formules. Daarvoor hoeft men het niet absoluut en onveranderlijk zelf te exploiteren. En wanneer men het verzelfstandigt, kan men het bovendien in de publieke sector houden. Ik ben persoonlijk ervaringsdeskundige, want ik heb ooit een ziekenhuis gefuseerd, privaat en publiek, in de publieke sector.

U haalt al die debatten door elkaar haalt om een ideologisch verhaal te brengen. En dat verhaal is dat wanneer men het OCMW afschaft, het onmogelijk wordt om het sociale lokale beleid goed te voeren. In de praktijk gaan collega’s van uw eigen partij die in lokale besturen actief zijn, op een heel pragmatische manier met die zaken om.

Mijnheer De Loor, tijdens de vorige legislatuur stond in het regeerakkoord dat wij zouden stimuleren dat OCMW’s en gemeenten op vrijwillige basis zouden fuseren. Dat regeerakkoord hebben wij samen getekend. Ik heb een wijziging van het decreet Sociaal Lokaal Beleid aan dit parlement voorgelegd om af te schaffen dat er een apart sociaal beleidsplan moest worden gemaakt, want het moest worden geïntegreerd in het kader van de planlastenvermindering, in de beleids- en beheerscyclus (BBC).

Ik begrijp niet hoe u die institutionele discussie over het OCMW probeert voor te stellen als een debat over het sociale beleid. Ik ben de laatste om te ontkennen dat er problemen en uitdagingen zijn maar nu de indruk geven dat het koppelen van een harmonisatie- en efficiëntiebeweging aan die OCMW-structuren, het ultieme bewijs is van een asociale regering, dat vind ik onbegrijpelijk. (Applaus bij de meerderheid)

De heer Bart Somers (Open Vld)

In essentie sluit ik me aan bij de minister. Ik vind ook dat er een ongelofelijke vermenging is tussen een debat over de vorm en een debat over de vorm. Men zoekt altijd inhoudelijke argumenten om een conservatieve positie te behouden ten aanzien van instellingen die vandaag bestaan en waarvan iedereen met gezond verstand aanvoelt dat ze geïntegreerd beter kunnen werken.

Ik ga verder op uw voorbeeld. U zegt dat er vandaag OCMW-voorzitters zijn die acties ondernemen en initiatieven ontwikkelen om bepaalde sociale noden te compenseren. Ik ken gemeenten en steden waar niet het OCMW maar het stadsbestuur dat doet. Ik ken steden waar men voor elk kind een nieuwe vergoeding heeft ingevoerd om bepaalde kosten te financieren.

Ik ken een stad waar, op het moment dat sp.a bestuurde, een toenmalige sp.a-voorzitter vroeg en eiste dat kinderopvang niet bij het OCMW kwam – want daar zat iemand van een andere politieke kleur –, maar dat het een stedelijke verantwoordelijkheid en bevoegdheid bleef. Vandaag is dat in die stad nog altijd zo. Daar worden de problemen van kinderopvang niet door het OCMW maar door de stad opgelost, of probeert men die op te lossen. Het is niet zo, enkel omdat er een afzonderlijk OCMW is, dat de sociale problemen worden aangepakt. Het is niet zo dat een stadsbestuur niet in staat zou zijn om dat te doen.

Het allerbelangrijkste, en op dat punt ben ik het volkomen eens met de minister, is dat er op Vlaams vlak een regelgevend kader moet zijn dat de kwaliteitsvoorwaarden bepaalt en de controle organiseert op alle diensten die in zorg voorzien, of het nu publiek of privaat is. De kwaliteitseisen moeten voldoende hoog zijn en die controle moet voldoende goed gebeuren. Wie het ook organiseert, dat maakt niets uit voor de mensen die er gebruik van moeten maken. Als de kwaliteit maar gegarandeerd is. (Applaus bij Open Vld)

De heer John Crombez (sp·a)

Ik begrijp dat het lastig is op sommige punten die we aanhalen. Ik vind niet dat de regering iets bij het debat moet formuleren, u hoeft niet te antwoorden. Er is een actualiteitsdebat, zo staat het op de agenda, over de toekomst van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn.

Mijnheer Somers, u mag er tientallen namen aan geven. Mijn argument is zeer simpel: als u bepaalde bedoelingen hebt die niet concreet zijn, en u vindt dat eerst de kwaliteitsnormen en de prijsbescherming heel helder moeten worden gezet, laat ons dat dan als parlement eerst doen. Maar het is nu niet zo.

Ik ga mijn voorbeeld zelf herhalen. U hebt het al enkele keren herhaald. Ik heb u niet goed begrepen, ik denk dat het elke keer waar was. Mijn voorbeeld was een OCMW-voorzitter die stelt dat zij kinderopvang aanbieden en dat door de maatregel van de Vlaamse Regering het OCMW zelf maatregelen moet nemen om de impact te compenseren voor enkele gezinnen die erdoor in moeilijkheden komen.

Of het nu de rusthuisprijzen zijn of de kinderopvang, daar gaat het mij om. U kunt honderd of duizend verschillende voorbeelden geven. Onze vraag blijft altijd dezelfde. Op dit moment in Vlaanderen – en spreek me tegen, minister – zijn de prijzen gemiddeld 10 procent goedkoper in rusthuizen die worden aangeboden door de OCMW’s dan in rusthuizen die worden aangeboden door de commerciële vzw’s. En dat zijn gemiddelden, het is anders in alle provincies en onder alle besturen. De bottomline is: er is een sterke stijging geweest van het private aanbod en niet van het openbare aanbod. De stijging zit in de duurdere segmenten.

Ik vind het maatschappelijk wel een relevante vraag om te weten wat u van plan bent. We gaan die vragen blijven stellen. Als u het allemaal zo goed meent, en als de kwaliteitsnormen streng genoeg zullen zijn voor betaalbare prijzen, zorg dan dat dit parlement, met alle bevoegdheden die het heeft, dat eerst doet! Die vragen stellen wij. U kondigt grote bewegingen aan, maar de mensen op het terrein, ook CD&V-OCMW-voorzitters, zeggen terecht dat ze nu met de problemen worden geconfronteerd. Ik vind het dringend genoeg. Kom eerst met de oplossingen die duidelijk maken dat u meent wat u zegt, dat u het sociaal beleid en de prijzen voor de mensen wel belangrijk vindt. (Applaus bij sp.a )

Ik vind het heel vreemd dat het debat deze richting uitgaat. Wij willen er absoluut niet van worden beticht een ideologische structuurdiscussie te voeren, in tegendeel. Voor ons gaat het over de doelstellingen, het in kaart brengen van de zorgvragen. Als er fusiebewegingen op gang komen, minister, en als die vrijwillig zijn, waarom niet? Hoe meer, hoe liever. Hoe meer partners samenwerken, hoe beter. Is er verzelfstandiging noodzakelijk om flexibel te kunnen werken en inspelen op bepaalde noden, graag. Maar wel effectief met die publieke regierol en die publieke actorrol.

Wat de heer Crombez zegt, is juist. Als een rusthuis in Vlaanderen gemiddeld 10 procent duurder is als het privé wordt, is er toch wel stront aan de knikker.

En wat de heer Somers zegt, is ook juist: tot nader order hebben we meer vertrouwen in onszelf dan in een of andere structuur. Dat zou er nog aan ontbreken. In Mechelen is er inderdaad een verschil bij de rusthuisfactuur: in de vorige legislatuur kostte een publiek rusthuis 48 euro, vandaag 58 euro. Dat heeft het lokale OCMW inderdaad beslist, omdat het rechtse politieke keuzes maakt. (Rumoer)

Onze vraag aan minister Homans is eigenlijk heel concreet. Minister, waarom bent u er al zeker van dat de OCMW’s moeten inkantelen? Dat staat zwart op wit in uw regeerakkoord. Waarom gaat u dan nu pas aan de lokale actoren vragen wat hun eigenlijk het best uitkomt om die zorgvraag te organiseren? Dat is toch de wereld op zijn kop. U geeft hun eerst geen keuze.

Minister Jo Vandeurzen

De belangrijkste factor die de prijzen in woonzorgcentra doet verschillen, is de regionale factor. Uit een studie van de heer Pacolet, die u kunt consulteren, blijkt dat heel duidelijk. Hij heeft gezocht naar de relevante decisieve factoren. Eigenlijk kan hij daar niet zo meteen een heel heldere lijn in trekken, maar een van de belangrijkste elementen is dat er tariefverschillen bestaan tussen de regio’s, dat tarieven vaak door concurrentiële posities worden bepaald. De conditie van de infrastructuur is ook een heel belangrijk element. Dat is een heel interessant debat. Dat moeten we ook voeren. Ik ga dat ook niet uit de weg. Ik erken dat ter zake ook sprake is van een belangrijke problematiek. Ook voor mij als minister is het niet zo eenvoudig om daar zomaar op te antwoorden, zeker gezien de budgettaire toestand waarin we ons bevinden.

