U bent hier

Algemene bespreking

Dames en heren, aan de orde is het ontwerp van decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.

De algemene bespreking is geopend.

Mevrouw Helsen, verslaggever, heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Helsen

Voorzitter, minister, ook al is het uur al vergevorderd, toch kies ik ervoor om verslag uit te brengen. Het is immers een belangrijk ontwerp van decreet, waaraan we in de commissie al heel veel tijd hebben besteed.

We hebben op 5 december vorig jaar en op 30 januari en 6 en 13 februari het ontwerp van decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften behandeld. Op 9 januari vond een hoorzitting plaats met de heer Patrick Vandelanotte, mevrouw Anny Cooreman, de heer Jan Rottier, mevrouw Friedl Tuyttens en mevrouw Lisbet Van Gijzeghem. Op 16 januari werden de representatieve vakorganisaties en de onderwijskoepels en inrichtende machten en vertegenwoordigers van de CLB’s gehoord.

We mochten ook van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (CGKR) en het Kinderrechtencommissariaat een advies ontvangen over respectievelijk het voorontwerp en het ontwerp van decreet.

Voorzitter, minister, collega’s, op dit ogenblik zal ik me beperken tot het verslag, straks spreek ik namens mijn fractie. Het verslag dat ik zal uitbrengen, omvat een toelichting bij het ontwerp van decreet, met name een samenvatting van de uitgebreide en duidelijke memorie van toelichting.

Ik geef geen volledige weergave van alle betogen van fracties tijdens de commissievergaderingen, want dat zou leiden tot een heel uitgebreid verslag. Ik heb geoordeeld om vandaag alle kansen te geven aan de collega’s die straks uitgebreid het woord kunnen voeren en de visie van hun fractie kunnen weergeven. Wie meer interesse heeft voor wat er in de commissie aan bod is gekomen, verwijs ik naar het schriftelijke verslag. Ik zal wel nog heel kort ingaan op belangrijkste amendementsvoorstellen die in de commissie werden aangenomen. Voor de hoorzitting die aan het ontwerp van decreet werd gewijd, verwijs ik ook naar het schriftelijk verslag. 

Samengevat zijn de belangrijkste elementen uit het ontwerp wan decreet, zoals ook uitgeschreven in de memorie van toelichting, de volgende. In de eerste plaats geeft het ontwerp van decreet aan dat het de enige mogelijke optie was en is om de nodige maatregelen te treffen ten aanzien van een aantal uitdagingen op het gebied van het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Deze maatregelen situeren zich op het gebied van een kwaliteitsvolle diagnostiek met inbegrip van een oplossing voor leerlingen met autismespectrumstoornissen in het buitengewoon onderwijs, op het gebied van competentieontwikkeling en professionaliseren, op het gebied van de implementatie van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en er zijn een aantal maatregelen voor specifieke doelgroepen.

In afwachting van de realisatie van een verder uit te werken kader, vormen ze een eerste stap. De maatregelen met een decretale impact die nog niet eerder zijn opgenomen in andere decreten, maken deel uit van voorliggend ontwerp.

De basisfilosofie achter het ontwerp van decreet is de nieuwe visie die ‘handicap’ niet louter als een persoonlijk probleem, maar als een afstemmingsprobleem tussen de klas- en schoolcontext en de specifieke onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de jongere ziet. Een beoordeling van specifieke onderwijsbehoeften in het kader van een oriëntering naar het buitengewoon onderwijs moet daarom gebaseerd zijn op een inschatting van dat afstemmingsprobleem.

Dit leidt voor het basis- en secundair tot de volgende maatregelen. Er komt een herdefiniëring van het buitengewoon basisonderwijs type 1 en type 8 en van het buitengewoon secundair onderwijs opleidingsvorm 3, type 1 als basisaanbod buitengewoon onderwijs waarnaar een leerling georiënteerd kan worden op basis van een analyse van onderwijsbehoeften in plaats van een medische classificatie. Er komt een actualisatie van de definities van de andere onderwijstypes in het buitengewoon onderwijs. Er komt een creatie van een type 9 van buitengewoon onderwijs voor leerlingen met een autismespectrumstoornis die geen verstandelijke beperking hebben. Er komt een aanpassing van de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs, met een aantal elementen, onder andere met de vragen of de fasen van het zorgcontinuüm werden doorlopen, of de aanpassingen om leerlingen in het gemeenschappelijk curriculum te kunnen blijven meenemen ofwel disproportioneel ofwel onvoldoende zijn, en of er nood is aan een individueel aangepast curriculum. Er komt een decretale verankering in de opdrachtomschrijving van het gewoon onderwijs van de verplichting tot het doen van gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder het inzetten van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen.

Bij het toelaten van een leerling tot het buitengewoon onderwijs moet ook rekening worden gehouden met de maatregelen die al in het gewoon onderwijs zijn genomen om de leerling te laten functioneren binnen het gemeenschappelijk curriculum en moet ook worden aangetoond dat de fasen van het zorgcontinuüm voor de leerling werden doorlopen, tenzij de leerling zijn onderwijsloopbaan start in het buitengewoon onderwijs.

Om de oriëntering naar geïntegreerd onderwijs (gon) en buitengewoon onderwijs conceptueel zuiver te houden, worden de toelatingsvoorwaarden voor gon aangepast. Aan de andere voorwaarden om gon-begeleiding te genereren, wordt voorlopig niets gewijzigd, maar de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek over de organisatie van gon en inclusief onderwijs (ion) en van een breder debat over de financieringsmechanismen voor leerlingen met een beperking in het gewoon onderwijs, kunnen aanleiding geven tot extra beleidsmaatregelen in een volgende fase en de inzet van bijkomende middelen wanneer de toepassing van het decreet aanleiding geeft tot minder uitgaven in het buitengewoon onderwijs.

Er worden wijzigingen aangebracht in de onderwijsregelgeving om stappen te zetten in de geleidelijke realisatie van artikel 24 van het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap en het recht op inschrijving in het gewoon onderwijs.

De inschrijving in het basisaanbod buitengewoon onderwijs zal periodiek worden geëvalueerd.

Het type 5 wordt ruimer gedefinieerd naar residentiële settings toe.

Het correctiebudget, dat werd ingesteld voor de begeleiding van jongeren met autismespectrumstoornissen in het geïntegreerd onderwijs, wordt verlengd.

Er worden nieuwe mogelijkheden gecreëerd om scholen buitengewoon onderwijs met enkel en alleen opleidingsvorm 4 op te richten.

Verder worden de bepalingen gewijzigd omtrent het recht hebben in het buitengewoon secundair onderwijs op een verlenging na 21 jaar. Er wordt bevoegdheid gegeven aan de klassenraad en de louter administratieve procedure voor de commissie van advies voor het buitengewoon onderwijs (CABO) wordt afgeschaft. De andere CABO-taken inzake vrijstelling van de leerplicht en permanent onderwijs aan huis worden naar de onderwijsinspectie overgeheveld in het kader van het algemene toezicht op de kwaliteit van de handelingsgerichte diagnostische praktijk in het onderwijs.

Aansluitend op de verplichting tot het doen van gepaste en redelijke aanpassingen in het basis- en secundair onderwijs worden handelingsgerichte diagnostiek, de principes van handelingsgericht werken en het ondersteunen van scholen bij het doen van die aanpassingen in de opdrachtbepaling van het CLB ingeschreven.

Ook wordt er een bijkomende opdracht gegeven aan de onderwijsinspectie om toe te zien op de oriënteringen van leerlingen die door de CLB’s gebeuren. De rechtsbeschermingsprocedure wordt aangepast door de bevoegdheden, de samenstelling en de gevolgen van de beslissingen van de commissie inzake leerlingenrechten aan te passen en af te stemmen op het VN-verdrag en het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid. De aangepaste procedure verzekert de betrokkenheid van vertegenwoordigers van personen met een handicap, personeel en onderwijsverstrekkers.

Zoals uit het vorige blijkt, zal het decreet een impact hebben op heel wat aspecten van het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, zowel in het gewoon als in buitengewoon onderwijs, zowel in het basis- als in het secundair onderwijs. Daarom is het belangrijk om die impact vanuit diverse invalshoeken op te volgen en te monitoren. Om de mogelijkheden tot eventuele bijsturing te benutten, is het belangrijk dat de resultaten van deze monitoring worden opgenomen in een jaarlijks voortgangsrapport.

Verder, voorzitter, ministers, collega’s, wens ik nog stil te staan bij een aantal aangenomen amendementen. Eerst wens ik u te wijzen op een aantal door de commissie aangenomen amendementen die de oorspronkelijk geplande inwerkingtreding van diverse artikelen met één jaar uitstellen. Voor onder andere de manier van afleveren van gemotiveerde verslagen voor het geïntegreerd onderwijs en verslagen die een recht op toegang geven tot het buitengewoon onderwijs is de inwerkingtreding met een jaar verschoven naar 1 januari 2015. Ook de gefaseerde uitrol van het ontwerp van decreet zoals die in de scholen zelf zal worden gerealiseerd is met een jaar verschoven, van 1 september 2014 naar 1 september 2015. Dit alles geeft de mogelijkheid om de komende maanden in te zetten op informatie, communicatie, de voorbereiding van het onderwijsveld en verdere competentieontwikkeling.

Tot slot wens ik u er ook op te wijzen dat er een amendement is aangenomen dat een afzonderlijk hoofdstuk ‘Ondersteuning in scholen en competentieontwikkeling van personeelsleden’ toevoegt aan het ontwerp van decreet dat de contouren vastlegt voor een structurele regeling van de professionalisering.

Hiervoor wordt een kaderovereenkomst afgesloten met de vzw Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten.

Het ontwerp van decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften werd uiteindelijk aangenomen door de Commissie voor Onderwijs en Gelijke Kansen met acht stemmen voor en vier stemmen tegen en het ligt vandaag voor in deze plenaire vergadering voor verdere bespreking. (Applaus)

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, dit is een heel belangrijk ontwerp van decreet, het M-decreet, het decreet dat het geplande decreet Leerzorg voor een deel moet vervangen. Het Leerzorgdecreet moest tot stand komen onder toenmalig minister Frank Vandenbroucke, maar er bestond op dat moment geen draagvlak voor. Intussen was de afspraak in het regeerakkoord van deze Vlaamse Regering om daar toch werk van te maken. We zitten aan het eind van de legislatuur en het is duidelijk dat de Vlaamse Regering niet met lege handen naar huis wil gaan en toch absoluut nog een beslissing wilde nemen over het inschrijvingsrecht voor kinderen met een beperking in het gewone onderwijs.

Dit ontwerp van decreet is er gekomen op een vrij haastige manier, en het is duidelijk dat er absoluut geen draagvlak voor is. Het beroert de gemoederen enorm, dat hebben we allemaal kunnen zien. We hebben allemaal de mails gekregen. Het beroert de gemoederen vanuit verschillende hoeken. Het is duidelijk dat er geen draagkracht is voor dit ontwerp van decreet in zijn huidige vorm, onder meer bij de leerkrachten van het gewoon onderwijs voor wie de emmer nu al overloopt. Zij hebben nu al het gevoel dat er zoveel op hen afkomt, dat zij er al zoveel extra taken bij krijgen, dat de rol van de school en van de leerkracht steeds belangrijker en zwaarder wordt terwijl zij daar niet voor erkend worden. Hun opdracht wordt te zwaar. Zij krijgen er nu het hele inclusiefonderwijsverhaal nog bovenop. Zij vinden dat moeilijk en zij hebben daar grote vraagtekens bij.

Ook de CLB’s zien die extra taakbelasting niet zitten. Ook hun emmer raakt steeds voller. Er komen steeds taken bij de opdracht van de CLB’s, binnen dezelfde gesloten enveloppe zonder dat daar meer mensen en middelen tegenover staan. Het decreet Bijzondere Jeugdzorg zorgt voor extra belasting van de CLB’s. Ook de toename van het aantal leerlingen zorgt voor een zwaardere jobinhoud. Ook in het voorliggende ontwerp van decreet zullen zij een grote rol spelen. Zij hebben daar grote vraagtekens bij.

Ook het buitengewoon onderwijs heeft vraagtekens bij dit ontwerp. Zij voelen zich een beetje miskend. Zij hebben jarenlang uitstekende expertise opgebouwd. Zij proberen kinderen die een beperking hebben van verschillende aard, zo ver mogelijk te brengen. Zij zijn daar jarenlang mee bezig en hebben dan ook een zekere expertise opgebouwd. Zij hebben nu het gevoel dat die expertise voor een deel teloor zal gaan en dat zij die niet zullen kunnen inzetten in het gewoon onderwijs. Zij vrezen ook een beetje voor hun werk. Wat zal dit M-decreet voor hen betekenen?

De gon-begeleiders  en ion-begeleiders – mevrouw Helsen heeft ze genoemd – hebben expertise op het vlak van inclusief onderwijs, maar zij zijn niet opgenomen in het ontwerp van decreet. Zij zijn nog even aan de kant gezet, voor hen komt de regelgeving later wel. Zij werken nog altijd binnen een heel onduidelijk kader. Tijdens deze legislatuur wordt dat niet meer uitgeklaard, dat zal voor de volgende legislatuur zijn.

En dan zijn er nog de belangenorganisaties van de personen met een handicap zelf zoals GRIP (Gelijke Rechten voor Iedere Persoon met een Handicap), die hevige voorstander zijn van een inclusief onderwijs en een inclusieve samenleving. Zij willen echt dat we daar werk van maken in Vlaanderen. Volgens GRIP hebben wij een VN-verdrag geratificeerd en zijn we dus verplicht om daar werk van te maken. Ik volg hen daarin.

Maar ook zij zijn niet tevreden met het ontwerp van decreet. Ze stellen dat het recht op inclusief onderwijs in het ontwerp onvoldoende is verankerd.

Op het eerste gezicht lijken dat tegenstrijdige standpunten, en dat benadrukt u ook. U zegt dan dat voor de enen – voor organisaties zoals GRIP – het recht te weinig is verankerd, terwijl het voor de mensen uit de onderwijswereld te ver gaat. U concludeert dan dat u het goed doet, want dat u het midden houdt. Dat is uw redenering. U verwijt Groen dat we altijd voorstanders van het recht op inclusief onderwijs zijn geweest, en dat we vonden dat er iets moest worden ondernomen, maar dat we nu protesteren. Minister, ik zie geen tegenstelling. Het is niet zo dat er te veel en te weinig wordt gedaan. Er wordt gewoon te weinig gedaan.

We ratificeerden een VN-verdrag. Het verdrag roept staten op om op een inclusieve manier personen met een handicap te benaderen. Personen met een handicap moeten kunnen participeren aan de samenleving, en als dat niet lukt, is dat niet hun schuld, maar die van de samenleving, die er niet in slaagt om de nodige aanpassingen te doen om hen te laten participeren. De tijd dat men personen met een handicap wegstopt in een voorziening is voorgoed voorbij, ook in het onderwijs. Het recht – ik zeg heel duidelijk: het recht – op inclusief onderwijs is in het VN-verdrag verankerd. We staan allemaal achter het VN-verdrag. We hebben het geratificeerd. Is er hier iemand die vindt dat we dat niet hadden moeten doen? Durft iemand dat te zeggen, met de argumentatie dat we de gevolgen ervan niet hadden kunnen inschatten? Ik denk het niet.

Het is dus onze plicht om dat verdrag in decreetgeving om te zetten. Het M-decreet volstaat daar niet voor. Het volstaat voor de kinderen die het gewone curriculum kunnen volgen, maar niet voor hen die dat niet kunnen. Er is dus sprake van een vorm van discriminatie. Er zijn personen met een handicap van de eerste en de tweede klasse, afgaande op uw ontwerp van decreet. De eerste groep heeft een absoluut recht op inschrijving, mits redelijke aanpassingen, de tweede groep heeft dat niet. Het ontwerp van decreet gaat voor ons dus niet ver genoeg, dat is juist.

Moeten we nu verontwaardigd zijn? Ik denk het niet. Er is immers een grote ‘maar’. In dat VN-verdrag staat nog iets wat erg belangrijk is. Tegenover dat recht op inschrijving staat heel duidelijk dat de overheid de plicht heeft om ervoor te zorgen dat dat recht op inclusief onderwijs ook effectief kan worden waargemaakt door leerkrachten en scholen. De overheid heeft de plicht ervoor te zorgen dat de noodzakelijke, redelijke aanpassingen kunnen gebeuren; om in voldoende middelen te voorzien, zodat het onderwijsveld wordt gesteund. Op dat punt faalt de Vlaamse Regering volledig. Het is echt onverantwoord wat de Vlaamse Regering met ons onderwijs doet.

Straks zal de meerderheid een ontwerp van decreet goedkeuren waarvan men de gevolgen helemaal niet kan inschatten. Men neemt beslissingen, hoewel men bij benadering niet kan zeggen wat de gevolgen zullen zijn. Hoe groot zal de verschuiving van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs zijn? U weet dat niet. U hebt geen cijfers. Het is een erg belangrijk decreet, met mogelijks zeer grote gevolgen, maar u weet echt niet wat de gevolgen zijn. Toch vraagt u ons om dat goed te keuren. U vraagt het gewoon onderwijs ook – neen, u legt het op – om de mogelijk grote verschuiving van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs op te vangen, zonder ondersteuning en zonder middelen. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Het is wel waar, mijnheer Van Dijck. En dat terwijl we in Vlaanderen al niet uitblinken in omkadering, kleine klassen, goed uitgebouwde en ondersteunde zorgteams, goede ondersteuning voor directeurs of voor beginnende leerkrachten. Er zijn uitdagingen genoeg in ons onderwijs, nu al. En dan vragen we aan onze leerkrachten om dit erbij te nemen, zonder dat we voldoende ondersteuning geven.

Soms wordt er verwezen naar Scandinavische landen. Ik doe dat ook graag. Ik bewonder wat ze daar soms doen wat inclusief onderwijs betreft. In Vlaanderen sturen we in vergelijking een gigantisch hoog aantal kinderen door naar het buitengewoon onderwijs, te hoog, dat geef ik toe. Scandinavische landen doen het een stuk beter, geven uitvoering aan dat VN-verdrag en kiezen voor inclusief onderwijs. Maar dan moet je weten dat ze daar gemiddeld twaalf kinderen in één klas hebben. Bij ons ligt het gemiddelde een pak hoger, zo niet dubbel zo hoog. Dan is het vandaag in Vlaanderen op die manier niet realiseerbaar.

U vraagt ons een ontwerp van decreet goed te keuren waarbij we de taaklast van de CLB’s nog gigantisch vergroten. Daar staan geen middelen tegenover, integendeel. Vanaf volgend jaar september zal er nog meer moeten worden bespaard en moeten de zaken worden gerealiseerd binnen dezelfde gesloten enveloppe. We vragen dus om dit te realiseren zonder een kader voor de gon-leerkrachten.

Minister, u zegt dat dat u nu de Rubicon overtrekt: het is belangrijk, we moeten beslissen, en daarna zien we wel. U wijst erop dat er een waarborgregeling in zit, waarbij het geld dat vrijkomt uit het buitengewoon onderwijs zal worden geherinvesteerd in het gewone onderwijs en er dus niets verloren gaat.

Maar dat, minister, is voor mij de wereld op zijn kop! We moeten net het omgekeerde doen. We moeten eerst voldoende tijd met voldoende middelen vrijmaken om die competentie te ontwikkelen, om de gewone scholen te ondersteunen, om zorgteams uit te bouwen, om de leerkrachten in de klas te ondersteunen, om te zorgen voor extra omkadering. En dan, minister, mag u en moet u, wat mij betreft, die Rubicon overtrekken. Maar niet op deze manier: eerst oversteken en wel dan kijken waar de gaten vallen en hoe we die opvangen. Dat is voor mij de verkeerde manier van werken.

