U bent hier

Dinsdag 25 februari zijn de website en de webservices niet beschikbaar

Op dinsdag 25 februari zijn de website www.vlaamsparlement.be en de webservices niet beschikbaar.
Er is een technisch onderhoud van alle informaticasystemen.
De werken starten om 09:00u en duren waarschijnlijk de hele dag.
Om de impact van de onderhoudswerken te beperken, is dit in het krokusreces ingepland.
Onze excuses.

De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2014.

De voorzitter

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Wij bespreken nu het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Ik verneem dat mevrouw Vogels ziek is.

Mevrouw Jans heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, ook in het laatste jaar van de legislatuur kan ik stellen dat het beleidsdomein Welzijn een van de weinige beleidsdomeinen  is waarvan de budgetten werden en worden gevrijwaard, en er zelfs in extra geld is voorzien. De in betere tijden vooropgestelde groeipaden worden voor dit beleidsdomein onverminderd gehandhaafd. Ook in 2014 zal de Vlaamse Regering besparen om een begroting in evenwicht voor te leggen, maar ook dit jaar heeft zij opnieuw, ondanks de besparingen, duidelijk gekozen voor de welzijns- en gezondheidssector, voor extra budgetten, daar waar het nodig is.

Onze fractie steunt deze keuze ten volle. Een goede begroting is er ook een die prioriteiten stelt. En ook dat is dit jaar gebeurd. Voor kinderopvang stijgt het budget opnieuw, en wel met 13,8 miljoen euro. Het overgrote deel hiervan is voor bijkomende plaatsen. In deze legislatuur ging 110 miljoen euro extra naar kinderopvang, een terechte keuze. Ook andere decreten werden goedgekeurd en worden uitgevoerd. Mijn spreektijd laat me niet toe om ze allemaal op te sommen, maar ik wil het toch even hebben over het decreet Preventieve Gezinsondersteuning, dat alle betrokken partners bijeenbrengt in de Huizen van het Kind.

Vandaag zijn er tal van organisaties die ouders en kinderen ondersteunen bij het beantwoorden van vragen, maar nog te vaak werken deze diensten los van elkaar. Een Huis van het Kind is een lokaal netwerk dat al deze initiatieven bundelt. Dat  gebeurt niet noodzakelijk overal met hetzelfde aanbod, want Lanaken is Antwerpen niet. Maar het gebeurt wel overal als herkenbare ontmoetings- en ondersteuningsplaatsen voor alle ouders. Gisteren lazen we in de krant dat bepaalde centrumsteden, en Genk in het bijzonder, daarmee meteen van start gingen: één plek waar alle betrokken partners alle dienstverlening voor ouders en kinderen centraliseren.

Ik zou willen afsluiten met de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap. In 2014 wordt opnieuw meer geld vrijgemaakt voor uitbreiding: 27 miljoen euro. Deze regering investeerde 145 miljoen extra ten bate van het gehandicaptenbeleid. Het gaat om extra geld, bovenop de recurrente budgetten. Ook dit bedrag gaat voornamelijk naar uitbreiding. Met dit geld kunnen we voor meer dan 4500 personen met een handicap ondersteuning en zorg mogelijk maken. In de gehandicaptensector evolueren we naar een vraaggestuurde zorg en een persoonsvolgende financiering.

Enkele jaren geleden zou men dat voor onmogelijk hebben gehouden. Meer nog, de oppositie hield het voor onmogelijk. Toch komt het ontwerp van decreet over enkele weken naar onze commissie. De opzet is en blijft om in 2020 enerzijds zorggarantie te garanderen en daarnaast vraaggestuurde zorg aan te bieden in een inclusieve samenleving.

Met de invoering van de persoonsvolgende financiering zetten we die cruciale stap in de omslag naar een beter systeem. Bij vraaggestuurde hulp is maximale zelfsturing belangrijk. Precies dat is de sterkte van wat voorligt. Er kan op maat worden gewerkt. Het is niet langer alles of niets. De persoon met een handicap wordt volkomen centraal gesteld. Ik kijk uit naar het debat, maar ik geloof in de fundamentele doelstellingen van dit ontwerp van decreet en ben overtuigd van het feit dat deze ingrijpende verandering nodig is.

Er is veel zinvol werk verricht in de welzijns- en gezondheidssector. De bakens voor de toekomst zijn uitgezet, niet in plannen of voornemens, maar in decreten. Enkele grote tankers zijn van koers veranderd, een fundamenteel andere richting ingeslagen: de zorg voor mensen met een handicap, voor onze ouderen, voor gezinnen met vragen of jongeren in moeilijkheden, voor kinderopvang. Elke begroting en elke begrotingscontrole opnieuw werden de beloofde en vooropgestelde budgetten gevrijwaard. Onze fractie ziet hierin een investering in een warm en zorgzaam Vlaanderen en steunt daarom ten volle de gemaakte keuzes en deze begroting.

De voorzitter

Mevrouw Van der Borght heeft het woord.

Mevrouw Vera Van der Borght

Voorzitter, minister, collega’s, vandaag is het moment om een beperkte evaluatie te maken van deze legislatuur op het vlak van welzijn. Ja, er is veel geld uitgetrokken voor de welzijnssector. De sector voor personen met een handicap kon rekenen op het grootste bedrag en ook kinderopvang kreeg een aardig deel. De bijzondere jeugdzorg kwam er wellicht het bekaaidst af.

Maar ik durf toegeven dat ondanks de budgettaire krapte, de welzijnssector op heel wat extra middelen kon rekenen. Ja, er is zware decretale arbeid geleverd. Er is nauwelijks een domein ontsnapt aan de Vlaamse regeldrift. Alle belangrijke domeinen –kinderopvang, integrale jeugdhulp, gehandicaptenbeleid – konden rekenen op een drastische decretale koerswijziging. Voor ouderenzorg deden we dat op het einde van de vorige legislatuur. Maar ook de minder gekende bevoegdheden in ons domein zoals interlandelijke adoptie, de centra algemeen welzijnswerk, het welzijnsbeleid voor gedetineerden, de preventieve kinderzorg kwamen aan bod.

Ja, minister, u introduceerde met veel bravoure het begrip van de vermaatschappelijking van de zorg. Dat betekent dat mensen niet alleen op de overheid moeten rekenen, maar ook kijken wat ze zelf kunnen en wat hun omgeving kan doen. Op zich is dit een waardevol principe.

Elk nadeel heb zijn voordeel, zei de voetballer Johan Cruijff. Dat geldt ook in Welzijn. De budgettaire krapte heeft ons behoed voor de invoering van de Vlaamse sociale bescherming, het zelfbevredigingsdecreet van deze regering zoals ik het noem, dat voorzag in pakken nieuwe uitgaven, terwijl we de meest essentiële taak van een overheid – de zorg voor mensen met een zware afhankelijkheid – niet kunnen waarmaken. De budgettaire krapte heeft ons dus teruggebracht bij de eerste uitdaging voor deze regering, het wegwerken van de wachtlijsten.

In de afgelopen vier jaar heb ik ondanks dit alles vaak op het nee-knopje geduwd in deze plenaire vergadering. De wachtlijsten bleven en vaak groeiden ze nog. Wachtlijsten zijn er in alle sectoren, de meest gekende in de gehandicaptensector, maar evengoed in de geestelijke gezondheidszorg, de bijzondere jeugdzorg, de ouderenzorg. In al deze sectoren gaat achter elk dossier een drama schuil, een menselijk drama.

We hebben veel geld geïnvesteerd, maar we hebben veel kansen onbenut gelaten. De Vlaamse Regering heeft er duidelijk voor gekozen het private initiatief de nek om te draaien.

De ouders van kinderen met een handicap zijn bereid financiële inspanningen voor hun kinderen te leveren. Tegelijkertijd bieden ze ook andere kinderen kansen. Meer dan andere ouders beseffen zij dat hun kind enkel gelukkig kan zijn indien het ook sociale contacten heeft. De Vlaamse Regering heeft die ouders in de kou laten staan. Liever dan met hen een experiment op te zetten en na te gaan hoe we met private initiatieven kunnen omgaan, heeft de minister experimenten van de voorzieningen toegelaten.

Ik voer geen hetze tegen de voorzieningen. Veel voorzieningen leveren schitterend werk en liggen mijlenver voor op het beleid. Er is geen reden waarom andere initiatieven niet ook kunnen bestaan. Met private initiatieven leren omgaan, had voor de sector van de personen met een handicap een belangrijke meerwaarde kunnen betekenen. Dit geldt trouwens ook voor de ouderenzorg en de kinderopvang. Die grootsheid en dat inzicht ontbreken totaal in de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering zet liever iemand meer op de wachtlijst dan private initiatieven toe te laten.

Dit brengt me naadloos bij mijn tweede punt. De Vlaamse Regering heeft naar aanleiding van zowat elk decreet verklaard de overgang van een aanbodgestuurd naar een vraaggestuurd model te maken. Het blijft echter ‘Gott mit uns’. In Vlaanderen blijven we vanuit het aanbod werken. In de kinderopvang subsidiëren we nog steeds de voorzieningen en niet de ouders. Nochtans zou op die wijze rekening kunnen worden gehouden met het inkomen en de draagkracht van de gezinnen. We zouden die gezinnen tevens toelaten de opvang te zoeken die bij hen past.

Met betrekking tot de gehandicaptensector zullen we de komende maanden een ontwerp van decreet betreffende de persoonsgebonden financiering bespreken. Wie dat budget ontvangt, kan het echter enkel aan handicapspecifieke zorg besteden. Misschien worden de noden het best gelenigd met een combinatie van handicapspecifieke en reguliere zorgverstrekking. We kijken hier steeds naar het aanbod en niet naar wat personen met een handicap nodig hebben.

De Vlaamse Regering heeft een diepgeworteld wantrouwen in de gebruiker. We vinden het heel erg dat hij ervan wordt verdacht het systeem te misbruiken. We gaan uit van de kwalitatieve zorg in de voorzieningen. We twijfelen echter aan de kwaliteit van de zorgverleners in een thuissituatie. Ondertussen zetten we iedereen er echter toe aan die zorg op zich te nemen.

Mantelzorgers verdienen dat wantrouwen niet. Ze werken 24 uur per dag en zeven dagen per week. Ze vallen ten prooi aan depressies omdat de situatie uitzichtloos is of lijkt. Ze moeten met een verlieservaring leren leven. Ze moeten zelf op zoek naar de premies, de voordelen en de tegemoetkomingen waar ze recht op hebben. De Vlaamse Regering slaagt er immers niet in ze automatisch toe te kennen. Als beloning krijgen die mensen dan het wantrouwen van de Vlaamse Regering. Het is intriest.

Tot slot rest me nog de ontgoocheling dat de Vlaamse Regering gedurende vier jaar heeft geweigerd de budgettaire kostprijs van decreten voor de stemmingen mee te delen. Er zijn hier decreten goedgekeurd waaruit blijkt dat de ideale wereld moet worden uitgevonden en die met een blanco cheque gepaard gaan. In budgettair moeilijke tijden is dit pure misleiding.

De volgende Vlaamse Regering en de volgende minister van Welzijn zullen het geld moeten zoeken om al die zaken te financieren of zullen de decreten tot realistische proporties moeten herleiden. Anders geformuleerd, zullen ze prioriteiten moeten stellen. Ik wens de volgende minister van Welzijn dan ook heel veel moed toe. (Applaus bij Open Vld en van mevrouw Veerle Heeren)

De voorzitter

Mevrouw De Wachter heeft het woord.

Mevrouw Else De Wachter

Voorzitter, ik zal ook de bekommernissen van mevrouw De Vits verwoorden. Ik zal dan ook iets meer tijd dan de geplande drie of vier minuten gebruiken.

Minister, het begin van deze legislatuur was niet eenvoudig. We moesten vooral rekening houden met de economische crisis. Vlaanderen heeft dit gedaan maar heeft gedurende de afgelopen jaren verder geïnvesteerd in welzijn. Er is al naar verwezen: we zijn er ook in geslaagd belangrijke wijzigingen aan te brengen in het beleid. Ik denk maar aan het decreet op de integrale jeugdhulp, het Perspectiefplan 2020, de wijzigingen in het kinderopvanglandschap, de fusie van de CAW’s of de Huizen van het Kind. Met de laatste beleidsbrief gaat u verder op de ingeslagen weg. U vraagt ons om verder te blijven investeren in welzijn. Mijn fractie zal hier vandaag haar fiat aan geven, minister.

Toch zijn er nog een aantal zaken die voor sp.a in het komende jaar bijkomende aandacht verdienen. Ik zal me niet toespitsen op de gehandicaptenzorg omdat de heer Van Malderen daar deze voormiddag reeds uitgebreid over sprak.

Ik wil het hebben over de rol van de lokale besturen. Met het lokaal loket kinderopvang en het decreet op de preventieve gezinsondersteuning bevestigen we de belangrijke rol van de lokale besturen in het lokaal welzijnsbeleid. De opdrachten die we hierbij geven aan de lokale besturen, brengen extra kosten en middelen mee, die moeten worden ingezet. We moeten vooral in de gaten houden dat dit haalbaar blijft voor de lokale besturen, zo niet dan moeten we zorgen voor andere ondersteuning zodat er voldoende slagkracht is bij de gemeenten.

In de kinderopvang komen er extra plaatsen, maar we moeten ook eindelijk eens werk maken van een ander aspect. Voor de sector moet het duidelijk zijn dat er aan twee zaken wordt gewerkt: meer kinderopvang en kwaliteitsvolle kinderopvang. Zo moet alle kinderopvang aan dezelfde eisen voldoen qua kwaliteit en veiligheid, en dat is nu eindelijk gerealiseerd. De laatste tijd zijn er wel wat sluitingen van zelfstandige kinderopvang. Ik ben het ermee eens dat het vooral te maken heeft met de verlaging van het federale kostenforfait. Dat is een federale beslissing waar wij weinig aan kunnen doen. Hebt u hierover al contact gehad met uw federale collega’s?

Ik begrijp best dat niet alles van vandaag op morgen kan veranderen, maar er zijn toch nog heel wat vragen uit de sector waar we aandacht aan moeten besteden. Men moet als opvang nu zelf het geld halen bij de ouders. Vroeger inde Kind en Gezin de ouderbijdragen, maar stortte die sowieso al aan de kinderopvang. We moeten rekening houden met de zekerheid van hun inkomsten. Er zijn nog heel wat concrete vragen die een antwoord verdienen in de komende maanden, zoals over het facturatiesysteem.

Zal Kind en Gezin de evolutie op het terrein verder opvolgen om te zien wat het effect is van de invoering van de uitvoeringsbesluiten? We moeten verder klaarheid scheppen inzake het statuut van de onthaalouders.

We hebben het decreet over de Huizen van het Kind goedgekeurd, maar ook daar kregen we al belangrijke signalen voor de verdere uitrol. We moeten daar rekening mee houden als we de uitvoeringsbesluiten vorm geven. Het gaat daarbij onder meer over het omgaan met de privacy van de mensen. Dat is in dit dossier en in andere zeer belangrijk.

Minister, we krijgen binnenkort veel meer mogelijkheden om een coherent ouderenbeleid te voeren door de staatshervorming. Maar we weten nu al dat we een tandje bij moeten steken. We zullen de zaken moeten combineren. We zullen in de toekomst verder moeten inzetten op betaalbare kwaliteitsvolle residentiële capaciteit en op de vereiste thuiszorg voor degenen die thuis willen blijven wonen. De commissie Welzijn is hierover volop in debat.

We zullen in de komende weken aan de slag kunnen rond dit thema. We hebben daarbij aandacht voor de vermaatschappelijking van de jeugdzorg.

In de jeugdzorg is er toch enige bezorgdheid over de positionering van Crisishulp aan Huis (CAH) in het nieuwe jeugdhulplandschap. Het is belangrijk om daarover duidelijkheid te creëren. Minister, op 18 november was er op Vlaams niveau een vergadering van de intersectorale administratieve werkgroep met als thema de positionering van de diensten. Wat werd besloten tijdens dit overleg?

Er is ook de impact van de staatshervorming. Ik moet het blijven herhalen omdat het zo belangrijk is: we moeten in het kader hiervan snel duidelijkheid hebben over het personeel. Ik denk aan de federale detentiecentra, en aan Everberg en Tongeren. Het komt nu stilaan dichterbij. Minister-president Peeters antwoordde op mijn vraag dat er op 27 november meer duidelijkheid zou komen. Is dit ondertussen zo? Kunt u er wat meer zicht op geven? 

Wat betreft de interlandelijke adoptie kan ik alleen maar verheugd zijn dat wij, zoals is bepaald in het decreet, dit jaar de discussie hebben kunnen aanvatten over het jaarverslag. Daar, en ook in de contacten met de sector, zijn een aantal zaken naar boven gekomen. We zien dat er een aantal problemen zijn. Ik dring erop aan dat wij voor het paasreces nog het jaarverslag adoptie 2013 kunnen bespreken. 

Ik wil nog iets zeggen over iets wat niet rechtstreeks in de begroting of de beleidsbrief is terug te vinden: de vrijwilligers. Zij staan elke dag mee in voor de vermaatschappelijking van de zorg. Wij moeten hen daarin verder blijven steunen. Wij moeten hen ook bedanken voor de inzet. Dit zal in de toekomst voor het welzijnsbeleid alleen maar belangrijker worden.

De voorzitter

Mevrouw Stevens heeft het woord.

Mevrouw Helga Stevens

Minister, collega’s, deze legislatuur nadert de eindstreep. Er is de voorbije jaren binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin heel wat voorbereidend en decreetgevend werk geleverd op basis van de krachtlijnen van het regeerakkoord. Deze Vlaamse Regering heeft de tering naar de nering gezet, maar heeft daarbij het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin niet alleen ontzien, maar er ook extra in geïnvesteerd omwille van de grote noden die er bestaan.

27 miljoen euro wordt in 2014 gereserveerd voor uitbreiding binnen de sector voor personen met een handicap. Hiermee komt de teller op 146 miljoen euro extra investeringen gedurende deze legislatuur, enkel en alleen voor de sector personen met een handicap. Daarnaast zal dit jaar in 9 miljoen euro extra worden voorzien voor de sector van de kinderopvang, wat toch ook niet min is. Eerdere uitbreidingsbewegingen binnen jongerenwelzijn worden ook dit jaar voortgezet. Globaal gezien zal de begroting voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin met meer dan 30 procent zijn gestegen, wat toch niet weinig is als we weten dat de globale Vlaamse begroting met 11 procent is gestegen.

Naast de grote financiële inspanning maakte deze regering ook werk van nieuwe regelgeving ten einde optimaal te kunnen inspelen op de gewijzigde omstandigheden. Daarbij sloeg de Vlaamse Regering binnen de verschillende sectoren een nieuwe weg in. Hierbij denken we aan de integrale jeugdhulp, waarbij de jeugdhulpaanbieders veel meer en flexibeler zullen moeten samenwerken met het oog op de ondersteuning van kwetsbare kinderen en jongeren.

