U bent hier

De voorzitter

Algemene bespreking (Voortzetting)

Dames en heren, aan de orde is de voortzetting van de algemene bespreking van het ontwerp van decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014, het ontwerp van decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2014 en het ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2014.

De voorzitter

Onderwijs en Vorming

We bespreken nu het beleidsdomein Onderwijs en Vorming

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Helsen

Voorzitter, minister, collega’s, ik wil in mijn korte betoog vooral ingaan op enkele beleidsdoelstellingen die wij van cruciaal belang vinden om in deze legislatuur te realiseren. Over de onderwijsbegroting zelf wil ik enkel opmerken dat we die ondersteunen omdat ze toelaat in 2014 alle decretaal afgesproken engagementen na te komen.

Met betrekking tot de beleidsdoelstellingen wil ik op vijf elementen ingaan. Ten eerste, het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Zonder vooruit te willen lopen op de verdere inhoudelijke bespreking in de commissie Onderwijs wil ik vandaag toch al stellen, minister, dat we met veel belangstelling uitkijken naar de resultaten van het overleg met de onderwijspartners over de invulling van het luik competentieontwikkeling.

De Vlaamse Regering heeft hierin een duidelijk engagement opgenomen. In de begroting is er een belangrijke aanzet gepland voor competentieontwikkeling, en ook in onderwijsdecreet XXIV zullen artikelen worden opgenomen. Ook de gefaseerde manier waarop de uitrol is gepland en de noodzaak van een strikte monitoring zullen we van nabij opvolgen.

Naast deze twee engagementen, opgenomen door de Vlaamse Regering, wil ik een bijkomend engagement vragen met betrekking tot het leerlingenvervoer, waar ook vandaag nog altijd belangrijke uitdagingen wachten. Minister, ik begrijp dat simulaties pas mogelijk zijn van zodra het decreet in uitvoering is. Ze zullen vlug moeten gebeuren en er moet vervolgens daadkrachtig worden ingegrepen.

Maar, minister, ook los van de simulaties en de bewegingen op het terrein ten gevolge van het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, het M-decreet, kunnen we al initiatieven nemen om een aantal heikele knelpunten aan te pakken. Bijvoorbeeld, het verzekeren van de continuïteit van de loopbaan van jongeren die al een start hebben genomen in een bepaalde school voor buitengewoon onderwijs, kan nu al worden geregeld. Ook een kwaliteitsvolle vorming voor de busbegeleiders en een meer pedagogische invulling van de vaak lange busritten zijn elementen waar we nu al werk kunnen van maken. U hebt al werk verricht, er zijn al vergaderingen geweest met een werkgroep waar de knelpunten zijn besproken. Ik vraag om daar blijvend werk van te maken en ik hoop dat we in deze legislatuur nog resultaten kunnen boeken.

Minister, het volgende element is het masterplan hervorming secundair onderwijs. Over het masterplan en de hervorming hebben we het al vaker gehad. De resultaten van het PISA-onderzoek (Programme for International Student Assessment) hebben nogmaals aangetoond dat hervorming toch wel nodig is. Op meerdere ogenblikken hebben we van u mogen vernemen dat er hard wordt gewerkt aan de uitrol van het masterplan en dat er een draaiboek in aantocht is waarin per maatregel wordt aangegeven hoe en wanneer hij wordt uitgevoerd. Ik spoor u aan om daarmee voort te gaan en om zo vlug mogelijk dit draaiboek/uitrolplan ter beschikking te stellen. U hebt gezegd dat het er voor de winter van 2013 zal zijn en dat het duidelijk zal maken hoe de hervorming zal verlopen. Minister, voor de winter betekent dat dat deze week nog is, want zaterdag begint de winter.

In het bijzonder kijk ik uit naar de vorderingen met betrekking tot de reductie van de studierichtingen en de verdere concretisering van de matrix die daarmee samenhangt, en ook naar de geplande CLB-audit en de precieze opdracht die in dat kader wordt uitgeschreven. Dat u in de begroting een voorbereidingskost plant in de aanloop naar een nieuw decreet leerlingenbegeleiding, illustreert trouwens hoe cruciaal leerlingenbegeleiding en de rol van CLB’s zullen zijn bij de realisatie van de hervorming.

