U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende de participatie op school.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Vanderpoorten, verslaggever, heeft het woord.

Mevrouw Marleen Vanderpoorten

In de Commissie voor Onderwijs en Gelijke Kansen werd op data van donderdag 20 februari, 27 februari en 13 maart 2014 het ontwerp van decreet houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende participatie op school besproken. Op de eerstgenoemde datum verschafte minister Smet toelichting bij het ontwerp van decreet en op 27 februari, in de namiddag, vond de bespreking ten gronde plaats, nadat hierover in de voormiddag van diezelfde dag een hoorzitting had plaatsgevonden met de Vlaamse Scholierenkoepel en de kinderrechtencommissaris. Op 13 maart vond de afsluitende bespreking en de stemming plaats.

Minister Smet wees er bij de aanvang van zijn uiteenzetting op dat er de voorbije jaren vanuit diverse hoeken, zoals het Kinderrechtencommissariaat en de Vlaamse Scholierenkoepel, signalen gegeven werden dat de rechtspositie van leerlingen op meer fundamentele wijze moest worden herbekeken, evenwel zonder dat dit per definitie in een geïnstitutionaliseerd leerlingenstatuut moest uitmonden. In de feiten konden dus bestaande, goede maatregelen worden behouden en nieuwe maatregelen worden toegevoegd. Ook in het parlement is de problematiek van de rechtspositie van leerlingen nooit uit de belangstelling verdwenen. Dit alles leidde ertoe dat de Vlaamse overheid tot het besluit kwam dat een initiatief onder de vorm van een ontwerp van decreet opportuun was.

Het daaruit resulterende ontwerp van decreet omvat twee luiken. Enerzijds worden een reeks nieuwe maatregelen ingevoerd en bestaande maatregelen bijgestuurd tot een harmonisch geheel van rechten en plichten, met als doel de rechtspositie van leerlingen in het leerplichtonderwijs te versterken. Daarnaast worden ook een aantal wijzigingen aangebracht aan het Participatiedecreet van 2 april 2004.

De actualisering van de bestaande rechtspositie van leerlingen verloopt via diverse al dan niet samenhangende initiatieven, legt de minister uit. In de mate van het mogelijke en noodzakelijke, zijn de ontworpen maatregelen voor het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de leertijd geharmoniseerd.

Vooreerst blijft het school- of centrumreglement het juridisch basisdocument waarin rechten en plichten voor de leerling zijn gebundeld. Ten tweede moet vastgesteld worden dat het bestaande onderscheid tussen ordereglement en tuchtreglement diffuus is en dat sommige tuchtsancties maar weinig impact hebben in het leerplichtonderwijs. Daarom wordt omgeschakeld naar het begrip ‘leefregels’, met dien verstande dat enkel bij grove schending nog twee tuchtmaatregelen openliggen, namelijk de tijdelijke uitsluiting en de definitieve uitsluiting. De beide kunnen eventueel worden voorafgegaan door een preventieve schorsing.

Als derde element haalt de minister aan dat in het voorliggende ontwerp van decreet het bestaande verhaalrecht voor de betrokken personen ten aanzien van een omstreden evaluatiebeslissing of beslissing tot definitieve uitsluiting, wordt doorgetrokken, maar een andere invulling kent. Bij onderwijsconsumenten was er immers vaak het gevoel dat objectiviteit en onafhankelijkheid bij huidige beroepsorganen ontbrak, waardoor in beroep gaan dus weinig zin had. Bijsturingen zullen zorgen dat bij ouders en leerlingen de accepteerbaarheid van beslissingen na beroep toeneemt en dat de instantie die in beroep een eindbeslissing neemt niet volledig identiek is aan het orgaan die de controversiële beslissing nam, zodat het dossier vanuit een bredere invalshoek kan worden benaderd.

