U bent hier

Plenaire vergadering

dinsdag 16 december 2014, 8.59u

Voorzitter
De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde zijn het ontwerp van decreet houdende aanpassing van de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014, het ontwerp van decreet houdende de tweede aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014, het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2014, het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015.

Het Uitgebreid Bureau stelt voor om de algemene besprekingen van de zes ontwerpen van decreet samen te voegen tot één enkele algemene bespreking.

Is het parlement het hiermee eens? (Instemming)

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Maes, verslaggever, is niet aanwezig. Ook de minister is er niet. Dan schors ik de vergadering.

– De vergadering wordt geschorst om 9 uur.

– De vergadering wordt hervat om 9.07 uur.

Dames en heren, de vergadering wordt hervat. Voor alle duidelijkheid: de vergaderingen beginnen hier om 9 uur stipt. Dat geldt ook voor de regering, mevrouw Turtelboom. Ik sta ’s morgens niet om half zes op om hier dan niet op tijd te kunnen beginnen. 9 uur is voor mij 9 uur. (Applaus)

Mevrouw Maes zit in een of andere tunnel. De heer Crombez, verslaggever, heeft het woord.

Mijnheer Crombez, bedankt dat u zo bereidwillig bent om op tijd te komen en om als verslaggever op te treden, ondanks het feit dat mevrouw Maes eerst moest optreden. (Opmerkingen)

De heer John Crombez (sp·a)

Dat gebeurt wel vaker, voorzitter: van hoe verder je komt, hoe eerder je er bent.

Collega’s, het verslag is zeer uitgebreid. We hebben immers een paar weken van intensieve discussies achter de rug. Het is goed voor de bespreking dat een aantal elementen van het verslag worden aangehaald. Ik zal dat chronologisch doen.

Het verslag begint met de bespreking met de minister-president van het algemeen beleid en de begroting. De minister-president heeft uitleg verstrekt over de verschillende kredieten en de toepassing van de besparingen op de kredieten. Er werden vragen gesteld door onder andere de heer Bertels, die opmerkte dat bij een aantal dossiers een ander percentage van besparingen is doorgevoerd, bijvoorbeeld de communicatie voor Vlaanderen Feest en de subsidies voor armoedeorganisaties. De minister-president heeft daar bijkomende uitleg over gegeven.

De heer Rzoska stelde dat bij de Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid (DAR) de betaalkredieten 5,2 miljoen euro hoger liggen dan de beleidskredieten en vroeg naar het verschil, want als daar geen duiding voor was, zou blijken dat daar een aantal facturen zijn blijven liggen.

Bij de toelichting van de minister-president kwam ook de beslissing van de vorige regering ter sprake om een audit te doen op de lokale overheden. Het systeem in het Gemeentedecreet werd teruggeschroefd en vervangen door een nieuw systeem. Daarvoor zijn middelen uitgetrokken. Een aantal leden van de commissie hebben positief gereageerd op de keuze om die audits te versterken.

Ikzelf heb een vraag gesteld over het Departement internationaal Vlaanderen, omdat daar in de totaliteit van de middelen, uitgezuiverd voor de overdrachten, een stijging te zien is, onder meer door investeringen in het buitenland. Het voorbeeld dat de minister-president gaf, is dat er een diplomatieke post moet worden uitgebouwd in Genève.

Vervolgens was er een toelichting van de minister van Begroting. Ze had het over de onzekere economische situatie en de parameters die daaruit komen, gecombineerd met het verstrengde Europese toezicht. Daarbij komt dat de consolidatieperimeter is uitgebreid, wat een belangrijke impact heeft op de discussies die we hier hebben. Het heeft een effect, zowel op de tweede begrotingsaanpassing voor 2014 en de begrotingsopmaak van 2015, als op de volgende jaren.

Dat betekent dat in de totaliteit van de maatregelen die worden voorgelegd, dixit de minister, de maatregelen voornamelijk gericht zijn op de interne werking. Op basis van de parameters van het Planbureau wordt er gestreefd naar een begroting in evenwicht voor 2015, met voorziene beleidsimpulsen voor 149 miljoen euro. De parameters waarover we spreken, bedroegen bij de begrotingsopmaak 2014 1,2 procent inflatie en 0,1 procent groei. Dat resulteerde in 2014 initieel in 1,3 procent en 1,10 procent. Voor de begrotingsopmaak van 2015 werden die cijfers voor 2014 respectievelijk aangepast naar 0,6 procent inflatie en 1,1 procent groei, en voor 2015 1,3 procent inflatie 1,5 procent groei. Dat zijn dus de basisparameters waar we op werken. Uit de toelichting van de minister blijkt dat elke wijziging van 0,1 procent in de groei gelijk is aan om en bij de 30 miljoen euro impact.

De minister haalde ook aan dat de fiscale autonomie een aanzienlijke stijging kende van 19,8 procent naar 34,1 procent volgens de cijfers van de tweede begrotingsaanpassing van 2014 en de opmaak van 2015.

Waar de minister ook naar verwees, is dat het vorderingssaldo berekend is door de eerste ESR-gecorrigeerde ontvangsten en uitgaven van de Vlaamse ministeries en instellingen en de consolidatieperimeter tegenover elkaar af te zetten.  Dat wordt gecorrigeerd voor de verwachte onderbenutting. Van het gecorrigeerde primaire saldo worden de rente-uitgaven in mindering gebracht, wat dan uiteindelijk het gecorrigeerd vorderingssaldo geeft. Daarbij wordt ten slotte het effect van het verstrengd Europees toezicht in rekening gebracht. Dat alles geeft een ESR-matig saldo van plus 2 miljoen euro in 2014 en plus 3 miljoen euro voor de begrotingsopmaak van 2015, wat in ESR-termen een begroting in evenwicht betekent in de toelichting van de minister.

Voor de normering werd op 30 april 2014 het indicatief traject voor zowel de globale begrotingsdoelstelling als voor de verdeling van de doelstelling over de verschillende beleidsniveaus aan het Overlegcomité voorgelegd, op basis van het advies van 2014 van de Hoge Raad van Financiën. Het advies van de Hoge Raad van Financiën gaat uit van een nominaal begrotingsevenwicht in de periode ’14 tot ’17 waarbij het huidige stabiliteitsprogramma geldt als indicatief traject. 

Bij de schuldevolutie bedroeg de geconsolideerde schuld eind 2013 16,6 miljard euro. De geconsolideerde schuldevolutie is in functie van het ESR-begrotingssaldo in evenwicht en een evolutie van de ontvangsten en uitgaven betreffende de kredietverlening en participaties. De schuldevolutie is gekoppeld aan de activa en wordt op termijn terugbetaald. Door de uitbreiding van de consolidatieperimeter is er een effect op de schuldevolutie. De schuldtoename bij bepaalde instellingen wordt, gelet op het ESR-begrotingsevenwicht, gecompenseerd door een schuldafname bij de Vlaamse ministeries.

De heer Bertels wil over de economische parameters weten waarom er een verschil is in de cijfers over de groei en inflatie tussen de begrotingsopmaak 2015 en begrotingsaanpassing 2014. Beide werden toch gelijktijdig behandeld.

De minister verklaarde in de media dat de registratierechten worden verlaagd, terwijl er in de presentatie wordt aangekondigd dat men het gaat onderzoeken. Er worden wel 100 miljoen euro meer inkomsten van verwacht. Hoe valt dit te rijmen?

De minister antwoordt dat een paar zaken bij de meerjarenbegroting aan bod zullen komen, dat de cijfers van de parameters van groei voor de tweede aanpassing 2014 de middelen zijn uit de Bijzondere Financieringswet geraamd op basis van de parameters van de economische begroting van februari 2014. Het is nog niet duidelijk op basis van welke economische begroting de federale overheid de doorstortingen aan gemeenschappen en gewesten zal doen.

Het gebruik van de tweede begrotingsaanpassing 2014 is een veronderstelling gebaseerd op de hypothese van constant beleid. De raming van de begrotingsopmaak 2015 is gebaseerd op de economische begroting van september 2014, in het antwoord van de minister. De verwachte groei voor 2015 is 1,5 procent, wat een daling is van 0,3 procentpunten ten opzichte van de eerdere ramingen.

De heer John Crombez wil weten of er een Overlegcomité is geweest of zal samenkomen, dat zich buigt over de middelen, over de federale beslissingen met impact op de regio’s en over de verdeling van de inspanningen. De toestand is volkomen gewijzigd ten opzichte van september 2014. Vlaanderen heeft tot nog toe altijd zijn opdracht uitgevoerd, maar heeft nog nooit disproportioneel meer bespaard dan strikt nodig binnen de normen van Europa in het structurele begrotingstraject naar 2018.

Deze discussie wordt gevolgd door een toelichting van het Rekenhof, waar de verslaggever graag een aantal elementen uit wil weergeven.

Het Rekenhof stelt dat voor de begroting 2015 in vergelijking met andere begrotingen in eerste instantie het effect van het Europees toezicht duidelijk is. Daarnaast is er de impact van de zesde staatshervorming, die op 1 januari 2015 volledig in werking treedt. Er moet aandacht worden besteed aan de manier waarop de raming van ontvangsten en de inkapseling van de nieuwe uitgaven in de begroting 2015 gebeurt. Tot slot zegt het Rekenhof dat de nieuwe Vlaamse Regering de beleidskeuze heeft gemaakt om het eerste jaar de broeksriem aan te halen. Het Rekenhof wil de aandacht vestigen op de besparingen.

De hoofdbrok van de opmerkingen van het Rekenhof wordt gesplitst in drie thema’s. Ten eerste is er het schema dat de impact van het verstrengde Europese toezicht weergeeft. Een tweede aandachtspunt van de dialoog 2014 is dat ook het Instituut voor de Nationale Rekeningen is gevraagd om strenger toe te kijken op de toewijzing van de diverse publieke entiteiten aan de consolidatiekringen. Een ander element is dat de EU elke lidstaat heeft gevraagd om te voorzien in coördinatiemechanismen tussen de verschillende overheden, om de begrotingen te implementeren.

Het Rekenhof wijst erop dat die diverse overheden nieuwe afspraken moeten maken over de begrotingsdoelstellingen voor de volgende jaren. Die afspraken kunnen dan dienen als input voor de opmaak van het stabiliteitsprogramma in april 2015. Het Rekenhof stelt dat Vlaanderen de goede leerling van de klas is, terwijl andere overheden afwijken van de voorlopige afspraken. De federale overheid had als doelstelling een structureel evenwicht tegen 2016, wat naar 2018 is verschoven.

Een ander aandachtspunt volgens het Rekenhof is dat de algemene toelichting bij de begroting heel zwijgzaam is over de begrotingsdoelstellingen van de lokale overheden. In het samenwerkingsakkoord is de afspraak gemaakt dat elk gewest verantwoordelijk is voor de begrotingsdoelstellingen van zijn steden en gemeenten. Een omrekening naar het ESR-vorderingensaldo geeft voor de Vlaamse Gemeenschap voor de periode 2014-2019 een gemiddeld tekort van een kleine 400 miljoen euro, een tekort dat de volgende jaren weliswaar afneemt. De vraag die het Rekenhof stelt, is wie dat zal compenseren en wie daarvoor de verantwoordelijkheid neemt. In principe is dat de Vlaamse Gemeenschap, tenzij men uitdrukkelijk kan aantonen dat het tekort te wijten is aan maatregelen van de federale overheid. Het Rekenhof vraagt de nodige voorzichtigheid.

Het Rekenhof toetst verder ook altijd de groeicijfers die worden gehanteerd in de begroting. Die zijn gebaseerd op het Federaal Planbureau, conform de afspraken van september 2014. Het Rekenhof toetst die paramaters ook aan recentere beschikbare gegevens, om een beeld te hebben van de budgettaire situatie die men kan verwachten. Het Rekenhof stelt dat de herfstprognose van de Europese Commissie heel richtinggevend is. Gelet op het Europees semester komt dat mee in aanmerking voor het beoordelen van het ontwerp van begrotingsplan. Men ziet dat er sprake is van een verschil van 0,6 procent van het bbp. Voor het effect op de groei van de middelen verwijst het Rekenhof naar de sensitiviteitsanalyse, zoals de minister van begroting heeft toegelicht in haar uiteenzetting, en die is opgenomen in de algemene toelichting. Het Rekenhof zegt dat die cijfers met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd, omdat er altijd andere parameters in aanmerking komen, namelijk ook de verdeelsleutel voor de personenbelasting en de denataliteitscoëfficiënten, die op dit moment wel gunstig evolueren voor Vlaanderen.

Vervolgens stelt het Rekenhof dat altijd de cijfers in de Septemberverklaring worden getoetst aan de cijfers van de algemene toelichting. De vorige jaren kon er altijd een duidelijke link worden gelegd tussen de cijfers van die twee. Dat is een soort voorafbeelding, volgens het Rekenhof. Sinds vorig jaar is er tussen de Septemberverklaring en de algemene toelichting ook het ontwerpbegrotingsplan gekomen. Het Rekenhof merkt een verschil in cijfers dat niet is toegelicht in de algemene toelichting en noemt dat verrassend. Het Rekenhof zegt niet dat die cijfers gelijk moeten blijven, maar als er een verschil is, moeten ze wel worden toegelicht.

Ik geef niet alle opmerkingen van het Rekenhof, maar een aantal die me relevant lijken voor de discussie. Een volgende opmerking van het Rekenhof is dat de evolutie van de schuld een aandachtspunt moet zijn. De instelling beaamt wat de minister van Begroting stelde in haar toelichting, namelijk dat met het strenge ESR 2010 heel wat extra schulden zichtbaar worden. Die schulden blijven de volgende jaren stijgen. Gelet op de afspraken met de andere overheden over de doelstellingen voor het vorderingensaldo, is het de vraag hoe de Europese doelstelling zal worden gehaald. Bij een schuld van een lidstaat van meer dan 60 procent van het bbp moet die schuld afnemen ten bedrage van een twintigste van het verschil. Aangezien de schuld van de totale begroting volgens het Rekenhof boven de 100 procent zit, moet onze jaarlijkse schuld met minstens 2 procent afnemen. Daarom vraagt het Rekenhof dat de Vlaamse Regering in de toekomst duidelijk de doelstelling tot schuldafbouw naar voren zou schuiven, in overleg met de andere overheden. Dat was in het verleden ook het geval met de Bijzondere Financieringswet van 1989. Toen werden er heel wat schulden overgeheveld naar Vlaanderen, en toen heeft Vlaanderen ook een doelstelling geformuleerd, in afspraak met de Hoge Raad van Financiën (HRF), om de schuld over een periode van tien tot vijftien jaar af te bouwen. Eenzelfde oefening, stelt het Rekenhof, kan ook worden gemaakt met het oog op de toekomst: de schuld kan dan geleidelijk worden afgebouwd, met een versnelling in een periode van hoogconjunctuur.

Een andere opmerking van het Rekenhof is dat Europa ook vraagt dat er een gevoeligheidsanalyse van de belangrijkste begrotingsvariabelen gebeurt. Dat is trouwens ook wettelijk opgelegd. Vlaanderen doet dat al jaren in zijn algemene toelichting. Er is een analyse die aantoont wat het effect is op de begroting van de verandering van die parameter met 0,1 procent. Ook wordt opgelegd dat tegelijkertijd met de begroting een meerjarenbegrotingsplan moet worden gegeven. Het Rekenhof vraagt al jaren dat de begroting samen met het meerjarenbegrotingsplan zou worden ingediend, met meerjarendoelstellingen voor het tekort. Dat is nu wettelijk verplicht. Dat wordt opgelegd door Europa. De Vlaamse Gemeenschap behoudt het komende jaar nominaal een evenwicht, maar er moeten ook doelstellingen zijn voor de schuld, prognoses voor elke belangrijke uitgaven- en ontvangstenpost. Er wordt dus geen gedetailleerde begroting gevraagd, maar gewoon een meerjarenbegrotingsplanning.

Volgens het Rekenhof moet er ook aandacht worden besteed aan de impact van de beleidsmaatregelen op de houdbaarheid van overheidsfinanciën op lange termijn. Volgens het Rekenhof wordt daar geen aandacht aan besteed in de toelichting die voorligt.

Het Rekenhof stelt dat de aangepaste middelenbegroting voor 2014 gebaseerd is op verouderde parameters van de economische begroting van 12 februari 2014. Dat heeft ook nog een effect op 2015, aldus het Rekenhof. Wat men te veel of te weinig ontvangt in 2014, wordt gecorrigeerd in 2015. Voor 2015 zijn de middelen volgens het Rekenhof te laag ingeschat, met 94,9 miljoen euro. Enerzijds is er dus sprake van 200 miljoen euro te veel, anderzijds van 94 miljoen euro en 54 miljoen euro te weinig, wat compenseert.

Het Rekenhof verwijst ook naar het beleidsdomein Werk. Het hele pakket van het arbeidsmarktbeleid is overgeheveld. Men weet nog niet precies hoe dat zal worden verdeeld binnen het budget voor Werk en Sociale Economie, dus wordt dat voorlopig als een provisie ingeschreven. Volgens het Rekenhof gaat het over een relatief groot bedrag. Het is een ruime bevoegdheid die het parlement afstaat aan de Vlaamse Regering om dit te verdelen, aldus het Rekenhof.

Over de besparingen zegt het Rekenhof dat de overheid moet trachten meer te doen met de middelen, maar erover moet waken dat er altijd voldoende betaalkredieten overblijven voor de verplichte uitgaven en voor het honoreren van de aangegane verbintenissen. Het is niet de bedoeling om de betaling van facturen uit te stellen, volgens het Rekenhof. Men moet dit als een goede huisvader beheren. Als er besparingen zijn, zegt het Rekenhof, dan moet dat transparant worden uitgelegd in de toelichting. Soms gebeurt dat, soms te weinig, volgens het Rekenhof.

Als besparingen uitvoerbaar zijn, moet de regelgeving soms worden aangepast. Ook dat heeft het Rekenhof geprobeerd af te toetsen. Het Rekenhof heeft besparingsmaatregelen getoetst aan de bepalingen van het programmadecreet, dat net dient om de begroting uitvoerbaar te maken. Er zijn twee begrotingsbeslissingen waarvan het Rekenhof vindt dat ze hadden moeten leiden tot een artikel in het programmadecreet, tot een aanpassing van bestaande decreten. Het Rekenhof verwijst in dat verband onder andere naar het groeipad met betrekking tot het grond- en pandenbeleid. De bevoegde minister heeft gezegd het groeipad te zullen uitstellen. De doelstellingen zullen pas tegen 2025 worden uitgevoerd, zodat voor 2015 een besparing van 15 procent kan worden gerealiseerd.

Dat is ook een beleidskeuze. Als dat groeipad wordt uitgesteld, dan moet het desbetreffende artikel inzake het grond- en pandenbeleid aangepast worden. Hetzelfde geldt voor de fiscalisering van de renovatiepremie.

Het Rekenhof heeft in zijn rapport veel aandacht besteed aan het beleidsdomein Welzijn omdat er bij dit groot departement een grote budgettaire impact is van de zesde staatshervorming. Er zijn tevens wat besparingsmaatregelen doorgevoerd binnen het beleidsdomein Welzijn. Daarnaast krijgt Welzijn voor sommige beleidsimpulsen extra kredieten.

Het Rekenhof vindt het heel moeilijk om de link te leggen tussen de cijfers van de algemene toelichting, zeker wanneer het gaat over de lijst met besparingen, en de verantwoording en de begrotingstabellen zoals die in het uitgavendecreet zijn opgenomen.

Minister Turtelboom beantwoordt vervolgens de opmerkingen van het Rekenhof. Zij stelt dat de begrotingscontrole niet is gebaseerd op de laatste economische parameters, afkomstig uit de economische begroting september 2014. Voor de tweede begrotingsaanpassing 2104 en de begrotingsopmaak 2015 zijn verschillende economische parameters gehanteerd. Aangezien de minister niet alle cijfers wil voorlezen, verwijst ze naar de presentatie.

Wat de tweede begrotingsaanpassing 2014 betreft, zijn de middelen uit de Bijzondere Financieringswet op basis van de parameters in de economische begroting van 12 februari 2014 geraamd. Aangezien het ten tijde van de opmaak van de begroting onduidelijk was of de federale overheid in 2014 zou blijven storten conform de betere parameters van de begrotingsopmaak 2014 of conform de minder gunstige parameters van september 2014, is gekozen voor deze tussenpositie bij constant beleid.

Vervolgens beantwoordt de minister de vraag over de stijging van de registratierechten. De raming van de inkomsten uit registratierechten is gebaseerd op de modellen van de FOD Financiën, die tot 31 december 2014 voor de inning zal instaan. Het lijkt de minister logisch ook voor de raming voor 2015 een beroep op de modellen van de FOD Financiën te blijven doen. De minister bevestigt dat hiervoor in de toekomst een beroep op de diensten van de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL) zal worden gedaan.

Wat de discussie over het structureel en het nominaal evenwicht betreft, stelt de minister dat het de bedoeling van de Vlaamse Regering is binnen de Vlaamse begroting structurele besparingen door te voeren om tegen het einde van de legislatuur nieuwe beleidsimpulsen mogelijk te maken. De minister verwijst naar een interessant debat over dit onderwerp in de commissie. Er zijn twee berekeningsmethodes gevolgd. Een structureel evenwicht biedt meer ruimte. Het Vlaams regeerakkoord heeft het over een begroting in evenwicht. Op een bepaald ogenblik kan al dan niet een keuze worden gemaakt.

De heer Rzoska vindt het verslag een zeer stevig document met heel wat terechte opmerkingen, waar het parlement ook mee aan de slag kan. Als hij het goed begrijpt, dan was de Vlaamse Regering volgens die regel in de Algemenebepalingenwet op dit moment eigenlijk al verplicht om bij het indienen van de begroting meteen ook een meerjarenbegroting in te dienen. Hij wil van het Rekenhof weten of die lezing klopt.

Het Rekenhof antwoordt dat dit klopt. Het gaat om een omzetting van een Europese richtlijn. Het is ook een verplichting die Vlaanderen oplegt aan de gemeenten en steden.

Dan is er nog een meer algemeen punt van de heer Bertels. Hij verwijst naar het zinnetje op pagina 44 over het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG). Daar schrijft het Rekenhof: “De informatieverstrekking over de nieuwe bevoegdheden van het beleidsdomein WVG is uiterst minimaal, alhoewel uit het begrotingsonderzoek blijkt dat de administratie over voldoende informatie beschikt om het Vlaams Parlement op een meer gedegen wijze in te lichten over de budgetraming en aanwending van deze nieuwe bevoegdheden.”

De heer Bertels wil weten hoe hij dat nu moet begrijpen. Kan het parlement meer informatie verkrijgen? Heeft het Rekenhof meer informatie? Moet het parlement die opvragen?

Het Rekenhof zegt dat inzake Welzijn alles in verhouding moet worden gezien. Voor het beleidsdomein WVG is er een enorme uitbreiding van de kredieten in het kader van de staatshervorming. Het gaat om 6 miljard euro. De begrotingsverantwoordelijke die het onderzoek heeft gedaan, stelt vast dat er in de toelichting daarover heel weinig staat. De informatie aanwezig bij het beleidsdomein is veel ruimer dan wat er in de toelichting staat. Dat is de kern van de opmerking in het rapport.

Gelet op de grootte van de uitbreiding van het beleidsdomein Welzijn hadden er in de toelichting heel wat meer informatie en duiding mogen staan met betrekking tot die nieuwe bevoegdheden.

Dan is er nog een vraag – van mezelf – over het verstrengd Europees begrotingstoezicht. De minister, zo begint de vraag, heeft daarnet een hoopgevend antwoord gegeven. De begrotingsdoelstellingen moeten nog door het Overlegcomité worden vastgelegd, en ook de SERV had die opmerking al uitgebreid toegelicht. De Vlaamse begroting is op een nominaal evenwicht gemaakt, maar ondertussen zijn er veranderingen in parameters. Hij denkt daarbij aan het Planbureau en de verwachtingen van Europa. Dit kan een grote impact hebben, en onder meer daarom zijn afspraken met het Overlegcomité echt nodig. Uit de toelichting van de SERV blijkt in de huidige omstandigheden een verschil – nominaal of structureel – van 80 miljoen euro dat Vlaanderen meer moet besparen en het federale niveau minder. Als de voorspellingen van Europa over tweemaal een halve procent zich voltrekken, betekent dat voor Vlaanderen 330 miljoen euro meer inspanning.

