U bent hier

Plenaire vergadering

dinsdag 16 december 2014, 20.28u

Voorzitter
De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende aanpassing van de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014, het ontwerp van decreet houdende de tweede aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014, het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2014, het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015.

De voorzitter

Financiën en Begroting

We bespreken nu het onderdeel Financiën en Begroting.

De heer Lantmeeters heeft het woord.

Voorzitter, ik wil kort drie onderwerpen bespreken. Eerst wil ik even de woonfiscaliteit aanraken. Vervolgens wil ik het over de Vlaamse Codex Fiscaliteit hebben en tot slot wil ik ook even ingaan op de overname van enkele diensten door de Vlaamse overheid.

Ik begin met de woonfiscaliteit. We zijn zeer verheugd te kunnen vaststellen dat het systeem van de woonbonus zo uitgebreid mogelijk in stand wordt gehouden. Hierbij wordt rekening gehouden met de financiële beperkingen van onze overheid. Deze Vlaamse meerderheid wil de eigendomsverwerving blijven stimuleren en de fiscaliteit als een sturend instrument inzetten.

Het huidig systeem van de woonbonus was een enorme verbetering ten opzichte van het vroegere bouwsparen. De budgettaire kost van de fiscale woonvoordelen steeg echter elk jaar zienderogen. Tussen 2005 en 2014 zijn de kosten van de woonbonus, hoewel dit een federale maatregel was, van 0,7 miljard euro tot 1,7 miljard euro gestegen. Bij ongewijzigd beleid zouden de kosten tegen 2020 3 miljard euro bedragen.

Het behoud van de woonbonus in zijn huidige vorm zou een te grote negatieve impact op de begroting hebben. Om de woonbonus in de toekomst toch te kunnen vrijwaren, moest een beperkte bijsturing worden doorgevoerd. Op die manier besparen we 1,5 miljard euro op ons budget.

Itinera en de Vlaamse Woonraad hebben voorgesteld de woonbonus geleidelijk te verminderen en af te bouwen. Iedereen is van mening dat de woonbonus ten gevolge van de aankoop van bestaande woningen vooral een prijsopdrijvend effect heeft. De prijs van de duurste woningen zal volgens de studies met 5 tot 7 procent dalen. De prijzen van de goedkoopste woningen zullen nog sterker dalen. Hoewel enerzijds weliswaar wat leningscapaciteit wegvalt, zal anderzijds de prijsdaling vooral in het onderste gedeelte van de markt procentueel veel effect hebben. De introductie van een lagere woonbonus zal tot lagere woningprijzen leiden. Op middellange termijn komt de hervorming van de woonbonus de betaalbaarheid van de woningen dan ook ten goede.

Daarenboven is de nieuwe regeling zeer gunstig voor de lagere inkomens. Door een toepassing van het vaste percentage van 40 procent als belastingvermindering krijgen de mensen die zich met betrekking tot het belastbaar inkomen in de laagste twee schijven bevinden, een hoger voordeel. Ten gevolge van de hogere aftrekbaarheid raken we de laagste inkomens het minst.

Aangezien het niet noodzakelijk terechtkomt bij de gezinnen die het nodig hebben, wil ik ook het klein beschrijf even aanraken Deze objectgebonden subsidie is niet gericht op wie het nodig heeft. We zouden op een bedachtzamer wijze met onze fiscale kortingen moeten omgaan. Het klein beschrijf kost jaarlijks ongeveer 170 miljoen euro. De meeneembaarheid van de registratierechten kost 85 miljoen euro en heeft een veel duidelijker doelstelling voor ogen, namelijk de doorstroming van de gezinnen naar een betere woning tijdens hun wooncarrière. We kijken uit naar de voorstellen van de minister om dat bedrag van 170 miljoen euro een effectievere bestemming te geven.

Samengevat, zal de Vlaamse overheid met deze heroriëntering van de woonfiscaliteit de kans grijpen om het woonbeleid doeltreffender te maken. Vlaanderen heeft echter niet de bijbehorende middelen gekregen. Dit betekent dat we zeer rationeel met onze middelen moeten omgaan.

Ik wil het ook even hebben over de opname van de Vlaamse registratie- en successierechten in de Vlaamse Codex Fiscaliteit. De kwaliteit van de regelgeving is op dit vlak zeer belangrijk. We moeten naar een coherente fiscale regelgeving streven.

Een eigen inning van de registratie- en erfbelastingen biedt in de eerste plaats een grotere transparantie ten aanzien van de burger. Een eenduidige relatie tussen wie de belastingen int en wie dit geld uitgeeft, verhoogt de politieke en administratieve verantwoordelijkheid.

Een andere fundamentele efficiëntiewinst is dat de Vlaamse overheid bij een eigen inning van deze rechten zelf directe toegang heeft tot alle gegevens waarover ze dient te beschikken om een onderbouwd en klantvriendelijk beleid te kunnen voeren.

Voor de overheid betekenen die rechten zeer belangrijke inkomsten, terwijl de burger er in de sleutelmomenten van zijn leven mee te maken krijgt. Voor de toekomst zorgt deze integratie voor de mogelijkheid om perfect af te stemmen op de nieuwe, modernere samenlevingsvormen.

We moeten proberen zoveel mogelijk in die Vlaamse Codex Fiscaliteit te krijgen, minister. Ik heb u daarover al aangesproken in de commissie. We kunnen dat doen door bijvoorbeeld de personenbelasting op te nemen, zeker nu we de enorme sprong maken van de huidige dotaties naar de opcentiemen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez (sp·a)

Voorzitter, ik heb een paar minuten om te proberen duidelijkheid te krijgen op een paar vragen waarop we nog geen antwoord hebben.

De eerste vraag is vandaag al ter sprake gekomen en gaat over de begroting 2014. Ik veronderstel dat we minstens voor het einde van deze begroting zullen weten waar we aan toe zijn, want ik zie niet in hoe we de begroting kunnen goedkeuren als we het op een paar honderd miljoen euro na niet kunnen weten. Mijn vraag is dus: hoe gaan we ermee om?

Ten tweede wil ik in het verlengde daarvan een concrete vraag stellen, die in de commissie en ook vandaag aan bod is gekomen. Voor volgend jaar zat er een besparing op de kinderbijslagen van 63 miljoen euro. Dat was al aangekondigd bij de Septemberverklaring. Door het ritme van de index zelf doet die besparing zich echter niet voor. De loutere berekening van de index betekent dat die besparing van 63 miljoen euro er maar ten dele is. De vraag is dus wat het nut is om de kinderbijslag niet volledig te betalen. Minister, bent u het ermee eens dat uw besparing er puur rekenkundig niet is en dat dat, los van alle onzekerheden, betekent dat er een tekort is op de begroting?

Ten derde was er in de commissie een goede discussie over het Overlegcomité. De minister zei toen zelf dat we dringend het Overlegcomité moeten vatten voor de federale maatregelen die een impact hebben op het Vlaamse beleid aan de ene kant en voor de afspraken van de normen aan de andere kant. Minister, heeft die vergadering van het Overlegcomité ondertussen plaatsgevonden? De discussie dateert van een paar weken geleden en het Rekenhof drong erop aan dat zeer snel te doen.

Ten vierde vond er in de commissie Begroting ook een goede discussie plaats. Die eindigde ermee dat de minister van Begroting zei dat ze met minister Homans zou overleggen om snel duidelijkheid te geven over de communicatie rond de aanvullende personenbelasting. Dat is belangrijk, zowel voor nu als voor later. Voor nu is dat belangrijk omdat de gemeenten moeten weten of ze in orde zijn, zelfs al met de begroting van volgend jaar. Op dit moment is dat decretaal niet zo. Minister, waar staat die afspraak met minister Homans? Ik had gehoopt dat we het daarstraks nog konden bespreken, maar de voorzitter had te veel honger op dat moment.

Ik bedoel dat vriendelijk, hoor, voorzitter.

Die vragen zijn al eerder aan bod gekomen en zijn volgens mij elementair. De vraag over de begroting 2014 en die over de kinderbijslag lijken mij duidelijk elementair.

Verder heb ik nog een paar korte vragen. De eerste daarvan is daarstraks ter sprake gekomen, minister. Het is een begrotingselement, met een impact op de schuld, dat pas naar boven is gekomen na de discussie in de commissie. Op zich is het helemaal geen probleem. Ik vind het goed dat de regering voortdoet. Het nieuws was dat het pensioenfonds van Vlaanderen, de responsabiliseringsbijdrage, eigenlijk overbodig is geworden door de nieuwe afspraken. Er zou 250 miljoen euro in zitten. Minister, als dat pensioenfonds inderdaad zou worden geannuleerd, heeft dat alleen een impact op de schuldafbouw. Mijn vraag is dan zeer concreet: bent u bereid te overwegen om die schuldafbouw toe te passen op de lokale overheden, zodat de discussie van daarstraks ten minste zorgt voor een verlichting van de lasten op de lokale overheden, die met enorm veel onzekerheden en onduidelijkheden zitten?

Voor Vlaanderen in zijn geheel heeft dat nul impact. Dat is neutraal voor de schuld. Maar ik denk dat de schuldverlichting voor de lokale overheden zeer gepast is, gezien hun pensioenlast.

De discussie over de opcentiemen voor de provincies is niet vervolledigd. Ze is hier nu uit gehaald. We moeten daar duidelijkheid over hebben, temeer ook omdat de gedeputeerden samen hebben gezegd dat ze duidelijkheid wensen te krijgen. We hebben al in de commissie Binnenlands Bestuur aangekondigd dat er een probleem was.

Is het effectief zo dat de inkanteling van de aankoopcomités gepaard gaat met kosten voor de lokale overheden? Klopt die lezing?

Op al die resterende vragen zou ik graag nog een antwoord krijgen. De eerste is de belangrijkste, wegens nogal elementair voor het geheel van deze bespreking.

De voorzitter

Minister Turtelboom heeft het woord.

Minister Annemie Turtelboom

Mijnheer Crombez, het is nog nooit gebeurd dat een monitoring gegeven wordt. Dat zijn tussentijdse resultaten en cijfers, die trouwens alleen op administratief niveau zitten. Ik heb ook al heel vaak gezegd dat daar nog heel wat speling op kan zitten. Je kunt ook zo transparant zijn dat je iedereen op elk moment ongerust maakt. Je moet ook nog aan politiek doen.

Ik heb voor 2014 gewerkt met de parameters zoals die de voorbije jaren zijn gebruikt. Ik heb daarstraks al gezegd dat als zou blijken dat er door de veranderende economische situatie echt verschillen zijn, wij ook naar een vervroegde begrotingscontrole zullen gaan.

Ik sluit mij gewoon aan bij de traditie van de voorbije jaren, ook op het moment dat u nog in de meerderheid zat. Zo gaat het ook op alle beleidsniveaus. De cijfers van de begrotingsopmaak zullen in alle transparantie gegeven worden. Ik kijk naar de vroegere minister van Begroting, bij de eerste Commissie voor Financiën en Begroting in het parlement. Ik heb het even laten nakijken. Er zijn de voorbije vijf jaar nooit tussentijdse resultaten gegeven, nooit.

De heer John Crombez (sp·a)

We zitten met een potentieel verschil van bijna 500 miljoen euro op 16 december. Als dat recurrent is, heeft dat op de begroting van 2015 een impact van een paar honderd miljoen euro. Wat er ook van is, mijn simpele vraag vanmorgen was: kunt u duidelijkheid geven over de vraag of het veeleer aan de kant van het cijfer van het Rekenhof zit, namelijk rond de 350 miljoen euro, of veeleer aan de kant van wat er in de pers staat, tussen de 700 en de 800 miljoen euro. Dat heeft niets te maken met accuraatheid. Dat gaat gewoon over het feit dat Vlaanderen in staat is om op 16 december veel accurater te zijn over waar we gaan eindigen.

Waarom zijn die documenten nooit eerder op 16 december gegeven moeten worden in het parlement? Omdat de minister van Begroting de voorbije jaren wel geantwoord heeft op zo’n vraag. En mijn vraag is ruim: zitten we veeleer bij de 350 miljoen euro, of zitten we boven de 700 miljoen euro?

Wij krijgen het ook maar te horen als oppositie. Het is niet de regering die een begroting moet goedkeuren voor de bevolking. Vragen aan dit parlement om een begroting goed te keuren waarvan de regering zegt dat ze in evenwicht is, maar niet kan zeggen dat ze potentieel 400 miljoen euro te kort heeft, dat is zelfs niet zedig.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Ik wil even het woord nemen, omdat er geregeld naar mij wordt verwezen, zelfs op een heel positieve manier, waarvoor dank, mijnheer Crombez. Ik wil opmerken dat ook toen wel degelijk naar de monitoringgegevens werd gevraagd. We geven die niet, omdat dat beleidsvoorbereidende stukken zijn. Als wij bijvoorbeeld bij elke beleidsnota en elke beleidsbrief alle voorbereidende documenten zouden moeten geven die de administratie en het departement maken, zou dat een nogal rare situatie zijn. Dan zouden jullie ons vragen waarom wij elementen van een departement of administratie niet meenemen, en welke wel.

Dat geldt ook voor de laatste monitoring. In het verleden hebben we met het Rekenhof daar goede afspraken rond gemaakt. De laatste monitoring, van januari, wordt met het parlement gedeeld. We hebben dat zo afgesproken en ik veronderstel dat collega Turtelboom dat ook opnieuw zal doen. Ik heb haar dat daarstraks in elk geval horen zeggen.

Mevrouw Meuleman heeft in het verleden regelmatig gezegd: “U hebt midden december cijfers gegeven en nu is er toch nog een overschot van 100 miljoen euro. Wat een schande.” Het blijft voor een deel een inschatting op een bepaald moment waarbij er nog heel veel gegevens moeten worden gevraagd die pas veel later echt gekend zijn. Net zoals in het verleden hebben we er ook nu nog het gissen naar. Het is spijtig dat dit in de krant komt, en ik weet niet op wat die artikels gebaseerd zijn.

De heer John Crombez (sp·a)

Onze initiële vraag was dat het bijvoorbeeld zou kunnen dat het niet waar is dat het tussen 700 of 800 miljoen euro is. Onze initiële vraag was of het 350 miljoen euro zou zijn of meer dan 700 miljoen euro. Als een parlement dit moet goedkeuren, dan is het een logische vraag.

Minister, ik snap uw antwoord en ik heb respect voor uw collegialiteit binnen de regering, maar ik heb de indruk dat er een probleem is in de regering. Minister, het verschil met vroeger is dat als het parlement half december aan u gevraagd zou hebben of uw begroting in orde was, u ongeveer wist waar u ging uitkomen. Op de vraag of het meer of minder dan 400 miljoen euro was, zou u wel hebben kunnen antwoorden. U hebt ook op zulke vragen geantwoord.

Minister, wij hebben de documenten maar gevraagd omdat het antwoord niet kwam. Ik heb begrip voor uw antwoord, maar als het klopt dat het tekort 400 miljoen euro meer is, dan weten we nu al dat de begroting volgend jaar honderden miljoenen euro in het deficit zal zijn. Als het niet klopt en als het pure nonsens is, waarom zegt niemand van de regering dat dan? 

De voorzitter

De heer Vanbesien heeft het woord.

De heer Wouter Vanbesien (Groen)

Er zijn toch wel wat uitspraken van de ministers die mij storen. Minister Muyters, u zegt dat u niet alle voorbereidende documenten van de administratie voor de regering aan het parlement kunt bezorgen. Er is wel zoiets als de wet op openbaarheid van bestuur, waardoor wij recht hebben op die informatie.

Minister Turtelboom deed een uitspraak die door mijn hoofd blijft spoken: “Je kunt ook te transparant zijn en dan kan je niet meer aan politiek doen.” Dat doet me denken aan augustus van dit jaar, toen minister Bourgeois hetzelfde zei over de cijfers van de besparingen. Hij heeft achteraf in de pers gezegd dat hij er spijt van had dat hij toch niet transparanter was geweest. U kunt misschien uit die fout leren, minister. Te transparant zijn in de politiek, kan niet. Welkom in de 21e eeuw.

Ik herinner me mijn eerste begroting van 2009. Er werd toen gevraagd of mijn begroting in orde zou zijn, en ik heb vol overtuiging ‘ja’ gezegd. Op 31 december bleek dat ik 200 miljoen euro te weinig had. De ‘ja’ was toen te optimistisch. Op 15 december weet je het dus eigenlijk niet. Alle gegevens waarover ik toen beschikte, gaven de indruk dat het in orde was, maar ik kon het niet weten. Je kunt het niet weten op 15 december, en zeker niet na het Rekendecreet, omdat er nog veel facturen van het voorgaande jaar die in januari toekomen, dan pas in rekening moeten worden gebracht. Vroeger was dat niet het geval, want toen kon ik de begroting nog afsluiten op 31 december. De facturen van januari die betrekking hebben op 2014, komen op de begroting van 2014. Je kunt het dus niet juist inschatten.

Minister Turtelboom zal het u juist kunnen zeggen, maar intussen gaat het om een begroting van 27 miljard euro voor 2014. De begroting van 2015 ligt nog een stuk hoger.

Op dit moment kunnen we op 1 of 2 procent na zeggen of het wel of niet in evenwicht is. Zoiets in het bedrijfsleven een maand of langer op voorhand juist kunnen zeggen, op 2 procent na, is de best haalbare situatie.

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Het citaat van mij met betrekking tot de cijfers was niet relevant in die discussie. Ik heb het betreurd wegens een andere reden, niet om die beslissing, want de ministers moesten nog onderhandelen met de sectoren. Daarom heb ik toen geen details gegeven.

De heer John Crombez (sp·a)

Het verhaal van 2009 klopt. Ik herinner het me, met het grote verschil dat de economie toen 2 procent is vertraagd. Dat was in de laatste twintig jaar niet voorgekomen. (Opmerkingen van minister Annemie Turtelboom)

Het verschil tussen 2 procent vertragen en 0 procent groei is heel belangrijk. Het was toen niet voorspelbaar.

Wat heeft minister Muyters ten goede veranderd de laatste jaren? Hij heeft de begroting dichter bij de resultaten gebracht. Daar heeft het Rekenhof hem een pluim voor gegeven. Het is beter inschatbaar, de onderbenutting, de inkomsten enzovoort.

Toen, in die zeer onduidelijke omstandigheden, was er een verschil van 200 miljoen euro. Nu vragen we naar 400 miljoen euro, effectief met 0 procent groei. In welke richting gaat het? Dat is elementair. U kent de inkomsten, u kent de uitgaven. Het kan niet zijn dat u het niet op 400 miljoen euro na kunt zeggen.

Of komt dat bedrag van 700 of 800 miljoen euro uit de lucht vallen? Weet u van waar, minister? Niet uit de krant. De meerderheidspartijen zijn Vlaams en federaal dezelfde, in de Kamer konden ze het blijkbaar wel zeggen. Daar is het gezegd. Het kan nonsens zijn, maar zeg het mij dan. Het kan waar zijn, maar dan zit u met een gigantisch probleem. Dan weet u het al als regering, maar zegt u het niet aan het parlement, met een mogelijk verschil voor de begroting van volgend jaar van 400 miljoen euro.

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

In 2011 hadden we in dit parlement frequent een debat over de Gemeentelijke Holding. Het ging toen over een impact op het budget van 260 miljoen euro. Vandaag spreken we over een veelvoud daarvan. Ik wil beide ministers toch verwijzen naar een interpellatie van de heer Van Mechelen aan minister van Financiën Muyters op 6 december 2011. Toen antwoordde minister Muyters: “Dat heeft niemand gezegd. Ik heb niet gezegd dat het op de kop af juist 265 miljoen euro is. Het kan wat meer zijn. We zullen op het einde van het jaar vaststellen hoeveel het juist is. Maar op basis van de monitoring verwacht ik dat we die 265 miljoen euro kunnen goedmaken.” Om maar te zeggen dat voor een veel kleiner bedrag men een veel preciezere inschatting kon geven, op basis van een interpellatie toen. Nu zegt u dat er nooit is verwezen naar de monitoring. Voor veel kleinere bedragen, zelfs vroeger in de maand december, is dat minstens in 2011 wel gebeurd.

De voorzitter

Minister Turtelboom heeft het woord.

Minister Annemie Turtelboom

Er is ook de nieuwe consolidatiekring. Wat gebeurt er met de universiteiten en hogescholen? Daar hebben we op dit moment nog altijd onvoldoende informatie over. Ik kan de oppositie begrijpen. Mijnheer Vanbesien, als ik deel uitmaakte van de oppositie, zou ik ook zeggen dat ik op elk moment van elk beleidsvoorbereidend document op de hoogte wilde zijn. Ik zou ook pleiten voor extreme transparantie. (Opmerkingen van de heer Wouter Vanbesien)

Dat betekent immers dat elk idee dat men laat aftoetsen en doorberekenen door iemand van de administratie, een document is dat moet worden overgedragen aan het parlement. Dat is natuurlijk geweldig om ermee aan politiek te doen. Dat begrijp ik ook. Mocht ik me in uw positie bevinden, dan zou ik net hetzelfde zeggen.

Ik zeg alleen dat je vandaag niet kunt redeneren met de principes van 2008 en de principes van 2005. Waarom? Er is een nieuwe consolidatiekring vanwege Europa. Eigenlijk ga je pas de definitieve cijfers van de begroting kennen wanneer je dat in maart-april bekijkt en wanneer Europa ook daadwerkelijk alles heeft afgeklopt. Echter, zoals dat al jaren de traditie was, ook toen sp.a in de meerderheid zat, zullen we de gegevens in alle transparantie geven bij de eerste vergadering van de commissie Financiën en Begroting van het nieuwe werkjaar. Dan zullen we daarover een debat hebben. Ik zeg alleen vandaag, en ik ben blij dat collega Muyters dat bevestigt, dat je dat eigenlijk vandaag gewoon niet weet als wordt gevraagd om daarop ja of neen te zeggen. Als wij immers rekenen met de parameters van de onderbenutting en er zou blijken dat wegens een verkiezingsjaar de administraties meer geld hebben uitgegeven, dan zullen die misschien niet kloppen. Is dat dan een fout? Neen, dat is geen fout. Op dat moment is dat gewoon eigenlijk een feit.

Wat de gewestbelastingen betreft, ik heb vandaag al tien keer gezegd dat iedereen zegt dat er met betrekking tot de woonbonus veel meer registraties zijn. We zien dat alleen vandaag niet in de cijfers. Dus denk ik: oké, er zullen nog inkomsten komen. Wat wilt u nu echter dat ik zeg? Wilt u dat ik er een bedrag op plak, zodat u morgen of overmorgen kunt zeggen dat het bedrag niet juist was? Sorry, maar ik zal me daar niet toe laten verleiden. Dan zult u immers binnen de kortste keren zeggen dat het opnieuw iets anders is.

Wel zeg ik dat we sowieso een vervroegde begrotingscontrole zullen moeten doen om sneller de vinger aan de pols te houden, om drie redenen: de groei vertraagt en de begroting is daar gevoeliger voor; er is de nieuwe Europese ESR-norm; er is onze zesde staatshervorming. Dat lijkt me niet meer dan logisch.

In verband met de index is er 201 miljoen euro ingeschreven in de begroting. Wat de kinderbijslag betreft, heb ik in de commissie al gezegd dat er een vast bedrag staat ingeschreven. De kinderbijslag zal voor 2015 dus op hetzelfde niveau blijven als in 2014, of er nu een indexsprong komt of niet. Omdat in het regeerakkoord staat dat de kinderbijslag twee jaar niet zou worden geïndexeerd, dat die op hetzelfde niveau zou blijven, hebben we het nominale bedrag in de begroting opnieuw overgenomen en zijn we op dat vlak correct, in overeenstemming met het regeerakkoord.