Minister Smet laat dienaangaande nog opmerken dat er over de vorm en de structuur van zo’n beroepsorgaan tal van meningen leefden onder de onderwijsactoren, gaande van volledig schoolintern tot schoolextern. In het licht daarvan werd er gekozen voor een oplossing waar het grootst mogelijke draagvlak voor bestaat. Deze bestaat in een beroep op het niveau van de school, maar met een opgewaardeerde beroepscommissie en dit steeds vertrekkend vanuit een samenspel van centrale regelgeving en autonomie van de schoolbesturen.

Ten slotte moet een reeks bepalingen onmiskenbaar onder de noemer ‘valorisatie van het statuut van de leerling’ worden geplaatst. Enkele voorbeelden hiervan zijn: de overdracht tussen scholen van onderwijsloopbaangebonden leerlingengegevens, het inzagerecht in het leerlingendossier, het recht op bevallingsverlof en uitbreiding van het systeem van tijdelijk onderwijs aan huis voor tienermoeders.

Voor het tweede deel ‘participatie op school’ beklemtoonde de minister dat in aansluiting op de resultaten van diverse evaluaties van de implementatie van het Participatiedecreet van 2 april 2004 en in aansluiting op een Vlor-advies van 26 mei 2011 een aantal punten werden bijgestuurd.

Ten eerste moet de samenstelling van de schoolraad een afspiegeling zijn van de schoolpopulatie. Dat betekent dat alle onderwijsactoren zich hiervoor moeten inzetten. Ten tweede moet voor de samenstelling van de raden worden overgestapt van verplichte verkiezingen naar een systeem waarbij de raden autonoom de wijze van invulling van de mandaten bepalen, onverminderd het feit dat binnen elke geleding niemand a priori wordt uitgesloten.

Verder wordt de ambigue situatie waarin de schoolraad tegelijk adviesrecht en overlegrecht heeft, eenvormig herleid naar overlegbevoegdheid over alle in het ontwerp van decreet aangegeven onderwerpen. De minister preciseert dienaangaande nog dat er niet wordt geraakt aan de beslissingsbevoegdheid van het schoolbestuur, terwijl het verplicht voorafgaand overleg met de schoolraad aan een termijn gebonden is.

Ten slotte wordt de rol van de participatieve organen versterkt door de uitbreiding van de huishoudelijke reglementen. Voor de schoolraad gebeurt dat door de bestaande lijst van verplichte minimale onderdelen aan te vullen, terwijl voor de onderliggende raden voor het eerst een set minimale bepalingen wordt geïntroduceerd.

Tot daar de uiteenzetting van de minister over de inhoud van het ontwerp. De diverse fracties lichtten hun standpunt toe. Ik veronderstel dat ze dat straks zelf ook nog zullen doen. De oppositiepartijen Open Vld, Groen en LDD dienden diverse amendementen in, onder andere met betrekking tot de termijnen voor preventieve schorsing en definitieve uitsluiting en met betrekking tor de samenstelling van de beroepscommissie. Deze amendementen werden verworpen. Over drie andere onderwerpen werden, op aangeven van de oppositie en in samenspraak met de meerderheid, een aantal andere amendementen ingediend en goedgekeurd, namelijk over het verlenen van toegang tot het tuchtdossier van de leerling, met betrekking tot het schrappen uit het ontwerp van het artikel over het expertisecentrum en met betrekking tot het maatregelencontinuüm.

In zijn geheel ter stemming gelegd, werd het aldus geamendeerde ontwerp van decreet houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie en de participatie op school aangenomen met 8 stemmen voor, 2 stemmen tegen en 4 onthoudingen.

Ik zal nu het standpunt van mijn fractie geven. Zoals ook in de commissie aangegeven, vinden we dat dit langverwachte ontwerp van decreet alleszins een stap in de goede richting is. We zijn echter niet voldaan. Daarvoor zitten er in dit ontwerp te veel gemiste kansen. Zoals reeds gezegd, bestaat het uit twee delen: de rechtspositie van de leerlingen in basis- en secundair onderwijs en de participatie op school. Er is een lange geschiedenis voorafgegaan aan het als volwaardig beschouwen van deze items. De tijd waarin men er schamper over deed, ligt nog niet zo heel lang achter ons. Mijn fractie is blij dat het draagvlak voor deze thema’s die in het ontwerp aan bod komen, is verbreed en verdiept, zowel op beleidsniveau als bij alle onderwijsbetrokkenen.