Minister, dat er nog weinig tijd is om tot een loopbaanpact te komen, dat moeten we erkennen. En dat er, zoals ook de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) aangeeft, wellicht nog onvoldoende tijd rest om een voldoende groot draagvlak te creëren, daar mogen we evenmin blind voor zijn. Nu nog in snel tempo ingrijpende maatregelen nemen, brengt ons niet tot de meest kwaliteitsvolle aanpak. Maar toch willen we herhalen dat het bijzonder jammer is dat we door de omstandigheden de werkzekerheid van jonge leerkrachten niet hebben kunnen verbeteren. Het zou goed zijn mocht de piste die u daartoe onderzoekt, toch nog kan leiden tot een goed resultaat.

De voorzitter

Mevrouw Helsen, kunt u afronden? Uw spreektijd is vijf minuten. Ik zal me daar vandaag heel strikt aan houden.

Mevrouw Kathleen Helsen

Voorzitter, over twee elementen wil ik toch nog iets zeggen.

Het eerste heeft betrekking op het decreet betreffende de inschrijvingen. We hebben dat in de commissie al meermaals besproken. Momenteel loopt een evaluatie, die in het begin van volgend jaar zal worden afgerond. Op dat ogenblik zou de minister moeten nagaan welke aanpassingen nog in de loop van deze legislatuur kunnen worden doorgevoerd om de bestaande problematiek beter aan te pakken.

Minister, we hebben tevens gevraagd in de loop van deze legislatuur werk te maken van een alternatief voor de taalproef die momenteel in de kleuterschool wordt toegepast. U onderzoekt momenteel op welke manier dit kan. Onze verwachtingen liggen zeer hoog. We willen nog voor het einde van de legislatuur tot positieve resultaten komen.

Voorzitter, dat zijn de vijf elementen die ik ter sprake wilde brengen. Ik zou de minister willen vragen hier gedurende de korte resterende periode bijkomend op in te zetten en op die manier nog resultaten te boeken.

De voorzitter

Mijnheer Van Dijck, u hebt acht minuten spreektijd. Omdat ik niet van tirannieke uitspattingen wil worden beschuldigd, zal ik de spreektijd telkens vermelden.

De heer Van Dijck heeft het woord.

De heer Wim Van Dijck

Voorzitter, de bespreking van de beleidsbrief is, net als vorig jaar, vlot verlopen De minister toont nog steeds veel enthousiasme en ambitie. Hij verdedigt met vuur de stelling dat gedurende deze legislatuur veel is gerealiseerd. Het is voor de oppositie echter niet zo moeilijk de minister te confronteren met dossiers die niet tot een goed einde zijn gebracht. Voorbeelden zijn het loopbaanpact, de schaalvergroting en het deeltijds kunstonderwijs.

Hoeveel beleidsdoelstellingen een minister heeft gerealiseerd, interesseert me minder dan de vraag of hij de juiste keuzes heeft gemaakt. Wat dat betreft, zal het niemand verbazen dat ik een kritische kijk op de voorbijgaande legislatuur heb. Het is de minister uiteraard bekend dat mijn fractie en ikzelf het met een aantal gemaakte keuzes fundamenteel oneens zijn.

In het korte bestek dat me is toegemeten – en dat almaar korter wordt –, wil ik even wat dieper op een van die keuzes ingaan. Dit punt is al aan bod gekomen in de commissie, tijdens de bespreking van PISA-rapport. Uit dit rapport blijkt dat de kwaliteit van ons onderwijs in een internationale vergelijking nog steeds zeer hoog scoort, maar dat het kwaliteitsverlies een gestage en onmiskenbare trend vormt. Vooral de groep van de sterkste leerlingen slinkt.

Het antwoord van de minister en van de Vlaamse Regering op die vaststelling is duidelijk. De hervorming van het secundair onderwijs omvat veel maatregelen. We zijn het overigens gedeeltelijk met die maatregelen eens. De hervorming omvat echter ook een grondige structuurhervorming. Volgens ons wordt hiermee een verkeerde keuze gemaakt.

Ik ben het eens met de heer Bouckaert, die hierover in de commissie het volgende heeft verklaard: “Deze regering heeft veel energie gestoken in de structuren van het onderwijs. Er is echter weinig aandacht geweest voor de leraren die in die structuren moeten werken.” Ik ben het daarmee eens. Dat debat is misschien te weinig gevoerd.