Een ander voorbeeld betreft het inkohieren. Dat vormt het onderwerp van discussie bij alle partijen in veel gemeenten en steden. Er is een mismatch tussen wat de lokale overheden hebben gekregen als te ontvangen aanvullende personenbelasting en de herberekening. Het verschil bedraagt soms 20 tot 25 percent. Eind november, ten tijde van deze discussie, vragen de lokale besturen zich af hoe ze hun begroting in orde kunnen houden na deze federale beslissing met impact op de Vlaamse middelen. Het zijn voorbeelden van federale beslissingen die het de minister moeilijker maken om de begroting op orde te krijgen. Dat verklaart voor een stuk de opmerkingen van het Rekenhof.

Het Rekenhof zegt dat het geen gemakkelijke vragen zijn, en dat het geen voorstander is van de discussie over structureel en nominaal, omdat op het moment dat het minder goed gaat, er wordt gepleit voor het structureel saldo. Wanneer het beter gaat, heeft Vlaanderen voordeel bij het nominaal saldo. Het Rekenhof heeft eerder in de commissie al gezegd dat als kan worden gegarandeerd dat overschotten worden opzijgezet, het bereid is om deze discussie te voeren, maar het ligt heel moeilijk.

Een ander aspect waar het Rekenhof op ingaat, zijn de lokale overheden. De samenwerkingsakkoorden binnen Europa zijn altijd op basis van gelijkheid, en de uitvoering moet ook gebeuren op basis van loyauteit. Voor Europa maakt het niet uit of de inspanning door de ene of de andere overheid wordt geleverd. Ook voor de belastingplichtige maakt het niet uit of de inspanningen binnen deeloverheden worden verschoven. Soms worden initiatieven genomen om een deel van de inspanningen af te wenden op een andere overheid. Daarover moeten duidelijke afspraken worden gemaakt. Elke overheid moet loyaal zijn begrotingsafspraken nakomen. De vraag wat de impact van de regeerakkoorden is op de financiën van gemeenten, is volgens het Rekenhof geen gemakkelijke oefening. De Vlaamse Gemeenschap heeft beslist om het Provinciefonds af te schaffen. Dat is ten nadele van de lokale overheden, zegt het Rekenhof. Er zijn federale maatregelen van indexsprong en een geleidelijke vermindering van sociale lasten op werknemers. Gemeenten hebben heel wat contractuelen. Dus dat heeft een positief effect op de situatie van de lokale overheden.

Anderzijds is er de brandweerhervorming, die waarschijnlijk extra kosten met zich zal meebrengen. De fiscale maatregel van de Federale Regering om de forfaitaire onkostenvergoeding te verhogen met 250 euro, heeft waarschijnlijk ook een invloed op de doorstorting van middelen naar lokale overheden. In het regeerakkoord is volgens het Rekenhof ook de afspraak gemaakt om de bijdrage van de stad Antwerpen voor de Oosterweelverbinding van 300 miljoen euro te schrappen.

Het is heel moeilijk in te schatten hoe de plussen en de minnen zich verhouden tot de concrete begrotingsdoelstellingen van lokale overheden. Het Rekenhof zegt niet dat de lokale overheden een begrotingsevenwicht moeten hebben, ze moeten gewoon een begrotingsdoelstelling hebben. Dat is een moeilijke oefening. Als er afspraken worden gemaakt, moeten ze loyaal worden uitgevoerd. De discussie over het ritme van inkohieren heeft een impact op de financiën van lokale overheden.

De heer Diependaele behoedt zich ervoor om het Rekenhof te veel bij de politieke discussie te betrekken over het nominale en structurele begrotingsevenwicht. Wat dat evenwicht betreft, is het duidelijk dat het structureel op elkaar afstemmen tussen de verschillende overheden extra moeilijk is. Het is gemakkelijk om te pleiten voor een structurele begroting op momenten dat men tekorten kan toelaten. Politici durven weleens te vergeten om dat ook met overschotten te doen.

Wat de lokale overheden betreft, is in het verslag sprake van de Vlaamse of de Federale Regering. Op dit moment wordt er volgens de heer Diependaele een oefening gemaakt door de Hoge Raad van Financiën om die taken toe te wijzen. Welke taken of financiële inspanningen van de lokale overheid kunnen worden toegewezen aan de gemeenschappen en gewesten of aan de federale overheid?

Verder uit de heer Diependaele zijn bezorgdheid over de toepassing van de strengere EU-regels. Eurostat heeft aangegeven dat ongeveer de helft van de instellingen gecontroleerd is. De Vlaamse overheid geeft aan de andere helft te controleren. De heer Mathot die van de SERV naar de administratie gaat, heeft daar een boeiende uiteenzetting over gegeven. Daarin gaf hij aan dat het zeer moeilijk is om uit te maken waar Eurostat naartoe wil. Er zijn trouwens ook signalen van de Europese Commissie om de boekhoudregels anders en minder streng te interpreteren. De heer Diependaele begrijpt dat het Rekenhof aanbeveelt om zelf te controleren. Hij wil echter niet worden geconfronteerd met nog meer noodzaak om te besparen als dat niet nodig. Hij is dan eerder geneigd om af te wachten wat Eurostat daarover zegt.

Mevrouw Bonte bedankt het Rekenhof voor het zeer lijvige rapport dat duidelijk en overzichtelijk is. Wat de economische groei en inflatieparameters betreft, is het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) blijkbaar de enige instantie die de macro-economische prognoses voor de opmaak van de begroting van de gemeenschappen en gewesten levert. Het INR doet daarvoor een beroep op het Federaal Planbureau. Vlaanderen is daar min of meer afhankelijk van. De vraag is waarom het INR daarvoor een beroep doet op het Federaal Planbureau aangezien er ook accuratere parameters bestaan zoals de cijfers van de Europese Commissie of het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Die cijfers geven soms een betrouwbaarder beeld. Waarom wordt daar dan geen beroep op gedaan?

Het Rekenhof antwoordt dat de gewesten en gemeenschappen en de federale overheid met betrekking tot groei en inflatie een afspraak hebben gemaakt die in het Overlegcomité is vastgelegd en past binnen de beslissingen van de Hoge Raad van Financiën.

Wat de Scholen van Morgen betreft, is er volgens de heer Rzoska de uitleg van het Rekenhof en van de minister van Begroting. De minister van Begroting gebruikt daarbij een ander tijdspad, hij wil het hebben over de impact van de recente afspraak tussen de BAM en Noriant. Het Rekenhof heeft daar niet expliciet naar verwezen, maar de heer Rzoska zou daar wel graag een antwoord op krijgen omdat het gaat over 42 miljoen euro die op dit moment niet in de begroting van 2015 zit. Dat staat ook in het verslag van het Rekenhof. Hoe zal Vlaanderen daarvoor betalen in 2015 of gespreid over een aantal jaren? Op dit moment is dat onduidelijk.

De heer Rzoska verwijst ook naar de opmerking van het Rekenhof over de beschikbaarheidsvergoedingen waarbij er verschillen bestaan tussen de cijfers uit de begroting en datgene waarin volgens het Rekenhof moet worden voorzien. Voor Brabo 1 en Brabo 2 voorziet de minister in 2015 in 30 miljoen euro terwijl dat volgens het Rekenhof 38,7 miljoen euro moet zijn. Die verschillen moeten worden verduidelijkt volgens de heer Rzoska.

Wat het Rekenhof over de lokale overheden zegt, is volgens de heer Rzoska heel terecht. Hij wil weten hoe het zit met de afspraken in het Overlegcomité. Is er een afspraak gepland. Zo ja, voor wanneer? Of zijn er al afspraken gemaakt?

De minister ziet geen reden om wat op het vlak van rapportage aan Europa werd voorgelegd, te veranderen, maar de heer Rzoska blijft het problematisch vinden dat er verschillen zijn qua cijfers. Hij dringt er tegelijk op aan dat de minister een meer dynamische en actieve rol zou spelen om het Overlegcomité samen te brengen. Het is immers heel merkwaardig dat het Overlegcomité nog niet is bijeengekomen nu de begrotingen voorliggen in de diverse parlementen. Er moeten een aantal afspraken worden gemaakt volgens de heer Rzoska.

Het Rekenhof heeft er volgens de heer Rzoska terecht op gewezen dat in de beleidsnota wordt aangegeven dat er meer geld wordt uitgetrokken voor de fietspaden, maar dat ook daar weinig toelichting bij wordt gegeven. Alle kredieten die daarmee te maken hebben, staan op besparen. Hij heeft die vraag ook aan minister Weyts gesteld en hoopt daarop een antwoord te krijgen. Ook op dat vlak is er onduidelijkheid bij de commissie Mobiliteit over de vraag waar die middelen nu precies vandaan komen.

Wat BAM, Brabo en de maritieme toegangswegen betreft, wordt aangenomen dat de minister impliciet heeft verwezen naar die dossiers toen er amendementen inzake het loodswezen werden aangekondigd. Het Rekenhof verwijst hier naar de huurcontracten waar meer duidelijkheid over wordt gevraagd.

Dan kom ik tot de algemene bespreking. Het eerste punt is de herraming van de ontvangsten van de gemeentelijke opcentiemen op de personenbelasting, waar een lid van de commissie vindt dat het een goede zaak is om die discussie ten gronde te voeren omdat sinds de berichtgeving op 12 november 2014 de discussie over de herraming en de weerslag op de lokale begrotingen zeer actueel is. In de commissie Binnenlands Bestuur werd het debat hierover niet afgerond. Leden van de meerderheid hebben diezelfde vraag ook in de plenaire vergadering gesteld.

Het probleem gaat over het tempo van de invorderingen. Er wordt gevraagd om zo snel mogelijk een standpunt van de Vlaamse Regering te hebben voor de lokale besturen. Voor veel besturen is het nu nog op tijd om ervoor te zorgen dat ze conform de beleids- en beheerscyclus (BBC) kunnen werken.

De minister stelt voor om in deze problematiek twee zaken te behandelen. Een toelichting bij het specifieke effect van de federale inkohiering is daar een van. Deze kwestie is op zich niet rechtstreeks gelinkt aan de Vlaamse begroting maar verdient wel de nodige aandacht. Volgens de minister zijn de vragen daarover nog niet volledig beantwoord in de commissie Binnenlands Bestuur en in de plenaire vergadering. Ze zal dan ook haar best doen om hier een zo volledig mogelijk antwoord op te bieden, waarbij zowel de oorzaken als de oplossingen aan bod komen.

Ten tweede is er volgens de minister de ruimere vraagstelling over het saldo van de lokale besturen binnen het budgettair kader van de gezamenlijke overheden. Het effect van maatregelen van andere overheden, zoals het effect van de federale inkohiering, speelt hier natuurlijk een rol. De minister zal toelichten hoe zij dat conform de adviezen van de Hoge Raad van Financiën zal behandelen.

Wat de inkohiering betreft van de personenbelasting door de FOD Financiën en het effect daarvan op de inkomsten van steden en gemeenten, benadrukt de minister dat ze de onrust van gemeenten en steden begrijpt en ter harte neemt. De bezorgdheid over deze problematiek werd onder meer verwoord in een persbericht van de VVSG, die de vraag stelde om een structurele oplossing te bieden.

De gemeenten krijgen hun geld pas drie maanden nadat de aanslag is gevestigd. De stortingen aan de gemeenten gebeuren op vooraf bepaalde data. Gemeenten hebben er alle belang bij dat die inkohieringen zo snel mogelijk verlopen, want dan komen hun eigen inkomsten ook vlugger binnen.

De minister stelt, zoals ikzelf ook al had opgemerkt, dat er de afgelopen jaren een grote volatiliteit was in zowel het ritme als de grootte van bedragen aan aanvullende personenbelasting die ingekohierd worden ten voordele van de Vlaamse gemeenten. Enerzijds varieert het ritme heel sterk. Dat is het tijdstip waarop de inkohieringen starten. In de jaren 2000 tot 2005 duurde het bijvoorbeeld telkens tot december of zelfs februari voor de eerste inkohieringen gebeurden. De afgelopen jaren is er een verbeterde trend met een merkbare versnelling van de inkohieringen. Voor de aanslagjaren 2012 en 2013 gebeurden die al in juli. Anderzijds varieert ook de grootte van de bedragen.

Volgens de VVSG stelt de minister dat er drie oorzaken zijn. Ten eerste is het belangrijk te weten dat een aanslagjaar in de personenbelasting wordt ingekohierd over twee begrotingsjaren of dienstjaren. Ten tweede versterkt de inkomensmix van de ingekohierde belastingen, met andere woorden de selectie van aangiften die eerst ingekohierd wordt, het volatiel verloop. Tot slot is er het bijkomend effect dat de inkohieringen van een beperkte periode gebruikt worden voor de initiële raming.

De minister stelt ook een aantal oplossingen voor. Een eerste mogelijke oplossing is het bekijken van het systeem van voorschotten voor de lokale besturen om zo door de voorafname van de inkomsten de gemeentefinanciën voorspelbaarder te maken. Dit is vooralsnog niet in werking getreden maar de minister staat daar positief tegenover.

In het ruimere kader herinnert de minister eraan dat via het Overlegcomité en via de samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de coördinatie van de begrotingsnormering aan de Hoge Raad van Financiën (HRF) werd gevraagd om duidelijkheid te geven in de verantwoordelijkheid van ieder overheidsniveau met betrekking tot de begrotingsresultaten van de lokale besturen. Ze wijst er ook op dat ook het Rekenhof in zijn verslag herhaalt dat er afspraken moeten worden gemaakt op basis van loyauteit en gelijkheid tussen overheden. De regeringen moeten dat loyaal uitvoeren.

Rekening houdend met de problematiek van de toekenningen van de aanvullende gemeentebelasting door de FOD Financiën, en met de opmerkingen van de HRF en het Rekenhof, zegt minister Turtelboom dan ook een groot voorstander te zijn van het houden van een nieuw en dringend Overlegcomité.

De heer Van den Heuvel stelt dat het duidelijk is waar het probleem zich bevindt. Hij heeft een brief van de FOD Financiën gezien. Vanuit zijn gemeente was gevraagd om een matrix te maken waaruit moest blijken wat de echte fiscale capaciteit van de gemeente was om zo de meerjarenbegroting te kunnen opmaken op basis van echte cijfers. De spreker is zich ervan bewust dat de FOD Financiën zich op federaal niveau bevindt, maar stelt voor om aan elke gemeente een gelijkaardige matrixtabel te bezorgen.

De heer Somers is bijzonder blij met het initiatief van de minister, maar wil nog een stap verder gaan. Hij is veertien jaar burgemeester en stelt dat dit geen nieuw probleem is. Veronderstellen of suggereren dat het ‘out of the blue’ zou ontstaan, zou fout zijn, maar het probleem van versnellingen en vertragingen van inkohieringen die een impact hebben op het kader waarbinnen de lokale besturen hun begrotingen moeten maken, bestaat al langer. Gemeentebesturen doen zelfs nu al wat de hogere overheid van hen vraagt. Ze zorgen ervoor dat de begroting al aan de begrotingscommissies en soms zelfs al aan het gemeentebestuur wordt voorgelegd. Ze moeten nu corrigeren, en zo ontstaat rommeligheid in de besluitvorming die eigenlijk onaanvaardbaar is. Het probleem geldt ook voor de politiezones waar van de begroting plots 2 procent wordt afgenomen.

De heer Diependaele sluit zich aan bij de heren Somers en Van den Heuvel. De Vlaamse overheid vraagt de lokale besturen om hun financiële verantwoordelijkheid op te nemen, maar ze moeten daartoe in staat zijn, ze moeten daartoe over de juiste instrumenten beschikken.

Er wordt door de commissieleden op gewezen dat er inderdaad een heel dringend Overlegcomité moet worden gehouden om die dingen op elkaar af te stemmen. De discussie in de commissie Binnenlands Bestuur ging immers niet alleen over de aanvullende personenbelasting, maar ook over de beslissingen over de gesubsidieerde contractuelen (gesco’s), de intercommunales en dergelijke zaken meer.

Tot hier, voorzitter, de eerste helft van het verslag. Ik meen dat de collega zal overnemen.   

De voorzitter

Dank u wel, mijnheer Crombez, dat u ons uit de nood hebt geholpen.

Dat mag gezegd worden, dames en heren, want het is niet evident dat de fractieleider van de grootste oppositiepartij dit doet. Normaal gezien was hij pas de tweede spreker. (Applaus)

Mevrouw Maes, verslaggever, heeft het woord.

Mevrouw Lieve Maes (N-VA)

Voorzitter, het was de afspraak dat de heer Crombez de eerste helft zou doen en ik de tweede.

We zijn aanbeland bij het stuk van de algemene bespreking waarin minister Turtelboom antwoord geeft op de opmerkingen die de commissieleden hebben gemaakt na de algemene toelichting en het verslag van het Rekenhof.

Een eerste serie antwoorden gaat over de inschatting van de eigen gewestbelastingen. Op de vraag van de heer Bertels wat betreft de stijgende evolutie van registratierechten, bevestigt de minister dat de ramingen voor de inkomsten van de registratierechten nog gebaseerd zijn op de modellen van de FOD Financiën, die tot eind 2014 ook instaat voor deze inning.

De minister benadrukt dat vanaf volgend jaar de ramingen moeten gebeuren door de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL), die door de gewijzigde bevoegdheden voor Vlaanderen die bevoegdheden zal overnemen. Bovendien is er bij de ramingen rekening gehouden met efficiëntiewinsten als resultaat van de eigen inning door VLABEL, hoewel ze nog steeds gebaseerd zijn op de modellen van de FOD Financiën.

Vanaf januari 2015 worden er nog geen ingrijpende inhoudelijke wijzigingen aan de regelgeving doorgevoerd, maar de innings- en invorderingsprocedure voor deze belastingen zal volgens minister Turtelboom wel ingrijpend wijzigen. Momenteel verloopt deze inning slechts in beperkte mate geautomatiseerd. VLABEL zal de inning en de invordering integreren in bestaande processen van VLABEL voor onder meer de verkeersbelastingen en de onroerende voorheffing.

Het gebruik van een performant ondersteunend ICT-systeem zal schaalvoordelen opleveren, en daardoor zijn efficiëntiewinsten mogelijk. Wanneer het nodig is om een beroep te doen op een gerechtsdeurwaarder, zal dit voortaan verlopen via de centraliserende instantie Diensten aan de Maatschappij (DIAM) en dat kan op zijn beurt efficiëntiewinsten opleveren.

Minister Turtelboom besluit dat er normaal gezien een stijging zou moeten zijn, nu de inning door VLABEL gebeurt.

Wat betreft de inschatting van de budgetten van overgehevelde bevoegdheden in de beleidsdomeinen Werk en Welzijn had het Rekenhof enkele opmerkingen over de kredieten die invulling geven aan de overgehevelde bevoegdheden naar aanleiding van de zesde staatshervorming. Minister Turtelboom gaf een aantal antwoorden, maar benadrukte dat dit met volledig respect voor de begrotingsbesprekingen in de andere commissies gebeurde waar de vakministers nog veel beter en gedetailleerder hun eigen beleidsdomein en de budgettaire impact ervan konden toelichten.

Wat de kredieten bij Welzijn betreft, stelde minister Turtelboom dat minister Vandeurzen al toegelicht heeft dat net als de voorgaande jaren bij een begrotingsopmaak getracht wordt een zo volledig mogelijk beeld te geven van welke budgetten er terug te vinden zijn op welke artikels. Zeer specifieke detailberekeningen over hoe de budgetten per subrubriek tot stand kwamen, werden tot nu toe – zoals gebruikelijk – niet weergegeven. In de toekomst zal hiermee wel rekening worden gehouden.

Met betrekking tot de opmerking dat er niet voldoende rekening werd gehouden met het sociaal beleid, bedoelt het Rekenhof waarschijnlijk de uitvoering van de sociale akkoorden, aldus minister Turtelboom. De budgetten voor de sociale akkoorden zijn wel degelijk voorzien en geïntegreerd binnen het beleidsdomein Welzijn. Specifiek voor de nieuwe regelgeving over het thuisoverleg psychiatrische patiënt is in 2015 in een bedrag van 3,235 miljoen euro voorzien. Dat budget werd tot vorig jaar nooit volledig opgebruikt. De regelgeving van 1 april 2012 werd gewijzigd op 18 juni 2014. Dit gebeurde na een eerste evaluatie, waaruit bleek dat er veel minder ‘modules psychiatrische zorg’ dan voorzien werden gerealiseerd. Zo werd, onder andere, de doelgroep verruimd, werd de vergoeding voor het eerste overleg opgetrokken en wordt in vergoedingen voor bijkomende overlegmomenten voorzien, met bedoeling de benutting van het voorziene budget te optimaliseren.

Wat betreft de opmerking van het Rekenhof dat sommige groeipaden, zoals de groei van het aantal bedden in woonzorgcentra, onduidelijk zijn, wordt verwezen naar gegevens die in het begin van de technische begrotingsonderhandelingen werden ingebracht door de administratie. Deze gegevens zijn ondertussen achterhaald, aldus minister Turtelboom, en werden aangepast aan verdere inzichten.

Wat betreft het beleidsdomein Werk werden bij de initiële begrotingsindiening 2015 noodgedwongen zowel de beleids- als de apparaatskredieten inzake overgehevelde bevoegdheden van de arbeidsmarkt in het kader van de zesde staatshervorming op twee verschillende provisieartikelen ingeschreven. Aangezien er ondertussen duidelijkheid is waar binnen het beleidsdomein Werk welke overkomende materie wordt opgenomen, kunnen de beleidskredieten nu nog op de al bestaande of nieuw gecreëerde begrotingsartikelen worden geplaatst. Voor die wijziging komt er een regeringsamendement waardoor de provisie van 2,1 miljard euro integraal kan worden overgezet in bestaande kredieten van de VDAB en in de nieuwe kredieten binnen het departement WSE.

Wat de tweede provisie van 27 miljoen euro betreft, kan volgens minister Turtelboom nog geen toewijzing gebeuren naar een corresponderend begrotingsartikel. Deze provisie bestaat veelal uit loonkredieten van overkomende personeelsleden en blijft als provisie voorlopig behouden, daar de nominatieve lijsten van overkomende federale personeelsleden nog onvoldoende beschikbaar zijn. Dit zal zo snel mogelijk verduidelijkt worden.

Volgens minister Turtelboom hield de zesde staatshervorming een overheveling in van circa 10 miljard euro aan budgetten. Dat is een derde van het vorige budget. Dat er daarbij nog een zeer beperkt aantal zaken niet concreet zijn toegewezen aan begrotingsartikelen, lijkt haar echt niet onlogisch. De provisie voor extra uitgaven van 187,7 miljoen euro in 2014 is, aldus minister Turtelboom, ingeschreven om dringende investeringsnoden die momenteel wegens budgettaire redenen gedeeltelijk worden uitgesteld, alsnog te kunnen uitvoeren, mocht de budgettaire situatie dit toelaten.

Met betrekking tot de vraag over nominaal versus structureel evenwicht, wil minister Turtelboom kort zijn omdat daarover al een lange discussie werd gevoerd in de commissie. Zij zei enkele keren te hebben gehoord dat we te veel zouden besparen en te weinig investeren. Maar zij verwijst ook naar de opmerkingen in de commissie, als zouden er twee manieren zijn om het structureel evenwicht te berekenen, waarbij er toch vooral veel onduidelijkheden bleven bestaan over wat nu een structureel evenwicht is en hoe je daar echt op kunt landen.

Bij de twee verschillende berekeningsmethoden zegt men dat er onderhevigheid is en dat er niet altijd stabiliteiten zijn.

Het Rekenhof zegt geen grote voorstander te zijn van het structureel saldo als basis van een begrotingsbeleid omdat het economisch herstel zeer onzeker is en omdat in economisch goede tijden het hoogst twijfelachtig is of er wel beslissingen kunnen worden genomen om de uitgaven te beperken. Het Rekenhof merkte ook op dat de Hoge Raad van Financiën (HRF) bij een denkoefening om het begrotingssaldo structureel af te toetsen op tal van moeilijkheden stootte, zoals de grote verschillen in de manier waarop gewesten en gemeenschappen gefinancierd zijn.

Volgens minister Turtelboom is het uitzuiveren van de structurele elementen uit onze begroting een nuttige, maar zeker ook een moeilijke oefening.