Een school moet immers ook bijdragen tot de sociale en culturele ontplooiing van leerlingen. Ze moet jongeren de kennis, vaardigheden en attitudes meegeven die nodig zijn om te leven in en te bouwen aan een democratische, solidaire en welzijnsbevorderende samenleving. Het bevorderen van zelfontplooiing, van creativiteit en van sociale verantwoordelijkheid staat daarbij voorop. Sociale basisvaardigheden bekleden dan ook een belangrijke plaats in de minimumdoelstellingen die de overheid vooropstelt. Ze moeten ervoor zorgen dat in alle scholen democratische omgangsvormen gelden en dat leerlingen de vaardigheden verwerven om bij te dragen tot en te bouwen aan een democratische samenleving. De school draagt bij tot de vorming van mensen en de wijze waarop ze leven en samenleven.

Wetenschappelijk onderzoek heeft overigens aangetoond dat naarmate leerlingen, leerkrachten en ouders meer participeren, ze zich meer betrokken voelen, waardoor het welbevinden groter wordt en het wederzijds respect, de luisterbereidheid en de verdraagzaamheid toenemen. Actieve betrokkenheid bij er wat op school gebeurt, draagt bij tot een positief schoolklimaat, een groter leerplezier en meer vertrouwen in elkaar.

Leerlingen krijgen via de deelname aan het schoolbeleid bovendien een realistisch zicht op de werking van de democratie in grote, complexe organisaties en samenlevingen. Ze leren rechten en plichten tegenover elkaar af te wegen, verschillende belangen in te schatten, rekening te houden met de mening van anderen en in samenspraak met anderen beslissingen voor te bereiden.

Leerlingen leren door participatie aan het schoolbeleid hoe ze hun persoonlijke belangen, wensen en zorgen kunnen bundelen tot collectieve standpunten en hoe ze kritisch en opbouwend aan de samenleving kunnen deelnemen. Op die wijze dragen scholen er wezenlijk toe bij jongeren te vormen tot kritische en democratische burgers.

Collega’s, wij zijn dus tevreden dat na een aarzelende aanvaarding door sommige onderwijsactoren van het Participatiedecreet vijftien jaar en zelfs nog tien jaar geleden, het debat over de versterking en de bijsturing al veel vanzelfsprekender was. We zijn ook tevreden dat een aantal door ons aangegeven en door de meerderheid in samenspraak mee onderschreven amendementen, aanvaard zijn. Die handelden over de betrokkenheid van de leerlingen bij het tuchtdossier, het organiseren van een maatregelencontinuüm en het schrappen van de schrapping van het expertisecentrum.

Dit laatste wil ik even benadrukken omdat we dit toch bijzonder belangrijk vinden. Het feit dat er tot op dit moment geen expertisecentrum is, betreuren we natuurlijk wel. Er moet immers geïnvesteerd worden in de voorbereiding en de vorming van al degenen die bij de participatie betrokken zijn. We hopen dat het expertisecentrum in de volgende legislatuur alleszins de aandacht zal krijgen die het verdient.

Daarnaast betreuren we natuurlijk wel dat een aantal andere amendementen niet aanvaard werden. Ik begrijp dat er gezocht is naar compromissen over verschillende onderwerpen, maar compromissen blijken niet altijd de meest duurzame oplossing te zijn, zelfs niet in dit soort onderwijsbeleid.

Een reeks amendementen die we opnieuw zullen indienen, strekken er onder andere toe om de termijnen voor de preventieve schorsing en de tijdelijke uitsluiting te verkorten. Een andere reeks amendementen handelen over de beroepscommissie die nu in het ontwerp van decreet wordt samengesteld door externe en interne leden die dezelfde zeggenschap hebben. Wij vinden dat de externe leden geen band mogen hebben met de school en dat alleen zij stemrecht hebben. De interne leden mogen natuurlijk wel mee overleggen en advies geven, maar ze mogen volgens het amendement dat we indienen, geen beslissende stem hebben.