De bijeenkomst van het Overlegcomité heeft nog niet plaatsgevonden. Ik ben en blijf het met u eens. Ik heb al contact gehad, maar goed, dat is een overleg tussen drie gewesten en de federale overheid. Ik ben ervan overtuigd dat we dat zo snel mogelijk opnieuw moeten samenroepen. Die gewijzigde economische omstandigheden gelden immers hier in het Vlaams Parlement voor de Vlaamse begroting, maar uiteraard ook voor de Waalse en Brusselse begroting, en voor de federale begroting. Ik heb gezegd dat er een vervroegde controle komt. We zullen voor onze Europese verplichtingen meer dan ooit ook de vinger aan de pols moeten houden met de vier entiteiten die daarover moeten overleggen.

We hebben een grondig debat gehad in het parlement over de inkohiering. Minister Homans is daar niet langer dan anderhalf uur geleden ook zeer uitgebreid op ingegaan. Ter zake zitten we allebei op dezelfde golflengte. Eigenlijk zou het volgens ons het beste zijn om met voorschotten te werken. Elk beleidsniveau moet ter zake echter de beslissing nemen die het moet nemen. Zo zou er veel meer duidelijkheid zijn voor de steden en gemeenten. We hebben dat probleem nu, in 2014. We hadden exact hetzelfde probleem in 2013. Het is geen nieuw probleem. Ik meen dat dit structureel alleen maar op die manier kan worden opgelost, maar ik meen dat u zowel van haar als van mij in de commissie hebt gehoord dat we het probleem op diezelfde manier willen aanpakken.

Dat van het pensioenfonds klopt. Dit is echter ESR-neutraal. Het is alleen schuldafbouw.

Op dit moment heeft de Vlaamse Regering geen plannen om aan schuldafbouw voor de gemeenten te doen, maar ik bevestig nogmaals wat ik zonet heb gezegd en wat een zware inspanning is voor de Vlaamse Regering: dat de groeivoet van het Gemeentefonds 3,5 procent blijft. Bij een economische groei van 1,5 procent betekent dit dat 2 procent van de middelen van de Vlaamse Regering naar de gemeenten en de steden vloeit. Ik denk dat de Vlaamse Regering al het mogelijke moet doen om ervoor te zorgen dat de gemeenten en de steden zeker niet door ons met kosten worden opgezadeld, maar dat ze integendeel financiële ademruimte krijgen. Op een bepaald moment moeten we echter nog verder nadenken over een manier om het investeringsritme, dat vooral in Vlaanderen, maar nog meer bij de gemeenten en de steden hoog ligt, verder te blijven stimuleren. Ik denk immers dat we het erover eens zijn dat er in economisch moeilijke tijden geen sprake kan zijn van het terugdraaien van onze investeringen en zodoende het niet verder ondersteunen van onze economie.

Wat de aankoopcomités betreft, heb ik er op dit ogenblik geen weet van dat er extra lasten zouden komen voor de steden en de gemeenten. In de fiscale codex staat alleen dat het zou kunnen dat daarvoor in de toekomst een financiële tegemoetkoming wordt aangerekend. Ik heb in de commissie ook heel duidelijk gezegd dat er op dit ogenblik geen enkele intentie bestaat, zelfs geen begin van voorafgaande gedachte, mijnheer Vanbesien, om bij het parlement daartoe voorstellen in te dienen.

Als we nieuwe wetgeving wensen als gevolg van de zesde staatshervorming, moeten we ervoor zorgen dat ze de toets des tijds voor de komende twintig jaar doorstaat. Er is soms wel al eens een elektronisch overlegcomité aan het werk geweest, maar daar gaat het dan meer over technische aangelegenheden. Interpreteer dus niet uit mijn antwoord dat er nog geen enkel overleg is geweest. Er is overleg geweest over eerder technische aangelegenheden, politiek overleg om te zeggen dat mijn begroting nominaal in evenwicht werkt. De Federale Regering werkt met zo’n begroting, de Waalse en de Brusselse Regering werken met andere normen. Er is nog geen Overlegcomité geweest om daarover te spreken, maar ik heb in de commissie al meermaals gezegd – en ik blijf ervan overtuigd – dat we dat de komende jaren intensiever zullen moeten doen omdat de uitdagingen van de economische groei van belang zijn, zowel in Vlaanderen als in de andere entiteiten van ons land.

De voorzitter

De heer Van Miert heeft het woord.

Een aantal zaken die ik namens onze fractie binnen het luik Begroting en Financiën had willen toelichten, zijn daarnet in de algemene bespreking of in het kader van andere discussies al aan bod gekomen. Namens onze fractie wil ik kort nog een aantal bemerkingen geven bij twee punten, namelijk de verkeersfiscaliteit en het wegwerken van de achterstallige facturen.

De komende jaren staan we voor belangrijke hervormingen van onze verkeersfiscaliteit. Meer en meer zullen we evolueren naar een duurzame mobiliteitsfiscaliteit. De eerste stappen hiervoor zijn reeds in 2012 gezet, met de vergroening van de belasting op de inverkeerstelling. De N-VA-fractie merkt op dat ook de nieuwe Vlaamse Regering verder zal inzetten op de hervorming van deze verkeersfiscaliteit. Als N-VA fractie steunen we ook het principe dat alle weggebruikers, zowel binnenlandse als buitenlandse, moeten bijdragen voor het gebruik van onze infrastructuur. Dat blijft ook ons uitgangspunt.

De Vlaamse overheid voorziet tegen 2016 in de invoering van de kilometerheffing voor zware vrachtwagens vanaf 3,5 ton. Er zal ook worden nagegaan of  en hoe dit verder kan worden uitgebreid naar personenwagens en lichte vrachtwagens. Onze fractie vraagt wel met nadruk dat de Vlaamse Regering in heel deze hervorming blijft waken over de concurrentiepositie van onze bedrijven en de economische poorten, in vergelijking met onze buurlanden. Als we dat doen voor onze bedrijven spreekt het voor zich dat, indien deze kilometerheffing wordt uitgebreid naar de personenwagens van onze burgers, we naar verbruik enigszins recht evenredig met de bestaande verkeersbelastingen zullen werken.

Een tweede aspect waarop ik tot slot nog even wou terugkomen, heeft betrekking op de achterstallige facturen. Ook hier stellen wij vast dat onze regering zich ertoe wil engageren om niet-betwiste facturen binnen de opgegeven betalingstermijn te voldoen.

Om deze processen vlot te laten verlopen vraagt de N-VA-fractie dan ook aan de Vlaamse Regering om tijdens deze legislatuur verder in te zetten op de uitbouw van een efficiëntere financiële administratie. Een belangrijk aspect hierin is de implementatie van een uniform boekhoudsysteem met een intelligente scanning van facturen en het opzetten van e-invoicing. Dit zal zeker zorgen voor een belangrijke winst in efficiëntie en administratieve vereenvoudiging.

De voorzitter

Internationaal Vlaanderen

We bespreken nu het onderdeel Internationaal Vlaanderen.

De heer Sintobin heeft het woord.

Mijnheer Sintobin, u zult toch niet over Izegem beginnen?

Neen, voorzitter, en ik betwist ook dat er in Izegem goed bestuurd wordt met de socialisten.

De beleidsnota Toerisme werd uitvoerig en zelfs tot in detail besproken in de commissie Toerisme. Vandaag wil ik mij beperken tot twee algemene opmerkingen en één concreet dossier.

Iedereen weet dat Vlaanderen heel wat moois te bieden heeft. Er is een discussie geweest over welk soort promotie we willen. Ik hoop dat die ondersteuning van onze Vlaamse kust en van onze toeristische regio’s blijft bestaan.

Toerisme is een economische sector die meer financiële middelen verdient, want de economische return is veel groter dan in sommige andere industriële sectoren.

Het project 100 Jaar Groote Oorlog hebben wij zoals u weet van in den beginne ondersteund. Het was de bedoeling toeristen naar Vlaanderen te krijgen, de vredesgedachte uit te stralen en Vlaanderen internationaal op de kaart te zetten. 100 Jaar Groote Oorlog was voor mij en voor onze fractie hét ideale moment om aan de ganse wereld te tonen hoe de Vlaamse emancipatie is ontstaan en waar de Vlaamse ontvoogding is begonnen.

In de IJzerloopgraven, collega’s, werden de fundamenten gelegd voor de Vlaamse emancipatie, de Vlaamse Beweging en de zelfbestuursgedachte. Bij alle herdenkingen en in de media werd dit allemaal vakkundig onder de mat geveegd. Dat uitgerekend twee Vlaams-nationale ministers deze kans niet hebben gegrepen en het hele project hebben laten recupereren door Belgicistische krachten, mijnheer Van Dijck, maakt het, althans voor onze fractie, bijzonder pijnlijk. Kan iemand van de N-VA mij aantonen waar in het project 100 Jaar Groote Oorlog de nadruk werd gelegd op de Vlaamse emancipatie en op het begin van de Vlaamse ontvoogding? Het werd ergens weggestopt op een of andere verdieping van de IJzertoren en daar stopt het mee.

De voorzitter

De heer Van Overmeire heeft het woord.

De heer Karim Van Overmeire (N-VA)

Voorzitter, minister-president, collega’s, met het Vlaams buitenlands beleid willen we enerzijds de Vlaamse politieke en economische belangen behartigen en anderzijds bijdragen aan een meer democratische, meer rechtvaardige en meer vreedzame wereld. We hebben hierover in de commissie een vrij interessante gedachtewisseling gehad, en ik ga mijn betoog uit de commissie hier niet herhalen. Ik wil de vijf minuten die mij zijn toegewezen gebruiken om twee accenten te leggen: ik wil iets zeggen over posten en iets over prinsessen.

Ik begin met de posten. Het ambitieniveau van het Vlaams buitenlands beleid is hoog, en om die ambities te kunnen waarmaken moet je beschikken over een slagkrachtig instrument. Minister-president, u hebt aangegeven op welke manier u tot een nog efficiënter apparaat wil komen en wij steunen u daarin. Wat ik niet begrijp, is dat een bepaalde oppositie zegt dat uw ambitieniveau nog niet hoog genoeg ligt en dat er nog veel meer moet gebeuren inzake mensenrechten en democratie en inzake het stimuleren van onze ondernemingen, maar dat diezelfde oppositie, als het gaat over de uitbouw van het instrumentarium, vindt dat er al te veel Vlaamse profilering is en liever geen verdere uitbouw van dat Vlaams netwerk ziet gebeuren.

En minister-president, als u op de Belgische protocollaire ranglijst op de negentiende plaats komt, dan moet u daar niet flauw over doen. U moet zich daarin schikken. Dat is een tegenstelling, een milde vorm van schizofrenie, zou ik durven zeggen die ik in elk geval niet kan begrijpen. Voor ons is een volwaardige en permanente vertegenwoordiging zodat Vlaanderen kan deelnemen aan de werkzaamheden van bijvoorbeeld het Rode Kruis, de Verenigde Naties, de Internationale Arbeidsorganisatie, de Wereldhandelsorganisatie en de Wereldgezondheidsorganisatie, wel een zinvolle investering.

Een versterking van de Vlaamse vertegenwoordiging op het niveau van de Europese Unie is wel een zinvolle investering. De aanpassing van de samenwerkingsakkoorden is meer dan noodzakelijk. Het verder uitbouwen van een Vlaams postennetwerk moet inderdaad gebeuren. We moeten zorgen voor een beter diplomatiek statuut voor onze vertegenwoordigers zodat die mensen de kans hebben om een Vlaamse diplomatieke loopbaan uit te bouwen, niet als doel op zich maar omdat dat nodig is om onze belangen te verdedigen en opdat Vlaanderen zou kunnen meebouwen aan die betere wereld.

Een tweede accent is de prinses. Wat heeft de N-VA tegen die prinses die een dame is met klasse die deuren opent voor ondernemingen, heel vaak Vlaamse ondernemingen? Ik verwijs daarvoor naar de bijzondere wet van 13 juli 2001. Wanneer het gaat over exportpromotie en het aantrekken van investeringen, dan zijn de gewesten volgens die wet bevoegd. Twee uitzonderingen zijn nog federaal: Finexpo en het multilateraal handelsbeleid.

Op basis van die wet hebben wij een performante structuur uitgebouwd, het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen (F.I.T.) dat op 102 plaatsen in de wereld aanwezig is, dat vorig jaar voor 5000 business-to-businessgesprekken heeft gezorgd, dat naast die 4 prinselijke missies, 22 andere missies op het getouw heeft gezet en dat seminaries heeft georganiseerd waarop 500 bedrijven aanwezig waren.

Wil Vlaanderen samenwerken met anderen om zijn opdracht te vervullen? Natuurlijk willen wij dat en we doen dat ook. Willen we bij het uitvoeren van die opdracht misschien een beroep doen op de leden van het huis van Saksen-Coburg die blijkbaar een of andere pincode of sleutel hebben om deuren te openen die anderen niet kunnen openen? Excuseer me dat ik daar een beetje ironisch over doe, maar ik vraag me af hoe landen zonder koningshuis of prinses zoals de Verenigde Staten, Duitsland, Oostenrijk, Italië of Frankrijk contracten kunnen sluiten.

Voor de volledigheid van het verslag en voor de geschiedschrijving. Mijnheer Van Overmeire, ik begrijp dat u spreekt in naam van de N-VA. Maar u bent ongetwijfeld niet vergeten dat gewezen collega’s Joris Van Hauthem en Luk Van Nieuwenhuysen in het verleden in dit Vlaams Parlement verschillende voorstellen hebben ingediend om ervoor te zorgen dat die prinselijke missies zouden worden afgeschaft. Wij waren daar geen voorstander van. Ik heb de N-VA toen geen enkele keer weten instemmen met die voorstellen.

De heer Karim Van Overmeire (N-VA)

U hebt niet goed geluisterd, en ik raad u aan goed te luisteren naar de volgende passus van mijn betoog.

Wanneer Vlaanderen beslist om met Nederland een gemeenschappelijke handelsmissie op te zetten naar Texas, dan doen we dat gewoon. Wanneer we echter een gemeenschappelijke handelsmissie opzetten met Brussel en Wallonië, geleid door een prins of prinses, dan is daarvoor een permanente structuur van 40 voltijdse personeelsleden nodig. Lijkt dat niet erg veel op een overbodige parallelle structuur? Mijnheer Sintobin, wanneer we daar dan 821.000 euro op besparen om er elders zinvolle dingen mee te doen, dan zijn we op de goede weg.

De enige manier om die permanente uitzichtloze en zinvolle guerrilla tussen het Vlaamse en het federale niveau te stoppen, is dat iedereen blijft bij de taakverdeling, dat iedereen zich op zijn eigen bevoegdheden concentreert conform de afspraken en conform de Bijzondere Wet. Die lijnen vinden we terug in de beleidsnota en in het budget, en daarom steunen wij de minister-president volledig. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Verstreken heeft het woord.

De heer Johan Verstreken (CD&V)

Collega’s, normaal gezien zou de heer Kennes hier hebben gestaan. U krijgt allemaal de groeten van hem. Hij stuurde mij een sms om te zeggen dat hij ergens te velde staat waardoor hij hier noch op de gemeenteraad aanwezig kan zijn. Zijn trein staat al meer dan een half uur stil.

Onze ligging in de delta van de Lage Landen geeft ons grote troeven om te fungeren als logistieke draaischijf van Europa. Met onze open economie is buitenlands beleid van groot belang. In de eerste plaats richt zich dit op onze buurlanden, maar het houdt ook de blik gericht op Europa en de wereld.

Het uitspelen van onze troeven zoals de strategische ligging, de goede opleiding en de hoge productiviteit van onze arbeidskrachten is een dagelijkse opdracht. De moedige en noodzakelijke maatregelen van de Federale en de Vlaamse Regering om de basis te leggen voor onze toekomstige welvaart, zijn bouwstenen voor een retentiebeleid om buitenlandse investeerders te behouden en aan te zetten tot bijkomende investeringen.

Vlaanderen investeert in het netwerk van Flanders Investment & Trade (F.I.T.) om nieuwe markten te openen voor de diensten en producten van onze kmo’s. We hebben nood aan een internationaliseringsstrategie met F.I.T. als centrale actor die inzet op differentiatie naar doelgroepen en een grotere focus legt op de groeilanden.

Maar we mogen de ogen niet sluiten voor de schaduwwolken die boven onze economie hangen. Het aandeel van innovatieve en hoogtechnologische producten in de Vlaamse export is klein. Onze loon- en energiekosten zijn hoog en de sociale onrust is natuurlijk niet bevorderlijk voor ons imago en om buitenlandse investeerders aan te trekken.

De begroting 2015 voorziet in middelen voor de verdere uitbouw van het netwerk van vertegenwoordigers van de Vlaamse Regering in het buitenland en meer concreet voor een vaste werkplek in Genève. Zo moet er niet meer worden gependeld naar de belangrijke internationale instellingen die daar hun zetel hebben.

Mijn fractie vindt het belangrijk dat we spoedig over een SWOT-analyse (Strengths, Weaknesses, Opportunities and Threats) beschikken voor de verdere uitbouw van dit postennetwerk. Alleen met zo’n SWOT-analyse in de hand kunnen we kijken naar een eventuele uitbreiding richting Scandinavië, de Westelijke Balkan, de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) of de MINT-landen (Mexico, Indonesië, Nigeria en Turkije).

De besparing op ontwikkelingssamenwerking gebeurt grotendeels op de Noordwerking. De structurele en thematisch geconcentreerder samenwerking met Zuid-Afrika, Mozambique en Malawi blijft buiten schot. Mijn fractie steunt de keuze om de al bij al beperkte Vlaamse middelen voor ontwikkelingssamenwerking niet te versnipperen en te kiezen voor een duidelijk concentratiebeleid met de focus op ondernemerschap, landbouw en seksuele en reproductieve gezondheidszorg.

We vragen ook om onze ontwikkelingssamenwerking in lijn te brengen met de post-2015 ontwikkelingsagenda die in september 2015 wordt vastgelegd. De kredieten voor humanitaire bijstand blijven op peil.

We mogen de Syrische vluchtelingen niet vergeten. Vlaanderen heeft zich de ambitieuze doelstelling gesteld om tegen 2020 de ontwikkelingshulp ten aanzien van 2008 te verdubbelen tot 86 miljoen euro.

Wij kijken uit naar de samenwerking met de oppositie. Het buitenlands beleid is belangrijk voor Vlaanderen.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

Voorzitter, minister, dames en heren, je bent maar beter een van de vele Vlamingen in de wereld dan een Vlaming in Vlaanderen. In Vlaanderen wordt er namelijk bespaard op onderwijs, op kinderopvang, op welzijn, op gezinnen, op kinderen en jongeren, maar ondertussen worden er in het buitenland wel vlot extra Vlaamse diplomatieke posten gecreëerd.

577.790 euro per jaar kost zo’n diplomatieke post gemiddeld. Ik zeg het bedrag nog eens, vooraleer iemand zegt dat er geen alternatief is: 577.790 euro. Er is dus wel degelijk een alternatief. Er is geen excuus om extra Vlaamse diplomatieke posten in het buitenland te creëren terwijl er in het binnenland bespaard wordt op onderwijs en welzijn. Een Vlaamse Regering die voorzichtig met haar begroting wil omspringen, had evengoed kunnen inzetten op bijvoorbeeld een verbeterde samenwerking met de federale overheid, een sterkere inschakeling in het federale diplomatieke netwerk om de Vlaamse internationale belangen te behartigen.

In de plaats daarvan kiest deze regering, gedreven door profileringsdrang, voor meer eigen diplomaten en voor meer eigen Vlaamse huizen.

De heer Karim Van Overmeire (N-VA)

Mevrouw Soens, u illustreert wat ik daarnet zei. Waar het nu heel concreet over gaat, is een permanente vertegenwoordiging voor Vlaanderen in Genève. Die persoon zit daar niet zomaar. Die vertegenwoordigt Vlaanderen bij het Rode Kruis, de Verenigde Naties, de Internationale Arbeidsorganisatie, de Wereldhandelsorganisatie en de Wereldgezondheidsorganisatie. Die middelen worden betaald door een reductie van onze bijdrage aan het Agentschap voor Buitenlandse Handel. Het is geen besparing op Onderwijs en wat u daar allemaal zegt. Is uw fractie daartegen?

Dezelfde fractie zegt dat de minister-president inzake arbeidsrecht enzovoort juist meer ambitie moet hebben. Als we dat dan invullen, zegt u dat we dat geld op een verkeerde manier uitgeven. Kunt u dat even toelichten?

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

We zijn niet per se tegen die vaste vertegenwoordiger in Genève, maar die mens heeft jarenlang gependeld. In een klimaat van besparingen op Onderwijs en Welzijn vinden we het niet opportuun dat net daar extra geld naartoe gaat. Over het agentschap wil ik het net hebben.

De heer Karim Van Overmeire (N-VA)

Weet u in welke omstandigheden die man daar moest werken? Dat weet u niet.

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

57 minuten vliegen vanuit Brussel. Ik vermoed dat dat nog een paar jaar kon doorgaan. Vindt u het opportuun dat u bespaart op Onderwijs en Welzijn, maar dat u wel een vaste vertegenwoordiger in Genève wil zetten? Ik vind dat niet opportuun.

De heer Karim Van Overmeire (N-VA)

Het zijn geen extra middelen, het is een verschuiving van de middelen.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

Dat zijn politieke keuzes. Het is een keuze waar we met onze fractie niet achter kunnen staan.

Minister-president Geert Bourgeois

We hebben die discussie al gevoerd in de commissie. Ik betreur de houding van sp.a enorm. In de vorige regeerperiode was sp.a bij monde van toenmalig collega Roegiers een van de grote pleitbezorgers om een absolute permanente vertegenwoordiging te hebben in Genève omwille van het belang van die internationale instellingen daar. Het is echt zaak om daarbij te zijn. Je kunt niet zeggen dat we een actief mensenrechtenbeleid moeten voeren en dan heen en weer pendelen, en niet de kans geven aan onze vertegenwoordiger om er permanent aanwezig te zijn. Die man zit daar nu af en toe een week op hotel, waar hij in een soort bezemhokje resideert. Op die manier kun je geen positie uitbouwen.

Het is totaal van de pot gerukt om in tijden van besparingen die we moeten doorvoeren in 2015 – u kent de dimensie daarvan – een paar 100.000 euro voor een internationale vertegenwoordiging in Genève af te wegen ten opzichte van de rest. Bovendien gebeurt dit door een interne compensatie. (Applaus bij de N-VA)

De heer John Crombez (sp·a)

Dat is juist de dynamiek die we gedurende weken hebben proberen aan te kaarten. De minister-president zegt dat wij daar vroeger voor pleitten, terwijl we voor al de besparingen op Onderwijs, Welzijn en Cultuur hier de hele dag hebben gehoord dat het nu anders is dan vroeger. Jullie sterkste verdediging is dat jullie een aantal dingen anders gaan doen. Op zich is daar niets verkeerd mee, maar als je moet uitleggen dat het harde keuzes zijn, hoe komt het dan dat je wel zegt dat je dingen gaat veranderen en dus gaat besparen in thuiszorg en de studenten meer laat betalen en de kinderen meer laat betalen voor de bus? Dat is omdat het anders is dan vroeger. Maar als het over de diplomatie gaat in Genève, dan gaat u daar niets aan veranderen, neen, u pleit zelfs voor meer. Als het al verkeerd is om dat in een parlement aan te brengen, als u zelf zegt dat het allemaal om keuzes gaat – het punt is dat er inderdaad keuzes zijn –, kom er dan potverdorie gewoon voor uit dat je je prioriteiten zo stelt. Zeg dan dat je minder moeite hebt om komaf te maken met dat pendelen dat al die jaren is gelukt.

