U bent hier

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer

Minister, vroegtijdige schooluitval of ongekwalificeerde uitstroom is een belangrijk probleem, niet alleen in ons land maar in heel Europa. Het doet zich sterker voor in steden dan op het platteland.

Het probleem is wel, minister, dat ons land volgens de meest recente cijfers op de twintigste plaats prijkt en landen als het Verenigd Koninkrijk, Bulgarije en Roemenië nog achter zich laat. Vijf jaar geleden waren we bij de tien beste leerlingen van de klas. Professor Elchardus stipt aan dat vooral kansarme jongeren, etnische minderheden en kinderen uit gezinnen die het schoolleven minder stimuleren het risico lopen in deze groep terecht te komen. Het is evident dat deze groep jonge mensen bijzonder zwak staat op de arbeidsmarkt. Men stelt: “Zij verdwijnen van de radar van de samenleving en dreigen een verloren generatie te worden.”

Ik ben er mij van bewust, minister, dat er al inspanningen gebeurd zijn en dat u mogelijk opnieuw zult verwijzen naar de hervorming van het secundair onderwijs, maar op korte termijn moeten hoe dan ook een aantal extra maatregelen en initiatieven worden genomen. Mijn vraag is natuurlijk: welke?

De voorzitter

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Mevrouw Yamila Idrissi

Minister, ik zou het hier ook graag hebben over Brussel. Jammer genoeg is de stijging van de schooluitval in Brussel angstaanjagend hoog. In 2011 verliet 18,9 procent van de Brusselse jongeren de school zonder diploma, in 2012 overschrijden we de kaap van 20 procent. Een vijfde van de schoolgaande jeugd in Brussel haakt vroegtijdig af. En jongeren zonder diploma vinden veel moeizamer een job. De Brusselse realiteit bewijst hoe dramatisch de problematiek is op het terrein. Ongeveer 30 procent van de Brusselse jongeren is werkloos. In sommige wijken van Brussel heeft zelfs meer dan de helft van de jongeren geen job.

Socioloog Mark Elchardus zegt hierover in de Standaard: “Jongeren die afhaken – geen school lopen en geen werk hebben – verdwijnen van de radar van de samenleving. Dat moet ons zorgen baren, we kunnen ons geen verloren generatie veroorloven.” Ik wens eraan toe te voegen: we kunnen ons geen verloren generaties veroorloven. Op den duur zit je met een cascade.

En als het slecht gaat met Brussel, gaat het ook slecht met Vlaanderen en België. Het moet ons dus niet enkel zorgen baren in Brussel, maar ook in Vlaanderen en de rest van het land. Daarom is verontwaardiging hier gepast. Minister, u bent bevoegd voor het Nederlandstalige onderwijs in Brussel. Hebt u een zicht op het percentage van de Nederlandstalige schooluitval en hoe verhoudt zich dat tot de Franstalige scholen? Welke remedies kunnen worden gehanteerd?

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

De cijfers waarnaar wordt verwezen in het krantenartikel komen uit een enquête naar arbeidskrachten. De laatst beschikbare cijfers zijn die van 2012. Het gemiddelde in de EU van 27 landen is voor 2012 12,8 procent, voor België is dat 12 procent en voor Vlaanderen 8,7 procent. We dalen voortdurend. Om u een idee te geven, in 2006 was het 10 procent, in 2010 was het 9,6 procent, in 2011 ook 9,6 procent en in 2012 dus 8,7 procent volgens die enquête. Daarover kunnen opmerkingen worden gemaakt, maar goed, we baseren ons nu op die cijfers.

In elk geval is het voor ons nog aanwezig, maar minder groot dan het cijfer van 12 procent voor België laat uitschijnen. Het heeft er hoofdzakelijk mee te maken dat Wallonië rond 14,8 procent zit en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op 24 procent. Dat trekt het cijfer omhoog.