Ik denk dat iedereen het erover eens is dat de leerkracht de hoeksteen van ons onderwijs is. Toch wordt meer tijd en energie gestoken in een zware structurele hervorming. Het masterplan omvat veel maatregelen, maar ook een structuurhervorming. Het heeft geen zin te ontkennen dat de meerderheid der leerkrachten die hervorming als onnodig en onwenselijk beschouwt.

De heer Van Rooy, publicist, oud-leraar en oud-directeur, heeft het puntiger verwoord dan ik misschien zou doen: “Het onderwijs wordt omgeven en gekanaliseerd door de administratie, door koepels, door sociologen, door onderwijskundigen, door het bedrijfsleven, waardoor de stem op het veld geen weerklank vindt. Dat leidt al decennia tot grote frustraties bij de gewone onderwijsgevende, temeer daar pogingen tot onderwijsvernieuwingen legio zijn, de vernieuwingsdrift mateloos is en de beste stuurlui vaak aan wal staan. Het is een zittende klasse die een staande klasse permanent bevoogdt.”

Ik ben het daar in globo mee eens. Minister, u zegt nu wel dat u de stem van het onderwijzend personeel uitermate belangrijk vindt, maar uw ronde van Vlaanderen dient enkel om de reeds genomen beslissingen uit te leggen. Er is een kader, de richting is duidelijk. Het masterplan is toch niet zonder inhoud? Verder maakt u zichzelf en ons wijs dat de overgrote meerderheid van de leerkrachten nu al mee is, of toch binnen afzienbare tijd het licht zal zien.

U bent nog beleefd. Uw ‘fellow travellers’ in de media en aan de top van de onderwijswereld, tonen pas echt dedain voor de leerkrachten. Onomwonden wordt zelfs hun beroepsernst in vraag gesteld. Dat doet onder meer onderwijsspecialist Dirk Van Damme, een vaak geciteerde bron. “… inzake professionaliteit het onderwijs trager is geëvolueerd dan andere beroepsgroepen. Vlaamse leraars hebben een vrij grote vrijheid binnen de muren van hun school en klas.” – dat stoort hem blijkbaar – “Zij zijn het nauwelijks gewoon tegengesproken te worden. Dat verklaart wellicht waarom ze niet happig zijn op door de politiek opgelegde veranderingen.”

Van Damme ging in Knack nog verder. “… veel leerkrachten nog een mentaal beeld hebben over onderwijs en samenleving uit de jaren vijftig en zestig.” Zo’n uitspraak is niet alleen grotesk, maar gewoon beledigend.

Eendere geluiden hoorden we bij tal van media, zelfs bij Klasse en bij de koepels. Er zou koudwatervrees heersen, angst voor verandering, een defensieve opstelling, het is nog niet goed genoeg uitgelegd, maar de kritiek “zal verstommen” eens dat wel gebeurd is.

Men had deze legislatuur de positie van de leerkrachten moeten versterken, in plaats van een structuurhervorming uit te dokteren waar bijzonder veel discussie over bestaat, maar deze regering heeft tijd verloren.

Uit de evaluatie van de lerarenopleiding bijvoorbeeld is gebleken dat de hervorming van 2006 weinig of geen resultaten heeft opgeleverd. Ook de minister moest erkennen dat we eigenlijk niet verder staan dan twaalf jaar geleden. Maar toch werden er deze legislatuur geen fundamentele stappen tot verbetering gezet. Maatregelen die de positie van de leerkrachten zouden moeten versterken, zijn ondergesneeuwd geraakt in de grote discussies over het loopbaanpact en de schaalvergroting. Alles hangt met alles samen.

Van fundamentele stappen wat betreft planlastvermindering is geen sprake, ook al zijn de leerkrachten daar vragende partij voor. De druk op de praktijkleerkrachten neemt almaar toe, en dat zal de komende jaren niet verbeteren. Van leerkrachten wordt nu al verwacht dat ze nog meer differentiëren, en dat zal in de toekomst alleen maar toenemen.

het ontwerpdecreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften (M-decreet) komt eraan en moet zeer snel ingang vinden. De Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) vindt dat te snel, het is wat dat betreft wel bijzonder ingrijpend. De leraar moet maar zorgen dat met een ‘betere professionalisering’ en ‘voldoende nascholing’ de klus geklaard wordt. Het zal niet bijdragen tot de motivatie: de vrees is niet ongegrond dat nog maar eens een deel van de leerkrachten afhaakt – en we kampen al met een tekort dat jaar na jaar toeneemt – niet omdat ze niet meer willen lesgeven, maar omdat hun beroep hun persoonlijke draagkracht te boven gaat.