We moeten natuurlijk ook helder krijgen wat een lokaal bestuur qua financiering aan het lokale initiatief geeft. Ik suggereer soms dat men zou verzelfstandigen, ook al maakt men dat dan publiekrechtelijk verzelfstandigd en blijft men dat besturen, maar dan maakt men er een aparte rechtspersoon van. Een van de redenen waarom ik dat suggereer, is dat men zo eens duidelijk weet welke de feitelijke financiële stromen zijn die naar allerlei initiatieven gaan. Ik kan goed begrijpen dat veel lokale besturen ter zake ook transparantie willen hebben. Dan gaat het over het personeelsstatuut. Als je natuurlijk je voorziening benchmarkt qua personeelsstatuut ten opzichte van het statuut van de lokale besturen en niet van het statuut dat in de sector wordt gefinancierd, dan krijg je ook al een aantal effecten. Als u bedoelt dat we dat onbevraagd moeten laten, alle excuses, maar op een moment waarop we echt wel elke euro drie keer moeten omdraaien, waarop we efficiëntiewinsten moeten boeken, waarop we moeten proberen onze kernopdracht waar te maken om lokaal en toegankelijk een aantal zaken te organiseren, dan zijn dat thema’s die inderdaad op de agenda komen als je dit soort institutionele bewegingen of hervormingsbewegingen met betrekking tot de positie van de OCMW’s moet voorbereiden.

De voorzitter

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Voorzitter, dames en heren ministers, minister-president, het lijkt me goed om toch nog eens te zeggen dat het debat van vandaag inderdaad gaat over de toekomst van de OCMW’s. Dat is maandag zo bepaald in het Uitgebreid Bureau, op voorstel trouwens van de sp.a-fractie.

Voor ons kan het echter absoluut breder gaan. De basisvraag voor onze fractie is: hoe geven we vorm aan een sterk en krachtig sociaal beleid en welke rol kunnen de lokale actoren daarin spelen? Laat daar immers geen twijfel over bestaan: voor CD&V is het lokale bestuur het beleidsniveau bij uitstek om hieraan vorm te geven. Dat principe van subsidiariteit is al meer dan zeventig jaar lang een deel van het christendemocratisch DNA in Vlaanderen: geef het beleidsniveau dat het meest geschikt is, de instrumenten om de levenskwaliteit, het welzijn, het geluk van onze mensen op te waarderen. We hebben er dus alle baat bij om te investeren in sterke lokale besturen: geen jakobijns paternalisme, geen vingertje vanuit Brussel, maar vertrouwen geven aan onze lokale besturen, uitgaan van hun sterkte. Ze zijn perfect in staat om eigen keuzes te maken, ook op organisatorisch vlak.

Gelukkig zijn het uitzonderingen die te pas en te onpas aan de klaagmuur staan, die voortdurend de zwartepiet aan een ander beleidsniveau willen doorspelen. Ze ondergraven eigenhandig de geloofwaardigheid van het vermogen tot probleemoplossing van onze lokale besturen.

Al jaren vertrouwen we onze lokale besturen met de uitbouw van een beleid dat rechtstreeks bijdraagt tot een verhoogde levenskwaliteit. Zij beheren de eigen middelen voor sport, cultuur, vrije tijd en welzijn. Zij bouwen aan een goede kinderopvang, zorg voor senioren, voor een degelijke thuishulp. Ik zie dan ook geen enkele reden om hun niet ook het vertrouwen te geven het volledige sociale beleid te organiseren en regisseren op een manier die het best aansluit bij de noden van hun stad of gemeente. Want het OCMW moet inderdaad niet alles zelf doen. Het kan inderdaad via partners een degelijk zorgaanbod via kwaliteitscontrole realiseren. In die optiek rijst de vraag naar de toekomst van het OCMW en de verhouding ten aanzien van het gemeentebestuur.

Beste collega’s, hiermee starten we geen nieuw debat. Die vraag werd al vaker gesteld en gaf meermaals aanleiding tot hoog oplopende discussies. Al in 2002, dus meer dan 10 jaar geleden, werd in opdracht van de toenmalige Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur de studie naar een optimale verhouding tussen gemeente en OCMW uitgevoerd. De financiële situatie van OCMW’s is trouwens onlosmakelijk verbonden met die van onze gemeentebesturen. Wat het OCMW tekortkomt, past het gemeentebestuur bij. Dat benadrukt meteen dat het onderscheid tussen OCMW en gemeente alvast financieel eigenlijk sterk artificieel is. Maar is dat ook beleidsmatig het geval?

Voor CD&V zit het antwoord op die vraag duidelijk en ondubbelzinnig vervat in het regeerakkoord. OCMW’s moeten uiterlijk tegen de start van de volgende lokale bestuursperiode worden geïntegreerd in de gemeentebesturen. Meer zelfs, alle nog resterende wettelijke belemmeringen die dergelijke integratie nog in de weg staan, moeten worden weggenomen. We gaan de kans op aanzienlijke efficiëntiewinsten en een sterker sociaal beleid niet laten liggen omdat ergens op de weg daarnaartoe een hindernis is opgeworpen. Komt de maximale inzet van Sociale Maribelmiddelen in het gedrang door een nieuw samenwerkingsmodel? Dan moet die Maribelregeling worden aangepast. Het federaal regeerakkoord biedt daar trouwens de nodige ruimte voor.

Collega’s, ik zei het al: de lokale besturen zijn besturen dicht bij de mensen. Als geen ander zijn zij in staat om de noden en bekommernissen die bij de bevolking leven, snel op te pikken en daarop gepaste antwoorden te bieden. Gemeenten kunnen dus niet genoeg ruimte krijgen om, vanuit hun autonomie, op die noden in te spelen.

Ik denk dat we de vraag moeten omdraaien. Waarom zou een volkomen aparte entiteit het monopolie hebben, een conditio sine qua non zijn voor de uitwerking van een krachtdadig sociaal beleid?

Een integratie van OCMW en gemeente, waarbij het sociaal beleid enkel en alleen vanuit de gemeente wordt aangestuurd, past volkomen in het verhogen van de bestuurskracht van de lokale besturen én, dit is essentieel, zal een nog efficiënter en, vooral, krachtiger sociaal beleid mogelijk maken. Ervaringen uit diverse gemeenten, we hebben de voorbeelden daarnet gehoord, waar de geïntegreerde structuur stilaan opgang maakt, leren ons dat het sociaal beleid niet minder, maar juist veel meer aandacht krijgt in de colleges en dat er meer financiële middelen kunnen worden opgebracht. Het ligt ook volledig in lijn met de weg die de voorbije jaren al werd ingeslagen in het tot stand brengen van een versterkte samenwerking tussen gemeente en OCMW. De opname van de OCMW-voorzitter in het college van burgemeester en schepenen is daarvan het meest in het oog springende punt.

Voor CD&V wordt het debat over het lokaal sociaal beleid oneer aangedaan wanneer het wordt herleid tot een debat over structuren. Dat kan en mag niet het geval zijn. Het uitgangspunt moet steevast vertrouwen zijn, het vermijden van betutteling en detailregelingen van hogerhand.

Ziet een lokaal bestuur heil in de oprichting van een intern of extern verzelfstandigd agentschap? Of kiest het voor volledige integratie van OCMW en gemeente? Het is aan hen om te bepalen op welke manier ze hun regierol kunnen waarmaken en de samenwerking met partners uit het middenveld vormgeven. Een regisserende overheid, collega’s, is geen overheid die zich terugtrekt. Sommigen maken dit er graag van, maar hun verouderde en verkrampte visie biedt alleen een overheid die het allemaal zelf doet, garanties. Dit is voorbijgestreefd!

Het model dat CD&V binnen deze regering voorstaat, heeft nochtans op tal van domeinen zijn nut bewezen. Het staat garant voor een actieve overheid die duurzame partnerschappen aangaat, die krijtlijnen schetst, de kwaliteit bewaakt en die mensen kansen biedt, stimuleert, aanmoedigt en vertrouwen geeft.

Wel moeten wij erover waken dat de vertrouwelijke en apolitieke behandeling van persoonlijke dossiers bij een integratie overeind blijft. Maar ook voor die onafhankelijkheid biedt het regeerakkoord de nodige garanties. Het comité dat deze dossiers behandelt, blijft ook na een integratie van het OCMW in de gemeente openstaan voor externen.

Minister, van u verwachten wij dat u verschillende modellen uitwerkt die de gemeenten kunnen hanteren om de geplande integratie vorm te geven. Modellen die het regeerakkoord respecteren, van EVA over IVA tot een volledige integratie. Een bipolair model hoort daar niet meer bij. Bovendien is “kunnen hanteren” voor mijn fractie in dezen absoluut cruciaal. Het kan en mag in geen geval de bedoeling zijn dat gemeenten in een bepaald model gedwongen worden.

Collega’s, voor mijn fractie gaat het in de eerste plaats om het voeren van een krachtdadig lokaal sociaal beleid, een beleid waarin de mensen voorop staan en niet de structuren. Een beleid waarbij de gemeenten in vol vertrouwen, de vrijheid krijgen om de strategische doelstellingen uit te zetten en verder concreet naar eigen inzicht vorm te geven, ook op organisatorisch vlak.

Mijnheer Van den Heuvel, dit is echt een tjevenbetoog. Het is ongelofelijk. Ik denk dat u daarnet een ander debat hebt gevolgd. Niemand heeft hier gesproken van monopolies. Niemand, behalve de heer De Meulemeester, heeft gesproken over het feit dat een OCMW, een lokaal bestuur of een openbaar bestuur alles zou moeten doen. Niemand heeft daarover gesproken. Natuurlijk, u hamert, net zoals uw collega’s van de meerderheid, graag op die nagel, u wilt die er toch maar in kloppen. Ik heb dit debat niet gehoord.