In ons voorstel willen wij heel duidelijk scholen een basisfinanciering geven voor de uitbouw van die inclusieve onderwijstrajecten. Op termijn willen wij overschakelen naar een soort van rugzakfinanciering, en dat staat al lang in ons programma. We willen een leerlinggebonden financiering, zodat leerlingen inderdaad de keuze krijgen om op de plek te zitten waar ze het best zitten. Is dat in het buitengewoon onderwijs, dan is dat zo. Dat willen wij absoluut niet afschaffen. Er zit expertise die ze nergens anders hebben en er wordt schitterend werk geleverd.

Ik was gisteren nog op bezoek in een kleinschalig schooltje met 24 leerlingen uit het buitengewoon onderwijs, type 3. Er waren 8 begeleiders voor die 24 leerlingen. Kan dat zomaar worden overgenomen? Ik denk het niet. Zaten er kinderen die daar perfect op hun plek zitten, die nergens beter kunnen zitten? Ik denk het wel. Moeten we dat blijven honoreren? Absoluut. En blijven waarderen? Ik denk het ook. Wij moeten ernaar streven dat elk kind op zijn plek terechtkomt: inclusief onderwijs als dat het beste is voor dat kind, buitengewoon onderwijs als dat nodig is en als dat de juiste keuze blijft.

Er zijn inderdaad een aantal amendementen, waar de meerderheid straks wellicht mee zal schermen, bijvoorbeeld over de competentieontwikkeling. Maar uiteindelijk, mijnheer Van Dijck, komen er geen extra middelen. Dat is de bestuurslogica van de N-VA de laatste tijd. U stemt maar en maakt oplossingen op lange termijn, zoals bij het decreet over de persoonsgebonden financiering en andere decreten, die aardverschuivingen meebrengen. Maar het mag allemaal niets kosten. Het moet allemaal gebeuren met de huidige middelen, binnen de huidige enveloppes. Blijkbaar wilt u de handen vrij om de volgende legislatuur te doen en te beslissen wat u wilt.

Mijnheer Van Dijck, dat gaat niet. Je kunt niet fundamenteel hervormen zonder middelen, want dan heb je een lege doos. Zonder middelen heb je een lege doos. Zo zal ook het decreet persoonsgebonden financiering zijn. Het is dan gemakkelijk om de wachtlijsten op te lossen door een aantal mensen ervan te schrappen. Zo lossen jullie tegenwoordig de wachtlijsten op. Dat lukt dus niet, ook niet met dit decreet. Het is een onmogelijke opdracht om dit zonder extra middelen te realiseren. Het is onverantwoord en onverantwoordelijk als het over onze kinderen gaat.

De heer Van Dijck heeft het woord.

Mevrouw Meuleman, het is natuurlijk uw recht om te zeggen wat u wilt. Maar nu de wachtlijsten in mijn nek schuiven, bedankt! (Opmerkingen van mevrouw Elisabeth Meuleman)

Er zijn met betrekking tot de financiering van dit decreet heel duidelijke afspraken gemaakt. Sommigen stelden dat dit een besparingsoperatie was. Maar dit is geen besparingsoperatie.

Ik kan straks ook op het spreekgestoelte komen en debiteren dat we dat allemaal gaan oplossen met nog meer middelen en nog meer geld. Iedereen zal dat graag horen. Maar wij zijn de ‘kouden’, de ‘harden’, diegenen die het geld niet over de balk gooien. Maar je moet eerst geld hebben om het over de balk te gooien. Ik stel u nu gewoon de vraag waar u dat geld gaat halen. Ik zie ook die noden in Vlaanderen. Ik zie ook die grote tekorten. Ik zie in het onderwijs een plejade van moeilijkheden en in welzijn een plejade van uitdagingen, maar ik weet ook dat we straks in Vlaanderen nog meer zullen moeten besparen, door toedoen van akkoorden waar ook u mee verantwoordelijkheid voor genomen hebt. (Opmerkingen)

Ik zeg u gewoon dat wij hier een beleid bepleiten binnen de budgettaire mogelijkheden die we in Vlaanderen hebben. Het geld valt hier niet uit de bomen. Ik hoor het graag: klasjes van twaalf. Waarom niet van tien? Maar hoe gaat u dat financieren?

Dan moet u ook geen decreten zoals deze goedkeuren, mijnheer Van Dijck. (Applaus bij Groen, Open Vld en LDD)

Of andere decreten, die inderdaad de toekomst in theorie vastleggen, maar daar geen middelen tegenover plaatsen.

Die problemen gaan we niet aanpakken?

Het is allemaal mooi om dat in theorie goed te keuren en vast te leggen, en dan op het eind van de legislatuur te zeggen: “Kijk eens waar wij allemaal voor gezorgd hebben. Inclusief onderwijs.” Inclusief onderwijs, mijn oren! Dat is geen inclusief onderwijs, gewoon zeggen: “U hebt nu het recht, ga maar naar het gewoon onderwijs, allemaal als u dat wenst. Doe maar, maar los het zelf op!” Dat gaat niet, mijnheer Van Dijck. Dat is een beetje het probleem van deze legislatuur.

Ik zal u voorlezen wat mevrouw Helsen in 2010 in een persmededeling schreef. Met grote letters staat daar de titel: ‘Geen middelen + geen aanpassingen = geen leerzorg’. Zij verwees toen naar berekeningen die werden gemaakt voor het Leerzorgdecreet. U moet nu niet zeggen dat het nu iets helemaal anders is waarvoor er geen middelen nodig zijn. In de tijd van het Leerzorgdecreet, dat toch ook het recht op inclusief onderwijs wou verankeren en dat het buitengewoon en het gewoon onderwijs wou hervormen, stond er dat daarvoor jaarlijks 65 miljoen euro nodig zou zijn. Er was in een deel daarvan voorzien. Nu moet bijna hetzelfde principe worden gerealiseerd met 0 euro.

Mevrouw Helsen, u schreef letterlijk: ‘Geen middelen + geen aanpassingen’. En dat ging toen over de verschillende typologieën die moesten verdwijnen. Nu zie je dat er inderdaad wat aanpassingen zijn gebeurd. De types 1 en 8 versmelten. Zijn dat dan de aanpassingen die u zo nodig vond? Vindt u dat voldoende? Kunt u hier nu mee instemmen?

Mevrouw Kathleen Helsen

Mevrouw Meuleman, ik kijk toch wel even op omdat u niet het verschil ziet tussen het leerzorgkader, dat tijdens de vorige legislatuur voorlag, en het decreet dat vandaag voorligt. Er is een immens groot verschil. De mogelijkheden die dit decreet biedt, zijn van een totaal andere aard. De gevolgen van het leerzorgkader zijn ook van een totaal andere aard dan dit decreet. Dat is de reden waarom wij ons anders opstellen, maar ik zal daar straks dieper op ingaan.

Ik ben er zeer benieuwd naar, hoe u met dat decreet het inclusief onderwijs zonder middelen zult kunnen realiseren, terwijl u dacht dat u met leerzorg nog 65 miljoen euro nodig had. Ik ben zeer benieuwd hoe u mij daarop zult antwoorden, mevrouw Helsen.

Ik denk dat ik de positie van Groen intussen duidelijk heb gemaakt. Ik wil die nog eens kort en bondig herhalen. We zijn voor het recht op inclusief onderwijs. Het verdrag van de Verenigde Naties verplicht ons hiertoe. Vanuit onze ideologie staan we echt achter de nieuwe benadering die personen met een beperking voor de volle 100 procent op een volwaardige wijze aan de maatschappij laat participeren. Dit moet zonder discriminatie gebeuren. Er mogen geen personen met een beperking van eerste klasse en van tweede klasse zijn.

Sommigen hebben het recht zich in te schrijven en voor anderen is het slechts een gunst. De minister heeft in de commissie verklaard dat het voor een aantal personen een gunst is. Wij gaan hiermee niet akkoord. Dat is een in het ontwerp van decreet ingebakken discriminatie die wij eruit willen halen. Elk kind moet het recht hebben op zijn juiste plek en op de plek van zijn keuze te zitten. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Mevrouw Meuleman, we voeren hier echt een fundamenteel debat. Volgens u is dit een element van discriminatie. Het is mogelijk dat de beste plaats van een kind op basis van zijn persoonlijkheidskenmerken of zijn handicap in het buitengewoon onderwijs is. De Vlaamse overheid trekt hier terecht enorm veel middelen voor uit. Is dat dan discriminerend? De basis van dit ontwerp van decreet is dat elk kind op de juiste plaats moet zitten. Als het kan, moet dat in het gewoon onderwijs, met de nodige ondersteuning, gebeuren. Indien het kind daar behoefte aan heeft, moet dat zeker ook in het buitengewoon onderwijs kunnen. Die verantwoordelijkheid willen we als Vlaamse overheid nemen. Ik vind dat helemaal niet discriminerend. Ik vind net dat we elk kind geven waar het recht op heeft.

Mijnheer Van Dijck, beslist u daar dan over? De Vlaamse overheid wordt zo de keizer-koster die bepaalt welke kinderen al dan niet toegang krijgen. Dit zit op voorhand in het ontwerp van decreet ingebakken.

Ik beslis daar niet over. De scholen, de centra voor leerlingenbegeleiding en de zorgverstrekkers doen dat. (Opmerkingen van mevrouw Elisabeth Meuleman en de heer Kris Van Dijck)

Op die manier voeren we hier geen dialoog. Ik kan niet meer volgen.

De heer Van Dijck heeft het woord.

In het ontwerp van decreet staat bepaald wie daarover beslist. Dat zijn wij niet. Wij bepalen het kader. De mensen die met kinderen bezig zijn en de ouders bepalen, binnen de draagkracht van een school, wat de juiste plek van het kind is. Ik vind dat we op die manier rekening houden met de individuele noden van het kind.

Minister, het ontwerp van decreet omvat duidelijk twee categorieën. De eerste categorie bestaat uit kinderen voor wie het terecht is. Er moet een heel continuüm worden doorlopen om aan te tonen dat het met redelijke aanpassingen niet lukt hen in het gewoon onderwijs in te schrijven. Zij hebben bijkomende rechten. De tweede categorie bestaat uit kinderen die het curriculum niet kunnen volgen. Voor hen is het geen recht, maar een gunst.

Hoewel de vraag u al een aantal keren is gesteld, hebben we eigenlijk nog geen afdoend antwoord gekregen. Wat zal die gunst, zoals u het noemt, nu precies inhouden voor kinderen die het curriculum niet kunnen volgen? Welke motivering is nodig om te kunnen stellen dat de redelijke aanpassingen voor die kinderen niet zullen lukken? Dat is onduidelijk.

Er zijn twee categorieën. Dit leidt tot een vorm van discriminatie. We hebben al eerder aangehaald dat een aantal juristen zich hierover hebben gebogen. Volgens hen zal dat tot juridische problemen leiden. U ontkent dat.

We willen dat alle kinderen met een beperking op dezelfde manier worden behandeld. Dit betekent niet dat zomaar inclusief onderwijs kan worden gerealiseerd. Daar zijn in onze ogen duidelijke voorwaarden aan verbonden.

We zullen het ontwerp van decreet niet goedkeuren. We willen echt dat u uw huiswerk opnieuw maakt. U moet het inschrijvingsrecht echt verankeren. Bovendien moet u dit onmiddellijk aan voldoende ondersteuning koppelen. Er moet een vorm van leerlinggebonden financiering komen. Dit moet ertoe leiden dat leerlingen in het gewoon onderwijs voldoende worden ondersteund.

Op deze manier is het onrealistisch, onverantwoord en onverantwoordelijk dit ontwerp van decreet in te voeren en van de mensen in het gewoon onderwijs te verwachten dat ze de verschuiving mogelijk maken. We kunnen nog niet goed inschatten wat dit allemaal met zich zal meebrengen. Dit zou zeer veel kunnen zijn.

Dit is in twee opzichten absoluut geen goed ontwerp van decreet, ten eerste omdat er onvoldoende ondersteuning en financiering is en ten tweede omdat het recht niet op een correcte manier verankerd is. Om die redenen zullen we dit ontwerp van decreet niet goedkeuren. (Applaus bij Groen en Open Vld)

De heer Van Malderen heeft het woord.

Mevrouw Meuleman, ik ben absoluut geen onderwijsexpert, maar ik heb het geluk gehad om me de afgelopen jaren wat te kunnen bezighouden met het VN-verdrag. Samen met de goede collega Vogels zijn we ondertussen ook in een debat verwikkeld over hoe we ervoor zullen zorgen dat in de toekomst in Vlaanderen mensen met een handicap op de best mogelijke manier de zorg ontvangen waar ze recht op hebben. Het moet me van het hart dat ik ook daar wel wat parallellen zie met het debat dat hier wordt gevoerd. Ik wil dat in alle rust en sereniteit voeren.

Mevrouw Meuleman, u wrijft de meerderheid en de regering aan dat men een middenpositie inneemt door te zeggen dat er aan de ene kant mensen zijn die vinden dat het niet ver genoeg gaat, aan de andere kant mensen die zeggen dat het veel te ver gaat en dat we niet de omkadering hebben die nodig is en dat er ergens in het midden enige waarde zou zitten om op een pragmatische manier stappen voorwaarts te zetten.

Mijn vaststelling is dat u eigenlijk helemaal het omgekeerde doet. U zegt dat degenen die vinden dat het niet ver genoeg gaat, gelijk hebben en dat degenen die vinden dat het veel te ver gaat, gelijk hebben. Uw eindsom is, zoals u nu met uw stemverklaring nog eens bevestigt, dat we geen decreet hebben en dat we helemaal opnieuw zouden kunnen beginnen, en dat we dus op dit terrein geen ratificering van het VN-verdrag realiseren. Ik zeg u: soms is het beste de grootste vijand van het betere, want het resultaat zal zijn dat we leerlingen in type 8 zullen blijven steken omdat ze een taalachterstand hebben, terwijl je dat met realistische en redelijke aanpassingen wellicht ook vandaag en morgen al kunt doen in het gewoon onderwijs als we met dit ontwerp van decreet voortdoen.

Nogmaals, ik ben helemaal geen onderwijsexpert, maar ik zie toch wel dat je met pragmatische stappen voorwaarts en met een efficiënte inzet van middelen, een groot verschil kunt maken, op zijn minst voor die kinderen.

Ik vind dat helemaal niet pragmatisch. Ik vind het ontwerp van decreet dat nu voorligt, in de verste verte niet pragmatisch. Ik vind het zelfs zeer onrealistisch. Het is een echt onrealistisch ontwerp van decreet omdat het niet waar te maken is.

Je kunt natuurlijk een mooi principe honoreren, en ik vind dat belangrijk. We hebben dat al gedaan met het VN-verdrag. Dat principe moet je niet meer honoreren. Dat moet je niet meer vooropstellen, mijnheer Van Malderen, dat hebben we eigenlijk in 2009 al gedaan. Wij moeten werk maken van inclusief onderwijs. U zegt nu dat het belangrijk is dat we dat principe honoreren, dan doen we toch iets. Neen, zo ver zijn we al. We moeten er nu echt werk van maken in de praktijk. Dat doe je maar, mijnheer Van Malderen, door echt te zorgen voor ondersteuning, competentieontwikkeling en financiering. Dan teken je een pad uit met heel duidelijke doelstellingen over hoe je die competentieontwikkeling zult waarmaken en op welke termijn. Dat is nu niet mogelijk.

De datum van inwerkingtreding is al uitgesteld naar 1 januari 2015. Proficiat, mijnheer Van Malderen, alsof het gewoon onderwijs tegen dan klaar zal zijn om die kinderen op te vangen. Ik heb ze gisteren gezien, het zijn kinderen waar je inderdaad een aantal extra competenties voor moet hebben en je een team nodig zult hebben om die leerlingen te begeleiden.

Ik vind dat we daar een tijdspad voor moeten uittekenen om dat te kunnen waarmaken en om echt aan competentieontwikkeling te doen. We moeten daar niet morgen mee beginnen binnen de bestaande pedagogische begeleidingsdiensten, met die mensen die al de taak hebben om beginnende leerkrachten en dergelijke op te leiden. Je kunt die mensen niet zeggen dat ze nu nog aan competentieontwikkeling in verband met inclusief onderwijs moeten gaan doen, dat ze een jaar hebben om te zorgen dat de scholen klaar zijn en dat er niet wordt voorzien in extra ondersteuning op de werkvloer zelf. Sorry, dat is ver weg van pragmatisme. Dat is onrealistisch, dat is onverantwoord, mijnheer Van Malderen. Daarom kan ik dat echt niet goedkeuren, hoewel mijn hart bij het recht op inclusief onderwijs ligt.

Mevrouw Meuleman, u geeft in de verste verte geen antwoord op het voorbeeld dat ik u heb proberen te geven. U bewijst de zaak lippendienst. Door zo te keer te gaan tegen dit ontwerp van decreet zegt u eigenlijk dat het bij woorden blijft. Niemand van de meerderheid, niemand die in de commissie of elders aan het debat heeft deelgenomen, betwist dat je werk moet maken van competentieontwikkeling, dat je iets moet doen met de lerarenopleiding, dat je op het terrein zult moeten begeleiden.

We zijn het er met ons allen toch over eens dat we niet op een gegeven moment alle scholen kunnen dichtdoen en dan een paar maand later opnieuw opendoen, en dat we dan een nieuw onderwijsmodel hebben. We zijn het er toch over eens dat je een proces zult moeten opstarten, dat je gradueel, zelfs op het niveau van de school, zult moeten opzetten. Dat bedoel ik met pragmatiek, met een stapsgewijze opbouw. Ik heb u bewust een voorbeeld gegeven van hoe een bepaalde groep in het bijzonder onderwijs zwaar oververtegenwoordigd is, die we daar vandaag in uw standpunt – mijns inziens onterecht – laten zitten.

Er zijn ook heel veel andere groepen. Met pragmatiek bedoel ik dat we een tijdpad uittekenen, dat we voor de competentieontwikkeling zorgen, dat we vastleggen hoeveel middelen we daarvoor uittrekken, dat we een inschatting maken van een mogelijke verschuiving en van hoeveel middelen er dan zullen vrijkomen, die we dan wellicht geleidelijk kunnen afbouwen, maar we zorgen eerst voor een basisfinanciering en een realistisch tijdpad. Dat noem ik pragmatiek. Dat moet geen jaren wachten, mijnheer Van Malderen. We kunnen vrij snel iets hebben, waar een budget en een tijdpad met de nodige competentieontwikkeling tegenover staan.

Ik vraag om de gang van zaken om te keren en niet de wereld op zijn kop te zetten door het eerst goed te keuren en dan wel te zien. Ik vraag om het omgekeerde te doen, om naar die omslag toe te werken, vanaf vandaag, met de nodige beslissingen die de competentieontwikkeling mogelijk maken, om over enkele jaren niet een lege doos te hebben, maar dat elk kind op de plek zit waar hij het best zit. Dat is voor mij de logische volgorde.

Mevrouw Kathleen Helsen

Mevrouw Meuleman, u hebt een amendement ingediend. U zegt dat dit ontwerp van decreet op niets trekt, dat we ons huiswerk opnieuw moeten maken, dat het onverantwoord is om dit te stemmen. Wat ik niet goed begrijp is dat u, als het ontwerp van decreet zo slecht is, met een amendement toch vraagt om het te repareren. Het is dan nog een amendement waarin u bijkomende eisen stelt aan scholen en leerkrachten om bijkomend verantwoording te geven voor de leerlingen van wie ze vinden dat ze niet kunnen worden ingeschreven in het gewoon onderwijs. Ik begrijp niet goed waarom u dit voorstelt.

Mevrouw Helsen, ik ben redelijk realistisch. Ik weet wat we vanuit de oppositie kunnen bereiken. Ik zou graag bereiken dat we vandaag kunnen afspreken dat het voorliggende ontwerp van decreet onvoldoende is, dat het in te weinig financiële middelen en te weinig ondersteuning voorziet. Ik denk dat u het daarmee eens bent, u hebt dat zelf ooit geschreven.