Collega’s, we hebben deze amendementen opnieuw ingediend. Bij afwijzing – wat we natuurlijk wel enigszins verwachten – zullen we ons als fractie opnieuw onthouden bij de stemming over dit ontwerp van decreet. We zullen weliswaar erkennen dat er een stap vooruit is gezet.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, minister, ik wil eerst de verslaggever danken en ook de leden voor de bijdrage aan het debat. We hebben in commissie een interessant debat gevoerd.

Mevrouw Vanderpoorten, sta me toe om het te hebben over de term die soms gehanteerd wordt, namelijk ‘het compromis’. Dit is nu echt een voorbeeld van een ontwerp van decreet zonder ‘dealing and wheeling’. Hier is niet gezocht naar een compromis, er is echt gezocht naar een evenwicht – dat is een heel ander woord.

Er zijn de rechten en plichten die de grondslag vormen voor participatie, met onder meer de leerlingenrechten in heel de besluitvorming in een school. We hebben gezocht naar de juiste regels ter zake. We weten dat het onderwijs onderhevig is aan steeds meer juridisering, maar we trachten hierover duidelijke afspraken op papier te zetten waaraan men zich kan houden. Heel belangrijk is dat wij – en daarin verschillen we inderdaad van mening – de beroepsprocedure zo veel mogelijk intern wensen te houden, omdat het school- en klasgerelateerde taken betreft.

Wat dit alles betreft, gaat het niet om een goed compromis, maar om een goede evenwichtsoefening om alles te waarborgen.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, samen met de Vlaamse Scholierenkoepel en het Kinderrechtencommissariaat kunnen we voor een stuk tevreden zijn dat er een ontwerp van decreet is dat de rechten van leerlingen versterkt. Er zitten een aantal goede punten in, dat is bevestigd tijdens de hoorzitting. We zijn tevreden dat het zittenblijven beter moet worden gemotiveerd. De CLB’s krijgen een belangrijkere rol en er zijn betere rechten wat de leerlingendossiers betreft. Dat zijn goede zaken. Maar zoals de scholierenkoepel vandaag ook nog schreef, is en blijft het een aanpassingsdecreet. Het is een stap in de goede richting, maar dat betekent nog niet dat we de bestemming hebben bereikt. Als we inderdaad een echte visie op inspraak en participatie en een participatieve leeromgeving willen nastreven, dan is er nog heel wat werk aan de winkel. We denken dat zo’n participatieve leeromgeving en een meer participatief klimaat inderdaad voor een deel kan bijdragen tot de preventie van tuchtproblemen en de juridisering van het onderwijs. Daar proberen we met dit ontwerp van decreet gedeeltelijk een antwoord op te bieden. Er zitten dus een aantal goede dingen in dit ontwerp van decreet, maar er blijft toch heel wat werk op de plank.

Als oppositie zijn we ook tevreden zijn dat we toch hebben kunnen wegen op dit ontwerp van decreet en een aantal zaken hebben kunnen verbeteren, onder andere het continuüm waarbij men bij problemen eerst grijpt naar de lichtste straf om dan, via herstelbemiddeling, pas op het einde van de rit en als uiterste redmiddel naar een schorsing te grijpen. Dat is een goede zaak. Dit is er gekomen op voorzet van het Kinderrechtencommissariaat, en we zijn blij dat de meerderheid daar rekening mee heeft gehouden. Ook op aandringen van mevrouw Vanderpoorten is het expertisecentrum participatie op school niet geschrapt. Daar stonden geen middelen tegenover en dat centrum is er nog niet, maar de mogelijkheid blijft om het op te richten. Het zou een goede zaak zijn om daar in de volgende legislatuur werk van te maken.