Eigenlijk, collega’s, raken we hier nog een andere fundamentele vraag, die ook in de commissie eventjes aan bod kwam: hoever de sturing van de overheid inzake onderwijs mag gaan, de vraag wat tot de pedagogische vrijheid van de scholen behoort, en wat de overheid mag opleggen. Voor mijzelf en mijn fractie is de sturing van de overheid de jongste decennia te groot geweest, en het ziet er niet naar uit dat dat wezenlijk zal veranderen.

Een aantal ingrepen kwamen er bovendien vanuit een duidelijke ideologische invalshoek. Het onderwijs is niet langer een doel op zich, maar een instrument om de samenleving te modelleren of om bepaalde sociale problemen op te lossen. Tot enkele decennia geleden was de overdracht van cultuur, dus van kennis, vaardigheden en attitudes, de kern van het onderwijs. Volgens ons had het dat moeten blijven.

Ik pleit hier dus uitdrukkelijk voor terughoudendheid vanwege de beleidsmakers, en dat zijn wij tenslotte allemaal. Niet de zoveelste ingrijpende hervorming zal de trend van kwaliteitsdaling keren, maar het centraal stellen van de leerkracht, die moet kunnen doen waar hij goed in is. Dat is ook wat de praktijkmensen vragen. Deze en vorige ministers, bijna allemaal socialisten – ik stel het maar vast –, hebben daar te weinig rekening mee gehouden. Hopelijk, collega’s, doet een volgende minister van Onderwijs dat wel. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

Mevrouw De Knop heeft het woord.

Mevrouw Irina De Knop

Voorzitter, beste collega’s, minister, het zal jullie niet verbazen dat ik hier geen lofzang zal houden over de vooruitzichten voor het komende jaar en ook niet over de terugblik op de voorbije legislatuur. Al merkte ik toch ook wel hier en daar enkele kritische noten in het exposé van mevrouw Helsen, een toch wel respectabel lid van een grote meerderheidspartij. Die kritiek lijkt me ook niet meer dan terecht, want als we het definitieve rapport van deze regering op het vlak van onderwijs maken, komt ze er niet met een C-attest. (Opmerkingen van minister Pascal Smet)

Gebuisd, om het met de woorden van de speelplaats te zeggen. Minister, deze regering heeft gewoon met alles te lang gewacht. (Opmerkingen van minister Pascal Smet)

De voorzitter

Mevrouw De Knop, gaat u rustig verder. Minister, mevrouw De Knop heeft het woord. (Opmerkingen van minister Pascal Smet)

Neen, mevrouw De Knop heeft het woord. Zij wordt voortdurend afgeleid door uw gegrommel. Zij heeft mij gezegd dat zij dat niet graag heeft.

Mevrouw Irina De Knop

Mijn tijd loopt ondertussen wel verder. (Opmerkingen)

Voorzitter, ik dacht dat u voor orde en tucht stond. (Opmerkingen van de voorzitter)

Minister, u kunt er wel grappig over doen, maar ik vind het niet zo grappig.

Deze regering heeft met alles te lang gewacht. Het aantal ongerealiseerde werven is amper te overzien. Er is geen decreet voor het deeltijds kunstonderwijs, er is geen decreet voor de leerlingenbegeleiding, er is geen decreet voor het leerlingenvervoer. Als ik zou doorgaan met opsommen, zou ik snel aan het einde van mijn zes minuten spreektijd komen.