Mevrouw Idrissi, we hebben geen cijfers om het onderscheid te maken tussen de Franse en de Nederlandstalige gemeenschap. We hebben wel de cijfers van de Nederlandstalige kinderen in de scholen, niet die van de Franstalige kinderen in de scholen. Ik kan u wel zeggen dat het determinerend criterium niet zozeer is ‘schoollopen in Brussel’ maar wel ‘wonen in Brussel’. Als je kinderen die in de Rand naar school gaan, meetelt, zal 27 procent van de kinderen die wonen in Brussel vroegtijdig de school verlaten, terwijl het 23 procent is bij de kinderen die schoollopen in Brussel. Dat betekent dat het heel vaak de woonplaats van kinderen is, heel de context waarin ze opgroeien, plus de sociaal-economische situatie, vaak versterkt door een migratieachtergrond, die de oorzaak van de uitval vormt.

Wat hebben we gedaan? Ik zou kunnen verwijzen naar de hervorming van het secundair onderwijs en veel andere zaken, maar er is iets meer acuuts. Het is een beetje van onze radar verdwenen. We hebben met de koepels van de vakbonden, de sociale partners, de werkgevers en de onderwijsactoren het actieplan ‘Vroegtijdig schoolverlaten’ opgesteld. Dat omvat negentien acties. We wachten niet op de fundamentele structuurhervormingen die ook belangrijk zijn en de andere inhoudelijke maatregelen die daarin zitten. We hebben negentien doelgerichte acties. Ik heb het plan hier bij me. Het is in werking getreden vanaf dit schooljaar, sommige zaken gaan volgend schooljaar van start. Het plan omvat verschillende onderdelen: de identificatie, de monitoring, de coördinatie, preventie, interventie en compensatie om jongeren nog een tweede kans te geven. Er zijn ook overkoepelende acties.

Het plan loopt sinds een paar maanden. Het was niet evident om tot een plan te komen met de sociale partners en de onderwijsactoren. Het overstijgt het onderwijsengagement hier om daar toch een antwoord op te geven zodat we jongeren startkwalificaties kunnen geven.

De heer Jos De Meyer

Minister, het plan is mij bekend. U hebt een uitgebreide analyse gegeven van de cijfers. Maar ik had graag gezien dat er op het vlak van deeltijds leren in al zijn vormen, bij SYNTRA of in andere opleidingen, een tandje wordt bijgestoken. Daar zijn een aantal mogelijkheden nog steeds onderbenut.

Mevrouw Yamila Idrissi

Ik dank u voor uw antwoord, minister. Ik vind het jammer dat we nu geen cijfers hebben voor Brussel, maar daar kunt u niet aan doen. Dan zouden we veel gerichter maatregelen kunnen nemen. Dat is voor Brussel bijzonder belangrijk. Brussel heeft een zeer jonge bevolking. Als we die niet goed opleiden, als we daar niet in investeren, komt dat niet goed. Als we ons niet op de juiste cijfers kunnen baseren, wordt dat moeilijk. Dan hypothekeren we de toekomst van die jongeren. De Franstalige collega’s moeten met die cijfers op de proppen komen.

We moeten oppassen voor selectieve verontwaardiging. Als er in Brussel problemen of relletjes zijn met jongeren, zijn we allemaal selectief verontwaardigd. Over deze cijfers mogen we even verontwaardigd zijn. We mogen even hard op tafel kloppen om daar oplossingen voor te vinden.

De voorzitter

Mevrouw De Knop heeft het woord.

Mevrouw Irina De Knop

Collega’s, ik deel uw bekommernis over de steeds groter wordende schooluitval. (Opmerkingen van minister Pascal Smet)

Ik wil beklemtonen dat ik samen met vele collega’s heb vastgesteld dat het actieplan er pas eind vorig jaar gekomen is. Deze legislatuur startte al in 2009, en het probleem is al veel langer gekend. Dit actieplan komt rijkelijk laat. Ik betreur tevens dat het actieplan heel veel versnipperde maatregelen meebrengt en niet te gronde gaat.