U verwijt ons ook dat we progressief moeten denken. Ik meen dat wij dat doen. We doen dat vanuit de sterktes die aanwezig zijn op lokaal vlak, zowel bij de gemeenten als bij de OCMW’s. U denkt niet progressief, u denkt destructief en negatief. (Opmerkingen)

Ik heb nog een aantal vragen voor u. U zegt dat een aantal modellen moeten worden uitgewerkt die toegepast kunnen worden, dat er niets opgelegd moet worden. Toch staat in het regeerakkoord dat de OCMW’s moeten sneuvelen. De minister zegt dat een paar modellen moeten worden uitgewerkt, onder meer een basismodel met een IVA. Ik blijf erbij dat het de duidelijkheid, de transparantie en de hulpzoekende burger absoluut niet ten goede zal komen. Hoe staat u tegenover die verschillende modellen?

U zegt ook dat het bipolaire model van enerzijds de gemeente en anderzijds een onafhankelijk OCMW, moet worden opgeheven, dat het weg moet. Toch staat er dat integratie niet verplicht is voor centrumsteden. U zegt dat de lijn wordt doorgetrokken. Gaat u dan akkoord met het standpunt dat de minister in haar beleidsnota verwoordt, namelijk dat voor centrumsteden deze optie wordt opengelaten? Ook daarop had ik graag een antwoord van u gekregen. 

Mijnheer De Loor, ik heb niemand aangesproken. Ik stel alleen maar vast dat u zichzelf blijkbaar herkent in mijn opmerkingen over een conservatieve, verkrampte houding. Dat is dan heel duidelijk.

Het is mevrouw Gennez die heeft gezegd dat ze niet goed begreep waarom de Vlaamse Regering iets wou wijzigen aan de OCMW-structuur. Wij hebben dat niet gezegd. We hebben dat maandag gehoord en we hebben dat daarnet ook nog eens duidelijk gehoord. Daarover gaat het debat. Ik heb vanuit uw fractie duidelijke signalen gehoord dat het absoluut niet nodig is.

Wij zeggen dat we vertrouwen moeten geven aan de lokale overheid. Wij zeggen dat aan hen de opdracht moeten worden gegeven om een structuur, op maat van het lokale bestuur, vorm te geven op basis van een aantal keuzemogelijkheden en modellen vanuit de Vlaamse Regering. Geen dwang, geen wantrouwen, geen betutteling. Daarover gaat het en daarin schrijven we ons volledig in.

Voorzitter, het is misschien goed dat ik enige duidelijkheid verschaf over die modellen. Hier wordt geïnsinueerd dat een van de modellen zou zijn dat alles bij het oude blijft. Voor eens en voor altijd: neen, dat zal niet gebeuren, er zal sowieso een integratie zijn van het OCMW in de gemeente- of stadsbesturen. De verschillende modellen slaan op de OCMW-verenigingen, bijvoorbeeld een woonzorgcentrum, een rusthuis of een andere instelling die nu wordt uitgebaat door een OCMW. Er kan worden over nagedacht in welke structuur je dat eventueel onderbrengt: een extern verzelfstandigd agentschap (EVA), een intern verzelfstandigd agentschap (IVA), een intergemeentelijke samenwerking (IGS). Ik benadruk ook dat er naast de integratie van de taken van het OCMW in het gemeente- of stadsbestuur ook nog een soort van comité van bijstand zal zijn, zodat we absoluut kunnen blijven garanderen dat individuele hulpdossiers op een zeer serene wijze en in alle anonimiteit kunnen worden besproken, los van elk politiek debat. Ik heb het dan bijvoorbeeld over het aanvragen van een leefloon of materiële bijstand, over dringende medische hulp, enzovoort. Ik denk dat het absoluut nodig is om dat op een serene manier en los van de politiek te kunnen doen. Mijn collega’s in de regering zijn het daarmee eens.

Ik hoop dat het nu voor iedereen hier aanwezig duidelijk is dat niet een van de modellen zal inhouden dat de toestand blijft zoals vandaag. Er zal een echte integratie komen.

Minister, de vraag was niet of alles bij het oude zal blijven. Maar aangezien u nu toch zegt dat dit niet het geval zal zijn, stel ik onmiddellijk een paar bijkomende vragen.

Is er een evaluatie gebeurd? Is er een bevraging geweest? Zo ja, dan hadden wij die graag gekend.

Minister, de vraag is wel of het huidige model zal worden meegenomen in de oefening. Zo niet, waarom niet? En waarop baseert u zich dan? Ik kijk niet uit naar uw antwoord als u zegt: “Omdat het in het regeerakkoord staat.” Daarin bent u specialist: “Waarom? Daarom!” Dat sterkt mij meer en meer in mijn overtuiging dat jullie er een verborgen agenda op nahouden. (Rumoer)

Dat is de afbraak van het sociaal beleid, de verzuiling en de privatisering. Ik grijp dat niet uit de lucht. Zie maar wat er aan de hand is in verschillende gemeenten en OCMW’s. Ik verwijs naar de situatie in Zelzate. Uit de analyse van de meerjarenbegroting blijkt dat ze daar van 170 naar 29 voltijdse banen gaan. Het gaat mij niet om die banen, maar wel om de privatisering van het woonzorgcentrum, van de buitenschoolse kinderopvang, van de kinderopvang, van de poetsdienst en de thuiszorg. Dat is de verborgen agenda die er bij sommigen aanwezig is.

Mijnheer De Loor, het stoort mij dat u altijd op deze manier spreekt over verzelfstandiging. Wat is de doelstelling en de taakstelling van het sociaal beleid van onze OCMW’s en gemeenten? Zorgen dat de noodzakelijke zorg en hulp voorhanden zijn. Dat is: die regie voeren. Betekent dit dat je dat alleen moet doen? Neen. Je kunt dit perfect samen met partners doen. Daar heb je Vlaanderen niet altijd voor nodig. Je kunt in dat kader als lokaal bestuur afspraken maken en eisen stellen met betrekking tot opnamebeleid, prijszetting en kwaliteit. Wees ervan overtuigd dat heel veel voorbeelden bewijzen dat het efficiënter en goedkoper kan. Dat komt ook ten goede van de kostprijs voor de gebruiker. Gaat het daar niet om? 

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

Voorzitter, ik heb tot nu toe alleen maar geluisterd, maar nu kan ik niet anders dan reageren, nu ik hoor zeggen dat het integreren van OCMW’s in gemeenten hetzelfde is als een afbraak van het sociaal beleid. Ik heb daar de grootste moeite mee. Ik zou de heer De Loor eens willen uitnodigen in een gemeente waar die integratie al heel ver gevorderd is en waar al de diensten al sinds vorig jaar onder één dak zitten. Wat is sociaal beleid? Is dat een apart beleidsveld? Neen, dat is een beleidsveld dat over alle beleidsdomeinen heen gaat. Of het nu gaat over wonen, verenigingsleven of onderwijs. Over al die beleidsvelden heen blijft sociaal beleid een belangrijke toets.

Ik stel vast dat dit perfect kan worden geïntegreerd als de diensten onder één dak werken en van in het begin samenwerken aan projecten. In het verleden was het zo dat de OCMW-voorzitter soms bij de burgemeester langskwam, wees op bepaalde gemeenschappelijke dingen en vroeg of de diensten konden samenzitten. Vandaag wordt er aan de basis samengewerkt. Dat betekent niet alleen efficiëntiewinsten – ik snap trouwens niet wat daar mis mee is want het is een daad van goed bestuur –, maar je krijgt een sociaal beleid dat van aan de basis mee wordt gedragen. Daar wint iedereen bij.

Voorzitter, het is een interessant debat, maar zeker geen goed debat. In een goed debat luistert iedereen naar wat de ander zegt. Ik heb niet de indruk dat dit het geval is. Mijnheer De Loor, u luistert gewoon niet. We hebben al met minstens twaalf collega’s de insinuatie weerlegd dat de verandering van structuur, de inkanteling van het OCMW in de gemeente, de lokale besturen aanzet tot minder investeren in zorg en tot privatiseren. Dat is absoluut niet het geval. Het doel is een beter geïntegreerd lokaal sociaal beleid, niet meer en zeker ook niet minder.

U hebt schrik dat heel wat lokale besturen de zorginstellingen zullen privatiseren. In mijn betoog van daarnet heb ik gezegd dat we de openbare poot van de zorgsector absoluut naar waarde willen blijven schatten. We moeten ook de markt toelaten. Het voorbeeld van de heer Somers staaft dat. Uiteraard moet het gaan om een sociaal gecorrigeerde markt met garantie op kwaliteit. U moet geen schrik hebben van de verzelfstandiging. Meer nog, ook sp.a doet dit. In de gemeente Roeselare van uw buurvrouw is deze week een verzelfstandigd zorgbedrijf gestart, mee met sp.a aan het roer. Ik denk niet dat u mevrouw Hostekint zult betichten van slecht bestuur.

De heer Marnic De Meulemeester (Open Vld)

Voorzitter, ik ben tevreden dat de heer De Loor het voorbeeld van Zelzate aanhaalt. Zelzate was tot voor kort een gemeente die werd bestuurd door sp.a en PVDA. Sedert de vorige verkiezingen is Open Vld de grootste partij geworden in de arbeidersgemeente. Ze hebben orde op zaken gesteld en dingen geprivatiseerd die totaal verkeerd liepen. Eindelijk is er orde op zaken in een gemeente die tot voor kort een van de slechtst bestuurde gemeenten was.