Dan waren er vragen in verband met de verschillen in cijfers tussen het ‘draft budgetary plan’, dat werd ingediend bij de Europese Commissie, en de ingediende begrotingsopmaak. Het ontwerpbegrotingsplan dat ingediend werd bij de Europese Commissie, is gebaseerd op de informatie die vervat zit in de begrotingsbrochure die bij de Septemberverklaring als bijlage gaat. Deze brochure geeft een eerste vooruitblik op de begroting voor een volgend jaar. Hierbij worden alle politiek relevante keuzes binnen een kort tijdsbestek al op een zo gedetailleerd mogelijk niveau weergegeven. Na de Septemberverklaring worden de begrotingsdocumenten definitief gefinaliseerd. De eerste vertaling van de politieke beleidskeuzes bij de Septemberverklaring wordt dan verder technisch correct uitgewerkt. Bij deze uitwerking worden ontvangsten en uitgaven soms onder een andere – correctere – categorie ondergebracht, en worden ontvangsten in sommige gevallen geactualiseerd naar aanleiding van eventuele nieuwe parameters. Belangrijk bij deze technische afronding is het feit dat de beleidsintenties zoals voorgesteld in de Septemberverklaring, niet meer wijzigen. Dit laatste punt is uiteraard ook voor de informatietoezending aan de Europese Commissie een belangrijk aandachtspunt. Daaraan werd voldaan, aldus nog minister Turtelboom. Zo werd trouwens ook de voorbije jaren gewerkt. De minister was daarom een beetje verbaasd over de opmerkingen hierover.

De minister ging vervolgens dieper in op de opmerkingen van het Rekenhof. Bij de technische bijstellingen is er een verschil tussen de initiële 313 miljoen euro, dat uitgebreid werd toegelicht aan de commissie, en de uiteindelijke in de begroting opgenomen 325 miljoen euro. De aangepaste lijst met 325 miljoen euro werd rondgedeeld in de commissie. Binnen de technische bijstellingen is er een wijziging wat betreft het ‘toevoegen van rechtspersonen aan de consolidatieperimeter op basis van ontvangsten’, namelijk 140 miljoen euro. Deze component bevat drie elementen.

Het ESF-agentschap is bij de afronding van de begroting via een correctielijn in plaats van een volledige consolidatie verwerkt. Daardoor vervallen ook de ESR-ontvangsten die ermee gepaard gaan ten belope van 68 miljoen euro. Daarnaast zijn er ook nog enkele nieuw te consolideren instellingen in de consolidatieperimeter verwerkt bij de definitieve afronding van de begroting. Deze bijkomende consolidatie heeft zo goed als geen effect op het vorderingensaldo, maar de ESR-ontvangsten nemen hierdoor wel met 18,7 miljoen euro toe. Tot slot werden ook de voorziene ESR-ontvangsten van de instellingen die reeds bij de Septemberverklaring nieuw in de begrotingsperimeter verwerkt werden, nog eens met 14 miljoen euro verhoogd.

Wat betreft de toename die kan worden vastgesteld inzake de ‘evolutie van betaalkredieten’, is er tussen de opmaak van het ‘draft budgetary plan’ en de algemene toelichting een verschil wegens het feit dat de besparing naar aanleiding van de stopzetting van de projectsubsidiëring voor sociale koopwoningen een groter negatief effect heeft in beleidskredieten dan in betaalkredieten. Dat was nog niet verrekend bij de opmaak van het ‘draft budgetary plan’, waarin voornamelijk op betaaleffecten werd gefocust. Daardoor neemt ook het verschil tussen de voorziene beleids- en betaalkredieten toe, wat een verklaring vormt voor de toename van de evolutie van de betaalkredieten.

Op de vraag over de stopzetting van de uitholling van de kostendekkingsgraad, antwoordde de minister dat naar aanleiding van de budgettaire verfijning van de saneringsmaatregelen, ook daar een budgettair effect werd vastgesteld.

In verband met de vragen over de bouwuitgaven in het licht van de Scholen van Morgen verwees de minister naar het uitgebreide debat dat daarover reeds was gehouden in de commissie.

Er is voor een pragmatische invulling gekozen. Ze worden op het ogenblik van de uitvoering in de begroting opgenomen. Bij grote bouwprojecten is er soms immers een verschil tussen de uitvoering en de planning. Het is budgettair correcter naar de uitvoering in plaats van naar de planning te kijken. De discussie gaat niet over de vraag of de scholen al dan niet volgens de plannen zullen worden gebouwd. Het gaat erom wanneer ze klaar zullen zijn. Een maand eerder of later heeft een groot budgettair effect.

Vervolgens beantwoordt de minister de vraag van de heer Crombez over de openstaande vorderingen in het Rekeningenboek 2013. Er zijn verschillen tussen de bedragen van de openstaande vorderingen.

De minister antwoordt dat een vordering steeds een momentopname is. De boekhouding wordt op een bepaalde dag van het jaar, 31 december, afgesloten. Het is logisch dat een gedeelte van de vorderingen op dat ogenblik nog niet kasmatig is geïnd. Ook doorheen het jaar is er steeds een vertraging tussen de vorderingen en de effectieve kasontvangsten. Aangezien het boekjaar op 31 december wordt afgesloten en er een groot begrotingstechnisch verschil met 1 januari van het volgende jaar is, vallen de verschillen meer op dan tijdens eenzelfde jaar.

De handelsvorderingen in de balans zijn opgesplitst in vorderingen op meer dan een jaar en vorderingen op ten hoogste een jaar. De vorderingen op meer dan een jaar betreffen voornamelijk de lening aan KBC voor een bedrag van 2 miljard euro. De vorderingen op ten hoogste een jaar kunnen in drie categorieën worden onderverdeeld. Het gaat om de voorschotten en de rollende fondsen, in totaal 1,5 miljoen euro, de vorderingen op meer dan een jaar die binnen het jaar vervallen, in totaal 351 miljoen euro, en de handelsvorderingen, in totaal 1,46 miljard euro.

De voorschotten zijn de permanente voorschotten aan de vertegenwoordigers in het buitenland. Ook een voorschot aan de Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV) in het licht van de decretale opdracht voor het fiduciair beheer valt hieronder.

De vorderingen op meer dan een jaar die binnen het jaar vervallen, omvatten onder meer een gedeelte van de lening aan KBC ten bedrage van 333 miljoen euro en een kortetermijnlening aan De Lijn ten bedrage van 17,5 miljoen euro.

De handelsvorderingen omvatten ook vorderingen ten opzichte van andere instellingen die in se geen handelsvorderingen zijn. Het betreft onder meer de vordering van BAM ten bedrage van 174 miljoen euro en een vordering van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) ten bedrage van 59 miljoen euro. Daarnaast zijn er vorderingen die worden uitgesteld in het licht van de verschillende belastingen die de Vlaamse overheid zelf int. Deze vorderingen worden elke maand verstuurd. Op dat ogenblik worden ze volgens het ESR aangerekend. Economisch beschouwd, staat in de balans van de Vlaamse Gemeenschap op dat ogenblik een vordering open. Aangezien een burger, afhankelijk van de belasting zelf, twee tot drie maanden tijd heeft om een belasting te betalen, staan een aantal vorderingen op het einde van het jaar logischerwijze als openstaande schulden in de balans. Dat is het verschil tussen het moment van de vordering en het moment van de betaling.

De minister voegt hieraan toe dat 82 procent van de openstaande handelsvorderingen al effectief is geïnd. Ze hoopt de heer Crombez hiermee gerust te kunnen stellen. (Gelach)

Op de vraag van de heer Diependaele of de Europese regels te streng zijn, antwoordt de minister dat de commissie het al uitgebreid over dat onderwerp heeft gehad. De minister stelt voor enkel te debatteren over wat Vlaanderen zelf in handen heeft.

De minister merkt op dat ze een aantal vragen over de economische parameters en over de consolidatieperimeter al eerder vrij gedetailleerd heeft beantwoord. In september 2014 is een nieuwe lijst van te consolideren instellingen aangeleverd. Sinds dat ogenblik moeten 169 instellingen in de Vlaamse begroting worden geconsolideerd. Dat zijn 76 instellingen meer dan vroeger. Enkel ten gevolge van de consolidatie van de erkende kredietmaatschappijen zijn 48 instellingen aan de Vlaamse consolidatieperimeter toegevoegd.

Wat de opmerkingen over de begrotingen van de hogescholen en de universiteiten betreft, wijst de minister erop dat deze begroting wel degelijk ter beschikking zijn gesteld. Ze maken deel uit van de bijlagen bij het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015.

Zoals het Rekenhof heeft opgemerkt, zijn deze begrotingen niet volledig geconsolideerd. Punt 4.4.6. van de algemene toelichting bevat echter een analyse van de impact van een consolidatie. Hierbij wordt van budgetneutraliteit uitgegaan.

De minister komt dan tot de vragen over de projecten alternatieve financiering. Momenteel werkt de Vlaamse Regering aan haar jaarlijkse rapportering inzake alternatieve financiering van Vlaamse overheidsinvesteringen. Dat rapport zal begin 2015 in de commissie kunnen worden besproken. Het betreft een detailanalyse van alle investeringen die via alternatieve financiering verlopen of gepland zijn.

Ook in de meerjarenraming is de volledige impact van de projecten alternatieve financiering overigens in rekening genomen. Voor de toekomst wordt onderzocht hoe de rapportering verder kan worden geoptimaliseerd in het licht van recente evoluties en in het licht van de opmerkingen van het Rekenhof.

Daarnaast wordt er ook een analyse gemaakt van de projecten die nog door het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) en Eurostat moeten worden doorgelicht, zoals de Via-Invest-projecten. Indien blijkt dat op basis van die analyse preventieve maatregelen kunnen worden genomen, zal dit uiteraard gebeuren.

Er waren ook nog vragen bij een mogelijke verkoop van aandelen van de nv Via-Invest in de Speciale Project Vennootschappen aan PMF, een onderdeel van ParticipatieMaatschappij Vlaanderen (PMV), waarin de privésector voor 85 procent participeert en PMF maar voor 15 procent. Het gaat om het uitvoeren van een vroeger voornemen van PMV om na de bouwfase opnieuw geld vrij te maken binnen Via-Invest voor eventueel nieuwe projecten. Het heeft dus niets te maken met de consolidatieproblematiek op zich.

De minister wijst erop dat het erg moeilijk is om te zeggen wat er allemaal binnen de consolidatieperimeter valt. Er zal een gedetailleerde analyse worden gemaakt op het moment dat ze terug naar het parlement komt met de voortgangsrapportering.

Over veel zaken heeft Europa nog geen enkele indicatie gegeven dat er eventueel een onderzoek kan komen. De minister wijst op de inkanteling van bepaalde projecten, waarvan Europa ooit zijn fiat had gegeven om via een pps-constructie te werken en waarop later is teruggekomen. Veel is afhankelijk van de Europese regels. Dergelijke lijst maken is echt nattevingerwerk en daarom vindt de minister het niet nuttig.

Wat de vragen omtrent Noriant betreft, is het zo dat de dading tussen Noriant en BAM pas op maandag 20 oktober 2014 is gesloten. Dat is dus na de indiening van de begroting bij het Vlaams Parlement. Dat is ook de reden waarom dit niet in deze begrotingscijfers is vervat. Het is daarbij momenteel ook nog niet duidelijk of er een budgettair effect zal zijn. Dat is afhankelijk van het resultaat van de vraag die BAM aan de Europese Commissie zal stellen voor het gunnen van de deelopdrachten Linkeroever en Scheldetunnel aan Noriant. Als er uiterlijk op 15 december 2014, gisteren dus, geen gunstig antwoord is van de Europese Commissie, vallen beide partijen terug op een regeling met een dading. Bijgevolg zal het bedrag van de dading verder ingecalculeerd kunnen worden na 15 december, als de beslissing van Europa bekend is.

Er waren ook vragen over concrete cijfers over de invulling van nieuwe beleidsruimte. Die zijn rondgedeeld in een tabel. Daarin is te zien dat er nieuwe beleidsimpulsen gepland zijn voor economische relance en maatschappelijke noden. De tabel is ook terug te vinden als bijlage 2 van het verslag.

Ook inzake O&O, ICT-infrastructuur en instandhoudingsdoelstellingen van natuurgebieden zal de Vlaamse Regering de nodige inspanningen doen, in totaal goed voor meer dan 100 miljoen euro in beleid en bijna 100 miljoen euro in betaalkredieten.

Ook wat betreft de besparingsmaatregelen heeft de minister een tabel laten ronddelen die meer duidelijkheid moet brengen. Hierin worden besparingsmaatregelen uitgesplitst per beleidsdomein.

Er is ook gevraagd of er wel voldoende betaalkredieten zijn opgenomen. De minister merkt op dat een besparing van 1,14 miljard euro in één jaar tijd een enorme inspanning is en dat daarvoor uiteraard volgehouden opvolging op het terrein nodig is voor de daadwerkelijke implementatie. Eventuele bijstellingen zijn niet uit te sluiten, maar maken deel uit van een normale begrotingscyclus en nadien eventuele begrotingsaanpassingen.

Tot daar de reeks antwoorden van de minister.

De discussie gaat dan verder. De heer Bertels is verbaasd over een aantal antwoorden van de minister. Hij had enkele inhoudelijke punten bij het agentschap Zorg en Gezondheid. De minister wenst daar echter niet op te antwoorden, omdat inhoudelijke punten die betrekking hebben op bepaalde beleidsdomeinen, toebehoren aan bevoegde commissies.

Volgens de heer Bertels zijn er blijvende onduidelijkheden vanwege Europa met betrekking tot de consolidatiekring. Hij vroeg of er in de meerjarenraming voor de consolidatiekring andere zaken zijn opgenomen dan in de begrotingen 2014 en 2015. De minister bevestigde dat dezelfde consolidatieperimeter is genomen als voor 2014, ook voor de hogenscholen en universiteiten. De heer Bertels vindt dat dat een discussiepunt blijft.

De heer Rzoska heeft er zo zijn twijfels bij of de begroting, die nu wordt ingediend, in evenwicht is. Misschien is ze op papier in evenwicht, maar er zijn risico’s niet ingecalculeerd. Het Rekenhof heeft volgens hem gewezen op een onderraming in een aantal zeer specifieke posten. Bijvoorbeeld over Brabo 1 en Brabo 2 zegt het Rekenhof dat daar 38,7 miljoen euro voor nodig is, terwijl de begroting 2015 slechts in 30 miljoen euro voorziet. Volgens minister Weyts, aldus de heer Rzoska, zal dat wel worden opgelost bij de begrotingsaanpassing. De heer Rzoska vindt het al moeilijk voor het parlement om die hele begrotingsdocumentatie te lezen, maar als er een onderraming is van bepaalde uitgaven, dan blijkt uit een opmerking zoals die van minister Weyts dat het grote evenwicht op papier in werkelijkheid absoluut niet wordt gehaald.

Bij een optelling van wat nog in de begroting 2015 moet worden opgenomen, aldus de heer Rzoska, komen we op meer dan 100 miljoen euro uit. Gezien het precaire kader waarbinnen moet worden gewerkt, zal dat bedrag niet gemakkelijk te vinden zijn. Europa wordt verweten niet duidelijk te zijn en nattevingerwerk te leveren. Maar, aldus de heer Rzoska, als de kritiek van het Rekenhof in aanmerking wordt genomen, en voor een deel ook de opmerkingen van de SERV, zeker met betrekking tot de pps-constructies, dan blijkt dat minister Turtelboom het parlement in grote mate nattevingerwerk voorlegt.

Hierop deed de heer Diependaele opmerken dat de oppositie altijd zegt dat de begroting niet zal kloppen, maar als blijkt dat de rekening wel klopt, is de oppositie niet aanwezig op het debat. De heer Diependaele betreurde dat er heel veel thema’s ter sprake kwamen die eigenlijk in de bevoegde commissies aan bod zouden moeten komen. Hij heeft het debat in de commissie Openbare Werken, waar de heer Rzoska net naar verwees, niet gevolgd, en dat vindt hij vervelend.

Vervolgens gaf minister Turtelboom een toelichting bij de meerjarenbegroting 2015-2020. Ze verklaarde dat de meerjarenraming conform artikel 6, paragraaf 2, van het Rekendecreet in het parlement is ingediend een maand na het indienen van de begroting. Het gaat om een raming van de budgettaire evoluties, waarbij alle relevante informatie is opgenomen om een accurate inschatting van de beleidsruimte van de komende jaren te krijgen. De raming is evenwel sterk afhankelijk van de gehanteerde economische parameters.

De minister ging ook in op de vragen of de raming eventueel al bij het indienen van de begroting kon worden meegegeven, zoals de Algemenebepalingenwet dat voorschrijft. Zoals het Rekenhof ook opmerkte, zijn er bij die meerjarenraming veel nieuwe factoren in rekening genomen, zoals de zesde staatshervorming, het verstrengde begrotingstoezicht en de recurrente maatregelen op de uitgaven. Als men er, naar aanleiding van de evaluatie van het Rekendecreet, voor opteert om de meerjarenraming in de toekomst samen met de begroting in te dienen, zal moeten worden nagegaan hoe de voorbereiding praktisch kan worden ingekanteld in de werking van administraties en kabinetten. De minister is bereid daarover na te denken, al zal het niet eenvoudig zijn.

De minister is zich ook bewust van de beperktheden van deze raming, vanwege de talrijke onzekerheden die erin vervat zitten. Zo gebruikt men aan inkomstenzijde de laatst beschikbare economische parameters. De groeiprognoses zijn gebaseerd op de economische begroting van september 2014, terwijl de inflatievooruitzichten aangepast zijn aan de meest recente gegevens van het Federaal Planbureau, met name de consumptieprijsindex van 4 november 2014.

Dit heeft onder meer een daling van de inkomsten uit de samengevoegde belastingen tot gevolg in 2016 en de volgende jaren. Economische parameters gaan gepaard met veel onzekerheden. Daarom is het ook een raming die zich naargelang de economische evolutie anders kan voordoen.

Wat de uitgavenzijde betreft, wijst de minister erop dat er rekening is gehouden met zowel de uitgaven bij constant beleid als de nieuwe uitgaven naar aanleiding van de overgehevelde bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming. De maatregelen die genomen zijn bij de begrotingsopmaak 2015, zijn daarbij doorgetrokken in de daaropvolgende begrotingsjaren of komen verder op kruissnelheid terwijl andere maatregelen na een bepaalde tijd worden stopgezet. Ook zijn alle contractuele verplichtingen die voortvloeien uit de diverse alternatief gefinancierde projecten budgettair vertaald. Bij de evolutie van de uitgaven is evenwel geen rekening gehouden met de directe en indirecte effecten van federale maatregelen die momenteel nog in voorbereiding zijn, zoals de vooropgestelde indexsprong en de verhoging van de forfaitaire belastingaftrek voor beroepskosten.

Voor de berekening van het gecorrigeerd vorderingensaldo, zijn de ESR-correcties naar aanleiding van het verstrengd Europees begrotingstoezicht in rekening genomen, aldus de minister. Zo is er door het opschuiven van de bouwkalender in het project ‘Scholen van Morgen’ een verlengd meerjarig effect te verwachten op het vorderingensaldo vanwege de voortgang inzake bouwkost en de aanrekening van de btw bij oplevering. Een andere ESR-correctie betreft de aanrekening van de uitgaven in het kader van VIPA, zowel wat de negatieve correctie inzake investeringsuitgaven als wat de positieve correctie inzake de hospitaalcomponent in de gebruikerstoelage betreft.

Wanneer men alles in rekening neemt, vertoont het gecorrigeerd vorderingensaldo voor het begrotingsjaar 2016 een tekort van 367 miljoen euro. Volgens dezelfde prognoses wordt in de daaropvolgende jaren een overschot verwacht.

Deze raming toont volgens de minister aan dat gezien het onzeker economisch klimaat en het effect daarvan op de inkomsten, de begrotingsopmaak 2015 zeker geen eindpunt is. Het werk is nog niet af, maar de raming toont ook duidelijk aan dat er in de latere jaren van deze legislatuur opnieuw beleidsruimte kan worden gecreëerd om de nieuwe beleidsimpulsen in economische relance en maatschappelijke noden te kunnen uitvoeren en eventueel te kunnen versterken.

De heer Bertels heeft begrepen dat bij de ESR-correcties in de pps-verrekeningen de perimeter dezelfde is gebleven. Hij vraagt aan de minister of het tekort van de gemeenten constant werd gehouden of niet. Hij begrijpt de herraming niet die de minister in de meerjarenplanning doet met betrekking tot de elasticiteit, die van 1,5 naar 1,15 daalt. Hij vraagt naar het waarom van de keuze die de Vlaamse Regering heeft genomen voor de herrekening van de opcentiemen die de minister nu volledig ten laste heeft genomen van het begrotingsjaar 2018.

De heer Bertels heeft nog een heel specifieke vraag met betrekking tot de kosten voor de kinderbijslag. Er staat dat die kosten zijn verwerkt en dat de besparingen recurrent zijn doorgetrokken. Betekent dat dat de niet-indexering recurrent is doorgetrokken? In het Competitiviteitspact staat immers uitdrukkelijk dat die vanaf 2017 wel opnieuw ingeschreven is. Bij de kinderbijslag staat net het tegenovergestelde.

De heer Bertels wil graag een toelichting bij de efficiëntiewinsten waarin minister Turtelboom voorziet bij de provincies in het kader van de onroerende voorheffing, waarbij wordt uitgeklaard dat dat de reden is voor de stijging van de onroerende voorheffing.

De spreker heeft een vraag over de alternatieve financiering van het VIPA. Vanaf 2016 voorziet de minister in plus 12 miljoen euro, maar dat is alleen voor de gemachtigde projecten. Betekent dat dat er vanaf 2016 geen nieuwe projecten kunnen worden gemachtigd?

Het parlementslid verwijst naar het cijfer met betrekking tot de zogenaamde A1 van het budget financiële middelen voor de ziekenhuizen, onder meer voor grote onderhoudswerken. Minister Vandeurzen verklaarde dat er nog overleg bezig was met de Federale Regering daarover. Op pagina 26 leest hij nu een globaal bedrag voor A1, A3 en C3. Welk bedrag is er dan voor A1, de onderhoudswerken? 

Voor het normerende kader van het doelgroepenbeleid voorziet de minister in een reële nulgroei. Dat lijkt de heer Bertels vreemd, omdat men vindt dat er geen extra tewerkstelling zal komen. De ontvangsten voor De Lijn stijgen gewoon met de inflatie. De heer Bertels vraagt of dat wil zeggen dat de minister ervan uitgaat dat de prijsverhogingen die de Vlaamse Regering wil invoeren, zullen worden gecompenseerd door een lager passagiersaantal, want anders klopt dat verhaaltje niet.

Wat is aangekondigd, maar wat de heer Bertels niet heeft teruggevonden, is de 320 miljoen euro die de stad Antwerpen zou moeten hebben betaald met betrekking tot de mobiliteit in de stad. Dat bedrag zou worden overgenomen door Vlaanderen, waardoor de stad Antwerpen dat geld in de overkapping van de ring kan stoppen. Klopt dat of niet? Tot daar de vragen van de heer Bertels.

De heer Crombez merkt op dat de begroting blijkbaar nog elke week wordt bijgestuurd en illustreert dat met enkele voorbeelden. De minister zegt dat er dingen en cours de route veranderen. Het parlement probeert precies te begrijpen wat er aan het veranderen is, volgens de heer Crombez. Er is de discussie over hoe we de begroting moeten beheren en of we naar tekorten of evenwichten moeten. De minister zegt dat het in evenwicht zal zijn, maar op dit moment in de stand van de besprekingen is er volgens de heer Crombez al een tekort op drie eenvoudige posten.

In onderwijs heeft de minister toegegeven dat er voor de scholenbouw en voor de beurzen een tekort is. In de berekeningen voor de kinderbijslag voor de timing van de inflatie, had men een besparing van 63 miljoen euro, maar die is er ook niet volgens het parlementslid. In de begroting voor volgend jaar legt de regering dus geen evenwicht voor.

Klopt het dat de lastenverlagingen voor de bedrijven, het Competitiviteitspact, is uitgesteld naar 2017? Er zat in het Competitiviteitspact ook een verlaging van de lasten op outillage en materieel, volgens de heer Crombez. Is het juist dat die beslissing niet meer in de meerjarenbegroting staat? Dat is de eerste vraag: de 325 miljoen euro en de onduidelijkheid daarrond.