Een aantal amendementen zijn niet aanvaard, zoals de lange termijnen voor preventieve en tijdelijke schorsingen, die toch wel vrij lang kunnen duren en die wij graag wat korter hadden gezien. Wij vinden het jammer dat dit niet is gevolgd. Ook bij de samenstelling van de beroepscommissie blijven wij nog altijd met een aantal vragen zitten, zeker wat het stemrecht van de leden betreft. Dat zijn opmerkingen waar geen rekening mee is gehouden. Vandaar dat wij ons zullen onthouden bij de stemming over het ontwerp van decreet.

De voorzitter

Mevrouw Martens heeft het woord.

Mevrouw Katleen Martens

Voor dit ontwerp van decreet wordt goedgekeurd, wil ik nog even de ernst van de zaak schetsen. Wat is eigenlijk de natuurlijke verhouding tussen ouders, opvoeding, scholen en onderwijs?

De ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van het kind en de school voor het onderwijs aan het kind. Wanneer het misloopt op school, betrekt de school de ouders, omdat het ten gronde aan de ouders is om het gedrag bij te sturen. En het is volgens ons ook aan de ouders om de consequenties te dragen indien zij nalaten om hun kind, de leerling, opnieuw schoolbaar te krijgen.

Dit ontwerp van decreet Rechtspositie doet de slinger verder doorslaan in het voordeel van de ouders en de leerling, ten koste van het onderwijs, en dat vinden wij geen goede zaak. Doordat bijvoorbeeld de schorsing slechts een schorsing is van de lessen maar niet van de school, worden de ouders amper gedwongen om zich ernstig te engageren. Alles gaat zijn gewone gangetje, zonder consequenties.

Een tweede gevolg is dat de school enkel zichzelf bedot op organisatorisch vlak. Want hoeveel tijd en mankracht vraagt het niet om een leerling op school op te vangen? Aparte taken en opdrachten vinden, uitwerken, kopiëren, verbeteren, en dat in een apart lokaal, met apart toezicht: alsof daarvoor de infrastructuur en mankracht voorhanden zijn. En dan spreken we nog enkel in geval van tijdelijke schorsing van de lessen. In het geval van een definitieve uitsluiting, duurt dit scenario dertig dagen, met een leerling die niets meer te verliezen heeft en zich naar zijn gevoel grenzeloos alles mag permitteren. Een rampscenario voor vele scholen.

En de ouders? Die hoeven geen gevolgen te dragen. Laat het CLB en de school maar alles opknappen. In heel het opzet van het beschermen van de rechten van de leerling, zitten er toch wel een aantal effecten die de school ontmoedigen deze vaak noodzakelijke maatregelen te nemen en die bovendien de ouders niet voor hun onweerlegbare verantwoordelijkheid plaatsen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

Bovendien is het voor scholen zeer belangrijk om kort op te bal te kunnen spelen zodat na een incident zowel leerlingen als ouders beseffen waar de grens ligt en wat de consequenties zijn. Maar door bijvoorbeeld nu ook een klassenraad als adviserende tussenschakel te installeren, wordt de onmiddellijkheid uit sommige beslissingsprocedures gehaald, die voorheen mits een groeiend dossier en een brief van de directie gevolgd konden worden. Indien de klassenraad bijvoorbeeld pas drie dagen na een incident kan bijeenkomen en tot een uitspraak kan komen, daalt de signaalwaarde naar ouders en kind enorm.

Een ander aspect waarin de overheid de scholen wil ontmoedigen om maatregelen te nemen tegen buitensporige leerlingen die het klimaat en leerproces van alle medeleerlingen vergallen, is door zware planlast te creëren. Alsof die vandaag nog niet voldoende opgeblazen is. Hoewel de minister in de memorie van toelichting beweert dat de juridisering naar omlaag gaat, verwacht iedereen net het tegenovergestelde: de complexiteit en zorgvuldigheid van de te volgen procedures voor de school en de steeds professioneler uitgevoerde betwistingen door ouders, zullen de schaarse tijd en middelen van de school zwaar uitputten. Ook de CLB’s krijgen er, na het M-decreet, opnieuw een hele resem taken bij, ook ditmaal zonder koppeling van hun enveloppe. Dat de opdracht slechts decretaal verankerd wordt en eigenlijk al van kracht is, klopt, maar verzwijgt dat er in het decreet wel degelijk meer werk naar de CLB’s toegeschoven wordt.