Ik hoop dus dat we dit ontwerp van decreet kunnen uitstellen, dat we kunnen afspreken dat we er niet over stemmen. Maar ik vrees dat me dat vanuit de oppositie niet zal lukken, dat jullie politieke akkoord al heel lang is gesloten, en dat ik het niet zal kunnen tegenhouden.

Als ik wel iets kan doen, dan is het misschien de discriminatie oplossen. Ik denk dat er juridische problemen mee zijn en dat onderscheid vind ik ideologisch en deontologisch onverantwoord. Dat vraag ik aan u, maar het liefst van al vraag ik dat u dit uitstelt en dat we er vandaag niet over stemmen.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Helsen

Voorzitter, minister, collega’s, in tegenstelling tot het ontwerp van decreet Leerzorg dat vorige legislatuur door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd, wil onze fractie dit ontwerp van decreet wel goedkeuren. We hebben daartoe goede redenen. In dit ontwerp van decreet wordt er eindelijk vertrokken vanuit een vernieuwde visie op handicap, waarbij niet zozeer de beperking wordt toegeschreven aan het kind of de jongere, maar waarbij handicap wordt beschouwd als een afstemmingsprobleem tussen de persoon en zijn omgeving, waar hier voornamelijk de klas en de context aan bod komen. Het medische deficitmodel en de stoornisgebonden overwegingen worden hiermee verlaten en maken plaats voor een sociaal en contextueel model dat zich richt op onderwijsbehoeften van kinderen.

Deze visie vinden wij terug bij de creatie van het basisaanbod. We vinden het heel positief dat de verhoogde zorg en ook de doorverwijzing naar het basisaanbod in het buitengewoon onderwijs niet meer in functie van een diagnose gebeurt. Onderwijsnoden komen hiermee volledig centraal te staan. Dat aan leerlingen in het gewoon onderwijs de garantie wordt geboden op redelijke, niet-disproportionele aanpassingen, als die voldoende zijn om hen mee te nemen in het gemeenschappelijke curriculum, is een positieve evolutie, die voor alle betrokkenen meer rechtszekerheid brengt. We evolueren in de richting van een gewoon onderwijs dat een brede zorg kan waarmaken, mede op grond van de principes van handelingsgericht werken. Het ontwerp van decreet voorziet in een systematische, planmatige en transparante aanpak van samenwerking tussen CLB’s en scholen bij de oriëntering, in nauw overleg met de ouders. CD&V vindt dit belangrijke stappen vooruit.

In de vele mails die wij de voorbije weken mochten ontvangen, stel ik vast dat er ook nog veel onduidelijkheid is over het nieuwe basisaanbod. Leerkrachten denken bijvoorbeeld dat daardoor kinderen die vandaag in type 8 en type 1 zitten, straks allemaal in het gewoon onderwijs zullen terechtkomen. Dit is niet juist. Zo lees ik ook dat leerkrachten denken dat alle kinderen met een IQ tussen 80 en 60 niet meer kunnen worden doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs. Dit klopt van geen kanten. Het basisaanbod maakt het net mogelijk dat kinderen die, welk IQ ze ook hebben – het moet zelfs niet meer worden getest –, ondanks de inspanningen die de leerkracht die remedieert, differentieert of andere gepaste maatregelen toepast, het gemeenschappelijk curriculum niet kunnen volgen, recht hebben op buitengewoon onderwijs.

Ik lees ook dat er een grote bekommernis is over maatregelen die leerkrachten in het gewoon onderwijs gaan nemen. De vrees leeft dat er te snel zal worden gegrepen naar compenserende en dispenserende maatregelen en dat hierdoor het leren van kinderen onvoldoende zal worden gestimuleerd. Ik kan die vrees begrijpen maar ik deel ze niet omdat vandaag en in de toekomst de zorgcoördinatoren en de CLB’s via het periodieke multidisciplinair overleg (MDO) de maatregelen opvolgen en kunnen sturen, adviseren en bijsturen. Wij vinden het positief dat de oriëntering naar geïntegreerd onderwijs en buitengewoon onderwijs zuiver wordt gesteld. Voor leerlingen voor wie het niet mogelijk is om onderwijs te volgen in een school voor gewoon of buitengewoon onderwijs, maar die wel nood hebben aan een typebenadering, is de uitbreiding van de groep instellingen, namelijk residentiële settings die voor de oprichting van type 5 in aanmerking komen, een cruciale stap voorwaarts om hun recht op kwaliteitsvol onderwijs nog beter te garanderen. Hetzelfde geldt voor de nieuwe mogelijkheden die type 5-scholen krijgen.

Wij zijn ervan overtuigd dat dit ontwerp van decreet een eerste stap is in de goede richting en dat in een volgende fase, op langere termijn, naast het basisaanbod ook de andere typologieën die vandaag nog wel geherformuleerd zijn in het medisch deficitmodel, omgeturnd kunnen worden naar dit nieuwe concept: het sociaal en contextueel model met aandacht voor een specifieke benadering vanuit onderwijs.

Wij zijn tevreden dat we binnen de commissie een aantal belangrijke bijsturingen hebben kunnen doen aan het ontwerp van decreet. Eén daarvan is de datum van inwerkingtreding van dit decreet. We moeten het onderwijsveld de kans geven om zich op een goede manier voor te bereiden. Een jaar uitstel van de inwerkingtreding creëert alvast de mogelijkheid om de genomen engagementen van de Vlaamse Regering ook verder uit te werken, maar ook het amendement dat de ondersteuning en de competentieontwikkeling regelt, komt tegemoet aan de bekommernissen van het veld.

Het ontwerp van decreet is een stap in de goede richting. We hebben de jongste weken mogen vaststellen dat niet iedereen daarvan overtuigd is. Voor sommigen gaat het niet ver genoeg in de richting van inclusief onderwijs, voor de onderwijssector gaat deze stap te ver. Leerkrachten, directies en CLB-medewerkers hebben ons meegedeeld nood te hebben aan bijkomende professionalisering om te doen wat het ontwerp van decreet van hen verwacht. Ze vragen ook bijkomende ondersteuning in de klas, om kinderen individueel te ondersteunen.

We hebben veel begrip voor de opmerkingen van de onderwijssector. Ook onze fractie heeft zeer sterk benadrukt dat competentieontwikkeling op het veld, dicht bij de mensen cruciaal is. Het Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten (SNPB) heeft een heel begeleidingsplan ontwikkeld, dat het in het veld uitrolt en dat de leerkrachten zeer gericht ondersteunt. Onze fractie is van mening dat daarbovenop ook de pedagogische begeleidingsdiensten extra moeten kunnen inzetten op competentieontwikkeling met betrekking tot het realiseren van een brede zorg. We willen daarvoor aanpassingen aanbrengen aan de reglementering, zodat de pedagogische begeleidingsdiensten zich volop kunnen concentreren op de ondersteuning die leerkrachten nodig hebben om kinderen die moeilijk leren, te begeleiden.

Maar ook aan scholen, directies en leerkrachten moet worden gevraagd om de beperkte middelen die ze hebben, te investeren in continue professionalisering, om de zorg te realiseren die voor kinderen nodig is. Er is een ruim aanbod aan vormingen en opleidingen. Veel leerkrachten hebben daar reeds gebruik van gemaakt. Het lijkt ons nuttig om dat in de toekomst te blijven doen. We vinden het echter eveneens belangrijk dat de door de overheid georganiseerde prioritaire nascholingen ook de volgende jaren volledig zouden sporen met het zorgthema. Ook dat willen wij aan de Vlaamse Regering vragen.

Minister, u weet dat onze fractie ook graag nu reeds een oplossing had gezien voor de knelpunten die er vandaag zijn bij gon en ion, ook wat de arbeidsomstandigheden van de personeelsleden van gon en ion betreft. We hebben daarover in het verleden reeds van gedachten gewisseld. De onderwijssector vraagt extra omkadering in het gewoon onderwijs. We zijn ervan overtuigd dat ook voor leerlingen die in het gewoon onderwijs zitten en die niet probleemloos het gemeenschappelijk curriculum doorlopen, gon mogelijk moet zijn, ook zonder een voorafgaand verblijf in het basisaanbod voor buitengewoon onderwijs. Daarom vragen we u om de besprekingen over gon en ion met spoed voort te zetten.

Als scholen voor gewoon onderwijs ervoor kiezen om leerlingen een individueel traject te laten volgen in het gewoon onderwijs, dan worden ze daar vandaag niet voor beloond. Voor alle duidelijkheid, ze zijn daartoe niet verplicht. Om écht te kunnen evolueren naar meer inclusief onderwijs, waar dit volgens de school mogelijk is, is het wel van belang om die scholen die meer doen dan wettelijk verplicht is, daarvoor ook te belonen. Leerlingen met bijzondere onderwijsnoden moeten in de meeste gevallen kunnen rekenen op extra ondersteuning van de leerkracht. In die extra’s is nu niet voorzien in het kader van een individueel traject in het gewoon onderwijs. We vinden dat wel spijtig voor die scholen die dat vandaag reeds waarmaken.

Mevrouw De Knop heeft het woord.

Mevrouw Irina De Knop

Mevrouw Helsen, u hebt zelf een heel pleidooi gegeven waarom gon en ion zo noodzakelijk zijn om dat recht op inclusief onderwijs te kunnen waarmaken, om ook te kunnen waarmaken dat een school aan de slag gaat met kinderen die een individueel leertraject nodig hebben. Eigenlijk beargumenteert u hiermee zelf waarom dit ontwerp van decreet vandaag niet kan passeren. Ik begrijp het helemaal niet. U zegt zelf dat het supercruciaal is, als we echt werk willen maken van inclusief onderwijs, dat die gon- en ion-begeleiding er komt, om scholen te kunnen belonen die ervoor kiezen om die individuele leertrajecten met kinderen af te leggen die niet passen in dat gemeenschappelijk curriculum. Daarmee geeft u nu eigenlijk toch zelf aan dat het op niets trekt om dit ontwerp goed te keuren zonder dat dit ernaast staat. Ik begrijp niet dat CD&V dat heeft kunnen laten passeren. Alles wat u hier nu vertelt, dat is blabla. Dat is praat voor de vaak. Daar hebben die mensen die nood hebben aan dat inclusief onderwijs, niets aan. Mijn collega hier naast me zei: het klinkt goed. Ja, het klinkt goed, maar er is in de feiten niets van aan.

Mevrouw Kathleen Helsen

Mevrouw De Knop, u hebt het niet begrepen. Ik zeg dat dit vandaag geen verplichting is die we met het ontwerp van decreet opleggen. We schrijven dit niet in, omdat we vandaag de middelen die daarvoor nodig zijn, niet kunnen toevoegen. Daarom leggen wij dit niet als verplichting op.

Zo duidelijk zijn wij. Maar wij zeggen ook dat het goed zou zijn dat gon in een aantal situaties ook mogelijk zou zijn en dat scholen die het individuele traject wel aanbieden, ook al zijn ze er niet toe verplicht, daar wel voor beloond worden. Wij geven dit aan als een piste. Als scholen inspanningen doen, moeten zij daar ook de middelen voor krijgen. Vandaag kunnen wij dat niet, en dus leggen wij dit ook niet als een verplichting op. Wij zijn daarin consequent. Er is geen enkele reden om dan te zeggen dat wij dit ontwerp van decreet niet goedkeuren. Wij wegen goed af wat haalbaar is en wat niet.

Mevrouw Irina De Knop

De mensen die hier vandaag zijn en de mensen die dit thema volgen, moeten dan heel goed beseffen dat u wel zegt dat dit een stap naar inclusief onderwijs is, maar dat dat helemaal niet zo is. We zitten in de kelder, en u realiseert helemaal niet wat u zelf zegt te zullen realiseren. Het is er zelfs geen opstapje naartoe.

Mevrouw Kathleen Helsen

Mevrouw De Knop, wij zijn een andere mening toegedaan. Wij kiezen voor een haalbare piste en niet voor het volledige inclusieve onderwijs, omdat dat vandaag niet haalbaar is.

Voorts zijn wij er rotsvast van overtuigd dat er altijd een buitengewoon onderwijs nodig blijft. Ook al is de competentieontwikkeling in het gewoon onderwijs perfect geoptimaliseerd en beschikken scholen over extra omkadering, ook dan zullen er altijd kinderen zijn die een aangepaste omgeving nodig hebben om aan hun onderwijsnood te voldoen. Wij kennen allemaal ouders die opgelucht zijn als hun kind opnieuw gelukkig is, als het in het buitengewoon onderwijs zit. Wel, wij willen hun het recht op buitengewoon onderwijs blijven garanderen.

Het is dan ook onze verantwoordelijkheid om de toegang tot buitengewoon onderwijs voor iedereen mogelijk te maken. Het multidisciplinaire onderzoek dat daarvoor soms nodig is, moet voor iedereen beschikbaar en toegankelijk zijn. In sommige regio’s is dat een probleem. De kostprijs mag geen drempel zijn voor kinderen in armoede. Hetzelfde knelpunt stelt zich bij het inzetten van externe en vaak dure hulp. Wij vragen aan de regering om ook die problematiek verder op te nemen.

Verder willen wij de minister zeer nadrukkelijk vragen om de genomen engagementen uit te voeren. Ik noemde reeds de werkgroep rond gon-ion en de competentieontwikkeling, maar ook het engagement om het met Welzijn te hebben over de kosten van diagnostiek en de uitstroom van de plus-21-jarigen, de verdere uitwerking van de waarborgregeling, om met de sociale partners te overleggen over de principes en de uitgangspunten, en tot slot en niet het minst het engagement tot monitoring en voortgangsrapportage. Dat laatste engagement is voor ons essentieel, omdat het de mogelijkheid biedt om onmiddellijk bij te sturen en aan te passen, als blijkt dat dat nodig is.

In de commissie hebben wij aandacht gevraagd voor de knelpunten in het leerlingenvervoer. De problemen zijn al jaren gekend. Wij vragen om stappen vooruit te zetten en oplossingen aan te bieden.

Tot slot, minister, willen wij nogmaals onze bekommernis uiten over de omstandigheden waarin de CLB’s hun opdracht moeten waarmaken. Wij zijn ervan overtuigd dat zij alle verwachtingen die wij ten aanzien van hen hebben, en de extra taken die wij hen opleggen, niet kunnen binnen de gesloten enveloppenfinanciering waarin zij nu moeten opereren. Ik vraag u om dit ernstig met de sector op te nemen, zodat zij kwaliteitsvol werk kunnen verrichten.

U verwijst in uw antwoord telkens naar de audit die bij de CLB’s zal gebeuren en die veel duidelijkheid zal moeten brengen. Wij vragen al sinds juni 2013 om daar dringend mee te starten. We herhalen dat vandaag opnieuw. Wij willen de problemen echt niet laten escaleren.

Wij hebben verschillende kritische bedenkingen geformuleerd bij dit ontwerp van decreet, maar zelfs met die opmerkingen zijn wij van mening dat dit ontwerp van decreet het best wel goedgekeurd wordt. Alle partners, koepels en vakbonden hebben gesteld dat tijdens deze legislatuur niets doen voor leerlingen met bijzondere onderwijsnoden, geen optie is. Wat vandaag voorligt, is een eerste stap, voor de ene te klein, voor de andere te groot.

Ik ben begonnen met heel veel positieve elementen in dit ontwerp van decreet. Ik wil daar ook mee eindigen, door te stellen dat onze fractie gelooft dat de implementatie van dit ontwerp van decreet, gepaard gaand met het ernstig opnemen van de engagementen van de Vlaamse Regering, een haalbare stap is voor leerkrachten, en dat dit ontwerp van decreet op het onderwijsveld tot een brede zorg en kwaliteitsvol onderwijs voor ieder kind zal leiden.

Vele leerkrachten doen vandaag reeds wat in dit ontwerp van decreet van hen gevraagd wordt. Wij willen hen ondersteunen en kracht bijzetten. (Applaus bij CD&V)

Mevrouw Martens heeft het woord.

Mevrouw Katleen Martens

Voorzitter, ik zal mijn betoog kort houden. Het Vlaams Belang heeft alle technische en inhoudelijke bezwaren al geformuleerd in de commissie. Bovendien spreken de vele mails van de mensen die dagelijks nauw betrokken zijn bij deze problematiek, voor zich.

Het zijn misschien harde woorden, maar het is wel de waarheid: dit ontwerp van decreet is zuiver een vorm van bedrog, een gevaarlijk bedrog. Ten eerste was de titel al bedrieglijk, want die sprak over noodzakelijke en dringende maatregelen, en daar is er maar eentje van terug te vinden in het ontwerp van decreet, namelijk rond de typologieën. Maar aan de tientallen structurele en ernstige problemen in het buitengewoon onderwijs wordt totaal niet tegemoetgekomen.

Dit ontwerp van decreet had eerlijkheidshalve ‘ontwerp van decreet betreffende het inschrijvingsrecht in het gewoon onderwijs voor kinderen die in het buitengewoon onderwijs beter af zijn’ moeten heten. Dat was ten minste eerlijk geweest, maar de waarheid wordt onder de ‘mat van de gelijke kansen’ geveegd. De waarheid ligt anders.

Ten tweede is dit ontwerp van decreet bedrog omdat enkel aan de opdracht van de VN voor inclusief onderwijs voldaan wordt, zonder ook maar in het minst de vraag te stellen of dit wel het beste is voor ons onderwijs en ál onze leerlingen.

Wie willen we met dit ontwerp van decreet bedriegen? De VN door te doen alsof we echt inclusief onderwijs nastreven? De ouders van buitengewoononderwijskinderen door de poorten naar het gewoon onderwijs open te zetten, de poorten naar een onderwijs dat hun kinderen mínder kansen kan geven? Of foppen we de gewone leerlingen, die minder kwaliteit zullen krijgen door de overbelaste leerkrachten?

Ja, dit ontwerp van decreet bedriegt de onderwijsverstrekkers in ontoelaatbare mate: in het buitengewoon onderwijs wordt expertise terzijde geschoven en is banenverlies een tweede bedreiging. In het gewoon onderwijs zal er geen bijkomende professionalisering, middelen noch ondersteuning worden geboden. Het doel heiligt het gebrek aan middelen niet!

Daarnaast wordt het reeds tot aan zijn limieten belaste lerarenkorps in Vlaanderen, maar ook de CLB-medewerkers, nog maar eens voor een intensieve, verkeerde kar gespannen. Ik durf nu al iedereen die dadelijk ‘voor’ zal stemmen, hoofdelijk verantwoordelijk noemen voor de versnelde uitstroom van klasleerkrachten die afhaken door deze bijkomende belasting.

Ja, dit ontwerp van decreet zwengelt de uitstroom en dus het lerarentekort aan, laten we daar dan ook niet hypocriet over doen wanneer de overheid een volgende keer schamele maatregeltjes uit de hoed tovert om die leegloop tegen te gaan.

Tot slot herhaal ik de vraag: wie foppen we met dit ontwerp van decreet, en wie wint erbij? Wanneer we alles bij elkaar tellen, is dit een armzalige balans. Ik kan echt niet begrijpen dat een meerderheid gevonden wordt voor het achteruitboeren van ons onderwijs, zowel voor de leerlingen, als voor de leerkrachten, zowel voor het gewoon als voor het buitengewoon onderwijs.

Het Vlaams Belang zal dit ontwerp van decreet niet goedkeuren. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mevrouw Vanderpoorten heeft het woord.

Mevrouw Marleen Vanderpoorten

Voorzitter, minister, dames en heren, Vlaanderen heeft een stevige traditie opgebouwd in het aanbieden van onderwijs aan kinderen en jongeren met speciale onderwijsbehoeften. Historisch gezien heeft het onderwijs aan leerlingen met een handicap in ons land de nodige aandacht gekregen sinds de invoering van de leerplicht reeds. De wet op het buitengewoon onderwijs dateert van 1970 en installeerde een aparte structuur van scholen voor kinderen met een beperking. Zo kon de nodige expertise en knowhow worden ontwikkeld, die borg stonden voor een goede opvang.