Volgens de heer Crombez is er nu een discussie of de begroting in evenwicht is of niet. Hij vindt van niet. Het Rekenhof heeft duidelijk aangegeven dat de herfstvooruitzichten van de Europese Commissie een vertraging voorspellen waar de minister het best rekening mee houdt. Het gaat over 200 miljoen euro. De verwachting is dus dat de minister niet alleen een tekort heeft voor volgend jaar, maar ook dat het zal toenemen. Wat is dan het nut van een provisie van 187,5 miljoen euro voor dringende investeringen, als de budgettaire situatie het toestaat? De heer Crombez zegt dat men moet oordelen over een begroting, los van de gigantische kredieten, de volmachtenkredieten op de overgedragen bevoegdheden. Men weet voor een groot deel niet wat erin zit en de cijfers zijn zeer onduidelijk. Dan is er nog een enorme provisie, een veelvoud van de verhoging van het inschrijvingsrecht voor het hoger onderwijs.

De heer Crombez komt op een volgend punt. Als Europa zegt dat het het structurele pad wil kennen, dan kan dat worden berekend. Er zijn meerdere berekeningswijzen. Je kunt het nominaal uitzuiveren voor het conjuncturele en je kunt het uitzuiveren voor het conjuncturele en de eenmalige maatregelen. Dat kun je op verschillende manieren doen, maar dat is een conventie. In het Overlegcomité zouden de afspraken tussen de verschillende overheden opnieuw gemaakt moeten worden. Men heeft al gezegd dat dat zo is voor het lokale niveau, maar ze zijn niet bevestigd door de verkiezingen. Dat heeft het Rekenhof vorige week gezegd. Als de overheden afspreken om gezamenlijk naar het structurele te kijken, dan is dat een conventie. Jaarlijks zegt de Nationale Bank hoe ze overgaat van het nominale naar het structurele. Waarom zou dat voor een regering een probleem zijn? Het is de bedoeling dat de overheden in het Overlegcomité afspreken wat de begrotingspaden zijn en op meerdere jaren.

Het structurele is volgens de heer Crombez belangrijk, temeer daar de verwachting is dat de economie nog vertraagt. Er zal een tekort zijn in 2016, en dan blijf je naar grotere tekorten gaan.

De heer Crombez vraagt vervolgens aan de minister of ze in het Overlegcomité die discussie met de Federale Regering wil voeren om gezamenlijk dat structurele pad te maken. De meerjarenbegroting is inderdaad een raming, maar het document dat de minister heeft meegegeven, is enorm verhelderend over een aantal politieke keuzes en beleidskeuzes. Als je vooral met onderwijs en zorg te maken hebt in je begroting, dan moet je ervoor zorgen dat je in slechtere tijden niet op die twee zaken bespaart, meent de heer Crombez.

De heer Crombez komt dan terug op de vorderingen. Hij bedankt de minister voor haar toelichting. Hij heeft nooit de focus gelegd op de vorderingen van minder dan een jaar. Die uitleg is duidelijk, met de informatie die hij heeft gekregen van de minister. Dan zijn er de handelsvorderingen. De minister heeft gezegd dat die 174 miljoen euro van de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) bevatten. Dan blijft er nog ongeveer 1,2 miljard euro over. Dat gaat over de belastingen, maar daarin is men al efficiënt, zo is gezegd. Volgens de heer Crombez zijn er maar twee mogelijkheden. Ofwel zijn die 1,2 miljard euro over minder dan een jaar allemaal belastingen, en dan neemt de heer Crombez geen vrede met de boodschap dat men efficiënt genoeg is. Ofwel zitten er in die 1,2 miljard euro nog andere dingen. Hij zou dan ook graag weten waarover dat gaat.

De heer Crombez wil geen intentieverklaring afleggen over wat het Rekenhof kan hebben bedoeld, maar als men het heeft over een sterke toename van de vorderingen in minder dan een jaar, dan zal het Rekenhof willen weten wat er aan de hand is met de inning van die belastingen. Die 1,2 miljard euro aan onduidelijke vorderingen bedraagt evenveel als de totale besparingen van de Vlaamse Regering voor volgend jaar.

Wat de lokale overheden betreft, vraagt de heer Crombez zich af of de minister de vennootschapsbelasting op intercommunales meeneemt naar het Overlegcomité. Het gaat om een federale beslissing die een impact kan hebben op de gemeentefinanciën en op de gesubsidieerde contractuelen (gesco’s). Er zit een enorm effect op de meerjarenraming van tekort naar overschot. De heer Crombez wijst erop dat de drie posten kinderbijslag, scholenbouw en studiebeurzen met een tekort zitten. Volgens het Rekenhof voorspellen de herfstprognoses een neerwaartse groei. Er bestaat een groot verschil tussen die 1,5 procent volgend jaar en de 1,7 procent in 2017. Als de elasticiteit op de ontvangsten sterk daalt naar 1,5 procent, naast die hoge groeivoet, hoe kan men die raming dan als iets redelijk stevigs zien?

De minister heeft het ook gehad over een tekort in 2016 en overschotten vanaf 2016. De heer Crombez wil weten of de bedoeling is om dat tekort in één keer weg te werken in 2016. Dat kan immers uit niets worden afgeleid. De verwachte groeivoeten zijn negatiever dan de groeivoeten die worden gebruikt, en wat verder met de grote impact van de neerwaartse bijstelling van de elasticiteit? Als die groeivoeten zich doorzetten, dan zit men niet alleen in 2016 opnieuw met een besparing in onderwijs en zorg, maar misschien ook in 2017. Dat staat ook in de herfstprognoses van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV). Het gaat over 330 miljoen euro voor Vlaanderen, over 400 miljoen euro voor de regio’s. In 2018 staat er nu al een tekort ingeschreven. Men kan dus niet zomaar overschotten realiseren.

In de meerjarenraming staat dat er diverse verplichtingen zijn die alternatief gefinancierd zijn. De heer Crombez vraagt zich af wat dat betekent voor Via-Invest en Lijninvest. Dat valt nergens uit op te maken. Heeft de minister een lijst van de projecten achter die cijfers? Wat zit daar wel en niet in?

In 2016 is er een tekort van 367 miljoen euro. In datzelfde jaar zit voor 420 miljoen euro aan herklasseringen. De heer Crombez vraagt zich dan ook af of het klopt dat het niet noodzakelijk is om al die herklasseringen in één jaar te nemen. Hij vraagt zich verder af hoe de Bijzondere Financieringswet moet worden gelezen in de meerjarenbegroting. De personeelsenveloppes komen echter geïndexeerd. Wat betekent dat? Als de federale overheid beslist de index voorlopig niet door te voeren, wat betekent dit dan voor 2015?

De heer Crombez verwijst naar de ramingen van de ontvangsten in tabel 2.6, waar hij geen enkele uitleg voor vindt. De onroerende voorheffing voor 2015 en 2016 stijgt met 15 percent. Nadien blijft het vlak. Is daar een verklaring voor?

Er is een technologie-effect en een vergroeningseffect. Minister Muyters heeft dat volgens de heer Crombez in het verleden al grondig toegelicht. Dat vergroeningseffect doet zich echter niet voor. Er is een toename van slechts 0,5 percent. Zal de regering daar al dan niet aan remediëren?

De heer Crombez vraagt zich af of er rekening is gehouden met de responsabiliseringsmechanismen voor de klimaatmiddelen in de meerjarenbegroting. Wordt in de meerjarenraming rekening gehouden met de prognoses voor de vergrijzing, laat staan de verhoging van de pensioenleeftijd? De heer Crombez vindt dat de ramingen van de verschillende overheden daar rekening mee zouden moeten houden.

Tijdens de Septemberverklaring reageerde de meerderheid nogal fel toen de heer Crombez een vraag stelde over de zorguitgaven. De vraag die hij stelde, was of er met de cijfers die men tot dan had, een besparingspad is in Welzijn. Hoewel dat werd ontkend, staat er in de meerjarenbegroting dat er een besparingspad is voor Welzijn, ook al gaat het om een raming. De vraag van de heer Crombez is dan ook in hoeverre daar rekening mee is gehouden. Voor het parlement is het belangrijk te weten wat de uitgangspunten van de minister zijn. Vraag is ook of dit niet vermijdbaar is.

Wat de woonbonus betreft, is er inzake de fiscale uitgaven 2015-2020 sprake van een toename van 761 miljoen euro. De meerjarenbegroting zou rekening houden met politieke afspraken. Betekent dit dat er rekening wordt gehouden met de fiscale uitgaven in de woonmaterie? Worden bijvoorbeeld de veiligheidsinvesteringen verminderd? Is er in de meerjarenbegroting rekening gehouden met wat de federale overheid doet en een impact heeft op de wooninvesteringen?

Er wordt gesteld dat er een pad is van 3 procent toename voor de uitgaven O&O. De heer Crombez vindt dat nergens terug. Waar kan hij effectief vaststellen dat er is voorzien in een toename met 3 procent voor die materie? In de meerjarenraming staat een overzicht van de besparingen. In die tabel is er sprake van een stijging van 447 miljoen euro. Er is echter een verschil van 50 miljoen euro met de toelichting. Vanwaar dat verschil tussen de tabel en de toelichting?

Soms worden er vragen gesteld over de noodzaak van sommige ingrepen. De Nationale Bank heeft een rapport gemaakt over de vraag of er moet worden gewerkt aan de uitgaven. Absoluut, meent de heer Crombez, maar we moeten wel opletten voor sommige ingrepen op de uitgaven. Men moet voorzichtig zijn met alles wat tewerkstelling en arbeidsmarkt kan stimuleren, aldus de Nationale Bank.

Bij Werk staat er in meerjarenraming een bedrag van 66 miljoen euro extra inspanningen. De heer Crombez vraagt zich af waar het precies over gaat en of er enig verband is met het Competitiviteitspact of andere lastenverlagingen.

Volgens de heer Crombez zit er in de laatste alinea over Mobiliteit en Openbare Werken een ‘black box’. Daar staat dat er tijdelijk en langzaamaan een pad wordt gemaakt. De heer Crombez vraagt wat daarmee wordt bedoeld. Hij vindt daar geen aanknopingspunt met de meerjarenbegroting. Maar misschien weet de bevoegde minister zelf nog niet wat hij ermee gaat doen en wat eerbaar is.

De spreker begrijpt ook niet hoe men uit de meerjarenbegroting kan afleiden dat het klopt dat de volledige enveloppe voor de renovatiepremie wordt teruggezet. Men was van 89 miljoen euro tot die besparing van 69 miljoen euro gekomen. De bevoegde minister Homans heeft in de plenaire vergadering gezegd dat de hele enveloppe zou terugkomen. Hoe kan men dat in de meerjarenbegroting zien?

De heer Björn Rzoska heeft nog enkele bijkomende vragen en opmerkingen bij de antwoorden van minister Turtelboom op de antwoorden van het Rekenhof. De minister zei dat het met die pps’en wat moeilijk is in Europa, dat het nu wat nattevingerwerk is. We moeten op dit moment de consolidatieperimeter, die telkens groter wordt, regelmatig aanpassen. De heer Rzoska zegt een andere lezing van de feiten te hebben.

Europa laat niet een oranje, maar een rood licht knipperen. In het verleden is men rustig door het rood blijven rijden, in de hoop dat de politieagent op het kruispunt geen boete zou uitdelen.

De meerjarenraming bevat een overzicht van wat minister Turtelboom allemaal binnen de perimeter voorziet. De heer Rzoska zegt in de meerjarenraming niets terug te vinden over het Oosterweelproject. Volgens hem heeft Europa daarover heel wat terechte opmerkingen. Hij vraagt of hij hieruit mag afleiden dat de Vlaamse Regering de volgende vijf jaar geen enkele terreinwinst zal boeken, aangezien het ook niet is opgenomen in de cijfers van de meerjarenraming.

In het advies van de SERV bij de begroting ziet de heer Rzoska alvast op één punt een parallel met wat het Rekenhof zegt, namelijk met betrekking tot de beleids- en beheersmatige aanpak van al die pps-projecten. Het is volgens hem niet toevallig dat de SERV daarop in ruime mate focust. Dat is een herhaling van de vraag van het Rekenhof.

Ondanks het antwoord van de minister daarop, blijft de heer Rzoska het een ongelooflijk risico vinden. Pas nu zien we mondjesmaat de impact op de begroting van heel wat van die pps-projecten. Nog maar recentelijk waren er berichten over de bouw van de nieuwe bruggen over het Albertkanaal. Als die kloppen, komt er volgend jaar in de begroting nog een stuk bij van een project waar iedereen inhoudelijk wel achterstaat, maar waarvoor dan toch blijkbaar in het verleden voor de zoveelste keer een verkeerde formule werd gekozen om het te realiseren. Daarvan is ook niets terug te vinden in de meerjarenraming. De heer Rzoska vermoedt dat minister Turtelboom nog niet op de hoogte was van wat daar precies het probleem was.

De heer Rzoska sluit zich ten dele aan bij wat de heer Crombez zei over die 187,5 miljoen euro voor nieuwe investeringen. Minister Turtelboom heeft daarover gezegd dat, indien mogelijk, die investeringen zouden worden gedaan. Zij heeft daarvan ook een opsomming gemaakt. Maar in de meerjarenraming leest de heer Rzoska dat de grootste tegenstander van de minister bij de opmaak van de meerjarenraming, maar eigenlijk ook van de meerjarenbegroting, de economische groeicijfers zijn. Hij denkt dat de cijfers die nu naar boven komen, voor een deel in het nadeel van de minister zullen spelen. Gezien alles wat er op ons afkomt, is de kans zeer groot dat de nu nog niet toegekende extra buffer zal verdwijnen.

De voorzitter

Mevrouw Maes, kunt u het verslag verder niet te gedetailleerd afwerken, want op deze manier zijn we om 13 uur nog bezig. De bedoeling van een verslaggever is dat hij of zij de grote lijnen weergeeft van een debat, en niet elk detail. Dat kunnen we in het verslag zelf lezen. Ik zou willen vragen om tot een soort afronding te komen. (Opmerkingen van de heer Bruno Tobback)

Mevrouw Lieve Maes (N-VA)

Minister Turtelboom gaat in op bijkomende vragen en dat kunt u dan in het uitgebreide verslag van 105 pagina’s lezen.

Dan is er uiteindelijk een debat geweest over de analyses van meerderheid en oppositie. Er ontspon zich een debat over de alternatieven die door de oppositie naar voren werden geschoven. Dit debat werd gevoerd door de heren Somers, Crombez, Diependaele en Van den Heuvel. Ik was van plan om hierover heel weinig te zeggen omdat u daarop vermoedelijk zult terugkomen in uw uiteenzettingen.

Minister Turtelboom vond het een geanimeerd en boeiend debat. Ik ga hier even op in omdat het terugkomt in een van de amendementen. Het gros van de openstaande vorderingen is effectief geïnd. Uit de gegevens van drie kwartalen blijkt dat al 82,67 procent van de vorderingen is geïnd.

De heer Crombez vraagt naar de invorderingen omdat hij wil weten wat de impact op de begroting is. Als het klopt dat de vorderingen sneller worden geïnd, dan moet dat worden vertaald in de basis van 2014 en is dat zelfs goed nieuws voor de begroting van 2015.

Minister Turtelboom zegt dat de basis van de inkohiering wordt aangerekend in het ESR-vorderingssaldo. Dat was ook de voorbije jaren zo. Na drie kwartalen zit men al op 82 procent en het eindpercentage zal opnieuw worden gehaald zonder te versnellen. Het ritme wordt gewoon aangehouden.

Na nog verdere discussie stelt minister Turtelboom voor om op het moment dat de rekeningen 2014 worden afgesloten, een debat te houden en de rekeningen te vergelijken met die van 2012 en 2013. Ze begrijpt de bezorgdheid nu beter. Wanneer de volumes dalen en stijgen, is er inderdaad een impact op de begroting. Ze heeft nu geen gedetailleerde cijfers van die evolutie. Ze zegt alleen dat men op een invorderingspercentage zit dat logisch is. Ook het getal is logisch om in te schrijven. Er zijn meerjarenramingen waarin men realistische inschattingen moet maken. Men moet niet masochistisch zijn maar men moet een evenwicht zoeken, zeker op budgettair moeilijke en economisch kwetsbare momenten. Men moet ervoor zorgen dat de inningen goed lopen om zo de begroting te kunnen stutten in de jaren waarin dat nodig is.

De minister besluit de verdere discussie met de samenvatting dat als er minder wordt doorgestort, men meer in kas heeft.

Wat de artikelsgewijze bespreking en de eindstemming betreft, overloop ik kort de vier ontwerpen. Op het ontwerp van decreet houdende aanpassing van de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014 waren er geen amendementen. De artikelen en tabellen werden aangenomen met twaalf stemmen voor en drie tegen. Het ontwerp van decreet werd ongewijzigd aangenomen met twaalf stemmen voor en drie tegen.

Voor het ontwerp van decreet houdende tweede aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014 waren er amendementen van de Vlaamse Regering op de artikelen 1, 3, 34, 49, 52, 58 en 84 over het corpus van het decreet. Telkens was de stemming twaalf voor en drie tegen, zowel voor de amendementen, de gewijzigde artikelen als voor de artikelen zonder amendementen.

Op de tabel waren er amendementen die door de indieners werden ingetrokken. Het ging over de amendementen 1 en 2. De amendementen 10 tot 12 van de Vlaamse Regering wijzigen de tabel op diverse plaatsen. Bij amendement 16 vraagt de heer Bertels of dit amendement bepaalt dat de beleidskredieten voor de kabinetten worden verhoogd. Minister Turtelboom antwoordt daarop dat die verhoging te maken heeft met het feit dat er in deze regering, in vergelijking met de vorige, een extra viceminister-president is die een extra kabinet heeft. De amendementen 10 tot 25 worden aangenomen met twaalf stemmen voor en drie tegen.

Het geamendeerde ontwerp van decreet wordt aangenomen met twaalf stemmen voor en drie tegen.

Wat het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015 betreft, is er een amendement van de Vlaamse Regering betreffende het corpus van het decreet op artikel 3. Zowel het amendement, het gewijzigde artikel als alle niet-gewijzigde artikelen worden aangenomen met twaalf stemmen tegen drie.

Op de tabel zijn er drie amendementen van de Vlaamse Regering die worden aangenomen met tien stemmen tegen drie. Er worden ook twee amendementen, 6 en 7, ingediend door de heer Bertels. Amendement 6 strekt ertoe de algemene ontvangsten en de toegewezen ontvangsten aan te passen. Het betreft de hele discussie over die 1,2 miljard euro. Amendement 7 van dezelfde indiener wil een nieuw begrotingsartikel invoeren voor opbrengsten uit een tolheffing voor vrachtverkeer in de Liefkenshoektunnel. Dit kan volgens hem 40 miljoen euro extra inkomsten opleveren.

De heer Diependaele stelt dat het geheel van de amendementen van de fractie van de heer Bertels bij de middelen- en uitgavenbegroting niet budgetneutraal is. Sp.a geeft duidelijk aan dat ze voor 2015 in het rood wil gaan. De fractie graaft dus wel degelijk putten.

Er was nog een uiteenzetting van de heer Crombez waarin een aantal van eerder aangehaalde punten werden herhaald. Uiteindelijk werden de amendementen 6 en 7 verworpen met 3 stemmen tegen 12. De eindstemming over het ontwerp van decreet, gewijzigd met de aangenomen amendementen, wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 3.

Ten slotte is er het vierde ontwerp van decreet, houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015. Over het corpus van het ontwerp van decreet waren er amendementen van de Vlaamse Regering op de artikelen 1, 2, 3, 18, 62, 92, 101, 104, 130 en 139 en een voorstel tot een nieuw artikel 18/1. Al deze wijzigingen werden goedgekeurd met 12 stemmen tegen 3. Er waren twee amendementen van de dames Gennez, Soens en Meuleman op respectievelijk artikel 17 en 18. Die werden allebei verworpen met 2 stemmen tegen 12, bij 1 onthouding. Alle ongewijzigde en door amendementen gewijzigde artikelen werden aangenomen met 12 stemmen tegen 3.

Door de aanneming van amendementen 20 en 21 werden de artikelen 19 tot 62 hernummerd. Op de tabel werden ook diverse amendementen ingediend door de leden van de oppositie. Die werden gezamenlijk besproken. De heer Diependaele heeft een korte rekenoefening gemaakt over hoever de oppositie met die amendementen in het rood zou gaan. Zonder exact de berekening te kunnen maken, kwam hij op een extra tekort van een kleine 100 miljoen euro. Ik ga ervan uit dat hij dat zo dadelijk nog zal toelichten.

Er was nog een hele discussie over amendement nummer 83, dat gaat over het gratis openbaar vervoer voor parlementsleden. De heer Diependaele betreurt dat sp.a een amendement indient over een thema dat wordt uitgewerkt door het Uitgebreid Bureau in het kader van de meerjarenbegroting van het Vlaams Parlement zelf. Alle partijen zijn het erover eens dat er een einde moet komen aan het gratis openbaar vervoer voor de parlementsleden, en niet sp.a alleen, zoals dit amendement suggereert.

De heer Rzoska kondigt aan dat hij zich zal onthouden bij de stemming over dit amendement omdat het niet helemaal overeenstemt met de afspraken binnen het Uitgebreid Bureau. De heer Crombez stelt vast dat het mogelijk is om snel een beslissing te nemen als het gaat over de verhoging van de tarieven voor de gezinnen. Volgens hem moet een snelle beslissing dan ook mogelijk zijn als het gaat over parlementsleden. Ook de heer Van den Heuvel en de heer Schiltz mengen zich in dit debat. De heer Somers vindt dat men het recht van parlementsleden op gratis openbaar vervoer in vraag mag stellen als bijvoorbeeld senioren daar geen recht op hebben. Hij verwijst naar de discussie in het Uitgebreid Bureau, waar een consensus aan het groeien is, en vraagt om dit amendement terug te trekken.

De amendementen die werden ingediend door leden van de oppositie, worden alle verworpen met 3 stemmen tegen 10, met uitzondering van de amendementen nummer 9 en 83 die betrekking hebben op het gratis openbaar vervoer voor parlementsleden. Die twee amendementen worden verworpen met 2 stemmen tegen 10 bij 1 onthouding.

Bij de tabel worden er diverse amendementen ingediend door de Vlaamse Regering. Die worden alle aangenomen met 10 stemmen tegen 3, uitgezonderd de amendementen 50 en 51, die worden aangenomen met 11 stemmen tegen 3. De eindstemming van het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015 wordt aangenomen met 10 stemmen tegen 3. Tot zover het verslag. (Applaus)

De voorzitter

Zijn er nog vragen aan de verslaggevers? (Neen)

Zijn er verslaggevers van het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2014 of van het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015, de zogenaamde programmadecreten, die het woord vragen? (Neen)

De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Dames en heren, een goeie middag ondertussen. Ook mijn dank aan de verslaggevers. We weten nu dat het niet enkel de oppositie is die kan filibusteren, wij kunnen er ook wat van. Ik heb mijn vrouw al gezegd dat ze een bord minder mag plaatsen op kerstavond. (Gelach)

Voorzitter, minister-president, heren en dame ministers, collega’s, de komende twee dagen is het eindelijk aan ons om ons als volksvertegenwoordigers uit te spreken over de voorliggende begroting. Eigenlijk is dat na de regeringsverklaring en de Septemberverklaring de derde keer dat we het er hier over zullen hebben.

Het onderwerp is meer dan belangrijk genoeg om dat te doen. We maken immers keuzes voor de toekomst. De begroting voor 2015 werd de voorbije weken grondig besproken in de verschillende commissies, getuige daarvan de uitgebreide verslaggeving. Ik wil trouwens alle fracties bedanken voor de levendige debatten die we konden voeren. Een volwassen democratie heeft nood aan dergelijke goede debatten.

Samen met nog enkele mensen hier, behoor ik nog net tot een jongere generatie Vlamingen. De grote besparingen uit de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw, het Sint-Annaplan en het Globaal Plan ken ik eigenlijk alleen maar uit de geschiedenisboeken of van verhalen van collega’s die al wat langer meedraaien – zonder hierbij specifiek aan iemand te denken, voorzitter. In alle eerlijkheid, ik was toen zelfs nog niet bezig met de politiek.

Vandaag zijn er andere mensen die ook nog niet bezig zijn met de politiek. Ik vraag me dan ook af hoe de kinderen van vandaag later zullen terugkijken op het begrotingsbeleid dat de huidige meerderheid voert, wanneer ze horen van de besparingen die we vandaag bespreken. Ik ben er in elk geval zeker van dat de kans heel klein is dat ze deze regering of de Federale Regering zullen aanklagen voor schuldig verzuim. Je kan het eens of oneens zijn met de maatregelen die we nemen, maar je kan niet beweren dat we als meerderheid de kop in het zand steken. Deze meerderheid gelooft niet in de onzin dat de begrotingstekorten en de overheidsschuld er vanzelf gekomen zijn en dus ook wel weer vanzelf zullen verdwijnen. Wij nemen onze verantwoordelijkheid en maken keuzes! (Applaus bij de N-VA)

Zo mogelijk staat Vlaanderen, en daarmee ook de federale overheid, vandaag voor nog grotere uitdagingen dan in de jaren 80 en 90, wellicht zelfs voor de grootste uitdaging sinds de Tweede Wereldoorlog.