En zo staan er nog wel wat bedenkelijke elementen in het ontwerp van decreet. Wij hadden de naïeve hoop dat de minister van Onderwijs wel zou vertrekken van de bescherming van de nieuwe school en ook van de kwaliteit van het onderwijs voor de andere leerlingen, maar helaas. Het ontwerp van decreet vertrekt van het pamperbeeld waarbij de daders als slachtoffers worden voorgesteld, slachtoffers van vooroordelen en van stigma’s. Die zogenaamde vooroordelen en stigma’s zijn voor de decreetgever de reden om de nieuwe school vooral niet in te lichten met relevante informatie. Laten we alstublieft stoppen met buitensporige leerlingen af te schilderen als brave schaapjes die het slachtoffer zijn van misperceptie. Drugs dealen, fysieke feiten naar leerkrachten, aanranding van medeleerlingen, ja, tot zelfs verkrachtingen op school, het zou inderdaad zonde zijn om te beginnen stigmatiseren. Laat ons durven zeggen waar het om gaat: het zijn daders en de school moet zich hiertegen kunnen beschermen. Punt uit. En laat dat nu net relevante informatie zijn die niet meer mag worden doorgegeven. Bijvoorbeeld diefstal moet maar proefondervindelijk worden vastgesteld op de nieuwe school. Mooi. En wij maar denken dat de minister voor preventie was. Naar ons idee mag er geen beperking worden gelegd op de door te geven informatie, wel op de wijze waarop die informatie gebruikt wordt. Laat ons niet vergeten dat de school een professionele omgeving is. Er lopen personen rond die aan het beroepsgeheim of aan het ambtsgeheim gebonden zijn.

Een ander vreemd effect in dit nieuwe ontwerp van decreet wordt gegenereerd door de samenstelling van de beroepscommissie bij betwisting van de overgang en studievoortgang. In de commissie was daar terecht een discussie over. Het is zeer aannemelijk dat ouders de geldigheid van deze beroepscommissie in twijfel zullen trekken. Het gevolg daarvan is dat ze op zoek gaan naar een andere instantie om het pleit te beslechten, en dat is in casu de Raad van State. Dus net waar de minister beweert de juridisering tegen te gaan, wordt die hier in de hand gewerkt. De vraag is of er überhaupt zo veel en zo gemakkelijk moet worden betwist. Vertrouwen we dan niet meer op de expertise van de scholen? Blijkbaar niet. Meer zelfs, worden er dan inderdaad in ons onderwijs aan de lopende band onterechte beslissingen genomen, zoals het ontwerp van decreet doet uitschijnen? Ik denk het niet. Verder wil men een maatregelencontinuüm vastleggen. Op het eerste gezicht klinkt dat niet onlogisch, maar bij nader inzicht lijken er twee nadelen aan een maatregelencontinuüm als keurslijf. Ten eerste lijkt de maatregel daardoor meer in relatie te staan met vorige en toekomstige maatregelen, dan met de concrete incidenten die er de aanleiding van zijn. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat de maatregel bij een incident vooral afhangt van de voorgaande maatregel en minder van het incident.

Ten tweede, door eigenlijk een vorm van volgorde en grootte vast te leggen, ontneemt de minister voor een stuk de vrijheid van de school om naar eigen inzicht een passende maatregel te hanteren bij een conflict, indien die maatregel niet in het door de minister gewenste rijtje past. Nogmaals, de logica van het continuüm is niet onbegrijpelijk, maar volledig vrij van neveneffecten is deze decretale bepaling niet.