Voor de sector van de kinderopvang start begin april 2014 een nieuw hoofdstuk met de uitvoering van het nieuwe kaderdecreet Kinderopvang. Hierdoor zal het sterk versnipperde landschap overzichtelijker worden. Daarnaast maakten we ook werk van een duidelijk kader voor preventieve gezinsondersteuning.

Het algemeen welzijnswerk onderging een hervorming, waarbij elf erkende CAW’s overbleven met een aanbod dat beter zal beantwoorden aan de noden van de mensen die bij de CAW’s aankloppen. Dit parlement keurde een decreet Pleegzorg goed en zal zich de komende maanden buigen over het ontwerpdecreet met betrekking tot persoonsvolgende financiering, dat voor een kentering moet zorgen binnen de sector voor personen met een handicap. Er is dus al heel veel werk achter de rug, maar ook nog heel wat te gaan.

Vlaanderen reorganiseerde ook op het vlak van Welzijn de bevoegdheidsverdeling tussen de drie niveaus via de interne staatshervorming. Er is nu een duidelijkere taakverdeling tussen de steden en gemeenten, de provincies en de Vlaamse overheid, waardoor wij overlappingen kunnen vermijden en werk kunnen maken van meer efficiëntie bij de diverse overheden.

Onze fractie zal er mee over waken dat verder op die nieuwe weg wordt ingegaan. In overleg met alle betrokken partners en sectoren moet de uitvoering van het nieuwe regelgevende kader zo optimaal mogelijk worden aangepakt op het terrein. Het doel moet altijd zijn dat we tot een betere, efficiëntere en vooral kwaliteitsvollere dienstverlening op het vlak van welzijn komen. Structuren en zo meer zijn daarbij maar een middel en zeker geen einddoel.

Uiteraard blijft er nog steeds heel veel werk aan de winkel. 21.000 tot 22.000 personen met een handicap wachten bijvoorbeeld nog altijd op ondersteuning. Daar zijn wij ons allemaal zeer goed van bewust, en we willen zeker onze schouders eronder zetten om ook die mensen zo snel mogelijk te helpen. We hebben daartoe reeds stappen gezet, maar we moeten er nog meer zetten.

Beste collega’s, ik zal nu in de plaats van collega Lies Jans een betoog over armoedebestrijding houden. De context is belangrijk. Is er te veel armoede in Vlaanderen? Natuurlijk. Zijn we tevreden met de resultaten die we boeken? Een voorzichtige ja, maar het kan en moet altijd beter natuurlijk, zeker als we over zo’n delicaat onderwerp spreken.

We mogen niet blind zijn voor de terreinen waar de resultaten vandaag, ondanks de geleverde inspanningen, nog niet zichtbaar zijn. Het voorbeeld daarvan dat de laatste maanden het meest in de actualiteit is geweest, is het aantal kinderen dat opgroeit in armoede. Dat aantal ligt te hoog en blijft stijgen, ondanks de doelstelling van deze Vlaamse Regering om het aantal kinderen in armoede zwaar terug te dringen tegen 2020.

De N-VA is nooit een fan geweest van projectoproepen als middel om kinderarmoede te voorkomen en te bestrijden. De middelen zijn schaars en het lijkt ons dan ook verstandig om die in te zetten op een manier die maximaal positieve langetermijneffecten garandeert. In die zin waren we dan ook verheugd dat minister Lieten tijdens de bespreking in de commissie ons verzekerde dat zij de projectmatige en veelal curatieve aanpak op lokaal vlak wil omzetten in een structurele aanpak die preventie centraal stelt. Zo voorziet de begroting 2014 in een bedrag van 4,5 miljoen euro voor de structurele verankering van het lokale kinderarmoedebeleid. In ruil voor Vlaamse steun moeten lokale besturen, in overleg met mensen in armoede, een beleid uitwerken, met concrete acties op diverse domeinen. Die nieuwe ontwikkeling zullen wij uiteraard met veel aandacht op de voet volgen.

Collega’s, we zijn aan de laatste maanden van deze legislatuur bezig: tijd om even vooruit te denken, ook wat armoedebestrijding betreft. De doelstellingen van de Vlaamse Regering in het kader van Vlaanderen in Actie en Pact 2020 rond armoede zijn heel ambitieus, maar nog altijd haalbaar volgens de N-VA. Wij stellen voor om de uitdaging van armoedebestrijding aan te gaan en de platgetreden paden resoluut te verlaten, indien blijkt dat resultaten uitblijven.

Armoedebestrijding is vandaag te vaak symptoombestrijding, die er niet in slaagt de fundamentele oorzaken van armoede aan te pakken. We moeten in de toekomst verder durven te kijken dan de buitenkant van armoede. Geen werk, slechte woning, weinig sociale participatie enzovoort zijn meestal ook gelinkt aan een laag zelfbeeld, gevoelens van machteloosheid, uitsluiting en schaamte. Die binnenkant van armoede moet in rekening genomen worden bij het zoeken naar een gepaste strategie om de armoedecirkel te doorbreken. Een sterk doorgedreven gepersonaliseerde aanpak, die het zelfvertrouwen van de betrokken personen weer herstelt, is dan ook onontbeerlijk. De overheid en de personen in armoede zijn samen verantwoordelijk om een gepast antwoord te vinden op de concrete situaties waarin mensen in armoede zich bevinden.

Tot daar de opmerkingen van de N-VA-fractie, dank u wel. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Mevrouw Franssen heeft het woord.

Mevrouw Cindy Franssen

Voorzitter, leden van de Vlaamse Regering, collega’s, het einde van de legislatuur nadert met rasse schreden. Ik zal dan ook inzoomen op een aantal recente tendensen waar we in de toekomst, nog meer dan in het verleden, rekening mee zullen moeten houden. We zijn deze legislatuur heel wat engagementen aangegaan om de armoede in Vlaanderen terug te dringen. En inderdaad, er zijn ook tal van goede initiatieven genomen die vervat zitten in het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (VAPA) en het Actieprogramma Kinderarmoede. De volledige round-up kunnen we begin volgend jaar maken met de laatste voortgangsrapportage van het VAPA. Ik hoop dat die cijfers dan ook positief zullen zijn.

Trimestrieel komt er een jaarverslag, jaarboek, studie of rapportage uit die ons dwingen tot monitoring. En ook daar toegegeven, de algemene armoedecijfers blijven vrij stabiel, zeker als we dit in een Europese context plaatsen. Ik heb echter steeds in de voorbije jaren de bekommernis geuit dat we onze streefcijfers, die we onszelf hebben opgelegd naar aanleiding van het Pact 2020, Vlaanderen in Actie en het Vlaams hervormingsprogramma, reeds deels in deze legislatuur moeten bereiken om te vermijden dat we alles doorschuiven naar een volgende legislatuur. Maar ik ben realistisch, minister Lieten, en besef dat de resultaten van het gevoerde beleid pas in de volgende legislatuur ten volle tot uiting zullen komen en dat de vruchten pas over enkele jaren kunnen worden geplukt. Hopelijk kunnen we bij de laatste bespreking van het VAPA de eerste positieve trends zien.

Hoewel we als regio Vlaanderen goed hebben standgehouden in de aanhoudende crisis, heeft die crisis, de economische gletsjer, ook diepere kloven getrokken. Vorig jaar werd reeds duidelijk dat de kloof tussen arm en rijk groter werd. Begin deze maand bracht OASeS haar nieuwste jaarboek uit. Ook de Studiedienst van de Vlaamse Regering bracht onlangs zijn jaarlijks rapport ‘De Sociale Staat van Vlaanderen’ uit. Beide jaarboeken focussen op die groeiende kloof: de kloof op het vlak van werkintensiteit, de digitale kloof, de gezondheidskloof.

Ik focus op twee kloven, ten eerste de kloof op de arbeidsmarkt. Is er ruimte voor kansengroepen op onze arbeidsmarkt? De toekomst zal moeten uitwijzen of positieve streefcijfers volstaan om hen kansen te geven op de arbeidsmarkt. Zijn er voldoende oplossingsstrategieën voor de integratie van mensen van buitenlandse afkomst in onze samenleving? Laten we ons eerbetoon aan Mandela in daden omzetten en de discriminaties op de arbeidsvloer aanpakken. Geen groter laudatio dan dat, durf ik te stellen.

Daarnaast is er de gezondheidskloof. Uit tal van studies blijkt dat de solidariteit wegebt. Met de zesde staatshervorming komen er heel wat bevoegdheden naar ons, onder andere in verband met ouderenzorg en chronisch zieken. In een volgende legislatuur moeten we daar nog meer op focussen. De ingeslagen weg van minister van Vandeurzen kan op mijn steun rekenen. Er is duidelijk een armoedetoets aanwezig in onder meer de gezondheidsdoelstellingen. Dit weekend tijdens de gezondheidsconferentie heb ik dat nog gehoord over het bevolkingsonderzoek naar kanker. Het is goed dat OASeS dit jaar inzoomt op de sociale herverdeling, de solidariteit en het draagvlak daarvoor.

De huidige regering heeft moeten standhouden in moeilijke tijden en zuurstof moeten geven aan onze economie, want er bestaat geen welvaartstaat op een economisch kerkhof. Nu er sprake is van een licht herstel, zal de uitdaging voor de toekomst erin bestaan de armoedekloof te dichten door sociale herverdeling en een einde te maken aan de tweedeling: de keuze van te veel en de keuze van te weinig. Of zoals Barack Obama het stelt, voorzitter: “Niemand zou moeten kiezen tussen ofwel zijn kinderen eten te geven ofwel ermee naar de dokter te gaan.” (Applaus bij CD&V)

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, ik wil u danken voor de discussie en voor uw bedenkingen. Ik begrijp, mevrouw Van der Borght, de vraag die u regelmatig stelt en anderen ook, naar meer vraagsturing in de welzijns- en zorgsector. Dat is een heel interessante oefening die we zullen moeten maken als bijvoorbeeld de residentiële ouderenzorg overkomt. Stemmen uit diverse hoeken, zoals Zorgnet op hun congres of de sociale partners, pleiten daarvoor.

Ik vind dat ook een zeer legitieme vraag, want het is een emancipatorische beweging en laat de mensen toe om zelf meer keuzes te maken en meer maatwerk te organiseren. Dat het aan de kant van de vraag een stimulans is om creatief en efficiënt te zijn, is een ernstig argument.

Wat ik denk dat niet juist is – en ik zal dat blijven herhalen –, is denken dat je met een rugzaksysteem na een diagnose of een indicatiestelling een soort van onzichtbare hand hebt – ik weet dat het voor de liberalen een visie op de samenleving is – die ervoor zal zorgen dat het aanbod zich op een zeer kwaliteitsvolle en efficiënte manier zal organiseren en dat de afstemming vanuit de ongelijke informatie tussen patiënt en verstrekker vanzelf verloopt. Dat is natuurlijk niet zo.

Van in de jaren 60 is er, ook in de ziekteverzekering, een beleid gevoerd waarbij de budgetbeheersing voor een deel ook wordt waargemaakt door bij het aanbod ook een aantal verwachtingen – kwaliteit, volume – te plaatsen. Het is niet juist om vraagsturing in het financieringssysteem echt in tegenstelling te plaatsen tot een stuk beleid dat ook op het niveau van het aanbod moet worden georganiseerd. Dat is alleen mogelijk – budgettair – als je dan aanvaardt dat je in een totaal open-endverhaal wilt terechtkomen. Dat is voor kinderopvang zo, dat is voor andere sectoren zo.

Als je zegt dat het een open-endverhaal is en dat je iedereen die rechten op die manier gaat toekennen en als je bereid bent er de budgettaire prijs voor te betalen, dan zijn er natuurlijk een aantal mogelijkheden. Maar zelfs dan blijft controle op de kwaliteit en toegankelijkheid een punt. Het is een heel interessant debat, maar het ene is niet noodzakelijk in tegenstrijd met het andere.

Zoals iedereen ben ik natuurlijk bezorgd over de evolutie in de zelfstandige kinderopvang. We hebben er al heel veel geld in gestoken, maar er moet nog een belangrijk stuk transitieproces worden afgelegd. De voortdurende oefening om het zo weinig bureaucratisch mogelijk te maken en na te gaan waar de regelgeving nog kan worden gesaneerd, moeten we blijven doen, en doen we ook de volgende weken nog eens opnieuw. Ik ontmoet de organisaties opnieuw om na te gaan wat er nog mogelijk is. Ik wil er kritisch genoeg voor zijn, ook voor onze eigen manier van aanpak, want we moeten nagaan wat voor die mensen haalbaar is.

Er zijn ook dingen – en dat weet u ook – die aan onze aandacht ontsnappen en aan onze bevoegdheid ontsnappen. Men heeft een circulaire onderhandeld met de fiscus. Er zijn vragen over gesteld. Mevrouw De Wachter vraagt of ik niet eens met de minister van Financiën contact kan opnemen. De waarheid is dat men door onze tussenkomst nog een heleboel zaken heeft rechtgetrokken. De circulaire die nu door de fiscus wordt gebruikt, is getekend door de bevoegde organisaties. Als blijkt dat er nog vragen zijn, dan ben ik altijd bereid om daarover te praten.

We hebben ook geprobeerd om actief te bemiddelen toen de cao’s moesten worden afgesloten. We gaan die dialoog niet uit de weg. We gaan echt uitzoeken wat mogelijk is.

Wat die circulaire betreft, hebben we echt ons best gedaan om wat er op de tafel lag, nog ten goede te keren, maar de circulaire is uiteindelijk door de betrokken organisaties getekend. U kunt dat lezen op hun website. Het betekent niet dat we het gesprek niet opnieuw moeten voeren om na te gaan wat we nog kunnen aanpakken.

De heer Van Malderen heeft een vraag gesteld over het PAB. Laten we daar ook alstublieft duidelijk over zijn: als we naar een persoonsvolgend financieringssysteem gaan met een cashbudget of een vouchersysteem, dan is het nogal evident dat de mogelijkheid om een PAB te organiseren als een paal boven water staat. Daar moet toch niet de minste discussie over zijn. Waarom zouden we in godsnaam die formule die door een aantal mensen echt wordt bepleit en wordt geapprecieerd, ineens niet meer mogelijk maken?

Je komt natuurlijk terecht in een context van nog meer mogelijkheden en nog meer maatwerk. Men kan combinaties maken: een deel dagopvang, een deel PAB. Alle mogelijke dingen worden mogelijk. Natuurlijk is die formule bruikbaar in het nieuwe regelgevend kader. We mogen de mensen echt niet de indruk geven dat er ook maar de minste discussie over bestaat.

Misschien kan ik nog even iets zeggen over privacy. Ik heb dit ook bij het decreet even aangehaald omdat er vragen over waren. Oorspronkelijk was het de ambitie van het decreet om wat de gegevensverzameling betreft, specifieke regels in het decreet op te nemen waardoor alle sectoren die samenwerken in de Huizen van het Kind, gevat zouden zijn door de nieuwe regels over gegevensdelen. De Raad van State was er kritisch over en zei dat we daarmee op het terrein kwamen van de privacyregelgeving. Daarop heeft de regering beslist om het allemaal te supprimeren en om gewoon vast te stellen dat alle sectoren die meedoen met de Huizen van het Kind, onder de gegevensdelingsregels zitten waar ze nu zitten en ze geen nieuwe, verruimde regelgeving op zich zien afkomen door het decreet Preventieve Gezinsondersteuning.

Er is één uitzondering gemaakt, en die betreft de gegevens die naar Kind en Gezin moeten gaan, maar die zijn aan een finaliteit gekoppeld, het is dus geen breed verhaal, maar enkel een doelgebonden regelgeving. Dat is blijven bestaan, maar alle andere stukken zijn uit het decreet weggehaald.

Open Vld stelde voor om de Huizen van het Kind in de Sociale Huizen te schuiven. Een reden waarom dat niet is gebeurd, is dat veel verenigingen, ook verenigingen waar armen het woord nemen, er absoluut voor pleiten om niet te stigmatiseren en om niet de indruk te geven dat de laagdrempelige preventieve gezinsondersteuning al direct een geproblematiseerd verhaal is, dat wie ernaartoe gaat, onmiddellijk bij een soort hulpverleningslogica terechtkomt. Dat is de reden waarom we het heel laagdrempelig en breed toegankelijk moeten doen. De argumentatie loopt gelijk met die over privacy. We moeten ervoor zorgen dat het voor de mensen geen enkel element bevat waardoor ze zouden kunnen denken dat het een speciale regeling is of dat het enkel iets is voor gezinnen met kinderen in moeilijkheden. We moeten dit heel breed opvatten.

In de vakliteratuur heeft dit een naam gekregen, dat weet u wel: eerst brede toegang, dan een beleid voor doelgroepen en dan een heel specifiek beleid voor echt specifieke probleemsituaties. Ik meen dat het een goede keuze was, want de Huizen van het Kind moeten zich echt op het vlak van preventie situeren en moeten breed gaan. De gezinsondersteuning is, ook in de strijd tegen de kinderarmoede, een absolute must de komende jaren.

De voorzitter

Minister Lieten heeft het woord. 

Minister Ingrid Lieten

Voorzitter, ik wil me nog eventjes richten tot degenen die het hebben gehad over armoede en kinderarmoede. Ik ben het ermee eens dat we op de voet moeten volgen of de maatregelen die we genomen hebben, de juiste zijn. We zijn vertrokken van een multidisciplinaire benadering, van het feit dat armoede het samengaan is van verschillende uitsluitingen en dat we daarop moeten inzetten.

We hebben tijdens deze legislatuur de prioriteit bij kinderarmoede gelegd, dat komt spijtig genoeg overeen met de stijging van het aantal kinderen die geboren worden in gezinnen die in armoede leven. Dat heeft natuurlijk te maken met een sociologische verandering. We hebben nu eenmaal veel meer eenoudergezinnen, en door de laatste studies is duidelijk aangetoond hoe groot hun kwetsbaarheid is: 38 procent van de eenoudergezinnen leeft aan de rand van de armoede. We zullen daar ook de volgende jaren nog mee geconfronteerd worden, en dit noopt ons ertoe om ons als overheid nog veel beter te organiseren. Tegelijkertijd zijn er ook de kinderen die geboren worden in gezinnen met een multiculturele achtergrond. De werkzaamheidsgraad is er soms laag en er is een gebrek aan opleiding. Ook kinderen die in die gezinnen worden geboren, dragen onze zorg weg.

Ik kijk ernaar uit om in de commissie het voortgangsrapport nog te bespreken zodat we er conclusies uit kunnen trekken en kunnen bekijken hoe het beleid in de toekomst moet worden bijgestuurd.

Mevrouw Vera Van der Borght

Minister Vandeurzen, ik dank u voor uw antwoord, maar ik had nog een paar puntjes graag even verduidelijkt. Zo heb ik duidelijk gezegd dat ik niet tegen de voorzieningen ben. Ik zet vraaggestuurd niet lijnrecht tegenover aanbodgestuurd. Wat ik wel steeds bepleit, is dat we als overheid moeten aanvaarden dat we het niet meer allemaal alleen kunnen doen, maar dat we elk initiatief dat zich aanbiedt, moeten ondersteunen, dat we er positief tegenover moeten staan. Laat me duidelijk zeggen dat ik dit nog steeds mis. Er worden wel stappen gezet in de goede richting, maar dat gebeurt te traag en te schuchter.