Het zijn niet enkel budgettaire uitdagingen, er zijn ook heel wat maatschappelijke problemen die om oplossingen, om beleid en om geld vragen: de vergrijzing, de zorg voor kwaliteit in ons onderwijs, energieproblemen, mobiliteitsproblemen, toenemende zorgnoden en ga zo maar verder. De grootste uitdaging vandaag ligt in het verzoenen van de budgettaire uitdagingen met de maatschappelijke problemen die om oplossingen vragen.

Er zijn drie factoren die ons extra budgettaire kopzorgen bezorgen. In de eerste plaats is er de economische motor die in Europa maar niet wil aanslaan. Wat meer economische groei zou de budgettaire hemel al heel wat doen opklaren. Maar we weten allemaal dat de economische vooruitzichten voor 2015 niet de goede kant opgaan.

Hiernaast doet ook de nieuwe Financieringswet ons budgettair pijn. Ze zorgt ervoor dat de beleidsmarge die we, samen met de partners, de vorige jaren met zuinig beleid hebben gecreëerd, als sneeuw voor de zon is verdwenen.

En ten slotte hebben natuurlijk ook de nieuwe Europese boekhoudregels een negatieve impact op de begrotingscijfers.

Ook maatschappelijk dient de toekomst zich niet zonder zorgen aan. Een kind dat nu opgroeit, heeft 11,2 procent kans om op te groeien in een kansarm gezin. Datzelfde kind zal langer moeten werken om steeds meer gepensioneerden van een degelijk pensioen te voorzien. In 2010 waren er per gepensioneerde nog 3,63 personen op actieve leeftijd. In 2020 zal dat gedaald zijn tot 3,08 personen en in 2060 zullen het nog maar 2,07 zijn.

Bij de eerste schreeuw van een pasgeboren kind heeft het al onmiddellijk een schuld van 36.000 euro boven zich hangen. Dat is meer dan bij leeftijdsgenoten in pakweg de Verenigde Staten, waarvan we allemaal horen dat de schuldopbouw enorm is, het Verenigd Koninkrijk of Nederland. We kennen de oorzaken, en die liggen in een ver of minder ver verleden. Ik zeg dat niet om met de vinger te wijzen, maar omdat we eruit moeten leren. Wie zijn geschiedenis niet kent, is gedoemd om ze opnieuw te beleven. Als N-VA maken we de uitdrukkelijke keuze om de fouten uit het verleden niet te herhalen. Met deze regering willen we het schip een andere koers laten varen. En inderdaad, dat zal soms pijn doen. Niet alle maatregelen zijn pijnloos, niet alle maatregelen zijn populair. Als we vandaag niet de moed hebben om budgettair orde op zaken te stellen omdat we facturen doorschuiven naar de toekomstige generaties, omdat we de ene begrotingsput dempen door een andere te graven, dan maken we onszelf wel schuldig aan begrotingsverzuim.

Collega’s, gisteren vond de nationale staking plaats die door het gemeenschappelijk vakbondsfront werd uitgeroepen. Laat het duidelijk zijn: ik heb wel degelijk begrip voor de onrust die er heerst bij de burger. Ik heb heel wat vragen bij de methodes van de vakbonden, maar ik begrijp ook daar de weerstand. Maar in een wereld die razendsnel verandert, kunnen we niet anders dan ons aanpassen. Als we onszelf niet aanpassen, worden we aangepast. Ik verkies om de verandering zelf mee richting te geven in plaats van ze lijdzaam te ondergaan.

Met deze begroting willen we een cultuuromslag maken met onze overheid. Die omslag steunt op vijf principes. Eerst en vooral is tot in den treure toe herhaald dat de begroting in evenwicht moet zijn. Dat is geen doel op zich, maar een cruciaal middel om onze welvaart te verzekeren op lange termijn. Heel wat mensen binnen en buiten dit halfrond hebben de voorbije weken hun uiterste best gedaan om een apocalyptisch beeld op te hangen van de gevolgen van het begrotingsbeleid van deze meerderheid. Ik verwijs daarvoor graag naar de bijna leugenachtige verklaringen over het inschrijvingsgeld en de prijsverhoging bij De Lijn voor 65-plussers. Tot in den treure toe hebben ze herhaald dat dit beleid Vlaanderen dreigt om te vormen tot een economische en sociale woestijn, maar het tegendeel is waar. Precies het begrotingspad dat we met deze meerderheid volgen, zal voorkomen dat Vlaanderen een economische woestijn wordt. We hebben geweigerd te kiezen voor de gemakkelijkheidsoplossing van het ongewijzigde beleid of voor de populaire sinterklaaspolitiek en daarmee nieuwe schulden te maken. We hebben gekozen voor het politiek moeilijke maar moedige pad van het begrotingsevenwicht. Een evenwicht dat we willen bereiken door een combinatie van investeringen en structurele maatregelen. Het is het enige pad dat niet leidt tot economische woestijnvorming. Het is dus ook het enige pad dat ervoor zorgt dat onze rijke sociale welvaart niet verloren gaat. Dat daarvoor keuzes moesten worden gemaakt, is duidelijk.

Dat brengt me bij het tweede principe. Over deze maatregelen, over de besparingen, over de begroting, is er wel degelijk nagedacht. Het is geen blinde, alles ontziende verzameling pennentrekken van cijferfetisjisten. Elke besparing is het gevolg van het afwegen van alternatieven, waarbij de overheid zelf als eerste in beeld komt. We besparen het eerst op onszelf. We steken de hand eerst in eigen boezem, voordat we de hand … (Gelach)

Als derde principe gaan in elk beleidsdomein de besparingen hand in hand met sociale correcties voor wie het echt nodig heeft. We laten als Vlaamse overheid niemand in de steek. Dat is de manier om tegelijk ons sociaal weefsel veilig te stellen en de nodige hervormingen door te voeren. Als N-VA pleiten we wel degelijk voor een solidaire maatschappij en een rechtvaardige overheid. Maar laat ons toch ook eens over het muurtje kijken en dingen in perspectief plaatsen. België is en blijft de kampioen in herverdeling. Zo blijkt nog maar eens uit de recentste cijfers van het Europees Instituut voor Sociaal en Economisch Onderzoek aan de universiteit van Essex, die in opdracht van de Europese Commissie werden opgesteld. Door onze fiscaliteit, onze sociale zekerheid en andere beleidsmaatregelen is de ongelijkheid in ons land de kleinste van de Europese Unie. Noch op Vlaams niveau, noch op federaal niveau organiseren we de sociale afbraak.

Ik wil hier nog eens uitdrukkelijk het beeld ontkrachten dat de oppositie zo graag van ons ophangt: dat van een blinde, asociale besparingsmeerderheid die enkel snoeit en niet investeert. Dankzij de inspanningen die we in de eerste jaren van de huidige regeerperiode leveren, zullen we kunnen investeren in hoogstaand onderwijs, in de toenemende zorgvraag die een gevolg is van de vergrijzing, in natuur, in landbouw. Ook in cultuur, in sport, in economie en innovatie enzovoort worden tal van investeringen gepland.

Het vierde principe is het eerste deel van de titel van het regeerakkoord: het vertrouwensprincipe. Dit betreft onze visie op een efficiënte overheid. Wij willen een overheid die uitgaat van vertrouwen, waardoor tegenover minder uitgaven op bepaalde domeinen ook meer vrijheid staat, vrijheid in verantwoordelijkheid. Wij willen een overheid die steunt in plaats van weegt op haar burgers. Deze regering geeft vertrouwen aan leerkrachten, aan scholen, aan ondernemers, aan verenigingen, aan het Vlaamse middenveld. We verminderen de administratieve lasten, we willen af van een betuttelende overheid. We willen een overheid die de inbreng van haar burgers naar waarde kan schatten.

Het laatste maar niet het minst belangrijke principe is het vijfde: wij gaan voor jobs, wij gaan voor werk. Deze ploeg heeft een traject voor vijf jaar. Samen met onze federale collega’s zetten wij in op een hervorming van ons arbeidsmarktbeleid en onze sociale zekerheid, en op een versterking van onze economie, met een sterke focus op innovatie en onze kenniseconomie. De federale maatregelen om de loonkosthandicap aan te pakken, staan in het teken van de doelstelling om de Vlaamse arbeidsmarkt te versterken.

Collega’s, vorige week publiceerde de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) haar rapport over megatrends. In opdracht van de VMM hebben experts de invloed bestudeerd van globale trends, megatrends, op het milieu en op het Vlaanderen van de nabije toekomst. Volgens dat rapport zullen zes megatrends gezamenlijk zowel direct als indirect inwerken op de samenleving in het algemeen en op het milieu in het bijzonder. Technologische ontwikkeling is een van die trends. In Vlaanderen zullen het gebruik en de ontwikkeling van ICT, met name interconnectiviteit, intelligente monitoringsystemen en artificiële intelligentie, verder toenemen. Vlaanderen behoort tot de koplopers in Europa op het vlak van toegang tot het internet, breedbandtoepassingen, mobiele telefonie en digitale dienstverlening. In dat rapport staat uitdrukkelijk dat ‘the factory of the future’ terecht beschouwd wordt als een van de sleutels om Vlaanderen competitief te houden ten opzichte van lageloonlanden. Die toekomstige fabriek gebruikt nieuwe productieprocessen die gebaseerd zijn op elektronica, intelligente kennissystemen, automatisering en robotisering.

Maar eveneens vorige week sneuvelden opnieuw honderden banen. De meeste jobs gingen verloren bij Philips Turnhout. 170 werknemers zien er hun baan verdwijnen. Nog in de Kempen kregen de DAF-werknemers in Westerlo te horen dat 100 banen moeten verdwijnen door de inkrimping van de productie.

Indien wij niet ingrijpen, zullen wij dit soort berichten de komende maanden en jaren nog vaak horen. We zullen dan nog vaak debatten voeren en concluderen dat er dringend iets moet worden gedaan aan onze concurrentiepositie en aan het ontwikkelen van nieuwe technieken en producten, aan het creëren van nieuwe industrie en nieuwe jobs. Daarom blijft deze regering investeren om onze groei te ondersteunen, volgend jaar alleen al meer dan 4 miljard euro. En zoals jullie al weten, wordt er naar 2019 toegewerkt met oplopende investeringen van twee keer 0,5 miljard euro voor enerzijds Innovatie en anderzijds Welzijn.

Collega’s, de N-VA kiest samen met deze meerderheid voor de moeilijke weg. We zijn ons daar heel goed van bewust. We kiezen voor oplossingen op de lange termijn. We willen opnieuw een toekomst bieden aan de generaties na ons, zodat ook zij kunnen genieten van de voordelen waarmee wijzelf en onze ouders zijn grootgebracht. Ik ben er zeker van dat Vlaanderen er over vijf jaar beter zal aan toe zijn dan vandaag. Als we op lange termijn denken, moeten wij onze verantwoordelijkheid opnemen, kunnen we onze ambitie waarmaken, kunnen we ervoor zorgen dat Vlaanderen in Europa en in de wereld een topregio wordt en blijft. Want ja, we lijden aan vooruitgangsoptimisme. Als over pakweg dertig jaar de kleuters van vandaag voor het eerst hun intrede zullen doen in dit parlement, zal Vlaanderen er sociaal en economisch beter aan toe zijn dan vandaag. Daar is het ons om te doen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord.

De heer John Crombez (sp·a)

Voorzitter, we hebben met veel interesse naar de speech van de fractievoorzitter van de N-VA geluisterd. Hij heeft zijn speech van vorige keer nog eens gebracht. (Rumoer)

Mijnheer Diependaele, ik heb een paar vragen over wat u hebt gezegd. U hebt verklaard dat een kind momenteel 11,2 procent kans loopt om in een kansarm gezin op te groeien. Dat percentage klopt. Als de Vlaamse Regering dan toch zo bedachtzaam met haar maatregelen is omgegaan, vraag ik me af of ze ook heeft berekend hoeveel kinderen na de op stapel staande prijsverhogingen en inkomensverlagingen in een kansarm gezin zullen opgroeien. Ik vraag dat uit interesse.

Ik heb ook iets nieuws gehoord. We hebben vernomen dat er middelen zijn om in de toekomst te investeren. Ik heb ongeveer alle beleidsdomeinen horen vermelden, van cultuur, tot onderwijs en werk. We voeren nu al een aantal weken begrotingsbesprekingen. Tijdens die weken hebben we de Vlaamse Regering heel nadrukkelijk gevraagd waar die investeringen zich situeren. Gisteren hebben we het nog over het beleidsdomein Welzijn gehad. Het antwoord is dat de besparingen zeker zijn en dat we nog zullen zien of er in de toekomst investeringen komen. Dat is de boodschap die nu wordt gegeven.

Indien wat u zegt klopt, is voorzien in middelen om in de toekomst in onderwijs, werk, zorg, cultuur en dergelijke te investeren. Over het beleidsdomein Welzijn hebben we echter hard doorgevraagd. We hebben een brief van de Vlaamse Regering gekregen. In die brief staat dat de investeringen er misschien komen, dat de besparingen zeker zijn en dat er meer besparingen dan op dit ogenblik zullen komen.

Mijnheer Diependaele, hebben we iets gemist? Uw positieve verhaal heeft betrekking op de toekomst. Alleen de besparingen zijn echter zeker. De investeringen in zorg en welzijn zijn helemaal niet zeker. Dat heeft de Vlaamse Regering in haar brief bevestigd.

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Mijnheer Diependaele, ik apprecieer in elk geval uw eerlijkheid. U hebt verklaard dat de Vlaamse Regering pijnlijke maatregelen neemt. Dat is ondertussen duidelijk geworden. U hebt hier echter aan toegevoegd dat sociale correcties zullen worden ingevoerd voor wie het echt nodig heeft. Op die manier suggereert u meteen dat een heel pak andere mensen die correcties niet nodig hebben.

We hebben minister Homans gevraagd of de armoedetoets is uitgevoerd op een aantal beleidsmaatregelen, zoals de niet-indexering van de kinderbijslag, de verhoging van het inschrijvingsgeld in het hoger onderwijs of de verhoging van de abonnementsprijzen voor het openbaar vervoer. Uit de studies van de Gezinsbond blijkt dat de gezinnen die het openbaar vervoer frequent gebruiken zeer hard zullen worden getroffen.

U hebt net verklaard dat er sociale correcties zullen komen. Ik hoop een antwoord te krijgen op mijn eenvoudige vraag aan u, de fractieleider van de grootste meerderheidspartij. Mogen we de perimeters van die sociale correcties kennen? Wie zal in de toekomst al dan niet van die sociale correcties gebruik kunnen maken? Ik haal uw eigen woorden aan. Wie heeft het echt nodig en wie niet? Mevrouw Homans is ons op dit vlak niet tegemoetgekomen. Ze heeft ons geen antwoord gegeven.

Ik houd mijn hart vast. Wat zal, zoals mijn fractievoorzitter net heeft gevraagd, het effect op het armoederisico zijn?

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Mijnheer Diependaele, ik heb een heel concrete vraag. Volgens u zet de Vlaamse Regering in op jobcreatie. Ik vind dat een heel nobel principe. Mijn concrete vraag is dan ook hoeveel jobs de maatregelen van deze Vlaamse Regering al hebben opgeleverd. Ik heb tot nader order alleen maar een antwoord op de vraag hoeveel jobs deze regering kost. Alleen al in onderwijs gaat het om 2645 jobs, mijnheer Diependaele. Doordat men 60 miljoen euro op jaarbasis bespaart in het secundair onderwijs, gaan 1200 jonge leerkrachten niet aan de slag. Dat zijn cijfers, dat is concreet. Overtuig mij nu van uw politiek.

De voorzitter

De heer Sanctorum heeft het woord.

De heer Hermes Sanctorum-Vandevoorde (Groen)

Mijnheer Diependaele, ik ben positief verrast dat u het fameuze rapport van de Vlaamse Milieumaatschappij over de megatrends aanhaalt, maar u bent wel heel selectief. U begint over de technologische ontwikkelingen, maar er stond natuurlijk heel wat meer in. Grosso modo kun je zeggen dat de boodschap in dat rapport van de Vlaamse Milieumaatschappij eigenlijk haaks staat op wat jullie doen in de begroting voor 2015.

Ik geef een aantal voorbeelden. We hebben twee weken geleden een grondig debat gewijd aan de klimaatverandering. Daaruit bleek nog maar eens dat er vanuit deze Vlaamse Regering onvoldoende wordt geïnvesteerd in klimaatbeleid. Openbaar vervoer, duurzame mobiliteit wordt concreet aangehaald in dat rapport van de megatrends. Wel, waarop besparen jullie? Op openbaar vervoer. Verder is het duurzaam omgaan met grondstoffen, zoals water, een van de grote uitdagingen in Vlaanderen. Wel, de Vlaamse Regering bespaart op investeringen in afvalwaterzuivering.

Nogmaals, de boodschap van dat rapport staat haaks op de boodschap van jullie begroting. Het is dus heel vreemd dat u net dat rapport aanhaalt in uw betoog.

De voorzitter

De heer Beenders heeft het woord.

De heer Rob Beenders (sp·a)

Mijnheer Diependaele, het verheugde mij u te horen zeggen dat de allerzwaksten in deze samenleving niet zullen worden vergeten. Ik reken daarbij ook de mensen die het vandaag moeilijker hebben om een job te vinden, de mensen die hun jobkansen zien verhogen in de sector van de sociale economie en proberen om via een omweg in het reguliere arbeidscircuit terecht te komen. Die mensen zullen de volgende jaren alsmaar meer ondersteuning nodig hebben. U zegt dat u die mensen niet zult vergeten. Ik ben daar blij om. Toch zie ik in de begroting dat u structureel 3 miljoen euro bespaart op het ondersteuningsaanbod. 3 miljoen euro betekent een structurele besparing van 37 procent per jaar op ondernemingen in de sociale economie die ervoor moeten zorgen dat er jobs worden gecreëerd.

Ik stel mij heel concreet de vraag: als u dan toch inzit met de zwakkeren in deze samenleving en u wilt niemand verliezen in deze samenleving, hoe zult u er dan met een structurele besparing van 37 procent voor zorgen dat de zwakkeren in deze samenleving toch nog een job kunnen vinden in de sociale economie, wanneer het reguliere aanbod geen aanbod meer heeft?

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron (Groen)

Mijnheer Diependaele, vandaag besparen om in jobs te investeren voor de toekomst: dat is uw filosofie. Ik veronderstel dat, als een bedrijf of een groep bedrijven 1000 jobs zou verliezen, u dat heel erg zou vinden. Wel, de 51 miljoen euro die in de brede sector van cultuur, jeugd, sport en media wordt bespaard, resulteert rechtstreeks in het verdwijnen van 1020 jobs.

Dat is niet investeren in de toekomst, maar mensen pijn doen. Dat levert geen enkele, maar dan ook geen enkele meerwaarde op. (Applaus bij Groen en sp.a)

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Ik dank u voor de vragen. Voor alle duidelijkheid: ik heb daar geen probleem mee. Maar laten we eerlijk zijn: we zitten hier twee dagen samen om alle onderdelen van de begroting te bespreken. Ik ga niet nu al over elk klein detail discussie voeren. (Rumoer. Opmerkingen van de heer John Crombez)

Maar wacht, mijnheer Crombez. Ik zal antwoorden, wees gerust. Jaag u niet op, alstublieft.

Eerst en vooral, mijnheer Crombez, ben ik zeer blij dat u hebt opgemerkt dat mijn betoog inderdaad in de lijn ligt met het vorige. We houden vast aan de lijn die we hebben uitgezet. Geen stop-and-gobeleid, mijnheer Crombez. Niet in elke verschillende commissie waarin we de begroting bespreken met andere argumenten komen die de vorige tegenspreken. Dat doen wij niet. (Applaus bij de N-VA)

We hebben inderdaad een keuze gemaakt en dat is ook exact waarop ik reken dat deze regering doet. Dat ze de keuzes die nu gemaakt zijn, de lijnen die nu uitgezet zijn, volgt. U moet eens kijken naar ‘De zevende dag’ van januari 2013. Daarin zei mevrouw Meuleman dat de regering een stop-and-gobeleid voert. Er werd toen gezegd dat we te veel ad hoc proberen in te grijpen. Welnu, u hebt er in de commissie ook voor gepleit dat we op basis van de nieuwe groeicijfers van de Europese Commissie onmiddellijk de begroting zouden bijsturen. Maar wij pleiten daar niet voor. We zetten de lijn uit en houden ons daaraan.

Die 11,2 procent is inderdaad een tragisch cijfer, maar het is natuurlijk wel het geval van de vorige regeringen. Ik schuif daarmee geen verantwoordelijkheid af, maar dit is wel het gevolg. In maart heeft mevrouw Lieten zelf beslist dat de armoedetoets niet langer van toepassing zou zijn op de begroting.

De meerjarenraming geeft ons een beeld van wat we de komende jaren zullen kunnen doen. Wij hebben de intentie om twee keer een half miljard te gaan besteden aan enerzijds Welzijn en anderzijds Innovatie. Dat blijft zo. We gaan er alles aan doen om dat ook effectief mogelijk te maken. Maar net als u ben ik geen Madame Soleil en kan ik niet in de toekomst kijken. Maar we zetten nu wel de richtingsaanwijzers aan om in die richting te gaan. De maatregelen die we nu nemen, moeten ons de mogelijkheid geven om dan te investeren.

U hebt er in de commissie voor gepleit om nu putten te maken. Ik heb een zeer interessant lijstje gemaakt van alle amendementen die sp.a heeft ingediend. Als je het allemaal optelt, kom je aan een tekort van 217 miljoen euro. En dan hebt u nog niets gedaan aan de hervorming van de woonbonus. U behoudt die zoals hij is.

U zorgt nu dus voor een put van 217 miljoen euro. Dan moet u mij eens uitleggen hoe de meerjarenramingen eruitzien en hoe u wel zou kunnen investeren. Wij snoeien vandaag om morgen te kunnen groeien, om morgen die maatregelen te kunnen nemen waar zoveel vraag naar is: zorgnoden, onderwijs en ga zo maar verder. Dat is de enige doelstelling waarom we het doen. (Applaus bij de meerderheid)

Mijnheer Van Malderen, de sociale correcties zijn er inderdaad, bij het inschrijvingsgeld bijvoorbeeld. De beurzen worden uitgebreid. (Opmerkingen)

Ik denk ook aan De Lijn, de zorgverzekering enzovoort. Dat gebeurt trouwens altijd op basis van statuten die in het verleden zijn opgesteld, zoals het Omnio-statuut en dergelijke meer. Dat zijn allemaal zaken waar u zelf aan meegewerkt hebt. Wij hebben ons daarop gebaseerd, om te kijken wie het het meeste nodig heeft.

Dan is er tot slot nog het punt van het arbeidsmarktbeleid. Dat staat zeer duidelijk in het regeerakkoord en de beleidsnota. Eerst en vooral willen we onze economie versterken. De half miljard euro aan investeringen in innovatie dienen specifiek daarvoor. Mijnheer Sanctorum, ik heb mij toegespitst op de technologische ontwikkeling, omdat we ons daarop moeten steunen om onze economie te kunnen versterken, zodat wij als kennisregio kunnen bovendrijven in Europa, zodat we daar ons profijt kunnen mee doen om onze economie aan te trekken en de productie opnieuw naar hier te halen.

We gaan daarbij niet voor gesubsidieerde jobs, maar effectief voor jobs in de private sector, en wel omdat die een dubbel effect opleveren. Die zorgen ervoor dat we geen werkloosheidsuitkeringen moeten betalen en dat die mensen ook zelf bijdragen aan de sociale zekerheid. Verder verwijs ik nog naar de vier maanden om een traject uit te tekenen en dergelijke meer. Voorzitter, heel wat van die punten zullen de komende twee dagen nog aan bod komen tijdens de bespreking. Ik ga het hierbij laten.