In de voorbije decennia evolueerde de maatschappij in die mate dat het buitengewoon onderwijs zoals het nu bestaat om allerlei redenen onder druk kwam te staan. Zo hebben tendensen en mechanismen binnen het bestaande onderwijssysteem bijvoorbeeld tot resultaat dat een groeiende groep kinderen en jongeren geen aansluiting meer vindt in het gewoon onderwijs en dat vaak te snel naar het buitengewoon onderwijs wordt doorverwezen. De totale schoolbevolking in het buitengewoon onderwijs is hierdoor de voorbije decennia enorm gestegen. Een bijzonder aandachtspunt vormt de oververtegenwoordiging van kinderen uit kansarme en allochtone gezinnen in dit buitengewoon onderwijs, wat met het oog op het gelijkekansenbeleid toch geen minne vaststelling is.

Daarenboven speelt ook de Europese en internationale context mee. Het streven naar inclusie van leerlingen met speciale onderwijsbehoeften in gewone scholen is al langer een frequent voorkomend beleidsthema in veel landen, dat is hier reeds een aantal keer aangehaald. Het betreffende VN-verdrag van 2006 is bij decreet van 8 mei 2009 in de Vlaamse rechtsorde ingevoerd.

Collega’s, in Vlaanderen wordt al bijna drie legislaturen aan de voorbereiding van een nieuw decreet gewerkt, een decreet dat een antwoord zou geven op de voorgaande vaststellingen en dat dus ook zou sporen met de belangen en de bepalingen uit het VN-verdrag. Zelf heb ik de visietekst ‘Maatwerk in samenspraak’ gelanceerd, ongeveer tien jaar geleden. Als gevolg hiervan werd nadien het decreet Leerzorg voorbereid – het is hier ook al ter sprake geweest – dat in de loop van deze legislatuur werd afgevoerd en werd vervangen door dit sterk afgezwakte M-decreet. De belangrijkste reden tot afzwakking was blijkbaar het ontbreken van een vereist maatschappelijk draagvlak om tot een echt en rechtszeker inclusief onderwijs te komen.

Maar, collega’s, of er voor de tekst die nu voorligt, wel het nodige draagvlak bestaat, is voor mij een groot vraagteken, onder andere gezien de talrijke negatieve reacties van de voorbije weken. Er wordt duidelijk geen keuze gemaakt. Er wordt misschien een stapje gezet. En daarmee is dit ontwerp van decreet een flauw afkooksel geworden van wat het eigenlijk zou moeten zijn.

Collega’s, u weet door de commissiewerkzaamheden dat mijn fractie met open vizier aan de bespreking van dit ontwerp van decreet in de commissie is begonnen. We hebben ons stemgedrag in de commissie laten afhangen van de replieken die de minister zou geven op onze opmerkingen en vragen. Tot onze spijt waren ze ondermaats. We zijn gaandeweg de bespreking nog meer tot het besef gekomen dat dit ontwerp van decreet op het eerste gezicht misschien een stap in de goede richting lijkt te zijn, maar in werkelijkheid de rechtsonzekerheid en chaos bij alle betrokken zal doen toenemen. In plaats van een stap voorwaarts is het misschien wel een stap achterwaarts.

Collega’s, Open Vld is voorstander van een duidelijk gedefinieerd inclusief onderwijs, een inclusief onderwijs dus waarvan de invoering grondig wordt voorbereid voor leerlingen, hun ouders en leerkrachten, inbegrepen een verregaande competentieverdieping. Dat betekent ook eenzelfde voor alle scholen geldende vastlegging van hun mogelijkheden en duidelijkheid van de financiële consequenties. De leerlingenstromen moeten in kaart gebracht worden en de daaraan gekoppelde lerarenstromen en geldstromen eveneens. Is hier werk van gemaakt? Neen, hier is geen werk van gemaakt.

Ook na de bespreking van het decreet in de commissie blijft de kritiek overeind. Er is grote onzekerheid omtrent de financiering van een nieuwe aanpak. Voor de persoonsleden is het onduidelijk waar en hoe ze in de toekomst hun taak zullen vervullen. Er is onvoldoende ingezet op competentieontwikkeling en professionalisering zowel bij het personeel van gewoon als van buitengewoon onderwijs. De evaluatie van gon en ion is te laat, de werkzaamheden van de werkgroep zijn onderbroken en de toekomst van gon en ion blijft onduidelijk. Er is onzekerheid over de omkadering van type 9 en de financiering is onvoldoende. De opdracht van de CLB’s wordt gigantisch, maar de financiering ervan blijft ondermaats. De specifieke infrastructurele noden zijn onbekend er is een substantiële verhoging van de juridisering en van planlasten te verwachten.

Ten slotte – en dat is zeker ook onze zorg –: een onderwijs met twee snelheden is nagenoeg een zekerheid. Er wordt immers niet resoluut gekozen voor inclusie. Scholen zullen het met dit decreet misschien wel gemakkelijk – té gemakkelijk – hebben om leerlingen die nood hebben aan een individueel curriculum te weigeren. Sommige scholen zullen uiteraard zeker hun verantwoordelijkheid nemen. Andere niet.

“Een gunst”, zegt de minister in zijn persmededeling. Dit kan en mag niet de bedoeling zijn. Ons schoollandschap heeft nu reeds al te zeer te lijden onder een gebrek aan solidariteit. Dit ontwerp van decreet zal dit knelpunt alleen maar verscherpen.

Collega’s, bijzonder verontrustend is daarenboven de vaststelling dat veel meer kinderen dan vroeger in het gewoon onderwijs nu reeds worden doorverwezen naar buitenschoolse ondersteuning. Het gaat hier bijna altijd om heel normaal begaafde kinderen die wegens een of andere disfunctie extra hulp nodig schijnen te hebben van onder andere kinesisten of logopedisten, hulp waaraan de gewone klasonderwijzer of -onderwijzeres blijkbaar niet tegemoet kan komen.

De vraag rijst hoe dit te rijmen valt met de extra aandacht voor zorg sinds de intrede van de zorgcoördinator in het gewone onderwijs. Maar meer nog doet zich de problematiek voor van de betaalbaarheid van deze extra ondersteuning, opnieuw vooral voor de kinderen uit sociaal zwakkere milieus. Bestaat met dit decreet het risico niet dat deze problematiek zich nog in veel sterkere mate gaat voordoen? Wij vrezen van wel.

Collega’s, al deze vaststellingen doen vragen rijzen met betrekking tot de zeer gebrekkige voorbereiding van het ontwerp van decreet, helemaal blind voor de mogelijke desastreuze gevolgen voor veel kinderen. Maar vooral ook het compleet ontbreken van een match met een breed gelijkekansenbeleid is voor ons ontstellend.

Open VId is uitgesproken voorstander van een echt inclusief onderwijs, maar wij vinden dit ontwerp van decreet geen stap in de juiste richting. De voorbereiding ontbreekt compleet. En: wie chaos creëert, zal zeker geen draagvlak winnen.

Wij willen duidelijkheid en zekerheid voor iedereen en die zijn er nu niet, noch voor leerlingen en hun ouders, noch voor leerkrachten. Onduidelijkheid is overigens het woord dat het vaakst gehoord werd bij debatten over dit onderwerp.

Collega’s, om al deze redenen dienen wij samen met Groen opnieuw ons amendement in dat we ook hebben besproken tijdens de commissiebesprekingen en dat overigens geïnspireerd was op een vorig ontwerp van dit decreet. Het heeft tot doel meer rechtszekerheid en duidelijkheid te creëren voor het aspect inschrijvingsrecht voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Daaraan gekoppeld dienen wij ook een amendement in om de ingangsdatum van dit decreet te verlaten, omdat de voorbereiding natuurlijk – dat heb ik reeds gezegd – evident meer tijd in beslag zal nemen.

Collega’s, de heer De Ro zal nu dieper ingaan op een aantal heel specifieke elementen van dit ontwerp van decreet en over wat het teweeg zal brengen.

Mevrouw Vanderpoorten, misschien zal de heer De Ro er verder op ingaan, maar ik wil even terugkomen op uw verwijzing naar het amendement. Het amendement is niet alleen het met een jaar uitstellen, maar eigenlijk ook het omkeren van heel het principe. Ik stel mij toch wel de vraag in hoeverre je daarmee de grote vrees die er bij velen is dat men dit niet aankan en er nog niet klaar voor is, in de hand zult werken. Door het om te keren, zal die vrees misschien worden vergroot.

Mevrouw Marleen Vanderpoorten

Daarom is ons tweede amendement er, dat de uitstel van de ingangsdatum impliceert. (Opmerkingen van de heer Van Dijck)

Eén jaar, ja. Maar als u akkoord gaat met twee jaar, is dat voor ons ook goed. Dan willen wij ons daarbij aansluiten.

Voor ons is de voorbereiding absoluut belangrijk. U zult ook wel in alle mails en de reacties die er zijn geweest, ook tijdens de gewone onderwijsdebatten die volop op gang komen, hebben gemerkt dat die onduidelijkheid erg groot is. Er is echt veel nood aan de voorbereiding.

Ik weet dat dit ontwerp van decreet en alles wat daarbij komt, een ongelooflijk gevoelig onderwerp is in het onderwijslandschap, zowel in het gewoon onderwijs als in het buitengewoon onderwijs. Al die onderwijsbetrokkenen die altijd ontzettend hun best hebben gedaan om kinderen op te vangen, willen dat blijven doen. Dat is ook typisch voor onderwijsmensen: zij willen de zaken goed aanpakken en willen perfect werk afleveren. Nu tasten zij in de onzekerheid. Zij weten niet wat hen te wachten staat.

Wij hebben gevraagd om stromen te simuleren, om toch op zijn minst een idee te hebben van wat er in beweging zal komen. De heer De Ro zal daar straks dieper op ingaan. We weten ook wel dat niet alles ineens zal veranderen maar de mensen moeten toch een idee hebben van wat hun te wachten staat en hoe een en ander zal evolueren. Vandaar de herhaling van onze beide amendementen. (Applaus bij Open Vld en Groen)

De heer De Ro heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, en vooral de mensen die hier al de hele namiddag geduldig zitten te wachten op dit debat, ter aanvulling van de uiteenzetting van mevrouw Vanderpoorten zal ik de tijd van mijn fractie nog gebruiken om een aantal ernstige gebreken onder uw aandacht te brengen. We voeren dit debat niet voor de show maar omdat we straks moeten stemmen. Elk mankement dat we aangeven, kan nog wat licht op de stemming werpen. Alle redenen die ik zal vernoemen, doen ons besluiten om dit M-decreet niet goed te keuren omdat het een draak van een decreet is.

Voor Open Vld moet het uitgangspunt het kind zijn, de leerling. Het kan niet zijn dat een kind dat voor zijn welbevinden en op basis van zijn talenten thuishoort in het gewoon onderwijs, daar niet terechtkan. Niet alleen omdat we in dit huis in 2006 een internationaal verdrag hebben ondertekend, niet alleen omdat er geen objectieve redenen zijn om te verklaren en goed te praten dat er in Vlaanderen veel meer kinderen in het buitengewoon onderwijs zitten dan in vergelijkbare omstandigheden in andere landen, maar wel omdat het uitgangspunt van het onderwijs altijd moet zijn dat kinderen op de best mogelijke plaats moeten kunnen zitten, in het gewone onderwijs als dat mogelijk is en het beste voor dat kind, in het buitengewoon onderwijs als dat de beste plaats is om dat kind een warme omgeving te bieden en toekomstkansen te geven. Volgens ons zorgt dit M-decreet er niet voor dat deze uitgangspunten worden gerealiseerd.

We waren in de afgelopen weken bijzonder verbaasd – om niet te zeggen gechoqueerd – door het gebrek aan transparantie en het totaal gebrek aan cijfers om de gevolgen van dit ontwerp van decreet te duiden. Zowel tijdens de hoorzittingen als bij de bespreking van het ontwerp van decreet in de commissie heb ik daar meermaals op gereageerd. Ik heb er zelfs op het laatste moment nog schriftelijke vragen over gesteld, maar telkens klonk hetzelfde verhaal, namelijk dat er geen simulaties en cijfermateriaal zijn om de gevolgen van dit M-decreet duidelijk te maken.

Ik heb alle begrip voor het feit dat zo’n ontwerp van decreet in simulaties gieten geen eenvoudig zaak is. Het is echter ongezien dat een ontwerp van decreet dat alle scholen in Vlaanderen en in het bijzonder de scholen van het buitengewoon onderwijs zal treffen, zonder simulaties wordt besproken, zonder cijfers de Vlaamse Regering tot driemaal toe kan passeren, en zonder inschatting van wat dit budgettair zou kunnen betekenen, toch een akkoord krijgt van die regering en van de minister van Financiën en Begroting.

Ik zal verklaren waarom ik dat ongehoord vind. Er is een goede traditie in onderwijs om decreten die zo’n impact hebben, te becijferen en in kaart te brengen. Dat is normaal, want onderwijsdecreten hebben een grote impact op ouders, leerkrachten en leerlingen. Men gaat daar dus niet over één nacht ijs. Onderwijsdecreten hebben echter naast een grote impact op mensen ook een grote impact op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. Daarnaast zijn cijfers en simulaties ook nodig om de bezorgdheden waarvan de minister en de meerderheid vinden dat ze onnodig zijn – dat hebben ze vandaag al herhaald – weg te nemen, vooral dan wanneer de eerste communicatie over dit ontwerp van decreet er een is over grote veranderingen: de start van inclusief onderwijs, een mental shift, een grote stap. Dan is toch de vraag terecht van heel het onderwijs – zowel gewoon als buitengewoon – hoe groot die stap dan is.

Over hoeveel leerlingen gaat het die op een andere plaats terecht zullen kunnen? Hoeveel middelen zullen er verschuiven? Over hoeveel leerkrachten, lestijden en begeleidingsuren gaat het? Het zijn terechte vragen die in het verleden ook al zijn gesteld, in de commissie en in de plenaire vergadering, toen bijvoorbeeld het Gelijkeonderwijskansendecreet aan de orde was. Er zijn meerdere simulaties gemaakt, die meerderheid en oppositie hebben gedeeld. Gelukkig is er informatie uitgewisseld, en waren er toch nog drie volksvertegenwoordigers die in die periode lid van de commissie waren, ook aanwezig om daarover te getuigen. We hebben het nu over tien jaar geleden.

Mijns inziens hebben mijn voormalige collega’s van het ministerie vandaag nog veel meer tools in handen om simulaties te maken. Minister Bourgeois heeft hier vanmiddag eigenlijk een vurig pleidooi gehouden, met een ellenlange lijst van efficiënte maatregelen, die aantonen dat de Vlaamse overheid veel efficiënter en geautomatiseerder is geworden. Waar ligt dan het kalf gebonden? Kan men echt geen simulaties maken?

Minister, u hebt in de commissie verschillende keren gezegd dat er geen cijfers zijn, en dat het ook niet te doen is om eraan te geraken. Voor de redenen verwijs ik naar het verslag. Wel, er zijn wel simulaties gebeurd. Niet door u, minister, ik zal niet zeggen dat u hebt gelogen. De afgelopen veertien maand zijn er geen gemaakt in het Consciencegebouw van het Ministerie van Onderwijs. Maar elders zijn er wél gemaakt.

Zo hebben de scholen van het buitengewoon secundair onderwijs van de steden en gemeenten wél simulaties gemaakt, op vraag van de koepel. Het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap (OVSG) wou die meenemen naar de onderhandelingstafel. In de commissie heb ik meermaals naar die cijfers verwezen. Ik heb er toen de meerderheid op gewezen dat de scholen die er toen aan hebben meegewerkt, ook nu nog bereid zouden zijn om aan nieuwe simulaties mee te werken. Dat zal werk vereisen en dat zal niet eenvoudig zijn. En er zullen stellingen moeten worden ingenomen. Maar uiteindelijk verkiezen scholen en leerkrachten moeilijk te maken simulaties boven de actuele onzekerheid, en dat vooraleer het ontwerp van decreet wordt goedgekeurd.

In de commissie heb ik die cijfers niet op tafel willen leggen, omdat ik oprecht hoopte dat de meerderheid zou inzien dat een geactualiseerde simulatie het debat ten goede zou komen. Helaas, men heeft niet bewogen. Laat ons dit zo snel mogelijk goedkeuren, zo voelde de oppositie het aan. De volgende Vlaamse Regering zal wel monitoren, en zo nodig betalen. Vandaag leg ik mijn schroom af en leg ik de cijfers wel op tafel. Het komt nu aan anderen toe om die cijfers te weerleggen met actuele simulaties.

Wat leren ons die cijfers? Dat in het buitengewoon secundair onderwijs De Brug 62 procent minder leerlingen zou tellen, instituut Bert Carlier ongeveer 50 procent minder leerlingen, Provillon 50 procent minder leerlingen, ‘t Schoolhuis 45 procent minder leerlingen, Stuivenberg 50 procent minder leerlingen, Kasterlinden 30 procent minder leerlingen in het ene type en 100 procent minder leerlingen in het andere type, Zaveldal 50 procent minder leerlingen, Begijnenvest 33 procent minder leerlingen, Ertbrugge tussen 11 en 68 procent minder leerlingen, naargelang het om type 1, 2 of 3 gaat, Burchtse Weel 18 procent minder leerlingen in type 1 en 52 procent minder leerlingen in type 2, de Vest 73, 50, 51 en 70 procent minder leerlingen, naargelang het type en opleidingsvorm, Gibbo Galbergen 36 procent minder leerlingen, De Wissel 45 procent minder leerlingen, de Stedelijke Bouwvakschool van Dilsen-Stokkem 36 procent minder leerlingen.

Ik vind dit redelijk indrukwekkende cijfers. Het zijn cijfers die een van de koepels heeft gebruikt in de onderhandelingen. Die cijfers maken me duidelijk waar om er op het terrein onrust heerst. Ik weet dat sommige collega’s de afgelopen week klaagden over hun vollopende mailbox. Maar beeldt u eens in dat uw mailbox als leerkracht volloopt met dit soort cijfers. Dit soort cijfers doen de ronde. Die zijn gemaakt door leerkrachten, directies en administratief personeel van een vijftiental scholen van het buitengewoon secundair onderwijs. De cijfers bestaan, en de mensen kennen die. Ze zijn ongerust. Het is nu aan de meerderheid, de meerderheid en de minister om die ongerustheid weg te nemen. Zo niet is het geen wonder dat de mensen denken dat dit decreet zal zorgen voor de afbraak van het buitengewoon onderwijs. In de commissie was ik beschroomd. Ik heb toen letterlijk gezegd dat ik vermoedde dat de cijfers vandaag veel minder erg zouden zijn. Maar probeert u dan toch om ze op tafel te leggen!

De vraag is nu: zou met de voorliggende tekst van het ontwerp van decreet de simulatie nog zo dramatisch zijn? Weet u het? Nee. Ik heb uit heel de discussie geleerd dat het eigenlijk veel mensen niet interesseert. Anders zou het niet zo moeilijk zijn. We hadden die scholen kunnen bellen. We hadden er iemand van het ministerie naast kunnen zetten en zeggen: over deze tekst gaan we stemmen, probeer eens om die simulatie te maken, dan kunnen wie die lastpost van de oppositie geruststellen, net als alle mensen die gemaild hebben. Dat heeft men niet gedaan.

Goed, dergelijke simulaties zijn dus moeilijk te maken of – en dan heb ik het waarschijnlijk bij het rechte eind – te gevoelig. Maar wat dan met terechte vragen om andere cijfers eens te bekijken?