Met alle respect, minister-president, u zegt dat die mens daar in een bezemhok zat. Ik hoop dat u toegeeft dat dat een klein beetje overtrokken symboliek is dat u eraan wilt geven. Het is niet dat die mens daar heeft afgezien en letterlijk in een bezemhok zat. Er zijn andere keuzes mogelijk. Dit is daar een heel goed symbool van.

Minister-president Geert Bourgeois

Ik vind dit van een ongeziene kneuterigheid. Er is een tijd geweest dat socialisme een internationale dimensie had en nu wilt u zich borneren op Vlaanderen dat zich beperkt. Lieve collega’s, we leven van de export. 83 procent van de Belgische export is Vlaams. We zijn de veertiende grootste exporteur van goederen wereldwijd. Per capita is het vier keer zoveel als Duitsland.

Wij moeten gewoon die internationale dimensie niet alleen behouden, maar ook versterken. In Genève zit de Wereldhandelsorganisatie, de Wereldgezondheidsorganisatie, de Wereldarbeidsorganisatie. Wij moeten daar aanwezig zijn. Ik kan met de beste wil van de wereld niet begrijpen dat u een paar honderdduizend euro voor een dergelijke investering gaat afwegen tegenover een dimensie van meer dan een miljard euro besparingen. Absoluut niet. (Applaus bij de N-VA en CD&V)

De heer Karim Van Overmeire (N-VA)

Een paar honderdduizend euro, mijnheer Crombez, die gehaald wordt bij de dotatie aan een agentschap dat compleet dubbel werk doet, dat een compleet overbodige structuur is. Een deel van dat bedrag wordt gebruikt voor een permanente vestiging in Genève, en dan is er nog geld over om de werking van Flanders Investment & Trade (F.I.T.) te versterken. Er is geen enkel kind of geen enkele bejaarde of wat dan ook, waar u altijd naar verwijst, die er op enige manier last van heeft. Uw probleem is ook dat u zelfs ook een probleem hebt met de vermindering van de dotatie aan dat agentschap. U hebt liever dat die centen naar prinses Astrid gaan en naar dat agentschap dan naar dat kindje en die bejaarde waar u altijd naar verwijst.

De heer John Crombez (sp·a)

Voorzitter, dat laatste is zo’n flauwekul, dat ik daar niet op ga reageren. Mijnheer Van Overmeire, de minister-president heeft gelijk. Hij begrijpt niet dat wij het punt maken dat men voor de ene logica, zijnde export, zegt dat men daar een uitzondering voor maakt en dat het maar om een paar honderdduizend euro gaat, en dat in de discussies die we hebben gehad over bijvoorbeeld Modem, een organisatie voor hulpmiddelen aan mensen met een handicap, men vond dat dat toch wel ging over een paar duizend euro en men vond dat men daar dringend moest besparen. Ik denk dat de meerderheid dat onderscheid inderdaad niet verstaat.

Als het punt is dat het gaat om een verschuiving, wel, heel de dag heeft de meerderheid het over apparaat en efficiëntiewinsten. Als er dubbel werk was in dat agentschap, dan was dat een efficiëntiewinst geweest. Nu het gaat om export, dan mag de efficiëntiewinst worden uitgegeven. Als het gaat om welzijn, mag de efficiëntiewinst alleen maar bespaard worden. Ik zal dat blijven zeggen. Hetzelfde geldt voor landbouw. We hebben door de minister horen zeggen dat het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) belangrijk is voor onze toekomst. Natuurlijk is het VLIF belangrijk voor onze toekomst, maar kan het met wat minder? Ja, het kan met 10 miljoen euro minder. Landbouw is dan belangrijker voor de toekomst dan onderwijs. Het zijn precies dergelijke keuzes waar we op hebben gewezen en waarvan ik denk dat jullie soms echt niet begrijpen wat jullie aan het doen zijn.

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

Hoewel deze Vlaamse Regering zich profileert als de regering voor de ondernemingen, als de spreekbuis van Voka en UNIZO, wordt de keuze dus wel gemaakt om een pak minder in te zetten op het Agentschap voor Buitenlandse Handel, het agentschap dat onder meer instaat voor de buitenlandse missies met kmo’s. Kmo’s bevestigen nochtans dat die missies voor hen net een grote meerwaarde hebben en vele deuren openen in het buitenland. Ze geven aanleiding tot innovatie, investeringen en werk. Ik vind dat een verrassende keuze. Het geld daarvan gaat inderdaad niet naar kinderen en gezinnen maar naar die vaste post in Genève en naar het F.I.T. om de grote besparingen daar op te vangen. Ik kan voor u alleen maar hopen dat de Vlaamse kmo’s evenveel aan hun vaste vertegenwoordiger in Genève zullen hebben dan aan het agentschap.

Tot slot wachten wij nog altijd op de antwoorden op onze concrete vragen die wij in de commissie hebben gesteld. U had ons nochtans verzekerd dat we die antwoorden tegen de bespreking van de beleidsnota zouden krijgen. Dat is nog altijd niet gebeurd. Helaas kon het debat niet in de commissie worden gevoerd. Ik vind dat jammer. Ik hoop dat u die antwoorden alsnog kunt bezorgen.

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Mevrouw Soens, het verwondert me enorm, collega Van Overmeire heeft het ook al gezegd. U bent er enerzijds voor om het geld naar het agentschap te laten gaan maar u bent tegen die permanente vertegenwoordiging. Er is een onderzoek geweest aan een Nederlandse universiteit, ik ben kwijt welke. Die heeft nagekeken of de handelsmissies met prinsen, prinsessen, de koningin en dergelijke meer, wat de Nederlanders ook kennen, een meerwaarde hebben. Het antwoord in dat onderzoek, mevrouw Soens, is neen. Er is geen meerwaarde, het is weggegooid geld. Dat is letterlijk het antwoord van die onderzoeker. Het gaat natuurlijk over Nederland. Als je praat met ondernemers die meegaan met dergelijke handelsmissies, dan geven die datzelfde antwoord.

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

Ik denk dat u eerder eens moet praten met UNIZO, dat heel erg tegenstander is van het afschaffen van die prinselijke missies.

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Mevrouw Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Voorzitter, minister-president, dames en heren, armoedebestrijding zal de focus vormen van het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking van deze regering. Dit kan ik alleen maar toejuichen. Sociale waarden, het naleven van mensenrechten, de armoedeongelijkheid, sociale en economische kansen voor iedereen van de bevolking, de onderwijskansen enzovoort zijn allemaal factoren die bijdragen tot de ontwikkeling van een land. In deze begroting vinden we aansluitend ook specifieke maatregelen terug die focussen op duurzame ontwikkeling, niet enkel in het kader van ontwikkelingssamenwerking maar binnen het bredere beleidskader. We erkennen hierbij dat duurzame ontwikkeling en ontwikkelingsbeleid op een tweede niveau, een plaats innemen binnen alle beleidsdomeinen.

Ook wil ik het belang van microfinanciering benadrukken. Ik ben zeer aangenaam verrast om de engagementen binnen ontwikkelingssamenwerking ook specifiek in de begroting terug te vinden. Zo zal de Vlaamse Regering voortgaan met waarborgverleningen en participaties aan ontwikkelingsfondsen. Dit is een zeer belangrijk onderdeel van de bevordering van de lokale economie die op lange termijn onmiskenbare invloed zal hebben op de ontwikkeling van een lokale samenleving.

Ten slotte wil ik de focus nog leggen op ontwikkelingseducatie. U verklaart niet alleen dat u fondsen zult uittrekken voor informatiserings- en sensibiliseringscampagnes in Vlaanderen, u doet het ook. In de begroting vinden we verschillende initiatieven terug voor de financiering van ontwikkelingseducatie en -sensibilisering, gaande van financiering voor de gemeenten, verenigingen en instellingen tot specifieke projecten en programma’s. Dat is een belangrijke uitgavenpost, aangezien de gewone burger inderdaad te weinig weet van ontwikkelingssamenwerking. Het is aan ons als overheid om hier transparantie in te brengen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mijnheer Verstreken, ik dacht dat u uw betoog al had gehouden. Wat we niet meer doen, is de tekst voorlezen van iemand die afwezig is.

De heer Verstreken heeft het woord.

De heer Johan Verstreken (CD&V)

Minister-president, de beleidsnota Toerisme 2014 omvat een goede omgevingsanalyse waarbij het economische en maatschappelijke belang van toerisme wordt aangetoond. De beleidsnota kiest voor de juiste strategische doelstellingen: inzetten op de bestemming Vlaanderen in al zijn facetten, de toeristische sector versterken en alle Vlamingen kansen bieden om aan toerisme te participeren.

In de beleidsnota wordt sterk de klemtoon gelegd op overleg, inspraak en samenwerking, maar we hopen dat de samenwerking met de toeristische sector en het middenveld uitgebreider is dan het samenroepen van de captains of industry. CD&V is heel erg tevreden over de keuze voor de nieuwe productlijn Vlaamse Meesters om de toeristische aantrekkingskracht van bestemming Vlaanderen te versterken, omdat dit de kans biedt om zowel ons rijke cultuurhistorische erfgoed in de kijker te plaatsen als ons bloeiende hedendaagse kunst- en cultuuraanbod. Ook de keuze voor een echt Vlaams gastronomiebeleid biedt kansen, voor de kmo’s, de strikte horecasector, landbouw, visserij, brouwerijen, enzovoort.

De minister wil de troeven van onze deelbestemmingen – kust, kunststeden en regio’s – versterken, maar er staan weinig concrete beleidsvoorstellen in het plan voor de kust. Tijdens de bespreking van de beleidsnota gaf de minister te kennen dat de kust wel degelijk een prioritair product in het aanbod blijft en dat promotie nodig blijft. Hij engageerde zich om te blijven investeren in de promotie van de kust in het buitenland en in verschillende projecten om de kust aantrekkelijker te maken.

CD&V kijkt uit naar de resultaten van de initiatieven om de toeristische bereikbaarheid van Vlaanderen te verbeteren. Vooral het eenticketsysteem is prioritair, want ons huidige ingewikkelde ticketsysteem per vervoersmaatschappij schrikt veel toeristen af. De combinatie van zijn bevoegdheden biedt hier geweldige opportuniteiten om snel resultaten te boeken.

Misschien moet Logiesdecreet gewoon afgeschaft worden. Dat zou ook een enorme besparing opleveren.

We juichen ten zeerste toe dat er zal worden geïnvesteerd in fiets- en wandelnetwerken, inclusief trage wegen. Ook sociaal toerisme blijft heel belangrijk zodat mensen die het niet breed hebben een trede hoger in de maatschappij kunnen komen en even hun zorgen kunnen vergeten.

De voorzitter

Mevrouw Coudyser heer het woord.

Voorzitter, minister-president, collega’s, ik moet een beetje in herhaling vallen maar het behoeft geen lang betoog dat toerisme een belangrijke zowel maatschappelijke als economische sector is. En inderdaad, de beleidsnota van minister Ben Weyts straalt ambitie uit en continuïteit, maar ook nieuwe accenten. Wij zijn heel tevreden met die nieuwe accenten want Vlaanderen wordt, zoals mijn collega Johan Verstreken al zei, echt als een toeristische toplocatie aangezien. Het project rond de Vlaamse meesters en het project rond gastronomie, onze Vlaamse gastronomie, zijn echt veelbelovend en een reden om naar Vlaanderen op reis te komen. Ook kunnen er kansen gecreëerd worden door Vlaanderen in de markt te zetten als de Europese bestemming bij uitstek, ook om congressen mee te maken in een uniek kader, zoals op erfgoedlocaties.

Ik denk dat het goed is dat de aandacht voor de drie macrobestemmingen – de Vlaamse kust, de Vlaamse regio’s en onze kunststeden – evenwichtig verdeeld is. De troeven van elk van deze bestemmingen worden dan ook het best ondersteund in overleg met de partners. Er moet voor de drie macrobestemmingen geïnvesteerd worden zowel in hefboomprojecten als in de promotie van deze drie macrobestemmingen.

Ik wil toch heel even stilstaan bij de kustregio, die een groot aanbod heeft en een grote diversiteit, en die werkelijk een toeristische topbestemming is. Het zijn echter niet alleen de factoren zon, zee en strand die de kust aantrekkelijk maken. Het is heel belangrijk om ook in te zetten op de ‘all weather’-faciliteiten: waterrecreatie, fietsen en wandelen.

We zijn dan ook tevreden dat de minister grote investeringen plant en zich blijft inzetten om de kust te promoten. Na enige commotie is het nu duidelijk dat er afspraken gemaakt zijn, maar ik dring er wel op aan om die afspraken met alle actoren uit te voeren. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Werk, Economie, Wetenschap en Innovatie

We gaan verder met het onderdeel Werk, Economie, Wetenschap en Innovatie.

De heer Gryffroy heeft het woord.

Voorzitter, geachte ministers, waarde collega’s, economie, werk en innovatie gaan hand in hand. In de beleidsnota wordt duidelijk aangegeven dat de domeinen Economie, Wetenschap en Werk aan elkaar gekoppeld zijn. Voor het eerst in decennia worden de schotten tussen de beleidsdomeinen opgeheven. Daardoor zijn de voorwaarden vervuld voor een grondige administratieve vereenvoudiging op maat van de ondernemers. Puur in functie van de begrotingsmiddelen zijn de euro’s die vanuit de begroting naar Economie gaan, veel beperkter dan bijvoorbeeld die voor onderwijs en welzijn, of voor werk. En terecht, dit hoort ook zo. We willen inderdaad zo veel mogelijk mensen aan het werk, we willen zo veel mogelijk mensen laten deelnemen aan kwaliteitsvol onderwijs, we willen de mensen kunnen verzorgen. Maar dit zijn uitgaven, en uitgaven kun je pas doen als er ook inkomsten zijn. En de inkomsten komen van een goed draaiende economie.

We kunnen moeilijk stellen dat de economie op heden goed draait, en dat er hier op korte termijn eventueel een snelle verbetering in zou kunnen komen. Echter, als overheid kunnen we sturen, kunnen we een kader maken, waardoor er niet alleen voor de ondernemingen, maar ook voor de ondernemers een goed ondernemersklimaat is. En dit tijdens alle fases van het ondernemen: start, groei, stop. Alle fases zijn belangrijk. Een goed draaiende economie steunt namelijk op een competitief, concurrentieel en bloeiend ondernemersklimaat.

De N-VA beschouwt ondernemers als een belangrijke spil van een goede arbeidsmarkt. Wetenschap en innovatie zijn ook cruciaal om maatschappelijke uitdagingen aan te gaan en om onze ondernemerspositie in Europa en in de wereld verder te versterken.

Om die reden moeten we in de eerste plaats het ondernemerschap weer waarderen. We moeten ondernemende mensen stimuleren. Deze ondernemers vragen niet altijd om euro’s. Wat zij vragen, is een duidelijk, rechtszeker, transparant en eenvoudig kader. Dit is de taak van de overheid.

We geven hen dit kader en we geven hen vooral opnieuw vertrouwen. We stoppen dan ook met het voeren van maatschappelijke debatten die enkel de negatieve aspecten van het ondernemen de nodige aandacht geven. Duidelijkheid, rechtszekerheid, transparantie en eenvoud zijn de ingrediënten van een aantrekkelijk ondernemersklimaat.

Transparantie en eenvoud leveren we bijvoorbeeld door aan een ondernemersloket te werken. Dit start met de samenvoeging van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) en het Agentschap Ondernemen. Door de innovatiesteun op een efficiënte wijze gericht in te zetten, kunnen we voor de ondernemers een economische en maatschappelijke meerwaarde realiseren.

Rechtszekerheid en duidelijkheid leveren we door de maatregelen van entiteit I sterker op de Vlaamse economie af te stemmen en door de Europese maatregelen op maat van de Vlaamse economie te implementeren. Op deze wijze waken we over de concurrentiekracht van onze ondernemers. Ondernemingen en vooral ondernemers zijn uitermate belangrijk voor ons. Alles wat we willen, start uiteindelijk bij hen. We geven hen ons vertrouwen door een goed kader te creëren, maar vooral koesteren we hen. (Applaus bij de N-VA en CD&V)

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Voorzitter, zoals de heer Griffroy net al heeft vermeld, is er een enkele beleidsnota voor de beleidsdomeinen Werk, Economie en Innovatie. De ambitie is duidelijk. Het gaat om meer jobs. De werkzaamheidsgraad moet tot 76 procent worden verhoogd. Dat is een heel grote en belangrijke ambitie.

Deze ambitie is cruciaal om alle hier besproken doelstellingen te realiseren. Een stijging van het aantal jobs leidt tot economische groei en tot het vergaren van de middelen die tot sociale vooruitgang kunnen leiden. Dit is voor mijn fractie essentieel.

Als we naar de begroting voor het beleidsdomein Economie kijken, merken we dat het een fabeltje is dat enkel de gezinnen moeten besparen. Ook de werkgevers dragen bij tot de sanering van de Vlaamse budgetten. De besparingen zijn soms fors, zoals bij het Hermesfonds en de kmo-portefeuille.

Het is voor mijn partij belangrijk dat het Vlaams economisch ondersteuningsbeleid vooral op de kmo’s en de innovatie sterk blijft focussen. De afspraak is dat gedurende deze legislatuur een groot gedeelte van de ruimte voor nieuw beleid aan sociaal-economisch beleid en aan innovatie zal worden besteed. Wat ons betreft, moet dit resulteren in een doorbraak in de richting van de kmo’s met betrekking tot de innovatie. Bedrijven moeten nieuwe producten en diensten nog meer dan nu effectief naar de markt brengen.

Minister, u wilt hiertoe een grote hervorming doorvoeren. De grote structuren binnen uw beleidsdomein worden samengevoegd. Het Agentschap Ondernemen en het IWT worden samen het Agentschap voor Innovatie en Ondernemen (AIO) – we kunnen alvast aan de afkorting wennen. Ook het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO), Hercules en het andere gedeelte van het IWT worden in de toekomst een groot agentschap.

We hopen dat die hervorming snel zal plaatsvinden. Op die manier kan de onzekerheid die hiermee hoe dan ook gepaard gaat, snel worden weggenomen. We hopen tevens dat dit in overleg met de sociale partners en de onderzoeksinstellingen zal gebeuren. Zij kennen het terrein het best. Door de bedrijven en de onderzoeksinstellingen waarvoor we werken bij het beheer te betrekken, kunnen we ervoor zorgen dat het Vlaams beleid resultaatgericht is en blijft.

Ook met betrekking tot werk maakt u duidelijke keuzes die we kunnen toejuichen. Het vereenvoudigd en versterkt doelgroepenbeleid moet in het licht van het banenpact verder vorm krijgen.

Ook met betrekking tot de werkervaring zet u in op een grote hervorming. We hopen dat dit in overleg met het werkveld zal gebeuren. Ik weet dat u hiermee bezig bent. Het is belangrijk hen hierbij te betrekken en hun expertise ten volle te benutten. Hetzelfde geldt voor de lokale besturen. Als het, bijvoorbeeld, om de gesubsidieerde contractuelen gaat, zijn zij belangrijke partners.

Een andere heel terechte keuze is de inzet op leren en werken als een volwaardig onderdeel van ons secundair onderwijs. Dit gebeurt uiteraard in samenwerking met minister Crevits. We zijn ervan overtuigd dat dit een oplossing kan zijn om de ongekwalificeerde uitstroom aan te pakken en om tegelijkertijd de knelpuntvacatures snel en beter in te vullen. We hopen dan ook dat u erin zult slagen deze hervorming snel in de steigers te zetten. Als verantwoordelijke minister moet u SYNTRA Vlaanderen, dat nu de leertijd organiseert, hier ten volle bij betrekken en de nodige middelen en mensen geven om mee aan de kar te trekken.

Tot slot, collega’s, nog een woordje over de werking van de VDAB, een cruciale regisseur en actor op onze arbeidsmarkt. Er moet keihard worden gewerkt om de nieuwe bevoegdheden in te kantelen in de werking van de VDAB en die optimaal te benutten om meer mensen aan de slag te helpen. Maar ook ons bestaand beleid moet en kan uiteraard nog beter. Bijvoorbeeld voor de opleidingen die werkzoekenden moeten toeleiden naar knelpuntvacatures, is er in bepaalde sectoren zeker nog winst te boeken. Werkzoekenden moeten nu soms nog altijd te lang wachten om zo’n knelpuntopleiding te starten. De kans op slagen achteraf, de doorstroom naar werk, moet in sommige sectoren omhoog. Meer stages en werkervaring inbouwen in zo’n opleiding kan een belangrijke factor zijn richting succes.

Minister, ik rond af. Die 150.000 jobs die er de komende jaren moeten worden gecreëerd, gaan gepaard met nog eens 330.000 mensen die moeten worden vervangen omdat ze op welverdiend pensioen gaan. Dat zijn grote uitdagingen voor de komende vijf jaar. Onze fractie zal u daarin volop steunen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Voorzitter, ministers, ‘smout je kitten maar in’! Als nieuw parlementslid geldt dat West-Vlaamse gezegde zeker voor mezelf, maar ik wil het ook aan minister Muyters

meegeven, want deze legislatuur moeten we met minder middelen zo veel mogelijk mensen aan het werk krijgen én houden. Een algemene werkzaamheidsgraad van 76 procent en van 50 procent voor 55-plussers tegen 2020: een mens zou voor minder zijn kuiten insmeren. Want de economie werkt nog niet echt mee en de begroting vraagt structurele ingrepen.

De aanhoudende spanningen met de sociale partners hypothekeren de realisatie van een nieuw Banenpact. We hopen, minister, dat u de sociale partners op korte termijn alsnog bereid vindt om constructief rond de tafel te zitten. Niet werken mag de insteek niet zijn, maar wel blijven werken, voor het eerst werken, opnieuw werken en langer werken.

Het brengt me bij ons eerste aandachtspunt: het activeringsbeleid. We steunen het voornemen om in te zetten op maatwerk en loonkostverlaging voor jongeren, 55-plussers en mensen met een arbeidshandicap. Maar we maken ons ook enige zorgen over de VDAB door de uitdagende cocktail van minder middelen en personeelsbezetting enerzijds, en meer taken en klanten anderzijds. Want die klanten zijn niet alleen werkzoekenden, maar ook andere categorieën, zoals werknemers uit de sociale economie in het kader van het Maatwerkdecreet en het decreet Lokale Dienstenconomie. Deze legislatuur wordt van de VDAB dus nog meer verwacht, en dan hebben we het niet alleen over efficiëntiewinsten, maar ook over de indicering, het controleren en sanctioneren, in opleidingen voorzien en de activering van kansengroepen, de werkzoekenden tot 65 jaar voorop.

De uitbouw van echt maatwerk voor de activering van werklozen wordt een dure, maar noodzakelijke uitdaging. De regering ontziet de VDAB bij personeelsbesparingen. Dat is uiteraard positief, gezien het groot takenpakket van de VDAB. Anderzijds baart het ons wel zorgen dat bij de vooropgestelde besparingen van 15 miljoen euro 9 miljoen euro wordt afgeknabbeld van het budget voor tendering.