De voorzitter

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Ik had graag even geantwoord op de basisopmerkingen van de heer Crombez, die hij hier al enkele dagen en weken aanhaalt. Het is een slogan die hij straks wellicht ook nog een paar keer zal herhalen, en hij luidt: de besparingen zijn bekend, over de investeringen blijven jullie in het ongewisse, dus jullie verkopen eigenlijk gebakken lucht. Dat is uw stelling. (Applaus bij sp.a)

Welnu, dat is tweemaal onjuist. De investeringen zijn wel bekend. De 500 miljoen euro voor Welzijn, dat is niet voor de hele legislatuur. Dat start al in 2015, en dat weet u goed genoeg. Het is een opstap: 500 miljoen euro op het einde van de rit, 65 miljoen euro in 2015. Dat is heel normaal. Je begint, en vervolgens bouw je op. In 2015 is er een opstap van 65 miljoen euro.

U weet heel goed dat besparingen anders zijn dan investeringen. U zegt dat er geen investeringen zijn. Wel, die opstap is er: 65 miljoen euro – 40 miljoen euro voor mensen met een handicap, 20 miljoen euro voor betere kinderopvang. U weet heel goed dat er plannen zijn om die 40 miljoen euro voor personen met een handicap uit te bouwen tot meer dan 330 miljoen euro, wat meer is dan in alle regeringen samen waar u ook deel van uitmaakte. Dat is heel duidelijk. (Applaus bij de N-VA en CD&V)  

Een tweede element is dat, wanneer deze besparingen vandaag niet zouden gebeuren, wanneer we de overtollige overheidskosten niet zouden wegsnijden, wanneer we geen efficiëntiewinsten zouden najagen, er één zekerheid is: er zou geen ruimte zijn voor nieuw beleid, er zou geen ruimte zijn voor investeringen, er zou geen inhaalpad voor mensen met een handicap zijn, er zou geen uitbreiding van kinderopvang mogelijk zijn. Dat is de waarheid. Zonder de moed van vandaag zou er op termijn geen uitbreiding zijn.

De voorzitter

Mevrouw Lieten heeft het woord.

Mevrouw Ingrid Lieten (sp·a)

Mijnheer Diependaele, ik moet toegeven dat u altijd wel ergens een socialist vind die u kunt gebruiken als schild om achter te schuilen en om niet zelf dapper en moedig uit te komen voor uw keuzes.

Het verkeerde argument dat u gebruikt, is het volgende. Wij hebben samen beslist om een armoedetoets door te voeren. Ik zat toen in de regering, net als uw partij. Ik geloofde toen nog dat iedereen het ernstig meende. We hebben toen afgesproken om op iedere maatregel die een effect zou kunnen hebben op armoede, de armoedetoets te doen. We zouden dat niet doen op de begroting omdat de begroting natuurlijk het resultaat is van alle individuele maatregelen. De heer Van Malderen en ikzelf hebben in de commissie niet gevraagd om een armoedetoets op de begroting uit te voeren. Wij hebben gevraagd of er een armoedetoets is uitgevoerd op de vermindering van de kinderbijslag, of er een armoedetoets is uitgevoerd op het verhogen van de bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang, of er een armoedetoets is uitgevoerd op het verhogen van het inschrijvingsgeld voor studenten in het hoger onderwijs. Daar hebben wij jammer genoeg geen antwoord op gekregen. Mijnheer Diependaele – en ik breid mijn vraag uit naar iedereen van de meerderheid en zeker en vast naar de N-VA die beweert sociaal te zijn –, als u sociaal bent, heb dan de moed om in cijfers te laten zien, heb dan de moed om de armoedetoets door te voeren en verschuil u niet achter drogredenen. (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

De heer Van Malderen heeft het woord.

De heer Bart Van Malderen (sp·a)

Mijnheer Diependaele en ook mijnheer Van den Heuvel, ik heb daarnet uw eerlijkheid geapprecieerd, maar laat ons wel ernstig blijven. U haalt hier opnieuw de minieme uitbreiding van de bijna-beursstudenten aan als antwoord op de heel sterke verhoging van het inschrijvingsgeld in het hoger onderwijs. Collega’s, weet u over hoeveel mensen het gaat? Het gaat over 0,4 procent. Proficiat. Tweeduizend studenten zullen niet voelen wat alle anderen wel zullen ondergaan: een nooit geziene verhoging van het inschrijvingsgeld.

U haalt de zorgverzekering aan. Mag ik u er dan nog eens aan herinneren dat het voor iedereen maal twee gaat, behalve voor diegenen voor wie het het moeilijkste gaat: daar wordt het maal tweeënhalf. Dat is het verhaal van deze regering. Als je vraagt naar sociale correcties, volgt er een zeer vaag antwoord. Ik kan dus alleen maar concluderen dat die sociale correcties een intentie zijn. De besparingen zijn concreet, de sociale correctie is virtueel. Dit is snoeien om te bloeden en het doekje komt later, maar hoe groot het zal zijn, dat weten we niet.

Mijnheer Van den Heuvel, u klopt zich op de borst omdat er 65 miljoen euro bijkomt voor Welzijn. Mag ik u er dan ook aan herinneren dat er voor 247 miljoen euro wordt bespaard in Welzijn? Dit jaar wordt er voor 247 miljoen euro bespaard en volgend jaar komt er nog een lap besparingen bij. U noemt dat ‘het vet van de soep halen’, ‘efficiëntiewinsten boeken’, in een land dat wachtlijsten heeft voor mensen met een handicap, voor bijzondere jeugdzorg enzovoort. Dat kan tellen voor iemand die zich lid van een sociale partij noemt.  

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Mevrouw Elke Van den Brandt (Groen)

Zover ik kan tellen, is inderdaad 247 miljoen euro besparen meer besparen dan 65 miljoen euro investeren. U kunt zeggen dat het op andere posten zit. We hebben geen antwoord gekregen op de vragen waar er werd bespaard en geïnvesteerd, behalve het vage antwoord dat u zou zien waar het overleg u brengt. Verwijt ons nu niet dat wij het niet kunnen opsplitsen, want wij hebben het antwoord niet gekregen op onze vragen.

Hetzelfde geldt voor de meerjarenbegroting. Nu komt u weer heel trots aandraven met 500 miljoen euro. Maar er zitten ook heel veel besparingen achter: 239 miljoen euro. U zegt dat we dit moeten doen zodat we onze kinderen, de kleuters van vandaag, een mooie toekomst kunnen geven. Ik heb zelf twee kleuters, ik wil ze een mooie toekomst geven, maar er zijn mensen die niet kunnen wachten.

Vandaag staat er een pakkend artikel in De Standaard, een aangrijpende reportage van een vader die geen plek heeft voor zijn kind met een zware handicap. Hij zegt dat hij nu opvang nodig heeft, vandaag, niet binnen vijf jaar wanneer de begroting in evenwicht is. Tegen die mensen zegt u: wacht nog vijf jaar, misschien hebben we dan de middelen, maar nu is er geen zorg. U zegt, trek uw plan, tegen mensen die kinderopvang zoeken, ouderen die zorg nodig hebben en personen met een handicap. Dat is schaamtelijk. (Applaus bij Groen en sp.a)

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Mevrouw Lieten, in maart hebt u beslist om de armoedetoets niet toe te passen op de begroting. En nu vraagt u in de commissie om de armoedetoets toe te passen op alle maatregelen in de begroting en het programmadecreet. Alstublieft! Alle voorbeelden die u gaf, hebben sociale correcties.

Ik heb wel degelijk cijfers gegeven. 11,2 procent: dat cijfer zegt meer dan voldoende. 11,2 procent van de kinderen loopt het risico om op te groeien in kansarme gezinnen vandaag. Dat is het resultaat van het beleid van de laatste twintig jaar. Dat is de waarheid! (Applaus bij de N-VA)

Dat is het cijfer waarop wij ons nu baseren, om voor die mensen inspanningen te doen in de toekomst. Vanwege dat cijfer nemen we nu maatregelen, om die miserie de komende jaren niet meer voor te hebben, om ervoor te zorgen dat zij wel nog een pensioen hebben, dat we hun wel de nodige zorg kunnen geven, onderwijs ook. Ga zo maar verder.

Met uw amendementen om 217 miljoen euro meer in het rood te gaan, komen we alleen maar dieper in de miserie. Dat is de keuze die wij niet maken. Geen verdere putten, wij willen uit die put geraken. Om effectief tegen onze kinderen te kunnen zeggen: wij hebben onze verantwoordelijkheid opgenomen, het is nu aan u om er iets mee te doen. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw De Ridder heeft het woord.

Ik kan lang kalm blijven, maar ik heb ook mijn grenzen. Zelfs ik. (Rumoer)

In alle eerlijkheid, wij hebben altijd gezegd dat we pijnlijke maatregelen zouden moeten nemen, voor de verkiezingen, tijdens de campagne. Maar alle maatregelen die wij treffen zijn sociaal gecorrigeerd. Ik hoor aan de overzijde woorden vallen als schizofrenie. Houd daar toch mee op!

Verhoging van de prijzen in de kinderopvang: sociaal gecorrigeerd. Kindergeld: sociaal gecorrigeerd. Inschrijvingsgeld: sociaal gecorrigeerd. De tariefverhogingen bij De Lijn: sociaal gecorrigeerd. De zorgverzekering: sociaal gecorrigeerd. Waarom doen wij geen armoedetoets? Omdat die er al in vervat zit! We doen het! (Applaus bij de meerderheid. Opmerkingen bij de oppositie)

U weet het. Houd ermee op de mensen leugens wijs te maken!

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

Ik ben blij dat mevrouw De Ridder zich kalm kan houden. Ik heb een heel simpele vraag, mevrouw De Ridder. Ik ben onder de indruk van uw lijstje. Elke maatregel die u hebt genomen is sociaal gecorrigeerd. Er is al een paar keer gevraagd waaruit die sociale correcties bestaan. Het blijft bij de mantra ‘sociaal gecorrigeerd’. Als het dan gaat over beursstudenten, blijken daarvoor geen middelen te zijn in de begroting.

Er is een meer fundamentele vraag die u zichzelf eens moet stellen, mevrouw De Ridder, als elke maatregel die u neemt, maar letterlijk elke maatregel, sociaal gecorrigeerd moet worden. Vooral als die maatregel rechtstreeks de Vlaamse gezinnen en de zwaksten in de samenleving treft, of het nu gaat over inschrijvingsgeld, kinderopvang of kindergeld.

Maak die sociale correcties dan eens duidelijk, want ik zie ze niet in de begroting. Er is alleen de eeuwige mantra ‘voor de toekomst’ van de heer Diependaele: ooit zullen ze er komen. Als iedere maatregel die u neemt, sociaal moet worden gecorrigeerd, dan moet u zich eens afvragen of uw beleid en al uw maatregelen fundamenteel, uit zichzelf al niet asociaal zijn. (Rumoer)

Waarom verbaast het u dat die vraag iedere keer moet worden gesteld? (Applaus bij sp.a en Groen. Opmerkingen)

Mijnheer Tobback, het budget was in evenwicht!

Wie was de vorige Vlaamse minister van Begroting, mijnheer Van Dijck?

Mijnheer Tobback, het budget is en blijft in evenwicht!

Ik apprecieer uw striemende kritiek op minister Muyters, maar zeg er dan zijn naam bij!

De voorzitter

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Die sociale correcties, of u dat nu een armoedetoets noemt of niet, maakt me nog niet zoveel uit. U vergeet echter sociale correcties door te voeren, of u beslist daar bewust toe. Denken we maar aan de niet-indexatie van het kindergeld. U zou daarvan de categorie van mensen met kinderen in armoede hebben kunnen uitsluiten, zodat die indexatie er wel zou zijn voor hen. U doet dat niet.

Dat is echter niet het enige dat u doet. Wat wij u verwijten, is niet enkel dat u die mensen niet spaart bij uw besparingen, maar ook dat u soms bestaande sociale correcties vermindert. Kijken we maar naar de kinderopvang. Daar is sprake van een meeropbrengst van 5,5 miljoen euro. Een partijvoorzitter van de meerderheid klopte zich dit weekend op de borst omdat men dat geld louter en alleen bij de allerlaagste inkomens haalt. Daar zal men de tarieven nu eens flink doen stijgen, zie. Dan denk ik: u moet niet komen aanzetten met uw sociale correcties, want waar die bestaan, schaft u ze gewoon af. Het is belachelijk dat u dit blijft volhouden! Hou er toch mee op! (Applaus bij sp.a en Groen)

De voorzitter

De heer Vandenbroucke heeft het woord.

De heer Joris Vandenbroucke (sp·a)

Voorzitter, collega’s, de term ‘sociale correctie’ valt hier zeer vaak, maar ik heb het gevoel dat we een verschillende definitie daarvan hanteren. Als ik kijk naar een aantal beleidsdomeinen, dan betekent een sociale correctie volgens deze meerderheid dat net de mensen met een laag inkomen extra hard moeten worden getroffen. Ik geef het voorbeeld van de tariefverhogingen bij De Lijn. Bij welk abonnement is er sprake van de sterkste prijsstijging? Bij het abonnement van de mensen met een Omnio-statuut. De abonnementen voor de jongeren stijgen met 6,5 procent, voor mensen tussen 25 en 64 jaar met 18 procent en voor mensen met een Omnio-statuut met 32 procent. Dat is twee keer zoveel. Met die tariefverhogingen wilt u 18,5 miljoen euro extra inkomsten uit de reizigers halen. Daarvan moet 11,7 miljoen euro worden opgehoest door de 65-plussers, de mensen met een laag inkomen en de kinderen. Zijn dat sociale correcties? Dat is volgens mij precies het omgekeerde.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

De heer Jan Bertels (sp·a)

Met betrekking tot het begrip ‘sociale correcties’ zullen we elkaar niet vinden, denk ik. Collega Vandenbroucke heeft net goed gezegd wat de meerderheid daarvan vindt. Ik ben de heer Diependaele erkentelijk voor het feit dat hij niet meer zegt dat er geen alternatief is, dat het moet, dat het een natuurwet is. Dat is belangrijk. Hij heeft nu duidelijk gezegd dat er politieke keuzes, politiek pijnlijke keuzes, asociale keuzes zijn gemaakt. (Opmerkingen)

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Ik denk dat de microfoon kapot is, want dat heb ik toch niet meteen gezegd. Mijnheer Bertels, u moet een beetje ernstig blijven.

De heer Jan Bertels (sp·a)

U hebt gezegd dat er politieke keuzes zijn gemaakt.

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Het zou ook leuk zijn, mochten we elkaars tijd om te antwoorden respecteren, want met dat geroep en getier komen we ook nergens.

Ja, mijnheer Bertels, er zijn alternatieven. Ik ben me daar zeer goed van bewust. Ze liggen hier voor me. We hebben dat uitgerekend, met uw lijstje amendementen. Er zaten trouwens zeer veel dubbeltellingen in. Ik denk dus dat u een probleem hebt binnen de fractie, want hetzelfde amendement is verscheidene keren ingediend. We hebben die eruit gehaald en komen uit op een tekort in 2015 van 217 miljoen euro. Dat is een put die u graaft!

U weet net zo goed als ik dat men niet kan voorspellen wat er gaat komen. Wij zorgen ervoor dat we nu de boel in orde hebben. We zorgen ervoor dat die begroting nu in evenwicht is, om er zeker van te zijn dat we in de toekomst geen harde maatregelen meer moeten nemen, om ervoor te zorgen dat we kunnen investeren! Wat u doet, is wat u al dertig jaar doet. Dat is datgene waarvan dit land ziek is geworden, dat is die ellende, namelijk de nodige maatregelen uitstellen! Dát is het alternatief! (Applaus bij de N-VA)

Mijnheer Bertels, dat is maar een van de alternatieven, de schuld verhogen. Een ander alternatief is het verhogen van de belastingen. Dat kan men inderdaad ook doen. Daar hebben wij uitdrukkelijk niet voor gekozen, we hebben zelfs de miserietaks teruggeschroefd want Vlaanderen heeft al genoeg te lijden onder belastingen.

De voorzitter

De heer Crombez heeft het woord om het standpunt van sp.a toe te lichten.

De heer John Crombez (sp·a)

Geachte leden van de regering, collega’s, na een paar weken van discussie over de begroting hebben wij slechts één conclusie, namelijk dat deze begroting onrechtvaardig is. Toch, minister-president, wil ik beginnen met u een gouden medaille toe te kennen omwille van uw snelheid. Usain Bolt krijgt een gouden medaille voor zijn snelheid, u verdient er ook één voor uw snelheid, de snelheid waarmee u zoveel mensen op zo korte tijd zo ongerust en kwaad kreeg. Daar verdient u een medaille voor.

We hebben hier al vaak en vandaag weer moeten horen dat er gestookt wordt. Maar als u wilt dat de onrust vermindert, zult u een dialoog moeten aangaan en respect voor overleg moeten hebben. Wat niet kan, is dat federaal vicepremier De Croo nog eens komt zeggen dat er geen kans is op een rechtvaardiger verdeling van de inspanningen. We hebben hetzelfde gehad dit weekend, er is al naar verwezen. De meerderheid kwam haar beleid verdedigen door te zeggen: in de kinderopvang verhogen we alleen de prijs voor de laagste inkomens. Hoe wilt u dat mensen daar redelijk op reageren?

In Vlaanderen is al zo vaak herhaald dat er geen alternatief is, dat er maar één manier is, één juiste manier, dan kunt u niet verwachten dat de mensen begrijpen dat u een kostbaar sociaal weefsel in cultuur, onderwijs, werk en welzijn in zo’n korte tijd zulke slagen toedient. Dat werd gedurende generaties opgebouwd, mijnheer Diependaele. U hebt zelf verwezen naar het resultaat van het beleid van de afgelopen decennia: dat de herverdeling heeft gewerkt. U hebt erop gewezen dat de inkomensongelijkheid nergens zo laag is als hier.

Het is stilaan genoeg geweest om te doen alsof u nooit in die regeringen hebt gezeten. Treft een regering soms beslissingen waar ze nadien wil van afwijken? Ja, maar doe niet alsof dat beleid niet mede door u gemaakt werd. Het werd gemaakt met ministers die nu ook in de regering zitten.

Maar beste parlementsleden, collega’s van de meerderheid, het is nog niet te laat. De begroting ligt voor nu. We moeten nog op de stemknoppen drukken. Ook over de alternatieven moeten we nadenken. We zijn al een stap verder. Er zijn alternatieven. Mijn oproep is: blijf niet gewoon doof voor wat er leeft op de straat. Blijf niet doof voor die ongerustheid.

Die onrust, daar wil ik nu eens duidelijk over zijn. wat is die onrust nu juist? Hier is het gemakkelijk om erover te praten. Wie zijn de onruststokers? Minister Crevits, zijn het de studenten die op straat zijn gekomen? Zijn dat de onruststokers waar de meerderheid het de hele tijd over heeft? Als minister Vandeurzen het over de onruststokers heeft, bedoelt hij dan Zorgnet dat ongerust is over de stijging van de prijzen van de rusthuizen? Zijn de mensen van Zorgnet de onruststokers? Minister-president, zijn het de mensen van OKRA? Zij zeggen op een vriendelijke manier dat de stijging van de busprijzen niet goed is, niet voor de senioren en niet voor de kinderen. Zijn dat de onruststokers?

Misschien zie ik het verkeerd, misschien zijn het niet die groepen die u bedoelt. Misschien is het de Gezinsbond? De Gezinsbond vindt dat de maat vol is voor de gezinnen. Wat een onruststokers! Bedoelt u hen? En als zij het nog niet zijn, dan is het misschien het onderwijs. De onderwijzers, de professoren, de expertisenetwerken, het volwassenonderwijs, ze maken zich allemaal grote zorgen en hebben meer dan ooit mee gestaakt, met een reden.

Het is goed, mijnheer Diependaele, dat wordt geapprecieerd dat u begrip hebt voor hun weerstand en grote zorgen.

Het is niet omdat ze zich zorgen maken, dat het onruststokers zijn. In elk geval, als het die allemaal niet zijn, dan moet het de christelijke onderwijzersbond zijn. Ik heb van hen 386 mails ontvangen; ik weet niet hoe het bij jullie zit. Misschien zijn zij de snoodaards van onruststokers omdat ze zoveel mails over hun zorgen tot in het parlement hebben gebracht.

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Mijnheer Crombez, ik heb zopas gezegd dat ik geen schuld doorschuif. Ik heb die opmerking alleen maar gemaakt omdat we eruit willen leren. Wij beseffen ten minste wel dat het zo niet verder kan en dat we die boot moeten bijsturen, dat we een andere richting uit moeten met de overheid.

Wat u zegt over de onruststokers is eigenlijk wel interessant. Ik zal er geen namen op plakken, maar ik kan er wel enkele opnoemen. Het gaat onder andere over mensen die hier zitten te verkondigen dat het inschrijvingsgeld tot ver boven de 1000 euro zou gaan, dat we Britse toestanden zouden meemaken, dat alleen nog maar de rijken naar het hoger onderwijs zouden kunnen gaan. Dat zijn onruststokers.

Een ander voorbeeld: het zijn zij die hebben verkondigd dat de prijs voor een Lijnabonnement voor de 60-plussers 180 euro zou zijn. Uiteindelijk was het maar 50 euro. Dat zijn de onruststokers, mijnheer Crombez.

Zo zijn er nog een paar zaken. Ik zal u een zinnetje voorlezen. Het voorbije weekend was een interessant weekend. Er zijn enkele zaken verschenen die eigenlijk aan het licht mochten komen. We hebben berekeningen gezien dat het volgens de studiedienst van de PS voor sommige gezinnen 600 tot 700 euro te veel zou kosten.

Ik citeer: “Als alle positieve en negatieve effecten worden opgeteld, houdt het gezin – een zeer middelmatig gezin: 5200 euro bruto voor een voltijdse kostwinner en 2100 euro bruto voor de deeltijdse kostwinner – netto 99 euro meer over dan indien er geen maatregelen werden genomen.” Dit geldt voor de federale en Vlaamse overheid samen. Ik zou daar graag een antwoord op krijgen.

De heer John Crombez (sp·a)

Dat is mijn volgende punt, mijnheer Diependaele, het is goed dat u het inleidt. Ik zal naar hetzelfde artikel verwijzen. We zijn al enkele weken aan het discussiëren, we beginnen op elkaar ingespeeld te geraken.

Mijn volgende punt gaat over krantenartikels van het voorbije weekend. Er staat ook in wie het wel zal voelen. In de opsomming staan gezinnen met studerende kinderen, mensen die een woning willen kopen, kleine zelfstandigen, ambtenaren. Wie blijft er dan nog over, mijnheer Diependaele? Dat gemiddelde gezin dat niet op zoek is naar een woning of renovatie, dat gemiddelde gezin dat geen kinderopvang nodig heeft, dat geen studerende kinderen heeft, dat geen ambtenaren telt. Wie blijft er dan nog over, mijnheer Diependaele?

Dat staat ook in de krant. Mijn punt is vooral dat toen we er de voorbije weken over discussieerden, dat zeer lastig is gegaan. We hebben grondige debatten gehad, en van enkele ministers hadden we grote moeite om antwoorden te krijgen.

Uit het verslag is gebleken dat er wel goede discussies waren met de volksvertegenwoordigers van de meerderheid. Dat wil ik hier ook zeggen. Alleen wat daaruit komt, moet hier niet worden ontkend: de volksvertegenwoordigers van de meerderheid hebben ook gezegd dat er alternatieven zijn. Er kan over worden gediscussieerd of ze goed of slecht zijn, maar er zijn alternatieven. Sommigen hebben zich ook kritisch uitgelaten over de meerderheid. Dat komt niet alleen van de oppositie.

Als er alternatieven zijn voor dit beleid en de meerderheid is zo overtuigd van deze begroting, laat het parlement dan gewoon beslissen om dit door te rekenen. Als jullie zo zeker zijn dat het voor iedereen allemaal goed komt, laat ons dit dan eens berekenen. We hebben instanties. Laten we dit berekenen op het armoederisico, op die 11,2 procent, op de kmo, op de kleine zelfstandigen, op de gezinnen met kinderen. Het is maar een voorstel.

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Mijnheer Crombez, u hebt zelf aangegeven wie de onruststokers zijn. Dit is een verhaaltje dat mijn keel begint uit te hangen. De onruststokers zijn degenen die beweren dat al die verschillende maatregelen tegelijkertijd op iedereen zijn hoofd gaan vallen. (Applaus bij de N-VA)

U moet me eens uw sociale kring tonen, want daar zitten blijkbaar mensen bij die tegelijk vier kinderen naar de hogeschool of de universiteit moeten sturen, die een woonbonus hebben die vermindert, die voor iedereen een Lijnabonnement moeten kopen. Al die maatregelen komen bij jullie allemaal samen boven op een en hetzelfde gezin, en dat is dan het gezin in Vlaanderen.