Ik heb vandaag een vraag om uitleg ingediend in de commissie over het probleem dat werd aangekaart door mevrouw De Wachter. Ik weet dan ook niet of die vraag zal worden aangenomen rekening houdend met het kleine debat dat nu wordt gevoerd over die federale beslissing. Voor het geval dat niet zo is, wil ik hier duidelijk zeggen dat we er niet omheen kunnen. De kranten staan elke dag vol van zelfstandige initiatieven die er de brui aan geven. U bent minister van Welzijn. Het moet u toch pijn doen om dit te moeten lezen. Ik ben blij dat u zegt dat u bereid bent om nog te doen wat mogelijk is. Ik wil er dan ook voor pleiten dat u zeker nog met de federale minister van Financiën zou bekijken wat er nog mogelijk is.

Ik ben me ervan bewust dat de sector dit heeft ondertekend. Maar zoals u zegt, was het in het begin veel slechter dan wat vandaag voorligt. Toch kunnen we niet naast de sluitingen kijken. Ik dacht dat Vlaanderen er alles aan doet om meer plaatsen te creëren. Als we nu vaststellen dat er meer sluiten, dan moeten we toch iets doen om erger te voorkomen.

Wat het persoonlijkeassisentiebudget (PAB) betreft, neem ik akte van uw antwoord. Minister, zal in de toekomst met het nieuwe decreet alles nog mogelijk zijn wat vandaag kan met een PAB?

Minister, u hebt me vernoemd in die zin dat u hebt verwezen naar het feit dat de liberalen ook vragen hadden over de Huizen van het Kind. Vraag was of er een nieuw huis moest komen. Wij waren daar een beetje tegen en wij vonden dat dit het best kon in het Sociaal Huis. U zegt dat dit wordt geassocieerd met mensen die in de problemen zitten. Dat is niet altijd het geval. Een Sociaal Huis had initieel de bedoeling een plaats te zijn waar iedereen terechtkon met om het even welke vraag om van daaruit te worden geholpen. Bij de bespreking van het decreet Huizen van het Kind heb ik nog verwezen naar minister Lieten die hier toen niet was, maar nu dus wel. Ik heb toen gezegd dat er nog een lokettenverkenner zou moeten komen om ons de weg naar de verschillende loketten te wijzen.

Minister Jo Vandeurzen

Wat die omzendbrief betreft, heb ik gemengde gevoelens bij de reacties daarop. Op het moment dat de onderhandelingen met de fiscus in een moeilijke situatie werden gevoerd, hebben we die contacten gelegd. Toen de omzendbrief werd gefinaliseerd, was er zelfs een appreciatie van de kant van de koepel over het geleverde werk. We proberen met man en macht achter de zelfstandige initiatiefnemers te staan in zo’n discussie, maar als er dan een omzendbrief wordt getekend, dan is het niet zo gemakkelijk ten opzichte van de fiscus om daarop terug te komen. U hebt echter van de minister-president gehoord dat de regering voor volgend jaar een aantal miljoenen euro extra heeft vrijgemaakt voor de zelfstandige kinderopvang. Ik wil echt het gesprek aangaan met die mensen om na te gaan hoe dit zo goed mogelijk kan gebeuren en hoe we aan hun zorgen kunnen tegemoetkomen.

Natuurlijk doet dit me pijn. Het is helemaal niet de bedoeling om het initiatief te fnuiken, integendeel, wij moeten een totaal versnipperde sector in een regelgevend kader brengen en dat is een moeilijke oefening. We hebben tot nu toe geprobeerd stelselmatig de hindernissen die zich voordoen, op te ruimen.

Vorige week nog heeft de regering beslist dat ook de pedagogische ondersteuning gratis zal worden gemaakt tijdens de eerste jaren. Er zal een bedrag worden ingezet om organisaties te financieren.

Wat de gezinsopvang betreft, hebben we alle normen inzake brandveiligheid gedownsized. We hebben echt wel een aantal pogingen gedaan om daaraan tegemoet te komen. Maar nogmaals – ik heb het al gezegd tijdens mijn eerste betoog –, we zullen met de betrokken organisaties opnieuw het gesprek voeren om te kijken wat er nog mogelijk is om aan hun zorgen tegemoet te komen.

Natuurlijk moet ik bevestigend antwoorden op uw vraag over PAB. Ik snap niet waar die vraag vandaan komt. Wat zou de ratio zijn van het maken van een nieuw decreet om een bestaand systeem, waar zoveel mensen voor hebben gevochten en zo tevreden over zijn, waarvoor telkens opnieuw voor bijkomende budgetten gepleit wordt, te hypothekeren? Het idee dat dat met dat decreet aan de orde zou zijn, is toch zeer pervers? Waarom zouden we dat doen? Integendeel, we gaan het verruimen. PAB gaat over het idee dat je meer zelf moet kunnen beschikken over budgetten en dat je meer zelf moet kunnen doen. We zullen dat nog breder maken en in meer mogelijkheden voorzien.

Sommige mensen zeggen mij dat ze een stuk PAB willen, maar ook dagopvang voor hun kind. Zij vragen of die combinatie mogelijk is. Nu zijn er honderden regels, heel wat ingewikkelde toestanden om die combinaties mogelijk te maken. Als je van een persoonsvolgende logica vertrekt, kun je zelf een aantal van die combinaties maken. Ik denk dat we er allen, ook diegenen die dat systeem koesteren, belang bij hebben om die stap te zetten en dat in te bedden in een ruimer, meer flexibel geheel, waarin deze formules uiteraard overeind zullen blijven.

De voorzitter

Internationaal Vlaanderen (Voortzetting)

We bespreken nu het luik Toerisme van het beleidsdomein internationaal Vlaanderen.

De heer Vanlerberghe heeft het woord.

De heer Jurgen Vanlerberghe

Voorzitter, minister, collega’s, toerisme komt niet zo heel veel aan bod tijdens deze begrotingsbesprekingen. Misschien moeten we er in de toekomst wat meer aandacht aan besteden, al was het maar omdat de sector goed is voor om en bij de 6 procent van de loontrekkende tewerkstelling in het Vlaamse Gewest. Die tewerkstelling is overigens moeilijk delokaliseerbaar. Bij die tewerkstelling worden ook heel wat jobs voor laaggeschoolden gecreëerd.

Minister, ik denk dat we tevreden kunnen zijn over het gevoerde beleid gedurende deze legislatuur. Ook in Vlaanderen heeft de sector zich weerbaar getoond in tijden van economische en financiële crisis. Bovendien werd blijvend geïnvesteerd in toekomstgerichte projecten. De op stapel staande internationale en toch wel grootschalige herdenking van 100 jaar Groote Oorlog is op dit punt ongetwijfeld het paradepaardje. De voorbereidingen werden mooi op tijd aangevat, zodat we in de Westhoek en in de rest van Vlaanderen straks met een gerust gemoed de vele honderdduizenden bezoekers op een kwalitatieve en respectvolle manier kunnen verwelkomen.

De voorbereiding van het toeristisch beleid gebeurt uiteraard op Vlaams niveau, al kunnen we niet ontkennen dat ook de provinciale toeristische organisaties een heel belangrijke bijdrage leveren in het vormgeven van dit beleid. Ik hoef in dit verband maar te verwijzen naar het strategisch actieplan rond de eerder vermelde herdenking van Wereldoorlog I, waarbij Westtoer een heel belangrijke rol heeft gespeeld. Ik hoop, minister, dat ook in de toekomst de kennis van onze provinciaal toeristische organisaties blijvend zal worden gevaloriseerd. Concreet denk ik hierbij bijvoorbeeld aan de advisering in het kader van de nieuwe impulsprogramma’s.

Inzake marketing hoop ik dat de ruis die momenteel op de lijn zit tussen Toerisme Vlaanderen enerzijds en de andere actoren, de kunststeden en de provinciale toeristische organisaties, anderzijds, snel kan worden weggefilterd.

Tijdens de bespreking van de beleidsbrief stelde u in de commissie dat de kerntaken inzake marketing en promotie goed verdeeld zijn. Ik denk dat dat minstens theoretisch ook wel klopt, maar ik kan toch ook niet anders dan vaststellen dat er over de te volgen marketingstrategie een kloof gaapt tussen de visie van het agentschap en de wensen van de regio’s en de kunststeden, net zoals ik niet voorbij de vaststelling kan dat in het vandaag voorgestelde nieuw inspiratieboek van Logeren in Vlaanderen welgeteld nul bed and breakfasts uit de kunststad Antwerpen zijn opgenomen.

Minister, ik herhaal tot slot ook graag mijn vraag naar een snelle evaluatie van het Logiesdecreet, al was het maar omdat we op die manier uit de impasse kunnen geraken over de overnachtingen aan de kust. Door de nog altijd groeiende sector van de vakantiewoningen en -appartementen vandaag niet mee te nemen in de cijfers, ontstaan er bij tijd en wijle toch wel vervelende discussies over de reële impact van het toerisme aan de kust.

Minister, ik sluit af. Geslaagd bent u volgens mij nu al. Met een extra inspanning op voormelde thema’s zit er vast en zeker nog een mooie onderscheiding in. Ik reken er dan ook op dat u in de tijd die u rest, zult doen wat nodig is.

De voorzitter

De heer Meremans heeft het woord.

Collega’s, ik sluit me aan bij de woorden van mijn voorganger. Zowat alle partijen hebben bevestigd dat er in Toerisme heel wat werd gerealiseerd. Net zoals mijn collega, kijk ik reikhalzend uit naar 2014 waarbij we de herdenking van Wereldoorlog I centraal zullen zien staan. De kans die we gekregen hebben om Vlaanderen in de internationale toeristische spotlights te zetten, hebben we met beide handen gegrepen. We kunnen nu al zeggen dat we qua herdenkingstoerisme hoog op de agenda staan.

Het feit dat we met die herdenking de Vlaamse ziel raken, past perfect in de nooit-meer-oorloggedachte. Dat er zich heel wat lokale initiatieven ontrollen die verband houden met vredeseducatie, kunnen we alleen maar toejuichen.

Zoals gezegd op de staten-generaal Toerisme, doorstaat toeristisch Vlaanderen de crisis, wat niet wegneemt dat de kust toch wat incasseert, als we de cijfers van 2012 bekijken. Al spreken we toch met enige voorzichtigheid, want de weersomstandigheden kunnen de statistieken ofwel omhoog ofwel omlaag blazen. We zien een trend in minder lange verblijven en er is de voorbije periode ook heel wat geïnvesteerd in infrastructuur en in recreatie die kan leiden tot meer activiteit. Ik denk aan surfen, strandsporten en dergelijke. Maar de kust kan een betere wisselwerking creëren met het hinterland, de afstand tussen onze kunststeden en de kust is perfect overbrugbaar en verwoede fietsers, waar ik misschien ook de minister kan toe rekenen, overbruggen de afstand tussen de eerste heuvel en de kust vrij gemakkelijk. Bij mij gaat dat tegenwoordig iets trager.

Toerisme Vlaanderen en Westtoer hebben de opdracht om een nieuw strategisch plan voor de kust te realiseren. Vanaf 2014 zal er een gemeenschappelijke kustcampagne worden gevoerd in de buurlanden met aandacht voor de belevingswaarde van de kust, juist om het tij te keren.

Het sociale luik inzake toerisme wordt voortgezet via Rap op Stap, de samenwerking met de vzw Horizont wordt verlengd met een gedeeltelijke inkanteling in Toerisme Vlaanderen, waardoor er een structurele verankering wordt ingezet. We zijn ook verheugd dat de inhaalbeweging inzake jeugdverblijven wordt voortgezet. De capaciteit voor jeugdverblijven volstaat stilaan, waardoor zich een verschuiving richting renovatie opdringt. Ook de blijvende inspanningen van de minister om het Steunpunt Vakantieparticipatie te ondersteunen, stemmen ons verheugd.

De verminderde belangstelling vanuit Nederland, toch een primaire markt, moet wel nader worden onderzocht. Wellicht speelt hier de crisis een rol met ‘staycation’ als gevolg, namelijk een korter verblijf in eigen land. Maar Vlaanderen richt zich ook tot de secundaire en tertiaire markt, we moeten ook blijven inzetten op het binnenhalen van Chinese, Russische en Aziatische toeristen.

Tot slot maak ik nog de kleine bedenking dat ik samen met de toeristische sector en de minister vaststel dat er veel onrust heerst naar aanleiding van de komst van de elektronische kassa, waarbij de verplichte invoering een verlies zou betekenen van jobs, meestal voor laaggeschoolden en mensen van allochtone origine.

Tot besluit treed ik de collega’s bij: we kunnen spreken van een geslaagd rapport en we zullen dat dan ook goedkeuren. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Dank aan de twee sprekers die het beleid geslaagd vinden. Wat de suggesties betreft, hebt u gelijk, mijnheer Vanlerberghe, dat er heel veel expertise zit binnen de provinciale toeristische organisaties. U weet ook dat wij daar de kerntaken hebben vastgelegd. Dat is nu voor het eerst gebeurd. Er zullen altijd wel wat spanningsvelden zijn en zeker a fortiori in een sector waar heel veel kennis en kunde bij alle actoren zit. Soms botsen de visies wel eens. U hebt terecht de lof gezaaid van Westtoer bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van het strategisch actieplan. Ik neem me voor om eraan te werken dat de ruis wordt weggewerkt, natuurlijk met respect voor ieders rol. Toerisme Vlaanderen bepaalt uiteindelijk de marketingpolitiek, maar het kan natuurlijk niet dat er grote fricties zijn. Dat is niet gezond. U weet dat mijn motto is dat we moeten samenwerken in het toerisme, alle publieke actoren maar ook publiek en privé samen. Ik denk dat dat in deze periode ook heel behoorlijk gelukt is.

Mijnheer Meremans, wat u hebt gezegd over de Nederlandse markt, is een feit. Dat heeft te maken met de crisis. Dat is ook de eerste vaststelling die is gedaan op het eerste overleg tussen het kabinet en de administratie dat daarover plaatsvond. Nederlanders zijn minder met vakantie gegaan. Men vreest dat dit in 2014 nog niet anders zal zijn. Hoe dan ook is er afgesproken dat er in januari al voorstellen zullen worden geformuleerd over hoe we nog intenser en beter op de markt kunnen samenwerken. Mijnheer Vanlerberghe, als er meer aandacht moet gaan naar onze diverse territoriale indelingen, zoals de kunststeden, de regio’s, de Vlaamse kust, dan moet dat ook mee in overweging worden genomen.

Ik heb al gezegd dat we het Logiesdecreet inderdaad moeten evalueren. Maar goed, er zijn in de voorbije periode keuzes gemaakt die wellicht moeten worden herzien. Ik deel ook de mening dat het in het belang is van de sector dat er zo veel mogelijk vergunden zijn, dat we zo veel mogelijk kunnen promoten. Dat punt moet zeker mee in overweging worden genomen in de evaluatie.

Mijnheer Meremans, wat de jeugd betreft, wil ik nogmaals benadrukken dat we aan de top staan in West-Europa: geen enkel land slaagt erin om zoveel jongeren op kamp, met vakantie te laten gaan. Het gaat over meer dan 86 procent. Dat is dankzij een volgehouden beleid qua jeugdherbergen en vakantieverblijven, en natuurlijk ook dankzij het vele vrijwilligerswerk van jeugdbewegingen en andere middenveldorganisaties.

De voorzitter

Bestuurszaken

We bespreken nu het beleidsdomein Bestuurszaken.

De heer Kennes is niet meer aanwezig.

Mevrouw Zamouri heeft het woord.

Mevrouw Khadija Zamouri

Voorzitter, geachte leden, minister, u kunt tevreden terugkijken op uw beleidsbrief Inburgering en Integratie. Het nieuwe decreet werd in juni goedgekeurd. De resterende maanden wordt de uitvoering daarvan prioritair. Het nieuwe agentschap werd opgericht. De regering heeft haar mannetjes en vrouwtjes al aangeduid voor de raad van bestuur. Er zal echter nog hard moeten worden gewerkt om het decreet uit te voeren.

Enkele belangrijke vernieuwingen in het decreet kwamen er bovendien dankzij het parlement. Zo verwacht u dat u de verhoging van het taalniveau naar A2 voor de verplichte inburgeraars nog voor de verkiezingen ingevoerd krijgt. De implementatie van de resultaatsverbintenis voor Nederlands en maatschappelijke oriëntatie schuift u jammer genoeg door tot ná de verkiezingen. Er is ook nog enorm veel werk op de plank om de integratiesector in zijn geheel in te kapselen in het nieuwe agentschap.

Nu, uw passage op Integratie en Inburgering zal worden herinnerd, eerst en vooral gewoon al door het feit dat de oprichting van dat extern verzelfstandigd agentschap (EVA) een administratieve structuurhervorming is. Waar u in vijf jaar tijd echter jammer genoeg niet in bent geslaagd, is het boeken van zichtbare resultaten met betrekking tot de integratie van Vlaanderen. Ik zeg weloverwogen ‘van Vlaanderen’ en niet ‘in Vlaanderen’.

Integratie is, zoals u het zelf ook dikwijls hebt gezegd, een proces waarbij zowel autochtonen als allochtonen moeten worden aangesproken. Welnu, op alle terreinen waarover er statistieken worden bijgehouden – we hebben het hier gehad over de resultaten van het Programme for International Student Assessment (PISA), over tewerkstelling, over allerlei statistieken – zien we dat mensen van een andere etnische origine verhoudingsgewijs slechter scoren dan autochtone Vlamingen. Op het vlak van het onderwijs zien we dat bijvoorbeeld in de schoolachterstand, de ongekwalificeerde uitstroom, die hier herhaaldelijk aan bod komt, de te grote aanwezigheid van allochtonen in het buitengewoon secundair of lager onderwijs en het tso, hun naar verhouding kleinere aanwezigheid in algemeen vormende richtingen, en de diploma’s die ze behalen in het hoger onderwijs.

Wat werk betreft, zijn de cijfers over de arbeidsparticipatie, werkzaamheidsgraad en tewerkstelling onder het diploma en de grote afwezigheid in prestigieuze beroepen duidelijk. Cijfers over discriminatie en racisme zijn ook duidelijk.

De afgelopen vijf jaar is integratie er in Vlaanderen niet op vooruitgegaan. Ik vind het jammer dat u uw horizontale bevoegdheid tegenover uw collega’s-ministers onvoldoende hebt gebruikt. Dat is een gemiste kans, voor de beleidsdomeinen Werk, Onderwijs, Huisvesting, Media, Cultuur, Welzijn, enzovoort. Jammer genoeg zal men niet met een agentschap – met het op poten zetten van een structuur – de integratie in Vlaanderen bevorderen. Onder uw bewind heeft Vlaanderen vijf jaar lang tevergeefs gewacht op een kentering in de statistieken. Vlaanderen is niet op weg naar een geïntegreerde samenleving waar racisme en discriminatie niet meer worden geduld en elke mens in zijn eigenheid wordt gerespecteerd.