Wat hebben we nodig om schooluitval aan te pakken? We moeten erg vroeg ingrijpen. We moeten investeren in het kleuteronderwijs, en zorgen voor zo klein mogelijke klassen. Er is nood aan goede studiebegeleiding en meer praktijkervaring en stages in het secundair onderwijs, ook voor leerlingen van het aso. Onlangs nog werd in een studie aangetoond dat dit laatste erg nuttig is voor het aanscherpen van de arbeidsattitude en de vaardigheden van jongeren. Ten slotte is er nog het aspect ‘leren en werken’. Ik denk dus dat het actieplan een maat voor niets is. Deze regering heeft veel te lang getalmd om dit probleem ernstig aan te pakken. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, ik heb wel degelijk goed geluisterd naar het antwoord van de minister. In het Vlaamse Gewest bedraagt de schooluitval 8,7 procent. Dat is een beter cijfer, maar laat me duidelijk zijn: het is nog steeds 8,7 procent te veel. Actie blijft nodig. Ik heb nog twee bekommernissen. Een: de cijfers leren ons dat er een grote correlatie is tussen de gebezigde thuistaal en de schooluitval. Hoe pakken we dat aan? Het Masterplan Secundair Onderwijs geeft daar ten dele een antwoord op. Twee: ik treed mevrouw Idrissi bij wanneer ze stelt dat het probleem in Brussel zeer ernstig is. Als het in Brussel overkookt, laten de gevolgen zich voelen in de Rand en in het hele Vlaamse Gewest. In elk geval vraag ik dat op de leerplichtcontroles wordt toegezien, en dat wordt nagegaan hoe Vlaanderen kan bijdragen tot het terugdringen van de schooluitval.

De voorzitter

De heer Van der Taelen heeft het woord.

De heer Luckas Van Der Taelen

Voorzitter, minister, collega's, er wordt hier gezegd dat op de tafel moet worden geklopt. Helaas moet er op veel tafels tegelijk worden geklopt. De Vlaamse Gemeenschap draagt een enorme verantwoordelijkheid in Brussel. Dat is een goede zaak. Het succes van het Nederlandstalig onderwijs heeft een groot collateraal gevolg. Het is een goede zaak dat we steeds meer Brusselse jongeren aantrekken, maar bij die jongeren zijn niet veel Nederlandstaligen. Om die situatie aan te pakken, moet men dat samen met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest doen. We hebben het er al over gehad, en ik weet dat u van goede wil bent en dat ook wilt doen. Maar naar mijn gevoel wordt hier iets te veel gezegd dat er potjes overkoken. Als men dat te veel zegt, zal dat op een dag ook echt gebeuren, en dan zullen we naar elkaar kijken en beseffen dat we te weinig hebben ondernomen om dat te voorkomen. Uw mandaat loopt ten einde, maar een volgende regering zal het toch niet bij woorden alleen mogen laten. We mogen het niet alleen hebben over onze verantwoordelijkheid voor onze eigen scholengroepen, maar moeten een structurele aanpak op het niveau van het gewest, samen met de Franse Gemeenschap, nastreven.

De voorzitter

Mevrouw Van Steenberge heeft het woord.

Mevrouw Gerda Van Steenberge

Voorzitter, minister, collega's, ook al is de schooluitval in Vlaanderen gedaald, het blijft een probleem, en zeker in Brussel is dat zo. We mogen dat niet onder het tapijt vegen.  Ik heb twee vragen die inmiddels al zijn gesteld, maar wil het belang ervan toch benadrukken. In het kader van vijftig jaar migratie werd vorige week mevrouw Mieke Van Hecke geïnterviewd. Ze zei dat de kennis van het Nederlands erg belangrijk is, ook om schooluitval te voorkomen. Wordt dit opgenomen in de negentien acties waarover u het al had? Mijn tweede vraag sluit aan bij wat de heer Van Der Taelen al zei. Hoe ver staat het met een gecoördineerde aanpak onder leiding van de minister-president van Brussel?

Minister Pascal Smet

Voorzitter, collega's, ik ben het uiteraard met iedereen eens om te stellen dat het cijfer van 8,7 procent – op een andere manier berekend, komen we uit op 11 procent – te hoog is. We hebben dus geen enkele reden om ons op de borst te kloppen en te zeggen dat we het veel beter dan Wallonië en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest doen.

Dat is de reden waarom we het secundair onderwijs willen hervormen. Er is naar verwezen. Ik ben het absoluut eens met de heer De Meyer dat we ook heel het systeem van leren en werken, het deeltijds werken en het deeltijds beroeps secundair onderwijs als een volwaardige leerweg moeten opnemen in ons onderwijs. U weet dat we volop bezig zijn met de evaluatie. De evaluatie van het nieuwe decreet, dat nog niet zo oud is, komt een beetje vervroegd. We willen op basis van die evaluatie de juiste conclusie trekken om bij de uitrol van de hervorming van het secundair onderwijs het deeltijds beroeps secundair onderwijs als een volwaardige leerweg te beschouwen en niet, zoals vandaag veel te vaak het geval is, te behandelen als de ultieme oplossing voor probleemgevallen. Het moet niet negatief maar juist positief geduid worden. Ik ben het daar absoluut mee eens.