De vraag stelt zich volgens ons dan ook prangend naar een kerntakendebat voor de VDAB en de optimale inschakeling van de private intermediairen. Uiteraard dienen alle actoren efficiënt te werken, profit- en non-profitactoren en de VDAB zelf. Ze worden verondersteld om goed om te springen met overheidsgeld. Daarom dringen we ook aan op een gelijke evaluatie van de resultaten.

Vlaanderen is sinds de zesde staatshervorming bevoegd voor dienstencheques. We staan achter de beslissing van de regering om in de begroting voldoende middelen in te plannen om de prijs en fiscale aftrek ongewijzigd te houden. We zijn ook blij dat de 60 procentmaatregel zal worden vervangen door een alternatief dat de dienstenchequeondernemingen (DCO’s) meer ruimte geeft om gemotiveerde mensen aan te werven. Maar we willen de minister ook vragen om de economische leefbaarheid van de DCO’s nauwlettend op te volgen.

Tot slot wil ik blijven stilstaan bij interregionale mobiliteit en gerichte economische migratie voor knelpuntberoepen. Knelpuntvacatures die blijven openstaan, betekenen immers een verlies voor onze economie. Om de werkgelegenheid in de Euregio te bevorderen, bestaan er diverse initiatieven, maar het aantal praktische belemmeringen blijft groot. Ze oplossen hoeft niet altijd geld te kosten, maar het moet wel gebeuren. We hameren dan ook niet op meer middelen, maar op meer samenwerking.

Vandaar onze boodschap op het einde: laat ons creatief zoeken naar resultaatgerichte maatregelen met een lage of beheersbare kostenimpact. We hopen dat de minister met deze beleidsopties de juiste tools in handen heeft om zijn ambitieuze programma te verwezenlijken. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De West-Vlamingen blijven altijd binnen de tijd.

De heer Vanbesien heeft het woord.

De heer Wouter Vanbesien (Groen)

Collega’s, kent u het Meirsyndroom? De Meir is een winkelstraat in een niet nader genoemde stad in Vlaanderen. Het is een winkelstraat die in de jaren 90, volgens de nieuwe inzichten van toen, autovrij is gemaakt. Er was toen groot protest van de winkeliers, met als grootste argument: we gaan hier een concurrentieel nadeel van ondervinden, want er zijn andere winkels waar men wel nog met de auto tot aan de winkeldeur kan. Het is toch ingevoerd, en vandaag willen de winkeliers van de Meir uiteraard nooit meer terug.

De Vlaamse Regering, collega’s, lijdt in haar economisch beleid aan het Meirsyndroom. Er is een nieuwe economie die aan de deur staat te kloppen, maar de regering heeft er angst voor. En het grote argument is: we gaan er concurrentieel nadeel van ondervinden als we die omarmen. En dat terwijl die nieuwe economie ons juist jobs zou opleveren.

Waar gaat het over? De sleutelwoorden van die nieuwe economie zijn: duurzaam, circulair, energie-efficiënt, innovatief, gericht op kwaliteitsvolle jobs. Dat is wat er moet gebeuren. De heer Diependaele heeft deze voormiddag verwezen naar de toekomstverkenningen van de Vlaamse Milieumaatschappij. Daarin staat onder meer dat de manier waarop Vlaanderen met die megatrends moet omgaan, onder meer in het domein van de economie moet gebeuren. De productieprocessen moeten worden vergroend.

Deze begroting gaat echter helemaal de andere kant op. De middelen voor het kmo-energie-efficiëntieplan zijn weg. Ik dien een amendement in om daar ten minste toch nog een klein beetje budget voor uit te trekken. De ecologiesteun wordt zo ongeveer gehalveerd. Met het Hermesfonds haalt u rare toeren uit. Het Rekenhof vraagt zich af of de begroting 2015 van het Hermesfonds wel een realistisch beeld geeft. Kortom, er zijn amper investeringen in de duurzame economie.

Nu, het gaat ruimer dan enkel de begroting, minister. In de commissie hebt u gezegd dat u uw rol beperkt ziet tot het wegnemen van belemmeringen voor bedrijven, en dat dan de verduurzaming wel vanzelf zal komen. Die benadering, beste collega’s, is compleet passé. Nog niet zo lang geleden was er een innovatiecongres, georganiseerd door ons eigen Departement Economie, Wetenschap en Innovatie. De conclusie daar was glashard en duidelijk dat er een actieve en duidelijke overheid nodig is die de transitie naar duurzaamheid richting geeft, en niet zomaar uitbesteedt. Er is nood aan een overheid die actief optreedt, zodat de koplopers niet langer hoeven op te boksen tegen de hekkensluiters.

Slotsom: gooi uw Meirsyndroom overboord, verduurzaam de economie en trek daarvoor de nodige middelen uit. (Applaus bij Groen)

De voorzitter

Mevrouw Remen heeft het woord.

Mevrouw Grete Remen (N-VA)

Voorzitter, ministers, collega’s, mijn volle aandacht gaat naar de kleinhandel. U zult zich misschien afvragen waarom. In de eerste plaats: ‘small is great’. En veel kleintjes maken één grote. Het zijn net die lokale ondernemers die geen uitstervend ras mogen worden. Zij zijn de motor van onze economie.

De snelle technologische veranderingen, sociale media en e-commerce leggen druk op de detailhandel en onze lokale economie. Voor hen is het niet altijd gemakkelijk om daarmee om te gaan.

Het nieuwe winkelbeleid en de kernversterkende maatregelen van de Vlaamse Regering zijn dus meer dan ooit nodig. Samen met de minister van Omgeving zet minister Muyters het beleid inzake kernversterking verder en keurt hij het integrale handelsvestigingsbeleid goed. Ik ben absolute voorstander van het kernversterkende beleid, zowel sociaal-economisch als maatschappelijk: sociaal-economisch, omdat net in die handelskernen duurzame werkgelegenheid wordt gecreëerd, en maatschappelijk, omdat handelskernen de sfeer en de aantrekkelijkheid van onze steden en gemeenten bepalen. Deze lokale winkels zorgen voor sociale contacten en sociale controle. Dit beleid moet wel passen in een globaal kader, we leven niet op een eiland. Maar het heeft geen zin om kernversterkend beleid te voeren zonder een beleid in de periferie. Anders dweilen we met de kraan open.

De lokale economie is dus erg gebaat met het kernversterkend beleid dat deze Vlaamse Regering gaat voeren. De uitdaging voor onze welvaart ligt in kwaliteit, creativiteit, innovatie en waardigheid van onze producten en handel. Laat Vlaanderen hier een voortrekkersrol spelen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Mevrouw Remen, ik heb u een zeer interessant betoog horen houden. Het is intussen gebruikelijk dat ministers van de Vlaamse Regering uit hun handtas plotseling allerlei documenten toveren, een sp.a-programma of zo. Ik heb geen handtas bij maar ik had zo’n programma kunnen bovenhalen want wat u zegt, hadden wij ook perfect kunnen zeggen. Maar ik vraag aan u, en misschien ook aan de heer De Ro, hoe u dit rijmt met Uplace.   

Mevrouw Grete Remen (N-VA)

Ik weet niet of ik daar hier nu al een uitspraak over ga doen. Ik laat het misschien over aan minister Muyters om hier een duidelijk antwoord op te geven. Ik denk dat dit nu niet echt ter zake doet, mijnheer Van Malderen.

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Mijnheer Van Malderen, het is heel logisch: die twee gaan samen. Waarom moeten jullie alles in de wereld tot een keuze van het een of het ander maken? Je kunt tegelijkertijd investeringen aantrekken en zorgen voor een klimaat waarin investeerders ook willen investeren om arbeidsplaatsen te creëren, en blijven inzetten op een kernversterkend winkelbeleid. Die twee zijn perfect te combineren. Probeer toch niet constant om er een of-ofverhaal van te maken. Wij moeten inzetten op alle mogelijke economische sectoren, op alle mogelijke investeringen om onze economie te versterken. Die twee zijn te combineren.

Het punt bij Uplace is dat een vorige regering een engagement is aangegaan en een afspraak heeft gemaakt. Wij houden ons daaraan. Waarom? Omdat wij niet het beeld willen creëren van een Vlaanderen dat voortdurend van richting verandert.     

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Ik denk dat u toch eens moet gaan praten met Karel Van Eetvelt, die vorige week echt een kreet heeft geslaakt en gezegd: “Alstublieft, doe Uplace niet.” Niemand is vragende partij. Praat met de burgemeesters van Vilvoorde, van Mechelen, van Leuven. Uplace valt niet te verenigen met kleinhandel. Als je Uplace bouwt, dan zuig je alle kleine lokale handel weg uit al die gemeenten.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Mevrouw Segers, toen de sociaal-economische vergunning werd gevraagd, was er geen protest van Leuven, van Vilvoorde. Er is geen enkel bezwaar geweest tegen de uitreiking van de sociaal-economische vergunning. Het is juist wat de heer Diependaele zegt. We spreken allemaal over rechtszekerheid en dan lijkt dit me een schitterend dossier.

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Mevrouw Segers, alle respect voor UNIZO, maar als de socialisten hun woord moeten gaan verkondigen, dan hebben ze een probleem. Als u het vraagt aan UNIZO, zullen zij u evengoed bevestigen dat ze niet voor een stop-and-gobeleid zijn, voor een overheid die constant de regels verandert en in andere richtingen stuurt. Zij zijn ook voor rechtszekerheid.

Zoals minister Muyters zegt, is er een kans geweest om te reageren op die sociaal-economische vergunning, en dat is niet gebeurd. We kunnen dus niet zomaar constant onze kar keren. Zo kun je niet verder en verlies je het vertrouwen van de investeerder en ga je achteruit in plaats van vooruit.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Inderdaad, mijnheer Diependaele, UNIZO heeft een probleem, en dat probleem heet Uplace. Dat roepen ze al heel lang. Ik kan enkel vaststellen dat we hier over een budget spreken dat afgelijnd is. Blijkbaar kun je maar een paar dingen tegelijk doen. Je kunt investeren in de mobiliteit op één plek. Minister, u pleit voor rechtszekerheid. Dezelfde rechtszekerheid geeft de Vlaamse Regering veel minder enthousiast als het gaat over de site in Vilvoorde, waar de lokale overheid ook op een beslissing wacht.

Mijnheer Van Malderen, de stelling van minister Muyters en de heer Diependaele is heel duidelijk. Ik heb eerder de indruk dat u niet wilt discussiëren over een lokaal versterkend beleid, en dat u dan maar een bliksemafleider zoekt.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

De heer Jo De Ro (Open Vld)

Ik wil niet ingaan op elke procedure waartegen we als stad in verzet zijn gegaan. Toch wil ik opmerken, net als vorige week, en na het lezen van een recente zeer interessante studie, dat het klopt wat de heer Diependaele zegt, namelijk dat de voorlaatste Vlaamse Regering een engagement is aangegaan. Elke fractie in het parlement vindt dat een overheid zekerheid moet bieden aan investeerders en burgers. Maar we vinden allemaal ook dat een overheid, als ze een definitieve beslissing moet nemen, wat de komende dagen en weken het geval is in het dossier, alle elementen moet meenemen, ook recente elementen.

Als die zouden aantonen, en ik ben geen specialist, maar ik lees wat ik lees, dat er toch grote vraagtekens zijn, vind ik dat een Vlaamse overheid die zichzelf respecteert, dat moet meenemen. Mijn vrees was dat het niet zou gebeuren als het niet publiek was. Het is nu publiek. Ik merk dat veel collega’s, in mijn partij en in andere partijen, in onze regio maar ook ver daarbuiten, de elementen in die studie heel aandachtig hebben bekeken. Dat is het enige dat ik vraag. Ik hoop dat alle elementen aandacht krijgen. Ik ben er ook wel zeker van dat men dat niet gaat negeren.

Uiteraard, mijnheer De Ro, worden alle elementen meegenomen. Dat is ook in het verleden gebeurd en er zijn beslissingen genomen. Als er vandaag opnieuw beslissingen worden genomen, zullen wij opnieuw rekening houden met de elementen die op tafel liggen. Daar mag u op rekenen.

De voorzitter

Mag ik een applaus vragen voor mevrouw Remen, die vandaag 48 jaar jong is geworden? (Applaus)

De heer Van Rompuy heeft het woord.

De ambitie van deze regering is om de werkzaamheidsgraad op te trekken naar 76 procent. Het voorbije jaar moesten we vaststellen dat de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen stagneerde, terwijl die in de rest van Europa licht vooruit ging. Er zijn dus wel degelijk hervormingen nodig.

Vooreerst moet er worden gewerkt aan de aanbodzijde van de arbeidsmarkt. Daartoe is een verlaging van de loonlasten essentieel. De federale overheid doet dat lineair; in Vlaanderen moeten we werken op de doelgroepen. Dankzij de zesde staatshervorming hebben we voor het eerst de kans om dat veel meer ‘tailor-made’ voor de Vlaamse arbeidsmarkt te doen. En wat we zelf doen, moeten we beter doen.

Een belangrijk element daarin is de hervorming van de doelgroepkortingen. Bij elke budgetneutrale hervorming heb je winnaars maar ook verliezers. Om te vermijden dat we evenveel verliezen als dat we winnen, is het sociaal overleg daarbij van essentieel belang en moeten we goede overgangen hebben van het ene naar het andere. Voor CD&V is bij die hervorming belangrijk dat er een goed evenwicht is tussen RSZ-kortingen en activering van uitkering.

Wij willen ook het systeem op een dynamische manier bekijken, waarbij we geloven dat een hervorming ertoe kan leiden dat ook voor groepen waarvoor nu bijna geen jobs worden gecreëerd, en ik denk in het bijzonder aan de laaggeschoolden en de 55-plussers, de jobmarkt weer aan de praat geraakt. Ook jongeren verdienen bijzondere aandacht in tijden van laagconjunctuur. We moeten sneller op de bal spelen. De eerste maanden zijn essentieel. We moeten ook voorkomen dat zij vast blijven zitten in precaire statuten. Tot slot moeten we de zogenaamde NEET-jongeren (Not in Employment, Education or Training) beter op de radar krijgen. Ook moeten we werken aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt. Er is het geleidelijk optrekken van de beschikbaarheid tot 65 jaar. Dankzij de zesde staathervorming is een betere sanctionering en controle mogelijk. Er is het element van de werkbaarheid van de jobs, dat we beter en nauwgezetter willen volgen dan we in het verleden hebben gedaan.

Naast het onderdeel Werk is er ook nog het onderdeel Innovatie. Belangrijk is dat voor het eerst Economie en Innovatie in één ministerportefeuille zitten. Het hoger onderwijs zit daar niet bij. Het zal u niet verbazen dat ik dat deze keer niet zo erg vind. De belangrijkste doelstelling is dat we het traject naar de 3 procent zo ver mogelijk afleggen. Daarbij is een evenwicht tussen gericht en niet-gericht onderzoek voor ons ook essentieel. Het zal niet eenvoudig zijn om die middelen ook telkens te alloceren aan projecten die voldoende waardevol zijn. Dat is nu al in veel gevallen een probleem.

Er is de belangrijke fusie van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) met het Agentschap Ondernemen en het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO). We zullen erover waken dat bij die fusiebeweging de onafhankelijkheid gegarandeerd blijft, en dat er een evenwicht is van belangen tussen de academische wereld en de industriële wereld in het bijzonder.

Tot slot, wat de financiering van de kmo’s betreft, denk ik dat het een Europese primeur zou zijn, mocht men een fiscale turbo kunnen zetten op de crowdfunding. Dat zouden we kunnen doen door de Winwinlening open te trekken. Dat zou een hart onder de riem zijn voor heel wat start-ups in Vlaanderen. (Applaus bij de meerderheid)

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Dames en heren van de regering, collega’s, minister, de heer Gryffroy heeft het eigenlijk daarnet al gezegd: u werkt in een bijzonder moeilijk kader. Volgens de heer Gryffroy is er ook niet meteen beterschap te verwachten. Wellicht haalt ook hij zijn inspiratie uit een aantal rapporten die we hebben gezien. De Nationale Bank zegt dat men de groeivooruitzichten zal moeten bijsturen. Europa zegt dat. Er is bijvoorbeeld ook Luc Sels, die vandaag zei dat er altijd wel wat tekenen van verbetering zijn, maar dat men die, mee ook door onzekerheid, opnieuw ziet wegdeemsteren. In welke mate die ommekeer in 2015 echt kan plaatshebben, aldus de heer Sels, zal in sterke mate afhangen van de mate waarin de economische motor opnieuw op kruissnelheid wordt getrokken.

Dan verwacht je van een regering, en ook van een vakminister, voluntarisme, een proactieve houding, stabiel leiderschap en vooral heel veel creativiteit om die motor op gang te trekken. Ik heb die creativiteit vooral ontdekt in de manier waarop men besparingen beschrijft: punctuele besparingen, structurele besparingen, het niet doorvoeren van de index. Daarin bent u zeer creatief geweest. De heer Van den Heuvel heeft ons ondertussen al een tijdje geleden verlaten. Hij zal wel terugkomen. In zijn betoog beschreef hij al die besparingen als besparingen op het apparaat. Hij stelt dat men daarmee de mensen niet raakt.

Minister, u bent minister van Werk. Besparen op de Vlaamse ondersteuningspremie (VOP), waarmee we mensen met een handicap aan de slag helpen, besparen op de premie 50+, dat is niet besparen op een apparaat. Minister-president, dat is mensen raken, mensen die trouwens in de privésector aan de slag zijn.

Mijnheer Van Malderen, u zegt dat we besparen, bijvoorbeeld op de Vlaamse ondersteuningspremie. Eerlijk gezegd, ofwel was u op dat moment niet aanwezig in de commissie, ofwel hebt u het verslag niet gelezen. In elk geval, het is heel duidelijk dat er niet op is bespaard. Het groeipad dat was uitgetekend, was niet nodig, omdat het aantal mensen die een Vlaamse ondersteuningspremie vroegen, niet het aantal was waarvoor we in een budget hadden voorzien. Dat betekent gewoon dat de nieuwe manier van werken budgettair een positief effect heeft. Er is immers sprake van een nieuwe manier van werken, die is goedgekeurd door de vorige Vlaamse Regering, waarvan uw partij deel uitmaakte. Dat betekent dat u akkoord ging met die nieuwe methode, die bijvoorbeeld voorziet in een evaluatie om de vijf jaar.

Het aantal VOP-premies dat wordt uitgekeerd, is gestegen en is blijven stijgen. Alleen is de hoeveelheid per uitkering minder, niet omdat we de regels hebben aangepast maar omdat er elk moment een evaluatie plaatsvindt. Als u hier nu zegt dat we daarop hebben bespaard, dan doet u de waarheid geweld aan.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik zal u bewijzen dat ik wel degelijk het verslag heb gelezen en ook aanwezig was in de commissie. U hebt het daar letterlijk gehad over een trager groeipad. Dat trager groeipad is een gevolg van de vertraagde instroom. U gaat aan de instroom de kraan wat meer toedraaien. U gaat dan evalueren of mensen die ondersteuning nog nodig hebben. Ik hoop dan maar dat die evaluatie ook gebeurt op basis van de afstand die deze mensen hebben tot de arbeidsmarkt en niet op basis van louter een budgettaire logica. Idem dito wat de 50-pluspremie betreft. Daar stellen we vast dat u aan de ene kant 3 miljoen euro wegneemt en dat u aan de andere kant ogenschijnlijk 6 miljoen toevoegt. We zien dat ook bij andere sectoren. Dat is natuurlijk ook weer interen op een groei die anders in dit systeem zou zitten omdat mensen langer in het systeem zouden blijven zitten.

In plaats van telkens uw uitgaven aan te passen op het moment dat u vaststelt dat de vraag afneemt bij maatregelen die ertoe leiden dat mensen wel aan de slag gaan, zou u ook die proactieve houding kunnen aannemen en ervoor zorgen dat meer mensen gebruikmaken van het systeem en dus meer mensen aan de slag gaan. Daar verschillen we blijkbaar van mening, minister.

Mijnheer Van Malderen, we verschillen hier niet van mening want er zijn meer mensen die de VOP-premie aanvragen dan vroeger. U verdraait hier de cijfers. Er zijn meer mensen die de premie hebben en het budget is niet verminderd. En u komt hier op het spreekgestoelte doen alsof ik een besparing heb gedaan. Dat is niet eerlijk en niet juist. Ik denk dat u hier gewoon populair wilt doen en zeggen dat ik bespaar op de zwakste groep. Op die groep is niet bespaard. Ik moet echter ook niet voorzien in middelen die niet moeten worden aangewend. Wij passen het decreet en de uitvoeringsbesluiten toe. Als wij zien dat de instroom afneemt, en niet omdat we zwaardere maatregelen nemen maar omdat er bijvoorbeeld een evaluatie van de VDAB is na vijf jaren om de afstand tot de arbeidsmarkt te bepalen, dan is het nogal duidelijk dat ik die budgetten niet in de begroting 2014 of 2015 ga inschrijven.

Mijnheer Van Malderen, als u mij citeert, dan moet u dat correct doen en in de volledige context. Ik heb inderdaad gezegd dat we moeilijk kunnen zeggen dat de economie vandaag goed draait en dat daar op korte termijn snel verbetering in zal komen. U begint dan over besparingen in verband met werk waarvan ik niet weet waar u ze vandaan haalt. Ik heb toen gezegd: “Echter, als de overheid kunnen we sturen, kunnen we een kader maken waardoor er niet alleen voor de ondernemingen maar ook voor de ondernemers een goed ondernemersklimaat is.” Bent u voor een goed ondernemersklimaat? Wilt u ondernemen met volle moed, met veel overtuiging en met een focus op de toekomst? Wilt u dat of wilt u dat niet? Want dat zijn de inkomsten van onze overheid.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Mijnheer Gryffroy, als u er gedurende vijf minuten in zou slagen om niet in karikaturen te denken, dan zou u al lang doorhebben dat dat zo is, maar dan ook wel voor alle ondernemers en dan bijvoorbeeld ook – en ik ben niet de eerste die deze bezorgdheid uit – voor werkgevers die op werkervaringsprojecten zitten. Vandaag kennen we op dat vlak een grote mate van onzekerheid. De heer Bothuyne heeft er daarnet nog naar verwezen. U wilt daar een nieuw kader maken, maar dat is er op vandaag niet. Wat elk van die initiatieven wel al heeft, is de deadline, namelijk dat hun projecten aflopen. Ik herhaal mijn vraag, minister, en ik hoop dat u daar positief op antwoordt. Bent u bereid om tot u een operationeel nieuw kader hebt waarvan we de datum op vandaag niet kennen, een overgangsperiode te respecteren zodat de continuïteit van de aanbieders, de knowhow en het personeel op hun plaats kunnen blijven? Dat is een heel concrete vraag.

Ik zal direct antwoorden, mijnheer Van Malderen. Ik heb het in de commissie al uitgelegd, ik heb de actuele vragen beantwoord. Ik heb gegarandeerd dat er geen gap zal zijn. Die beslissingen zijn ondertussen genomen en op de ministerraad besproken en alles. Volgens mij hebt u die documenten gekregen! Blijkbaar stroomt niet alles goed door, maar er is geen hapering in het systeem.