De maatregelen waarover wij het hebben – we steken het niet onder stoelen of banken, niemand heeft ooit geprobeerd te zeggen dat het geen pijnlijke maatregelen zijn – zijn wel gespreid. We hebben ze zo veel mogelijk gespreid over de bevolking.

Wij gaan voor een solidaire samenleving waar iedereen bijdraagt. Uw beeld van het Vlaamse gezin wil ik echt wel eens leren kennen.

De heer John Crombez (sp·a)

Wat met de alternatieven? Na zes minuten Septemberverklaring wilde de regering de discussie verleggen naar de alternatieven van de oppositie. Wij hebben die alternatieven besproken.

Wij zijn inderdaad van mening dat Vlaanderen net als de federale overheid beter kiest voor een structureel pad, precies omdat die begroting in Vlaanderen die nog nooit zo groot is geweest, voor de helft bestaat uit Onderwijs en Welzijn. Welke doelstellingen wij ook naar voren schuiven, er zal altijd een grote impact zijn op Onderwijs en Welzijn. De noden zijn er nu. Dat heeft ook de heer Van den Heuvel daarnet gezegd. Op zo’n moment viermaal meer besparen dan investeren is gewoon niet goed voor onze zorg en ons welzijn. Om die reden kiezen wij voor een structureel pad.

Er zijn alternatieven aan de twee kanten. De heer Diependaele blijkt dat nogal eens te vergeten met zijn voortdurend terugkerend lijstje. Er moet inderdaad bespaard worden maar waar? Welke andere inkomsten zijn mogelijk?

Ik zal een aantal concrete voorbeelden geven. Er wordt een aantal miljoen euro bespaard in de thuiszorg. En dan is er de keuze voor het alternatief. Gaan we nu echt besparen in de thuiszorg of gaan we ervoor zorgen dat onze achterstallige belastingen deftig worden geïnd? Het gaat om dezelfde grootteorde van bedrag. Voor dit soort zaken kunt u straks bij de stemming over de amendementen op een knopje duwen. In plaats van veel te besparen in de thuiszorg, kunt u zorgen voor een deftige inning van de belastingen.

Zult u in het onderwijs besparen op flankerende middelen voor kinderen die het moeilijk hebben of zult u het budget voor het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) verminderen? Dat is een concreet voorstel dat wij op tafel leggen. Toen we stelden dat Landbouw het gerust kan stellen met 10 miljoen euro minder, was de reactie van de regering dat Landbouw te belangrijk is voor de toekomst. Welnu, onderwijs is te belangrijk voor de toekomst. Er zijn keuzes, er zijn alternatieven. In plaats van op onderwijs kan ook worden bespaard op het VLIF.

Een ander voorbeeld is de prijsverhoging van de Lijn. We hebben daar een heel concreet voorbeeld gegeven, dat blijkt ook uit het verslag. Wij stellen voor om de Liefkenshoektunnel betalend te maken. Dat verlicht de druk op de stad Antwerpen en tegelijk hoeft u de kinderen niet meer te doen betalen. Dit is een alternatief.

Wij vragen ook om met een perspectief te komen. De meerderheid heeft zelf glashelder duidelijk gemaakt dat de besparingen deze week zullen worden goedgekeurd en dat de investeringen een intentie zijn. Mijnheer Diependaele, u hebt daarnet een aantal keren gezegd dat u geen Madame Soleil bent. De mensen weten dat ook. Wanneer u deze week dus de besparingen goedkeurt, dan weten de mensen dat die investeringen niet meer zijn dan een intentie. Kom eens met perspectief, bijvoorbeeld in de kinderopvang. Stap af van dat beeld, waar sommigen dan nog trots op zijn, dat u de laagste inkomens meer zult doen betalen voor kinderopvang. Wat voor een welvarende samenleving is dat dan? Stap af van dat beeld en zorg ervoor dat mensen die zelfs met z’n tweeën gaan werken, minder dan vandaag betalen aan kinderopvang. Ze betalen meer dan 500 euro.

Ook in de keuzes die de meerderheid zelf maakt, kunnen nog keuzes worden gemaakt zonder impact op de begroting. De meerderheid heeft ervoor gekozen om gedurende meerdere jaren een begrotingspad te nemen in welzijn. Wij zeggen daar neen tegen. De meerderheid heeft er ook voor gekozen om het project Uplace gewoon uit te voeren. Dat zal eveneens tientallen miljoenen euro kosten. De meerderheid heeft de keuze gemaakt om te besparen in Vlaanderen maar toch een diplomatieke post in Genève uit te bouwen.

Wat het boekhoudersyndroom betreft, heeft de heer Diependaele gelijk. Er is één project dat deze regering bindt, één project dat perspectief zou moeten geven aan de Vlaming, met name de nul. Dat is het evenwicht, het enige project. And what do you know? Er is helemaal geen evenwicht. Voor 2014 zal er tussen 700 en 800 miljoen euro te kort zijn. Dat zijn de cijfers die wij lezen, die komen niet van de oppositie, de onrust komt van ergens anders.

Mevrouw de minister, als uw antwoord is dat u vandaag, op 16 december, als minister van Begroting niet op 400 of 500 miljoen euro na weet hoeveel tekort u hebt, dan is dat eigenlijk een motie van wantrouwen ten aanzien van uzelf. Het zal hier in de plenaire vergadering duidelijk moeten worden of er een tekort is van 700 tot 800 miljoen euro of niet.

Maar voor 2015 is het erger. Als het grote project van de begroting die wordt neergelegd voor 2015, is dat die op nul moet eindigen, dan zeg ik u: er is geen evenwicht in wat de meerderheid neerlegt, er is een tekort. Er is om te beginnen al een klein tekort doordat het uitbetalen van het kindergeld niet eens opbrengt wat er in de begroting staat. Er is een tweede tekort in verband met wat er gebeurt met de groei volgend jaar. Het Rekenhof zegt dat dat erin zou moeten zitten. Er is nog een groter tekort dan we dachten door wat er nu bovenkomt van 2014, wat ook in 2015 een tekort zal geven. Hoezo, een begroting in evenwicht? Beste meerderheid, u doet dit allemaal met één boodschap: we zullen eindigen op nul. Er is zelfs geen nul! Waar is uw boodschap dan voor de toekomst als jullie dit stemmen vanuit de meerderheid? Ik wil dat dit heel duidelijk is: als jullie de begroting stemmen zoals ze voorligt, dan is er een tekort op deze begroting.

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Collega Crombez, u zei daarnet van de heer Diependaele dat hij zijn uiteenzetting van vorige keer herhaalde. Ik heb de indruk dat u telkens opnieuw met dezelfde mantra komt. Uw liedje is een beetje grijs gedraaid.

We gaan het debat over de begroting 2014 nu niet voeren. U bent begrotingsspecialist, u weet zeer goed dat het veel te vroeg is om daarover uitspraken te doen. U weet dat de laatste cijfers altijd heel laat binnenkomen, sommige begin januari. Er zijn de cijfers van de onderbenutting en van de registratie, waarbij er meer inkomsten zijn en dergelijke meer. Het gaat hier over de begroting 2015. Het gaat over het perspectief, daar hebt u gelijk in.

Wat mij verontrust in uw redenering, is dat u heel snel zegt: we gaan voor een structureel evenwicht in 2018 en dat u over de gevolgen daarvan heen stapt. Dat is natuurlijk een fundamentele keuze. Er is een verschil in keuze tussen u en ons. U wilt niet naar een evenwicht gaan, u wilt schuld opbouwen, u wilt tekorten opbouwen. Dat doen wij dus juist niet. Waarom doen we dat niet? Omdat we inderdaad een sociaal perspectief willen creëren. Omdat we willen zorgen dat er werk kan worden gecreëerd, dat er effectief in welzijn kan worden geïnvesteerd, dat er effectief in onderzoek en ontwikkeling kan worden geïnvesteerd. Dat is het perspectief dat wij brengen.

Mijnheer Crombez, u spreekt over kampioen in onrust creëren. Wel, ik praat met ontzettend veel mensen. België is samen met Italië en Frankrijk het land dat door de Europese Commissie wordt geviseerd omdat het flirt met een begrotingstekort van 3 procent. België is het land dat een overheidstekort, een schuld heeft van 107 procent van het BNP. België is het land met een overheidsbeslag van 55 procent. We gaan voor oplossingen, we gaan zorgen dat dit niet verder oploopt. We gaan zorgen dat die schulden niet voort gewenteld worden. We gaan zorgen dat er werk kan worden gecreëerd. De dubbele oefening is inderdaad een budgettair evenwicht creëren en tegelijk werk maken van de economie, tegelijk zorgen dat de competitiviteit verbetert.

U weet zeer goed, mijnheer Crombez, dat we kort na de aankondiging van de sluiting van Ford Genk twee bijzonder grote investeringen misgelopen zijn in Limburg, twee zeer grote, met zeer grote tewerkstelling. U weet ook zeer goed dat die bedrijven zich niet in Midden-Europa zijn gaan vestigen. U weet ook dat ze niet naar China gegaan zijn. U weet dat ze zich zijn gaan vestigen op 15 kilometer, net over de grens, in Nederlands Limburg, met als enig argument: de competitiviteit, de loonkost.

Dat is wat nu federaal gebeurt. We moeten tegelijk zorgen dat we budgettair orde op zaken stellen en dat we de competitiviteit versterken en de concurrentiekracht versterken. Dat is ook wat deze Vlaamse Regering doet, binnen onze mogelijkheden. U weet dat wij aan een doelgroepenbeleid werken, dat we nog wachten op het advies van de sociale partners. U weet dat wij vooral inzetten op onderzoek en ontwikkeling, dat daar de toekomst ligt van onze industrie. U hebt gerefereerd aan De Tijd. U had ook kunnen verwijzen naar De Tijd van enkele weken geleden die op pagina 1 de de-industrialisering van Vlaanderen in kaart heeft gebracht. Die is ontstellend groot. Dat zijn privéjobs die verdwijnen, elk jaar opnieuw.

Er is verwezen naar Turnhout, maar er zijn ook andere gevallen. Elke week kunt u over een voorbeeld lezen.

Met deze regering gaan we precies daarop inzetten dat de fabriek 4.0 er kan komen, dat we investeren in Onderzoek en Ontwikkeling, dat we zo veel mogelijk kmo’s daarnaartoe leiden. En dus gaan we orde op zaken stellen met de begroting.

Kunnen we met grote zekerheid voorspellen wat de groeipaden zullen zijn? Het is evident dat we dat niet kunnen. Niemand kan dat, u niet en wij niet. Ik hoop dat de voorspellingen van de Europese Commissie niet kloppen. Ze houden in dat België volgend jaar niet met een groei van 1,8 procent zit, waar we eerst zijn van uitgegaan. Vervolgens werd dit percentage bijgesteld door het Planbureau tot 1,5 procent, dat is onze begroting nog. Nu zegt de Europese Commissie in haar herfstrapport dat het 0,9 procent zal zijn. Ik hoor gelukkig ook economen die andere cijfers brengen. Laten we niet pessimistisch zijn.

We kunnen niet voorspellen wat het over vijf jaar zal zijn. Veel hangt af van de economische parameters. Veel hangt af van het weer aantrekken van de economie. Wat wij zeggen, is dat we rebus sic stantibus de groeipaden trekken en dat we inderdaad investeren. U hebt het over de wachtlijsten: wij zullen de wachtlijsten aanpakken met het groeipad recurrent, oplopend tot een half miljard euro. Is dat voldoende? Neen, dat weten wij ook. We zullen alle middelen die we kunnen vrijmaken, vrijmaken voor het spoor van Welzijn, van O&O en van al die andere investeringen.

Als u zegt dat wij verantwoordelijk zijn voor al die toestanden, dan zeg ik dat u een beetje correct moet zijn. We hebben samen bestuurd in de vorige periode. U weet dat we bij ongewijzigd beleid een vrije beleidsruimte hadden van een half miljard euro in 2015, oplopend tot 1,9 miljard euro in 2015.

Er zijn drie factoren. De heer Diependaele heeft ze aangehaald. Er is de zesde staatshervorming, met 750 miljoen euro in 2015 en 1,5 miljard euro in 2016. Ten tweede is er de economische groei die tegenvalt – dat weten we allemaal –, met veel externe factoren. Ten derde zijn er de consolidaties van een aantal zaken.

De toestand is wat ze is. Uw optie is om daar vlug aan voorbij te gaan, om schuld op te bouwen, om niet naar een evenwicht te gaan, om tekorten op te bouwen. Ik zeg daarop dat u op termijn veel minder beleidsruimte creëert dan wij. Wij gaan voor beleidsruimte. Wij bieden een perspectief. Wij gaan ervoor zorgen dat er in 2018 en 2019 kan worden geïnvesteerd. U gaat dat niet doen. U gaat schuld opbouwen, met alle risico’s van dien. Het is niet omdat de inflatie nu laag is, dat het zo zal blijven. U zet een hypotheek op de toekomst, dat willen wij niet doen. Het is inderdaad een heel verschillende keuze. Wat wij doen, is de tering naar de nering zetten, uitgaven beperken, snoeien op ons apparaat en ervoor zorgen dat er ruimte is voor jobs in de privénijverheid, want dat is de enige duurzame groei. U zweert waarschijnlijk bij overheidsjobs – ik weet niet wat uw remedie is –, wij doen dat niet. (Rumoer bij de oppositie)

Ik heb hier al zulke signalen gehoord. Wij doen dat niet. Wij zorgen ervoor dat er ruimte komt voor investeringen in de privésector en in Welzijn. Dat is het fundamentele verschil tussen u en ons. De mensen mogen weten wat de keuzes zijn in die situatie. Wij doen besparingen. We hebben van dag 1 gezegd dat het geen boodschap is die aangenaam is, maar wij durven ten minste de moed te hebben om ervoor te zorgen dat orde op zaken wordt gesteld. (Applaus bij de N-VA en bij Open Vld)

De heer John Crombez (sp·a)

Minister-president, het spijt me, maar ik zal hard zijn voor u: van wat u vertelt, klopt niets. Ik wil heel feitelijk blijven, want u dicht ons een aantal intenties toe.

Om te beginnen is er de boodschap dat we jobs zullen creëren. We hebben eens opgevraagd wat er in Vlaanderen allemaal in de steigers staat, en ik denk dat wij soms met een ander soort mensen spreken. (Opmerkingen van mevrouw Annick De Ridder)

Mevrouw De Ridder, sorry, maar ik spreek minder met de heer Huts.

We hebben opgevraagd wat er in Vlaanderen allemaal in de steigers staat van jobs die zullen sneuvelen door besparingen. Wat we hebben binnengekregen tot nu toe – het is trouwens publiek – zit al aan bijna 14.000 jobs die u zult schrappen met de belofte om er ooit te creëren.

U spreekt over competitiviteit. U hebt absoluut een punt. Maar waarom overtuigt u dan iedereen hier om iets te doen dat tot gevolg heeft dat de 120 miljoen euro competitiviteitsverbetering voor de kmo’s wordt geschrapt? Waarom doet u net het omgekeerde van wat u propageert?

Ten derde is er het verhaal van de putten. We zullen heel duidelijk zijn. Het is trouwens beschikbaar, u hebt het allemaal gelezen, de heer Diependaele heeft er lijstjes van bij. Wat wij voorstellen, verschilt tegen het einde van de legislatuur in schuld voor Vlaanderen 0 euro met wat de regering voorstelt. We spreiden het tekort, net zoals Bart De Wever dat heeft verdedigd op federaal niveau.

De heer Diependaele zal dan zeggen dat het lastiger is op het federale niveau. Toen dat tijdens de vorige legislatuur werd gezegd, dan had u de N-VA moeten horen! Wat wij voorstellen, mijnheer de minister-president, scheelt 0 euro in schuld ten opzichte van wat u voorstelt. Wij spreiden de inspanning. Aan het begin is er inderdaad een tekort, maar gemiddeld komt het op hetzelfde neer, in plaats van nu te moeten snoeien in het kindergeld, de kinderopvang, het onderwijs, de universiteiten en de kmo-steun. De industrialiseringsverhalen van De Tijd kloppen. Ze zijn al langer bekend. We zijn er al tien tot twintig jaar mee bezig. Maar wat met de kmo’s, mijnheer de minister-president? Als u met die mensen gaat spreken, wat zegt u dan? Ik schrap de kmo-steun waarin Vlaanderen met sp.a had voorzien, want dat is moedig. Dat is helemaal niet moedig. Het is een van de redenen waarom de economie vertraagt. Alle perspectief is eruit. (Applaus bij sp.a)

Minister-president, ik vind het jammer hoe u altijd spreekt over overheidsjobs. U zegt dat enkel een job in de privé duurzaam is en u verwijt ons dat wij zweren bij overheidsjobs. Dat gaat om de mensen die onze kinderen lesgeven, om diegenen die met de bus rijden om de kinderen naar school te brengen, om diegenen die ouderen verplegen die in een rusthuis verblijven, om diegenen die werken in de culturele sector. Dat zijn stuk voor stuk mensen die een goed leven verzorgen voor al die Vlamingen waarvoor u beleid zou moeten maken. Iemand die werkt voor de overheid, is niet iemand zoals u zich die misschien herinnert uit de tijd van De Collega’s, iemand in een stofjas die helemaal niets te doen heeft. Iemand die werkt voor een overheid vangt mensen op en zorgt voor essentiële vormen van dienstverlening. Tenminste, wij vinden die essentieel. Wij denken dat je niet alles zomaar aan een markt kan overlaten en dat de overheid een rol te spelen heeft in het vermijden van vervoersarmoede, in zorg dragen voor mensen, in mensen opleiden en zo een betere toekomst geven. Ik schaam me daar niet voor. Minister-president, u zou zich beter ook niet schamen voor de mensen die uw eigen overheid tewerkstelt. (Applaus bij sp.a)

De heer Matthias Diependaele (N-VA)

Ik wil reageren op de opmerking over het federale niveau. Het klopt dat we daar gaan voor een structureel tekort omdat de inspanning daar natuurlijk een stuk groter is. (Opmerkingen van de heer John Crombez)

Dat klopt en daar is een goede reden voor. In 2011 zijn er afspraken gemaakt met de Europese Commissie. Er bestaat een heel mooie grafiek waarin te zien is dat de lijn wordt aangehouden tot 2012 en dan plots niet meer. De lijn moest stijgen, maar bleef plots horizontaal. Want sinds 2012 heeft de Federale Regering geweigerd extra inspanningen te doen. Het komt erop neer dat u een marathon wilt lopen binnen dezelfde tijd, maar waarvan u de eerste 30 kilometer op uw gemak wandelt. Dat verwacht u dat diegene die de laatste 10 kilometer moet lopen, een spurt inzet om zijn longen uit zijn lijf te lopen. Dat wilt u doen. Wij proberen de boel recht te trekken.

Een ding heeft me enorm verwonderd in het lijstje dat ik heb gekregen. Het geeft uw visie op Vlaanderen weer. Mevrouw Van den Bossche, niemand heeft neerbuigend gedaan over overheidsjobs. (Opmerkingen van de heer John Crombez)

De luisterbereidheid is hier slecht. Soit!

We zijn het er allemaal over eens dat als we de sociale zekerheid overeind willen houden, we moeten zorgen voor tewerkstelling in de privésector. Daar wordt de meerwaarde gecreëerd waarmee de overheidsjobs die allemaal belangrijk zijn, worden betaald, waarmee de pensioenen, de sociale zekerheid en de gezondheidszorg worden betaald. Dat komt uit de privétewerkstelling. Ik zie in amendement 59 een verlaging van de steun aan het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) met 20 miljoen euro. Ik schrok me een breuk. We waren het er de laatste vijf jaar allemaal over eens, mevrouw Lieten, dat we keihard moesten inzetten op innovatie in Vlaanderen. We moesten gaan voor de 3 procent, waar we nog altijd voor streven. We moeten zorgen voor voldoende innovatie om onze economie aan te trekken en om mensen aan het werk te zetten. Wat doet sp.a zes maanden nadat ze uit de regering zijn? Een amendement indienen om 20 miljoen euro weg te halen bij IWT, bij die instelling die moet zorgen voor innovatie, voor economische groei, voor extra jobs. Dat heeft me mateloos verwonderd en geërgerd.

Voorzitter, volgens de heer Crombez moet er nu niet structureel worden bespaard en mogen de tekorten worden opgebouwd. (Opmerkingen van de heer John Crombez)

U gaat akkoord met 1 miljard euro van de besparingen. Dat moet ook duidelijk worden gezegd. Deze regering bespaart 1,2 miljard euro en in uw alternatief gaat u met meer dan 1 miljard akkoord. Voor 80 procent keurt u dus de besparingen van deze Vlaamse Regering goed. Uw basishouding is dat er nu tekorten mogen worden opgebouwd.

Het federale verhaal is wel belangrijk. U duwt dat weg door een kortzichtige verwijzing naar het verleden naar de N-VA. Dat doet niet ter zake. Vlaanderen moet een bijdrage leveren aan het 3 procentverhaal van de NV België. Zo niet, schuiven we de factuur door naar het niveau van de sociale zekerheid. Voor een socialist vind ik dat raar. Op dat niveau moeten blijkbaar hardere inspanningen gebeuren.

Een tweede, fundamentele bedenking is dat een trager structureel besparingspad het uitstellen van nieuwe investeringen is. Dat is zo. Dat is natuurlijk het verschil tussen jullie en ons. Jullie willen krampachtig vasthouden wat we vandaag hebben, jullie willen geen perspectief bieden op nieuwe uitdagingen. Deze begroting laat toe om nieuwe perspectieven te bieden, om inderdaad dat begrotingspad voor Welzijn van 500 miljoen euro en voor O&O uit te bouwen, om hoop te geven.

Een derde punt is dat we vandaag geen tekorten mogen opbouwen en een begrotingspad op orde moeten houden omdat u als het straks, eventueel, laat ons hopen van niet, wat moeilijker wordt, geen enkele buffer, maar dan ook geen enkele buffer meer hebt om dat economisch dipje op te vangen.

Minister-president Geert Bourgeois

De heer Van den Heuvel heeft zojuist nog eens op de essentie gewezen. Ik wou dat ook benadrukken. Mijnheer Crombez, u gaat daaraan voorbij. U creëert minder ruimte voor de toekomst. U hebt veel minder buffer. Dat is het gevolg van uw beleid: nu tekorten en minder mogelijkheden om te investeren. Wij trekken de andere lijn, de enige lijn die perspectief biedt. Wij zullen die lijn blijven aanhouden.

Wij hebben nooit gezegd, ook in de vorige periode niet, dat het federale niveau niet zwaarder is. Wij hebben altijd gezegd dat daar veel meer inspanningen moesten gebeuren. Die inspanningen zijn veel groter dan hier. Met de vorige regering hebben wij altijd de lijn aangehouden dat we hier voor een budgettair evenwicht zouden gaan: geen tekorten en geen overschotten.

Mevrouw Van den Bossche, u maakt er een karikatuur van. Ik ben minister van Ambtenarenzaken geweest. Ik ben trots op wat onze mensen doen. Ik heb altijd tegelijk gezegd dat we wat we doen, zo efficiënt mogelijk moeten doen.

De oplossing is niet een grotere overheid te hebben. Blijkbaar hebt u er geen probleem mee dat wij een overheidsbeslag van 55 procent hebben. Dat leidt ertoe dat in dit land de tweeverdieners onmiddellijk in de schijf van 45 procent personenbelasting zitten. Wij zeggen zoals de Scandinaviërs: doe wat je als overheid moet doen, maar doe het goed en efficiënt, en met zo weinig mogelijk middelen. Dat is de enige lijn om welvaart te creëren. (Applaus van de N-VA)

De heer John Crombez (sp·a)

Ik wil eventjes doorgaan op dat punt. Minister-president, de Scandinaviërs hebben een paar jaar geleden hetzelfde verhaal verteld als u nu. Er is een zeer rechtse regering aan de macht gekomen, zowel economisch als maatschappelijk. Het gevolg is dat in Zweden de vroegere Zweedse coalitie gezorgd heeft voor de scherpste duik in de onderwijsresultaten. U kunt hier tien keer herhalen dat u gaat voor een begroting die zorgt voor de toekomst. Ons punt is dat als je aan al die kmo’ers moet zeggen dat je 120 miljoen euro steun schrapt omdat dat beter is voor hun toekomst, en als je aan jongeren aan de unief moet zeggen dat je hen 45 procent meer laat betalen omdat dat beter is voor hun toekomst, dat dat een verhaal is dat niet klopt.