Ik kom dan ook meteen tot de hoofdzaak. Om het onderwijs te hervormen, minister, hebt u – om het in informaticatermen te zeggen – hardware en software nodig om uw systeembeheer aan te passen. De hardware is de infrastructuur. Op het vlak van scholenbouw heeft deze regering een ware lijdensweg afgelegd. De wachtlijsten zijn natuurlijk niet van gisteren, maar het antwoord op het grote plaatsgebrek in talrijke steden en gemeenten is ontoereikend. De grote inhaalbeweging, het pps-project Scholen van Morgen, heeft vandaag amper projecten in de bouwfase. De meeste projecten worden zelfs pas in de periode na 2016 opgeleverd. Dat is meer dan tien jaar na de beslissing van de Vlaamse Regering, die de operatie juist had opgezet omdat de wachtlijsten flink waren aangegroeid en, ironisch genoeg, omdat er vaak al langer dan tien jaar moest worden gewacht vooraleer een dossier werd gerealiseerd. Het duurt voor de scholen en de ouders dus een eeuwigheid om de eerste resultaten te kunnen zien van deze inhaaloperatie, waar bovendien Europa, gezien de mogelijke niet-ESR-neutraliteit van het pps-project, nog een serieuze streep door de Vlaamse rekening kan trekken.

Bovendien, collega’s, hebben we nog geen zicht op de resultaten van de tweede inhaalbeweging, zoals plechtig beloofd werd in de beleidsnota 2009-2014 van de minister. Het opzetten van die bijkomende inhaaloperatie komt maar niet van de grond.

Om de schijn hoog te houden in het patiencespel scholenbouw, vroegen de meerderheidsfracties dit najaar nog in een nietszeggende motie, na een al even lauwe interpellatie inzake scholenbouw, aan de regering om verder toe te zien op de goede gang van zaken.

Toekijken tot het water aan de lippen staat, dat is wat deze regering ook elk jaar heeft gedaan bij de acute capaciteitsnoden die sinds 2009 in grote en kleine steden heersen. Het leidde tot onnodig gekissebis, theater en energie die beter besteed had kunnen worden aan een structurele oplossing, met een duidelijke meerjarenplanning, dan aan een ad-hocsinterklaasspelletje ‘wie braaf is, krijgt lekkers, wie stout is de roe’. Getuige daarvan de laatste verdeling van capaciteitsmiddelen op 6 december.

De software, collega’s, dat zijn onze leerkrachten. Dagelijks zijn zij in de weer om onze kinderen op te leiden, om kennis en vaardigheden bij te brengen. Minister, kwaliteitsvol onderwijs staat of valt met goede leerkrachten. Dat hebt u zelf ook meermaals gezegd in de commissie, in de plenaire vergadering en ook in uw beleidsnota, waarin u letterlijk zegt: “Het blijvende tekort aan leraren zet de inspanningen om kwaliteitsvol onderwijs te leveren, onder druk.”

Minister, u zou dit opvangen met het loopbaanpact, wellicht het woord van de legislatuur in de commissie Onderwijs. Maar nu dreigt u van een kale reis terug te komen, omdat de vakorganisaties u wandelen sturen.

Wat u wel hebt gedaan, minister, is het afschaffen van de mentoruren. We horen vanuit het veld echter geluiden dat net die beginnende leerkrachten verdrinken. Een op de drie jonge leerkrachten stopt binnen de eerste vijf jaar.

De voorzitter

Mevrouw De Knop, u hebt nog dertig seconden spreektijd.

Mevrouw Irina De Knop

Voorzitter, er zijn twee minuten verloren gegaan.

De voorzitter

Mevrouw De Knop, de tijd loopt. Straks sluit ik de microfoon af en geef ik het woord aan de volgende, en dat is mevrouw Deckx. Ik heb hier de orde van de vergadering. Ik heb u tijd bij gegeven.

Mevrouw Irina De Knop

U hebt mij dertig seconden bij gegeven, nadat de minister twee minuten onnozel heeft gedaan.

De voorzitter

Dat heeft niet langer dan dertig seconden geduurd. Ik ben geoefend in het inschatten van de tijd. Uw tijd is eigenlijk om, nu.

Mevrouw Irina De Knop

Collega’s, we kunnen geen tijd meer verliezen. (Gelach. Opmerkingen)

Onze jongeren worden vandaag onvoldoende klaargestoomd voor de arbeidsmarkt, minister. Het ontbreekt aan juiste arbeidsattitude. Een aantal jongeren zijn ook heel erg schoolmoe en stromen uit het onderwijs zonder diploma, met een schrijnend tekort aan mogelijkheden om een rol in deze maatschappij in te vullen. Zelfs aan fundamentele grondrechten als de vrije schoolkeuze boeten we vandaag in.