Mevrouw Zamouri, u gaat wat kort door de bocht. Er is een tijd geweest dat men de woorden ‘inburgering’ en ‘integratie’ niet mocht uitspreken, tenzij op straffe van een boel verwijten die men naar het hoofd kreeg geslingerd. Ik denk dat het de verdienste is van mijn partij dat dit agentschap wordt uitgebouwd. Het is geen mirakeloplossing, maar het is een start.

Ik besef dat de weg lang is, maar uw uiteenzetting is te kort door de bocht. De verbetering van het gebruik van het Nederlands moet ervoor zorgen dat wij de scholieren en hun ouders bij de zaak kunnen betrekken. Dat is een voorwaarde. Ooit vroeg men zich af of een beter gebruik van het Nederlands wel nodig is. Wat u zei, toont aan dat wij dat wél moeten doen. Wij zitten op de juiste weg.

Mevrouw Khadija Zamouri

Mijnheer Meremans, ik heb enkele aandachtspunten vermeld. Mijn partij heeft in het Vlaams Parlement gesteld dat het gebruik van het Nederlands moet verbeteren. De minister vond dat een heel goede zaak en wou ons daarin tegemoetkomen. Ik zeg niet dat de verbetering van het gebruik van het Nederlands een foute zaak is, integendeel. Ik vind het ook zeer goed dat er een agentschap komt, en ik heb hem ook gezegd dat hij daarvoor zal worden herinnerd. Wel stel ik ook dat de statistieken aantonen dat de kloof nog nooit zo groot is geweest, en dat die niet alleen met structuren kan worden gedicht. Er is nood aan een mentaliteitswijziging, en die moet er komen dankzij een bevoegdheidsoverschrijdende aanpak.

Minister, u hebt een verantwoordelijkheid ten aanzien van uw collega’s-ministers. U moet hen op hun verantwoordelijkheid wijzen.

De voorzitter

De heer De Loor heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, dit is de laatste bespreking van de begroting en de beleidsbrieven. Bestuurszaken en binnenlands bestuur zijn op het eerste gezicht niet erg sexy bevoegdheden, en dat is op het tweede gezicht ook zo. Maar daarom zijn zij niet minder belangrijk.

Minister, ik heb vannacht wakker gelegen. Gisterenavond bespraken we in de OCMW- en de gemeenteraad van Zottegem de meerjarenplannen van het OCMW en de stad. Iedereen weet dat alle besturen met ingang van 1 januari 2014 de beleids- en beheerscyclus (BBC) moeten toepassen. Mijn vrees dat dit in veel gemeenten hoofdzakelijk een financiële oefening zou worden, werd spijtig genoeg ten dele bewaarheid. Het is belangrijk om te beseffen dat achter de cijfers mensen, personeelsleden, families en dienstverlening schuilgaan.

Daarom is het zo belangrijk dat cijferdebat te vertalen naar wat de precieze gevolgen zullen zijn voor de mensen.

Minister, in de voorbije legislatuur werd het Planlastendecreet goedgekeurd. Dat heeft ervoor gezorgd dat de planlasten zijn verminderd. De sectorplannen werden afgeschaft en in het BBC-verhaal opgenomen, wat een zeer goede zaak is. Het is natuurlijk belangrijk dat de lokale besturen op lange termijn blijven denken, een langetermijnstrategie blijven hanteren en niet vervallen in dagjespolitiek.

Minister, veel gemeenten missen bestuurskracht. Een van de mogelijke oplossingen is een schaalvergroting. Het regeerakkoord sprak over een vrijwillige fusie van gemeenten. Daarvoor werd ook een ondersteuningspakket uitgewerkt. Maar op de uiterlijke datum van kennisgeving bleek dat er geen kandidaturen werden gesteld. Tijdens de rondetafelconferentie van experts die daarna werd georganiseerd bleek dat het bewustzijn ondertussen al een stuk was gegroeid om naar een schaalvergroting te gaan. De formule van de vrijwillige fusiebeweging werkt niet. We zouden beter naar een verplichte fusie gaan.

Op 1 januari 2013 zijn de nieuwe bestuursploegen voor gemeenten, OCMW’s en provincies van start gegaan. De kiezer verwacht dat de mandatarissen beleid voeren. Dat is een terechte verwachting, maar met de huidige financiële toestand wordt dit geen walk in the park.

Nog een woordje over de provincies. De beleidsbrief spreekt van “een gezonde financiële pijler voor efficiënte en bestuurskrachtige lokale en provinciale overheden”. Ik vind dit een nogal vreemde passage als we weten dat het Provinciefonds aanzienlijk werd verminderd, en dat bovenop de 35 miljoen euro nog eens 26 miljoen euro werd weggehaald uit het Provinciefonds zonder enig overleg.

Minister, de gemeenten staan er financieel niet zo goed voor, ondanks de decretaIe stijging van het Gemeentefonds met 3,5 procent. Het zwaard van Damocles dat boven het hoofd hangt van de lokale besturen, de pensioenbom, valt echt niet te onderschatten. Vandaar mijn pleidooi – ik treed hiermee de resultaten en het pleidooi van de VVSG bij – om te zoeken naar structurele oplossingen. Daarvoor moeten de lokale besturen kunnen rekenen op de Vlaamse en de federale overheid.

Minister, de financiële situatie van de lokale besturen dreigt een negatieve invloed te hebben op de dienstverlening aan de burgers, de verenigingen en de bedrijven. Dat zegt ook het VVSG naar aanleiding van de enquête. Ook de investeringen dreigen in het gedrang te komen. De lokale besturen zijn verantwoordelijk voor meer dan 50 procent van de overheidsinvesteringen. Dan heeft een daling van die investeringen met 10 procent een equivalent van 2500 tot 3000 mensen die hun baan verliezen in de private sector. Ik pleit er dan ook voor een investeringsplan op te stellen.

Ik lees in de beleidsbrief dat er een databank wordt aangelegd om de financiële toestand van de lokale besturen op een permanente basis op te volgen. Ik stel dan ook voor om een instrument te ontwikkelen om de dienstverlening binnen de lokale besturen te monitoren, zodat de inwoners van A, Antwerpen, over dezelfde kwaliteit van dienstverlening kunnen beschikken als in gemeente Z, Zottegem. Minister, ik hoop dat we na uw antwoord met ons allen gerust zullen kunnen slapen.

Mijnheer De Loor, u hebt het al vaak gehad over de financiële toestand van de steden en gemeenten. Heel even hebt u de federale overheid aangehaald. Daar ben ik blij mee, mijnheer De Loor, want ik hoor mijn burgemeester – niet van mijn partij overigens – enorm veel klagen over de kosten van de brandweerhervorming. Hij zal wellicht niet de enige zijn. De brandweerhervorming is nog steeds een federale bevoegdheid. Ik hoop dat u die kreet zult overbrengen aan uw collega’s in het federaal parlement. Dat zou misschien al een pleister kunnen zijn op de kwetsuur.

Dat zullen we zeker doen. Om die reden heb ik verklaard dat ik zowel naar de Vlaamse Regering als naar de Federale Regering kijk. Volgens mij kunnen we hier niet zomaar stellen dat de lokale besturen hun eigen boontjes maar moeten doppen. Dat geldt zeker voor die pensioenlast of pensioenbom, zoals de heer Suykens het in het novembernummer van Lokaal heeft omschreven. De Vlaamse overheid en de federale overheid moeten op dat vlak samen naar een oplossing kunnen streven.

De voorzitter

De heer Meremans heeft het woord.

Voorzitter, ik zal direct met de deur in huis vallen. Ik ben niet de eerste die hier iets over wil zeggen, maar ik zal het ook over het inburgerings- en integratiebeleid hebben. De professionalisering van dit beleid was broodnodig. Op deze manier zetten we een stap vooruit. De verhoging van het taalniveau van Nederlands Tweede Taal (NT2) tot het niveau A2 moet een verhoging van de maatschappelijke participatie met zich meebrengen die de doelgroep zal stimuleren. Dat de lokale besturen als regisseurs van het integratiebeleid worden aangesteld, juichen we toe. De lokale autonomie zal de drijvende kracht achter het beleid vormen. De oprichting van een EVA moet dit alles op kruissnelheid brengen.

Aangezien we navolging hebben gekregen, kijken we ook naar de uitbreiding van de inburgering in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De Franse Gemeenschap organiseert nu ook een verplichte inburgering. Dit betekent dat de minister, zijn voorgangers en de leden van de commissie wel degelijk een steen hebben verlegd.

Wat het binnenlands bestuur betreft, zijn we verheugd met de personeelsbesparing. De minister heeft de besparing met 6 procent reeds gehaald. In 2014 wordt die besparing voortgezet en wordt de overheid verder ontvet.

Zoals de vorige spreker al heeft aangehaald, blijven het Gemeentefonds en het Stedenfonds ondanks de budgettair zeer moeilijke tijden jaarlijks met 3,5 procent groeien. Ik besef maar al te goed dat dit voor de gemeenten financieel niet evident is. De inspanning die de Vlaamse overheid moet leveren om dit groeipad aan te houden, is echter ook niet min. De samenwerking tussen gemeenten en OCMW’s kan op dat vlak enig soelaas bieden.

Aangezien ik mijn volgend punt daarnet al heb aangehaald, zal ik niet alles herhalen. We mogen niet vergeten dat tijdens discussies over de budgettaire situatie van de gemeenten steeds naar de Vlaamse overheid wordt gekeken. Grote uitgaven, zoals de brandweer, waarover nog steeds grote onduidelijkheid heerst, worden voor de burgemeesters stilaan een nachtmerrie.

Vanaf 1 januari 2014 zal Audit Vlaanderen operationeel zijn. Dit vertegenwoordigt de voltooiing van de beleids- en beheerscyclus (BBC) voor de lokale besturen. In 2014 zal dit een bijkomend element vormen om het lokale beleid te evalueren en te ondersteunen. De invoering van de BBC is trouwens een mijlpaal. Ik besef dat er de voorbije weken en maanden in menige gemeentelijke dienst moet zijn gevloekt. Zodra deze fase voorbij is, komt het erop aan de vorderingen op te volgen. Zodra dat dan weer voorbij is, moeten we misschien een uitbreiding naar politiezones, brandweerzones en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden overwegen.

De interne staatshervorming omvat 69 doorbraken. De gemeenteraden krijgen meer bevoegdheden. De provinciale taakstelling wordt afgebakend. Verder kijk ik, samen met mijn partij, uit naar de evaluatie van de regioscreening. Dit moet tot een overzichtelijker intermediair landschap met minder verrommeling leiden.

Voorzitter, ik heb me tot een aantal punten moeten beperken. Toch kom ik uit op een meer dan geslaagd rapport. (Applaus bij de N-VA)

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron

Voorzitter, om de balans met de heer Meremans in evenwicht te brengen, zal ik me met betrekking tot integratie en inburgering zo meteen vooral bij mevrouw Zamouri aansluiten.

Minister, u weet dat we ten aanzien van uw beleid heel kritisch zijn. Ik wil echter ook de goede zaken onderstrepen die zijn gebeurd. Voorbeelden daarvan zijn de oefenkansen Nederlands en het project ‘Changemakers’. We steunen dit zeker. We zijn blij in de beleidsbrief te lezen dat u op de rechthebbende inburgeraars wilt inzetten. Dit is onder meer een gevolg van de groeiende en in de toekomst wellicht nog sterker groeiende migratie uit Oost-Europa. Ook de betere ondersteuning van het Minderhedenforum kunnen we waarderen. Het is niet altijd kommer en kwel. Helaas is dat echter vaak wel het geval.

U weet, we hebben een fundamenteel andere visie over de integratiecentra, minister, en dat blijven we hardop zeggen. De heer Meremans durft dat professionalisering noemen. Wij noemen het een ingreep op het middenveld, of zelfs, met enige overdrijving, een nationalisering onder het mom van de efficiëntie. Ze zullen efficiënter worden, maar of ze door de samenleving beter gedragen zullen worden, is zeer de vraag. Het is voor ons een operatie.

Zoals mijn collega al zei, minister, uw beleid zal niet worden vergeten in de komende jaren. Het is zo ingrijpend dat het niet terug te draaien valt. Dat typeert, mijnheer Diependaele, de visie van uw partij op het middenveld en de tussenstructuren. Dat is jammer. (Opmerkingen van de heer Marius Meremans)

Dat is spijtig want u zou daar veel bondgenoten kunnen vinden om net de integratie in deze samenleving te bevorderen, maar u zet ze in voor het eigen doel.

Telkens opnieuw komt u vertellen dat we tegen het middenveld zijn. Ik zou zeggen: zet die ‘ploat’ af in godsnaam! Het is niet correct, en ik verzet me daartegen. Veel van onze mensen en mandatarissen zijn lid van middenveldorganisaties. Wij erkennen die rol, maar niet zoals u, want u speelt een beetje op het sentiment. Wij erkennen hun rol. Als er geen eenduidige visie leeft in het middenveld, over zo’n belangrijk thema als integratie, moeten we echter beslissingen durven te nemen en moeten we kunnen synchroniseren.

In het rapport van de FOD Werkgelegenheid staat dat er veel te weinig allochtonen doorstromen naar de arbeidsmarkt. Dat heeft te maken met een gebrek aan beleid rond integratie, meer dan in de afgelopen decennia. Dat staat daar letterlijk in. We proberen daar iets aan te doen!

Als u het echt goed bedoelde, mijnheer Caron, dan zou u meewerken aan ons beleid en het steunen. Dit is in het belang van die mensen. De expertise van de organisaties nemen we mee, natuurlijk gooien we dat niet weg.

Ik neem het niet meer dat u ons blijft aanwrijven dat we tegen het middenveld zijn. Dat is zever, voor eens en voor altijd: zever!

De heer Bart Caron

Ik wil met veel plezier ingaan op uw uitnodiging. Ik wil wel nadenken over een meer efficiënte organisatie. Het is niet omdat het veld versnipperd is en niet helemaal goed werkt, dat we het moeten verstaatsen of in een EVA onderbrengen. Denk misschien eens na hoe we het middenveld beter kunnen inzetten. Het is niet omdat de organisaties verdeeld zijn dat we hen moeten dumpen. Dat is wat er gebeurt. Laat ons blij wezen met de diversiteit in het middenveld.

We kunnen ze inzetten in een beter georganiseerd veld. Ik zal graag op die uitnodiging ingaan. Maar dat is niet de bedoeling. Gent, Antwerpen en Limburg zijn er nog eens in geslaagd om een uitzondering op de regel te krijgen. Ze zullen zelf kunnen aansturen. Dat bewijst des te meer dat de nieuwe tekening even inefficiënt en ondoordacht is als de oude.

Minister, wij delen dezelfde bekommernis. Ik wil nog één aspect belichten, en dat is de overgang van de primaire naar de secundaire inburgering. Geef toe, er zijn ernstige problemen met het vinden van een baan en de discriminatie op de werkvloer en in de woonsector. Daar wordt bijna niet op ingezet in deze samenleving.

Minister, in uw beleidsbrief staan etnisch-culturele verenigingen als bruggenhoofden van integratie niet eens vermeld, want dat is cultuur. Dat is een heel sectorale visie. Dat is heel jammer. In de toekomst zal men bruggenhoofden moeten bouwen om mensen toe te leiden naar onderwijs en naar werk. Zoals mevrouw Zamouri zegt: zo zullen we de integratie van de Vlamingen moeten bevorderen zodat ze beseffen dat ze morgen in een interculturele samenleving zullen leven die voor hen evenveel of nog meer kansen biedt dan vandaag.

Ik wil het positief benaderen. Ik daag u ook uit, mijnheer Meremans, om daar eens over na te denken, over de integrale benadering van de secundaire integratie met veel meer sectoren in de samenleving dan alleen de minister van Integratie en Inburgering.

Er is geen enkele vooruitgang geboekt op het terrein van de standplaatsen voor doortrekkers. Mooie retoriek maar geen stap vooruit.

Er is geen stap vooruitgezet inzake de erkenning van de moslimgemeenschappen in dit land. De Moslimexecutieve zit op haar gat, we zullen het maar op een ander steken.

Hetzelfde geldt dus voor de vooruitgang van de etnisch-culturele verenigingen. Dat EVA wordt morgen bevolkt door een door de politiek aangeduid bestuur. Geen probleem. Het middenveld is niet eens vertegenwoordigd in dat bestuursorgaan. Mijnheer Meremans, moet u nog een meer afdoend bewijs hebben?

Ik heb nog 1 minuut en 10 seconden om iets te zeggen over het binnenlands bestuur. Ik zal dat ook doen. Dag mag toch, voorzitter, het is toch dezelfde rubriek?

Mijnheer De Loor, wij hebben gisteren ook een vergadering van de gemeenteraad gehad. Gisterenavond, zes uur aan een stuk gedonder. Er zal nog heel veel evaluatiewerk zijn aan die beleids- en beheerscyclus (BBC). Het is een regelrecht drama. Wij zitten in de oppositie. Je moet daar eens proberen beleidsinformatie te bemachtigen, behalve overkoepelende cijfers voor zes jaar ver. Wij krijgen geen enkel inzicht in de reële beleidskeuzes, behalve de twee beleidsdomeinen die we hebben, telkens een tiental actieplannen en dan acties. Eén streepje, één regeltje. Detailinformatie van de beleidsvelden is niet bekend. Hoe kunnen wij in godsnaam de beleidskeuzes van onze stad evalueren? Wij moeten verdorie in het verborgene werken, meer dan ooit tevoren! Dat is toch geen stap vooruit? Dat is een oefening in het voordeel van de uitvoerende macht. Het is zeker geen versterking van de lokale democratie.

De voorzitter

Er mogen alleen burgemeesters tussenkomen. Mevrouw Heeren heeft het woord.

Mevrouw Veerle Heeren

Mijnheer Caron, ik werk in een van de gemeenten in Vlaanderen die er in juni aan moeten beginnen. Mijn gemeente was absoluut niet bezig met BBC. Na vier, vijf maanden is dat een enorme verrijking gebleken, zowel voor de meerderheid als voor de oppositie. Wij hebben natuurlijk de oppositie mee in het bad genomen. Er wordt voor de eerste keer gedebatteerd over de visie die de gemeente wil uitzetten en over welke budgetten je waarvoor  vrij hebt. In plaats van te discussiëren over een dik boek met individuele artikels, gaat het nu over de hoofdlijnen. Daarover gaat politiek, ook op gemeentelijk niveau. Ik weet dat er nog groeipijnen en kinderziektes uit moeten, maar ik ben ervan overtuigd, minister, dat als je dat twee, drie jaar laat groeien, je ook op het gemeentelijke niveau een debat hebt zoals wij het hier elke woensdag voeren.

De voorzitter

De burgemeester van Dessel heeft het woord.