De voorzitter

Wilt u naar het spreekgestoelte komen om het standpunt van Open Vld weer te geven?

De heer De Meulemeester heeft het woord.

De heer Marnic De Meulemeester (Open Vld)

Voorzitter, ministers, dames en heren, in dit debat over de toekomst van de OCMW’s zijn al heel wat zinvolle argumenten uitgewisseld. Ik zal me beperken tot de voor ons cruciale overwegingen waarom een verdere integratie van de OCMW’s in de gemeentelijke overheden absoluut wenselijk is. Ik doe meer dan dat. Ik kijk verder dan de loutere integratiediscussie. Want om aan de stijgende zorgnoden te voldoen, zullen we meer moeten doen dan gemeente en OCMW samenvoegen.

Het zijn budgettair moeilijke tijden. Alle overheden, zowel federaal, Vlaams als lokaal, moeten de tering naar de nering zetten. Meer dan ooit moet spaarzaam worden omgegaan met belastinggeld, tenzij men ervoor kiest om de schulden te laten exploderen of de belastingen te verhogen. Dat is niet onze keuze. Voor Open Vld moeten de moeilijke budgettaire tijden volop worden aangegrepen om te zoeken naar meer efficiëntie maar ook naar meer samenwerking, zeker op lokaal vlak.

Door de strikte BBC-reglementering zijn vele steden en gemeenten de voorbije maanden op zoek gegaan naar meer samenwerking tussen lokale overheden onderling, tussen een overheid en private aanbieders en tussen gemeente en OCMW.

De integratie van het OCMW in de gemeente past hierin. Het is de ultieme samenwerkingsvorm die tal van voordelen heeft.

In de eerste plaats zal dit voor kostenefficiëntie zorgen. We zullen schaalvoordelen kunnen boeken. Een gemeenschappelijke personeelsdienst, technische dienst, groendienst of IT-dienst is efficiënter en goedkoper dan twee verschillende diensten.

Meer nog dan de financiële bonus die een integratie oplevert, zie ik ook een belangrijk beleidsmatig voordeel. Het sociaal beleid in een gemeente wordt niet langer versnipperd. Het komt in een en dezelfde hand te liggen. Dit kan enkel tot een sterke sociaal beleid leiden. Het hele sociale beleid in al zijn facetten wordt een volwaardige bevoegdheid van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen.

De gemeenteraadsleden zullen meer dan nu aandacht moeten hebben voor het sociaal beleid. Ze zullen er immers zelf volledig verantwoordelijk voor zijn en op aangesproken kunnen worden. Ze zullen zelf een beleid moeten uittekenen en verdedigen. Waarom wordt een boodschappendienst ingevoerd of afgeschaft? Waarom komen er al dan niet meer rustoordbedden? Waarom wordt al dan niet meer in schuldbemiddeling geïnvesteerd? Ten gevolge van de integratie zullen hierover in de gemeenteraad stevige inhoudelijke debatten worden gevoerd. Die debatten zullen zich niet, zoals nu vaak het geval is, beperken tot een cijferdiscussie over de gemeentelijke bijdrage aan het OCMW. Voor velen is die bijdrage louter een kostenpost. Voor ons verdient het welzijnsbeleid meer dan dat.

We zijn ervan overtuigd dat een integratie van het OCMW en de gemeente niet tot minder lokaal sociaal beleid zal leiden. Integendeel, deze integratie zal de baan effenen voor een sterker en beter gedragen lokaal sociaal beleid dat de mensen die zorg en steun nodig hebben, niet in de steek laat, maar daadwerkelijk helpt. Het moet duidelijk zijn dat we het omgekeerde nooit zouden aanvaarden.

De integratie is voor Open Vld niet enkel wenselijk. Ze vormt ook de logische finale stap in een evolutie die al eerder is ingezet. Het Gemeentedecreet van toenmalig minister Keulen heeft de basis gelegd voor een nauwere samenwerking tussen gemeenten en OCMW’s. De toevoeging van de voorzitter van het OCMW aan het college van burgemeester en schepenen heeft al voor een sterkere verbinding tussen de gemeente en het OCMW gezorgd. Nu is het tijd voor een volgende stap, namelijk de integratie van beide.

De integratie van beide openbare besturen is een goede zaak. Zoals ik al heb gesteld, is voor Open Vld echter meer nodig. Er zal niet enkel een betere samenwerking tussen OCMW’s en gemeenten moeten worden gezocht. Om de toekomstige zorgvragen te kunnen blijven beantwoorden, zullen lokale overheden ook andere samenwerkingsverbanden moeten zoeken. De idee dat de overheid voor alles zelf moet instaan, is achterhaald.

Dit inzicht is trouwens niet nieuw. Ik verwijs naar de ziekenhuizen. Tot enkele jaren geleden waren er nog heel wat OCMW-ziekenhuizen. Velen daarvan zijn ondertussen in een groter samenwerkingsverband opgegaan. Dit is hier al overvloedig aan bod gekomen. De reden is vaak de hoogoplopende kosten die met de exploitatie van een ziekenhuis gepaard gaan.

Ik ben ervan overtuigd dat de sector van de woonzorgcentra eenzelfde evolutie zal kennen. Momenteel is ongeveer een derde van de rusthuisbedden in de handen van OCMW’s. Voor een OCMW is de bouw van een woonzorgcentrum evenwel geen evidentie meer. Zelfs met de steun van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA) is de bouw en de uitbating van een openbare voorziening merkelijk duurder dan wanneer een vzw of een vennootschap hiervoor instaat. De personeelskost vormt een belangrijke factor.

Ik zou de sp.a-fractie nog iets willen meegeven. Het is dankzij tienduizenden zorgwerkers in de privésector dat zo veel zorgnoden worden opgevangen. Indien de privésector dit niet gedurende tientallen jaren zou hebben gedaan, zou de zorg momenteel gewoonweg onbetaalbaar zijn.

Het sociaal ondernemerschap uit de privésector heeft bewezen dat ze die moeilijke taken aankan. Ik begrijp totaal niet waarom sp.a daar zo’n hevige tegenstander van is.

We merken dan ook dat steeds meer OCMW’s …

Mijnheer De Meulemeester, u moet luisteren naar mijn tussenkomst. Ik heb daarnet gezegd dat de sp.a-fractie voorstander is van het behoud van de drie poten in de woonzorgcentra, binnen de zorgsector. Ik heb dat expliciet gezegd en zal dat nog eens benadrukken, want blijkbaar bent u hardhorig. Wij willen dat naast de openbare zorgcentra ook de commerciële en de vzw-structuren blijven bestaan.

Mijnheer De Meulemeester, u hebt daarnet in uw kaarten laten kijken inzake de woonzorgcentra. U zegt dat de grootste kost het personeel is en dat dat door een verzelfstandiging verbetert. Maar voor wie verbetert dat? Absoluut niet voor de personeelsleden. Een commercialisering gaat ten koste van iets of iemand. Iemand betaalt wel de rekening. Dat zijn de personeelsleden en de bewoners, maar u bent bekommerd om de personeelskost. Dat dat een uitholling is van het statuut, dat het een downsizing is van de loons- en arbeidsvoorwaarden, daar ligt u minder van wakker.

U hebt ook verwezen naar Zelzate, als slechtst bestuurde gemeente van Vlaanderen. Vandaar dat ze nu privatiseren. Welnu, ook in Oudenaarde hebt u de poetsdienst aan huis geprivatiseerd, hebt u de kinderopvang uitbesteed. Hebt u dat gedaan vanuit het oogpunt van de dienstverlening? Neen. U hebt het wel gedaan vanuit budgettaire overwegingen. Ook dat gaat ten koste van de personeelsleden, van de kinderen die moeten worden opgevangen en van de gebruikers.

Mijnheer De Meulemeester, ik sluit af met een vraag. U zegt dat we schaalvoordelen nastreven. Waarom is het nog nooit onderzocht of OCMW’s kunnen samenwerken om bijvoorbeeld een woonzorgcentrum uit te bouwen of een sociaal beleid te voeren? Neemt u dat mee in overweging in heel de oefening?

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Ik heb zeer lang gewacht om tussen te komen, maar in enkele van uw beweringen, mijnheer De Meulemeester – ik zal u niet pakken op het feit dat de Partij van de Arbeid in Zelzate nog nooit mee heeft bestuurd – doet u de waarheid op verschillende vlakken geweld aan. In de feiten komt het erop neer dat u de spoken bestrijdt die u zelf hebt gecreëerd en u bevecht de karikaturen die u zelf maakt. Dat kan retorisch gemakkelijk zijn, maar het staat mijlenver van de realiteit.

U zegt dat hier een fractie zou zijn die beweert dat OCMW’s uit de openbare sector alleen de zorgbehoefte zouden moeten dekken. Dat is niet zo. In dezelfde zin bewijst u dat ook. Vandaag wordt amper een derde van het aanbod in de rusthuissector in verschillende openbare constructies gerealiseerd. Twee derde zit in non-profit en het commerciële circuit. Heb ik daar een probleem mee? Geenszins. Gebeurt daar heel veel nuttig werk? Absoluut. De schrik die we hebben, is dat dit aandeel in de afgelopen jaren verwaterde. Er wordt bijkomend geïnvesteerd – nog te weinig volgens de noden, waardoor die wachtlijsten in heel wat sectoren oplopen –, maar het aandeel van de openbare sector neemt systematisch af.