Onderwijs is te belangrijk, collega’s. Het is de motor tot sociale mobiliteit en hét instrument om het talent in elk van ons te ontdekken en te ontwikkelen. We mogen geen enkel moment onbenut laten om binnen en buiten dit parlement de nagel op de kop te blijven slaan. Dat doe ik, minister, samen met mijn collega’s van Open Vld, en ik hoop van u hetzelfde.

De voorzitter

Mevrouw Deckx heeft het woord.

Mevrouw Kathleen Deckx

Voorzitter, minister, collega’s, in financieel moeilijke tijden presenteert u, minister, een begroting waarin heel wat middelen worden uitgetrokken om te investeren in onderwijs. Bijna 11 miljard euro uit de Vlaamse begroting zal in 2014 worden geïnvesteerd in onderwijs. Daarmee stijgt het budget ten aanzien van 2013 reëel met 0,7 procent. Ik ben heel tevreden, minister, dat u de werkingsmiddelen dit jaar volledig indexeert, want dat is heel belangrijk om de dagelijkse werking van de scholen te verzekeren.

U hebt extra middelen uitgetrokken voor capaciteit en u investeert extra in reguliere scholenbouw. Dat is erg belangrijk als we voor elk kind een plaatsje willen garanderen. Ik denk wel, minister – maar dat zal wellicht niet meer voor deze legislatuur zijn – dat een hervorming van het subsidiebeleid noodzakelijk is. U zult een cao uitvoeren die heel kortgeleden is afgesproken en die zal leiden tot meer koopkracht voor de leerkrachten en een beter statuut en meer loon voor onderhoudspersoneel en busbegeleiders.

Zoals mevrouw Helsen al stelde, ligt er nog werk op de plank. Minister, ik denk dan ook dat het heel belangrijk is dat er effectief werk wordt gemaakt van wat we hebben besproken in de beleidsnota. Het M-decreet is zeer belangrijk. Daarvoor staan in de commissie op 9 januari 2014 hoorzittingen geagendeerd. Dat moeten we zeker nog rondkrijgen. Ook het masterplan secundair onderwijs moet nog verder worden uitgerold.

Bij deze laatste begrotingsbespreking wil ik ook even achterom kijken. Niettegenstaande de bewering van bepaalde collega’s dat er deze legislatuur niet veel is gerealiseerd, vind ik dat er een aantal dossiers zijn waarop we absoluut trots mogen zijn.

Een van de eerste dossiers die ik hier van heel dichtbij heb opgevolgd, was het Integratiedecreet voor het hoger onderwijs. In de commissie hebben we daarvoor in samenwerking met de Vlaamse Regering belangrijk werk geleverd. Daar gaat een significante investering van 226 miljoen euro mee gepaard. Ook hebben we het omkaderingssysteem voor het kleuter- en basisonderwijs grondig hervormd. Een bijkomend budget van 52,7 miljoen euro en daardoor een meerinzet van 1330 voltijdse equivalenten kunnen we toch niet niets noemen. Dat zorgt duidelijk voor meer pedagogisch comfort, om alle kleuters en leerlingen te laten schitteren en een goede start te laten nemen. We hebben ook het Inschrijvingsdecreet vormgegeven. Binnen de budgettaire realiteit zijn er enorme inspanningen gedaan voor extra middelen voor scholenbouw en renovatie.

Het klopt, minister, dat we in sommige dossiers graag verder hadden gestaan, maar er zijn intussen veel geesten gerijpt. Ik verwijs graag naar een aantal scholen van het GO! die vol overtuiging aan de slag zijn gegaan met de concepten uit het masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs en naar het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO), dat op eigen initiatief met de schaalvergroting aanvang maakt.

Ik hoop dan ook dat de volgende regering verder gaat op de ingeslagen weg. Zoals de Vlor het verwoordt in gevolge onze beleidsbrief: “Het zou jammer zijn dat de bestaande dynamiek voor een aantal dossiers wordt stopgezet op het einde van de legislatuur. Daarbij denkt de Vlor onder andere aan de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs en het masterplan over de hervorming van het secundair onderwijs. In zijn memorandum zal de raad zich verder uitspreken over prioriteiten voor de volgende legislatuur, maar nu pleit de raad er alvast voor om de geboekte vooruitgang in een aantal dossiers te borgen”.

De voorzitter

De heer Van Dijck heeft het woord.

Minister, collega’s, de N-VA fractie waardeert dat de Vlaamse Regering een begroting in evenwicht kan neerleggen, maar ook dat alle indexeringen voor loon- en werking rigoureus kunnen worden uitgevoerd.