Ik ben het ook absoluut eens met diegenen die zeggen dat taal heel belangrijk is. Maar, voorzitter, ik wil er toch even op wijzen dat ik hier drie jaar geleden ben begonnen met dat op de agenda te plaatsen. Ondertussen heeft dit parlement door middel van decreetgeving mogelijk gemaakt dat we vanaf september 2014 alle kinderen in Vlaanderen en in Brussel op 6- en 12-jarige leeftijd zullen screenen op hun taalkennis. Niet om slechte punten te geven, maar om in te schatten wat hun niveau van het Nederlands is, en om dan te kunnen remediëren. Ik wil u erop wijzen dat voor alle kinderen taalbadklassen tot één jaar mogelijk zullen worden, dat er extra Nederlands buiten de schooluren zal kunnen worden gegeven. Ja, mevrouw Van Steenberge en anderen, het talenaspect is zeer belangrijk, meer nog, het is decretaal ingeschreven en het treedt in werking vanaf september 2014. Dat is ook niet zonder slag of stoot gegaan. Destijds hebben sommigen hier zich daar sceptisch over geuit. Wel, het is ook gerealiseerd en het zal worden uitgevoerd.

Mijnheer Van Der Taelen, ik ben het met u eens wat betreft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Dit is typisch iets wat op het niveau van het gewest moet worden gecoördineerd. Wij hebben dat geprobeerd, u weet dat. Wij hebben willen aanporren, wij hebben het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gevraagd om zijn verantwoordelijkheid op te nemen. Wij hebben de minister-president gevraagd om de twee gemeenschappen, maar ook alle gemeenten, OCMW’s en alle diensten die er zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest rond de tafel te zetten. Wij hebben voorgesteld om een zeer concreet actiegericht actieplan op te stellen, waarbij alle neuzen in dezelfde richting worden gezet, waarbij we maximaal samenwerken. Ik kan alleen maar samen met u vaststellen dat de Vlaamse Gemeenschap de afgelopen vijf jaar voortdurend die hand gereikt heeft. Ook in materies waarin het gewest niet bevoegd is, zoals Onderwijs, hebben wij gezegd, niet alleen met betrekking tot de capaciteitsproblematiek maar ook met betrekking tot de spijbelproblematiek, de leerlingencontrole en noem maar op, dat wij dat samen moeten doen. Maar het is nogal wiedes, zoals u terecht zegt, dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de coördinatie daarvan in handen neemt. Eigenlijk is de minister-president een superburgemeester. Zoals een burgemeester in een andere gemeente of stad in Vlaanderen dat zou doen, zou hij de coördinatie daarvan in handen moeten nemen. Dat is niet gebeurd. Ik ben het absoluut met u eens dat diegenen die in Vlaanderen of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de meerderheid vormen dat engagement mee in het regeerakkoord moeten opnemen.

Voorzitter, ik wil nog verder gaan. Het zit ten dele ook in het actieplan. We moeten in de komende jaren niet meer van hetzelfde doen. We hebben extra middelen gegeven aan de scholen. We omkaderen meer. We geven meer werkingsmiddelen. We ondersteunen. De tijd is gekomen voor een andere benadering of voor een doorgedreven benadering. We moeten lokale actieplannen krijgen onder leiding van een burgemeester, per stad, per gemeente of per gewest in het geval van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Die moeten alle actoren rond de tafel zetten. Dat is meer dan de onderwijsactoren. Dat zijn ook de welzijnsactoren. Volgens mij moet je rond die scholen een heel netwerk uitbouwen, van opvoedingsondersteuners tot ouders. Die ouders hebben ook ondersteuning nodig. Dat betekent ook: huiswerkklassen voor kinderen die buiten de schooluren extra ondersteuning willen. We moeten  ook de extra mogelijkheden die er zijn kenbaar maken. We moeten dus rond die scholen geen vangnet maar een ondersteuningsnetwerk uitwerken. Wie moet daar opnieuw de coördinatie opnemen? Opnieuw hetzij de burgemeester hetzij de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest omdat je niet alleen de onderwijsactoren maar ook de welzijnsactoren en de gemeentelijke actoren samen in één richting moet laten gaan.

