U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid en tot opheffing van diverse andere bepalingen.

Ik heb minister Lieten opgevorderd voor de beraadslaging over dit ontwerp van decreet. (Opmerkingen)

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Turan, verslaggever, heeft het woord.

Mevrouw Güler Turan

Voorzitter, het is een heel lang verslag geworden. Ik zal mijn best doen het wat in te korten.

Op 20 februari 2014, 26 februari 2014, 13 maart 2014 en 27 maart 2014 heeft de commissie Economie hoorzittingen en besprekingen in verband met dit ontwerp van decreet georganiseerd.

Minister Ingrid Lieten licht de doelstellingen van het ontwerp van decreet toe. Ten eerste beoogt het ontwerp van decreet het samenbrengen van de decretale basis voor instellingen van het beleidsveld Wetenschaps- en Innovatiebeleid (W&I) in een enkel decreet; ten tweede het uniformiseren van de bepalingen in verband met de evaluatie van de W&I-instellingen en in verband met de inhoud van convenanten en beheersovereenkomsten; ten derde het consistenter maken van de terminologie; ten vierde het opnemen in het decreet van een aantal nieuwe generieke bepalingen in verband met de evenwichtige participatie van mannen en vrouwen in advies- en bestuursorganen; ten vijfde het decretaal verankeren van de innovatiecentra; ten zesde opnemen van een nieuwe financieringsstructuur voor innovatieve instellingen, namelijk de strategische innovatieplatformen (SIP’s); ten zevende het invoegen van een nieuwe titel Wetenschapscommunicatie en structurele partners; ten achtste het bijsturen van de samenstelling van de Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI); en ten slotte het opheffen in andere decreten van een aantal bepalingen betreffende de W&I-instellingen die nu in het W&I-decreet worden opgenomen.

Echt nieuw in dit ontwerp van decreet zijn dus de structurele verankering van de innovatiecentra en een nieuw financieringsmechanisme op basis van de ervaringen met de strategische innovatieplatformen.

De heer Lode Vereeck heeft als eerste een algemene appreciatie gegeven. Hij zegt dat er heel wat doelstellingen zijn. Een aantal zijn erop gericht meer consistentie te brengen in de decretale bepalingen van het domein Wetenschap en Innovatie. Alle bepalingen zouden worden geïntegreerd in één overkoepelend decreet, waarvoor één evaluatieprocedure, uniforme voorwaarden enzovoort zouden gelden. Daarmee kan het lid instemmen.

Sommige bepalingen wekken minder enthousiasme op bij de heer Vereeck. Het ontwerp van decreet komt ook heel laat in de legislatuur. De verankering van het beleid inzake wetenschap en communicatie is ingeschreven, waar de heer Vereeck liever een concreet sterk gevoerd beleid ter zake had gezien.

Biedt het vooropgestelde kader voor de nieuwe generieke structuur wel een antwoord op de bestaande noden? Om de innovatiecentra continuïteit te bieden, worden ze decretaal verankerd. Bij het begin van de legislatuur werd nog bespaard op de centra, met het vertrek van een aantal adviseurs tot gevolg, samen met hun expertise. Er wordt ook gemorreld aan de samenstelling van de raad van bestuur van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT), stelt de heer Vereeck.

De Inspectie van Financiën formuleerde een aantal opmerkingen betreffende het voorontwerp, die door de heer Vereeck worden herhaald. Het ontwerp van decreet voorziet in decretale verankering van de innovatiecentra via vijfjaarlijkse convenants om continuïteit te garanderen. De centra leveren goed werk en continuïteit is belangrijk. Dat heeft voor het lid echter vooral te maken met structurele financiering, die losstaat van decretale verankering.

Dat de eerder gevolgde werkwijze artificieel was, waarbij de innovatiecentra reageren op een vierjaarlijkse oproep van het IWT, volgt het lid wel als redenering. Een alternatief voor de decretale verankering ziet hij in het inbedden van de innovatiecentra als provinciale units in het IWT.

De fractie van de spreker vindt decretale verankering niet het meest geschikte spoor. Voorts vraagt de heer Vereeck zich af of men niet veeleer moet evolueren in de richting van een uniek bedrijfsloket, waar ook in een frontoffice voor het Agentschap Ondernemen is voorzien, samengevoegd met de innovatiecentra. De heer Vereeck betreurt dat die piste niet wordt onderzocht.