De voorzitter

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Mevrouw Sabine Vermeulen (N-VA)

Mijnheer Van Malderen, ik denk dat u een tijdje afwezig bent geweest, want we hebben in de commissie gepraat over WEP-plus. We hebben actuele vragen gesteld over WEP-plus. Er is een ministerieel besluit gekomen over WEP-plus. Er is heel veel sociaal overleg over geweest. Waar haalt u het vandaan dat het niet goed gaat met WEP-plus? Er zijn overgangsmaatregelen. De data zijn gecommuniceerd. Ik denk dat u ergens een tijdje met vakantie bent geweest.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Ik moet u teleurstellen. De heer Bothuyne heeft exact dezelfde vragen gesteld. Minister, daar moet toch meer aan de hand zijn. Wat er aan de hand is, is dat u zichzelf een datum hebt opgelegd. Het woord ‘operationeel’ is welbewust gekozen. U hebt een aantal besluiten genomen. Wat ik u vraag is: gaat u ervoor zorgen dat u die zekerheid kunt bieden tot de regeling is uitgewerkt?

Op de VDAB bespaart u eenmalig 195 miljoen euro, minister, u neemt ze uit de reserves. Er zijn hier ooit partijen geweest die geen eenmalige maatregelen wilden nemen. Dit kunt u slechts één keer doen. Hoe gaat u daar in de toekomst mee omgaan? Zal in de toekomst een bijkomende inspanning van 195 miljoen euro van de VDAB worden gevraagd?

Ik kan nog even doorgaan met al die grote en kleine maatregelen die worden getroffen en niet bijdragen aan het klimaat dat we zouden willen.

Zo zijn er de opleidingscheques. We hebben hier herhaaldelijk ons beklag gedaan over het feit dat er een te laag bereik is van de opleidingscheques naar laaggeschoolden. Maar is er één laaggeschoolde geholpen doordat u de toegankelijkheid van opleidingscheques voor hooggeschoolden reduceert, maar meteen ook het bedrag dat eraan hing, wegnam? Op al die punten kunt u volgens ons een ambitieuzer beleid voeren.

Ik zou het ook nog kunnen hebben over de 125 miljoen euro van de competitiviteitsprovisie die voor minstens twee jaar is opgeschoven. U verzaakt hier een Vlaams beleid te voeren.

Ik wil me focussen op het hoofdstuk over werk, namelijk op twee materiële fouten in de begroting. Eén is de stopzetting van de subsidies aan vzw De Link, die werkt met ervaringsdeskundigen in de armoede. Ik heb gemerkt dat bij de bespreking in de commissie van de beleidsnota en de begroting van minister Homans iedereen – alle partijen – zich positief uitsprak over die werking. Minister Homans bevestigde dat de vzw subsidiabel was en het waard was om er geld in te steken. Ik snap niet waarom u als minister van Werk dan beslist om de subsidiëring midden 2015 stop te zetten, wetende dat dit een zware impact zal hebben op de werking. We zullen een amendement ter zake indienen.

De vzw Dyzo werkt rond preventie en begeleiding van gefailleerden. Tien dagen geleden waren die mensen hier op bezoek op uitnodiging van de heer Bothuyne. Verschillende collega’s waren daarbij aanwezig. Ze waren dolenthousiast over de werking van die vzw, maar deze krijgt nu een verlaagde dotatie. Ze gaan van 700.000 naar 470.000 euro. Ik kan me alleen maar voorstellen dat dit een materiële vergissing is. Dat is niet erg. Fouten kan men rechtzetten. We gaan het amendement ter ondertekening aan de leden van de meerderheid voorleggen, zodat dit foutje kan worden rechtgezet.

Mijnheer Van Malderen, we begrijpen elkaar niet helemaal, maar misschien is dat logisch omdat we tot een verschillende partij behoren. In uw betoog van meer dan drie minuten heb ik u nooit de woorden ondernemer, ondernemingsklimaat of economie horen uitspreken. U spreekt alleen maar over werk. Gaat u akkoord met de uitdrukking: “Voor het eerst in decennia worden schotten tussen de beleidsdomeinen opgeheven.”? Als er geen schotten meer zijn, dan gaan werk, innovatie en economie hand in hand. Dat hoor ik u niet zeggen. U zegt niets over ondernemersklimaat. Ik hoor u niets zeggen over vertrouwen geven aan de ondernemer. Dat kan werk geven. Dus niet eerst werk, en dan kijken of de economie kan volgen. Dat noemen ze staatscommunisme.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Ik was twee minuten bezig en dan kwam u met een karikatuur.

De heer John Crombez (sp·a)

Het is van de Septemberverklaring geleden dat we het nog over de schotten hebben gehad. Mijnheer Gryffroy, u wilt discussiëren over werk en economie samen. Werk is een doelstelling, en terecht. Werkzaamheid is belangrijk. De overheid kan het verschil maken. Dat kan deels door de schotten weg te nemen. Een concreet punt is failissementspreventie. Als je dan toch de schotten wegneemt, zorg er dan voor dat je een actief beleid voert om het te helpen. We hebben naar aanleiding van de discussie over het tweedekansbeleid van ondernemers, dat veel positiever is en waar we in Vlaanderen een tekort aan hebben, gezegd dat er een werking bestaat en dat is failissementspreventie. Je moet de twee hebben: je moet de schotten wegnemen en ook een tweedekansbeleid voeren.

Als UNIZO een beroep moet doen op ons om te zeggen dat het weg is, dan is er iets aan de hand. Dit is ook zo’n voorbeeld. De overheid kan de economie maken. We hebben al verschillende instanties die het verschil kunnen maken. Maar dan tref je maatregelen die het vertrouwen en de consumptie verlagen. Zo staat het letterlijk in de herfstvoorspellingen van de Europese Commissie, zo letterlijk zegt de Nationale Bank hetzelfde. Vraag het aan de middenstand. Die snapt dat ook. De overheid kan het verschil maken in de economie en voor het ondernemerschap. Als wij dat vroeger zeiden, was dat bijna schelden. Als het zo is, waarom doen jullie het dan niet?

In deze beleidsnota staat heel duidelijk dat men de schotten moet wegnemen. Ik heb gezegd dat we voor ondernemers gaan in de startfase, in de groeifase en de stopfase. Hier wordt enkel de nadruk gelegd op het werkgedeelte en een aantal items uitgenomen. U spreekt over de bijeenkomst die we hebben gehad met de heer Bothuyne, maar u moet kijken naar wie het beste bevoegd is om iets te doen. Dan zie je dat er een overlapping is, dat er soms beter een samenwerking is tussen de verschillende diensten. Dan kun je het geld efficiënter benutten voor de diensten waarvoor het nodig is. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Als het gaat over de faillissementspreventie en de steun ervoor, laat ons dan alsjeblieft een beetje intellectueel eerlijk zijn. De pers is al lang weg, het is nu niet meer het moment om zwaar te scoren. De vzw Dyzo, waarvan sprake als het gaat over de 700.000 euro, is de resultante van een fusie tussen Efrem en Tussenstap. Er was een subsidie van 500.000 euro voor de beide samen. Er was 200.000 euro om de fusie te realiseren in 2014. Die is nu weggevallen. Blijkbaar zijn er ook gesprekken met het Agentschap Ondernemen en het kabinet aan de gang om na te gaan hoe dat werd opgevolgd.

Alsjeblieft, vertel het hele verhaal in plaats van constant de perceptie te scheppen dat we een aantal prioriteiten niet willen nakomen. Reken faillissementspreventie ook niet af op financiering van tussenstructuren. Graag een beetje eerlijkheid. (Applaus bij de N-VA en Open Vld)

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Wat ik intellectueel niet eerlijk vind, is dat men in tien dagen tijd enerzijds mensen ophemelt en anderzijds hier komt verdedigen dat er 270.000 euro subsidie wordt geschrapt. Maar geen enkel probleem, we kunnen dat rechtzetten, ik kan het amendement ondertekenen.

Ik zou het ook heel graag hebben over economie en ondernemen, als u me toelaat.

Ik denk dat onze collega heel duidelijk heeft gezegd wat de situatie was. De twee budgetten zijn bijeengevoegd en om de fusie te realiseren is daar nog 200.000 euro bovenop gedaan. Als u zegt dat er op tien dagen iets is veranderd aan die vzw, is dat niet correct. Zelfs de Inspectie Financiën heeft op het moment van de fusie gezegd dat ze ervan uitgingen dat er na de fusie en een eenmalig extra budget een besparing mogelijk zou kunnen zijn. De besparing is dat we van 500.000 naar 470.000 euro gaan en vanaf het begin werd gezegd dat die 200.000 euro eenmalig zou zijn. Het is niet correct dat u al die dingen niet vermeldt.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, als het uw ambitie zou zijn – blijkbaar quod non – om de werking op het gebied van faillissementsbegeleiding en -preventie in heel Vlaanderen uit te rollen, dan zou u deze maatregel niet nemen. We hebben allemaal gezien wat het bereik is vandaag. Als die ambitie op een correctere manier zou worden ingevuld, dan zouden we andere maatregelen nemen.

Waar het over gaat, is dat mensen creativiteit, proactiviteit en voluntarisme verwachten om niet alleen de crisis op korte termijn op te lossen maar ook om een aantal grote maatschappelijke uitdagingen, die zich voordoen ten aanzien van ondernemers en het ondernemerschap, te kunnen aangaan. Ik denk aan klimaatverandering, energieschaarste, grondstoffenschaarste, mobiliteit, vergrijzing en dergelijke meer. De oplossingen voor die middellangetermijnproblemen zijn eigenlijk ook bouwstenen om weg te geraken uit de crisis op korte termijn.

Meer dan ooit, minister, hebben we nood aan transitie, aan een visie en aan inspanningen. Wat zien we evenwel? Een regering die bespaart op Onderzoek en Ontwikkeling en die wat overblijft ook nog eens op een heel statische manier invult. Anderen hebben hier al gewezen op de halvering van de ecologiepremie, het TETRA-fonds, clusters die vraaggestuurd worden. Dan klopt de meerderheid zich op de borst dat men mogelijks 500 miljoen euro zal hebben. Ik zeg u: door de besparingen die u doorvoert, zal u die 500 miljoen euro nooit hebben. Dan krijgen we het beeld van een ezelskar die door u gemend wordt , terwijl u de ezel, namelijk de Vlaming en de Vlaamse ondernemer, met de zweep slaat, terwijl men hem aan een stok een wortel voorhoudt. De ezel, die een slim dier is, stopt op een gegeven moment. Ik ben zeker dat de Vlamingen minstens even intelligent zijn.

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Minister, Collega’s, zaterdag nog hoorde ik graaf Buysse een anekdote vertellen over een succesvol Brits bedrijf, gespecialiseerd in houten wc-brillen, dat in een periode van drie weken failliet ging. Tijdens het harde labeur had de zaakvoerder nooit opgemerkt dat kunststof in opmars was en dat de plastic wc-bril de wereld zou veroveren. Vandaag gaat het nog veel sneller. Of het nu booking.com, Uber, airbnb, flyer.be of de lending club is, met de regelmaat van de klok worden nieuwe vormen van ondernemerschap geïntroduceerd, doorgaans met een enorme impact op bestaande niches. Vaak gaat dit ook gepaard met een breed maatschappelijk debat over de aanpassingen in de wetgeving die ze vereisen, denk maar aan Uber. Nooit eerder moesten ondernemers en wetgeving zo wendbaar zijn.

Collega’s, om die wendbaarheid mogelijk te maken voor de ondernemers, zijn er hefbomen nodig. Dat gaat over fiscaliteit en lasten op arbeid. Die zitten op federaal niveau. Gelukkig zit daar nu een goede tendens. Maar ook op Vlaams niveau hebben we daar mogelijkheden toe. We denken aan de transformatie van starters en bestaande bedrijven, het op een laagdrempelige manier in contact brengen met kennis door hen te stimuleren om samen te werken maar ook door erover te waken – dat is ruimtelijke economie – dat ze op heel korte tijd de nodige ruimte vinden om zich te vestigen of om uit te breiden.

De uitdaging van de economie was nooit eerder zo groot. Daarom, beste minister, beperk u niet tot de succesverhalen, maar heb ook oog voor ondernemers in moeilijkheden. Daarmee wil ik niet zeggen dat u in hun plaats moet ondernemen, maar dat de knipperlichten snel gedetecteerd moeten worden en dat er moet geredeneerd worden dat de knipperlichten, waar mogelijk, ook moeten worden aangepakt. Woody Allen zei het zo: “If you’re not failing every now and again, it’s a sign you’re not doing anything very innovative.”

De heer John Crombez (sp·a)

Wat u daarstraks zei is waar, mijnheer Ronse, de camera’s draaien niet meer. Neem het ons niet kwalijk dat we dat punt zelfs dan nog maken. De faillissementspreventie, waar u op wijst, en dat tweedekansbeleid voor ondernemerschap, moeten we ernstig nemen. Dat is wat ik wilde zeggen, minister: de mensen die de voorbije jaren gewerkt hebben aan die faillissementspreventie zeggen dat het een kleine ramp is. U kunt wel zeggen dat dat het gevolg is van een fusie. Dat is 30 procent verlies. Ik vind het gewoon jammer omdat ik het ermee eens ben dat we er in Vlaanderen te weinig voor zorgen dat ondernemers die hebben gefaald, een deftige tweede kans krijgen. Preventie, vroegdetectie en het zorgen voor oplossingen voor een tweede kans, zullen we echt moeten aanpakken. Dan is het echt wel jammer als die mensen zelf zeggen dat het in deze tijden een kleine ramp is. Minister, dat zeggen ze zelf letterlijk. Laat ons dat dan alstublieft ook ernstig nemen.

Ik denk dat we elkaars bondgenoten zullen zijn op dat vlak. Faillissementspreventie is belangrijk, maar pin u alstublieft niet vast op dat concrete voorbeeld. Ik heb dat ook gezegd aan de mensen van Dyzo: die 200.000 schrappingen gaan, zoals de minister zei, over het feit dat je moeilijk een tweede jaar een continuering kunt doen van een subsidie die eenmalig gemaakt is voor een fusie. Dat staat niet in de weg dat het beleid mogelijk in de toekomst extra investeringen zal doen in faillissementspreventie. Dan spreek ik me er niet over uit of het naar deze of gene tussenstructuur zal gaan, maar dat is het verhaal. Laat ons alstublieft iets verder kijken dan dat ene punt en beoordeel ons op de acties die we gaan ondernemen in het kader van faillissementspreventie.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Collega, ik ben ruim bereid om dat debat aan te gaan. Ik ben het er trouwens mee eens dat structuren op zich geen doel zijn, maar dat het doel de preventie en de begeleiding moet zijn, ongeacht wie dat aanbiedt. Bent u het dan met mij eens dat vandaag, als je in die positie zit als bijna gefailleerde of als gefailleerde ondernemer, je daar eigenlijk bijna terecht moet en dat, als het ons menens is om een beleid dienaangaande uit te rollen van De Panne tot Maaseik, we daar dan meer middelen dan vandaag tegenover zullen moeten zetten?

De voorzitter

De heer Hofkens heeft het woord.

De heer Jan Hofkens (N-VA)

Voorzitter, minister, collega’s, mijnheer Gryffroy, sorry, maar ik ga het toch nog even over werk hebben. Ondernemers zijn zeer belangrijk en ik wil niet het pleidooi van de collega’s aan de overzijde houden, maar ondernemers zonder arbeidskrachten kunnen natuurlijk ook geen groei realiseren. Deze Vlaamse Regering en de minister van Werk hebben een belangrijke, ambitieuze doelstelling: 150.000 jobs helpen creëren deze legislatuur en de werkzaamheidsgraad optrekken tot 76 procent.

Daarbij is een eerste belangrijke gegeven de loonkostenhandicap waarmee onze ondernemers nog altijd worden geconfronteerd. Met het doelgroepenbeleid, minister, hebt u er toch een belangrijke taak en bevoegdheid bijgekregen. We kijken uit naar de uitwerking van het nieuwe systeem. Onze fractie dringt daarbij toch aan op een transparant, efficiënt en eenvoudig systeem van loonkostenverlaging. In het verleden zijn we al te veel het slachtoffer geweest van de typisch Vlaamse verkokering die het erg complex heeft gemaakt. We vragen een helder systeem en we kijken uit naar het resultaat van het sociaal overleg dat u ondertussen volop aan het voeren bent. Terwijl anderen op de straat liepen, hebt u in alle discretie en sereniteit uw rol vervuld om tot een akkoord te komen.

De jobs moeten ook worden ingevuld. Nog vorige week was er het signaal van de Federatie Voedingsindustrie (Fevia) die zei dat er in de voedingssector 8000 jobs niet ingevuld geraken. De VDAB heeft daar een heel belangrijke rol te spelen als regisseur op onze arbeidsmarkt. Er worden terecht zeer veel Vlaamse middelen ingezet om werkzoekenden te begeleiden naar jobs. Deze weg moet verder worden bewandeld. Ik heb begrepen dat dat, ondanks de budgettaire krapte, ook de bedoeling is en dat de VDAB zich daar volop op zal toeleggen.

Activering is niet het enige. Activering zonder motivering, zonder een streepje dwang zou ik bijna durven te zeggen, werkt niet. Daarom zijn we verheugd dat de gemeenschapsdienst een onderdeel zal worden van uw activeringsbeleid. Dat is een belangrijk element.

We rekenen er ten slotte op dat de nieuwe bevoegdheid inzake controle en sanctionering die Vlaanderen erbij heeft gekregen, zal resulteren in een verscherpte controle opdat niet alleen de rechten maar ook de plichten volop worden gewaarborgd. We zetten onze schouders mee onder dit activeringsbeleid. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez (sp·a)

Voorzitter, dit applaus is verdiend. (Gelach)

We hebben het al een paar keer moeten hebben over tegenvallende parameters. Mijnheer Hofkens, u verwees naar de loonkosthandicap. Vandaag raakte bekend dat die gezakt is naar 2,9 procent, een daling met bijna 1 procent. Dat is ook eens goed nieuws in de totaliteit van de activering. Dat betekent dat de discussie binnen het Competitiviteitspact over de 125 miljoen euro minder steun voor kmo’s bijzonder jammer is. Dat is ook de reden waarom we in het alternatief hebben gezegd dat die 125 miljoen euro steun voor kmo’s wel degelijk belangrijk is. Dat is nu gezakt. De omstandigheden zorgen er nog altijd voor dat kmo’s die zuurstof nodig hebben. Het valt dan ook heel erg te betreuren dat die 125 miljoen euro is gesneuveld. We krijgen nu goed nieuws. Het zal ook van de andere kant van de straat zijn dat de loonkloof met bijna 1 procent is gezakt.

Mijnheer Bothuyne, u vroeg of ik overleg zou plegen inzake het samenbrengen van de structuren. Natuurlijk zullen we overleggen, maar we moeten eerst de strategie bepalen en daarna de structuren eraan aanpassen.

Mevrouw Talpe, u uitte wat bezorgdheid over de 9 miljoen euro besparing op de uitbesteding. Ik ga er toch van uit dat het percentage uitbesteding blijft. U hebt gelijk dat het budget wat verlaagt. Wij hebben in het verleden bij de VDAB een besparing gedaan, en niet op de uitbesteding. Ondertussen is die uitbesteding zover geëvolueerd dat we daar ook de efficiëntiewinst kunnen boeken die maakt dat deze besparing niet in minder werk zou moeten worden vertaald.

De heer Vanbesien heeft mij verwittigd dat hij moest vertrekken. Hij zal het dan wel lezen in het verslag.

De voorzitter

Minister, u hoeft niet te antwoorden op leden die niet aanwezig zijn. Dat staat duidelijk in het reglement.

Absoluut, maar ik vind het zelf belangrijk omdat hij, zoals ook de heer Van Malderen, een aantal dingen naar voren heeft gebracht over duurzaamheid en ecologiesteun.

Wij moeten beseffen dat wij inzake ecologie en duurzaamheid in tien, vijftien jaar zijn geëvolueerd van iets wat ‘nice to have’ was naar iets wat nu niet ‘to have’ is. Voor iets wat niet ‘to have’ is, moet je geen subsidies geven. Dat is het verschil in visie. We moeten geen subsidies geven aan bedrijven die net de verplicht opgelegde norm halen. Daarom verminderen we nu de ecologiesteun. Ik zou eigenlijk verwachten dat de groenere partijen, of zij die zich daarvoor uitgeven, daar juist een applaus voor zouden geven.

Ik ben het eens met de heer Gryffroy, en niet met de heer Vanbesien, waar hij het heeft over het feit dat wij de drempels wegnemen. Maar ik zie bij Groen niet de groene of duurzame investeringen. Neen, ik wil niet in de plaats treden van bedrijven. Ik heb vertrouwen in bedrijven. En ja, ik wil die drempels wegnemen door hen te steunen bij het zetten naar de stap naar grote investeringen voor duurzaamheid en dergelijke meer. Maar je moet enkel bij die grote stappen drempels wegnemen, niet bij verplichte stappen.

Meerdere collega’s hebben het gehad over het doelgroepenbeleid. Ik probeer daar een goed evenwicht in te vinden. Maar laat ons het doelgroepenbeleid niet herleiden tot enkel de RSZ-korting. Een van de meest essentiële maatregelen die we kunnen nemen is bijvoorbeeld dat we laaggeschoolden ervaring laten opdoen in plaats van hen RSZ-kortingen te geven. Ik wil veeleer een totaalpakket bekijken in functie van alle doelgroepen, en het niet alleen hebben over fiscale korting.

Ja, mijnheer Van Malderen, de VDAB had voor 195 miljoen euro reserves opgebouwd. Het is goed dat je op een bepaald moment die reserves aanspreekt. Dat is beter dan extra geld te lenen of wat dan ook. Is dat een bijkomende inspanning voor de toekomst? Neen. Het is voor de Vlaamse Regering heel duidelijk dat dit een eenmalige besparing was.

Ik heb uitdrukkelijk gezegd dat we het systeem van de opleidingscheques zoals het vandaag bestaat, behouden. In dat systeem worden de opleidingscheques gegeven op basis van de lijst van betaald educatief verlof en op basis van de loopbaan die iemand heeft voor laag- en middengeschoolden. Ik wil dat systeem vereenvoudigen en verbeteren, juist omdat ik wil dat die groep nog meer opleidingen zou volgen in de toekomst. Zo staat het ook in de beleidsnota.

Ik hoor hier veel spreken over structuren. De structuur moet dit en de structuur moet dat. Ik moet eerlijk zeggen dat ik ervan houd dat de ondersteuning komt bij diegenen voor wie hij bedoeld is, en niet bij structuren die daartussen zitten. Dat mag als het bedrijf of de kmo of diegene die faling heeft, daar zelf voor kiest. Maar laat ons toch stoppen met vooral structuren te financieren. Wij moeten de steun laten toekomen bij wie daar nood aan heeft.

Mijnheer Ronse, wees maar gerust, ik ben het ermee eens dat je kunt leren uit falingen. Ik zeg dat in elke toespraak die ik geef. Onze cultuur gaat daar niet op de beste manier mee om. Wij moeten beseffen dat iemand die iets probeert, ook kan mislukken. Alleen wie niets probeert, mislukt dan zogezegd niet. Maar ik vind het op zich ook een mislukking als je niets probeert.