Als ik u nu hoor zeggen dat dat eigenlijk een logische evolutie is en dat u dat mee koppelt aan de hervorming van het OCMW, dan bevestigt u net de schrik die anderen hier eerder al geuit hebben.

Mijn vraag aan u én aan CD&V – want verrassend genoeg heb ik het van de heer Maertens van de N-VA gehoord – is: mag het OCMW van u in de toekomst nog een actieve speler zijn? ‘Regisseur’, dat hebben we hier meer dan genoeg gehoord. Maar mag het OCMW van u op elk van die domeinen ook nog ageren en actief zijn? Zullen we in de toekomst ook nog openbare rusthuizen, kinderopvang enzovoort hebben?

De voorzitter

Mevrouw Taelman heeft het woord.

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld)

De heer De Loor zegt dat hij voorstander is van het behoud van de drie aanbieders en dat, als er gesnoeid wordt, iemand de prijs betaalt. Ik wil toch nog eens verwijzen naar de HIVA-studie (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving) uit de vorige legislatuur, waaruit blijkt dat infrastructuur die gebouwd wordt met VIPA-subsidies (Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden) per bed tot 60 procent duurder is. Dat is enorm veel. Daar zit dan een efficiëntiewinst in. Daar zit een groot deel van die duurdere prijs in.

Ik ben het beu hier te moeten horen dat als er bespaard zal worden, de prijs van een rusthuis tot 20 procent duurder moet worden. Het bewijs is er. Die studie is tijdens de vorige legislatuur uitgebreid besproken. Het kan dus. Stop met de mensen schrik aan te jagen. Voor ons, Open Vld, telt de kwaliteit van de aanbieding. Het kan dus, het wordt in de praktijk bewezen. Stop met die angstcultuur. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

De heer Rzoska heeft het woord.

Mijnheer De Meulemeester, ik volg het deel van uw betoog waarin u zegt dat we naar een modern sociaal beleid moeten gaan. Lokaal staat er inderdaad geen muur tussen de gemeente en het OCMW. Die financiële stromen zijn ook voor een stuk op elkaar aangesloten.

In de vorige legislatuur heeft Open Vld zeer lang gepleit voor een nieuw fiscaal pact, gezien de precaire financiële situatie van heel wat gemeenten. Als je de Dexia-studie bekijkt, is de financiële toestand van heel wat lokale besturen inderdaad niet zo rooskleurig. Tegelijk zegt u dat er een integratie zal komen en dat dat het sociale beleid ten goede zal komen. Maar moeten we dan ook niet naar een nieuw fiscaal pact gaan? Met het dalen van de inkomsten van gemeenten en hun precaire financiële situatie, is de kans immers zeer groot dat er ook op dat sociale beleid, waar de noden zeer hoog zijn, streng bespaard zal worden.

De heer Bart Somers (Open Vld)

Voorzitter, de discussie over de publieke en private zorgverstrekking is weliswaar niet de inzet van het debat, maar ik stoor me steeds meer aan het dogmatisme van onder meer de heer De Loor. Hij verwijt mijn goede collega De Meulemeester blijkbaar dat er in Oudenaarde een privatisering zou zijn geweest van de poetsdienst. Hij is sterk genoeg om dat zelf te verdedigen, maar ik heb zelf vijftien jaar geleden ook mijn poetsdienst geprivatiseerd, en ik moet zeggen dat ik daar apetrots op ben. Want vandaag is de efficiëntie veel beter, is de dienstverlening veel beter en tegen een goedkopere prijs, en zijn er veel meer mensen uit kansengroepen die daarin werken.

Ik zou hier een eresaluut willen brengen aan al die mensen die er in de private sector mee voor zorgen dat er een voldoende sterk en kwalitatief hoogstaand zorgaanbod is: private thuisverpleegsters die op zelfstandige basis werken, mensen in private zorginstellingen die zich elke dag en nacht inzetten voor het welzijn en de zorg van de mensen.

Omgekeerd ken ik ook heel wat publieke instellingen, heel wat publieke sociale instellingen, heel wat OCMW-instellingen, waar de kwaliteit ondermaats is. De vraag is dus niet of het een publieke of een private instelling is. Dat is absoluut geen garantie voor kwaliteit. Wat de garantie voor kwaliteit is, moet bepaald worden door de Vlaamse overheid. Die moet daar minimumregels voor opstellen. Die moet kwaliteitsvoorwaarden plaatsen en ze goed controleren. En dan blijft het mij gelijk of het nu privaat of publiek is.

Ik zal zelfs meer zeggen. Als er een privaat aanbod is, waarom zou de overheid, in tijden waarin we de tering naar de nering moeten zetten en er schaarste van middelen is, het dan per se zelf moeten doen, als er een mogelijkheid is dat anderen het in haar plaats kunnen doen?

Het is mijn overtuiging dat de eerste taak van een lokaal sociaal beleid de regierol is en evident op te treden en initiatieven te nemen waar de kwaliteit niet wordt gegarandeerd, waar er niet voldoende aanbod is en daarop werken. Dat is het essentiële. Dat moet worden bewaakt door de Vlaamse overheid. Ik betreur zeer erg de houding van sp.a in heel dat dogmatische debat over structuren en instellingen.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Uiteraard is die regierol cruciaal en heel belangrijk. De lokale niveaus moeten zorgen dat er op lokaal vlak een aanbod is dat voor iedereen toegankelijk is, dat divers is en dat zorgt dat een breed scala aanwezig is. Maar de actorrol kan je ook niet onderschatten, die actorrol is er wel degelijk. Dat uit zich enerzijds in de prijzen. Dat is al in het debat gekomen. Mevrouw Taeldeman zegt dat van de VIPA-middelen is aangetoond dat het duurdere structuren zijn dan andere middelen. We hebben inderdaad over de grenzen van meerderheid en oppositie heen een resolutie goedgekeurd om te zeggen dat we de financieringswijze van het VIPA moeten herbekijken. We hebben daarbij niet gezegd dat het idee van openbare woonzorgcentra irrelevant of niet meer nodig is. Neen, die hebben nog steeds hun functie. We hebben het daarstraks over de dagprijzen gehad. Een dagprijs in een openbaar rusthuis is gemiddeld 40 euro. In een commercieel rusthuis is dat 44 euro en in een privé- of vzw-rusthuis 45 euro. De financiële toegankelijkheid is één ding.

Anderzijds zie ik ook een verschil in het profiel van de mensen die er zijn. Een openbare instelling heeft een profiel van mensen die nog zwakker zijn dan in de commerciële en de privérusthuizen. Het is belangrijk dat de overheid zorgt dat ook de zwakste mensen een plek hebben en niet enkel die mensen die net boven die groep zitten, aan bod kunnen komen.

Minister Jo Vandeurzen

Ik wil nog eens een poging doen om dat wat te objectiveren. Niemand betwist dat een lokaal bestuur vanuit haar grondwettelijke autonomie een aantal initiatieven kan nemen. Dat zal zo blijven. Ik zie trouwens niet in hoe wij op het Vlaamse niveau die grondwettelijke regels in vraag zouden kunnen stellen. Dat is niet het issue.

Het issue is niet of er een publiek initiatief kan zijn in de een of andere sector. De Vlaamse overheid is zelf uitbater van twee psychiatrische ziekenhuizen op dit moment. Dat is toch niet het issue. Mijnheer De Loor, de vraag die u zich moet stellen, is: waarom zijn er zo veel lokale besturen die op dit moment die kerntaakoefening doen en dan zoeken naar een verzelfstandiging van het een en het ander? U moet eens nadenken over de reden die daarachter zit. Dat is de fundamentele vraag. Als we zouden willen, en als uw partij met name zou willen dat er ruimte is voor publiek initiatief, dan moet je nadenken over de randvoorwaarden waarom publieke overheden die initiatieven zullen nemen. En als de conclusie is – wat ik denk dat ze lokaal vaak is – dat als men dat doet, men een structureel deficit organiseert voor zijn eigen lokaal bestuur, dan moet men zich de vraag stellen waarom de ene dat wel kan en de andere niet. Wat zijn de randvoorwaarden waarop moet worden gewerkt om dat initiatiefrecht zo maximaal mogelijk te maken?

Ik ben het eens met collega Somers. Op dit ogenblik zijn in de sector van de residentiële ouderenzorg – maar u weet dat even goed, want u bent wat dat betreft ongetwijfeld ook expert – verschillende rechtsvormen bij de exploitanten. Maar de vervaging tussen de rechtsvormen is van dien aard dat je als overheid eigenlijk niet meer de gewone simpele redenering kunt volhouden, namelijk een vzw is een waardegedreven organisatie, en de ander is een organisatie die winst nastreeft. Er zijn een aantal rechtsvormen die ondertussen deel uitmaken van grotere groepen die uiteindelijk een commerciële moeder hebben en een vzw als exploitant, enzovoort. Er zijn vzw’s die publieke partners hebben en eigenlijk openbare rechtspersonen zijn, maar qua rechtsvorm privaatrechtelijke rechtsvormen zijn. Het staat in het Vlaams regeerakkoord en we hebben er tijdens de vorige legislatuur ook samen voor geijverd, –  ik zeg niet van vandaag op morgen maar geleidelijk aan – dat de strategie van de overheid is dat wij ons moeten concentreren op de vraag wat de outcome is van de dienstverlening die wordt aangeboden, wat de kwaliteit is, hoe we de kwaliteitsgarantie waarop wij moeten toezien en waarop de bewoner en de kandidaat-bewoner moet kunnen rekenen, gehandhaafd is. Hoe zorgen we ervoor dat als we dereguleren, codes van goed bestuur gepromoot worden, dat initiatiefnemers die ook aannemen, ontwikkelen en transparant zijn met stakeholders, bewonersverenigingen, lokale besturen, huisartsen enzovoort, over de manier waarop zij zich organiseren, besturen en omgaan met de ter beschikking gestelde middelen? Dat is de evolutie van de volgende jaren. Ik denk toch dat we het over de hele breedte van het parlement eens zijn dat we ons op die manier moeten organiseren.