De strategische innovatieplatformen vloeien voort uit de vaststelling dat er een nood zou zijn om in bepaalde lichte structuren het toegepaste onderzoek verder te onderbouwen met vraaggedreven basisonderzoek. Die nood staat buiten kijf, stelt het lid. De bestaande lichte structuren laten dat te weinig toe, maar toch heeft de heer Vereeck vragen bij de nood aan bijkomende nieuwe generieke juridische structuren.

Is die nieuwe generieke structuur nodig om de tekortkomingen van de bestaande lichte structuren op te heffen? De spreker meent van niet. De lichte structuren doen niet of nauwelijks aan basisonderzoek. De vertegenwoordigers van FISCH (Flanders Innovation Hub for Sustainable Chemistry) schreven dat toe aan het feit dat de overeenkomsten het niet toelaten. Wat belet de minister om die overeenkomsten aan te passen, zodat SBO-projecten kunnen opstarten? Continuïteit is een cruciale factor bij die projecten. Ook dat kan ingevuld worden via structurele financieringsperspectieven op middellange termijn voor het basisonderzoek.

Het lid erkent wel dat bepaalde initiatieven een sterkere omkadering nodig hebben, zoals voldoende kritische massa en voldoende middelen om resultaten te boeken. Het gaat dan vooral om onderzoeksmiddelen. Het vraaggedreven basisonderzoek gebeurt in principe in de kennisinstellingen. Er komen derhalve geen onderzoekers op de loonlijst.

De heer Vereeck noemt het naar aanleiding van de hoorzittingen essentieel de werkwijze van de lichte structuren in vraag te stellen. Is het wel wenselijk om alles in te passen in generieke structuren? Zijn meer maatwerk of fusies inderdaad geen betere oplossing dan nieuwe generieke structuren?

Zelf stelde ik dat wat voorligt, verscheidene keren is besproken met de stakeholders en goed onderbouwd is. Ik vind de voorgestelde decretale verankering noodzakelijk. Naar aanleiding van de besprekingen en adviezen zijn er wel vragen gerezen, niet het minst dankzij de actieve betrokkenheid van de heer Vereeck. Dat wordt wel degelijk gewaardeerd.

Ook ben ik van oordeel dat wat voorligt – de innovatiecentra met daarboven het IWT als coördinator en waarmee er een goede samenwerking, geregeld overleg en informatie-uitwisseling is –, de nadruk op eigen accenten voor de innovatiecentra mogelijk maakt. Iedereen erkent de nood aan gericht basisonderzoek. Het bouwblokkenconcept zou volgens mij de versnippering absoluut in de hand werken. Een te grote ad-hocregeling lijkt me niet raadzaam.

De heer Vereeck herhaalt dat wat een upgrade wordt genoemd, een aanzienlijke overhead zal meebrengen.

De heer Diependaele begint met het aangeven van de punten die zijn fractie kan steunen: de bepalingen met betrekking tot convenanten en beheersovereenkomsten, terminologie die wordt gelijkgeschakeld en generieke bepalingen inzake gender. Op vier punten gaat hij graag nog verder in. Wat de innovatiecentra aangaat, is hij niet ongevoelig voor de argumenten die de heer Vereeck aanhaalt. Een structuur uittekenen brengt evenwel altijd voor- en nadelen mee. Het lid wil in dezen toch de keuze maken voor wat in het decreet staat: dubbel werken maakt het gemakkelijker om bedrijven toe te leiden naar het IWT. De drempel voor bedrijven wordt echter veel meer verlaagd door de innovatiecentra zelfstandig te laten opereren, ook vanuit regionale invalshoek. Dan krijgt men bovendien ook nog een pushfactor vanuit de regio zelf. In juridische kringen is er zoiets als een ‘Chinesewallsysteem’, dat rechter-en-partijsituaties moet voorkomen binnen advocatenkantoren. Bij de overheid moet het te allen prijze worden vermeden, zelfs de schijn ervan. Een onafhankelijke werking garandeert dat.