Mijnheer Caron, ik heb de voorbije maanden inderdaad, zoals heel velen, ‘mijne pere gezien’, zoals ze dat in de Kempen zeggen. Maar ik moet één ding zeggen: ik ben ervan overtuigd dat dat zeer interessante oefeningen waren. Niet alleen de politici, maar ook de diensten, en niet alleen de diensthoofden maar tot vrij laag, zijn meegegaan in een verhaal om op termijn een beleid te voeren. Debatten over details mogen ook gevoerd worden. Ik stel alle documenten ter beschikking, maar je moet je niet onledig houden met een paar euro’s links of rechts, je moet het hebben, zoals mevrouw Heeren zegt, over de belangrijke beleidslijnen. Daarvoor hebben we nu fantastische instrumenten en een dossier waarbij je ziet waar je binnen x aantal jaar, binnen zes jaar staat. Daarbij weet je dat er, telkens als je een keuze wijzigt, repercussies zijn op iets anders. We kunnen transparant, doorzichtig en evenwichtig besturen, zowel meerderheid als oppositie.

De voorzitter

De heer Vanlerberghe heeft het woord.

De heer Jurgen Vanlerberghe

Mijnheer Caron, in Poperinge zijn we als een van de eersten met BBC begonnen. Ik begrijp uw opmerking, maar ik denk dat u zich vergist van vijand. Het is niet het systeem van BBC dat ervoor zorgt dat er onvoldoende informatie wordt gegeven. Ik spreek mij absoluut niet uit over de situatie in Kortrijk. Gisteren kreeg ik van een partijgenoot die gemeenteraadslid is in een heel kleine gemeente de vraag of het normaal was dat er één strategische actie in zat terwijl al de rest geparkeerd stond in ‘overig beleid’. Hij had voor de volledige begrotingsbespreking een document gekregen van amper dertig pagina’s. We moeten inderdaad evalueren, maar ik zou zeker en vast niet het kind met het badwater weggooien. Het systeem is zeker en vast deugdelijk, maar ik sluit niet uit dat er hier en daar burgemeesters en schepencolleges zijn die wat minder democratisch ingesteld zijn en die de achterdeur gebruiken om alles in ‘overig beleid’ te stoppen. Misschien moeten we ons daarop focussen, maar toch niet op het systeem zelf.

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

Mijnheer Caron, de N-VA-oppositie in mijn gemeente heeft gisteren dezelfde opmerking gemaakt als u. Ik heb geantwoord dat ik nergens in de beleids- en beheerscyclus het verbod lees om alles kenbaar te maken wat er aan documenten is in een gemeente. Op dat vlak kunt u dus geen enkel bezwaar opwerpen.

Ik denk dat de beleids- en beheerscyclus inderdaad een stimulans is om in een gemeente het debat te voeren over de hoofdlijnen en te stoppen met het debat over hoeveel balpennen er op welke dienst precies aanwezig moeten zijn. Die gemeentebesturen die er in het verleden al aan dachten dat er over drie, vier of vijf jaar ook nog een bestuur een begroting moet kunnen maken, hebben geen moeite meer met een beleids- en beheerscyclus. Want als dit met één zaak komaf maakt, is het met de redenering van een bestuur dat zou denken ‘après nous le déluge’.

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele

Ik geef de collega’s gelijk die zeggen dat de beleids- en beheerscyclus een heel waardevol instrument is, maar ik kan ook de heer Caron begrijpen. Het hangt er maar van af hoe de meerderheid dat instrument gebruikt. En daar zit inderdaad veel verschil in. Ik heb er verschillende gezien, en de ene strategische nota gaat een stuk verder en is een stuk beter uitgelegd en gepreciseerd dan de andere.

De heer Bart Caron

Ik heb mij ook geïnformeerd bij een aantal andere gemeenten, en dat was ook mijn bevinding. Dus ofwel verhuis ik – ik twijfel nog naar welke mooie gemeente ik zou verhuizen – ofwel gaat u samen op tour in opdracht van de minister om in Vlaanderen uit te leggen hoe het op een positieve manier kan. (Opmerkingen)

Als ik niet kan weten hoeveel middelen er in cultuur of sport worden gestopt, kan ik niet oordelen over de opties die er staan. Als er geen indicatoren staan, kan ik niet wegen of die doelstelling ook wordt bereikt. Wij hebben een minimale aanvullende informatie gekregen over investeringen, en daar konden we een stukje mee op weg. Maar ik blijf erbij: het oude systeem van de vele plannen was niet ideaal, maar het nieuwe systeem is ook verre van volmaakt.

Ik ben iemand van de inhoudelijke discussie, maar met het materiaal dat daar voorligt, kan ik moeilijk uit de voeten, en dat betreur ik. Als u wilt dat ik over hoofdlijnen discussieer, geef mij ten minste de basisinformatie om dat te kunnen.

Minister, wij betreuren dat u een hold-up hebt gepleegd op het Provinciefonds. Wij zijn ook geen provincieminnaars, maar dat is niet netjes. Maandenlang mensen doen verevenen, en als dan alles geregeld is, nog eens ongeveer hetzelfde bedrag uit de kas komen halen. Sorry, maar dat is niet correct.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over de regioscreening. Welke vooruitgang hebben we eigenlijk geboekt met betrekking tot de verrommeling in alle tussenstructuren tussen gemeenten en provincies en Vlaanderen? We zijn geen centimeter vooruitgegaan.

Het principe van de beleids- en beheerscyclus gaat er net over dat er transversaal gedacht wordt en dat men niet meer in hokjes denkt, met een enveloppe voor cultuur en een enveloppe voor sport. Het gaat erom doelstellingen te formuleren over de beleidsdomeinen heen. Dat zijn precies de efficiëntiewinsten die er te halen zijn. Ik stel alleen vast dat er op Vlaams niveau misschien nog een aantal administraties zijn die dat nog niet juist begrepen hebben en het tak per tak blijven opvragen, wat ik ten zeerste betreur. De gemeentes die die les wel juist begrepen hebben, werken en begroten efficiënt.

De heer Bart Caron

Maar als u een doelstelling formuleert om cultuur- en sportparticipatie te verhogen, wil ik daar een budget voor zien én indicatoren om dat te kunnen meten. Die twee elementen ontbreken allebei.

De voorzitter

Ik stel vast dat de heer Yüksel ook niet aanwezig is. Dan geef ik het woord aan mevrouw Pehlivan.

Ik vind het weinig sympathiek, collega’s, dat een aantal mensen zich inschrijven voor het debat en dan gewoon niet aanwezig zijn.

Mevrouw Pehlivan heeft het woord.

Mevrouw Fatma Pehlivan

Voorzitter, minister, collega’s, dit is het laatste begrotingsdebat in de huidige legislatuur, een moment bij uitstek om uw beleid te evalueren, minister. Ik zal niet alleen terugblikken op een aantal punten, maar ook vooruitblikken. In mijn betoog ga ik het achtereenvolgens hebben over inburgering, samenleven in diversiteit en het pas opgerichte EVA.

Wat betreft de uitgavenbegroting 2014, noteer ik een globale stijging van 2.107.000 euro. Dat is de resultante van enerzijds toevoeging van nieuwe middelen en anderzijds structurele besparingen. Ik kom daar nog op terug.

Minister, voor inburgering worden 2 miljoen euro nieuwe middelen toegevoegd, die onder meer ingezet zullen worden in het kader van de vormingsprogramma’s voor inburgeraars en meer specifiek voor het uitvoeren van de verhoging van het te bereiken taalniveau NT2 tot A2. Deze verhoging van middelen is een goede zaak, maar ik vraag me wel af of het zal volstaan om een ruim, gedifferentieerd en kwaliteitsvol aanbod Nederlands en de participatie aan het maatschappelijk leven te garanderen. De nadruk ligt nog te veel enkel en alleen op de verplichte taalcursus. Taalverwerving, minister, in de vrijetijdssfeer moet nog meer worden gestimuleerd. Daarvoor is nauwe samenwerking met het sociale en culturele middenveld noodzakelijk. Stimuleren in plaats van sanctioneren moet de leidraad zijn bij het proces van inburgering. En dat mis ik toch een beetje in uw beleid.

Minister, bij de bespreking van de beleidsbrief hebt u gezegd dat inburgering geen eindpunt is maar een opstap naar integratie. Ik voeg daaraan toe dat de integratie slechts geslaagd is als de nieuwkomer volwaardig kan participeren in alle domeinen van het maatschappelijk leven, in de eerste plaats onderwijs, vorming en werk. Vooral het aspect werk is en blijft een pijnpunt. De werkloosheidscijfers bij allochtonen, waaronder nieuwkomers, zijn schrijnend. Mevrouw Zamouri heeft er ook naar verwezen.

Daarom is het essentieel dat nieuwkomers op een effectieve manier worden toegeleid naar de arbeidsmarkt. De VDAB vormt daarbij een cruciale schakel. Maar in de praktijk zien we toch dat de resultaten ondermaats blijven. Ik vraag u, minister, om dat goed op te volgen en hiervoor nauwer samen te werken met de minister van Werk. Hij is hier ook, dus hij hoort de boodschap die ik wil overbrengen.

Voor het starterspakket bedraagt de totale kostprijs bijna een half miljoen euro. De geplande evaluatie in 2013 heeft niet plaatsgevonden, die wordt nu uitgesteld tot 2014. Maar we kunnen nu reeds tot de conclusie komen dat het starterspakket zijn doel voorbijschiet. In een schriftelijke vraag heb ik u gevraagd naar het aantal gezinsherenigers dat met het starterspakket bereikt werd. Uit uw antwoord blijkt dat er amper 227 gezinsherenigers werden bereikt. Het is dus duidelijk dat het pakket geen meerwaarde heeft en dat het geld – want we hebben het nodig, minister – beter besteed kan worden. Ik dring erop aan de middelen te gebruiken voor een betere kwalitatieve opvang bij aankomst in Vlaanderen. Minister, schaf het starterspakket gewoon af.

In verband met samenleven in diversiteit, zegt u in de beleidsbrief dat iedereen actor is in het integratieproces: alle individuen, groepen, gemeenschappen en voorzieningen. Ik sta achter dit principe. In het integratieproces mag de focus niet eenzijdig liggen op de inburgeraars. Ik betreur het dat u geen middelen meer vrijmaakt voor managers van diversiteit.

Tot slot het EVA. Het EVA staat op de rails en is vertrokken voor een bijzonder ingrijpend veranderingsproces van de sector van inburgering en integratie. Bij de bespreking van de beleidsbrief hebt u gezegd dat er veel positieve signalen komen van medewerkers op het terrein, maar ik hoor toch ook andere signalen uit de sector. Minister, we kunnen het EVA steunen. Ik wil er ook de nadruk op leggen dat het een goede zaak is dat Brussel, Gent en Antwerpen niet moeten bijdragen en dat zij hun middelen kunnen behouden en opnieuw kunnen investeren in hun integratiebeleid.

Minister, de samenleving verkleurt en we moeten daar volledig op inzetten. (Applaus bij Groen en sp.a)

De voorzitter

Namens de heer Verfaille spreekt tot u mevrouw Heeren.

Mevrouw Veerle Heeren

Minister, wat een eer om hier collega Jan Verfaillie te mogen vervangen over Binnenlands Bestuur. Ik doe dat met een beetje nostalgie, want ik ben destijds in het parlement begonnen als vast lid van de commissie Binnenlandse Zaken. De heer Verfaillie heeft dat de laatste jaren met brio gedaan. Ik heb aan mijn fractieleider gevraagd of ik een amendement over het Provinciefonds mocht indienen, maar hij heeft me ingefluisterd om dat niet te doen.

Alle bestuurders van steden en gemeenten hebben een zeer leerrijke, maar ook een zeer moeilijke, periode achter de rug. De afgelopen maanden hebben wij ons immers volop moeten concentreren op de opmaak van begrotingen voor de komende jaren. De financiële omstandigheden zijn alom gekend, maar het is zoals in Vlaanderen: als er minder middelen zijn, moet je creatief zijn. Ik denk dat er in heel veel steden en gemeenten toch wel wat ‘vet’ rond de begroting zat en dat men dat inderdaad moet durven weg te snijden. Volgens de heer Verfaillie gaat het over 2,25 miljard euro. Dat is afgerond het bedrag dat in 2014 via het Gemeentefonds aan de Vlaamse steden en gemeenten zal worden overgemaakt. Dat bedrag is het resultaat van de volgehouden inspanning om gedurende een hele legislatuur dit fonds met een vaste groeivoet te laten toenemen.

De financiële situatie van de gemeenten blijft zorgwekkend. Elk lokaal bestuur heeft de afgelopen periode volop gezocht naar efficiëntiewinsten. Elk lokaal bestuur heeft zich de vraag moeten stellen welke de kerntaken zijn en welke niet. Maar de financiële problemen waar de lokale besturen op afstevenen, zullen niet worden opgelost louter door het zoeken naar efficiëntiewinsten. Er zal meer nodig zijn. Op een bepaald moment zal er wel degelijk gezocht dienen te worden naar structurele oplossingen voor de pensioenproblematiek en naar middelen om het investeringsritme te kunnen aanhouden. Als je de private investeerders in de economie beluistert, dan hoor je dat ze aan de gemeenten vragen om te blijven investeren, want heel veel bedrijven in Vlaanderen hebben in die lokale besturen een vaste partner.

Minister, de aangehouden groei van het Gemeentefonds is een positieve noot in uw beleid. De beslissingen met betrekking tot het Provinciefonds zijn dat evenwel niet. Dat er een vermindering van dit fonds werd doorgevoerd ten gevolge van de vereffening in het kader van de interne staatshervorming, is logisch en conform de afspraken. Dat er daarnaast nog een bijkomende vermindering doorgevoerd wordt, zonder het minste overleg, is daarentegen moeilijk goed te praten. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat er vanuit de provincies een storm van kritiek op deze ingreep is losgebarsten. Het Provinciefonds werd hier gebruikt als een bron van middelen waaruit geput kan worden om de begroting in Vlaanderen sluitend te krijgen. Vandaar dat er ook harde kritiek kwam. Wanneer men dan denkt de werkzaamheden tot een goed einde te hebben gebracht, dient men weer op zoek te gaan naar meerdere miljoenen euro. Ik wil het dan nog niet hebben over de discrepantie tussen de verschillende provincies. Op dat ogenblik hebben we allemaal – en zeker een Limburger – het petje van onze eigen provincie op.

Tot op heden zijn we er ook nog niet toe gekomen om de aanpassing van de intergemeentelijke samenwerking en de uitwerking van een regeling rond de interbestuurlijke samenwerking in hun definitieve plooi te leggen. We moeten alles in het werk stellen om nog tot resultaten te komen. Laat ons hopen, minister, dat u daar nog in slaagt voor de Vlaamse verkiezingen.

Wat in elk geval heel positief is van de afgelopen regeerperiode, is het creëren van mogelijkheden tot een grotere samenwerking tussen gemeente en OCMW. In heel veel gemeenten is het water nog heel diep terwijl er in andere gemeenten al een enorme toenadering is. We hebben het voorrecht in onze provincie dat we Het Belang van Limburg hebben. We noemen dat ons staatsblad omdat we daarin heel goed de lokale politiek van elke Limburgse gemeente kunnen volgen.

Intussen kunnen we merken dat op het terrein steeds meer gebruik wordt gemaakt van de decretale mogelijkheden. Steeds meer besturen lijken te opteren voor een gemeenschappelijke secretaris, en als de opportuniteit zich voordoet, ook voor één financieel beheerder. Steeds meer wordt geopteerd voor gemeenschappelijke ondersteunende diensten. Het zal de slagkracht van zowel de gemeente als het OCMW zeker en vast ten goede komen. De weg naar een verdere integratie kan dus vervolgd worden.

Collega’s, de afgelopen vijf jaar heeft minister Bourgeois heel veel werk verricht voor de gemeentebesturen. Er was de interne staatshervorming, de vermindering van de planlasten, de afschaffing van de koppelsubsidies, de gemeenten en OCMW’s werden dichter bij elkaar gebracht en bij het Provinciefonds hebben we wat vragen.

Minister, u hebt niet stilgezeten. Ik blijf het dan ook bijzonder jammer vinden dat deze veelheid aan realisaties op de valreep toch wat wordt overschaduwd door een volgens ons ongelukkige ingreep in het Provinciefonds. (Applaus van de heer Kris Van Dijck)

De voorzitter

Minister Bourgeois heeft het woord.

Minister Geert Bourgeois

Voorzitter, ik zal mijn antwoord opdelen in twee onderdelen: een over integratie en inburgering en een over binnenlands bestuur en bestuurszaken – voor zover bestuurszaken aan bod is gekomen.

Mevrouw Zamouri, uw betoog heeft me een beetje verrast, vooral dan de vrij negatieve toon ervan ten aanzien van het gevoerde beleid. Ik had het gevoel dat we in de loop van de voorbije periode in de commissie vaak heel gelijkluidende standpunten innamen. Ik ben ook niet te beroerd om te zeggen dat u bijvoorbeeld hebt bijgedragen aan de parlementsbrede beslissing om het taalniveau op te trekken. Dat debat hebben we in het parlement gevoerd, het stond niet in het regeerakkoord. Ik ben daar heel bescheiden over, maar ik meen dat ik er toch in geslaagd ben om stilletjes aan de meerderheid en de minderheid daarin mee te krijgen. Ook u hebt er een bijdrage aan geleverd, net zoals diverse andere collega’s.

Wat het EVA betreft, heb ik in antwoord op de vraag van de heer Caron al gezegd dat het er niet om gaat om daar mannetjes en vrouwtjes te plaatsen. Het is een extern verzelfstandigd agentschap waar maar de helft van de bestuurders aangeduid zijn door de aandeelhouder. Twee ervan zijn respectievelijk aangeduid door de VVSG en door het Minderhedenforum en vier zijn onafhankelijke bestuurders. Het is een relatie van zes/zes. Ik daag u uit om eender welke vennootschap of vereniging te vinden waar de aandeelhouder zijn bestuurders niet aanduidt. Ik vraag u met aandrang om te kijken over alle bestuursperiodes heen. Het is heel logisch, denk ik, dat een regering, een aandeelhouder, degene die gemandateerd wordt in de raad van bestuur, ook aanduidt. Maar nog eens, hier is het maar zes/zes.

U zegt dat mijn passage op Integratie niet onopgemerkt zal zijn en u spitst zich, net als diverse collega’s, toe op het extern verzelfstandigd agentschap. Ik betreur dit, precies omdat het afbreuk doet aan wat we in de loop van de voorbije periode toegevoegd hebben aan het beleid. Ik heb al diverse keren gezegd in de commissie dat ik het werk van iedereen, ook van mijn voorgangers, daarin apprecieer. Ik heb altijd gezegd dat ik het betreur dat Vlaanderen pas achttien jaar nadat het bevoegd was voor inburgering en integratie, het eerste decreet heeft goedgekeurd. Dat gebeurde in 1998, en toen was Vlaanderen dus al achttien jaar bevoegd. In 2003 is er een bijkomende stap gezet met betrekking tot verplichte inburgering.

Nu hebben wij met ons nieuw decreet ook de stap gezet naar een andere klemtoon. De klemtoon ligt op integratie. Dat is het precies het horizontale beleid. Ik ben het absoluut niet met u eens dat we er niet in slagen om dat horizontale beleid niet te voeren.

Ik heb heel sterk de nadruk gelegd op het lokale beleid, om te beginnen. Het aantal lokale integratiediensten is ongeveer verdubbeld in deze periode.