Terugkijkend op 2013 kunnen we stellen dat het een bewogen jaar was waarin onder meer capaciteit en de hervorming secundair onderwijs centraal stonden. Deze thema’s waren dan ook meerdere malen het voorwerp van actualiteitsdebatten in het Vlaams Parlement. Er werd stevig en lang onderhandeld over de onderwijshervorming. De N-VA is duidelijk tevreden met de punctuele maatregelen omdat die tegemoetkomen aan netelige pijnpunten in het onderwijs.

Uit de recente PISA-studie bleek dat Vlaanderen minder goed scoort op wetenschappen. Door in een doorlopende leerlijn voor wetenschappen en techniek te voorzien vanaf het basisonderwijs, willen we hier in de toekomst een antwoord op bieden. Daarnaast zal het inzetten van vakleerkrachten ongetwijfeld stimulerend werken en ook meer praktijkervaring in de klas zelf brengen.

De Vlaamse Regering maakt nu opnieuw extra geld vrij om het capaciteitstekort in de scholen op te vangen. Wij vinden het positief dat in 2014 opnieuw bijkomende middelen wordt uitgetrokken voor schoolinfrastructuur. Naast de 30 miljoen euro voor de reguliere scholenbouw, wordt ook 57,5 miljoen euro vrijgemaakt, specifiek om tegemoet te komen aan het plaatstekort in scholen. Zo krijgt Brussel volgend jaar 5 miljoen euro extra om de capaciteit in het basisonderwijs uit te breiden. Antwerpen krijgt 25,5 miljoen euro extra en Gent 12 miljoen, Leuven krijgt een bijkomende 4 miljoen, Grimbergen 3 miljoen. Voor de N-VA-fractie is het enorm belangrijk dat er blijvende inspanningen worden geleverd voor schoolgebouwen. De vrijgemaakte budgetten zijn immers geen overbodige luxe.

De voorzitter

De heer Wienen heeft het woord.

De heer Wim Wienen

Mijnheer Van Dijck, u zegt dat er meer middelen worden vrijgemaakt om het capaciteitsprobleem aan te pakken. Het zou maar erg zijn als dat niet zo was, gelet op de grootschaligheid van dat probleem. U hebt het onder meer over 25 miljoen euro extra voor Antwerpen. Volstaat dat om het probleem aan te pakken of hebben de mensen in Antwerpen zich vergist toen ze ‘grotere’ cijfers hebben genoemd?

Dit gaat over nieuwbouw en capaciteit. Wat doen we met de huidige capaciteit die inmiddels niet meer voldoet aan bijvoorbeeld brandveiligheidsvoorschriften? In Antwerpen is momenteel het risico reëel dat scholen zullen moeten sluiten. Hoe gaat de Vlaamse Regering daarmee om?

Mijnheer Wienen, uw punt is terecht. De verslagen daarover zijn ook duidelijk. Ieder schoolbestuur dient zijn verantwoordelijkheid te dragen. Vlaanderen moet bijdragen, maar ook de schoolbesturen. We kunnen hierover minutenlang van gedachten wisselen, maar ik zou graag mijn betoog afmaken. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. U vindt het maar logisch dat men extra middelen vrijmaakt. Ik denk niet dat dat logisch is. Is het voldoende? Wij zouden op elk domein meer middelen willen. Ook ik zou meer willen inzetten voor scholenbouw, meer voor welzijn, meer in dit of meer in dat, maar op alles maximaal inzetten, kan spijtig genoeg niet.

Ik ga niet licht heen over de resolutie die we goedgekeurd hebben over alternatieve financieringsmogelijkheden. We moeten blijven verder zoeken richting pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen enzovoort om met kleine, lokale pps-formules nieuwe scholen te kunnen bouwen.

Het is ook goed dat wij het faciliterend  beleid rond de multi-inzetbaarheid van de infrastructuur beklemtonen. Wij vinden het dan ook positief dat dit wordt opgenomen als een formeel criterium bij de beoordeling van bouwdossiers bij het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGIOn).