Het VRWI-probleem (Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie) snapt het lid niet. Hij begrijpt vooral ook niet waarom men zelf niet wacht op de evaluatie van de Sociaal-Economicshe Raad van Vlaanderen (SERV) alvorens zeer drastische maatregelen te nemen. De bedrijfswereld wil – volgens de heer Diependaele wel terecht – meer vertegenwoordiging, met het oog op de vraaggedrevenheid. Hij houdt zijn basisconclusie ter zake open.

Met de SIP’s is zijn fractie niet meteen gelukkig, maar ze ziet wel de noodzaak ervan in. De heer Diependaele wil liever het innovatie-instrumentarium afgebouwd en vereenvoudigd zien, transparanter, efficiënter en slagkrachtiger. De SIP’s doen dat, al gaat het inderdaad niet om een nieuwe structuur, maar veeleer om een nieuw financieringsinstrument.

De heer Bothuyne stelt dat zijn fractie het ontwerp van decreet zal steunen, omdat het een aantal zaken verankert die van onderuit zijn gegroeid. Hij verwijst naar FISCH, dat een algemeen gesteund initiatief is. De upgrade ter zake is verdiend, zonder dat dit een verzwaring van de bestaande structuren hoeft te betekenen. Zo ook de innovatiecentra, die op een dergelijke manier zijn ontstaan en intussen actief zijn in alle provincies.

De discussie tussen SERV en VRWI is oud. Het lid betreurt dat ze zo is geëscaleerd. Hij acht het noodzakelijk dat er overleg tot stand komt.

Minister Lieten zegt verheugd te zijn dat de bekommernis over de vertegenwoordiging van de SERV in de VRWI op alle banken wordt gedeeld. Over de samenstelling van de raad van bestuur van de VRWI en het IWT vindt de minister de stellingen van de heer Vereeck vooral tegenstrijdig. Enerzijds vindt hij dat de leden van de raad van bestuur het advies van de Inspectie van Financiën moeten volgen, en dat voor alle bestaande structuren de raden van bestuur moeten inkrimpen. Anderzijds stelt hij voor om aan de raad van bestuur van het IWT drie mensen toe te voegen. De minister wil het ontwerp van decreet behouden zoals ingediend, en belooft terug te koppelen naar de commissie over het gesprek met de SERV.

Tijdens de vergadering van 27 maart 2014 verklaarde de minister contact te hebben gehad met de SERV. Er is een gedachtewisseling geweest, maar de discussie is nog niet afgerond. De discussie wordt voortgezet en er worden nu geen wijzigingen doorgevoerd. In deze discussie zullen alle partners worden betrokken.

Naar aanleiding van een motie van de heer Vereeck is er een advies gevraagd aan de Raad van State. Het advies werd verstrekt op 19 maart 2014 en stelde dat het ontwerp geen aanleiding tot opmerkingen geeft.

Tijdens de voortzetting van de algemene bespreking op 27 maart 2014 heeft de heer Vereeck drie amendementen namens zijn fractie ingediend en er een korte toelichting bij gegeven. Amendement nummer 1 gaat over het bestaande onevenwicht in de raad van bestuur van het IWT. Amendementen nummer 2 en 3 hebben betrekking op de decretale verankering van de innovatiecentra. Deze amendementen strekken ertoe de bepalingen over de innovatiecentra weg te laten. De heer Vereeck is voorstander van een structurele ondersteuning van de innovatiecentra, maar dan van een structurele financiering los van een decreet. Verder verklaart hij dat zijn fractie het merendeel van de artikelen zal goedkeuren, met uitzondering van de artikelen die de bestaande inefficiënties versterken en de overhead vergroten.

De heer Diependaele blijft bij zijn standpunt dat bij de innovatiecentra push- en pullfactoren nodig zijn. Het IWT moet een sterkere pullfactor hebben, waarvoor een sterkere link met de innovatiecentra nodig is. Men kan ze niet volledig bij het IWT onderbrengen, omdat er nog een regionale push nodig is. Hij gaat helemaal niet akkoord met het standpunt van de heer Vereeck over de SIP’s.