Ik heb altijd gezegd, van bij mijn aantreden, dat we erin moeten slagen om het lokale beleid in het integratiebeleid in te schakelen. Daar gaan de mensen wonen, daar hebben ze hun buurtschap, daar lopen hun kinderen school, daar kunnen ze participeren aan het verenigingsleven, daar participeren ze aan de lokale democratie. Ik heb alle besturen uitgenodigd om niet alleen de nieuwkomers die van een andere gemeente komen, plechtig te ontvangen op het stadhuis, maar ook de nieuwkomers uit andere landen. Ik zie tot mijn vreugde dat steeds meer steden en gemeenten dat doen en dat dit heel sterk bijdraagt aan een eerste contact, wat mij betreft liefst in de aanwezigheid van het oudercomité, het buurtcomité, en van het sport- en verenigingsleven.

Wij hebben zeer sterk horizontaal werk geleverd. Ik heb al gerefereerd aan het taalniveau dat we optrekken in inburgering, maar we doen ook belangrijke inspanningen in het onderwijs. In het Onderwijsdecreet XXIII gaan we naar een taalscreening. Voor kinderen die naar het eerste leerjaar gaan, zorgen we ervoor dat ze de achterstand die ze oplopen in het schooltraject vanwege het gebrek aan taalkennis, kunnen bijbenen via een taalbad of bijkomende lessen. Hetzelfde geldt bij de overgang naar het secundair onderwijs. Minister Muyters levert heel veel werk met de VDAB. Heel wat mensen krijgen een jobopleiding. Bij die opleiding krijgen ze bovendien praktisch gerichte cursussen Nederlands. Dat gebeurt evenzeer in het horizontaal integraal beleid in welzijn. Dat gebeurt ook in het armoedebeleid en in zoveel andere sectoren. Dat is een nieuwe stap die we hebben gezet.

Mevrouw Zamouri, ik neem het niet dat u mij ervan beschuldigt dat er stilstand is en dus geen vooruitgang in dat beleid. We kennen de indicatoren en die indicatoren zijn inderdaad niet goed voor België in zijn geheel. Voor Vlaanderen zijn ze relatief beter of minder slecht. Wat de achterstandspositie van de nieuwkomers betreft, is de armoedegraad 3,8 keer zo groot. De indicatoren in onderwijs staan op rood. De tewerkstellingsparticipatie is bedroevend laag. Alleen in Polen en Turkije is ze lager dan in België. Maar dan moet u ook de intellectuele eerlijkheid hebben om de hele keten te bekijken.

In België komt 85 procent binnen bij wat men de passieve migratie noemt. Het gaat dan over asiel, regularisatie en gezinshereniging. 15 procent betreft economische of studiemigratie. Het gemiddelde in de EU bedraagt 46,5 procent voor wat de economische migratie betreft. Men vertrekt aan de basis met een totaal andere populatie. Van die 85 procent van de mensen die binnenkomen, is 38,5 procent laaggeschoold en is 11 procent analfabeet. Ik daag u uit om met inburgering en integratie die mensen op één generatie toe te leiden naar universitaire scholing en hooggekwalificeerde jobs. Ik wens u daar succes mee. Er komen gelukkig ook mensen die daar wel in slagen.

Wat ons echter bedroeft, is dat in de tweede en vaak ook in de derde generatie men nog altijd in deze cyclus zit. Dat heeft ook te maken met heel veel volgmigratie. Ik verwijs naar Houthalen-Helchteren, meer bepaald de Meulenbergrellen. Ik heb toen de integratiemonitor, nog een realisatie in deze regeerperiode, opgemaakt per gemeente. In Houthalen-Helchteren was er in 2012 50 procent volgmigratie. We moeten dus roeien met de riemen die we hebben.

Een op vijf mensen die binnenkomen, behoort tot de doelgroep verplichte inburgering. Vier op vijf zijn niet verplicht. Dat is een reusachtige uitdaging. Gelukkig kunnen we er met het EVA in slagen om de kennis en de ervaring die is opgebouwd in Brussel, te delen en in te zetten op rechthebbenden.

Een aantal mensen hebben gewezen op de duo’s, op de oefenkansen voor Nederlands enzovoort. Mijnheer Caron, ik weet dat u tegen veranderingen bent. U bent tegen het EVA, u bent nu blijkbaar ook tegen BBC. De minister-president heeft al opgemerkt dat Groen daar blijkbaar problemen mee heeft. Op het terrein zijn heel veel mensen blij dat ze kunnen werken voor het EVA. Ik neem uw toch wel goedkope beschuldiging over de moslimerkenningen niet.

U weet dus heel goed dat de executieve platligt en dat er zelfs geen enkele voordracht kan gebeuren. Een beetje intellectuele eerlijkheid, alstublieft.

Ik werk aan een charter met alle levensbeschouwingen, religieuze en niet-religieuze. Het loopt niet van een leien dakje. Iedere levensbeschouwing verenigt zich rond onze normen en waarden gebaseerd op de Verlichting, onze – relatieve – scheiding tussen Kerk en Staat, op een pluralistische samenleving. Het loopt een beetje moeilijk om dat uitgerekend de katholieke kerk moeilijk doet om daaraan te participeren, terwijl het juist zo belangrijk is om alle religies, alle levensbeschouwingen, ook die van de moslimgemeenschappen die daar heel positief tegenover staan, daarin te betrekken. Dat er op dat vlak geen initiatieven zijn, betwist ik dus ten zeerste.

Mevrouw Pehlivan, we zullen het starterspakket evalueren. Waar ligt de oorzaak? Zijn het de federale ambassades, de consulaten die ze niet uitdelen? Ik weet het niet. Ik heb u de naakte cijfers gegeven. We zullen die evalueren.

Wat de managers van diversiteit betreft, betreur ik het met u dat ik een aantal nieuwe proefprojecten niet heb kunnen realiseren. Ik heb gemeend dat ik in tijden van budgettaire schaarste, waar ik geen euro over had voor het reguliere beleid, eerst het reguliere beleid moest afwerken. Zoals u weet, heeft het EVA wel degelijk de opdracht om ook proefprojecten te doen.

Voorzitter, ik kom tot het Binnenlands Bestuur. Er was hier heel veel discussie over de nieuwe beleids- en beheerscyclus. Ik hoor tegengestelde meningen. Ik ben het eens met de mensen die zeggen dat het een instrument is dat toelaat om op hoofdlijnen discussie te voeren. Dat zou veel meer moeten gebeuren in onze gemeenteraad. U weet dat ik de klemtoon leg op een gemeenteraad die gaat over alle strategische beslissingen, wat mij betreft ook in het sociaal beleid. Gemeenten en OCMW’s dragen sterk bij aan de integratie. Ik zie dat ook in mijn eigen gemeenteraad. Er wordt nu op hoofdlijnen ook over het sociaal beleid gediscussieerd. Ik weet ook dat het nog in een inloopfase zit. Het is ingewikkeld. Sommige steden en gemeenten zijn al twee jaar piloot, andere steden en gemeenten vallen er nu pardoes in.

Ik kan u nu al zeggen dat ik ervaar dat de kwaliteit van de strategische visies, van de beleidsvisies enorm verschilt. Dat heeft niet altijd te maken met de grootte van de gemeente. Er worden prachtige werkstukken afgeleverd, maar bij andere maak ik mij de bedenking dat het veel beter had gekund, zeker in het licht van de bestuurskracht van de betrokken stad of gemeente.

Mijnheer De Loor, u hebt gelijk dat het bewustzijn over de bestuurskracht gegroeid is. Ik heb daar in bescheiden mate toe bijgedragen. Al het voorbereidend werk om in de toekomst beslissingen te nemen, is genomen met de regioscreening en het voorbereidend werk. Dat is ook bevestigd in de commissie Binnenlands Bestuur door leden van de oppositie.

Mijnheer De Loor, ik wil nog aanvaarden dat u het over Zottegem en Antwerpen hebt. Maar elke gemeente zal niet hetzelfde niveau van dienstverlening kunnen geven als Antwerpen. Laten we wel wezen: u kunt het debat over de bestuurskracht niet aankaarten en dan zeggen dat er in elke gemeente, van de grootste stad van Vlaanderen tot de kleinste gemeente, een gelijke graad van dienstverlening moet zijn. Ik denk dat dit tot de wensdromen behoort.

Collega’s, de gemeentelijke financiën staan onder druk. Ik ben blij dat hier stilaan het besef groeit dat een pak kostendrijvers op het federale niveau zitten. Ik zeg dat niet polemisch. Het is gewoon een vaststelling: politie, brandweer en pensioenen zijn federale materies.

De Nationale Bank heeft die opdracht gekregen op het overlegcomité en heeft gezegd dat ze dat niet kan. De Hoge Raad van Financiën is, nadat de Nationale Bank de handdoek in de ring geworpen had, ermee belast na te kijken wie van de Entiteiten I en II waarvoor verantwoordelijk is. Ik hoop dat die oefening op een correcte manier gebeurt en dat we daar ook conclusies uit kunnen trekken.

Mevrouw Heeren, ik heb nog nooit met zoveel plezier naar een betoog van de heer Verfaillie geluisterd als vandaag. (Gelach. Applaus)

Het was een bijzonder aangenaam betoog. Niettemin heb ik een aantal opmerkingen. Ten eerste is het een collegiale beslissing van de regering. Ten tweede sta ik achter die beslissing, net als mijn collega’s. Het gaat over 2 procent van het provinciale budget. De provinciale budgetten staan veel minder onder druk dan die van de gemeenten. De provincies hebben stabiele inkomsten. Onroerende voorheffing is de hoofdmoot van de inkomsten. Gemeenten staan met de personenbelasting veel meer onder druk. Ik denk dat 2 procent voor elke provincie moet kunnen worden opgevangen.

Mevrouw Heeren en andere collega’s die het woord hebben genomen, ik geef u een voorbeeld. In mijn beleidsdomein Bestuurszaken heb ik over de hele periode, los van het Gemeentefonds, het Stedenfonds en dergelijke, een stijging van 0,5 procent van de beleidskredieten, ondanks het feit dat de indexatie in die periode 11 procent bedroeg en dat er vier indexsprongen waren. Mijn apparaatskredieten zijn zelfs gedaald. Heel de periode lang heeft mijn beleidsdomein Bestuurszaken het moeten doen met een stijging van 0,5 procent tegenover een gezondheidsindex van 11 procent. De fondsen zijn gestegen, dat is terecht aangehaald. Het Gemeentefonds is cumulatief blijven stijgen. Het Stedenfonds is evenzeer cumulatief blijven stijgen. Als je die eruit haalt, dan kom je tot 0,5 procent. Dat toont inderdaad aan, mijnheer Meremans, dat er moet kunnen worden bespaard.

U zult zich herinneren dat ik van meet af aan de steden en gemeenten heb opgeroepen om niet te beknibbelen op investeringen maar wel efficiëntieoefeningen op het apparaat te doen. Heel wat steden zijn daarmee bezig. BBC moge bijdragen tot meer debat op hoofdlijnen in de steden en gemeenten. Ik denk dat we met de vele hervormingen die we hebben doorgevoerd, namelijk het afschaffen van de planlasten, de interne staatshervorming en de samenwerking gemeente-OCMW, heel ver gevorderd zijn inzake ons binnenlands bestuurlijk apparaat.

Tot slot, collega’s, wat betreft interbestuurlijke samenwerking (IBS) en intergemeentelijke samenwerking (IGS) zijn we begonnen met discussies op meerderheidsniveau. Ik heb dat ook meegedeeld in de commissie. Ik hoop dat we nog kunnen landen. Als er akkoorden zijn, kunnen we wat mij betreft nog altijd met een voorstel van decreet daaromtrent werken. Maar alles is op zijn tijd gebeurd en ook dit gebeurt op zijn tijd. (Applaus bij de N-VA)

Mevrouw Khadija Zamouri

Minister, dank u wel voor uw uitgebreid antwoord. Ik wil even verduidelijken dat ik met mijn uiteenzetting zeker geen afbreuk wil doen aan het feit dat er een EVA is gekomen, integendeel. Ik blijf zeggen dat die EVA-structuur er moest zijn, want er was een grote versnippering binnen het veld. Ik herhaal dat om duidelijk te zijn. Heel het integratieveld is jammer genoeg dikwijls een bollenwinkel van menig minister geweest om hier en daar postjes uit te delen. Ik steun u daar nog altijd in. Ik heb dat meer gezegd om te zeggen dat het uw verdienste is. Dat is een ding dat ik duidelijk wil stellen.

Mijn aandachtspunt was de bevoegdheid die horizontaal gaat. Ik ga ook naar de andere commissies waar uw collega-ministers worden ondervraagd. Nog vorige week was ik in de commissie Onderwijs, waar ik aan minister Smet net hetzelfde vroeg: hoe komt het dat in het onderwijs jongeren van een bepaalde origine zich met heel grote aantallen bevinden in het buitengewoon onderwijs bijvoorbeeld? Hoe komt het dat jongeren van een bepaalde origine zonder diploma afstuderen? Ik zal die vragen ook consequent stellen aan andere ministers. Ik ben trouwens ook al eens op bezoek geweest bij de minister van Werk. Ik doe die dingen wel, ik probeer dat op te volgen.

Uw collega-minister Smet antwoordde mij: mevrouw Zamouri, u moet weten dat dat jongeren zijn uit gezinnen die analfabeet zijn, die uit bergstreken en landbouwgebieden komen. Maar ik was ook zo iemand, heel mijn generatie was ook zo. Ik heb het niet alleen over mezelf. Onze ouders waren ook analfabeet. Maar het grote verschil is dat er toen een warme samenleving was. Er was een samenleving die geloofde in ons en die ons kansen gaf. Ik heb dat toen ook in de commissie gezegd. Ik heb tot het eerste leerjaar half in het Arabisch en half in het Nederlands tegen de leerkracht gesproken. Als het toen mogelijk was dat wij kansen kregen in het onderwijs en in werk, waarom kan dat dan nu niet? Uiteraard weet en besef ik ook wel dat er vandaag veel meer mensen zijn. Dat bedoelde ik met mijn vraag hoe Vlaanderen ook zal integreren.

De allochtonen proberen en doen hun best, maar de mentaliteit moet opnieuw openstaan. Men moet er opnieuw in geloven. Ik weet dat dat niet eenvoudig is, vandaar misschien mijn negatieve benadering en mijn vraag: hoe komt het toch dat die cijfers continu slechter en slechter worden en de kloof op alle vlakken groter wordt? Ik hoop dat u nu beter kunt plaatsen waarom ik mijn betoog op die manier heb gehouden.

De heer Bart Caron

Minister, het is een beetje flauw dat u zegt dat Groen tegen verandering is. Dat zijn zo van die platen die u het best eens afzet: het is al de tweede deze namiddag die dat liedje probeert te zingen. Wij erkennen de kracht van het middenveld. Dat is zo. Men moet echter ook durven in te grijpen en kunnen ingrijpen, als dat moet. Met het EVA hebt u echter gewoon de bomen en het bos afgezaagd en een nieuw bos geplant, en u denkt dat u dan een mooier bos zult overhouden. Enfin, u doet maar.

Het merkwaardige is dat we met betrekking tot het beleidsdomein zelf vaak veel punten van uw analyse delen, bijvoorbeeld als het gaat over achterstanden qua werk en onderwijs. Alleen delen we duidelijk niet de recepten, de oplossingen. Het zij zo. Ik zal in dit korte bestek geen poging doen om daarop in te gaan.

Wat BBC betreft, herhaal ik wat ik daarnet heb gezegd: voor mij moet het instrument absoluut worden versterkt en verbeterd, na evaluatie. Het is nog iets te vroeg daarvoor. Het was echter toch de bedoeling om de lokale democratie te versterken, de gemeenteraad te herwaarderen en de discussie op hoofdlijnen te kunnen voeren. Wel, dan moeten we met zijn allen op dit niveau afdwingen dat het instrumentarium daarvoor ook op tafel kan liggen ter plaatse, en daar zijn we nog niet aan toe.

Mevrouw Fatma Pehlivan

Minister, dit was uw laatste beleidsbrief. Ik kan de frustratie begrijpen die mevrouw Zamouri hier tentoonspreidt. Ik zit zelf met dezelfde frustratie. U weet ook dat we ons in de commissie telkens hebben gemengd in het debat. Men moet wel een verschil maken tussen de nieuwkomers en de anderen, de oudkomers. Op den duur weet ik niet meer welke naam ik daaraan moet geven: allochtonen, medeburgers, nieuwe Vlamingen. Men kan er diverse namen aan geven. Dit is niet persoonlijk op u gericht, maar er is frustratie. Ik hoop dat heel veel collega’s die frustratie met mij delen. We zien al die cijfers, al die onderzoeken. Elk jaar worden we geconfronteerd met PISA, met de OESO, met cijfers van de integratiesector waaruit blijkt dat er een achterstand is. De armoede is veel groter bij die groep. Er is discriminatie: 50 procent wil niet naast iemand met een andere kleur wonen. Wel, minister, dit is pijnlijk: pijnlijk voor ons, maar ook voor heel veel collega’s, meen ik, die samen met ons de toekomst van Vlaanderen willen maken. We moeten daarin blijven investeren. Het gaat niet over u alleen. Dat moet ook gebeuren vanuit Onderwijs, de VDAB, Werk, de armoedebestrijding, dus door de hele Vlaamse Regering. Dat moeten we doen, niet alleen omwille van die groep, maar voor de toekomst van onze samenleving, om te maken dat we niet met grotere problemen zouden worden geconfronteerd. (Applaus van mevrouw Zamouri en van de heer Caron)

Zowel de Turkse gemeenschap als de Marokkaanse herdenkt in 2014 vijftig jaar migratie. Dat is geen viering. Ik hoopte dat er een viering zou zijn, maar dat is het niet.

Minister, ik heb nog een bijkomend punt, dat ook een persoonlijk feit is. Ik vind dat persoonlijke verhalen eigenlijk soms meer indruk maken dan alle verhalen die we in boekjes lezen. Mijn dochter is teruggekeerd naar Istanbul, maar ze werkt wel in een Vlaams bedrijf, dat het bejaardenzorgsysteem van Vlaanderen wil promoten in Istanbul. Zij heeft het hier eigenlijk wel gemaakt. Ze heeft twee universitaire diploma’s. Ik betreur dat wij die jonge mensen hier aan het verliezen zijn. Er zullen er nog volgen. Dat zouden we eigenlijk moeten vermijden, want zij horen hier thuis. Dit is hun land. Ze zijn hier geboren en getogen. Ik hoop dat we verder blijven investeren in hen. (Applaus bij sp.a, Open Vld en Groen)

Voorzitter, ik zit niet in de commissie in kwestie, maar ik heb vorige week in de commissie nog over hetzelfde onderwerp van gedachten gewisseld met mijn twee goede collega’s, mevrouw Pehlivan en mevrouw Zamouri. Ik denk dat de minister ook heel duidelijk is geweest in zijn antwoord. Ik deel de bekommernis van de dames, maar de minister heeft in zijn antwoord ook heel duidelijk aangegeven hoe complex de situatie in Vlaanderen is, met de volgmigratie en noem maar op. Het zijn steeds opnieuw uitdagingen. Ik meen dat we ons – en elkaar – allemaal kunnen vinden in het verhaal van de rechten en plichten die we allemaal hebben ten opzichte van elkaar. Laten we er samen dan ook werk van maken.