Mijnheer Hofkens, ik heb de doelgroepen al ter sprake gebracht. Het klopt dat de VDAB met betrekking tot de invulling van vacatures een belangrijke rol moet vervullen. Ik ben er fier op dat we vijf jaar geleden al zijn begonnen met niet langer alleen naar diploma’s en naar curricula te kijken. We kijken naar wat iemand voor een bepaalde job moet kennen en kunnen. Dit moet langs twee kanten gebeuren. De werkgever moet kijken welke kennis en kunde hij voor een job nodig heeft. We moeten ook kijken naar de kennis en de kunde van de werkzoekende. Zo kunnen we matching beter laten verlopen.

Met Competent hebben de VDAB en de sociale partners in het verleden een origineel systeem opgezet, dat momenteel internationaal wordt aangekocht. Dat bewijst dat het succes heeft.

Ik wil de controle en de gemeenschapsdienst positief en niet sanctionerend inzetten. Het moet gaan om stappen om mensen nog beter te activeren. Dat is mijn bedoeling. Ik wil in de toekomst op die manier blijven werken. (Applaus bij de N-VA)

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, met betrekking tot de werkervaring wil ik onze vraag nog eens heel rustig herhalen. In uw brief van 10 december 2014 hebt u de deadline op 31 september 2015 vastgelegd. U wilt dit inkantelen en in twee fases werken. Tussentijds zal een evaluatie volgen. We hebben echter gemerkt dat dergelijke maatregelen nogal wat opstarttijd nodig hebben. We prefereren dan ook een open deadline boven een absolute deadline. Op het ogenblik dat alles operationeel is, zou dan de garantie aflopen. Een timing met een vaste datum houdt volgens ons risico’s in.

Ik heb het voorbeeld van de ecologiepremie heel bewust gekozen. Ik heb in het verleden ook uw voorganger, toenmalig minister Peeters, hierop aangesproken. We vonden het toen niet kies dat bedrijven zouden worden gesubsidieerd om de norm te halen. We mogen er immers van uitgaan dat dit het vertrekpunt is en dat vervolgens verder wordt gestimuleerd.

We vinden het dan ook een gemiste kans dat u de middelen niet wil herschikken om de transitie te versterken en te versnellen voor diegenen die ervoor kiezen verder dan de norm te gaan. Ze organiseren dan in feite zelf hun gold plating. Wij zouden dat ondersteunen. Volgens u kan daar worden geschrapt. Ik vind dat een gemiste kans in deze noodzakelijke transitie.

Mijnheer Van Malderen, wat uw eerste punt betreft, vind ik dat we wel een deadline moeten invoeren. Die deadline is al drie jaar verschoven. Op een bepaald ogenblik moeten we keuzes maken en definitief beslissen dat iets stopt en dat iets nieuws begint.

Wat de ecologiepremie betreft, weet u ongetwijfeld dat er normen zijn met betrekking tot hoeveel bij ecologische investeringen al dan niet wordt bijgedragen. Volgens mij ligt de investeringssteun percentueel hoog genoeg om bedrijven die stap te laten zetten.

De voorzitter

Sociale Economie

Dames en heren, we beginnen nu aan het onderdeel Sociale Economie.

Mevrouw Claes heeft het woord.

Mevrouw Sonja Claes (CD&V)

Voorzitter, tijdens het vorige debat hebben verschillende sprekers verklaard dat ze tevreden zijn met de verdwijning van de schotten tussen economie, werk en innovatie. We hadden de schotten tussen werk, economie en sociale economie ook graag zien verdwijnen. We hadden graag gezien dat slechts een minister voor al deze thema’s bevoegd zou zijn.

Minister, u bent nu binnen dit pakket exclusief bevoegd voor de sociale economie. We gaan ervan uit dat u aan minister Muyters een goede compagnon de route hebt om een thema als economie en de afstand tot de arbeidsmarkt van sommige mensen samen gestalte te geven.

Voor CD&V is de sociale economie een onderdeel van de economie. Het is de economie van de mensen die een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Voor sommigen vormt een job in de sociale economie een finaliteitstewerkstelling. Anderen kunnen met ondersteuning in het normale economische circuit terecht. Nog anderen kunnen op termijn zonder ondersteuning in het normale economische circuit terecht. Dit onderscheid toont duidelijk aan dat maatwerk voor de mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt belangrijk is.

Nu, wij hebben in de vorige legislatuur een naam gegeven aan het maatwerk in de sociale economie, namelijk het Maatwerkdecreet en het decreet Lokale Diensteneconomie. Wij staan vandaag aan de vooravond van de goedkeuring van die uitvoeringsbesluiten. Minister, ik zou u willen vragen om met de sector, de koepels, verder overleg te hebben over die uitvoeringsbesluiten. Voor mij moet dat niet vóór de goedkeuring van het besluit, maar het is wel belangrijk dat de koepels van de sociale werkplaatsen, van de beschutte werkplaatsen mee zijn in die hervorming en ook hun steun geven, zodat de bedrijven op het terrein die uitvoering kunnen realiseren.

We weten dat er twee jaar overgangstijd is gepland en dat er voldoende bijstelling kan gebeuren. We rekenen er ook op dat door evaluaties die bijstelling kan gebeuren, zodat er geen bedrijven zijn die echt moeilijkheden zullen ondervinden met de invoering van dat Maatwerkdecreet of het decreet Lokale Diensteneconomie.

Minister, wij zouden ook durven te pleiten voor een groeipad. We weten dat er tienduizend wachtenden zijn voor de sector. We weten ook dat in het Maatwerkdecreet bedrijven in het normaal economisch circuit de mogelijkheid hebben om vijf doelgroepwerknemers een collectief aanbod te doen.

Een herverdeling van de ingevulde contingenten zou een klein beetje soelaas kunnen brengen, maar wij hopen alleszins dat, mochten er VIA-middelen komen, die ook kunnen worden ingeschakeld in de sociale economie.

Minister, ten slotte hebt u tijdens de besprekingen in de commissie verschillende malen aangegeven dat er in 2017 3 miljoen euro middelen veil zullen zijn voor de bijstellingen binnen het Maatwerkdecreet. Wij gaan er dan ook van uit dat dat op die manier zal worden gerealiseerd. Belofte maakt schuld.

De voorzitter

De heer Beenders heeft het woord.

De heer Rob Beenders (sp·a)

Collega’s, minister, nog steeds vinden helaas heel wat werkzoekenden de weg naar een duurzame tewerkstelling niet. Nochtans is het hebben van een job een van de hefbomen om mee te tellen in deze samenleving. Wie vandaag geen werk heeft, telt helaas niet mee. Voor al die mensen, vaak personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt door een arbeidsbeperking of sociale problematiek, is een tewerkstelling in de sociale economie het enige alternatief.

De voorbije legislatuur is onder impuls van voormalig minister Van den Bossche een grondige hervorming ingezet van het brede landschap van de sociale economie. U hebt in de commissie reeds aangegeven  dat u de hervormingen verder zult uitrollen. Wij zullen u daarin uiteraard steunen. U hebt ook gezegd dat u dat zult evalueren en bijsturen waar nodig. Wij blijven echter bezorgd. We vragen u om dat eerst te implementeren en vervolgens een evaluatie te doen wanneer dat zinvol is, en vooral niet te snel.

Wij hopen ook en dringen erop aan dat de Vlaamse Regering snel werk maakt van de goedkeuring van de uitvoeringsbesluiten, zoals u reeds hebt aangekondigd in de commissie. De sector wacht en ze wacht al even. De ondernemingen weten nog niet wat er in 2015 op hen zal afkomen. Er zijn ongeveer 20.000 werknemers in de sociale economie. Zij hebben recht op duidelijkheid. Zorgt u daarom alstublieft dat u overleg pleegt met de betrokkenen en dat de uitvoeringsbesluiten gedragen zijn.

We hebben de voorbije maanden helaas meermaals in dit parlement moeten vaststellen dat een gebrek aan overleg leidt tot onrust en ontevredenheid. Minister, u kunt dit vermijden door binnen de sociale economie rond de tafel te gaan zitten met de vertegenwoordigers van de sector.

De voorzitter

Minister Homans heeft het woord.

Mijnheer Beenders, ik denk dat wij in de commissie Sociale Economie een zeer constructief debat hebben gevoerd. U hebt daar zeker heel veel toe bijgedragen, waarvoor mijn dank. Dat meen ik echt.

Maar er moet mij iets van het hart. U pleit ervoor dat ik nog meer overleg zou plegen met de sector. Ben ik tegen overleg? Neen. U hebt ook gerefereerd aan mijn voorgangster, minister Van den Bossche, die hemel en aarde heeft bewogen om alle instellingen en instanties op dezelfde lijn te krijgen. Het is haar echter niet gelukt. Neem ik het haar kwalijk? Neen, absoluut niet, want ik denk dat het een moeilijke opdracht is.

Ik vind het wat kort door de bocht dat u er hier nu voor pleit dat ik meer overleg moet hebben. Wil ik dat doen? Ja, absoluut, maar ik wil vooral snel werk maken van wat u vraagt. De goedkeuring van de uitvoeringsbesluiten is inderdaad belangrijk en ook de implementatie van het Maatwerkdecreet op zich. Ik heb in de commissie al gezegd dat het mijn volstrekte hoop is om dat op 1 april 2015 ingang te doen vinden.

Dus, mijnheer Beenders, ik wil heel graag in overleg gaan, maar ik denk dat nu het ogenblik is om bepaalde knopen door te hakken en beslissingen te nemen. Ik denk dat dit goed is voor de sector.

De voorzitter

De heer Beenders heeft het woord

De heer Rob Beenders (sp·a)

Ik kan alleen maar vaststellen dat de sector op dit moment ongerust is en ons contacteert. Deze mensen wachten op een uitnodiging, ze zeggen dat ze overleg gevraagd hebben, maar dat ze, als ze overleg krijgen, na een kwartier buiten zijn, en dan lijkt het of er niet geluisterd werd. Die sector vraagt ons dus een luisterend oor en het is onze taak om hem hier te vertegenwoordigen en u dat te vragen.

De voorzitter

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Mevrouw Sabine Vermeulen (N-VA)

Mijnheer Beenders, in de commissie hebt u gezegd dat u een goede bondgenoot zult worden wat sociale economie betreft, als u beseft dat de minister het goed zal voorhebben met de sociale economie. De minister heeft het goed voor met de sociale economie, want ik hoor ook andere geruchten van het sociaal overleg. Ik heb ook gesproken met mensen van het sociaal overleg die naar de kabinetten komen en gesprekken hebben met de adviseur. Ze zijn misschien wel ongerust wat de uitvoeringsbesluiten betreft, maar niet wat de tekst betreft. Ze willen gewoon dat er gestart wordt: daar gaat het over.

De heer Rob Beenders (sp·a)

Ik stel voor dat ik verder nog iets zal vertellen over de manier waarop, over het beleid en over de beleidsnota, en we zullen over vier tot vijf jaar afspreken om samen te bepalen of het beleid goed was. Het zal u dus alleszins niet verbazen dat onze fractie de sociale economie een heel warm hart toedraagt. Toch zijn we enigszins bezorgd om een aantal tonen en keuzes in uw beleidsnota, in de eerste plaats de doorgedreven focus op doorstroming van werknemers in de sociale economie. U hebt inderdaad meermaals gezegd dat het geen heksenjacht zal worden en dat er in de sociale economie plaats moet zijn voor mensen die niet kunnen doorstromen. Voor ons is doorstroming uiteraard geen taboe, de keuzes en de decreten maatwerk en lokale diensteneconomie die vorige legislatuur werden goedgekeurd zijn duidelijk: doorstromen voor wie kan, maar geen finaliteit. Dat is voor ons de essentie.

Tussen de lijnen door lees ik in uw beleidsnota echter een ander verhaal. U zegt bijvoorbeeld “collectieve plaatsen zijn schaars, dus ik zet in op doorstroom naar een reguliere job”. Iets verder zegt u “het groeipad bij voorkeur inzetten op de meest doorstroomstimulerende maatregelen”. Onze zorg is niet dat er niet doorgestroomd wordt. Onze zorg is ook niet dat er een heksenjacht komt op de zittende, zwakke werknemers. Daar willen we u graag in geloven, minister, want doorstroom is niet evident. Doorstroom kan pas als er voldoende vacatures en jobs worden gecreëerd voor doorstromers in de reguliere bedrijven. Onze zorg is wel de overdreven focus op doorstroom, zodat die een direct verdringingseffect zal hebben op de instroom van de zwaksten op de arbeidsmarkt.

De voorzitter

Mijnheer Beenders, laat minister Homans nu eindelijk aan het woord.

Minister, voor de duidelijkheid wijs ik erop dat er een camera achter u staat. U moet niet telkens uw papier omhoog steken om het woord te vragen, want ik word daar zenuwachtig van.

Minister Homans heeft het woord.

Mijnheer Beenders, in alle eerlijkheid, het was een zeer constructief debat in de commissie, en ik denk dat ik ook heel duidelijk heb gezegd dat ik niet absoluut alleen wil inzetten op doorstroming, maar dat ik dat ook een belangrijk element vind. Ik heb tot vervelens toe herhaald dat er altijd een segment zal zijn van mensen in de sociale economie, in beschutte werkplaatsen of welke tewerkstelling dan ook, die we moeten kunnen blijven helpen in die sector. Ik vind het een klein beetje kort door de bocht dat u nu op het spreekgestoelte zegt dat ik een absolute voorstander ben van en absoluut alleen maar wil pleiten voor doorstroming. Neen, ik doe dat niet, maar ik vind het ook wel belangrijk omdat bepaalde mensen dat echt wel kunnen. Ik vind dat ook een verbetering van het individu op zich.

Is dat kwalijk? Neen. Maar voor alle duidelijkheid, mijnheer Beenders, en ik denk dat ik met u nog heel veel constructieve debatten kan voeren in de toekomst, ik ben daar absoluut van overtuigd, maar een klein beetje intellectuele eerlijkheid mag. Is doorstroming in de sociale economie belangrijk? Ja. Is dat een dogma voor mij? Neen.

De heer Rob Beenders (sp·a)

Ik denk dat de bezorgdheid enigszins terecht is omdat er nog geen perspectief op groeipad is. Mocht er een perspectief op groeipad zijn in deze legislatuur, stoppen wij met de discussie over doorstroom. De dag dat u ons presenteert dat er in 2015, 2016, 2017 een groeipad komt, dan hebt u helemaal gelijk. Maar zolang u ons niet kan overtuigen met een groeipad en u toch een doorgedreven focus op doorstroom hebt, zal ik overal waar ik kan, mijn bezorgdheid blijven uiten.

Ik  had eigenlijk willen applaudisseren voor de uiteenzetting van collega Claes omdat ik ze zo goed vond. Zij gaf duidelijk aan dat er tienduizend wachtenden zijn. Dat betekent dat er een groeipad moet worden voorgesteld aan de sector. Als dat er vandaag niet is en als er zelfs een besparing is van 3 miljoen euro, kunt u zeggen dat ik u moet geloven.

Ik wil dat wel proberen, maar als ik het niet zwart op wit op papier zie, zal ik die bezorgdheid toch blijven uiten.

De voorzitter

De heer Wouters heeft het woord.

De heer Peter Wouters (N-VA)

Mijnheer Beenders, er zijn verschillende soorten sociale economieën. En er zijn ook plaatsen genoeg. In de sociale economie in een grootstad worden veel jobs niet ingevuld doordat er geen doorstroom klaar staat. Je moet daar de zaak gewoon omdraaien, en dan is een groot stuk van het probleem opgelost.

Mijnheer Beenders, het debat over de 3 miljoen euro hebben we al verschillende keren gevoerd. Die 3 miljoen euro hebben wij bevroren, om ze in 2017, als het Maatwerkdecreet op kruissnelheid is, te kunnen inzetten. U herhaalt elke keer dat wij 3 miljoen euro besparen op sociale economie, wat niet zo is. Op tewerkstelling in de sociale economie besparen wij welgeteld nul komma nul euro. Ik hoop dat u de intellectuele eerlijkheid hebt om dat toe te geven.

De heer Rob Beenders (sp·a)

Dat klopt. Ik had echter gehoopt dat de 3 miljoen euro bevroren was in de begroting, maar ze is verdwenen. Wij hebben dan een amendement ingediend. Ik moet u op uw woord geloven dat dat die 3 miljoen euro is. Maar in de toelichtingsnota bij de begroting staat nog eens dat er 2,8 miljoen euro bespaard wordt op ondersteuning. Dat is niet de 3 miljoen euro die bevroren is voor maatwerk. Dan hebben we het in totaal over 6 miljoen euro. De 3 miljoen euro die structureel bespaard is op ondersteuning, is niet de 3 miljoen euro voor maatwerk. Anders is uw toelichtingsnota fout. Die discussie hebben we gevoerd. Dat staat zwart op wit op papier. U bespaart structureel 2,8 miljoen euro op ondersteuning. De 3 miljoen euro voor maatwerk is op dit moment verdwenen. Die staat ook niet bevroren in de begroting. Maar die zal terugkomen in 2017, hebt u gezegd. De structurele besparing waar ik het over heb, is dus 3 miljoen euro op ondersteuning, die zwart op wit in de begroting staat. En daar hebben we ook een amendement voor ingediend.

Het is jammer dat uw collega Muyters weg is, want hij is een cruciale factor is het beleid rond sociale economie. Het is cruciaal dat hij een aantal uitvoeringsbesluiten neemt, om ervoor te zorgen dat na de zesde staatshervorming en de regionalisering van het doelgroepenbeleid een aantal engagementen worden genomen door de minister van Werk, ook met betrekking tot het doorstroombeleid. Anders vrees ik dat sociale economie en doorstroming dode letter zullen blijven.

Tot slot wil ik u vragen hoe u uw ambities wilt waarmaken. Het is immers niet duidelijk hoe u de vooropgestelde ondersteuning van ondernemingen zult financieren. Dat gaat over de besparingen die gepland zijn in 2015. De investeringssubsidies worden effectief afgebouwd, er is geen budget op groei. Op het ondersteuningsaanbod wordt 3 miljoen euro bespaard, al zegt u dat het een blokkering tot 2017 of 2018 is, en dat het dan zal terugkomen. Het blijft alleszins onduidelijk. Eén ding is wel zeker: de minister zal de ondersteuning van ondernemingen in de sociale economie met 37 procent minder moeten organiseren. Hoe u dat zult doen, dat zullen we opvolgen in de commissie.

Er is tot slot één lichtpunt in uw beleid, minister, en dat meen ik echt uit de grond van mijn hart: u bespaart niet op de tewerkstelling van de zwaksten op onze arbeidsmarkt, oprechte en welgemeende dank daarvoor. We zullen dat ook blijven opvolgen. Wij menen dat er nog een groeipad moet komen, dat de 3 miljoen euro voor ondersteuning moet terugkomen in de begroting, én de 3 miljoen euro voor maatwerk, en dan hebt u in ons een bondgenoot. Zorg ervoor dat de tewerkstelling in de sociale economie toeneemt, want er worden elders al genoeg jobs bedreigd. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mijnheer Beenders, proficiat met uw eerste optreden in de plenaire vergadering. (Applaus)

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Mevrouw Sabine Vermeulen (N-VA)

Collega’s, 2015 en de volgende jaren worden zeer belangrijke jaren voor de sociale economie. De hervorming van het landschap van de sociale economie wordt nu daadwerkelijk ingezet. Vooral binnen het maatwerk wordt 2015 een kantelmoment. De eerste centrale doelstelling van maatwerk is werk en ondersteuning op maat aanbieden aan personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het beleid heeft dat ook zeer goed begrepen, want in het budget voor 2015 wordt in een stijging van 3 miljoen euro voorzien voor het maatwerk ten opzichte van het budget van 2014.

Voor alle duidelijkheid: het gaat niet over dezelfde 3 miljoen euro als waar de heer Beenders over sprak. Ik heb het over budgetstijging van 3 miljoen euro voor het maatwerk.

Deze toename van budget vermijdt dat er in de tewerkstelling wordt geschrapt en dat er geen besparingen worden uitgevoerd op de tewerkstelling van doelgroepmedewerkers. Dat heeft de heer Beenders ook zeer goed opgemerkt. Het is een zeer belangrijke uitgangspositie, waarvoor iedereen die begaan is met de sociale economie gelukkig kan zijn.

Het behoud van de tewerkstelling in de sociale economie is gezien de budgettaire en economische moeilijke tijden een absolute verdienste van de Vlaamse overheid. Werkzekerheid binnen de bestaande beschutte en sociale werkplaatsen wordt verder gegarandeerd in nieuwe maatwerkbedrijven en maatwerkafdelingen.

De tweede doelstelling binnen maatwerk is inzetten op het kwalitatief kader inzake doorstroom. Dit doet men enkel door de doorstromingsmogelijkheden te optimaliseren. Enkel als het kader duidelijk transparant en opvolgbaar is gemaakt, kunnen de financiële middelen optimaal worden ingezet. Het beleid zet dan ook ten volle in op een ingebouwd en verankerd doorstroomperspectief. Deze uitgangspositie zit juist en biedt mogelijkheden voor de toekomst, want doorstroom zorgt ervoor dat mensen verder kunnen groeien en bovendien dat er meer kansen worden gegeven aan hen die het echt nodig hebben en wachten op een plaats in de sociale economie. Laten we zeggen dat we dat een natuurlijk groeipad kunnen noemen.

Tot slot zal dit beleid – ik zeg het voor de honderdduizendste keer – aandacht blijven hebben voor de mensen die nooit op de reguliere arbeidsmarkt zullen terechtkomen en voor wie de Vlaamse overheid absoluut een verantwoordelijkheid draagt. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Onderwijs en Vorming

We bespreken nu het onderdeel Onderwijs en Vorming.

De heer De Ro heeft het woord.

De heer Jo De Ro (Open Vld)

Voorzitter, minister, collega’s, de uitdagingen van het Vlaamse onderwijs zijn niet klein. Om de kwaliteit die onze leerkrachten en scholen nu al decennialang voor onze kinderen brengen, te vrijwaren, gaat niet alleen de Vlaamse minister van Onderwijs hard moeten werken maar ook dit parlement, de commissie, de koepels, de directies, de leerkrachten en iedereen die betrokken is bij het onderwijs.

Een eerste uitdaging is een heel duidelijke, zo duidelijk dat het voor vele mensen op het terrein de afgelopen jaren een wonder was dat de Vlaamse Regering dit niet veel sneller heeft zien aankomen en niet sneller heeft gereageerd: de capaciteit. Niet alleen is er een probleem in de grotere steden, maar ook in de kleine steden in de periferie van de grote steden.

Een tweede uitdaging is de grote ongelijkheid in de resultaten van het onderwijs. We kunnen onmogelijk blijven tolereren dat zo’n grote groep jonge mensen met veel vertraging het onderwijs doorloopt en, nog veel erger, dat zoveel jonge mensen het onderwijs verlaten zonder basisdiploma.

Een derde uitdaging is dat een school voldoende en goede leerkrachten moet hebben. Er is niet alleen het feit dat heel wat leerkrachten op een leeftijd komen dat ze binnenkort het onderwijs zullen verlaten, maar ook dat heel veel starters veel te snel en met veel te veel het onderwijs verlaten. Het ooit aangekondigde loopbaanpact moet er niet alleen komen, het had er eigenlijk al moeten zijn.

Gaat de nieuwe Vlaamse Regering werk maken van die uitdagingen en gaat ze dat met spoed doen? Dat is de vraag die de afgelopen week ook al uitgebreid in de commissie aan bod is gekomen.