Minister Lieten verklaart dat de innovatieparadox inderdaad bestaat. Er moeten acties worden ondernomen om het bedrijfsleven en de wetenschappelijke wereld dichter bij elkaar te brengen. Daarin spelen de hogescholen een belangrijke rol. Door onder meer hun laagdrempeligheid zijn zij vaak de eerste stap in de zoektocht van kmo’s naar ondersteuning. Het is dan ook belangrijk dat de hogescholen vertegenwoordigd zijn in het IWT. De minister meent dat telkens ad-hocoplossingen zoeken, niet tot een transparant landschap zal leiden. Voor de SIP’s wordt nu een structureel antwoord geboden. Dank u wel. (Applaus)

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Ik wil kort onze steun uitspreken voor het ontwerp van decreet, zoals mevrouw Turan in het verslag al heeft aangegeven. We vinden het een goed ontwerp, vanwege de bijkomende consistentie die wordt ingebracht in het beleid. Er is al verwezen naar de convenanten en de gelijklopende evaluatieprocedures. Er wordt ingespeeld op de noden en de realiteit van het terrein. FISCH is het voorbeeld bij uitstek.

Heel belangrijk voor ons zijn de provinciale innovatiecentra, die een heel belangrijke toegangspoort zijn tot ons innovatie-instrumentarium, zeker voor kmo’s en de bedrijven die we vandaag nog niet bereiken. Spelers op het terrein, verankerd in de provincies, vormen mee het bestuur van die innovatiecentra. Als er noden zijn op het terrein bij bedrijven of ondernemersorganisaties om nog sterker in te zetten op innovatie, kunnen ze hun rol spelen in de raden van bestuur van die innovatiecentra en zo de middelen op de juiste manier aanwenden om nog meer bedrijven tot innovatie aan te zetten.

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele

Dank u wel voor het verslag. Ik herhaal de discussie niet, ik geef enkel twee opmerkingen. Er was inderdaad een amendement van Open Vld dat vroeg om “voeling met” te vervangen door “uit”. Ik heb me onthouden bij die stemming en me geëngageerd ten opzichte van de heer Vereeck om daarover verder na te denken. Voor ons blijft het belangrijk dat die band met het bedrijfsleven effectief zeer sterk is, maar we willen ook wel dat het ruim kan worden bekeken. Iemand die in een adviesraad de bedrijfswereld vertegenwoordigt, moet niet per definitie zelf een ondernemer zijn of zelf een bedrijf hebben. We willen er een ruime interpretatie aan geven. Nu is het wel zo dat het amendement dat de heer Vereeck heeft verdedigd, in analogie is met artikel 45 uit het decreet zelf, waar ook “voeling met” wordt vervangen door “uit”. In die zin hebben we besloten om het amendement te steunen. We zullen het straks goedkeuren, maar wel met de opmerking dat we er een ruime interpretatie aan willen geven. Inhoudelijk vragen we ons ook af of die woorden zo’n groot verschil maken.

Er is nog een tweede bijkomend punt. We weten allemaal – het heeft ook in de krant gestaan – dat er discussie is over de vertegenwoordiging van de SERV en de VRWI. We hebben het daar ook over gehad in het kader van de hoorzitting en de bespreking van dit ontwerp van decreet. Voor zover ik kon vaststellen, was er bij alle collega’s een zekere verontwaardiging en op zijn minst onbegrip over de manier waarop dit is gelopen. We hebben intussen van de SERV een bijkomende verklaring gekregen, maar die was voor mij persoonlijk niet afdoende. We hebben de minister gevraagd om inspanningen te doen, en die zijn intussen ook gebeurd, maar het probleem is nog altijd niet opgelost. Bij dezen dan ook de vraag tot aangehouden inspanningen om dat probleem op te lossen.

De voorzitter

Mevrouw Turan heeft het woord.

Mevrouw Güler Turan

Er zijn inderdaad lange besprekingen aan dit ontwerp van decreet voorafgegaan. Wat ik als vrouwelijk lid van dit parlement een heel positieve evolutie vind, is de gendergelijkheid in de raden van bestuur die met dit ontwerp van decreet wordt bevestigd.

De voorzitter

Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten

Ik wil alle leden van de commissie danken voor de goede samenwerking. We hebben dit ontwerp van decreet uitgebreid besproken. Ook de hoorzittingen hebben een en ander verduidelijkt.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2423/1)

– De artikelen 1 tot en met 133 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.