Mevrouw Güler Turan

Minister, in het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) staat België als derde laatste opgelijst, voor Turkije en Polen. In de commissie hebben wij het daarover al enkele keren gehad. Het is niet juist dat België en Vlaanderen migranten met een ander profiel aantrekken dan de landen die beter dan wij scoren. Voorts is het zo dat de werkloosheid geen probleem is van taal of integratie. Hoogopgeleide jongeren van allochtone origine komen ook niet aan de bak.

Minister Geert Bourgeois

Mevrouw Turan, alle cijfers tonen aan dat ik gelijk heb. Voor de hele Europese Unie is het aandeel van de economische migratie 46 procent, terwijl dat bij ons 15 procent is. Dat is een significant verschil. Veel mensen die bij ons arriveren, zijn laaggeschoold. Wij leiden hen toe naar de centra voor basiseducatie. Wie dat ontkent, miskent de realiteit. U hebt een punt wanneer u zegt dat ook mensen met een diploma vaak onder hun niveau worden tewerkgesteld, of niet aan een job geraken. Discriminatie moet worden bestreden. Op dat vlak moet de overheid het voorbeeld geven, en de media moeten daar aandacht voor opbrengen.

Mevrouw Pehlivan heeft ook gelijk: het zal nog meer gebeuren dat mensen migreren, zoals er vandaag al mensen terugkeren naar Turkije. Wij leven in een wereld van migratiebewegingen. De mensen die terugkeren, zijn overigens ook niet allemaal eenduidig positief. Velen klagen over het gebrek aan openheid en over discriminaties, maar dit terzijde.

Collega’s, wij zijn geen eilandje. In Le Monde van gisteren of eergisteren stonden drie pagina’s over discriminatie in Frankrijk. Het is een groot maatschappelijk probleem. Het klopt dat er mensen zijn die geen kansen krijgen, maar er zijn er ook die de kansen niet grijpen. Het intrigeert me dat er mensen van de tweede generatie zijn die wel slagen, en anderen dan weer niet. Vaak zijn het jonge vrouwen die slagen, terwijl verhoudingsgewijs jonge mannen niet slagen. Hoe komt dat? Is die ontvangende samenleving plots zoveel minder warm geworden? Is het onderwijs zoveel minder sociaal? Is er zoveel minder begeleiding? Ik denk het niet. Er zijn veel oorzaken. Wij zijn het allemaal eens met wat mevrouw Pehlivan heeft gezegd: een horizontale aanpak is nodig. Het is een zaak van de ontvangende samenleving én van de nieuwkomers. Ik ben in Nederland geweest, bij PvdA-minister Asscher. Daar hanteert men een eenzijdige aanpak: de ontvangende samenleving legt de nieuwkomer plichten op, en die moet het dan maar zelf allemaal uitzoeken. Wij zullen zien welk model op termijn de beste resultaten oplevert. Ons beleid heeft kans op slagen, maar de cijfers tonen ook aan dat wij nog ver verwijderd zijn van een verdeeld verleden en een gedeelde toekomst.

De voorzitter

Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed

Wij bespreken nu het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed. De vragen over Woonbeleid zullen worden beantwoord door minister Lieten.

De heer Penris heeft het woord.

De heer Jan Penris

Voorzitter, minister, collega's, uw briefje aan uw partijgenoot, minister Bourgeois, was veelbetekenend. Ik moest onmiddellijk denken aan de Duitse politiek-correcte dichter Goethe, die het volgende zei:

"Wer großes will muß sich zusammen raffen.
In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister
Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben."

Ik probeer hier in enkele minuten mijn carrière samen te vatten. Ik heb hier vier legislaturen mogen dienen, waarvan drie legislaturen als voorzitter van de commissie Wonen.

Minister, de eerste legislatuur was verwarrend voor mij omdat ik het dossier niet helemaal beheerde, maar ook omdat er op dat moment vier ministers aantraden: een aantal van uw voorgangers en een aantal van andere partijen. Het woonbeleid was op dat moment niet helemaal duidelijk.

In de tweede legislatuur was het minister Keulen die goed werk heeft geleverd en die vooral inzette op het verwerven van eigendom, maar toen al werd geconfronteerd met de permanente vraag hoe we het structureel tekort waarmee we in onze sociale woningpolitiek worden geconfronteerd, gaan oplossen. Vandaag stellen we die vraag nog, maar het is pas in de laatste legislatuur dat ze wordt gekoppeld aan een meer fundamenteel debat: hoe gaan we om met ons sociaal woonbeleid? Is sociaal wonen volkswonen of is het dat niet?

Ik heb genoten van dat debat, want het was een interessant debat. Ik heb een scheiding gezien in dit parlement die een beetje tegennatuurlijk was. Groen, Open Vld en LDD bevonden zich aan de ene kant, met de mededeling dat sociaal wonen voor de zwaksten in onze maatschappij moet zijn. CD&V, sp.a en het Vlaams Belang stelden: neen, sociaal wonen is volkswonen. Wat de N-VA daarover te zeggen had, is nog altijd onduidelijk want ze hebben nog altijd niet geantwoord. Ik heb hen dikwijls gekieteld en uitgedaagd, maar ze hebben geen antwoord gegeven.

Dit debat is interessant en heeft me intellectueel geprikkeld, en ik hoop dat het in de volgende legislatuur zal worden voortgezet. Maar dat mag ons niet ontslaan van de praktische vragen die er in de marge van zo’n debat naar boven komen. Hoe kunnen we ons sociaal woningpatrimonium uitbreiden? Er zijn er die daar ideeën over hebben, er zijn er die daar geen ideeën over hebben. De volgende legislatuur zal daar concrete antwoorden op moeten geven. In het bijzonder: hoe gaan we om met de grote gezinnen die vragen naar sociale woningen?

Ik heb twintig jaar dienstbetoon achter mij, maar het meest schrijnende geval dat ik ooit heb mogen meemaken, was een jonge moeder met twee tieners van twaalf en dertien jaar, een jongen en een meisje, die vroeg om een sociale woning. De sociale woningmaatschappij antwoordde: we kunnen die moeder niet helpen, want volgens het reglement moeten we aan die moeder een huis ter beschikking stellen met minstens drie kamers, een kamer voor de moeder, een kamer voor de jongen en een kamer voor het meisje. In dat geval is de wachttijd tien jaar. In wat voor een samenleving leven wij? Dat vind ik totaal onrechtvaardig. Die mama die mij is komen vinden op mijn sociaal dienstbetoon, staat niet alleen. Achter haar zijn er nog anderen, niet alleen mama’s, maar ook papa’s die zich in dezelfde situatie bevinden. In welke maatschappij leven wij als we dat soort mensen tien jaar op een wachtlijst moeten plaatsen?

We moeten de wachtlijsten verkorten. Dat wordt de ambitie, neem ik aan, van de volgende minister van Wonen. Ook inzake renovatie hebben we heel wat in te halen. We kennen de cijfers. We moeten er ook rekening mee houden dat de mensen die in een gerenoveerde woning terechtkomen, een billijke verhuispremie krijgen en dat ze de voorrang behouden om in hun oude woning terug te keren aan een billijke prijs. Ook dat zijn gevallen die in mijn dienstbetoon aan bod zijn gekomen.

Als je vandaag wordt geconfronteerd met sociaal dienstbetoon – mevrouw Heeren, u zult ook wel in dat geval zijn –, dan zult u merken dat het niet zozeer de kost van de huur is, maar de kost van de huurlast die op een tamelijk onrechtvaardige manier aan de huurders in onze sociale woningmaatschappijen wordt opgelegd. Hoe gaan we daarmee om?

In een aantal maatschappijen wordt zelfs geen verantwoording afgelegd over de wijze waarop die sociale huurlasten tot stand komen.

Mevrouw Heeren, u kunt hiermee lachen, maar ik weet dat u hiermee tijdens uw sociaal dienstbetoon ook wordt geconfronteerd. Mensen brengen u ook deze boodschap. Ze vragen zich af hoe ze aan zo hoge bijkomende gas-, elektriciteits- en waterkosten komen. Ze vragen zich af of ze geen aparte meters kunnen krijgen. Sommige maatschappijen staan dat toe. Andere maatschappijen doen dat niet. Zou het niet billijk zijn elke sociale huurder over een aparte meter te laten beschikken? Op die manier zou hij of zij op een verantwoorde manier met het eigen elektriciteits-, gas- en waterverbruik kunnen omgaan.

Minister, er zijn in Vlaanderen gelukkig ook veel bewonersgroepen die naar ons terugkoppelen en die ons, politici, melden welke noden er in hun woonomgevingen zijn. We moeten die bewonersgroepen op een degelijke wijze erkennen. Ik weet dat u dat op het niveau van de Vlaamse overheid zeer goed doet. Ik hoop dat de ondergeschikte bestuursniveaus dit ook zullen blijven doen.

Bij wijze van afsluiting wil ik nogmaals Goethe citeren: “das Gesetz nur kann uns Freiheit geben”. Goethe had gelijk. Goethe was een liberaal, een vrijdenker en een vooruitziend man. Er komt een belangrijke ‘Gesetz’ naar het Vlaams Parlement. In de loop van de volgende legislatuur zal de hele huurwetgeving worden herdacht en herschreven. Dat zal een interessant ideologisch debat worden.

Minister, ik wil van de gelegenheid gebruik maken om mezelf nog even te herhalen. U moet van deze gelegenheid gebruik maken om als een napoleontisch wetgever op te treden. Napoleon heeft niet alles goed gedaan, maar op dat vlak heeft hij het heel goed gedaan. U moet als napoleontische wetgever optreden. U moet die nieuwe wetgeving voor eens en voor altijd opnieuw duidelijk, verstaanbaar en begrijpelijk maken voor de kleine man en de kleine vrouw in onze Vlaamse samenleving. U moet ervoor zorgen dat niemand nog bij een betwisting naar een advocaat moet stappen. U moet van de gelegenheid gebruikmaken om een nieuwe Vlaamse huurcodex op te stellen waarvan iedereen literair en juridisch kan genieten. Ik wens u veel succes.

De voorzitter

Mevrouw Van Volcem is ingeschreven als spreker, maar is niet aanwezig. Ik heb geen verontschuldiging ontvangen. (Opmerkingen van de heer Bart Tommelein)

Mijnheer Tommelein, in dat geval moet ze zich laten verontschuldigen.

Mevrouw Hostekint wordt door een andere spreker vervangen.

De heer Vandaele heeft het woord.

Voorzitter, de heer Penris heeft blijkbaar een soort afscheidsspeech gehouden. Aansluitend bij zijn redevoering wil ik erop wijzen dat Goethe op zijn sterfbed om meer licht heeft gevraagd. Dat was vorige week, toen we hier allemaal in het donker zaten, beter van toepassing.

Minister, dit zijn de laatste beleidsbrieven in uitvoering van de beleidsnota 2009-2014. Ik zal met het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening beginnen.

De klemtoon ligt op de afronding van de projecten die al enige tijd worden voorbereid. Omwille van de continuïteit wordt het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) verder uitgevoerd. De destijds afgesproken oppervlakte voor de diverse bestemmingen is met betrekking tot heel wat thema’s immers niet bereikt. Wat natuur betreft, is 41 procent gerealiseerd. Wat bos betreft, is slechts 23 procent gerealiseerd. Het gaat ook in de andere richting. Het aandeel van landbouw is met 36 procent gedaald. 

We moeten, hoe moeizaam een en ander ook moge verlopen, voortwerken aan de afbakeningsprocessen voor de stedelijke gebieden en aan de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur (AGNAS). In de toekomst zal het Beleidsplan Ruimte het nieuwe langetermijnplan worden. Dit plan moet ons de mogelijkheid bieden dynamischer op de ruimtebehoeften in te spelen.

In de laatste rechte lijn wordt de laatste hand gelegd aan een vlotter instrumentarium. Ik denk aan de omgevingsvergunning, aan het decreet inzake complexe projecten, aan de digitalisering van aanvragen en vergunningen, aan de ontvoogding van alle gemeenten tegen 2015. Ik denk ook aan het structurele remediëren van het integratiespoor plan-MER en RUP.

Minister, onze fractie zal voluit meewerken om wat nog op de plank ligt, deze legislatuur uit te werken. Het is nog heel wat. Het gaat ook over de harmonisering van het instrumentarium voor de compensatie van bestemmingswijzigingen. Het gaat om signaalgebieden. Om dat allemaal uit te werken, kunt u zeker op onze steun rekenen.

Mevrouw de minister, onlangs kwamen belangrijke onderdelen van het Grond- en Pandendecreet op de helling: ten eerste de verplichting voor privéverkavelaars om een deel van hun project sociaal in te vullen en ten tweede de mogelijkheid om in bepaalde gevallen voorrang te geven aan mensen die een band met de streek kunnen aantonen. Dit ‘Wonen in eigen streek’ was bedoeld als een sociale maatregel in een selectie van gemeenten waar er een grote druk bestaat op de woonmarkt. Wij rekenen erop, minister, dat we de oorspronkelijke doelstellingen van sociaal wonen en ‘Wonen in eigen streek’ blijven nastreven, waar nodig met een aangepast of verfijnd instrumentarium.

Wat onroerend erfgoed betreft, is er heel wat gebeurd. Het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet werd deze zomer goedgekeurd in het parlement, na een jarenlange voorbereiding. Het nieuwe decreet vervangt oude decreten en een wet en implementeert het Europees Verdrag van Malta met betrekking tot het archeologisch erfgoed. Het decreet geeft de steden en gemeenten meer verantwoordelijkheid en inspraak. Ik hoop dat zij die opdracht ernstig nemen.

De Vlaamse Regering heeft het afgelopen jaar het ondernemingsplan van de nv Vlaamse Erfgoedkluis goedgekeurd, een vereniging naar analogie van The National Trust. De Vlaamse Erfgoedkluis is een investeringsfonds. Het geeft geen subsidies, maar verstrekt alternatieve financieringen voor restauraties en herbestemmingen.

Herita vzw ontstond in september 2012 door de fusie van Erfgoed Vlaanderen, het Forum voor Erfgoedverenigingen en het Vlaamse Coördinatiecentrum Open Monumentendag. We hebben het Agentschap Onroerend Erfgoed eengemaakt.

Ten slotte is er het onvolprezen project 100 jaar Groote Oorlog. Deze herdenking moet voor mij niet alleen het historische materiaal opwaarderen, maar ook een duidelijke klemtoon leggen op de gedachte van pacifisme en ‘Nooit meer oorlog’. Het moet Vlaanderen op de kaart zetten als een zelfbewuste, verdraagzame samenleving.

Net zoals het beleid Ruimtelijke Ordening en de begroting daarvan, steunen wij uw beleid Onroerend Erfgoed.

De voorzitter

Mevrouw De Waele heeft het woord.

Mevrouw Patricia De Waele

Voorzitter, collega’s, traditioneel is de meerderheid tevreden over haar werk, de meest kritische bedenkingen komen van de oppositie. LDD heeft de beleidsbrief kritisch geanalyseerd, doch vooral met het oog op constructieve voorstellen. Wij willen die voorstellen doen om het Vlaamse woonbeleid alsnog beter te dienen. Het Vlaamse woonbeleid, mijnheer Penris, is voor ons veel ruimer dan het sociale woonbeleid alleen.

Collega’s, het is positief dat de minister minstens luistert naar onze constructieve voorstellen. Zo neemt ze voorzichtige initiatieven om de toekenningscriteria voor een huurpremie bij te sturen. U herinnert zich beslist ook nog onze strijd tegen de leegstand van sociale huurwoningen. Ook toen heeft de minister naar ons geluisterd. Recent nam ze het initiatief om de gemeenten aan te manen hier iets aan te doen.

U herinnert zich ook ongetwijfeld onze oproep om woningcontroleurs en personeel van sociale verhuurkantoren beter op te leiden.

Wij juichen ook het onderkennen van de noodzaak van een degelijke opleiding toe.

Collega’s, tot daar de positieve punten. Volgens de LDD-fractie vertoont de beleidsbrief frappante hiaten, voornamelijk op het vlak van bescherming tegen misbruiken. Zo vermeldt de beleidsbrief niets over sociale fraude in de sociale huisvesting, nochtans een huizenhoog probleem. Sociale fraude wordt daarenboven nog gefaciliteerd door het uitblijven van degelijke gegevensuitwisseling over eigendommen vanuit het buitenland.

De sociale huurder geniet niet dezelfde bescherming als de private huurder. Meer bepaald inzake de mogelijkheden tot uithuiszettingen en bij afrekeningen en terugbetalingen van waarborgen.

We zien dat de private huurmarkt op het vlak van de woningkwaliteit veel beter scoort. Wellicht werpt het beleid zijn vruchten af. Maar we mogen niet blind zijn voor een nieuwe ongewenste trend in de private huurmarkt, die van de malafide huurder. Eigenaars die een met de Wooncode conforme woning vernield zien door een huurder, hebben immers geen verweer. LDD is van oordeel dat die eigenaars dringend beschermd moeten worden. Daarom vinden wij het noodzakelijk dat documenten, zoals de staat van bevinding en conformiteitsattesten, als tegensprekelijk bewijs kunnen dienen bij een wooninspectie. Evenzeer zou de malafide huurder zijn recht op voorrangsbehandeling moeten verliezen. De LDD-fractie betreurt dat er op dat vlak geen initiatieven genomen worden en dat de gesubsidieerde huisvesting evolueert naar een markt voor de betere huurder en dat de private markt de meest kwetsbare huurders moet opvangen.

Wij vinden dan ook dat het beleid een kaas met vele gaten is. Enerzijds worden vele verwachtingen geschapen, anderzijds laat men na rechtszekerheid te bieden en worden misbruiken ongemoeid gelaten. Heeft de minister onvoldoende visie gehad om de regering een modern woonbeleid voor te leggen? Of hebben de regeringspartners de minister in een keurslijf gehouden? Wij zullen het niet weten, maar met het voorgelegde palmares moeten wij vaststellen dat de regering er niet in geslaagd is om de doelstellingen te bereiken. Misschien is de regering er wel in geslaagd om meer gefrustreerde mensen voort te brengen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

Collega’s, sta mij toe dat ik het hier heb over Ruimtelijke Ordening. Mijn collega mevrouw Heeren zal het vanuit onze fractie zo dadelijk hebben over Wonen.

Minister, u weet dat de grootte van de begroting voor Ruimtelijke Ordening omgekeerd evenredig is met het belang van beleidsdomein Ruimtelijke Ordening. Dat geldt meer dan ooit voor het komende halfjaar. Ik verwijs even naar de commissie-Sauwens, die drie jaar geleden terecht fier vanuit dit parlement kamerbrede aanbevelingen formuleerde voor de Vlaamse Regering. Daarmee werd dan aan de slag gegaan. We kunnen in deze tijd niet genoeg beklemtonen hoe belangrijk die aanbevelingen zijn, en meer nog wat ermee wordt gedaan, voor ons bedrijfsleven, voor onze lokale besturen en bij uitbreiding voor alle Vlaamse burgers. Collega’s, we krijgen dan ook in dit parlement de komende maanden de kans om nog enkele baanbrekende decreten te bespreken.