Het voornemen van de minister om een masterplan scholenbouw op te stellen, prioritair in het eerste werkjaar, om de grootste capaciteitsnoden eerst aan te pakken en om in deze legislatuur vele extra miljoenen euro te investeren boven op wat regulier al gepland is, geeft voor Open Vld aan dat het de minister ernst is. Geld alleen is niet voldoende.

– Wilfried Vandaele, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op.

De heer Jo De Ro (Open Vld)

Er zijn nog heel wat terreinen waarop actie kan worden ondernomen, om positief te evolueren in capaciteit. In alle openheid werd een zeer volledige en grondige motie aangenomen in het parlement, nog niet zo lang geleden, waarin belangrijke zaken staan die weinig te maken hebben met het budget, maar wel een impact kunnen hebben op capaciteit. Ik geef enkele voorbeelden: leegstaand overheidspatrimonium screenen op mogelijk hergebruik of gebruik door onderwijs, aanmoedigen om schoolinfrastructuur die nog onderbenut is, meer te gebruiken voor onderwijs, onderzoeken of er een moratorium kan komen op de verkoop van onderwijsinfrastructuur indien er capaciteitsnoden zijn of verplichten dat bij verkoop de middelen opnieuw dienen voor scholenbouw. Dat zijn belangrijke elementen die we in het debat hebben ingebracht. Het zijn geen maatregelen die geld kosten, maar ze kunnen een wezenlijk verschil maken op het terrein.

Verder willen we de grote ongelijkheid in ons onderwijs stoppen en keren. Daarin is de rol van de leerkracht cruciaal. Ik ben blij dat de minister van bij de start heeft gezegd dat het niet iets is dat Brussel alleen moet doen, ze legt terecht een grote verantwoordelijkheid bij de pedagogische begeleidingsdiensten. We moeten onze leerkrachten beter ondersteunen, om beter te kunnen werken met zeer diverse klasgroepen en met nieuwe uitdagingen. Het protocol dat werd aangekondigd tussen de pedagogische begeleidingsdiensten en dat men belooft te realiseren, moet meer dan alleen een symbool zijn.

Ik doe ook een oproep, in het kader van de ondersteuning van gelijke kansen op het terrein, aan de minister om voor de flankerende onderwijsmiddelen snel duidelijkheid te creëren. We hebben de discussie gevoerd in de commissie. Dat hebt u beloofd. We moeten de gewone besparing doen, en niet degene die is doorgestuurd.

Minister, in verband met de loopbaan van de leerkracht, zei ik al in de commissie dat, als we op de vorige minister mogen afgaan, er nog enkel een klein duwtje nodig is. 90 procent van het werk is al gedaan. Georges Leekens had het niet beter kunnen zeggen. Wij weten echter beter, er is nog veel werk. Maar met de nodige kennis van wat er leeft en van wat noodzakelijk is en met veel luisterbereidheid voor het middenveld en de leerkrachten moet zo’n pact lukken.

Voor onze fractie is een begroting een belangrijk moment. De bespreking van de beleidsnota binnenkort is er nog zo een, symbolisch en inhoudelijk. Maar een minister mag centen hebben en een goede beleidsnota, als hij of zij geen focus kan leggen, geen prioriteiten ziet of ze uit het oog verliest, namelijk dat we het onderwijsbeleid niet moeten voeren voor de Wetstraat of de koepels, maar wel voor de kinderen, dan geraken we er niet. Minister, als u de focus legt op gelijke kansen voor kinderen, op toekomstperspectief en zuurstof voor onze leerkrachten, en de noodzakelijke investeringen en een frisse kijk op schoolinfrastructuur, dan zult u aan onze fractie een betrouwbare en enthousiaste bondgenoot hebben. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, collega’s, ik ga proberen in mijn vier minuten vijf platitudes, dooddoeners, clichés, mythes te ontkrachten. Platitude nummer één gaat al mee sinds de tijd van Pascal Smet: we besparen niet in maar boven de klas. Nee, minister, u bespaart én boven én in de klas. U bespaart op allerlei structuren die de samenwerking tussen de netten moesten bewerkstelligen: de consortia, de expertisenetwerken, de lokale overlegplatformen (LOP’s), de Samenwerkingsverbanden Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten (SNPB’s) en de regionale technologische centra (RTC’s). Die zijn allemaal netoverschrijdend en die schaft u af, of u halveert de budgetten zodat ze bijna dood zijn.

Maar u bespaart ook in de klas, op werkingsmiddelen, op omkadering. De besparingen bij de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s) voelt men op de werkvloer en in de klas. Dat geldt ook voor de pedagogische begeleidingsdiensten, met alle gevolgen van dien voor het M-decreet. Dat zal direct worden gevoeld in de klassen. De werkingsmiddelen voor de universiteiten zullen studenten en het onderwijzend personeel voelen. We besparen niet in maar boven de klas, dat is dus niet waar.

Platitude of cliché nummer twee: iedereen moet besparen, maar we ontzien de sociaal zwaksten. Minister, ook dat is niet waar. U treft de gelijke onderwijskansen via uw keuzes in deze begroting: het flankerende onderwijsbeleid, dat ervoor moest zorgen dat leerlingen worden begeleid voor huiswerk en dat spijbelgedrag moest tegengaan, de LOP’s, de projecten zoals de pIE.O-proefprojecten (project Innoveren en Excelleren in Onderwijs) om gelijke kansen te bevorderen, het omhooggaan van de maximumfactuur, de studentenvoorzieningen, het aanmoedigingsfonds. Dat zijn allemaal maatregelen die ook de sociaal zwakkeren treffen. Het is dus ook niet waar dat de allerzwaksten niet moeten besparen.

Platitude of cliché drie luidt: leerkrachten maken de school en we investeren in mensen. Minister, ook dat komt volgens mij te weinig tot uiting in uw begroting. U treft leerkrachten. Leerkrachten hebben op vijf jaar tijd moeten horen dat ze vijf jaar langer zullen moeten werken. Dat komt voor een deel door de terbeschikkingstelling (tbs). Dat is een maatregel die u niet hebt genomen. Daarbovenop gaat de Federale Regering echter nu ook de pensioenleeftijd verlengen. Het wordt veel voor de leerkrachten. Ze zien ook hun pensioen dalen. Ze zien dat er niets komt voor die broodnodige leerkrachtenondersteuning. Ze zien eveneens dat er wordt bespaard op de ondersteuning voor het M-decreet. Voor de leerkrachten komen er dus meer taken en wordt het moeilijker.

Mythe vier: we investeren prioritair in infrastructuur en wachtlijsten. Minister, dat was voor mij de grootste schok van deze begroting. U kiest er niet voor om in 2015 de budgetten te doen stijgen, en in vergelijking met 2014 daalt het budget voor infrastructuur nog, met maar liefst 31 miljoen euro. Er zijn dus minder middelen voor de wachtlijsten dan in 2014.

– Jan Peumans, voorzitter, treedt als voorzitter op.

Ten slotte is er platitude vijf: snoeien om te bloeien. Dat is er ook een die je heel veel hoort. Die hoorden we al in de voorbije legislatuur. Toen is men begonnen met 72 miljoen euro te besparen in het onderwijs. Men zei dat men tegen het einde van de legislatuur die besparingen ongedaan zou kunnen maken. We zijn geëindigd met 142 miljoen euro besparingen op het einde van de legislatuur. Niets bloeien op het einde van de vorige legislatuur. Wat doet men nu? Nog eens snoeien. Een tweede snoeironde komt eraan, van maar liefst 193 miljoen euro voor 2015. Dat zal de hele legislatuur zo zijn. Men maakt gewag van 800 miljoen euro besparen op het onderwijs in de komende legislatuur. Minister, ik weet dat er nog een besparingsronde aankomt, dus snoeien om te bloeien: ik zie dat ook niet. (Applaus bij Groen)

De voorzitter

Mevrouw Bonte heeft het woord.

Mevrouw Barbara Bonte (Vlaams Belang)

Minister, ook onze fractie heeft een aantal bedenkingen bij de onderwijsbegroting. Eerst en vooral zult u besparen op de werkingsmiddelen in het leerplichtonderwijs. Daar hebben we natuurlijk grote bedenkingen bij, want dat houdt natuurlijk een groot risico op kwaliteitsdaling in. En kwaliteit, minister, is toch wel van primordiaal belang voor ons onderwijs, zeker in de kenniseconomie die Vlaanderen toch is. Diverse studies hebben echter al bewezen dat de kwaliteit van ons onderwijs aan het dalen is. Wij vrezen dan ook dat de daling van de werkingsmiddelen een verdere negatieve impact zal hebben op de onderwijskwaliteit.

U verwacht ook heel wat van planlastvermindering en het verminderen van administratieve lasten. Wel, ik hoop dat dit geen aankondigingspolitiek is en dat u daar echt iets aan zult doen, want dit probleem sleept, zoals u weet, al jarenlang aan. Uit onderzoek blijkt immers dat veel leerkrachten vandaag vroeger willen stoppen met werken, terwijl ze eigenlijk toch veel liever langer zouden willen doorwerken.

U wilt ook de eindtermen evalueren, bijsturen en waar nodig ook reduceren. Nu, voor onze fractie mag dat wel heel ver gaan. Wij zijn trouwens steeds voorstander geweest van het simpelweg afschaffen van de eindtermen, omdat ze de vrijheid van onderwijs beknotten. Wat trouwens ook een heel groot probleem is met die eindtermen is de inhoud, die heel vaak vaag en niet steeds eenduidig interpreteerbaar is. De eindtermen leggen bovendien zeer sterk de nadruk op het kunnen in plaats van op het kennen. Een evaluatie, bijsturing en mogelijke reductie is een eerste goede aanzet, maar voor ons mag het dus nog veel verder gaan.

U spreekt ook, als ik het goed gelezen heb, niet meer over de ‘hervorming’ van het secundair onderwijs, maar wel over de ‘modernisering’. Dat is al een stap, alleszins in de woordkeuze. Alleen vrees ik dat het begrip ‘modernisering’ ongeveer op hetzelfde zal neerkomen. U weet ongetwijfeld dat onze fractie steeds een zeer koele minnaar is geweest van heel die aangekondigde hervorming. We staan niet alleen: acht op de tien leerkrachten en twee op de drie ouders steunen de hervorming niet. De meeste leerkrachten zien trouwens niet in waarom het onderwijs moet worden hervormd. Het masterplan, dat u wilt uitvoeren, verhelpt slecht in geringe mate de knelpunten die bekend zijn: de ongekwalificeerde uitstroom van leerlingen, de onderwaardering van het technisch en beroepsonderwijs en de vervroegde uitstroom van leerkrachten. Ik hoop dan ook dat u niet opnieuw jaren gaat verliezen met hervormingsdrang, maar dat u wel zult kiezen voor snelle en adequate maatregelen om de bekende knelpunten in het secundair onderwijs weg te werken.

Wat betreft de besparingen die u doorvoert in het hoger onderwijs, ben ik het grotendeels eens met de kritiek van de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie. Deze raad wijst erop dat dit Vlaanderen nog verder zal verwijderen van het Europese streefdoel om 2 procent van het bbp aan hoger onderwijs te besteden. Zij vervolledigen dat deze besparingen bovendien een weerslag zullen hebben op de uitgaven voor Onderzoek en Ontwikkeling en op het behalen van de 1 procentnorm voor O&O-overheidsbestedingen, aangezien aangenomen wordt dat een kwart van de universitaire werkingsuitkeringen zal worden besteed aan onderzoek en ontwikkeling.

Minister, in de onderwijsbegroting staan een aantal goede maatregelen, maar ik vrees dat de door u aangekondigde maatregelen de kwaliteit van het onderwijs helemaal niet ten goede zullen komen. Nochtans is onderwijs in een kenniseconomie als Vlaanderen waar menselijk kapitaal onze grote troef is, uitermate belangrijk voor onze toekomst en die van onze kinderen. Ik hoop dan ook dat u erover zult waken dat de kwaliteit van het onderwijs niet in het gedrang komt en dat u op tijd zult bijsturen waar dat nodig is. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Ik wil de 5 minuten die me zijn toegemeten als inleider van vijf N-VA-sprekers voor het thema onderwijs, beginnen met mijn respect te betuigen voor de 183 mensen die werkzaam zijn in het onderwijs en elke dag het beste van zichzelf geven. Misschien zijn een aantal onder hen net klaar met het verbeteren van proefwerken en volgen zij dit onderwijsdebat nog via livestream.

Het zijn die mensen die het op het terrein moeten waarmaken. Wij zijn ons er ten volle van bewust dat het in tijden van budgettaire schaarste belangrijk is om juiste keuzes te maken, ook in ons onderwijsbudget. Het systeem van de kaasschaaf kan men niet blijven toepassen. Dat is vandaag al vaker gezegd. Op een bepaald moment moet men keuzes maken. En minister, wij denken dat u de juiste keuzes hebt gemaakt.

Mevrouw Meuleman, wij hebben inderdaad niet gezegd dat besparingen alleen maar boven de klas en niet in de klas gebeuren. Wij hebben wel altijd gezegd dat de besparingen zoveel mogelijk buiten het klasgebeuren moeten gebeuren. De besparing in onderwijs moet hoofdzakelijk gebeuren in de tussen- en nevenstructuren. Ook dat is vaak pijnlijk. Die mensen verrichten geen zinloos werk, maar op een bepaald moment moeten er keuzes worden gemaakt. Het is belangrijk dat die mensen de juiste informatie krijgen en dat ze weten wat, waar en hoe.

Wat de financiering van het leerplichtenonderwijs betreft, is de N-VA-fractie tevreden dat er blijvend wordt vastgehouden aan de openendregeling. De N-VA begrijpt ook dat het verstandig verhogen van de maximumfactuur ademruimte voor de scholen moet creëren, al vinden we wel dat erover moet worden gewaakt dat deze extra middelen ook ten dienste van de leerlingen staan.

We stellen vast dat het basisonderwijs het meest wordt gespaard in deze begrotingsoefening. Dat is ook nodig omdat is bewezen dat investeren in de kleinsten op lange termijn meer opbrengt. Voor de N-VA is het dan ook niet meer dan normaal dat het basisonderwijs zoveel mogelijk buiten deze besparing blijft, onder meer door de niet-indexatie van de niet-gebonden loonwerkingskredieten te beperken tot 40 procent van de werkingsmiddelen.

Helaas stellen wij vast dat de besparing ook onvermijdelijk voelbaar zal zijn in de klas. Ook in het secundair onderwijs wordt 40,5 miljoen euro bespaard. Dat is een aanzienlijke som, maar er is meer. Op termijn zullen de rationalisering van de studierichtingen, het uitvoeren van planlastenverminderingen en een efficiëntere en meer slagkrachtige organisatie van het schoollandschap soelaas moeten brengen om op die manier zoveel mogelijk het onderwijsgebeuren te vrijwaren van de besparingen. Efficiënter met minder. We zijn dan ook heel tevreden met de sensibiliserende projecten over kostenbeheersing die in het secundair onderwijs worden ingezet.

Ook het hoger onderwijs ontsnapt niet aan de brede besparingsoefening die de Vlaamse Regering moet maken. Zo is er sprake van een vertraagde klik en zal er een besparing worden uitgevoerd op de werkingsenveloppe.

Het verhogen van het inschrijvingsgeld was bovendien geen gemakkelijke beslissing, maar wel beperkt en noodzakelijk. We hebben het er al over gehad, de cijfers werden reeds naar voren gebracht.

Deze legislatuur zullen we oplossingen moeten zoeken om de verregaande flexibilisering en de ermee gepaard gaande neveneffecten weg te werken. De N-VA fractie vindt tevens dat de huidige complexiteit van het leerkrediet moet worden herzien.

Wat de kwaliteitszorg hoger onderwijs betreft, staan we aan de vooravond van grondige wijzigingen. Zo zullen de instellingen op termijn meer autonoom instaan voor de kwaliteit van hun aanbod, uiteraard mits een goede monitoring, zoals tijdens de begrotingsbesprekingen werd aangegeven.

De N-VA fractie waardeert de subsidies aan het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO), want daar zijn nog heel wat bakens te verzetten.

Minister, er ligt deze legislatuur veel werk op de onderwijsplank. Mijn collega’s zullen straks dieper ingaan op een aantal aspecten. Ik geef u alvast mee dat wij, samen met u, vol vertrouwen en in dialoog, zoals u het stelt in de beleidsnota, willen meebouwen aan een stevig onderwijsbeleid. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Helsen (CD&V)

Voorzitter, ministers, dames en heren, we hebben de voorbije weken in dit parlement discussies gevoerd over de begroting 2015, maar we hebben ook allemaal mails ontvangen van geëngageerde mensen binnen het onderwijsveld die hun bekommernissen uitten over het budgettaire kader en de besparingen die er het gevolg van zijn. Het voordeel van dergelijke mailacties is dat je als parlementslid een extra reflectie maakt op het beleid van een minister en een regering. Een bijkomend voordeel is dat je reflecties van de collega’s kan lezen die minder vertrouwen hebben in de regering en die vooral verwijzen naar de vorige legislatuur, waarin de onderwijsbudgetten verhoogd konden worden. Het waren bescheiden stijgingen die er met de steun van CD&V gekomen zijn.

De budgettaire context is vandaag anders. We staan voor een besparingsoperatie en meer dan in tijden van luxe is het in tijden van besparing vooral van belang om de juiste keuzes te maken. Wij vinden dat de minister dit gedaan heeft.

Het onderwijsaandeel in de besparingen is de helft van het onderwijsaandeel in de volledige Vlaamse begroting. Deze Vlaamse Regering houdt in budgettair uitdagende tijden in het kleuter- en leerplichtonderwijs principieel vast aan de openendfinanciering. Voor het onderwijsniveau dat, zoals zijn naam het zegt, de basis vormt voor ons kwaliteitsvolle Vlaamse onderwijs betekent dit dat er daar in het huidige en het volgende schooljaar 900 extra kleuteronderwijzers en leraars aan de slag zullen zijn.

In het basisonderwijs is de ‘generieke besparing’ van 10 procent gemilderd tot 2,3 procent en is er, wat loonkosten betreft, geen inspanning gepland. Wij zijn ervan overtuigd dat in die onderwijsniveaus en -omgevingen waar qua loonkosten wel een inspanning is gepland – secundair onderwijs, deeltijds kunstonderwijs, volwassenenonderwijs, centra voor leerlingbegeleiding –, veel creativiteit en constructief overleg tussen overheid, representatieve vakorganisaties en onderwijsverstrekkers van het grootste belang zullen zijn.

Deze onderwijsbegroting houdt de keuze in om zo weinig mogelijk te besparen op de kern van ons onderwijs en meer op een aantal tussenstructuren en projecten. We weten dat ook dit voor de betrokken organisaties en personen die met veel inzet en grote motivatie het onderwijs mee vorm geven, geen evidentie is. Samen met andere collega’s uit de commissie Onderwijs hebben we ervoor gepleit om zo vlug als mogelijk duidelijkheid te creëren en met de betrokkenen overleg te voeren. De praktijk toont vandaag reeds aan dat de minister daarop in is gegaan of dat ze dit wellicht al van plan was.

De voorbije weken werd meermaals het verwijt geuit ten aanzien van de regering, de huidige meerderheid en de CD&V-fractie dat wij het gelijkekansenbeleid in het onderwijs stopzetten. Niets is minder waar. En het ultieme bewijs wordt daarvoor gevonden in de ambitie om te doen wat ons parlement tegen 2012 had gevraagd aan de Vlaamse Regering, namelijk om de doelmatige aanwending van de toegekende werkingsmiddelen te beoordelen en om daarbij onder meer uit te gaan van het voeren van een gelijkekansenbeleid, maar ook van een gelijke behandeling van elk kind met dezelfde noden.

Vandaag lopen die evaluaties, en in afwachting van de resultaten wordt in 2015 alleen de geplande verhoging van de bandbreedte on hold gesteld.

We kregen ook te horen dat de gemodelleerde verhoging van studie- en inschrijvingsgelden in het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en het hoger onderwijs en de vermindering van de beschikbare middelen voor de cofinanciering van projecten in het kader van het lokaal flankerend onderwijsbeleid, een aanslag zou zijn op de toegankelijkheid en de gelijke onderwijskansen.

Collega’s, ik zou willen vragen om de memorie van toelichting van het programmadecreet 2015 opnieuw te lezen, want daarin staat dat met betrekking tot het volwassenenonderwijs is gekozen om niet te raken aan de maatregelen die de meest kwetsbare groepen vrijwaren. Er wijzigt dus niets aan de specifieke maatregelen met betrekking tot bepaalde opleidingen en doelgroepen. We hebben vernomen dat de minister ondertussen een overleg heeft gehad met de Vormingsleergang voor Sociaal en Pedagogisch Werk (VSPW) en dat ze overweegt om de kwetsbare doelgroepen uit te breiden. Wij kunnen dit vanuit CD&V ten volle ondersteunen.

Tot slot wil ik opnieuw verwijzen naar de memorie van toelichting, waar met betrekking tot het deeltijds kunstonderwijs en het hoger onderwijs is terug te vinden dat het gelijkekansenbeleid ook in 2015 wordt voortgezet.

Niemand, ook CD&V niet, heeft er plezier in om te besparen. Voor ons is het van belang dat de kwaliteit van ons onderwijs hoog blijft, dat elke jongere en volwassene de kans moet krijgen om zijn talenten te ontplooien in krachtige en eigentijdse leeromgevingen. De toegankelijkheid en betaalbaarheid van ons onderwijs zijn voor ons cruciaal. We zijn ervan overtuigd dat de besparingen dit toch kunnen blijven waarborgen. Daarom, minister, hebt u onze volledige steun. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

Mevrouw Segers heeft het woord.

Ik ben verbaasd over de luchtige toon van de betogen van de heer Van Dijck en mevrouw Helsen. Jullie laten uitschijnen dat de besparingen in onderwijs allemaal best meevallen. Ze vallen echter niet mee.

Mevrouw Helsen, u verwees naar de CLB’s als een tussenstructuur. U suggereert ook dat die geen nut zou hebben. Wij hebben allemaal honderden mails gekregen van mensen van de CLB’s. Ze trekken heel hard aan de alarmbel. De CLB’s worden overspoeld, ze kreunen onder het gewicht dat steeds meer op hun schouders ligt door de toename aan zorgaanvragen, en de middelen zijn niet mee gegroeid. U gaat er bijzonder licht over door te zeggen dat dit een tussenstructuur is die we niet meer nodig hebben.

Mevrouw Kathleen Helsen (CD&V)

Mevrouw Segers, ik heb de indruk dat u niet goed hebt geluisterd. Ik heb zelf tien jaar gewerkt in de CLB-sector. Voor alle duidelijkheid, dit is geen tussenstructuur en dat heb ik ook niet op die manier vermeld, integendeel. Ik heb duidelijk gezegd dat ik ervan overtuigd ben dat in die onderwijsniveaus en -omgevingen, waar ook inzake loonkosten een inspanning is gepland, het constructief overleg met de verschillende onderwijsverstrekkers en partners van groot belang zal zijn. Dat overleg zal plaatsvinden, de gesprekken lopen. We hebben daar heel veel vertrouwen in en ik heb duidelijk gezegd dat de besparingen die moeten worden gerealiseerd voor niemand, ook niet voor de tussenstructuren en de projecten waarop wordt bespaard, vanzelfsprekend zijn. Daar zijn we ons heel goed van bewust.