In de hoorzitting hebben we allemaal gehoord dat het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO) de resultaten van zijn omgevingsanalyse autismespectrumstoornissen (ASS) gepresenteerd heeft. Ik citeer even uit hun tekst: “De oprichting van type 9 is onhoudbaar op het vlak van programmatie en organisatie. Uit de omgevingsanalyse ASS, uitgevoerd in alle Katholieke scholen voor buitengewoon onderwijs in het najaar van 2013” – redelijk recent – “blijkt dat 90 procent van de BuBaO- en BuSO scholen vandaag een aanbod heeft voor leerlingen met ASS, samen goed voor ongeveer 4500 leerlingen die aan de definitie van type 9, zoals opgenomen in het ontwerpdecreet voldoen.”

Ik verwijs niet naar deze passage om nog eens de nadruk te leggen op de onhaalbaarheid, wel om alle collega’s erop te wijzen dat het VSKO een omgevingsanalyse heeft gemaakt en dat die cijfers bevat. Die cijfers roepen vragen op. Ik som de vragen even op die in onze fractie opborrelden.

Als er momenteel 4500 leerlingen voldoen aan type 9 binnen het VSKO, hoeveel geeft dat dan geëxtrapoleerd naar het hele Vlaamse onderwijs? 10.000 leerlingen zoals we in De Standaard lazen? Wellicht, maar belangrijker is: als er dermate veel leerlingen naar een nieuw type gaan, het type 9, vertrekken die uit een type waar ze nu zitten. De meeste zouden – niemand wil of kan dit verifiëren – in een type zitten waar er nu meer middelen per leerling zijn dan in type 9. Ik zeg ‘zouden’.  Stel – want we hebben geen cijfers – dat per leerling de verandering van type de Vlaamse Regering ongeveer 1000 euro netto minder zou kosten. Ik sla er een slag naar. Wat gaat er met die 4,5 tot 10 miljoen euro gebeuren?

Weet iemand in de zaal dat? Is dat een besparing? Nee, als ik de heer Van Dijck hoor, is dat geen besparing. Ik ben blij dat ik hem dat hoor zeggen, want ik heb al partijgenoten van hem in debatten horen zeggen dat ze in de toekomst gaan besparen in onderwijs. Gaat dat geld dienen om andere verschuivingen op te vangen in het buitengewoon onderwijs of het gewoon onderwijs? Wat zal er gebeuren met leerkrachten die door die kleinere omkadering overbodig worden? Elders inzetten? Wegjagen uit het buitengewoon onderwijs en de expertise die er de laatste jaren is opgebouwd, weggooien? Welzijn kan er misschien zijn voordeel mee doen, want ook daar zijn er tekorten aan mensen, maar is dat een oplossing? Weet iemand het? Ik hoop oprecht dat iemand het weet.

Want dit ontwerp van decreet moet worden goedgekeurd. Er mag kritiek worden gegeven in de marge, maar liefst wil men deze pluim zo snel mogelijk op de hoed van de Vlaamse Regering steken. Ten koste waarvan? Van leerlingen en leerkrachten denk ik.

Mijnheer De Ro, ik heb heel aandachtig geluisterd. Ik vind het altijd leuk als anderen komen zeggen wat ons standpunt is. Cijfers zijn inderdaad heel belangrijk. We mogen natuurlijk niet vergeten dat achter elk cijfer een kind zit. Daar bent u ook mee begonnen. Ik stel u een vraag, een open vraag, ik weet het antwoord echt nog niet. Hoe kunnen scholen op dit moment, vooraleer er een juiste diagnosticering heeft plaatsgevonden, weten waar elk kind straks zou terechtkomen? Ik kan daar moeilijk een antwoord op geven.

U verwijt ons dat wij niet luisteren. Ik lees die mails ook. Ik heb ze ook allemaal persoonlijk beantwoord. Ik ben ook in scholen geweest. Mijnheer De Ro, ik was veertien dagen geleden getuige van een ouderavond in een school, een buso-school, waar ouders inlichtingen kregen. Ze kregen voor de rondleiding te horen dat opleidingsvorm 1 en 2 al vol zaten. Die zitten al vol vooraleer we beginnen in te schrijven.

Dat zijn ook cijfers. En u komt hier met cijfers die het hebben over daar en daar zoveel minder. Mijn slecht karakter zou dan nog durven te zeggen dat de kinderen die nu geen plaats krijgen … Die ouders zijn radeloos. Die zaten ook tussen die mails. Het waren mails met dezelfde titel, maar het waren verschillende invalshoeken. Het waren radeloze ouders wier kind echt wel de diagnostiek heeft om naar het buitengewoon onderwijs te gaan, terwijl er voor hen geen plaats is. Aan die ouders wil ik ook een antwoord bieden. En daarom stel ik de open en oprechte vraag: in hoeverre zijn de cijfers, vooraleer een aantal zaken geïmplementeerd kunnen worden …

Daarom werd een tijdspad uitgetekend om dit decreet in werking te laten gaan. Er moet inderdaad – en dat zal ook de tonaliteit van mijn tussenkomst zijn … Het is niet vandaag stemmen en dan ‘laissez faire, laissez passer’ tot 1 september 2015 en we zullen wel zien. Neen, vanaf morgen is het werkdag om dit klaar te maken. Voor deze regering en voor deze minister van Onderwijs, en ook voor de volgende regering en voor de volgende minister.

Daarom mijn vraag: wat is de daadkracht en de relevantie van deze cijfers?

De relevantie? Kris, je gaat straks stemmen over een essentieel decreet. Een essentieel decreet houdt voor ogen of heeft als optiek om echt wel iets te veranderen. Echte veranderingen nastreven: daar zitten meerdere partijen op te wachten. Dat is geen woord, exclusief voor één partij. Als je echte veranderingen wilt teweegbrengen, als er constant in de discussie wordt gezegd dat er een cultuurverandering, een mental shift nodig is, dan geloof ik als communicatiewetenschapper, als iemand die professioneel met communicatie bezig is geweest, dat je voor een draagvlak moet zorgen, dat je informatie moet geven.

Ik zeg niet dat er 4500 leerlingen zijn. Het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO), toch wel een instituut in Vlaanderen, zegt dat er op dit moment 4500 zijn die aan de voorwaarden van dit ontwerp van decreet voldoen om naar type 9 te gaan. Dat is geen voorspelling in het vage. 4500 is een redelijk hard cijfer. Die zitten nu ergens in het buitengewoon onderwijs, en ze gaan naar het type 9. Dan moet je maar kijken wat de verschillende types, waar die kinderen nu zitten, aan middelen en mensen vergen, en hoeveel dat in type 9 zal zijn. Dan ben ik maar een eenvoudige communicatiewetenschapper, ik ben geen cijferspecialist, maar dan probeer ik daar vragen over te stellen. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Dat was een antwoord van mij. Vergeet die simulaties, dat is te moeilijk. Ik heb dat daarnet al gezegd. Ik heb daar nog enig begrip voor. Maar de grootste koepel zegt dat hij een omgevingsanalyse heeft gedaan waaruit blijkt dat 4500 kinderen in aanmerking kunnen komen voor type 9. Laat ons dat dan gewoon, simpelweg, aannemen. Hoeveel verschil betekent dat in geld? Wat gebeurt er met de middelen die dan over zijn in vergelijking met waar die 4500 kinderen nu zitten, in die omkadering? Ik heb het over ‘over’ tussen aanhalingstekens. Het was een collega uit uw partij die zei dat als er overschotten waren in onderwijs, dat hij ze aan anderen zou geven. Maar waar gaat dat geld naartoe? (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Ik zal het eenvoudiger uitleggen. Kris, gij kost vandaag … (Applaus bij Open Vld)

Applaudisseer maar. Ik ben net zoals die mensen die mails stuurden ook maar een gewone onderwijzer. Dank u.

Het kwam er zo uit, maar ik bedoelde het niet zo. Kris, mijn beide ouders zijn gewone onderwijzers. Ik bedoelde dat niet zo. Ik excuseer mij als het zo is aangekomen. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Ik zal proberen het te herhalen en duidelijker te zijn. Kris, stel dat jij leerling bent in het huidige type 1 tot en met 8, en je bent in de omgevingsanalyse ‘ASS’ en je gaat naar type 9. Het huidige type, waar je nu zit, heeft meer omkadering en middelen voorhanden om jou te begeleiden. Type 9 gaat minder kosten. Ik neem gewoon aan dat het om 1000 euro gaat: er zijn nogal wat verschillen in onderwijs. Vermenigvuldig dat met 4500 en je extrapoleert dat met 10.000 leerlingen over heel Vlaanderen. Dan stel ik gewoon de vraag: wat ga je doen met die 4,5 tot 10 miljoen euro? Niet aan type 9 geven? Want type 9 kost minder dan een ander type. Ik ben blij dat er dan wat geld over is. Maar is type 9 nu voldoende gefinancierd? Ik heb die vraag ook gesteld. Waar is het wetenschappelijk bewijs dat type 9 goed omkaderd zal zijn volgens de normen van die kinderen?

Als het voldoende geld is, blijft er wat overschot over met betrekking tot die kinderen die de Vlaamse overheid nu meer middelen kosten dan we de scholen geven. Wat gebeurt er met dat verschil? Dat is mijn vraag. Ik heb in de commissie geen antwoord gekregen. U kunt me nu verrassen.

Mijnheer De Ro, ik zal u trachten te verrassen. Ik denk dat in al die mails en door al die mensen op het terrein een bijzondere vraag om meer ondersteuning wordt gevraagd voor die kinderen die in het gewoon onderwijs ondersteuning nodig hebben. (Opmerkingen van de heer Jo De Ro)

Dat staat zwart op wit genotuleerd. De middelen blijven in het onderwijs. Ze zullen misschien worden geheralloceerd, maar ze zullen voor de ondersteuning van die kinderen worden gebruikt. Ik zeg dat niet alleen vandaag. Dat is ook in de commissie duidelijk gesteld. Blijkbaar luistert ook een communicatiespecialist niet altijd heel goed.

Zo duidelijk is dat antwoord niet gegeven. Er is een algemene verzekering dat het niet zal wegvloeien. De mensen vragen zich echter af waar het zal terechtkomen. Zal het dienen om betere ondersteuning voor de leerkrachten te genereren? Zal het dienen om meer begeleiders aan te werven? Zal het dienen voor een aantal bijkomende zorguren in het gewoon onderwijs? Ik weet het niet.

Mijnheer Van Dijck, u mag dat straks letterlijk voor de Handelingen herhalen. Dat zal belangrijk zijn. Ik hoop dat de mensen op de tribune dit zullen horen en morgen aan hun achterban zullen vertellen. Waar zou dat geld, als het zou vrijkomen, naartoe gaan? Indien u dat kunt zeggen, hebben we vanavond een nieuw feit vernomen en een nieuw antwoord gekregen. (Opmerkingen)

Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Mevrouw Fatma Pehlivan

Mijnheer De Ro, iets in uw toespraak heeft me geïntrigeerd. U hebt hier cijfergegevens aangehaald. U hebt ook verwezen naar Gentse scholen in het buitengewoon secundair onderwijs en het buitengewoon lager onderwijs. U hebt percentages, gaande van 50 procent tot 20 en 30 procent, aangehaald. Het Departement Onderwijs en Vorming heeft geen simulatie gemaakt. Andere instellingen hebben dat wel gedaan.

Wat mij in verband met die cijfers heeft geïntrigeerd, is dat u eigenlijk bedoelt dat die kinderen daar niet op hun plaats zitten. Dat geven ze waarschijnlijk zelf toe. Die kinderen zouden perfect in het gewoon lager onderwijs kunnen worden opgevangen. Volgens u betreft het een afbraak van het buitengewoon secundair onderwijs en het buitengewoon lager onderwijs. Ik betreur dat.

Ik weet dat kinderen gedurende jaren vanwege hun taalachterstand perfect in een normale omgeving konden worden opgevangen. Die kinderen zijn gewoon naar het buitengewoon secundair onderwijs, het buitengewoon beroepssecundair onderwijs en het buitengewoon lager onderwijs verwezen. Op die manier zijn talenten verloren gegaan. De ouders, die we hier niet horen, stonden voor gesloten deuren en konden nergens terecht.

Mijnheer De Ro, ik betreur dat u aan de structuren denkt. U denkt niet in het belang van het kind. Dat is wat ik van uw toespraak heb onthouden.

Mevrouw Pehlivan, u speelt straks, in het vervolg van mijn betoog, nog een bijzondere rol. We zijn samen met mevrouw Meuleman op ontdekkingstocht geweest. Ik zal echter eerst op uw vraag antwoorden.

Hoewel mevrouw Vanderpoorten daarstraks namens mijn partij duidelijk heeft verklaard dat elk kind op de plaats moet zitten waar het volgens zijn talenten en zijn welbevinden het best zit, heb ik dat bij het begin van mijn eigen toespraak herhaald. Ik voelde immers aan dat, nadat de cijfers op tafel komen, toch weer hetzelfde zou worden gezegd. De vraag zou zijn wat ik met die cijfers bedoel. Bedoel ik dan dat die kinderen niet naar het gewoon onderwijs mogen gaan?

Die cijfers komen van scholen. Ze hebben aan de hand van de toenmalige tekst van het ontwerp van decreet onderzocht welke kinderen al dan niet konden blijven. Ze hebben hierbij geen oordeel over elke leerling geveld. Indien ze hadden willen beslissen of een leerling daar terecht of onterecht zat, hadden ze eigenlijk ook met het gewoon onderwijs moeten spreken.

De simulatie is op basis van de toenmalige tekst van het ontwerp van decreet gemaakt. Volgens mij is dit een gemiste kans. We hadden die cijfers kunnen gebruiken om nieuwe simulaties te maken. De verschuivingen ten gevolge van het ontwerp van decreet waarover we vandaag zullen stemmen, zullen niet zo dramatisch zijn.

Mijn punt was niet over welk kind het gaat, mijn punt was dat er door de manier van werken heel wat draagvlak op het terrein verloren is gegaan en dat er heel veel onnodige ongerustheid is veroorzaakt. Ik wilde eigenlijk zeggen dat het ontbreken van cijfers volgens mij een gemiste kans is om heel veel vragen te beantwoorden en om die bezorgdheden weg te nemen. Als men dan toch zo zeker is dat dit ontwerp van decreet echt wel goed is, dan had men dat kunnen toetsen aan de realiteit.

Over gemiste kansen gesproken: van bij de start van dit traject is in de publieke discussie altijd gezegd dat dit gepaard zou gaan met een nooit eerder geziene vorm van extra ondersteuning. Er komt een nieuw korps van experten dat het gewoon en het buitengewoon onderwijs zal ondersteunen. De reguliere begeleiding zal dit mee trekken en de prioritaire nascholing zal een extra tandje bijsteken om met dit M-decreet echt wel de stap naar een mental shift te zetten. Collega Helsen heeft daarjuist nog een oproep gedaan aan de minister in verband met de prioritaire nascholing.

Ik moet eerlijk zijn, toen ik de eerste keer in onderwijskringen de vraag durfde stellen over de haalbaarheid en de kwaliteit van dit ontwerp van decreet, dacht ik: dat hebben ze toch goed gedaan, dat is goede ondersteuning, hier is over nagedacht. Mevrouw Pehlivan, let op, u zult straks in het verhaal worden meegetrokken. Maar schijn bedriegt. Laat ons beginnen met de extra 109 voltijds equivalenten (vte) waarvan eerst sprake was. Die zouden er komen om exclusief met het inclusieve bezig te zijn. Het getal van 109 vte’s klopt ondertussen niet meer, want volgens het amendement dat we straks voorgelegd zullen krijgen, zijn het er maar 103. Maar goed, 6 minder, het is niet omdat De Ro geen goede rekenaar is, dat hij een muggenzifter moet zijn, hij valt daar niet over. 103 mensen is toch goed. Maar we moeten die 103 ook niet te letterlijk nemen, want in de commissie hebben we vernomen dat sommige mensen die ondertussen aangenomen zijn met die middelen, meer ervaring en hogere diploma’s hebben. Dus komen we niet aan 103, maar we moeten toch wel geraken ergens rond de 90.

Soit, we waren in een zeer constructieve bui: 90 extra mensen die met leerkrachten en scholen bezig zullen zijn, is goed gedaan van de minister en de meerderheid. We erkennen dat. En in een vlaag van openheid worden de mensen van het Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten opgetrommeld om de leden van de commissie Onderwijs te informeren over hoe die extra mensen gaan werken. De collega’s Meuleman en Pehlivan en ikzelf woonden deze boeiende middagsessie bij – boeiend bedoel ik echt niet cynisch. De mensen die de presentatie gaven, geloven echt wel in hun opdracht. Dat op zich was al boeiend. Maar het werd voor ons parlementsleden pas echt interessant toen we vernamen dat het eigenlijk geen extra begeleiding is in de werkelijke zin van het woord. Extra is voor mij nieuw, vers geld, extra budget. Die 109, ik bedoel 103, neen, die ongeveer 90 vte’s, zijn eigenlijk mensen of budgetten die al bestonden. U hoort het dus goed, die extra begeleiding waar nu al maanden sprake van is en wat ik toch wel straf vond, is eigenlijk deels bestaande begeleiding waar nu een kader voor gecreëerd wordt, en bestaand geld waar mensen uit zijn geduwd, en waar men nu nieuwe mensen mee heeft aangeworven.

Wat zullen die doen? Het zijn misschien geen extra mensen, maar als ze goed werk leveren, kunnen we er nog mee akkoord gaan. Onze vraag was die dag, zoals mevrouw Pehlivan en mevrouw Meuleman zich wel zullen herinneren, hoe ze dat gaan doen en wat ze gaan doen. Ik heb in ieder geval geleerd  uit die boeiende middag dat ze geen leerkrachten gaan begeleiden, ze gaan evenmin leerkrachten bijscholen en ze gaan geen leerkrachten antwoorden bieden op prangende vragen. Wel gaan ze zeker de bestaande begeleiding begeleiden en misschien gaan ze op schoolniveau of scholengemeenschapsniveau nog iets doen.

Collega’s, we zijn zo ver in mijn betoog: cijfers en simulaties zijn niet nodig, extra begeleiding is eigenlijk geen extra begeleiding en van de reguliere begeleiding vernamen we zeer recent nog dat die mensen ook maar de tijd hebben die ze hebben. Maar misschien komt alle heil, zoals collega Helsen misschien terecht zegt, van de prioritaire nascholing. Dit is toch iets dat de minister in eigen handen heeft. Hier kan hij toch zeer snel iets loslaten op het onderwijs, zeker nu deze meerderheid zo grootmoedig is geweest om dit decreet niet op 1 september 2014 door de strot van het onderwijs te duwen, maar wel een jaartje later. Een volledig extra jaar om een cultuurverandering te realiseren, om een metal shift te bereiken, om – nu gebruik ik de beeldspraak van de minister – de kledij van de troepen te laten drogen na het oversteken van de Rubicon. Minister, u hebt het altijd over het oversteken van de Rubicon. Als je een rivier oversteekt, dan moet je je kleren drogen. Wel, uw Romeins leger moet zich dus op één schooljaar klaarmaken om deze belangrijke taak te realiseren, en u biedt hen een trainingskamp aan vanaf 1 september 2015.

U hoort het goed, beste collega’s, het gaat in op 1 september 2015. Wanneer gaat u ze trainen?  Wanneer gaat u ze nascholen? Vanaf 1 september 2015. Dat is toch met de mensen lachen. Dat is niet gezeverd. Het is gezegd, mevrouw Pehlivan en Meuleman waren erbij: het zit niet in de prioritaire nascholing 2014, maar een jaar nadien.

Nu begrijp ik de opmerking van mevrouw Helsen die aandringt om het nu prioritair te stellen. Ik heb ook op een kabinet gewerkt, ik heb voor de minister van Onderwijs gewerkt. Prioritaire nascholing betekent dat de minister beslist. Dat kun je nu beslissen, en je doet het niet. Dat is lachen met die mensen. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Mijnheer Van Dijck, u zit wel in de meerderheid. Straks zult u hier het woord nemen en dat verdedigen, en zoals ik u ken, met passie.