Ik heb absoluut geen probleem, integendeel, met het feit dat er verschillende soorten spelers en initiatiefnemers zijn, maar we moeten het niet in een zodanig ideologisch kader plaatsen dat er een soort evidentie is van ‘als de ene iets doet, is dat per definitie van een andere kwaliteit dan de andere’. Mijn ervaring leert dat er bij de ene misschien een grotere democratische legitimatie is, bij de andere meer kans is om professionelen in de raad van bestuur te hebben enzovoort. Er zijn zeker aan alle modellen voor en tegens. We moeten proberen ons te focussen op de kern van de zaak.

De financiering van de woonzorgcentra, de financiering van ziekenhuizen via de sociale zekerheid en de volksgezondheid zijn geen lokale opdrachten. Ook al is het misschien heel spijtig voor de minister bevoegd voor het welzijn en de federale minister die daarop kan worden aangesproken, maar de kernfinanciering zijn financieringen die op dat niveau moeten worden georganiseerd. Ik denk dat dat de juiste manier is om het debat te voeren. Of je het doet met het OCMW als publiekrechtelijke rechtspersoon OCMW, of met de gemeente of stad, het voegt niets toe aan het debat. Er zijn verschillende publieke rechtspersonen opgericht om woonzorgcentra te exploiteren, ziekenhuizen te exploiteren waarbij de gemeente met evenveel gemak aandeelhouder is geworden als het OCMW dat de eigenaar van het ziekenhuis was. Waarom? Omdat men een aantal partijen nodig had om het aantal minimumleden te kunnen garanderen, en dan kwam het lokale bestuur evengoed om de hoek kijken. Ze zijn ervoor handelingsbekwaam, ze kunnen het en ze zullen het de volgende jaren blijven kunnen. Op dat vlak zal er niets wijzigen. (Applaus bij Open Vld en CD&V)

Voorzitter, ik wil even iets rechtzetten. Mijnheer De Loor en mijnheer Van Malderen, ik heb de indruk dat u vorige week tijdens het kerstreces samen op cursus bent geweest. Volgens mij hebt u een cursus gevolgd waarin u leert hoe u vooral niet moet luisteren naar de ander in een debat en hoe u vooral dingen kunt insinueren die nooit zijn gezegd.

Ik heb vooraan of op mijn plaats nooit en op geen enkel moment gezegd dat wij als N-VA niet geloven in de publieke poot van de zorgsector. Integendeel, ik heb net gezegd dat wij willen blijven investeren in de openbare poot maar dat we ook geen schrik mogen hebben om de markt open te zetten en om verzelfstandiging toe te laten. Dat is de boodschap. Het is een en-enverhaal, mijnheer Van Malderen en helemaal niet of-of. Dat heb ik nooit gezegd.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Beste collega, ik zal u het adres van de cursus bezorgen. Ik raad u aan om het verslag na te lezen want mijn betoog kwam er net op neer dat ik u een compliment gaf voor het feit dat u een heel helder antwoord had gegeven op de ook-actorrol van het OCMW. Een antwoord dat ik van de CD&V nog altijd niet heb gehoord, wel van collega Somers want die heeft heel duidelijk gezegd dat, wat hem betreft, het aanbieden van zorg vanuit een lokaal bestuur, een facultatief gegeven is. (Opmerkingen van de heer Bart Somers)

De heer Marnic De Meulemeester (Open Vld)

Het doet me veel plezier en genoegen dat de heer Van Malderen en de heer De Loor voor een deel in de goede richting zijn geëvolueerd. Ze zijn het eens met de drie aanbieders: niet alleen meer het OCMW en de openbare sector. Ze hebben deze namiddag toch een klein beetje geluisterd.

Ik wil ook antwoorden op wat de heer De Loor over Oudenaarde heeft gezegd. De poetsdienst is inderdaad geprivatiseerd en draait zeer goed. Ik kan u geruststellen. Vorig jaar hebben we het budget van het OCMW bijna verdubbeld. We hebben twee rusthuizen en serviceflats gebouwd. Op dat vlak hebben we van niemand, ook van u niet, een sociale les te ontvangen.

Mijnheer Rzoska, het fiscaal pact heeft ertoe geleid dat er een schuldverlichting is gekomen zodat tal van sociale projecten mogelijk zijn geweest. In dat opzicht heeft de maatregel van toenmalig minister Van Mechelen op sociaal vlak zijn nut bewezen.

Een debat over de toekomst van de OCMW’s gaat voor ons dus verder dan het loutere integratieverhaal. Het gaat ook, en zelfs vooral, over de positie die de overheid moet innemen in het welzijnsbeleid. Een rol die vooral regisseren is, kwaliteit bewaken, maar minder zelf actor zijn. Een rol waarbij ze samenwerkt en ruimte geeft voor eigen initiatief, in plaats van te betuttelen en te overreguleren. Een nieuwe rol dus voor de overheid: meer dan ooit moeten we hierin deuren en vensters durven opengooien en zoeken naar nieuwe antwoorden. De integratie van het OCMW in de gemeente is een eerste, maar zeker niet laatste stap in het formuleren van deze antwoorden. Open Vld wil zich daarvoor in de Vlaamse Regering en in dit parlement inzetten. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Pira heeft het woord.

Mevrouw Ingrid Pira (Groen)

Minister Homans, uw regering presenteert zich graag met drie v’s: vertrouwen, verbinden en vooruitgaan. Op het voorkaft van het Vlaams regeerakkoord worden die gepresenteerd in een stijgende lijn. Wel, minister, onze OCMW’s worden vandaag ook geconfronteerd met drie v’s: vergrijzing, verjonging en verarming, maar het is een dalende lijn.

Ze kunnen steeds minder investeren. Van 580 miljoen euro in 2014 naar 117 miljoen euro in 2019. Dat is voor onze OCMW’s op vijf jaar tijd 463 miljoen euro, bijna een half miljard euro minder investering in zorg en sociale dienstverlening. En waarom kunnen de OCMW’s minder investeren? Omdat ze hun geld meer dan nodig hebben voor de dringende noden in onze samenleving, zorgnoden die al onderschat werden door de vorige Vlaamse en Federale Regering en door de nieuwe Vlaamse en Federale Regering nog meer onderschat worden, met als gevolg minder geld voor meer behoeften.

Maar laat me even ingaan op de drie v’s van onze OCMW’s. Dat is ten eerste vergrijzing. Het aantal ouderen stijgt, het aantal mensen dat behoefte heeft aan thuishulp stijgt, het aantal mensen dat op wachtlijsten staat voor een rust- en verzorgingstehuis of een woonzorgcentrum stijgt en het aantal mensen dat gemiddeld 1500 euro per maand voor zo’n RVT niet kan betalen stijgt ook. En wat doet uw Vlaamse Regering van N-VA, Open VLD en CD&V? Ze doet elke Vlaming dubbel zoveel betalen voor de zorgpremie maar gebruikt dat extra geld niet voor extra zorg. Wie moet het gat dichtrijden dat er hoe dan ook is tussen meer zorgbehoefte en minder geld? Dat zijn de OCMW’s! (Opmerkingen)

De verjonging, vervolgens. De term is mooier dan de realiteit. Want hier gaat het over het groeiend aantal werkloze jongeren dat bij de OCMW’s aanklopt. Kijk maar naar de vele jongeren die hun wachtuitkeringen deze maand verliezen door de beslissing van de regering-Di Rupo van christendemocraten, liberalen en socialisten.

Onze ex-premier sloeg gisteren zelfs een mea culpa voor die maatregel omdat hij beseft dat de gevolgen nefast zijn. Meer dan 16.000 jongeren verloren deze maand hun wachtuitkering. En uiteindelijk zijn het de OCMW’s die opdraaien voor de strengere maatregelen voor werkloze jongeren.

Derde v is die van de verarming. Ook de armoede stijgt. De armoedebarometer 2014 was onverbiddelijk voor het beleid van de laatste jaren en voor de nieuwe regering. De doelstelling van Pact 2020, een vermindering van de armoede met een derde en van de kinderarmoede met de helft, zal niet worden gehaald. De rekening die uw regering, minister Homans, doorschuift naar de mensen in de vorm van duurdere schoolfacturen, meer inschrijvingsgeld, duurdere bussen en trams, duurder water en elektriciteit verergeren dit uiteraard. En wie moet de nieuwe armoede opvangen? Dat zijn eens te meer de OCMW’s.

Tot hier de drie v’s van vele van onze OCMW’s.