Ik heb dat uitdrukkelijk op die manier vermeld en dat wil ik corrigeren. Ik ben ermee geëindigd dat we het absoluut niet plezierig vinden om te besparen. We hadden het ook liever anders gehad. We willen onze verantwoordelijkheid nemen en we proberen de juiste keuzes te maken. Op basis van de begroting die de minister heeft voorgelegd, vinden we dat ze de juiste keuzes heeft gemaakt om in 2015 te kunnen rekenen op een sterk onderwijs in Vlaanderen.

Voorzitter, ik ben begonnen met mijn respect te betuigen voor de 183.000 personeelsleden die vaak in niet al te evidente omstandigheden werken. Als ik dat in het breder perspectief bekijk, breder in tijd en in ruimte, dan zie ik heel veel onderwijsmensen, vroeger en nu, hier en elders, die soms met heel beperkte middelen hele bergen weten te verzetten. Daar heb ik mijn waardering voor uitgesproken.

Ik heb in mijn betoog ook heel duidelijk gesteld waar er wel bespaard wordt en ik ga daar niet licht overheen. De mantra’s, of hoe collega Meuleman ze ook noemt, van dit gebeurt niet of dat gebeurt niet: wij erkennen die zeer duidelijk. Maar ik ben duidelijk gestart met mijn respect te uiten voor de mensen die het op het terrein doen.

U betuigt respect. Ik denk dat eenieder in dit halfrond het grootste respect heeft voor wie dagelijks zorgt voor de opleiding van onze kinderen, maar respect betuigen, doe je in daden, niet in woorden. De keuze die gemaakt wordt, is wel degelijk besparen op onderwijs, besparen op de toekomst van onze kinderen. Dat is gewoon een fundamenteel foute keuze. Ik ben heel benieuwd naar het antwoord van de minister over hoe creatief ze zal omgaan met de enorme onrust die er binnen de CLB’s heerst. Het belangrijkste is dat we elk kind op zijn maat de juiste zorg blijven geven. Daar spelen de CLB’s een onmetelijk cruciale rol in.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Mevrouw Helsen, ik vind dat mevrouw Segers een punt heeft wat betreft de besparingen op de CLB’s. Die komen zeer hard aan. 10 procent is ontzettend veel als je weet dat ze werken met een gesloten enveloppe maar dat er telkens leerlingen bijkomen, ze extra taken bij krijgen door het decreet Bijzondere Jeugdzorg en dat ze door het M-decreet ook een extra takenlast krijgen. Het choqueerde me een beetje dat er in de commissie vrij licht over werd gegaan en werd gezegd dat ze nog wel wat besparingen kunnen realiseren in het vervoer naar het medisch toezicht en dergelijke. Ik denk dat ze het daarmee niet zullen redden. Ik begrijp hun verontwaardiging.

Ik wilde eigenlijk komen op wat zowel u als de heer Van Dijck heeft aangehaald, namelijk het feit dat men het basisonderwijs zo veel mogelijk tracht te ontzien en dat men op omkadering niet bespaart en op werkingsmiddelen niet zo veel, geen 10 maar slechts 3,5 procent. Mevrouw Helsen, het basisonderwijs kent jaren op rij een niet-volledige indexering. Bovenop die niet-volledige indexering van de werkingsmiddelen komt nog eens een besparing op die werkingsmiddelen. Het basisonderwijs moet zeer veel van die werkingsmiddelen gebruiken voor het afschuwelijk slechte onderhoud van hun vreselijke gebouwen. Het water komt hen aan de lippen. U mag nog wel zeggen dat ze niet zo hard worden getroffen, maar ze worden getroffen. De heer Crombez heeft daar een zinnetje voor: ‘een half pakske slaag’. Maar een half pakske slaag is voor het basisonderwijs absoluut te veel, mevrouw Helsen. Dat wilde ik toch nog een keer duidelijk stellen.

Mevrouw Kathleen Helsen (CD&V)

Wij delen zeer duidelijk de bekommernis die leeft bij de CLB’s en die niet van het jaar 2014 is, maar reeds veel langer leeft. Daar wordt nu uitvoering aan gegeven. Ik wil heel duidelijk stellen dat de CLB-sector al jaren vragende partij is om een audit te realiseren. Ze hebben jaren moeten wachten om die audit te krijgen. Waarom hebben zij die audit gedaan? Omdat ze in kaart wilden brengen wat hun taakbelasting is, waar ze het best voor worden ingezet in de toekomst en waar mogelijk niet. Ik ben blij dat eindelijk werk wordt gemaakt van die audit en dat die op een zo degelijk mogelijke manier wordt gerealiseerd. Het is belangrijk om heel duidelijke conclusies te trekken op basis van die audit en te bekijken of de CLB’s versterking nodig hebben in de toekomst of niet.

U wacht de audit niet af. Dat is het grote probleem. U neemt beslissingen, nog voor de audit is afgerond. De CLB’s moeten eerst door een grove besparingsronde en dan zult u kijken wat de evaluatie brengt.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

Voorzitter, minister, dames en heren, ik wil eerst en vooral mevrouw Gennez verontschuldigen omdat ze aanwezig moest zijn op de gemeenteraad in Mechelen. De heer Somers houdt haar daar bezig.

Ik vestig graag de aandacht op de begrotingskeuzes die de Vlaamse Regering op het vlak van onderwijs maakt. Het is noodzakelijk want de impact op de toekomst is gigantisch. Voor het eerst in de geschiedenis dalen de onderwijskredieten in Vlaanderen. Ondanks het feit dat onderwijs een openendfinanciering is en in de meerjarenraming 2014-2019 voor 2015 nog in een forse groei was voorzien, dalen de financiële middelen voor Onderwijs met 314 miljoen euro. Volgens de meerjarenraming, destijds ingediend door minister Muyters, zou in 2015 de onderwijsbegroting in beleidskredieten 11,170 miljard moeten bedragen. Volgens de onderwijsbegroting die vandaag voorligt, stellen we een afname vast van 68,341 miljoen ten opzichte van de begroting van 2014. Ik vind dat een vreemde keuze.

Ik citeer letterlijk uit uw beleidsnota: “Vlaanderen is erin geslaagd om de voorbije jaren het onderwijsbudget te doen stijgen. Dat is belangrijk voor de toekomst want de economische en sociale opbrengsten van het onderwijs zijn aanzienlijk. Een hogere scholingsgraad levert op termijn besparingen op, zowel op economisch vlak als in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Het biedt bovendien meer sociale cohesie, bevordert burgerschap en voorkomt criminaliteit. (…) De uitdaging voor het onderwijsbeleid bestaat er dan ook in om slim, strategisch en doelgericht de beschikbare middelen te investeren bij voorrang daar waar onderwijs gebeurt: in de klas en op school.”

Slim, strategisch en doelgericht investeren in onderwijs, voor de huidige Vlaamse Regering betekent dit het volgende: dit jaar 30 miljoen euro minder voor scholenbouw. De minister van Onderwijs zegt wel dat ze ieder jaar 50 miljoen euro extra in infrastructuur zal investeren. Wat zien we in de begroting? In totaal dit jaar een vermindering van 30 miljoen euro voor de toekomstige scholenbouw. Is dat slim, strategisch en doelgericht?

Alle lerenden, of eigenlijk de papa en mama van die lerenden, betalen het gelag. De maximumfactuur in het kleuter- en lager onderwijs stijgt en de regering mist de kans om een plafond te leggen op de schoolkosten in het secundair onderwijs, of toch minstens voor de eerste graad. Voor wie voortstudeert, stijgt het inschrijvingsgeld naar 890 euro. Wie via het volwassenenonderwijs de kans wil grijpen om alsnog een diploma te halen, betaalt daarvoor 30 procent meer. Dat is voor mij erg doelgericht grijpen naar de portemonnee van de studenten, maar het is blijkbaar de strategie van deze Vlaamse Regering. Dat lijkt me allerminst slim.

Ondanks de stijgende kosten krijgen lerenden minder waar voor hun geld. Door de besparingen op de CLB’s – 2 procent op personeel en 10 procent op werkingsmiddelen – staan meer dan 50 jobs op de helling. De pedagogische begeleiding zal dus flink wat minder worden. Ook de afschaffing van de expertisenetwerken die instaan voor de professionalisering van de leraar en de lerarenopleidingen en de afschaffing van de consortia die instaan voor kwaliteitsverbetering en professionalisering in het volwassenenonderwijs, verdwijnen. Ik vraag me af wat daar slim, strategisch en doordacht aan is.

Wat mij nog het meest verontrust: wat is er slim en strategisch doordacht aan het op de helling zetten van gelijkeonderwijskansen? Denkt u echt dat er iemand beter wordt van het vergroten van de kloof in ons onderwijs? U wilt evolueren naar een gelijke basistoelage, u ontkleurt de onderwijsmiddelen en u bespaart 30 procent op lokaal flankerend onderwijsbeleid. De lat hoger leggen en de kloof dichten, is nochtans een belangrijke beleidsaanbeveling aan ons land. Ook de OESO vindt dat. Door te desinvesteren in gelijkeonderwijskansen doet u net het tegenovergestelde.

Minister, gisteren was ik op een activiteit van Hart boven Hard in Kortrijk. Ze hadden er de langste dialoogtafel opgesteld en ik was in gesprek met een alleenstaande mama met twee kinderen die allebei scholier zijn in het secundair onderwijs. Ze vertelde me dat ze niet zag hoe ze haar kinderen kon laten voortstuderen aan de hogeschool of universiteit, dat het geld er niet voor was en dat haar kinderen wellicht na hun middelbare school zouden moeten gaan werken omdat het niet anders kon.

Een paar weken geleden hadden we hier nog een actualiteitsdebat over hoger onderwijs. Ik zei toen dat ik u niet begreep, dat ik uw keuzes niet begreep. Ik heb in die weken veel bijgeleerd, maar ik vrees dat ik u nog altijd niet begrijp. Er is geen alternatief, horen we tot in den treure. Maar dat is er wel. U kunt de keuze maken om niet te besparen op onderwijs, om niet te besparen op kinderen en jongeren. Maar u kiest ervoor om dat wel te doen. Ik kan dat niet begrijpen. Daarvoor is geen excuus mogelijk. Uiteraard zullen er gezinnen met studerende kinderen zijn die de hogere facturen in het hoger onderwijs zullen kunnen betalen. Uiteraard zijn er zulke gezinnen. Elke jongere die niet kan studeren, is er één te veel. Al zijn het enkel maar die twee kinderen van de mama die ik gisteren ontmoette, dan zijn het er nog altijd twee te veel. Ik had verwacht dat u dat ook zou vinden, en daarom begrijp ik uw keuzes nog altijd niet.

Gisteren zag ik u in gesprek met een jonge leerlinge voor het jeugdjournaal van Ketnet. U zei toen dat u het ook niet zo leuk vindt om te besparen, want dat onderwijs toch wel heel belangrijk is. Ik zal u daarop niet tegenspreken, minister. Onderwijs is vanzelfsprekend ontzettend belangrijk, al is het maar omdat elke euro die we in onderwijs investeren ons later 4 euro oplevert. Besparen op onderwijs is nefast. Universiteiten en hogescholen doen wat ze kunnen om alle jongeren – zonder onderscheid – kansen te geven en ze uit de wind te houden, maar door uw eenzijdige besparingsbeleid hebben ze geen andere keuze. Zij hebben inderdaad geen andere keuze. Zij hebben een excuus. Ze worden aan hun lot overgelaten.

Hogescholen zeggen ondertussen: “Als er op ons bespaard wordt, moeten we aan kwaliteit inboeten of de deuren dichtdoen voor sommige studenten. En als jongeren bij ons niet terechtkunnen, stevenen ze af op de werkloosheid.” Elk talent dat we mislopen, heeft gevolgen voor de groei van onze samenleving.

Mensen zijn ongerust. De voorbije weken ontplofte mijn mailbox bijna van de honderden mails die ik uit de onderwijssector mocht ontvangen. Mails van ongeruste leerkrachten, van ongeruste directeurs, van ongeruste studenten die vrezen dat de brede toegang tot het hoger onderwijs er binnenkort niet meer is, dat studeren duurder wordt. Niet alleen omdat het inschrijvingsgeld voor de grootste groep studenten fors stijgt, maar eigenlijk ook voor iedereen die geen modeltraject volgt. Als argument haalt u aan dat u studenten wilt stimuleren om een voltijds pakket aan studiepunten op te nemen, maar er zijn nu eenmaal studenten die dat niet kunnen. Werkstudenten bijvoorbeeld, of studenten die met een achterstand aan een opleiding beginnen: ook voor hen verhoogt u het inschrijvingsgeld.

In uw toelichting zei u letterlijk dat u bijzondere aandacht hebt besteed aan de meest kwetsbare studenten. Dat zou u sieren, mocht dat ook blijken uit de begroting en het beleid. Ik zie namelijk geen extra investeringen in studentenvoorzieningen. Integendeel, er wordt op bespaard. U bespaart op de maaltijden, op de koten, op de dokter voor de studenten, op de werkingsmiddelen voor de universiteiten en hogescholen, op het Aanmoedigingsfonds. Ik zie geen uitbreiding van de studiebeurzen. Er stond trouwens eerst een tekort van 10 miljoen euro in uw begroting hiervoor.

U verhoogt net de drempels, in de eerste plaats voor de meest kwetsbare studenten. Studeren wordt duurder, en het wordt bovendien ook ontmoedigd. Het zou eigenlijk net het omgekeerde moeten zijn. Maar daar kiest u niet voor. Wij kunnen dan ook niet achter die keuze staan. (Applaus bij sp.a)

Mevrouw Soens, er is toch iets wat ik niet goed begrijp. U vertelt het verhaal van die moeder. Ik heb daar alle begrip voor. Maar u doet alsof deze regering daar niets aan doet. Deze regering heeft net beslist om het inschrijvingsgeld voor die mensen, en die vrouw zal allicht onder de beurscategorie vallen, op 105 euro te houden.

Wat betreft de criteria om te voldoen aan een studiebeurs: daar wordt niet op ingegrepen. En de beurzen blijven van toepassing. In het geval dat u noemt, zullen die mensen een studietoelage krijgen tussen de 3900 en 5200 euro. Als u dat niet goed vindt, dan denk ik dat u uw kritiek richt tot de foute minister. U had die kritiek tot de vorige minister moeten richten.

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

Ik hoef u toch niet te vertellen dat een jaar studeren meer kost dan enkel het inschrijvingsgeld en dat een beurs niet volstaat? Als de minister zegt dat zij bijzondere aandacht heeft voor de meest kwetsbare studenten, dan moet dat uit haar beleid en haar begroting blijken.

Er is trouwens 10 miljoen euro minder voor de studiebeurzen.

De minister heeft al verklaard dat dit is bijgepast.

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

Het is nog steeds 1 miljoen euro te weinig.

De heer Jan Durnez (CD&V)

Ik heb me tijdens de fase over het flankerend onderwijsbeleid in het betoog van mevrouw Soens even verslikt. Hoewel ik de discussie over de steden van daarstraks niet wil heropenen, wil ik toch iets herhalen.

Meer dan 270 gemeenten kwamen niet in aanmerking. Indien wie een keer geslaagd is, altijd mag meedoen en wie de eerste keer niet mag meedoen altijd wordt uitgesloten, zijn we verkeerd bezig. Niemand zal me allicht willen vertellen dat alle beoogde leerlingen zich in die 35 gemeenten bevinden en dat er geen in die andere 270 gemeenten zijn. Ik vraag toch enige openheid. We moeten dit in de breedte benaderen. Ik vraag iedereen niet mee te heulen met de selectieve verontwaardiging van sommigen in de vereniging van grote steden.

Mevrouw Tine Soens (sp·a)

Mijnheer Durnez, ik kan u daarin volgen. Een besparing van 30 procent op het flankerend onderwijsbeleid zal die gemeenten echter ook niet helpen.

Minister Annemie Turtelboom

Ik zou even een misverstand willen wegwerken dat deze namiddag in de plenaire vergadering leeft. De studiebeurzen vormen een openendfinanciering. Daar wordt niet op bespaard. Dat kan ook niet. Zodra iemand voor een studiebeurs in aanmerking komt, krijgt hij die studiebeurs, of we nu in budgetten hebben voorzien of niet. We werken niet met quota. We geven dit niet enkel aan duizend of tweeduizend studenten. Wie volgens de criteria in aanmerking komt, krijgt een studiebeurs.

De heer John Crombez (sp·a)

Minister, als de meerderheid dat allemaal zeer juist vindt, vraag ik me af waarover in de commissie Onderwijs een discussie is gevoerd. We hebben het er deze ochtend al kort over gehad.

Helemaal in het begin, ten tijde van de Septemberverklaring, hebben wij verklaard dat er volgens ons niet genoeg geld voor de studiebeurzen zou zijn. Er is een discussie in de commissie Onderwijs gevoerd. De minister heeft dit erkend. Er is, of het nu om openendfinanciering of om een raming gaat, 10 miljoen euro bijgepast.

Volgens u is het een openendfinanciering en zullen ze altijd geld krijgen. Volgens ons is er nog steeds een tekort van 1 miljoen euro. U mag hier niet beweren dat er geen probleem is omdat het een openendfinanciering betreft. (Opmerkingen)

Het is een openendfinanciering. We hebben echter gezien dat een amendement is ingediend om bij het MINA-fonds 10 miljoen euro te besparen. Dat geld zal aan het budget voor de studiebeurzen worden toegevoegd. Indien er toch geen probleem is, moet u me eens uitleggen waarom er een amendement is om 10 miljoen euro toe te voegen.

Indien u me kunt uitleggen dat dit bij een openendfinanciering niet nodig is, zullen we hier een aantal discussies opnieuw voeren. In dat geval wil ik het met u wel over een aantal zaken hebben.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Voorzitter, ik heb te veel respect voor het beleidsdomein en voor de betogen van de vorige sprekers om er plat in te vliegen. Ik dacht eerst op het einde een brede uiteenzetting te geven, maar hier moet ik toch al wat duiding bij geven.

Het klopt dat het basisbedrag in het ontwerp van begroting voor 2015 10 miljoen euro lager lag dan het basisbedrag in de begroting van vorig jaar. Dat was gewoon een vaststelling. We hebben gemerkt dat het niet klopte.

Het betreft sowieso een openendfinanciering. Op die manier zouden we het probleem echter enkel naar de begrotingscontrole verschuiven. We hebben besloten het probleem nu in orde te brengen. Er was een fout gemaakt. (Opmerkingen van de heer John Crombez)

Mijnheer Crombez, mag ik voortspreken? Ik probeer alles rustig uit te leggen. In het Vlaams Parlement is dit opgemerkt. Ik heb hierop geantwoord dat we dit beter meteen konden rechtzetten. Indien alles in evenwicht moet blijven, moet dit bedrag van 10 miljoen euro elders worden gehaald. Vervolgens is me in het Vlaams Parlement gevraagd of ik dan elders in het onderwijs een besparing zou moeten zoeken. Ik heb verklaard dat dit niet van elders in het onderwijsbudget zou komen.

Het geld komt van het MINA-fonds. Minister Schauvliege zal hier morgen allicht op ingaan. Dit heeft te maken met de snelheid die zij in verband met bepaalde dossiers kan bereiken. Eigenlijk paste het goed.

Maar collega’s, stel – en dat was in het verleden ook altijd zo – dat er plots nog meer middelen nodig blijken te zijn, dan zal iedereen die recht heeft op een studietoelage, die ook krijgen. Ik kijk dan specifiek naar mevrouw Soens. De pot is dus niet dicht. We hebben die 10 miljoen euro rechtgezet, omdat het om een fout ging. Anders is het alsof er plots minder leerlingen zouden zijn die aanspraak willen maken op een studiebeurs. We wilden dat rechtzetten. Maar stel dat het er nog meer zijn, zullen we dat ook rechtzetten. Het is pas op het einde van het jaar dat je echt weet hoeveel het er zijn.

De heer John Crombez (sp·a)

Ik heb respect voor dat antwoord, omdat vooral wat u op het einde zegt heel duidelijk maakt wat politiek is. U zegt dat er een bedrag te weinig was voor die basisfinanciering. Dat is rechtgezet. Zeer juist. Het is open end. We vragen al heel de dag naar de werkelijke begrotingstoestand. Ik heb dat zeer concreet gemaakt. Indien de begrotingstoestand meevalt, zijn er weinig problemen als zou blijken dat u middelen tekortkomt. Indien de begrotingstoestand niet zou meevalt, waarvan ik zo stilaan denk dat dat het geval is, dan heb ik gevraagd of u nu al kunt beloven dat u niet bijkomend zult besparen op onderwijs.

U zegt het zelf in uw antwoord: binnen CD&V is er een verschuiving gebeurd. Minister Schauvliege heeft het kunnen opvangen. Maar als er grote bijkomende besparingen komen, wie garandeert dan dat het niet op onderwijs komt? Daarom hebben wij de vraag gesteld hoe we, indien het nog moeilijker wordt – en we denken dat dat het geval is, maar dat we het nog niet weten – aan het onderwijsveld kunnen zeggen dat we er niet verder op zullen besparen. We hebben een hele uitleg gekregen. Ik hoop dat jullie het daarmee eens zijn: werken, opleiden, arbeidsmarkt, al wat je wilt, maar de waarde van de toekomst zit in ons onderwijs. Iedereen extern erkent dat. Die keuze moet worden gemaakt. Het is normaal dat wij willen weten of wij kunnen worden gevrijwaard van meer besparingen op onderwijs.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Crombez, er zijn een aantal openendfinancieringen binnen Onderwijs. In het lager onderwijs is het zo en ook in het secundair onderwijs. Als er een kindje bij komt, is er in extra financiering en extra omkadering voorzien. Zonder dat we daar iets voor hebben moeten doen, heeft dat ertoe geleid dat er in het basisonderwijs 42 miljoen euro extra wordt uitgetrokken om 900 leerkrachten extra aan de slag te laten gaan. Ik heb daar geen compensaties voor moeten vragen aan collega’s van CD&V. Dat loopt automatisch.

Voor de studiebeurzen was er een ander systeem. Ik vond het gewoon niet fair. Ons startpunt was verschillend. Er was een fout gebeurd bij mij. Als er een fout gebeurt waardoor het startpunt plots 10 miljoen euro lager ligt dan het jaar voordien, is het logisch dat je dat probeert op te lossen. Ik heb getracht dat op die manier te doen. Als blijkt dat er meer middelen nodig zijn, zullen die er ook komen. Ze zijn er voor alles wat open end is. Bij Welzijn ligt dat wat anders dan bij Onderwijs.

De openendsystemen bestaan en zullen blijven bestaan. Het komt uit de algemene middelen. Die komen er ook zo bij. We hebben trouwens nog meer. Ik denk dat er nog 3 miljoen euro is bijgekomen voor die studiebeurzen. Een decreet uit de vorige legislatuur heeft de studiebeurzen ook opengezet voor ouders met pleegkinderen. Wij hebben daarvoor ook middelen uitgetrokken. Zij zitten nu ook mee in het openendsysteem.

Ik heb veel haar, maar er zijn er nog van de meerderheid met veel haar. Er zijn er ook met weinig haar. (Opmerkingen van de heer Matthias Diependaele)

Ik wil niemand stigmatiseren met veel of weinig haar. Er is geen haar op onze hoofden dat eraan denkt om die openendsystemen te stoppen. Dat wil ik toch wel duidelijk maken. U moet die 10 miljoen euro niet als voorbeeld nemen en zeggen dat we dat moeten compenseren binnen uw familie. Zo gaat dat niet bij de andere open enden.

De minister heeft dat schitterend uitgelegd.

Regeling van de werkzaamheden
Motie van orde

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.