Tot slot nog enkele bedenkingen bij de maatregelen in geval van zittenblijven. Ten eerste is het niet netjes om in de memorie van toelichting te schrijven dat zittenblijven geen positief effect ‘lijkt’ te hebben. Dat is stemmingmakerij en bovendien arbitrair. Er zijn voldoende voorbeelden waarbij een leerling cognitief of emotioneel baat heeft bij het overdoen van een jaar. Omgekeerd zijn er leerlingen waarbij geen enkele maatregel schijnt te helpen, ook zittenblijven niet. Dat kunnen we niet over één kam scheren. Opnieuw, geef het vertrouwen aan de school om te oordelen over de waarde van zittenblijven.

Maar goed, dit ontwerp van decreet vraagt om, wanneer iemand een jaartje overdoet, niet zonder meer hetzelfde aanbod op de leerling los te laten in het tweede jaar. Niet onbegrijpelijk, maar wat houdt dat dan concreet in? Want is het niet zo dat een leerling die dreigt het jaar te moeten dubbelen, al snel gedetecteerd wordt en in een aanzienlijk zorgcircuit wordt opgenomen? Met andere woorden, het kind heeft in het eerste jaar al vele maatregelen gekregen die het tij blijkbaar onvoldoende hebben kunnen keren. Wat verwacht men dan in het tweede jaar? Meer van hetzelfde? Nee, zonder meer mag niet, dus iets anders. Maar wat schiet er nog over? Enfin, dat maar om aan te geven dat we, zelfs goed bedoeld, niet te snel rare formuleringen in wetteksten mogen inbrengen.

Samengevat: toenemende planlast voor de CLB’s en wantrouwen tegenover de scholen zorgen ervoor dat wij dit ontwerp van decreet niet mee zullen goedkeuren.

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, we hebben dit uitvoerig besproken in de commissie. Het gaat inderdaad om een evenwicht tussen rechten, plichten, maar ook meer inspraak voor leerlingen. Het is heel goed dat de Vlaamse Scholierenkoepel vraagt om verder te gaan. Dat is ook hun plicht. Anderzijds kun je ook niet ontkennen dat scholen of vertegenwoordigers van scholen soms vinden dat dit te ver gaat. We hebben hier opnieuw een belangrijke stap voorwaarts gezet. Het is evenwichtig. We hebben ervoor gezorgd dat er door een betere dialoogherstellende beroepsmogelijkheid, met respect van de klassenraad, een beroep kan worden ingediend. Met andere woorden, dit is een zeer, zeer belangrijke stap voorwaarts.

Een aantal amendementen zijn inderdaad aanvaard omdat het er soms al in zat, maar op een andere en duidelijkere manier is verwoord. Andere amendementen zijn niet aanvaard, bijvoorbeeld over de termijnen. Het moet de vrijheid van de school kunnen zijn om, rekening houdend met de context en de situatie, de juiste beslissing te nemen. Daarin willen we de vrijheid van de scholen niet beperken, wat wel het gevolg is in ingediende amendementen.

We hebben dit uitvoerig besproken. Het is een heel belangrijke stap voorwaarts. Het was niet altijd evident. We zijn tot een heel mooi evenwicht gekomen.

De voorzitter

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

De voorzitter

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/6)

– De artikelen I.1 en II.1 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel II.2. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/7)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– Artikel II.3 wordt zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen op artikel II.4. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/7)

De stemmingen over de amendementen en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen II.5 tot en met II.9 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen op artikel II.10. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/7)

De stemmingen over de amendementen en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen II.11 en II.12 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen op de artikelen II.13 en II.14. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/7)

De stemmingen over de amendementen en over de artikelen worden aangehouden.

– De artikelen II.15 tot en met III.21 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement op artikel III.22. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/7)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen IV.1 tot en met V.16 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen op de artikelen V.17 en V.18. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/7)

De stemmingen over de amendementen en over de artikelen worden aangehouden.

– De artikelen V.19 tot en met V.21 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen op artikel V.22. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/7)

De stemmingen over de amendementen en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen V.23 tot en met V.27 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er zijn amendementen op artikel V.28. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/7)

De stemmingen over de amendementen en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen V.29 tot en met VI.1 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.