Mevrouw Pira, ik heb aan het begin van dit debat duidelijk de financiële toestand geschetst op basis waarvan dit debat wordt gevoerd. Ik heb heel duidelijk benadrukt dat de exploitatie-uitgaven van de OCMW’s van 3,3 miljard euro in 2014 stijgen tot 3,6 miljard euro in 2019. Ik heb u ook gezegd dat in die investeringsgrafiek enkel en alleen de investeringen van de OCMW’s zijn opgenomen, niet die van de autonome gemeentebedrijven, noch die van de OCMW-verenigingen en al zeker niet de investeringen van private partners. Wat u hier dus zegt, dat er minder zal kunnen worden geïnvesteerd in oudervoorzieningen, klopt totaal niet.

U zegt dat meer jongeren zich zullen wenden tot de OCMW’s vanwege de afschaffing van de wachtuitkering. Dat zal wellicht het geval zijn, maar u weet ook hoe de financiering van het OCMW in elkaar zit. En dan bedoel ik niet de dotatie van de stad die naar het OCMW gaat. U weet hoe het zit met de terugbetaling van de leeflonen en dergelijke meer. Ik zie uw punt dan ook niet wanneer u het hebt over de uitbetaling van het leefloon. Het OCMW betaalt 30 procent van dat leefloon zelf; 70 procent wordt gerecupereerd bij Maatschappelijke Integratie. Voor een equivalent leefloon is er voor 100 procent recuperatie bij de federale overheid. Ik denk dan ook niet dat het gaat om een zware financiële aderlating voor de betrokken OCMW’s.

Mevrouw Ingrid Pira (Groen)

Dat zal nog moeten blijken, minister. In elk geval zijn er veel OCMW’s die op het moment dat het cijfer werd bekendgemaakt van het aantal jongeren dat niet meer kon rekenen op een wachtuitkering, alarm hebben geslagen. Er zijn zelfs OCMW’s die daar rekening mee hebben gehouden. Zeggen dat de OCMW’s totaal niet zullen voelen dat zoveel duizenden jongeren gaan wachtuitkering meer krijgen, is echt van de pot gerukt. Die noden zullen stijgen, dat zal zeker blijken.

Ik heb het in het begin gehad over de stijgende lijn van het motto van uw regering: vertrouwen, verbinden en vooruitgang. Voor de OCMW’s is de realiteit een dalende lijn. De daling van 580 miljoen euro naar 117 miljoen euro staat zwart op wit in dat rapport: ik kan ze u straks tonen.

Dit is de derde en laatste keer. Dat er een dalende lijn zit in investeringen die louter en alleen door OCMW’s worden gedaan, klopt. Dat komt omdat er veel meer de tendens is van privatisering, oprichting van autonome gemeentebedrijven zoals recent het Zorgbedrijf Antwerpen en het Zorgbedrijf Roeselare. Is het dan zo moeilijk aan te nemen dat het niet zo onlogisch is dat de investeringslijn van een OCMW zelf daalt, maar dat dit niet betekent dat er minder zal worden geïnvesteerd? (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Ingrid Pira (Groen)

Minister, de OCMW’s – of hoe ze ook genoemd worden in de toekomst – zullen een belangrijke speler blijven. Als je dan ziet dat het van 2014 tot 2019 om een daling van 80 procent gaat, welke andere bijkomende zorginitiatieven zullen dat opvangen? U kunt er niet omheen dat de investering veel kleiner zal zijn.

Minister Jo Vandeurzen

Mag ik eens een voorbeeld geven? De heer Somers heeft er ook naar verwezen. Het ziekenhuis in Mechelen, een fusie van een privaat- met een publiekrechtelijk ziekenhuis, Ziekenhuis Netwerk Antwerpen (ZNA), het ziekenhuis in Bree-Maaseik, met OCMW’s en andere ziekenhuizen als partner: daarin investeren wij miljoenen euro’s. Maar echt, wij hebben de laatste jaren gigantisch veel geïnvesteerd in ziekenhuizen, waarvan er een groot deel publieke partners hebben. Tien of vijftien jaar geleden zouden die staan onder de OCMW’s. Nu staan die niet meer in een tabel, maar ze worden nog altijd met publieke partners bestuurd. De publieke investeringen in de welzijnssector zijn de voorbije legislatuur enorm groot geweest.

We hebben nu een probleem, ESR-matig en met de mogelijkheden van het budget. Dat wil ik ruiterlijk toegeven. Maar u kunt niet zeggen dat we de voorbije jaren geen enorme evolutie hebben gezien. Kijk wat er de volgende jaren wordt geïnvesteerd. U kunt niet blijven zeggen dat we moeten kijken naar het lokale OCMW om te weten hoe dat evolueert. Dat is toch een intellectueel eerlijke benadering. Ik begrijp niet dat het wordt geproblematiseerd met dat argument. Dat is gewoon niet correct.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Ik wil graag geloven dat, als de overheid niet investeert, er spontaan andere initiatieven zullen komen in de zorgsector. Maar ik denk dat de komende jaren het tegendeel zullen bewijzen.

U zegt zelf dat we nu een probleem hebben voor de komende jaren. Ik ben blij dat u dat zegt. De budgettaire context is problematisch. We hebben niet de middelen. We hebben uitentreuren in de commissie Welzijn gevraagd bij de begrotingsbespreking naar de exacte investeringsbudgetten. We hebben gevraagd om opgesplitste tabellen te krijgen, om te zien hoeveel middelen er zullen gaan naar nieuwe woonzorgcentra, nieuwe kinderopvang, nieuwe initiatieven.  Elke keer botsen we op dezelfde antwoorden: er komt nog overleg, we gaan zien binnen de budgettaire context. Maar eigenlijk gaf u toe dat er gewoon geen geld is.

Als tegelijk een actor, die nog wel zou kunnen investeren in de OCMW’s, ook minder middelen heeft, zal die ook niet investeren. Op het einde van de rit moet je geen zware wiskunde toepassen om te merken dat er minder instellingen zullen zijn, terwijl we al met wachtlijsten zitten. De wachtlijsten zullen dus toenemen.

Minister Jo Vandeurzen

Mevrouw, al maak ik het mezelf daar intellectueel moeilijker mee, het is in een tijd dat je efficiëntieoefeningen doet en kerntaken probeert scherp te stellen, niet correct om te zeggen dat men de investering in een ziekenhuis of een woonzorgcentrum met lokale middelen moet proberen te doen. Daar zijn andere kanalen voor. Ik ben de eerste om te zeggen dat het onze verantwoordelijkheid is en dat we moeten zoeken hoe we daar oplossingen kunnen bieden. Ook de OCMW’s die een woonzorgcentrum bouwen, doen een beroep op het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA). Zij vragen daarvoor ook Vlaamse investeringssubsidies. Het is niet zo dat zij nu opeens op andere investeringskanalen een beroep doen dan de privaatrechtelijke social profit.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Die VIPA-middelen betalen maar een deel van de kosten; de rest wordt wel degelijk door die lokale overheid bijgepast. En dat is momenteel bevroren voor nieuwe initiatieven. De uitbreidingsmiddelen voor nieuwe infrastructuur voor woonzorgcentra, voor kinderopvang en andere initiatieven zijn er niet en zullen er ook niet komen. Dat kunt u niet ontkennen. Ze zullen niet als paddenstoelen uit de grond schieten. Het kost geld om een rusthuis te bouwen, en in dat geld is momenteel niet voorzien.

Minister Jo Vandeurzen

Nog eens, ik betwist niet dat we voor grote uitdagingen staan. Maar het is niet correct om het probleem terug te brengen op de vraag wat de rechtspositie is van het OCMW ten opzichte van het lokale bestuur. Daartussen bestaat geen rechtstreeks oorzakelijk verband, en zelfs niet onrechtstreeks. Dat is niet correct. We kunnen er nog honderd keer over discussiëren. Het is niet juist om het op die manier te formuleren. Het is niet zo dat het lokale bestuur op een andere manier moet worden benaderd als het gaat over een investeringssubsidie waarop een andere partner in dezelfde sector wel een beroep zou kunnen doen. Die doen dat op dezelfde manier.

U zegt dan dat het dat lokale bestuur is dat de niet door het VIPA gedekte investeringsstukken gaat betalen. Dat moet worden betaald met de exploitatie van het woonzorgcentrum, zoals ook de vzw’s dat moeten betalen met de exploitatiemiddelen die via het ROB- en RVT-proces en de bijdragen van de bewoners ter beschikking worden gesteld. Dat moet niet uit de kas van de lokale overheid komen. In een tijd waarin we echt zo goed mogelijk onze kerntaken moeten bewaken en ter zake op de lange termijn moeten mikken, is dat gewoon niet de juiste aanpak.