De verwijzing naar de Rubicon is hier slecht gekozen. Het is beter te verwijzen naar het Frans keizerlijk leger dat hier niet ver vandaan de Zenne overstak, nog 20 kilometer verder marcheerde om dan op zijn donder te krijgen in Waterloo.

Maar genoeg beeldspraak. Ik keer terug naar de mensen die dit gaan moeten realiseren op het terrein. We weten nu al dat de leerkrachten geen extra begeleiding gaan krijgen, en we weten nu al dat hun nascholing zal starten als dit decreet al operationeel is. Maar wat met de belangrijke taak voor de CLB’s? Ik bespaar u alles wat de CLB’s live hebben getuigd en in hun nota hebben geschreven. Het komt erop neer dat ze nu niet klaar zijn om die belangrijke taak te doen. Wat erger is, ze zullen dat over een jaar ook niet zijn, want er wordt op hun werking bespaard.

De heer Van Dijck heeft daarstraks gezegd: “Ik ben niet verantwoordelijk voor wachtlijsten.” Het ging over welzijn. Vandaag gaat u iets goedkeuren waarvan de CLB’s zeggen dat als het wordt goedgekeurd, er nieuwe wachtlijsten zullen komen. Ik denk dat het op pagina 5 of 6 staat van de nota van de CLB’s. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Ja, dat schrijven ze letterlijk. Er zullen wachtlijsten komen, niet in de scholen, maar op de plaatsen waar de diagnoses moeten worden gesteld. Van wachtlijsten kennen sommigen hier veel, en sinds gisteren weten we dat het altijd de schuld is van de scholen. Maar goed, misschien kan er hulp worden verwacht van de mensen van het gon en het ion, maar daarvan hebben anderen al gezegd dat ze eigenlijk in de kou zijn gelaten. Over hun statuut en werkomstandigheden is er grote onduidelijkheid.

Geen cijfers, geen simulaties, geen extra ondersteuning, geen aandacht voor de vragen van de CLB’s, geen oplossingen voor gon en ion, geen prioritaire nascholing in het overgangsjaar: hebben de collega’s van de meerderheid nog redenen nodig om niet op de groene knop te drukken maar op de andere knoppen? Ja? Neen?

Ik besluit met nog een laatste persoonlijk bezwaar. Dit ontwerp van decreet lijkt geschreven zonder enige kennis van de moeilijkheden die bepaalde scholen op dit moment ondervinden. Mevrouw Friedl Tuyttens, professioneel actief in het instituut Bert Carlier, zowel met gon als met buso, zei in de hoorzitting dat ze vanuit haar ervaring vreest voor de overdracht van een aantal leerlingen naar het beroepssecundair onderwijs. Ze sprak met warmte en liefde over haar gasten. Als je zulke getuigenissen hebt, dan moet je in de meerderheid durven zeggen: oké, dit is niet de beste tekst. We gaan de tekst aanpassen. Met die oproep wil ik eindigen.

Er is zoveel materiaal dat zegt dat de voorliggende tekst niet zal werken, hoewel er mooie bedoelingen zijn. Keur die tekst dus niet goed. Pas aan, en u zult aan mensen in de oppositie bondgenoten hebben om dat aan te passen. Ik dank u. (Applaus bij de oppositie)

Ik heb veel respect en waardering voor de mensen in de publiekstribune, dat u zo lang hebt gewacht op dit debat. Het reglement zegt heel duidelijk dat als u in de tribune zit, u niet applaudisseert en niet op alle mogelijke manieren uw goed- of afkeuring laat blijken. Ik vind dat u daar rekening mee moet houden. Ik vind ook dat u op uw plaats moet zitten en niet voortdurend van de ene naar de andere plaats moet verhuizen. Dat werkt alleen maar de zenuwachtigheid in de hand. Ik heb alle begrip en waardering voor het feit dat u hier zo lang hebt gewacht.

Mevrouw Kathleen Deckx

Voorzitter, minister, collega’s, we hebben over dit decreet al heel wat van gedachten gewisseld. We hebben hoorzittingen georganiseerd, we hebben debatten gehouden, we hebben mails ontvangen, we hebben mails beantwoord, heel veel mails. Toch denk ik dat dit decreet een belangrijke stap in de goede richting is: in de goede richting naar de organisatie van meer inclusief onderwijs in Vlaanderen.

Mijn collega Fatma Pehlivan heeft er net al naar verwezen: we stellen vast dat er vandaag te veel kinderen naar het buitengewoon onderwijs worden georiënteerd omdat ze uit een taalarm, een kansarm of een allochtoon gezin komen. We stellen ook vast dat slechts 2 tot 3 procent van de kinderen met een downsyndroom in het gewoon onderwijs zitten, terwijl in Nederland meer dan de helft van die kinderen meerdere jaren doorbrengt in het gewoon onderwijs. Dit heeft tot gevolg dat we dagelijks heel veel kinderen op de bus zetten en dat zij ver van hun woonplaats onderwijs moeten volgen, dat ze niet terechtkomen in een reguliere klasomgeving in hun eigen dorp in een goede leeromgeving. En collega’s, ik denk dat we mogen zeggen dat alle kinderen recht hebben op het beste onderwijs, op de toelating voor de beste plaats, daar waar ze thuishoren.

Ik denk, oprecht en eerlijk, dat wij in dit decreet geen onmogelijke dingen vragen. Wij vragen dat kinderen, die een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen mits redelijke aanpassingen – en dat zal juridisch moeten worden omschreven –, in het gewone onderwijs kunnen blijven. Wij rekenen daarvoor – en ik denk dat we dat mogen – op de kwaliteit van onze scholen en onze leerkrachten. We komen vandaag in een spreidstand, want de belangengroeperingen die kinderen met specifieke onderwijsbehoeften verdedigen, vinden dat we niet ver genoeg gaan. Alle aanwezigen of bijna alle aanwezigen op de tribune vinden dat het voor de leerkracht een ondraaglijke opdracht zal worden.

We hebben begrip voor de leerkrachten. Ik ben zelf een leerkracht. Ik weet wat het betekent om voor een klas te staan die bulkt van de diversiteit. Maar tegelijk is het ook een uitdaging: een uitdaging die we moeten aangaan en die we moeten durven aan te gaan in het belang van onze jongeren en onze kinderen om ervoor te zorgen dat al hun talenten tot uiting komen en kunnen worden ontwikkeld.     

Mevrouw Deckx, ik heb het in mijn betoog proberen duidelijk te maken, maar ik ga het toch nog eens herhalen. Het is echt een valse tegenstelling. Ook die belangengroepen zetten zich in voor inclusief onderwijs en willen dat er werk van wordt gemaakt en dat kinderen kunnen participeren, ook kinderen met een beperking, in onze maatschappij. Ze zeggen net hetzelfde als al die mensen op de tribune, als de mensen van de vakbond die ons mailen, als de mensen uit het onderwijs. Ze zeggen dat het zonder extra ondersteuning en zonder financiële middelen en zonder competentieontwikkeling niet mogelijk is. Iedereen zit op dezelfde lijn. Ik begrijp niet welke signalen u nog nodig hebt om inderdaad te begrijpen dat er een reëel probleem is met de realisatie. Ze zeggen net hetzelfde. Er is geen tegenstelling. Goed, ze zeggen erbij dat ze willen dat het recht op inclusief onderwijs voor alle kinderen verankerd is, niet alleen voor die kinderen die het curriculum kunnen volgen.  

Wat dat betreft, zijn er wat verschillen, maar dat is het probleem niet. Dat is niet de tegenstelling. Dat heb ik daarnet uitgelegd. Het probleem is de ondersteuning, de financiering, de competentieontwikkeling. Wat dat betreft, zit iedereen op dezelfde lijn. Die ontbreken volledig met dat ontwerp van decreet, en daarom is het niet realiseerbaar.

Mevrouw Kathleen Deckx

Mevrouw Meuleman, laten we nu toch stappen vooruit zetten. We zullen de leerkrachten en de scholen qua omkadering niet in de steek laten. Er zál worden gewerkt aan competentieontwikkeling, en daar worden ook mensen en middelen voor ingezet. We hebben er inderdaad voor gezorgd dat de inwerkingtreding van het decreet met een jaar wordt uitgesteld. Uiteraard ging het niet meer tegen 1 september 2014, maar het zal wel moeten gaan tegen 2015. We gaan geen revolutie ontketenen. Dat is helemaal niet de bedoeling. Het is de bedoeling dat er stapsgewijs werk wordt gemaakt van inclusief onderwijs. Uiteraard hebben wij ook begrip voor de moeilijkheden die dat wellicht in het begin in de klas zal teweegbrengen, en moet er worden ondersteund. Daarom is er ook in ondersteuning voorzien. U kunt zeggen dat dit niet genoeg zal zijn. Het zal altijd meer moeten zijn. Wie weet zal dat ook zo zijn. Daarom zeggen we dat we dit alles zullen moeten monitoren, en bijsturen indien nodig.

Mevrouw Deckx, ik weet niet waar u het voorbije half uur bent geweest. De heer De Ro heeft ook geprobeerd dat uit de doeken te doen. Mevrouw Helsen heeft het grotendeels zelf ook toegegeven. Die pedagogische begeleidingsdienst, dat is voor een deel een rad voor de ogen draaien. Daar komen niet zo veel extra mensen bij, en dat zal binnen de huidige budgetten moeten worden uitgewerkt. Nu blijkt dat de prioritaire nascholing qua timing maar zal ingaan als het decreet al van start gaat. Gon en ion worden niet meegenomen. Waar zit al die competentieontwikkeling waarvan u zegt dat die er wel zal komen? Nergens! Ik zie er geen. Dat proberen we nu al dertig minuten duidelijk te maken, en u blijft toch zeggen dat we er gerust op kunnen zijn dat er competentieontwikkeling zal zijn, dat er extra ondersteuning komt. Dat die er niet komt, dat hebben we nu net duidelijk gemaakt. Het is allemaal binnen dezelfde budgetten, met dezelfde mensen. Die ondersteuning komt er vanaf een oneindige datum.

Ik had gewoon een eenvoudige vraag. Ik denk dat ik die heel duidelijk heb gesteld. U zegt: we stellen dit met een jaar uit. Misschien hebt u meer informatie. U behoort tot de meerderheid en tot de partij van de minister. Hebt u er weet van dat die prioritaire nascholing dan zal worden vervroegd? Zal die zo worden georganiseerd dat leerkrachten zich in dat extra jaar dat ze van de meerderheid zullen krijgen, kunnen voorbereiden op die veranderingen? U zegt dat die veranderingen geen revolutie, maar een evolutie zijn, maar op een evolutie in het onderwijs wil ik me ook graag voorbereiden. Wat ik daarnet zei, heb ik echt niet uit mijn duim gezogen. In de middagsessie, waarop ook een partij- en fractiegenoot van u aanwezig was, is heel duidelijk gezegd dat de prioritaire nascholing in 2014-2015 niet met betrekking tot het M-decreet zou zijn, maar pas het jaar nadien, als het decreet al is ingegaan.

Mevrouw Kathleen Deckx

Vorig schooljaar ging binnen het SNPB al een extra begeleider aan de slag om de competentienoden in het Vlaamse onderwijs in het kader van dit ontwerp van decreet in kaart te brengen. (Opmerkingen van mevrouw Elisabeth Meuleman)

Vanaf dit schooljaar werkt men deze competentieontwikkeling verder uit. Tegen begin volgend schooljaar zullen er mensen klaarstaan om scholen en leerkrachten te begeleiden en te ondersteunen. Zij zullen ook een inclusienetwerk oprichten in elke provincie, waar alle scholen en ouders terechtkunnen met specifieke vragen over inclusieve trajecten in de dagelijkse praktijk. Ook zal de nascholing op initiatief van de overheid volledig daaraan worden gewijd. We kiezen bewust voor een geleidelijke invoering van deze nieuwe regelgeving. We hebben op vraag van de sector beslist om de invoeringsdatum voor alles wat te maken heeft met het nieuwe oriënteringsproces, met een jaar uit te stellen. Dat geeft de scholen een extra jaar om zich voor te bereiden.

Het is ook niet zo dat er plots op 1 september 2015 een grote groep kinderen opnieuw voor de deur van het gewoon onderwijs zal staan. De nieuwe regels zullen enkel gelden voor nieuwe leerlingen in ons onderwijs.

Er is ook een waarborgregeling opgenomen in dit ontwerp van decreet. Middelen die vrijkomen doordat minder kinderen naar het buitengewoon onderwijs gaan of doordat minder kinderen naar duurdere types binnen dat buitengewoon onderwijs gaan, worden opnieuw ingezet voor diezelfde doelgroep van kinderen met een onderwijsbeperking. Het is dus niet de bedoeling om te besparen, wel om middelen anders in te zetten.

Als meer kinderen in het gewoon onderwijs blijven, zullen de middelen daarvoor volgen. Als blijkt dat die middelen onvoldoende zouden zijn, zal het de verdomde plicht van de volgende Vlaamse Regering zijn om bij te sturen. Ik heb in de commissie heel goed begrepen dat alle partijen dat dragen.

Dit ontwerp van decreet is geen eindpunt, collega’s. De discussie zal ook de komende maanden en jaren nog gevoerd moeten worden over wat redelijk is en wat niet, waar de grenzen liggen van wat van een gewone school verwacht mag worden, welke kinderen gebaat zijn bij een gemeenschappelijk curriculum of een aangepast curriculum, en wie vast en zeker terecht moet blijven kunnen in het buitengewoon onderwijs.

Dit ontwerp van decreet vraagt misschien extra inspanningen, een andere mentaliteit, en misschien ook wel extra investeringen. Maar wij zijn er vanuit onze fractie van overtuigd dat het heel veel maatschappelijke winst zal opleveren, voor die kinderen die een beetje anders zijn, en voor ons allemaal. Ik dank u.

Op mijn vraag over de prioritaire nascholing hebt u niet geantwoord, maar soit. De rode draad in uw verhaal was de grote, warme zorg voor de allerzwaksten. Ik denk dat dat ook gemeend was. Ik heb daarnet een van de stemmen uit de hoorzittingen laten horen, mevrouw Tuypens. Als zij over haar gasten sprak, sprak ze over de stedelijke context en het gevaar dat ze zag dat door dit ontwerp van decreet net die kinderen niet die zorgen zullen krijgen die ze verdienen, en die ze nu vaak in het buitengewoon onderwijs krijgen. We kunnen allebei betreuren dat ze onterecht in het buitengewoon onderwijs zitten. Dat is een eerste vaststelling.

U hebt proberen duidelijk te maken dat we die kinderen niet aan hun lot zullen overlaten, maar ik heb nog altijd niet gehoord hoe we dat gaan doen. De middelen blijven, maar hoe gaan we ze inzetten? Niemand in deze zaal weet het.

Mevrouw Kathleen Deckx

Vindt u dan dat kinderen die ten onrechte in het buitengewoon onderwijs zitten, daar moeten blijven zitten? Mijn fractie zegt: laat ons juist oriënteren en juist ondersteunen. Dat is daar het gevolg van.

Ja, maar als ik u vraag hoe die ondersteuning zal gebeuren, krijg ik geen antwoord. (Applaus bij Open Vld)

Het antwoord op de vraag hoe en welke ondersteuning georganiseerd zal worden, hebt u letterlijk gegeven, mevrouw Deckx. U zei dat er vorig jaar al één persoon aangesteld is binnen de netoverschrijdende pedagogische begeleidingsdiensten, die de problemen in kaart brengt. Dat is het antwoord van mevrouw Deckx. En dat is inderdaad wat er al gebeurd is: één persoon is aangesteld om de problemen in kaart te brengen.

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Ik zal nu niet antwoorden, voorzitter. Ik zal dat straks doen. Ik heb mij wel al moeten inhouden, want ik heb al een aantal dingen gehoord waarbij ik mij afvraag of mensen wel luisteren in de commissie. Ik ben een eerlijke mens, en er worden hier dingen gezegd die in de commissie duidelijk zijn beantwoord. Je kunt het ermee eens zijn of niet, maar je moet geen dingen komen vertellen waarvan je manifest weet dat ze anders zijn uitgelegd.

Ik zal straks zeer duidelijk antwoorden, voorzitter, op de vraag waar het geld naartoe gaat en hoe die competentieontwikkeling gebeurt.

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, beste toehoorders hier in de tribune, thuis of waar dan ook, ik hoop dat velen dit debat volgen, want de voorbije periode heeft mij geleerd dat over dit ontwerp van decreet terecht veel vragen gesteld worden.

Ik zeg wel degelijk ‘terecht’ omdat onderwijs een belangrijke materie is en we allemaal begaan zijn met onderwijs. We hebben kinderen of kennen leerkrachten of noem maar op. Onderwijs is te belangrijk om geen onderwerp te zijn van een maatschappelijk debat.

Ik wens te onderstrepen, collega’s, minister, dat ik heel veel bekommernissen begrijp. Ik zal niet zeggen dat ik alle mails gelezen heb – veel mails bevatten dezelfde tekst. Er waren veel mails met verschillende invalshoeken. Ik heb daar oog en oor voor gehad. Ik ben met mensen in gesprek gegaan. Ik heb geleerd dat met betrekking tot dit ontwerp van decreet – het debat heeft dat ook geleerd – er heel wat misverstanden zijn. Ik gooi naar niemand modder. Ik verwijt niemand iets. Misverstanden ontstaan snel.

Om een eerste misverstand meteen recht te zetten: dit ontwerp van decreet heeft niet de intentie om het buitengewoon onderwijs af te schaffen. U vindt dat misschien duidelijk, maar dat kreeg ik wel vaak te horen, ‘dit is de afschaffing van het buitengewoon onderwijs’. Dat is het dus niet. Wel past dit ontwerp van decreet de verschillende types buitengewoon onderwijs aan. Die waren toe aan een herdefiniëring. Wie het buitengewoon onderwijs al wat langer volgt, weet maar al te goed dat het ook daar mangelde.

Bijzondere onderwijsnoden moeten we vaststellen op basis van duidelijke protocollen. Alleen op die manier kunnen we het aantal overdiagnoses en verkeerde of te snelle doorverwijzingen naar het buitengewoon onderwijs doen dalen. Het ontwerp van decreet definieert duidelijk de toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon onderwijs en de voorwaarden voor gon. Zo wordt onder meer een definitie van disproportionaliteit ingevoerd, samen met definities in remediëren, compenseren, dispenseren en differentiëren.

Het is hierbij belangrijk om te hameren op de zogenoemde redelijkheid van de aanpassing die scholen moeten uitvoeren om kinderen met zorgnoden op te vangen. Deze redelijkheid wordt gevat in het kunnen volgen van het gemeenschappelijk curriculum. Er blijven dus criteria voorhanden voor doorverwijzing naar het buitengewoon onderwijs – en dat is goed – wanneer het kind het gemeenschappelijk curriculum van het gewoon onderwijs niet kan volgen.

Minister, u zult het met mij eens zijn als ik zeg dat het belangrijk is dat een kind dat bijzondere en gespecialiseerde zorgnoden heeft, deze ook kan krijgen. Daarnaast moeten we er ook op toezien dat de werking van de gewone scholen door het ontwerp van decreet niet wordt gehypothekeerd. Mochten er signalen komen uit het veld die het omgekeerde stellen, dan moet er worden ingegrepen. Ik heb vertrouwen in de competentie van de onderwijssector.

Ik wijk even af van mijn tekst. Het slot van de toespraak van mevrouw Helsen vond ik zeer frappant. Ze zei dat er al veel gebeurt van wat we nu vanuit de inclusiegedachte in het ontwerp van decreet hebben gezet. Twintig jaar geleden maakte ik in mijn omgeving al mee dat een blind kind gewoon onderwijs volgde, in een gewone school zonder zorgkader. De leerkrachten leerden het brailleschrift. Later ging datzelfde kind met de tandem met een vriendinnetje naar een naburige gemeente om daar het secundair onderwijs te volgen. Ook daar maakten de leerkrachten het waar, zonder de huidige ondersteuning. Als adolescente doorliep het meisje de Universiteit Gent met vrucht.