Minister Muyters, u hebt de afgelopen jaren zeer veel samengewerkt met uw collega Schauvliege over een aantal zaken die Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu hand in hand moeten doen gaan. Het beste voorbeeld daarvan is inderdaad de omgevingsvergunning. Een eengemaakte vergunning, dat klinkt simpel, maar als je alle zaken van die procedure naast elkaar legt, is dat een revolutionair werk dat diende te gebeuren en dat intussen gebeurd is.

Daar werd al in de jaren tachtig over gesproken. We zeggen al zo lang dat je het aan een ondernemer niet meer uitgelegd krijgt dat we wel een bouwvergunning afleveren voor zijn bedrijf, maar dat hij geen milieuvergunning krijgt, of omgekeerd.

De omgevingsvergunning bevat meer. We kunnen eindelijk eens vragen wat het standpunt van mijnheer of mevrouw Vlaanderen ter zake is. Met deze omgevingsvergunning en de omgevingsvergunningscommissies kunnen onze Vlaamse administraties, die heel gespecialiseerd zijn, maar daardoor ook verkokerd, gedwongen worden om gezamenlijk adviezen uit te brengen. Dat zal het vergunningenbeleid in Vlaanderen zeker ten goede komen.

De uitdaging is, collega’s, om op het einde van deze legislatuur een omgevingsvergunningsdecreet goed te keuren, dat ervoor zorgt dat we een eengemaakte vergunning hebben, maar dat ook een werkbare methode voor onze vergunningverlenende besturen op de tafel ligt.

Naast de omgevingsvergunning is er het planningsinstrument, de zogenaamde drietrapsraket. Die aanpak moet voor grootschalige projecten onnodig dubbel en meervoudig werk tegengaan. Inspraak is belangrijk. Een draagvlak creëren, daarmee samenhangend, is nog belangrijker. Maar de complexiteit van de bestaande procedures heeft er ook voor gezorgd dat inspraak nooit coherent geregeld kon worden, dat mensen in beroep gingen tegen een uitvoeringsplan op basis van operationele argumenten, of tegen een vergunning met veeleer milieutechnische of planologische bedenkingen.

Versnellingen zitten niet alleen in vergunningsprocedures, collega’s. Ook het Landinrichtingsdecreet moet nieuwe instrumenten bevatten, die het de inrichtende overheden eenvoudiger moeten maken om compenserend, flankerend en mitigerend beleid te voeren. Dat zal draagvlakverhogend werken, omdat mensen zo al van in het begin betrokken worden bij projecten en zicht zullen hebben op eventuele mitigerende maatregelen.

Dan komen we bij de geschillen. We verschilden in het begin van de legislatuur van mening over de aanpak. Ik heb u veel vragen gesteld over de Raad voor Vergunningsbetwistingen, minister. Ook aan uw collega Bourgeois heb ik veel vragen gesteld, maar dan over het Vlaams Bestuursrechtscollege. Wij pleiten al jaren voor een eengemaakte Vlaamse administratieve rechtbank.

Ik begrijp dat de Dienst voor de Vlaamse Bestuursrechtscolleges (DBRC) in een laatste rechte lijn zit. Ik hoop dat dit navenant op de noodzakelijke werkingsmiddelen en omkadering zal kunnen rekenen, zodat de vaudeville die we meegemaakt hebben met de Raad voor Vergunningsbetwistingen, ons bespaard zal blijven.

Collega’s, mijn fractie staat klaar om na de kerstvakantie deze taak mee aan te vatten.

De voorzitter

De heer Vanlerberghe heeft het woord.

De heer Jurgen Vanlerberghe

Voorzitter, ministers, ik zal mij in eerste instantie beperken tot Ruimtelijke Ordening, met een korte uitsmijter rond Onroerend Erfgoed.

Minister, de uitvoering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is een van de drie hoofdbeleidslijnen uit uw beleidsnota. Helaas kunnen we ook dit jaar niet om de vaststelling heen dat er voor de realisatie van de openruimtestructuren nog altijd een grote achterstand te noteren valt. Voor bosuitbreiding realiseren we amper 23 procent van de beoogde 10.300 bijkomende hectare bestemd bos. Van de ongeveer 40.000 te bestemmen hectare natuur moeten er nog 24.000 bestemd worden.

Ondanks de keuze voor een nieuwe – veel meer op overleg gebaseerde – aanpak, blijven we enigszins ter plaatse trappelen. Om dat te remediëren, hebt u samen met minister Schauvliege gesleuteld aan het instrumentarium. Het nieuwe ontwerp van decreet op de landinrichting is een van de vele decreten die straks nog naar dit Vlaams Parlement komen. U hebt met de regering ook gewerkt aan een harmonisering van alle compenserende vergoedingen.

Minister, het lijkt ons niet evident om dit nieuwe instrumentarium nog deze legislatuur volop in te zetten. Onze fractie rekent er desondanks op dat u in de komende maanden alle zeilen bijzet om een maximaal aantal AGNAS-procedures tot een goed einde te brengen. Het gebiedsgericht programma voor 2014 mag dus best ambitieus zijn.

Minister, behalve het eerder genoemde ontwerp van decreet op de landinrichting, komt er nog belangrijk decretaal werk op ons af. Niet enkel moeten we via een decretaal initiatief een rechtszekere oplossing bieden aan de problemen die gerezen zijn na de recente uitspraak van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot het integratiespoor. Uiteraard is er ook het ontwerp van decreet op de omgevingsvergunning, het ontwerp van decreet complexe investeringsprojecten en het Handhavingsdecreet, om de belangrijkste te noemen, een hele boterham dus.

We onderschrijven volop de doelstelling om via een brede verkenningsfase participatie op een volwassen manier een plaats te geven, maar onderschrijven ook de absolute noodzaak van versnelling en rechtszekerheid. Alvast de commissie-Sauwens was van oordeel dat je met een ruim debat aan het begin van de procedure, veel juridische procedures achteraf kunt vermijden.

Deze morgen werd de totstandkoming van het decreet op de omgevingsvergunning vergeleken door mevrouw Meuleman met een langgerekte olifantendracht. De minister repliceerde onzes inziens terecht dat een dergelijke drastische hervorming niet op een drafje kan worden afgewerkt. Bovendien, als de collectieve volksvreugde straks bij de goedkeuring van het decreet op de omgevingsvergunning even groot zal zijn als ten tijde van de geboorte van Kai-Mook, dan kunnen wij daar wel mee leven. Zeker als dan nog eens zal blijken – en dat hopen wij van ganser harte – dat de lokale besturen, die moeten zorgen voor de implementatie van het decreet, zullen worden gerespecteerd en dat er geen onrechtvaardig grote extra taakbelasting zonder bijkomende compensaties bij hen wordt gelegd.

Ik wil tijdens dit betoog ook aandacht schenken aan het beleidsdomein Onroerend Erfgoed. We kijken vol spanning uit, minister, naar het uitvoeringsbesluit bij het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet. Er moet nog een heel traject worden afgelegd. U was er in de commissie nogal zeker van dat dat nog zou lukken voor het einde van de legislatuur. We dringen alvast aan op een prompte afhandeling, zonder aan kwaliteit van regelgeving in te boeten.

Minister, het creëren van een breed maatschappelijk draagvlak voor de diverse onderdelen van het onroerenderfgoedbeleid was een van de doelstellingen van het nieuwe decreet. Ik denk dat dit inderdaad een terechte bekommernis is, want zeker in tijden van economische crisis komt de zorg voor bijvoorbeeld het archeologisch erfgoed nogal rap onder druk te staan. Het zou dan ook goed zijn dat er snel een aantal concrete initiatieven komen die het draagvlak kunnen verstevigen, goed gestructureerde archeologiefondsen bijvoorbeeld. (Applaus)

De voorzitter

Mevrouw Heeren heeft het woord.

Mevrouw Veerle Heeren

Voorzitter, ministers, het is een voorrecht om deze dag te mogen afsluiten met het woonbeleid. We hebben vijf jaar geanimeerde debatten in de commissie gehad, met de heer Penris en de collega van LDD. Het woonbeleid is de voorbije maanden geregeld ter sprake gekomen, met twee interessante actualiteitsdebatten.

Ook in het kader van sociaal woonbeleid is deze meerderheid gestart met een inhaalbeweging. De resultaten worden elke dag meer en meer concreet zichtbaar. Het ging ons om een aanbodverhoging en om een samenwerking tussen de private en publieke partners.

We kijken voor het Grond- en Pandendecreet uit naar het verbeteringsarrest, waar ik nog nooit van had gehoord, maar blijkbaar is dat arrest van het Grondwettelijk Hof in aantocht. Daar kijk ik met veel belangstelling naar uit, om te bestuderen hoe we de volgende maanden met dat Grond- en Pandendecreet moeten omgaan.

Wat het wel met zich heeft meegebracht in Vlaanderen, is dat elk van de 308 gemeenten door de Vlaamse overheid gedwongen is om na te denken over hoe ze invulling kunnen geven aan een aanbod van sociale woningen, huur- of koopwoningen. Sommige gemeenten geven de voorkeur aan koopwoningen en minder aan huurwoningen, maar het debat is wel gevoerd in al die gemeenten, ook in die gemeenten waar er geen waren. Mijnheer Penris, herinner u dat ik het jaren geleden heb aangedurfd om een voorstel van resolutie te schrijven over de spreiding van de sociale woningen in Vlaanderen. Ik heb het nooit verteerd, maar u hebt ze toen niet mee goedgekeurd. Het ligt nog altijd op mijn maag. Het was in ieder geval destijds de juiste insteek om de aanzet te geven.

Een ander aspect zijn de starterswoningen. Ik zou ook hier zeggen: de aanhouder wint. We zullen zien of het initiatief zoals de minister het heeft uitgewerkt, effecten zal hebben.

Nog een ander aspect is de uniformisering van de sociale kredietverlening. Ik heb persoonlijk heel veel geduld aan de dag moeten leggen, maar uiteindelijk is mijn geduld beloond. Na vele jaren van pogingen zal er vanaf 1 januari 2014 eindelijk een eengemaakt leningsbesluit in werking treden. Eindelijk zullen mensen die zich in dezelfde situatie bevinden ook onder dezelfde voorwaarden een sociale lening kunnen afsluiten.

De voorbije weken is hier het debat gevoerd over de huurwoningen. Mijn partij behoort tot diegenen die zeggen dat er in Vlaanderen sociale koopwoningen moeten blijven. We verschillen daarin fundamenteel van mening met een aantal partijen, ook met Groen. Het is spijtig dat mevrouw Vogels niet aanwezig is. Wij denken dat er in Vlaanderen een deel van de mensen niet terechtkunnen op de private koopmarkt. Vlaanderen geeft een subsidie voor het hypothecaire krediet, maar de sociale koopsector is zelfbedruipend zodat de gemaakte winsten opnieuw in woningen worden geïnvesteerd. De sector kan natuurlijk genieten van een laag btw-tarief, maar er is uiteindelijk maar één winnaar: de kandidaat-koper.

Tot slot, ik had nooit durven te dromen dat we de volgende jaren kunnen werken aan de zesde staatshervorming en meer bepaald dat we de huurwetgeving zullen kunnen bespreken. We hebben heel veel verwachtingen, maar het is niet zo evident om een huurwetgeving te maken die ook kan inspelen op de noden die er zijn op de private huurmarkt. Moesten ze gekend zijn, dan hadden onze federale collega’s – want die zijn niet slimmer of dommer dan wij – daarop geanticipeerd. Het is in ieder geval een heel belangrijk instrument.    

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Ik ben blij met de steun die mij al wordt toegezegd voor de belangrijke ontwerpen van decreet die minister Schauvliege en ikzelf en minister Schauvliege, minister Crevits en ikzelf nog zullen indienen.

Mijnheer Vandaele en mijnheer Vanlerberghe, ik begrijp heel goed dat u zegt dat u het gevoel hebt dat het traag gaat. Ik vind ook dat het heel traag gaat. Het is natuurlijk altijd moeilijk om een evenwicht te vinden. Iedereen vindt van elke vierkante meter dat hij of zij er het meest recht op heeft. Je kunt dan op twee manieren werken. Je kunt er met de vuile voeten door gaan en beslissen vanuit de overheid, of je kunt – dat is ook de weg die het parlement mij wilden doen volgen onder meer via de AGNAS-procedure (Afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur) – ervoor kiezen om een draagvlak te creëren. Een draagvlak creëren betekent overleg plegen en kost tijd. Dat is de reden waarom het traag gaat. Ik zal er uiteraard mee verder doen. Recent is er nog een heel vlot gegaan, maar dat is spijtig genoeg niet altijd zo. Ik zal ervoor blijven gaan tot op de laatste dag van mijn mandaat.

Uiteraard ga ik ten volle voor de baanbrekende decreten. Toen Bart De Wever mij vroeg of ik minister wou worden en ik Ruimtelijke Ordening zou krijgen, was dit een van mijn eerste betrachtingen.

Als u mijn beleidsnota, mijn eerste werk, erop naleest, zult u zien dat daar de kiemen voor de versnelling van de vergunningen en de omgevingsvergunning in staan. Die werden voor een stukje verder uitgewerkt door twee commissies, de commissie-Berx en de commissie voor de versnelling van procedures. Ik geef graag toe dat het tijd heeft gekost om alles te doen, maar ik ben het niet eens met de heer Keulen die daarstraks zei: “U bent een babbelaar.” Dat klopt niet. Samen met minister Schauvliege dien ik iets in, iets wat vorige ministers van Ruimtelijke Ordening – en dat zijn er heel veel – met een regeerakkoord waarin heel duidelijk stond dat dit gerealiseerd zou worden, niet hebben kunnen realiseren. (Applaus bij de N-VA)

We hebben in afwachting van de twee belangrijke decreten ook niet stilgezeten. We hebben het instrument van de projectvergadering, die de basiskiem in zich heeft om het accent meer naar voren te trekken in het belang van iedereen, verder uitgebreid tot een goed instrument. We hebben er de nadruk op gelegd en we hebben projectontwikkelaars de kans gegeven om het te gebruiken.

We hebben – en daar wil ik graag de minister-president een pluim voor geven –, de Cel Vlaamse en strategische Investeringsprojecten (VIP) en de turbomanager, het idee van de minister-president, naar voren geschoven om ook daar al de filosofie achter de versnelling van de drietrapsraket, te gebruiken. Op die manier hebben we al een start gegeven aan de drietrapsraket.

Ik wil ook heel graag zeggen dat de samenwerking met minister Schauvliege heel goed verloopt. Die samenwerking tussen haar en mij was heel belangrijk voor de omgevingsvergunning. Er zijn immers twee administraties, met twee denkwerelden. Die integreren, dat konden we alleen samen realiseren. Vrijdag laatstleden werd die goedgekeurd. Ik kreeg heel graag uw uitgebreide steun om dit dossier in de toekomst snel in het parlement te kunnen behandelen en ik heb begrepen dat iedereen er echt zit op te wachten. Zo’n belangrijk stuk, dat doen we niet rap rap, zoals de heer Vanlerberghe terecht opmerkte.

Tot slot wil ik het nog hebben over de geschillen. Ook dat is niet eenvoudig. Er was absoluut een slechte start. De inschatting van wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zou moeten doen, was een compleet verkeerde inschatting. Ik wil graag meegeven dat er uiteraard een opstart is, maar als de inschatting al fout is en er is dan nog de opstartfase, dan heb je veel werk. We hebben samen met de mensen van de commissie stap per stap elke maatregel bekeken die we konden nemen, tot en met op het einde de bijkomende rechters en de tijdelijke rechters. Ik ben het ermee eens dat we een dergelijke fout in de toekomst niet opnieuw mogen maken.

Ik ben ook niet van plan om het principe naar voren te schuiven van wat een van u in het parlement ooit noemde: “de duurste kaartersclub in Vlaanderen”. We zullen moeten zoeken naar een evenwicht dat genoeg flexibiliteit heeft in het nieuwe orgaan, maar zonder de achterstand uit het verleden door slechte inschattingen.

Ik reken erop dat we samen de belangrijke laatste stappen die moeten worden gezet, ook kunnen realiseren. Ik dank u nu al voor de steun die u hebt toegezegd. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter

Minister Lieten heeft het woord.

Minister Ingrid Lieten

Voorzitter, ik wil nog een paar dingen zeggen namens minister Van den Bossche. In de eerste plaats is er de opmerking die gemaakt is, onder meer door de heer Penris, over de bijkomende sociale woningen en het groeipad grond en panden. We zitten wel op schema. Reeds 45 procent van de doelstelling is al gerealiseerd of is in uitvoering. Verschillende maatregelen, zoals het procedurebesluit waar minister Van den Bossche mee bezig is, moeten ertoe leiden dat de productie versneld zal worden.

De opmerkingen over de renovatie en de grote noden aan renovatie, kloppen zeker. We weten dat nu ook omdat minister Van den Bossche in deze legislatuur als eerste het initiatief heeft genomen om een duidelijke screening uit te voeren van het sociale woonpatrimonium, waaruit uiteindelijk ook die behoefte duidelijk is komen vast te staan.

Naar aanleiding van die vaststelling heeft minister Van den Bossche voor de volgende jaren 100 miljoen euro extra uitgetrokken voor de financiering van die renovatie.

De woning voor grote gezinnen is in elk geval een uitdaging. Het is de bedoeling om in de toekomst de programmatie van de sociale huisvestingsmaatschappijen beter af te stemmen op de lokale woonnoden. Die kunnen divers zijn in de verschillende steden.

Wat het arrest van het Grondwettelijk Hof betreft, wachten we op het verbeterarrest. Mevrouw Heeren heeft daar al op gewezen. Als dat duidelijk is, dan is het de intentie van de regering om te bekijken hoe ze daarop kan inspelen en daarmee kan omgaan.

Mevrouw De Waele, u hebt een opmerking gemaakt over sociale fraude in de sociale huisvesting. Minister Van den Bossche heeft daar samen met diverse partners begin november een rondetafel over georganiseerd. Op basis van de insteek die daar is gedaan, wordt nu gewerkt aan concrete resultaten en maatregelen. Uw opmerking dat malafide huurders zouden moeten worden opgevangen door de woningkwaliteitscontroleur, is echt niet aan de orde. Minister Van den Bossche heeft al meermaals toegelicht in de commissie dat het de bevoegdheid is van de vrederechter om in die gevallen te oordelen.

De voorzitter

Minister Bourgeois heeft het woord. (Opmerkingen van de heer Jan Penris)

Minister Geert Bourgeois

Mijnheer Penris, ik wilde net ingaan op uw filosofische beschouwing. Ik zal dat dus niet doen. Ik zal me beperken tot de mededeling dat de uitvoeringsbesluiten Onroerend Erfgoed in januari worden voorgelegd aan de regering.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.