Collega’s, gewoon een stukje universiteit van het leven. Een wereld die ik tamelijk goed ken, is de aannemerswereld. Om zelf werk te creëren, investeren aannemers vandaag autonoom in woonzorgcomplexen. Ze nemen dan Probis of een andere zorgverstrekker onder de arm om de zorgtaken voor hen uit te oefenen. Wat doet het lokaal bestuur, het OCMW? Die springen eventueel bij voor zorgbehoevende residenten, zodat hun factuur ook wordt betaald. Vlaanderen houdt ter zake de kwaliteitsvoorwaarden in de gaten, en voor de rest vind je van die investering niets terug in de investeringstabellen, maar dat woonzorgcomplex staat daar wel! Op zijn minst zijn die tabellen onvolledig. Er is de jongste jaren nog nooit zoveel in die sector geïnvesteerd, al was het maar omdat die behoefte er is. Vandaag zitten de Vlamingen niet meer te wachten op appartementen, maar wel op woonzorgcomplexen. De aannemerswereld heeft die ontdekt. Die weten wat ze kunnen, maar ook wat ze niet kunnen. Daar zorgen dan Probis en andere zorgverstrekkers voor. Dat is eigenlijk de hele redenering. Dat vind je vandaag zelden in een studieboek, maar ondertussen gebeurt dat wel in het echte leven. (Applaus van de heren Bart Somers en Herman De Croo)

Mevrouw Ingrid Pira (Groen)

Tegenover meer noden staat minder geld. Minister Homans, wat doet u? Wat is uw antwoord op die steeds groter wordende spreidstand tussen een steeds lagere investering en een steeds groter wordende zorgbehoefte? Wat is uw antwoord op de vergrijzing, de verjonging en de verarming? Uw antwoord is dat de OCMW’s tegen 2019 volledig geïntegreerd moeten zijn in de gemeenten, en dat moet het liefst nog snel gaan ook. Een bestuurlijke ingreep als antwoord op altijd maar groter wordende behoeften: dat meent u toch niet?

We stellen ook vast dat u en de Vlaamse Regering geen gelegenheid onbenut laten om te benadrukken dat de lokale besturen van het allergrootste belang zijn, dat de betutteling weg moet, dat de autonomie groter moet zijn. Meer bestuurskracht voor onze lokale besturen: dat is uw slagzin. Zijn we echter op weg om onze lokale besturen te versterken? Ik weet natuurlijk wat u zult zeggen. U zult zeggen dat, ondanks de besparingen die in alle beleidsdomeinen worden doorgevoerd, u erin bent geslaagd om het Gemeentefonds elk jaar met 3,5 procent te doen stijgen. Er is echter iets heel eigenaardigs aan de hand met die 3,5 procent. Die wordt namelijk stilaan opgepeuzeld, door besparingen op de andere lokale bevoegdheden, zoals Cultuur, Jeugd, Sport en Welzijn, door besparingen op onze gesubsidieerde contractuelen (gesco’s). Onze lokale besturen krijgen maar liefst 18 miljoen euro minder voor de loonsubsidies van deze mensen. Wat heeft dat alles met de OCMW’s te maken? Wel, zoals hier al is gezegd, keuren de gemeenten jaarlijks een dotatie goed voor hun OCMW. Als de gemeenten het moeilijk hebben, dan ook de OCMW’s. Dan gaan die uiteraard minder investeren in zorg en in dienstverlening.

Minister, ik sluit mijn betoog af met één duidelijke vraag aan u: hoe gaat u, gezien de groeiende zorg- en ondersteuningsbehoefte, ervoor zorgen dat de OCMW’s, in plaats van minder, meer kunnen investeren? (Applaus bij Groen en van de heer Kurt De Loor)

De voorzitter

De heer Janssens heeft het woord.

Voorzitter, ministers, collega’s, maatschappelijke noden evolueren. Het is dus logisch dat de maatschappelijke dienstverlening mee evolueert, maar ook het kader waarbinnen de overheid die dienstverlening organiseert, is niet onveranderlijk. Alvast het financiële kader is sterk gewijzigd: de uitgaven stijgen fors en de inkomsten volgen die stijging niet. De OCMW-inkomsten staan dus onder druk. Het is al gezegd: de steden en gemeenten zijn verplicht om, als het OCMW niet over voldoende middelen beschikt, de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht.

Maar steden en gemeenten staan op de rem, en dat is begrijpelijk, want voor één op de zes Vlaamse steden zal het niet voor de hand liggen om, zoals de nieuwe beleids- en beheerscyclus dat vereist, tegen 2019 de financiën structureel in evenwicht te brengen. Zo blijkt althans uit een rapport van Belfius. Maar het gevolg van het feit dat OCMW’s financieel in slechte papieren zitten, is dat de OCMW’s hoe dan ook meer en meer hun financiën zullen moeten bewaken. Willen ze onverminderd investeren, dan zullen ze hun reserves moeten aanspreken. Doen ze dat niet of kunnen ze dat niet, dan zullen ze hun investeringen moeten afbouwen.

In die omstandigheden kan het niet anders dan dat de invulling van de maatschappelijke dienstverlening en het financiële kader waarbinnen dat moet gebeuren, worden gekoppeld. We moeten kijken naar de noden van de burgers, maar ook naar de financiële mogelijkheden van de lokale overheid om de meest adequate maatschappelijke dienstverlening in de toekomst waar te maken.

Mijn fractie is dan ook van oordeel dat de bestuurlijke efficiëntie van onze steden en gemeenten kan worden verhoogd door een betere samenwerking tussen de gemeenten, én door het OCMW – als een welzijnsdienst – te integreren binnen de gemeentediensten. Dit stelt de huidige dienstverlening niet in vraag, maar wel de organisatie ervan.

In die zin heb ik enkele vragen, minister, waarvan er een aantal al aan bod zijn gekomen tijdens het debat. In uw repliek zult u er wellicht meer duidelijkheid over willen geven hoe u die geplande integratie van het OCMW in de gemeente precies ziet. U zult vast ook wel duidelijkheid willen geven over de modellen die u begin dit jaar zult voorstellen, wie er als lokale actor bij de opmaak van die modellen zal worden betrokken en op welke manier. U zult straks allicht ook duidelijkheid willen geven waarom u een onderscheid maakt tussen de gemeenten en de centrumsteden. Voor de centrumsteden is de integratie van het OCMW in de gemeente vrijwillig. Waarom maakt u een onderscheid met de andere gemeenten?

Collega’s, als oorzaak voor de financiële problemen van de OCMW’s wordt vooral gewezen naar de stijgende pensioenlast en de vergrijzing. En inderdaad, de vergrijzing heeft onmiskenbaar een toename aan zorgnood tot gevolg, aan plaatsen in rvt’s, aan serviceflats, maar ook aan gezinszorg en aanvullende thuiszorg.

Intussen bestaat de vrees voor duurdere rusthuizen. We hebben het debat daarover al eerder gevoerd in de plenaire vergadering. Want terwijl men vreest dat de prijzen voor de rusthuizen stijgen, behoren onze pensioenen tot de laagste van Europa. Een gemiddeld pensioen in ons land is ruim onvoldoende om de rusthuisfactuur te betalen. De bijpassing van de rusthuiskosten van bejaarden neemt dan ook een alsmaar grotere hap uit het budget van veel OCMW’s.

Lage pensioenen en hoge rusthuisfacturen zorgen voor stijgende kosten voor de lokale besturen en de OCMW’s in het bijzonder. Collega’s, het is toch onaanvaardbaar dat vele van onze ouderen, na een leven lang te hebben gewerkt, bij het OCMW moeten aankloppen. Zij, onze Vlaamse ouderen, mogen in geen geval slachtoffer worden van besparingen, want zij verdienen alleen maar de beste zorgen.

Maar er zijn nog andere oorzaken die bijdragen aan de penibele financiële situatie waarin onze OCMW’s verkeren. In het bijzonder de economische crisis en – niet te vergeten – de totaal onverantwoorde import van kansarme vreemdelingen van over heel de wereld zorgen voor meer hulpvragen en zetten de uitgaven voor financiële en niet-financiële dienstverlening extra onder druk.

Dat de gevolgen van de buitensporige immigratiestromen van de voorbije jaren een belangrijke oorzaak zijn van de tekorten van onze OCMW’s werd, wat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, recent overigens nog toegegeven. Michel Colson, de voorzitter van de Brusselse federatie van OCMW’s, wees er vorig jaar op dat er door de immigratie in Brussel steeds meer armen bij komen, met als gevolg immigratiewijken waar één op de twee jongeren werkloos is.

In 2013 moest een Brusselse gemeente gemiddeld 14 procent van haar budget besteden aan het dempen van de OCMW-put. Ook het OCMW van Turnhout verwees in het kader van zijn besparingsinspanningen al naar de “stevige uitdaging die de immigratie vormt”.

Collega’s, ter afronding vraag ik aan de Vlaamse Regering, en wat haar bevoegdheden betreft aan de Federale Regering, waar dezelfde partijen deel van uitmaken, dat ze hun verantwoordelijkheid niet afschuiven naar de lokale besturen en de OCMW’s.

Mijn fractie wil vooral dat er werk gemaakt wordt van voldoende hoge pensioenen, die vermijden dat onze ouderen moeten gaan aankloppen bij de OCMW’s. We verwachten ook een betaalbare zorg, zowel residentieel als niet-residentieel. We willen dat eindelijk werk wordt gemaakt van een systeem van maximumfactuur voor de residentiële zorg. En ten slotte wat betreft de immigratie: stop er nu eens eindelijk mee OCMW te spelen voor heel de wereld. (Applaus van de heer Stefaan Sintobin)

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Wenst iemand tot besluit van dit actualiteitsdebat een motie of een motie van wantrouwen in te dienen?

– Groen, sp.a, het Vlaams Belang en de meerderheid kondigen aan een motie te zullen indienen.

De moties moeten uiterlijk om 17.20 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het debat is gesloten.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.