Het zijn voorbeelden uit het leven gegrepen en die door mensen in het onderwijs worden waargemaakt. Ik wou hier toch ook even meegeven dat ik een enorm vertrouwen heb in die mensen.

Vandaag zien we dat er heel wat kinderen met hulpbehoeften op wachtlijsten staan. En inderdaad, daar is het woord ‘wachtlijsten’ weer. Er zijn wachtlijsten omdat er in het buitengewoon onderwijs geen plaats meer is. Het zijn wachtlijsten voor individuen, kinderen en jongeren, met ouders die machteloos zijn. Dit komt onder meer ook omdat er nu kinderen in het buitengewoon onderwijs terechtkomen die daar niet in thuishoren. Laat ons parool duidelijk zijn: gewoon onderwijs als het kan, buitengewoon onderwijs als het nodig is. Laat ons ervoor zorgen dat we op basis van duidelijke definities elk kind op de juiste plek kunnen zetten.

Het M-decreet moet dus een antwoord bieden op de noden die veel kinderen met een zorgbehoefte hebben. En dit ontwerp van decreet past dan ook in het engagement dat ook wij genomen hebben, dat is uitvoerig door voorgaande sprekers gezegd, met het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap. Daar hecht ik, ook vanuit mijn persoonlijke achtergrond, heel veel belang aan.

De N-VA is er daarnaast ook van overtuigd dat we leerkrachten niet aan hun lot mogen overlaten. Ik besef heel goed dat voor sommigen de vrees ontstaat dat dit erbij zal komen. Ook op andere domeinen hebben wij het engagement genomen om paal en perk te stellen aan planlasten. Dat geldt ook voor de planlasten van leerkrachten. De basisopdracht van leerkrachten is het leraar-zijn, het lesgeven, het werken met kinderen in de klas.

Minister, we zijn ervan overtuigd dat we moeten steunen waar het kan. Ik loop misschien een beetje vooruit op uw antwoord, maar met betrekking tot nascholing, bijscholing en dergelijke – waarover hier toch verwijten worden gemaakt –, hopen wij een duidelijke repliek te krijgen. Er zal sowieso blijvend moeten worden gewerkt aan ondersteuning en bijscholing van lesgevers en zorgpersoneel, zowel in de prioritaire als in de reguliere nascholing. Het zal een werk van lange adem zijn en blijven. Daarnaast is er natuurlijk ook een belangrijke taak weggelegd voor de reguliere pedagogische begeleidingsdiensten zoals ze nu bestaan. Het feit dat we het samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten organiseren, kan daar een sterke aanzet toe zijn.

Collega’s, ik wil nog iets zeggen over de budgettering. De heer De Ro vroeg zich af waar de middelen blijven. Ik ben nog eens in het verslag gaan grasduinen, maar ik heb hier natuurlijk geen zoekfunctie. In het ontwerp van decreet is er sprake van een waarborgregeling. Daarin staat letterlijk genotuleerd dat de middelen die waar dan ook vrij komen ten gevolge van maatregelen in dit ontwerp van decreet, ingezet blijven in de school en in de klas, daar waar ze nodig zijn. Ik heb hier een citaat van een eerder betoog van mij: “het bedrag dat wordt uitgespaard in het buitengewoon onderwijs door leerlingen die naar het gewoon onderwijs gaan, moet in het gewoon onderwijs worden ingezet ter ondersteuning in de klas, bij de leerling en leerkracht die het nodig hebben.” Dat moet de zekerheid geven dat dit engagement er is.

We hebben het inderdaad gehad over die zekerheid en die waarborg, maar mij is niet duidelijk hoe dat zal gaan. U zegt dat het zal volgen. De middelen die nu worden ingezet in het buitengewoon onderwijs voor leerlingen waarvan we allemaal hopen dat ze in de toekomst naar het gewoon onderwijs kunnen gaan, zullen dus volgen. Dat is niet zo eenvoudig.

Mijnheer Van Dijck, ik denk dat een deel van de ongerustheid bij de mensen van het buitengewoon onderwijs niet is ingegeven omdat ze al die leerlingen per se bij zich willen houden, maar omdat ze er oprecht bezorgd over zijn hoe die zorgen die ze op de bijzondere en buitengewone scholen hebben verzameld, kunnen volgen. Want stel dat  tien leerlingen uit een buitengewone school naar vijf verschillende scholen zullen gaan. Dan vragen de mensen zich af welke vorm van ondersteuning er in die gewone scholen zal zijn, die nu zeer geconcentreerd in het buitengewoon onderwijs zit, waar er heel veel ervaring is. Jonge, nog niet-benoemde leerkrachten uit het buitengewoon onderwijs zeggen mij dat het toch een zeer onzekere situatie is. Zij zeggen: “Ik bouw nu mijn expertise op en deel mijn ervaring. Ik gebruik die in één school. Zal ik dan naar vijf scholen moeten gaan?”

Pas op, die mensen zouden dat nog doen. Maar ik denk dat enige duidelijkheid vooraleer zo’n belangrijk decreet hier passeert, veel zou hebben kunnen vermijden. Dat was de kern van mijn betoog daarnet.

“(…) veel zou hebben kunnen vermijden.” Ik denk, mijnheer De Ro, dat u daar inderdaad een heel belangrijk punt aanhaalt. Heel wat zaken zijn wat dat betreft niet voorspelbaar. Waar precies wat per individuele leerkracht? Tja, eenieder zal wel persoonlijke vragen hebben, maar die kun je toch niet bij de bepaling, bij het maken van een decreet, pasklaar beantwoorden? Jij daar en daar die verschuiving. Dat is inderdaad een stuk het ongewisse, dat geef ik grif toe.

Maar we moeten de totaliteit en – laat ons eerlijk zijn – de noodzaak die we in ons onderwijs hebben – leerkracht als knelpuntberoep – voor ogen houden. Sommigen hebben daarnet gezegd dat de leerkrachten gaan lopen van onderwijs als men zo verder doet. Ik ben het daar helemaal niet mee eens. Mijnheer De Ro, al die mensen die nu terecht die vragen hebben, zullen we nog nodig hebben om uitvoering te geven aan die zorg op die verschillende plekken.

Door de manier waarop ik mijn vraag bracht, gaf ik de indruk dat ik het antwoord wilde hebben tot op het individuele niveau van leerkrachten. Maar daar gaat het niet over. Het gaat erover dat mensen willen weten welk systeem erachter zit, als de hulp het kind volgt. Dat is eigenlijk een heel verdedigbare stelling: de hulp, de expertise en de middelen moeten zitten waar de kinderen zitten. Maar doordat je van een geconcentreerd model vertrekt, waarbij we de afgelopen jaren al onze warmte en expertise in het buitengewoon onderwijs hebben gestoken, is de vraag op welke manier die zorg, die warmte mee zal gaan met die kinderen, volgens mij wel terecht. Het gaat dan niet over een individuele leerkracht, maar wel over dat individuele kind dat die zorgen moet krijgen. Zowat elke groep die we in de hoorzittingen hebben gehoord, heeft daarover het woord gevoerd. Alle mails die we samen hebben beantwoord – zelfs al waren er heel veel dezelfde – gingen daar ook over. Maar dat is een ander verhaal. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Ik heb eigenlijk geen mails gekregen van mensen die niet geëngageerd zijn. Ik heb alleen mails, teksten en getuigenissen gekregen van mensen die zeer geëngageerd zijn, maar die vrezen dat een deel van het engagement verloren zou kunnen gaan en die heil zouden zoeken in andere domeinen – waar we ook mensen nodig hebben. Je hoort mij niet zeggen dat die mensen niet evengoed werk zouden kunnen verrichten in Welzijn, maar we hebben ze wel ongelooflijk nodig in onderwijs. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Ik ben blij dat u dat ook zegt. De afgelopen vijf jaar is er voor de leerkrachten zeer weinig gedaan op dat vlak.

Voorzitter, ik wil afronden met een verwijzing naar wat de heer De Ro hier net aanhaalt: de grote bekommernis die er is voor een correcte implementatie van dit ontwerp van decreet dat zeker – daar ben ik rotsvast van overtuigd – zijn waarde heeft.

Minister, we hebben er – volgens mij terecht – voor gekozen om een aantal zaken uit te stellen. Er is de ingangsdatum van 1 september 2015. Ik wil nogmaals benadrukken dat we alles op alles moeten zetten om dit op een correcte manier uit te rollen. Daar waar nodig – en ik ben ervan overtuigd dat dit niet decretaal nodig zal zijn – moeten we in de uitrol van dit decreet kort op de bal spelen om bij te sturen, hopelijk niet decretaal, maar wel op het terrein naar ondersteuning en verduidelijking.

En ik denk dat het inderdaad heel belangrijk is dat we de juiste toedracht kennen en dus weten wat het is en niet is, wat kan en niet kan, en waar de opportuniteiten en de mogelijkheden liggen om een belangrijke stap te zetten in het streven naar het juiste kind op de juiste plaats. Daar moeten we ons de volgende jaren voor engageren. Vanuit dat engagement en die ingesteldheid zal de N-VA dit ontwerp van decreet goedkeuren. (Applaus bij de N-VA)

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Voorzitter, collega’s, in verschillende uiteenzettingen is er terecht op gewezen waarover het gaat in dit ontwerp van decreet. In dit ontwerp vertrekken we vanuit het kind en de onderwijsbehoeften van het kind. De grote verdienste van dit ontwerp is dat we het medisch deficitair denken dat in ons systeem zit, verlaten en kiezen voor een model dat vertrekt vanuit de onderwijsbehoeften van het kind. Het kind en zijn belang is ons uitgangspunt, geen ideologie, geen dogma. We zijn vertrokken vanuit een model dat duidelijk kiest voor dat kind. De heer Van Dijck heeft de juiste zin gebruikt: gewoon onderwijs als dat kan, buitengewoon onderwijs als het moet. Het is niet in het belang van elk kind om in het gewoon onderwijs terecht te komen. Voor sommige kinderen is het buitengewoon onderwijs beter. We hebben er met dit ontwerp van decreet dan ook resoluut voor gekozen om het buitengewoon onderwijs te behouden. We hebben maar twee jaren nodig gehad om dat aan de mensen duidelijk te maken dat het buitengewoon onderwijs inderdaad buitengewoon is en dat we dat onderwijs willen behouden. Aan het eind van de vorige legislatuur was immers het idee ontstaan dat het buitengewoon onderwijs zou worden afgeschaft.

Verschillende sprekers hebben er terecht op gewezen dat we in Vlaanderen een probleem hebben in vergelijking met de rest van de wereld. Veel meer dan elders verwijzen wij kinderen door naar het buitengewoon onderwijs, kinderen die eigenlijk mits redelijke aanpassingen ook in het gewoon onderwijs terechtkunnen. Het ontwerp van decreet wil de juiste plaats voor elk kind vinden in ons onderwijssysteem. Dat doen we niet vanuit een dogma of een ideologische overtuiging maar om ervoor te zorgen dat elk kind dat talenten en mogelijkheden heeft, in een onderwijssysteem dat het best is aangepast aan zijn of haar mogelijkheden, die kansen krijgt. Daarover gaat het. Dat doen we niet alleen, mevrouw Martens, door aan het inschrijvingsrecht te komen. Dat doen we uiteraard ook, en daarom moeten we ook het VN-verdrag implementeren. Maar we doen dat ook in eerste instantie door een betere diagnostiek, door een betere opvolging, door een herevaluatie wat we vandaag niet of te weinig doen, door een betere positie van de ziekenhuisscholen. Het is meer dan alleen maar inschrijven, er zitten heel wat maatregelen in.

Het gaat inderdaad niet over de afschaffing van het buitengewoon onderwijs of over besparingen. Wij geven vandaag, en daar mogen we fier op zijn in Vlaanderen, 1 miljard euro uit voor 65.000 kinderen die in het buitengewoon onderwijs zitten. Daarom hebben we ook beslist dat als een deel van die kinderen verschuift naar het gewoon onderwijs, de middelen die meer worden gegenereerd in het buitengewoon onderwijs, door de waarborgregeling in het systeem blijven. Die zullen dan dienen voor de zorg van kinderen die naar het gewoon onderwijs gaan. Dat is de globale waarborgregeling.

Sommige sprekers betwijfelen of dit ontwerp van decreet in overeenstemming is met het VN-verdrag.  Het antwoord daarop is duidelijk: ja. Lees het advies van de Raad van State. Er zijn nog vele andere juridische adviezen gemaakt die dat duidelijk stellen. Ik heb in de commissie duidelijk gezegd dat ik daar ook van overtuigd ben. Ik ben zelf juridisch geschoold en ik weet uit mijn opleiding dat een verdrag dat zeer algemeen is geschreven – zo niet, krijgt men al die landen niet achter dat verdrag – zeer maximalistisch, zeer minimalistisch of redelijk kan worden geïnterpreteerd.

We hebben met dit ontwerp van decreet een redelijke interpretatie aangehouden. Dit decreet is in overeenstemming met het verdrag, en daar zijn we zeer duidelijk over.

Ik ben het niet met u eens, mevrouw Meuleman, wanneer u zegt dat we twee klassen van kinderen creëren. Want de logica en de ondertoon van uw uiteenzetting komt erop neer dat kinderen in het buitengewoon onderwijs niet enkel worden gediscrimineerd, maar eigenlijk ook minderwaardig onderwijs krijgen. Dat is de logica. Dat bedoelt u eigenlijk; zo niet had u dat anders geformuleerd. Voor de meerderheid zijn alle kinderen gelijkwaardig. Het is niet omdat men vanuit het belang van de kinderen zelf een keuze maakt over het systeem dat het best is aangepast aan hun onderwijsbehoeften, dat men discrimineert.

Voor het amendement dat het laten vallen van het gemeenschappelijk criterium beoogt, van Groen en Open Vld, bestaat er totaal geen draagvlak in de onderwijssector. Dat bleek uit de debatten van de afgelopen vier, vijf jaar. Want uw amendement zal leiden tot de totale leegloop van het buitengewoon onderwijs. Al die kinderen zullen dan naar het gewone onderwijs kunnen gaan. Daar kiest de meerderheid niet voor. Wij zijn ervan overtuigd dat kinderen die de finaliteit van het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen, in het gewoon onderwijs thuishoren, mits er redelijke aanpassingen gebeuren. Als die aanpassingen niet redelijk zijn, is het, gezien de onderwijs- en zorgbehoeften van het kind, aangewezen om in het buitengewoon onderwijs hun ontwikkelingskansen maximaal te vrijwaren, en hen niet in het gewoon onderwijs op te vangen.

Natuurlijk zijn er scholen die meer kunnen doen. Natuurlijk zijn er mogelijkheden wanneer het om beperkte aantallen gaat. Dan kan men kinderen in het gewoon onderwijs opnemen. En misschien komt er een tijd dat wij dat nog kunnen uitbreiden. Maar er is daar vandaag geen draagvlak voor. En ik ben er ook niet van overtuigd dat het in het belang van al die kinderen is. Wij kiezen dus wel degelijk voor het inclusief onderwijs. Wij zeggen dat kinderen die de finaliteit van het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen – met aanpassingen, zoals dispenseren, compenseren, enzovoort –, mits redelijke aanpassingen – waarbij wat redelijk is, ook aan evolutie onderhevig is: wat vandaag onredelijk is, kan morgen door technologische of andere evoluties redelijk worden – in het gewoon onderwijs thuishoren. Zo wordt een grote stap naar inclusief onderwijs gezet.

Het klopt dat we niet het recht verlenen om elk kind in te schrijven in het gewoon onderwijs. Er werd hier het woord ‘gunst’ gebruikt. Ik meen me te herinneren dat ik in de commissie heb gezegd dat, rekening houdend met wat mensen daaronder verstaan, ik dat woord niet meer zal gebruiken. Ik heb dat gezegd. Waarom komt u hier daar dan op terug? In de commissie heb ik de context uitgelegd. Ik heb er gezegd dat wanneer scholen een kind hebben dat het gemeenschappelijk curriculum niet kan volgen, de school, na dialoog, de gunst zal moeten motiveren. We bevinden ons nog steeds in een rechtsstaat. Er is een motivatie en er is een objectivering. Dat is de grote vooruitgang. Vandaag werken we met de draagkracht van scholen.

We werken vandaag in ons systeem met een subjectief criterium, waarvan de interpretatie van school tot school verschilt. Met dit ontwerp van decreet voeren wij, vanuit juridisch oogpunt, een objectief criterium in, dat geobjectiveerd is, dat gemotiveerd moet worden en met andere woorden ook voor de rechtbank kan worden getoetst. Dat is een bijzondere en grote stap voorwaarts.

Dit ontwerp van decreet is in overeenstemming met het VN-verdrag, zet een belangrijke stap naar inclusief onderwijs. Het is geen volledig inclusief onderwijs, dat klopt. We hebben gekozen voor een redelijke en geleidelijke weg. Er zit helemaal geen contradictie in, hoewel sommige mensen zeggen dat het too soon, too much is en andere zeggen dat het too late, too little is. (Opmerkingen van de heer Lode Vereeck)

Ik vat dat zo samen, als liberaal spreekt u toch graag Engels. Voor sommigen is het te veel of te snel en voor anderen is het te weinig. Er is een groot verschil van benadering en in hoe men er tegenover staat. We zitten in een logica waarin de afgelopen twintig of dertig jaar die kinderen zijn georiënteerd. Ik begrijp die reactie. Vandaag is er een shift van paradigma, het is een andere benadering. Dat roept vragen op, nogal terecht. Maar als er ongerustheid bestaat, is het de plicht van elkeen om goed te informeren. Daar begint het. Mijn medewerkers en andere mensen zijn naar scholen gegaan, om uit te leggen wat het is. De ongerustheid was daarna weg.

Er zijn inderdaad mensen die denken dat het buitengewoon onderwijs wordt afgeschaft, dat al die kinderen eerst in het gewoon onderwijs moeten proberen om dan pas naar het buitengewoon onderwijs te kunnen of dat er geen enkele ondersteuning komt, maar dat is niet zo. Als er ongerustheid is, moet je daar heel goed naar luisteren. Het domste dat je kunt doen, is die aanwakkeren. Je moet geen problemen zoeken of maken, maar ze oplossen en dat begint bij goede informatie en vervolgens door mensen goed te begeleiden en hen te betrekken bij de uitvoering en ook bij te sturen op basis van de reacties die ze geven.

Sommige mensen hier laten uitschijnen dat wij met de meerderheid op een blauwe maandag wakker geworden zijn en plots een decreet over leerzorg of bijzondere maatregelen wilden schrijven, omdat we het licht hadden gezien. Zo is het wel niet gegaan! Die uitspraak getuigt van weinig achting ten opzichte van ex-collega’s van u, mijnheer De Ro. U weet beter dan wie ook dat veel mensen daar de afgelopen jaren heel veel tijd in hebben gestoken.

Er is ook heel veel overleg gepleegd, met koepels en vakbonden, met stakeholders. Er is zeer goed geluisterd. Maar er komt een moment dat je als politieke meerderheid, als regering, als minister je verantwoordelijkheid moet nemen. Iedereen was het er ook over eens dat niets doen geen optie was en dat we een stap vooruit moesten zetten.

Nu maakt u mij toch niet wijs dat de koepels en het gemeenschapsonderwijs, die de inrichtende machten vertegenwoordigen, die uiteindelijk samen met de overheid verantwoordelijk zullen zijn om dit mogelijk te maken, akkoord zouden zijn gegaan met een decreet waarvan zij geloven dat het onuitvoerbaar is of waarvan zij zijn overtuigd dat het zulke grote verschuivingen zou teweegbrengen. Ik weet niet van waar die cijfers allemaal komen, ik heb begrepen uit een oorspronkelijke versie. Ondertussen zijn de typologieën al veranderd.