We moeten ook voortzetten wat we met die pIE.O-projecten (project Innoveren en Excelleren in Onderwijs) hebben opgestart in het basisonderwijs, waar de basis wordt gelegd. In de steden waar zoveel kinderen met een ander referentiekader en een migratieachtergrond opgroeien, moeten we hun referentiekader gebruiken als uitgangspunt en niet het Vlaamse middenklassemodel, zoals we in de steden nog te veel doen. Daarom zijn we met het pIE.O begonnen in Antwerpen, Gent, Brussel en de mijnstreek, om te overtuigen – want de scholen hebben autonomie – om het over een andere boeg te gooien.

Als we al die andere maatregelen doorgedreven uitvoeren, zullen we er de komende jaren volgens mij wel komen.

De heer Jos De Meyer

Vlaanderen doet het beter dan Wallonië en dan Brussel. Uit de recentste cijfers voor 2013 die ik heb gezien, blijkt echter dat Vlaanderen er in vergelijking met 2012 licht op achteruitgaat. Er is dan ook geen reden tot zelfgenoegzaamheid.

Wat de aanpak betreft, ben ik het ermee eens dat dit een gezamenlijke opdracht van alle overheden is. Dit geldt echter ook voor het bedrijfsleven en de werkgevers. Ook de ouders mogen we vast en zeker niet vergeten.

Soms vraag ik me af of we de jongeren zelf niet sterker moeten responsabiliseren. Is het fout aan de invoering van een kwalificatieplicht te denken? We moeten hier minstens een discussie over voeren. Op die manier sanctioneren we de jongeren niet. We beschermen hen beter om later sterker in de samenleving te staan.

Mevrouw Yamila Idrissi

Minister, ik dank u voor uw zeer omstandig antwoord. Ik ben zeer blij met dit antwoord en dan zeker met uw standpunt dat er meer huiswerkklassen moeten komen. Ik ben zelf een product van huiswerkklassen die vele jaren geleden zijn georganiseerd.

Ik ben ook blij met de initiatieven die u met betrekking tot de proeftuinen hebt genomen. Volgens mij is het zeer belangrijk na te gaan hoe we een ander referentiekader kunnen creëren.

Volgens de heer Van Der Taelen moeten we op vele tafels tegelijk kloppen. Ik ben het daarmee eens. Vandaag is in De Morgen de noodkreet van de heer Van de Ven verschenen. In zijn uithaal in verband met de jeugdwerkloosheid stelt hij zich de vraag hoe de laaggeschoolde jongeren die in de schooluitval zitten, aan werk kunnen geraken. Volgens hem wil de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de perceptie creëren dat ze iets aan de jeugdwerkloosheid doet. De realiteit is echter anders. Ik hoop, samen met de heer Van Der Taelen, ook in Brussel op tafel te kunnen kloppen. (Applaus van de heer Luckas Van Der Taelen)

De voorzitter

Mevrouw De Knop, ik heb u daarstraks wat meer tijd gegeven. De minister heeft uw vragen beantwoord. U hebt gedurende vijf minuten niet geluisterd. U hebt een onderhoud gehad met de heer Lachaert, waarschijnlijk over de verkiezingen in Brabant of in Oost-Vlaanderen. Ik vind het, met alle respect, van elementaire beleefdheid getuigen dat wie een minister een vraagt stelt, ook naar het antwoord van de minister luistert. Anders moet u maar in het Koffiehuis gaan zitten en de minister geen vragen stellen. (Opmerkingen van minister Pascal Smet en de heer Peter Reekmans)

Mijnheer Reekmans, u hebt daar soms ook last van. (Opmerkingen van de heer Peter Reekmans)

Soms stellen Vlaamse volksvertegenwoordigers hier vragen zonder de moeite te doen naar het antwoord te luisteren. U kunt hier hard om lachen. Ik vind dat beneden alle peil. Moeten hier gedurende drie uur vragen worden gesteld als niet naar de antwoorden wordt geluisterd? Ik kan mijn tijd op betere manieren doorbrengen.

De actuele vragen zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.