Minister-president, de essentie bestaat uit twee dingen. Het begrotingsevenwicht, dat u ons verwijt, hebt u zelf niet. Ik wil straks van de minister van Begroting duidelijk weten of het waar is of niet waar, dat er 700 tot 800 miljoen euro te kort is in 2014. Dat is een ja of neen. Ik wil dat weten. En waarom wil ik dat weten? Omdat ik met betrekking tot Onderwijs en Welzijn ook wil weten van de regering in haar geheel of zij, indien het waar is van die 700 tot 800 miljoen euro, zal blijven besparen op de toekomst van ons Onderwijs, van Welzijn, van onze jeugd. Het zou de onrust verminderen indien de regering zou zeggen dat zij dit niet meer zal doen, dat er grenzen zijn aan alles en dat er nu al is overdreven. Dat de tekorten die zij heeft niet op de kap zal blijven leggen van de sociale zekerheid.

De heer Van den Heuvel is weg nu, maar we hebben 10 miljard euro voor Zorg en Welzijn en Volksgezondheid. De sociale zekerheid is in Vlaanderen nog nooit zo groot geweest als nu. Daarom zeggen we het. Minister-president, ik herhaal dat u niet alle tekorten moet wegbesparen. U hebt daarvoor ooit zelf een opening gemaakt door te zeggen dat dit kan zonder op het eind van de legislatuur meer schulden te maken maar door de inspanningen te spreiden. U neemt al die Eurostatregels, waarover de heer Diependaele zich terecht zorgen maakt, in één keer. Daardoor bespaart u disproportioneel op Onderwijs en Zorg.

Minister, het gaat niet om het evenwicht of om het maken van putten. Er is een tekort. Ik verwijt dat minister Muyters niet. Ik weet echter dat hij niet op 16 december van een jaar zou verklaren dat hij op 400 of 500 miljoen euro na niet weet hoe zijn begroting eraan toe is. Dat zou hij nooit zeggen. Als hem een vraag hierover zou worden gesteld, zou hij een duidelijk antwoord geven.

We hebben gelezen dat er voor 2104 een tekort van 700 tot 800 miljoen euro is. Wat is de impact op de begroting voor 2015? Zult u, indien er een impact is, op het onderwijs, de zorg en de gezinnen blijven besparen? Dat is wat wij en de mensen hierbuiten willen weten. Het is interessant over de 3 procent van de EU te praten. Volgens mij willen de kmo’s weten of ze steun zullen krijgen en willen de ouders weten of ze de kinderopvang nog zullen kunnen betalen.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Crombez, ik wil u confronteren met een discussienota van 26 oktober 2012, geschreven door toenmalig minister Smet. Het gaat om de publieke en de private bijdragen. U hebt me net persoonlijk aangesproken. Volgens u had ik de studiegelden niet mogen verhogen.

De discussienota heeft betrekking op wat voor deeltijds kunstonderwijs mag worden gevraagd. Ik citeer: “Als we de publiek-private kostenbijdragen beperken tot de financiering van de Vlaamse overheid, bevinden we ons momenteel op een ratio van 93,2 procent tegen 6,8 procent. Voor de toekomst willen we een publiek-private kostenverhouding van 88 procent tegen 12 procent voorstellen.” Een minister van uw eigen partij heeft voorgesteld de private bijdragen van de mensen te verhogen.

De heer John Crombez (sp·a)

Het gaat in die nota om het deeltijds kunstonderwijs.

Minister Hilde Crevits

Volgens die nota is het billijk de private bijdragen van de mensen te verhogen indien we ervoor zorgen dat de mensen met een beperkte financiële draagkracht worden gespaard. Dat is wat deze Vlaamse Regering doet. (Opmerkingen)

Mijnheer Crombez, deze nota gaat over een verhoging van de private bijdragen, een punt waar u zo veel kritiek op hebt. (Opmerkingen)

Dat speelt geen rol. Ik denk dat u hier met de verrassing van uw leven wordt geconfronteerd. (Gelach en applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Minister Turtelboom heeft het woord.

Minister Annemie Turtelboom

We voeren hier een debat over 2015. Aangezien er vragen over 2014 worden gesteld, wil ik hier toch op ingaan. (Opmerkingen van de heer John Crombez)

De voorzitter

Minister, we voeren het debat over 2014 en over 2015. (Opmerkingen van de heer John Crombez. Applaus bij sp.a)

Minister Annemie Turtelboom

Mijnheer Crombez, op de vraag met welke cijfers ik op 31 december 2014 zal afsluiten, moet ik eerlijk antwoorden dat ik het niet weet. Ik zal twee voorbeelden geven.

Wat de onderbenutting van de departementen betreft, hebben we de berekeningen uitgevoerd op dezelfde wijze als de voorbije jaren. Of de resultaten anders dan de voorbije jaren zullen zijn omdat het een verkiezingsjaar is, weet ik momenteel niet. Op dit moment bevragen we de departementen. We berekenen dit op basis van de verwachte reacties van de departementen. De effectieve cijfers van de administratie zal ik pas begin januari 2015 ontvangen. Pas dan zal ik weten of wat de voorbije jaren is toegepast, ook voor 2014 geldt.

Wat de gewestbelastingen betreft, heb ik vernomen dat de notarissen ten gevolge van de gewijzigde regels voor de woonbonus ontzettend veel werk hebben. Momenteel is dat niet zichtbaar in de cijfers. We weten dat die dossiers bestaan en dat er bijkomende dossiers zijn aangemaakt. Dit blijkt echter niet uit de cijfers. Ik kan de impact hiervan niet inschatten.

We maken de begroting van 2015 op basis van de parameters van de economische begroting. De minister-president heeft er daarnet al naar verwezen. Als je kijkt naar de groeicijfers die Europa voorstelt, zouden die lager kunnen zijn, op hetzelfde niveau of een beetje hoger. Laat we er samen, met ons gedrag en de manier waarop we beleid voeren, voor zorgen dat het beter is, hopelijk daarbij geholpen door andere landen in Europa.

Als u mij dus vraagt of ik er 100 procent zeker van ben dat er geen enkele euro meer zal veranderen aan de begroting, zeg ik: nee. Een begroting is altijd wat je verwacht voor het komende jaar.

Er zijn drie zaken veranderd in Vlaanderen. Ten eerste zijn we meer afhankelijk van de economische groei, omdat we meer fiscale autonomie hebben, waar we jaren om hebben gevraagd. We zijn gevoeliger voor wat er gebeurt op economisch vlak. Ten tweede hebben we door de inkanteling van de zesde staatshervorming een bedrag van ongeveer 755 miljoen euro minder marge dan voordien. Ten derde zijn er nieuwe ESR-regels. Die drie zaken veranderen de begroting 2015 structureel.

Ja, we zullen opnieuw een controle moeten doen in maart of april, zoals gewoonlijk. We zullen die zelfs eerder moeten doen, om bij te stellen waar nodig, gegeven de nieuwe regels die we hebben. We zullen dit naar traditie in alle transparantie doen. Als de cijfers voor 2014 afgesloten zijn, wil ik met u een duidelijk debat voeren. Dan zullen we effectief zien wat de onderbenutting is en wat de gewestbelastingen zijn, waarvan iedereen, ook ik, nog een piek verwacht. We weten dat die piek er komt, maar we zien die op dit moment nog niet en weten ook niet hoe groot die is.

Mijnheer Crombez, u hebt nog een aantal zaken gezegd waarop ik wil ingaan. Ten eerste, in uw alternatief plan bent u het eigenlijk eens met 83 procent van de besparingen. U verschuift 195 miljoen euro, maar over al de rest zegt u op een bepaald ogenblik dat u het ermee eens bent dat er besparingen moeten zijn. (Opmerkingen van de heer John Crombez)

Als u intellectueel eerlijk bent, moet u de analyses maken van de verschillende departementen en moet u bekijken wat de klassieke groeipaden zijn van de departementen. Het klopt dat we in een aantal departementen besparingen hebben gedaan op de klassieke groeipaden. Maar op het einde van de rit is er zowel voor Welzijn als voor Onderwijs, als je de besparingen aftrekt van het klassieke groeipad, nog altijd een groei in het budget ten opzichte van de voorbije jaren. (Opmerkingen van de heer John Crombez)

Nee, dat klopt niet.

Er is nog altijd extra ruimte in Welzijn en in Onderwijs. Als u met uw betoog het idee wilt geven dat er alleen bespaard wordt en dat men nominaal achteruitgaat, dan zeg ik u: dat is pertinent niet waar. Het is pertinent niet waar!

Het is waar dat we nu besparen. We moeten dat ook doen om ons budget op orde te zetten. Ik zal niet herhalen wat hier al is gezegd op de regeringsbanken. Maar wat u niet zegt en wat wel superbelangrijk is, is dat we de besparingen, eerst op onszelf, onze werking en ons apparaat, net doen om beleid te kunnen creëren in capaciteit en infrastructuur. En ja, we zijn ervan overtuigd dat er nog altijd capaciteit bij moet komen. En ja, we zijn ervan overtuigd dat we de investeringsmarge van 4,2 miljard euro die we als regering hadden, effectief blijven houden en dat er nog investeringen moeten gebeuren in de infrastructuur van de scholen en de wegen.

De voorzitter

De heer Somers heeft het woord.

De heer Bart Somers (Open Vld)

Mijnheer Crombez, ik had mij voorgenomen om heel aandachtig te luisteren en goed proberen te begrijpen waar het alternatief van de sp.a nu echt zit. Wat ik tot nu toe in grote lijnen heb gehoord, kan ik eigenlijk samenvatten in drie punten. Eerst en vooral, investeert deze regering volgens sp.a te weinig. Ten tweede besparen we volgens sp.a te veel. En ten derde kunnen we het ambtenarenapparaat volgens sp.a met geen enkele persoon afbouwen. (Opmerkingen)

Ik vraag mij af hoe u op die manier de tering naar de nering zult zetten.

En ten tweede, indien er op het einde van het jaar een tekort zou zijn, dan is dat toch een extra aansporing om er nog meer dan vandaag voor te zorgen dat we hervormen en de middelen in evenwicht brengen? In uw voorstellen zien we telkens opnieuw de andere richting. U kiest er telkens opnieuw voor om minder te besparen, u vraagt meer investeringen. En het enige wat u zegt, is: we gaan het traject wat langer trekken, we gaan wat meer schulden maken, we gaan de problemen voor ons uit schuiven. Dat is volgens mij niet de juiste aanpak. Op die manier helpen we Vlaanderen en de Vlaamse economie niet vooruit en slagen we er niet in om Vlaanderen opnieuw een perspectief te geven. Ik betreur dat.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

De heer Jan Bertels (sp·a)

Het grootste verschilpunt, mijnheer Somers, is dat wij sneller investeren zonder schuldopbouw. Dat is heel kort samengevat wat het alternatief is. En u weet dat ook, als u de nota bekeken hebt die we bediscussieerd hebben in de commissie.

Mevrouw Turtelboom heeft veel gezegd over de begroting van 2015, maar de vraag ging over 2014. U hebt een hele dienst, mevrouw Turtelboom, die periodieke monitoring doet van de uitvoering van de begroting. Wij vragen niet dat u nu een exact cijfer hebt. Maar ik neem aan dat die periodieke monitoring, die u zelf in uw nota opneemt als operationele doelstelling, af en toe nog gebeurt, en dat we midden december toch al een zicht hebben op de grootteorde van wat het zal zijn – niet tot op de eurocent, zelfs niet op 100 miljoen euro, maar wel een grootteorde. Dat hebt u wel. Wat u zegt over de onderbenutting, is dat die 500 miljoen euro zal schelen of niet. Dat is mijns inziens een idealistisch scenario.

Wat de registratiebelasting betreft, wist u dat er een probleem was. Het werd een jaar geleden al aangekondigd door het Rekenhof. U wist dus al dat er potentiële problemen zijn. Dat u nu nog op vijftien dagen een piek van enkele honderden miljoenen euro verwacht, lijkt me sterk. Ik hoop dat we ze dan kunnen innen. Daar zullen we straks nog op terugkomen.

Ik vraag me eigenlijk af met welke Bart Somers we spreken. (Gelach. Opmerkingen)

Hier wil men naar een onmiddellijk evenwicht, zonder de noodzakelijke investeringen. Vanavond hebben we het geluk de Mechelse begroting te bespreken. Daar verhoogt men de schuldnorm, doet men ook niet de noodzakelijke investeringen en draait men de Mechelaars ook nog een rad voor de ogen met een lastenverlaging. (Opmerkingen)

Moraal van het verhaal, mijnheer Somers: uw partij zit in de Federale Regering, pleit daar voor een structureel evenwicht in 2018 en doet dat ook in de Vlaamse Regering. Waarom bent u schizofreen?

De heer Bart Somers (Open Vld)

Voorzitter, collega’s, ik voel me ongelooflijk vereerd. Ik wil mevrouw Gennez bedanken voor de eer die ze mijn stad bewijst, dat we voor de eerste keer in een begrotingsdebat van Vlaanderen tegelijkertijd ook het begrotingsdebat kunnen voeren van de voor mij belangrijkste stad van Vlaanderen – de Antwerpenaren mogen het mij niet kwalijk nemen.

Ik denk niet ik er hier op moet ingaan, maar ik begrijp dat de oppositie in Mechelen dusdanig gefrustreerd is, dat ze die frustraties tot in het Vlaams Parlement moet komen uiten. Ik kan alleen maar vaststellen dat wij de belastingen verlagen, dat wij in Mechelen massief investeren, dat het heel goed gaat met Mechelen, ook als de socialisten in de oppositie zitten. Dat is een gelijkenis met Vlaanderen. (Applaus. Opmerkingen van mevrouw Caroline Gennez)

Voorzitter, als het over Mechelen gaat, kan ik niet achterblijven. Wij zitten daar ook in de meerderheid.

Alle gekheid op een stokje, ik wil de vraag van de heer Bertels ondersteunen. Er is een periodieke monitoring. Ik vind het niet meer dan terecht dat dit parlement, op een moment dat er onrust wordt gestookt, en deze keer niet door de oppositie, ten minste inzage zou kunnen krijgen in de laatste periodieke monitoring die gebeurd is. Het is natuurlijk niet zo, collega’s, dat wij op 16 december, op twee weken van het einde van het jaar, niet kunnen zien in welke richting het gaat, en dat hoeft niet tot op de eurocent of tot op een aantal miljoen euro. Voorzitter, ik vraag namens het parlement dat we toegang tot en inzicht in de laatste periodieke monitoring krijgen. (Applaus bij Groen)

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Ik wil iets zeggen over een punt dat de heer Crombez heeft aangehaald. Hij zei dat er in 2015 120 miljoen euro uit het Competitiviteitspact zou zijn geschrapt. Ten eerste gaat het over 125 miljoen euro. Ten tweede zegt u dat het geschrapt wordt, maar u moet ook zeggen dat het doelgroepenbeleid naar Vlaanderen is overgeheveld met maar 87 procent van de middelen. De Vlaamse Regering moet dus een extra investering doen. Minister Muyters heeft al meermaals aan een aantal partijgenoten van u gezegd dat eens de sociale partners het eens zijn over de invulling van dat doelgroepenbeleid, die 125 miljoen euro opnieuw in overweging kan worden genomen, want er zijn bij het doelgroepenbeleid ook een aantal efficiëntiewinsten te boeken.

Graag correcte informatie dus en geen desinformatie. Gisteren hebben we bijvoorbeeld gezien waartoe zo’n desinformatie kan leiden.  (Applaus bij de N-VA)

De heer John Crombez (sp·a)

Mijnheer Ronse, u hebt absoluut gelijk over het eerste punt. Ik heb mij vergist: het is nog erger. Het gaat over 125 miljoen euro en niet over 120 miljoen euro.

Geen desinformatie: ook daarover ben ik het met u eens. In 2015 is er 125 miljoen euro geschrapt voor de kmo’s. Daarover zijn we het eens? Het was net mijn punt dat het geschrapt is.

Minister Crevits, ik zal zeggen wat ik ervan denk. Ik heb veel respect voor de discussies die we hebben kunnen voeren in de commissie – en u gaat er nog voeren want uw microfoon stond niet uit –, maar u gedraagt zich anders in de plenaire vergadering dan in de commissie. Ik herinner mij dat ik tijdens de bespreking van de Septemberverklaring zei dat de middelen voor de studiebeurzen er niet waren. U noemde mij toen een populist en u zei dat die middelen er wel waren. In de commissie hebt u toegegeven dat het inderdaad niet klopt. Iedereen kan zich vergissen, maar doe het zoals in de commissie en voer de debatten correct. Het klopte wat ik toen zei.

Minister van Begroting, u past de techniek van de ongestelde vraag toe. U hebt vier antwoorden gegeven, maar geen antwoord op de gestelde vraag. U zegt dat u op 31 december geen exact cijfer kunt geven. Ik heb niemand die vraag naar het exacte cijfer op 31 december horen stellen. U zegt dat u vandaag niet 100 procent zeker kunt zijn van wat het cijfer is. Nogmaals, ik heb niemand naar dat cijfer horen vragen. Dat is de techniek van de ongestelde vraag.

De gestelde vraag was: kunt u op 16 december als minister van Begroting tot op 400 miljoen euro na zeggen hoe groot het tekort is? Er is een tekort in 2014. Niemand had u verwittigd, maar 2014 wordt hier besproken. Er is een tekort voor 2014. Mijn vraag is: is het 300 miljoen euro, is het 700 miljoen euro of is het 800 miljoen euro? Ik kan mijn vraag nog eenvoudiger stellen: kunt u, op 400 miljoen euro na, zeggen wat het tekort voor 2014 is? Het waarom van mijn vraag is belangrijk. Als het 400 miljoen euro meer is, zoals sommige snoodaards en onruststokers beweren, zal over een paar weken de discussie hier weer gaan over hoeveel er nog eens op onderwijs en zorg zal worden bespaard. Ik vind dat het parlement dat gewoon moet weten. De vraag van de heer Rzoska is het minste wat het parlement zou moeten krijgen.

Ze zijn al een paar keer vergeten om mijn klok opnieuw in te stellen. Ik ga dus afronden. (Gelach)

De voorzitter

Mijnheer Crombez, iedere keer dat u een repliek geeft, zet ik de klok natuurlijk stil. U hebt nog vier minuten. Laat u nog eens lekker gaan. (Gelach) 

De heer John Crombez (sp·a)

Dank u, voorzitter.

Ik kom terug tot de essentie. Aan de meerderheidsleden zou ik willen vragen wat het eigenlijk betekent verkozen te worden door het volk en op het stemknopje te drukken. Het betekent dat je een keuze maakt tussen de alternatieven en tussen wat je wel of niet doet. In de komende dagen zullen we het er heel erg roerend over eens worden dat het objectief van het evenwicht niet bestaat. Als dat wegvalt, moeten we hier de discussie kunnen voeren. Uiteraard niet over alles, er zitten besparingen in, als alternatief. We zijn het erover eens dat de schuld niet moet toenemen. Uiteraard gaat het niet enkel over de miljarden, maar ook over de miljoenen, in de thuiszorg, de kinderopvang en het onderwijs. U kunt het erg vinden dat we het vaak herhalen, maar het is wat we belangrijk vinden. Het is belangrijker dan te zeggen: “Kijk naar de regels van Europa.”

U hebt van de bevolking de mogelijkheid, het recht, de ongelofelijke kans om te stemmen gekregen. De alternatieven gaan hier passeren in amendementen. Het is niet erg om iets dat niet juist was, aan te passen. Ik denk aan de busprijzen voor de kinderen, de onderwijsbesparingen. De heer Diependaele heeft gelijk dat je je af en toe kunt vergissen. Dat is niet erg. Het niet inzien is veel erger. In de komende twee dagen hebt u de tijd om uw stem uit te brengen en dat te doen. Als we de begroting gewoon goedkeuren, hebben we een tekort. En in Zorg, Onderwijs, Cultuur en Jeugd gaan de besparingen wel een verschil maken. Dan gaat de Vlaamse leeuw niet klauwen, dan gaat hij wenen. Minder jongeren zullen uitzicht hebben op een diploma, omdat de ondersteunende middelen beperkter zijn. Meer ouderen zullen niet de gepaste zorg hebben.

Voor het grootste deel van de N-VA-fractie is die houding niet verrassend. Het moet allemaal nu, ook als er schadelijke gevolgen zijn voor de bevolking. Voor een deel van Open Vld zal men dat ook zeggen, al is het deel dat nu aanwezig is het sociaal voelende. Het is niet vreemd dat ze de overheid doen terugtrekken, dat ze miljoenen besparen in de thuiszorg, dat ze de markt laten binnenkomen op essentiële taken.

Maar ik kijk even naar het midden, naar de CD&V-fractie. De mensen met wie ik spreek begrijpen u niet. Beste kajotters, ik denk dat kardinaal Cardijn met het schaamrood op de wangen zou kijken naar wat hier gebeurt.  In de sociale welvaartsstaat, waar u veel over hebt gesproken en geschreven, haalt u op korte tijd essentiële dingen onderuit: de ondersteuning van kinderen, van verenigingen, van uw lokale besturen. Dat heeft een zware impact.

Ik vraag alleen om te kijken naar die keuzes, naar wat ze impliceren, en om de andere mensen van de meerderheid te overtuigen dat bepaalde keuzes nog kunnen worden gemaakt. Daarvoor zitten we hier twee dagen. Ik hoop dat u hier met veel interesse zult zitten. Als u deze begroting goedkeurt, met een tekort en met de sociale gevolgen, beweer dan niet meer dat u solidair en sociaal bent.

Daarover gaat het hier in het Vlaams Parlement, beste parlementsleden. Dit Vlaams Parlement heeft nog nooit zo veel bevoegdheden en zo veel middelen gehad, nog nooit zo veel middelen in de sociale zekerheid. Maak gebruik van het ongelofelijke recht dat u hebt gekregen voor de bevolking. Toon dat u bekommerd bent, dat u luistert, dat u uw fout kunt inzien en zaken corrigeren. Dank u. (Applaus bij de sp.a) 

De voorzitter

De heer Doomst heeft het woord.

De heer Michel Doomst (CD&V)

Mijnheer Crombez, u komt mensen tegen die zeggen dat ze CD&V niet begrijpen. Ik kom veel mensen tegen die zeggen dat ze sp.a niet geloven. (Applaus bij de N-VA)

U zegt: stel de moeilijke beslissingen maar weer uit en dan zullen we het wel een keer oplossen. Dat gelooft men niet. U weet ook zelf dat wat u zegt niet klopt. (Applaus bij de N-VA en CD&V) 

De heer John Crombez (sp·a)

Om te beginnen, mijnheer Doomst, het is niet vreemd dat u na uw eerste zin enkel van de N-VA applaus kreeg. (Rumoer)

Ik meen dat. Veel belangrijker, mijnheer Doomst, want het is al de tweede keer dat iemand dat doet: u mag gerust zijn dat ik zelf geloof wat ik hier zeg. Ik ben er zelf van overtuigd en heb het zelf bekeken. Op dit moment is er een grote discussie bezig over hoe de inspanningen moeten worden verdeeld. Ze zijn niet rechtvaardig verdeeld. Aan de andere kant van de straat, gisterenavond nog, blijft men zeggen dat ze er niets aan gaan veranderen. Ik geloof dat die vraag om het rechtvaardiger te verdelen, die ook van CD&V komt, terecht is.

En als het rechtvaardiger kan worden verdeeld – dat is het antwoord op die andere vraag –, dan heeft men federaal meer ruimte en dan hoeft men hier in Vlaanderen niet met het schaamrood op de wangen te zitten verdedigen dat men die ondersteuning van onze gezinnen, dat men die ondersteuning van onze maatschappij afbreekt. Dat is hetgene waarvoor jullie moeten stemmen. (Opmerkingen van mevrouw Annick De Ridder)

Neen, dat kent u inderdaad niet, mevrouw De Ridder, maar het is u vergeven.

Ik vraag dit uit overtuiging: bekijk een aantal keuzes opnieuw. Of het nu dat flankerend ondersteuningsbeleid in het onderwijs is, of dat inschrijvingsgeld, het kindergeld, de thuiszorg: bekijk het opnieuw. U staat voor iets waarbij er zeker sprake is van besparingen en u de rest van uw mensen ervan moet overtuigen dat het misschien ooit beter zal zijn. Mijnheer Doomst, het is onnodig om die schade nu toe te brengen. Dat is mijn échte overtuiging. (Applaus bij sp.a)

Bevoegdheden van de commissies
Regeling van de werkzaamheden

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.