Die mensen zijn wel verantwoordelijk. Zij hebben verantwoordelijkheidszin. U denkt toch niet dat Mieke Van Hecke en Raymonda Verdyck en anderen hiermee akkoord zouden gaan als ze niet overtuigd zouden zijn dat dit wel degelijk kan. Ik begrijp dat vakbonden, die het personeel moeten vertegenwoordigen, maximaal willen opkomen en er het maximum willen uithalen. Dat is ook hun rol en opdracht. Ik heb daar geen problemen mee.

Als dit ontwerp van decreet goedgekeurd is, moeten we de mensen goed en correct informeren, en hun nadien ook de nodige ondersteuning geven. We zullen dat de komende dagen, weken en maanden effectief doen.

Dan komen we op de vraag of er in voldoende middelen is voorzien. Ik denk dat het nog niet veel is voorgekomen dat de decreetgeving van dit parlement, voorgesteld door een regering, een dergelijke waarborgregeling bevat. Wij zeggen dat kinderen in het buitengewoon onderwijs meer middelen genereren, dat de middelen die worden gegenereerd wanneer die kinderen naar het gewoon onderwijs gaan, voor die kinderen blijven. Eigenlijk geeft de regering een blanco cheque. Ik ben heel blij dat de minister van Begroting daarmee heeft ingestemd. In zo’n regeling zegt men normaal gezien dat men de middelen zal laten verschuiven en dat men zal bekijken hoeveel extra middelen er nodig zijn. In dit geval is er heel duidelijk afgesproken dat die middelen niet alleen in het onderwijs zullen blijven, maar nog eens heel specifiek zullen worden ingezet voor kinderen die zorg nodig hebben.

Kunnen wij vandaag 100 procent gedetailleerd zeggen hoe we dat doen? Neen. Dat kunnen we niet. We kunnen geen betrouwbare simulaties maken. Ik heb in de commissie uitgelegd dat als we dat zouden doen, wij aan al die ouders individueel zouden moeten vragen wat ze willen, en dan zouden wij al die kinderen moeten laten diagnosticeren. Dat zal ongelooflijk veel tijd en middelen vragen, voor iets dat dan nog een momentopname is. Natuurlijk zullen er cijfers circuleren, het ene al zotter dan het andere, het ene al juister dan het andere. Dat zal wel, dat is altijd zo. Maar nogmaals: verantwoordelijke mensen van de koepels en van het gemeenschapsonderwijs, die dagelijks instaan voor het runnen van dat soort dingen, zeggen dat het kan en dat ze geloven dat het mogelijk is.

Als uit de opvolging en de monitoring zou blijken dat er toch extra middelen zouden nodig zijn, of als een of ander probleem wordt ontdekt dat door de verschuiving van de middelen niet kan worden opgelost, dan hebben bovendien, naast die waarborgregeling, zowel sp.a, CD&V en de N-VA, vanuit de huidige meerderheid – en in de bespreking in de commissie heb ik begrepen Open Vld en Groen ook, en ik denk LDD ook – heel duidelijk het engagement uitgesproken dat die extra middelen er in de volgende legislatuur ook zullen komen. Mijnheer De Ro, dat is wat ik heb bedoeld met de Rubicon oversteken. Dat was wat ik bedoelde met ‘a point of no return’. We moeten die stap nu zetten. Niets doen is geen optie. We hebben die algemene waarborgregeling. Ik kom straks op de competentieontwikkeling. Maar je hebt verdomme – excuseer mij voor de vloek – nog de extra ondersteuning, het extra engagement van alle politieke partijen, waarvan ik veronderstel dat er van deze die ik heb opgenoemd toch wel een deel in de volgende meerderheid zullen zitten. Zij zeggen heel uitdrukkelijk dat als er extra middelen nodig zullen zijn, zij die extra middelen zullen geven.

Voorzitter, ik denk niet dat het Vlaams Parlement al veel decreten heeft goedgekeurd waarin men dergelijke garanties geeft. (Opmerkingen van mevrouw Mieke Vogels)

Dus zijn er voldoende middelen.

Mevrouw Vogels, u zou beter eens luisteren. (Opmerkingen van mevrouw Mieke Vogels)

Wij geven vandaag 1 miljard euro voor 65.000 kinderen. Mevrouw Vogels?

1 miljard euro voor 65.000 kinderen. Dat is zeer veel geld. Gelukkig dat we dat geven. Een deel van die kinderen zal naar het gewoon onderwijs gaan. Hoeveel, dat kunnen we vandaag niet 100 procent inschatten.

Als minister wil ik enkel betrouwbare en gevalideerde cijfers naar voren brengen. Die cijfers hebben we niet. Een gedeelte van het geld gaat naar het gewoon onderwijs. Dat is een duidelijke en decretaal bepaalde regel. Volgens mij zijn daar niet veel voorbeelden van.

De competentieontwikkeling vormt een terecht punt. Ik wil voor alle duidelijkheid vermelden dat de inwerkingtreding van dit ontwerp van decreet op 1 september 2015 niet betekent dat alle kinderen in het buitengewoon onderwijs die aan de voorwaarden beantwoorden, plots naar het gewoon onderwijs zullen gaan. Die kinderen zullen hun traject in het buitengewoon onderwijs vervolgen. Het gaat hier om de nieuwe kinderen. Dit betekent dat er een geleidelijke, stapsgewijze instroom komt.

Verschillende sprekers hebben terecht opgemerkt dat momenteel al heel wat scholen zonder die middelen dergelijke kinderen opvangen. Die scholen beschikken al over die expertise. Ze kunnen dat al.

We hebben de inwerkingtreding van het ontwerp van decreet terecht met een jaar uitgesteld. Dat is voortdurend zo ingepland. We hadden dit uitstel nodig om de onderhandelingen te kunnen afronden en tot een stemming te kunnen overgaan. Iedereen weet hoe dat gaat.

In de praktijk betekent dit dat onze scholen en onze inrichtende machten over achttien maanden beschikken om zich voor te bereiden. We hebben trouwens niet op de goedkeuring van het ontwerp van decreet door het Vlaams Parlement gewacht. Voor de eerste keer in de geschiedenis van het onderwijs beschikt het Steunpunt Netoverschrijdende Pedagogische Begeleidingsdiensten (SNPD) over een formeel engagement van de inrichtende machten, de koepels en het Gemeenschapsonderwijs, en van de pedagogische begeleidingsdiensten zelf. Samen hebben ze op een zeer professionele wijze een ondersteuningsmodel uitgewerkt.

Er is een coördinator aangesteld. Hij heeft met vele anderen in de bestaande pedagogische begeleidingsdiensten en in het SNPD gewerkt aan een goede inschatting van wat de leerkrachten nodig hebben. Hij heeft zich hiervoor op gesprekken met leerkrachten gebaseerd. Ik ben het ermee eens dat de ondersteuning naar de leerkrachten en niet naar theoretische modellen moet gaan. Dat is nergens voor nodig. We moeten de leerkrachten ondersteunen.

We hebben de middelen uit het aflopend budget behouden. We hebben besloten die middelen in te zetten. Zoals ik in de commissie al heb uitgelegd, dacht ik oorspronkelijk dat het om 104 mensen zou gaan. Uiteindelijk zullen het er een zeventigtal zijn. De diplomavereisten zullen iets hoger liggen. Hierdoor zullen die mensen wat duurder zijn en zullen we er in totaal wat minder kunnen aanwerven.

De mensen die voor de ondersteuning instaan, zullen het principe ‘train the trainer’ hanteren. We beschikken, afgerond, over ongeveer 450 pedagogische begeleiders. De koepels en de pedagogische begeleidingsdiensten hebben zich ertoe geëngageerd die begeleiders prioritair in te zetten. Die 70 mensen zullen die 450 mensen opleiden om de leerkrachten en de scholen ondersteuning te kunnen bieden. Ik herhaal nogmaals dat er momenteel al heel wat expertise in onze scholen aanwezig is. Het klopt niet dat we maar over 70 mensen beschikken.

De doorlichting onder leiding van de heer Monard heeft aangetoond dat het bestaand onderwijssysteem nog kan worden verbeterd, maar eigenlijk goed werkt. We kunnen dit systeem gebruiken om de leerkrachten te ondersteunen. Er is nog nooit op een dergelijke professionele wijze een ondersteuningsmechanisme uitgewerkt. Dit is niet enkel theoretisch, op papier, gebeurd. Ten gevolge van het dermate grote engagement van de pedagogische begeleidingsdiensten, de koepels en het Gemeenschapsonderwijs is dit ook in de praktijk gebeurd. Dit is volgens mij heel belangrijk.

Er is hier ook al over de nascholingsmiddelen gesproken. We beschikken over twee soorten nascholingsmiddelen, namelijk de prioritaire nascholingsmiddelen en de reguliere nascholingsmiddelen. Ik weet niet of iedereen de verhouding tussen beide kent.

Wat de prioritaire nascholingsmiddelen betreft, bestaat er een mechanisme waardoor de prioriteiten een jaar op voorhand worden bepaald. De prioriteit voor 2014 is bepaald. We kunnen en zullen nu echter al de prioriteit voor 2015, 2016 en 2017 bepalen.

Maar we spreken hier voor prioritaire nascholingsmiddelen afgerond over een goede 690.000 euro als ik me niet vergis. De reguliere nascholingsmiddelen bedragen afgerond 9 miljoen euro, waarvan elk jaar geld over is dat niet wordt gebruikt. Dus is het toch heel duidelijk, het zijn niet alleen de prioritaire nascholingsmiddelen, maar ook de reguliere nascholingsmiddelen. Dat betekent theoretisch maximaal – maar het zal niet maximaal zijn – dat je nog eens 10 miljoen potentieel zou kunnen inzetten. Er zijn natuurlijk nog andere nascholingen die moeten gebeuren, dat is nogal evident. Het is dus niet juist om te doen uitschijnen dat we die 690.000 euro pas kunnen vrijmaken in 2015. Ondertussen hebben we wel de reguliere nascholingsmiddelen. Aangezien de koepels en het Gemeenschapsonderwijs het engagement hebben genomen om dit toe te passen in het systeem en dit mee voor te bereiden en op te nemen in nascholingsprogramma’s die door hen worden bepaald, is het nogal duidelijk dat die middelen daar ook voor kunnen worden ingezet.

Ik vat samen wat de competentieontwikkeling betreft. We hebben achttien maanden om mensen te ondersteunen, voor te bereiden en goed te informeren. Dan zal al heel veel ongerustheid worden weggenomen, dat blijkt ook uit de reacties die wij krijgen van mensen via mails die we krijgen, waar we op antwoorden en de reacties die we dan terugkrijgen. Als de juiste informatie wordt gegeven, is er al veel ongerustheid weg en worden misverstanden die kunnen ontstaan, uit de weg geruimd. Met dit ondersteuningspakket kunnen 450 mensen worden ingezet om leerkrachten te ondersteunen, waarbij we maximaal voor 10 miljoen euro aan nascholing kunnen geven, ook als het er in werkelijkheid minder zijn. ‘Redelijke aanpassingen’ betekent niet altijd heel ingewikkelde systemen, een redelijke aanpassing is soms ook gewoon dyslexiesoftware gebruiken. Er zijn kinderen die vandaag om die reden naar het buitengewoon onderwijs gaan. We mogen niet het beeld creëren dat het plots zwaar zorgbehoevende kinderen zijn. Daarover gaat het niet. Het gaat over kinderen die mits redelijke aanpassingen het gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen. Het is dus een redelijke stap die we zetten, die rekening houdt met wat scholen kunnen.

Voorzitter, we hebben inderdaad engagementen opgenomen. Een heel belangrijk engagement is de monitoring, de opvolging. Dat zullen we niet alleen vanuit de overheid doen, dat zullen we samen doen, met de koepels en het Gemeenschapsonderwijs en ook met de vakbonden als vertegenwoordigers van het personeel. We zullen kijken hoe die voorbereiding op het terrein verloopt en of er ongewenste effecten optreden zodat er kan worden bijgestuurd. Ook de middelentoewijzing en de uitwerking daarvan zullen niet alleen door de overheid gebeuren. We zullen uiteraard de inrichtende machten en de vakbonden betrekken om te kijken hoe en waar die middelen moeten worden ingezet. We weten dat ze er zijn, maar je hebt natuurlijk een stap nodig, namelijk de eerste implementatie, om dan heel snel de middelen te kunnen toewijzen. Dat zal ook gebeuren. Ik deel de mening van de heer Van Dijck, mevrouw Helsen, mevrouw Deckx en anderen die hebben gezegd: heb vertrouwen in onze scholen. Als ik sommigen hoor, lijkt het alsof dat allemaal hopeloze gevallen zijn. Dat is een beetje de conclusie als je de logica doortrekt van sommige redeneringen die hier vandaag zijn opgebouwd.

Er zijn dus engagementen genomen ten aanzien van monitoring, de gon en de ion. De gon en de ion is voor een andere categorie van kinderen, mevrouw Meuleman. U hebt dat daarjuist gekoppeld, maar het is voor een extra categorie van kinderen. De verwachting is dat tegen het einde van het jaar alles zeer duidelijk is. Dan zullen er inderdaad beslissingen moeten worden genomen. Je kunt dat zien als een bijkomende bouwsteen aan dit systeem. Dit is een eerste stap, en dan zal er een tweede stap bij worden gezet. U kunt ons niet kwalijk nemen dat we dat goed voorbereiden.

Een derde engagement is dat door elke partij, waarvan er minstens een aantal in de volgende regering zullen zitten, heel duidelijk is gezegd dat indien het nodig is, er extra middelen voor zullen worden vrijgemaakt.

Ik rond af, voorzitter. Dit is inderdaad een belangrijke stap. Mevrouw Vanderpoorten heeft er terecht naar verwezen, er is vijftien jaar over gepraat. Ik ben blij dat iedereen tot de conclusie is gekomen dat niets doen geen optie is. Dan komt er een moment dat je als minister, als regering, als parlementaire meerderheid de moed moet durven hebben om je verantwoordelijkheid te nemen en om die stap te zetten. Je zet die stap, je beslist dat. Op dat moment kunnen we vanuit de overheid – we zullen dat ook doen – mensen goed inlichten, goed de bezorgdheden capteren, de uitrol in nauw overleg met iedereen doen. We doen dat niet op een onbesuisde manier, we doen dat stap per stap, redelijk geleidelijk, geen avonturen. We hebben niet gekozen voor avonturen. Dit is belangrijk. Er is ongerustheid en die kunnen we alleen maar wegnemen door nu op het terrein waar te maken wat we hebben gezegd. We hebben vertrouwen in de scholen, in de mensen, in de leerkrachten die dat doen. Het zal niet altijd zonder slag of stoot gebeuren, maar we gaan die stap zetten.

Om die reden vraag ik namens de meerderheid om de amendementen van Open Vld en Groen niet te aanvaarden, omdat daarvoor totaal geen draagvlak is. Daarmee ga je de leegloop van het buitengewoon onderwijs organiseren. Dat wil men niet in de scholen. Dat is geen mogelijkheid, en ik ben ervan overtuigd dat het zelfs niet in het belang van onze kinderen is. (Applaus bij de meerderheid)

Ik ben blij dat we duidelijkheid hebben. Ik heb veel vragen gesteld en er zijn antwoorden gekomen, maar ik vrees dat we niet overtuigd zijn van die antwoorden. Mevrouw Deckx had ons daarstraks op het verkeerde been gezet, en mevrouw Helsen deed een oproep, maar we weten nu zeker – ik heb het niet uit mijn duim gezogen – dat prioritaire nascholing niet zal worden georganiseerd rond het M-decreet in het overgangsjaar dat wordt gecreëerd door in een extra jaar te voorzien, en het uit te stellen tot 1 september 2015. Dat hadden we juist.

Minister, u zegt dat scholen niet moeten wachten. Ze hebben heel veel middelen, ze moeten daar ook andere dingen mee doen, maar ze kunnen die optimaal inzetten voor het M-decreet om zich voor te bereiden. U liet uitschijnen dat ik vind dat scholen sukkelaars zijn. Maar eigenlijk draait u de redenering om. In mijn inrichtende macht worden de nascholingsmiddelen wel goed gebruikt en uitgeput. Eigenlijk zegt u dat we nascholingsmiddelen nodig hebben – in het afgelopen jaar is dat geregeld aan bod gekomen in het parlement – om met STEM, ICT, anderstaligheid om te gaan, om gedifferentieerd te werken. U zegt: scholen, schuif al die problemen even opzij en maak zelf een prioritaire nascholing met uw eigen middelen, om u op het M-decreet voor te bereiden.

Eigenlijk dienen prioritaire nascholingsmiddelen van de minister om een versnelling te krijgen op het terrein, en u doet net het omgekeerde. U wacht met de prioriteit te geven tot het schooljaar nadien, en u zegt tegen de scholen: jullie kunnen dat wel doen met jullie centen. Dat vind ik een rare redenering. Net zoals de rare redenering: kijk naar de koepels, dat zijn toch geen onnozelaars. Als zij vertrouwen hebben in het M-decreet zal het wel goed zijn. Maar als ik cijfers van die koepels gebruik, zijn het plots bijeengeraapte of onbetrouwbare cijfers. Terwijl het eigenlijk een heel eenvoudige vraag was over die 4500 leerlingen. Die blijven in het buitengewoon onderwijs. Ze gaan alleen naar een type – volgens onze informatie, maar ik hoop dat dat wordt tegengesproken – waar minder geld voor nodig is om in de ondersteuning te voorzien, dan in de types waar ze nu zitten.

Er zal dus een overschot worden gecreëerd. Waar gaat dat naartoe? U zegt in uw antwoord dat het volgens de waarborgregeling de leerlingen volgt. Ah neen, want we hebben in de uitleg gehoord dat type 9 niet wordt gevolgd, want daar is minder ondersteuning gepland. U spreekt altijd over een ‘point of no return’. Dat komt uit de luchtvaart. Dat is geen juridische term, dat is een luchtvaartterm. Dat wil zeggen: tot daar kan het vliegtuig vliegen om nog te kunnen terugkeren naar zijn oorspronkelijke vertrekplaats. Als het verder vliegt, dan crasht het, omdat het te weinig heeft om terug te kunnen keren.

Ik ben begonnen met 109 en ik moet zakken naar 103 en dan naar 90, en nu hoor ik zeggen dat er uiteindelijk nog 70 mensen zullen zijn die de anderen zullen ondersteunen van wie we vandaag allemaal nog een mail hebben gekregen waarin staat dat die 470 pedagogische begeleiders nu ook al hun handen vol hebben met het onderwijs te ondersteunen. In de afgelopen weken hebben ze inderdaad zeer kritische signalen gegeven over de werking naar de leerkrachten. U verwacht heil van middelen die nu bestaan, maar die op het terrein al worden ingezet. U moet dan niet verbaasd zijn dat mensen bevreesd zijn dat ze het niet zullen aankunnen. Het heeft absoluut niets te maken met geen vertrouwen in leerkrachten of in ambtenaren, wel integendeel. We hebben daarstraks een collega van u met veel meer dedain over ambtenaren horen spreken dan ik ooit over mijn lippen zou kunnen krijgen.  

Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

Dames en heren, aan de orde is de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van decreet.

De door de commissie aangenomen tekst wordt als basis voor de bespreking genomen. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2290/5)

– De artikelen I.1 tot en met II.10 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement tot vervanging van artikel II.11. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2290/6)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen II.12 tot en met II.21 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement tot vervanging van artikel II.22. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2290/6)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen III.1 tot en met III.5 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement tot vervanging van artikel III.6. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2290/6)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen III.7 tot en met III.76 worden zonder opmerkingen aangenomen.

Er is een amendement tot vervanging van artikel III.77. (Zie Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2290/6)

De stemmingen over het amendement en over het artikel worden aangehouden.

– De artikelen IV.1 tot en met VII.14 worden zonder opmerkingen aangenomen.

De artikelsgewijze bespreking is gesloten.

We zullen straks de hoofdelijke stemming over het ontwerp van decreet houden.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.