De heer Wim Wienen

Sorry dat ik u onderbreek, collega, maar ik blijf met de voorbeelden van mijn stad zitten. U hebt het over “de multi-inzetbaarheid van de infrastructuur”. Wat bedoelt u daar juist mee? Ik weet dat er al jaren plannen zijn om bijvoorbeeld wegens het gebrek aan sportinfrastructuur, ook de sportinfrastructuur van scholen in te zetten voor, laten we zeggen, de bewoners van een stad of een gemeente, maar blijkbaar lukt dat niet. Waarom zou dat nu wel lukken?

Mijnheer Wienen, het lukt duidelijk wel! Het is deze regering die het mogelijk heeft gemaakt om bijvoorbeeld buitenschoolse opvang te organiseren in de schoolgebouwen. Vroeger kon dat niet. Ik ben in mijn gemeente een school met buitenschoolse opvang aan het bouwen. De gemeenschappelijke infrastructuur, toiletten, overdekte speelruimte en noemt u maar op, zullen overdag door de school en na de uren door de kinderopvang worden gebruikt. Dat mocht vroeger niet. Deze regering heeft dit mogelijk gemaakt. Het kost niets, het is het multifunctioneel inzetten van de infrastructuur. Het brengt een meerwaarde teweeg voor Onderwijs en voor Welzijn.

De heer Wim Wienen

Quid wat in Dessel gebeurt, ik heb heel wat voorbeelden van grotere steden en gemeenten waar juist het tegendeel waar is. Men kan wel zeggen dat een sportinfrastructuur multifunctioneel moet zijn, maar vaak slaagt de stad of de gemeente er niet in om met de scholen afspraken te maken over het openstellen van de schoolgebouwen na de uren. Vaak gaat het om vragen wie de sleutel heeft en wie de bewaking kan doen. Het gebrek aan personeel in het onderwijs zorgt ervoor dat de gebouwen niet kunnen worden gecontroleerd als ze opengesteld worden. Daar wringt het schoentje, mijnheer Van Dijck, want op dit moment en met het budget dat Onderwijs nu heeft, zal er niet meer personeel kunnen komen om van die scholen multifunctionele gebouwen te maken.

Ik vind het vreemd dat het allemaal van het budget van Onderwijs moet komen. Ik stel me voor dat, wanneer zulke problemen zich lokaal voordoen, ze voorwerp van mooie debatten kunnen zijn in de respectieve gemeenteraden.

Mevrouw Irina De Knop

Mijnheer Van Dijck, op twee dingen wil ik graag eventjes reageren. Een, u vindt het niet zo vanzelfsprekend dat de Vlaamse Regering telkens bijspringt als er capaciteitsnoden zijn. Ik heb u iets in die zin horen zeggen, u stelt dat er veel problemen zijn, ook in Welzijn en dergelijke. Wat stelt u dan voor? Ik dacht dat een plaats op school een recht is voor elk kind. Ik wil heel graag van u horen wat de N-VA voorstelt als oplossing. Vindt de N-VA dan bijvoorbeeld dat Antwerpen ondertussen voldoende middelen heeft gekregen? 

Twee, u verwijst naar de tweede inhaaloperatie die met veel bravoure werd aangekondigd in de beleidsnota. Ik hoor u zeggen dat we moeten blijven zoeken naar pensioenfondsen, naar verzekeringen en dergelijke meer om die te kunnen realiseren. U zoekt al sinds 2009, we zijn nu aan het einde van de legislatuur. (Opmerkingen van de heer Kris Van Dijck)

Bent u dan tevreden met het feit dat de regering zoekt…

Mevrouw De Knop, u begaat toch wel een fout, wij zijn niet op zoek sinds 2009. Zolang ik hier zit – en dat is nog niet zo lang als de heer Van Rompuy – zijn we zoekende naar extra middelen. En er waren periodes met meer groei in scholenbouw en periodes met minder groei, dat kunt u nagaan. In de periode 1999-2004 was het wat scholenbouw betreft en de groei ervan, niet denderend. Het was nochtans een periode van betere economische omstandigheden om te investeren. Het dateert ook uit die periode en die net ervoor dat ministers zegden: “Stenen betogen niet, personeel wel”. Ik denk dat het een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid is van eenieder die dienaangaande verantwoordelijkheid draagt, dat we niet altijd daarop ingezet hebben.

Mevrouw Irina De Knop

Mijnheer Van Dijck, excuseer dat ik het zeg, maar die plaat is echt wel grijsgedraaid. We zitten al een hele tijd niet meer in de Vlaamse Regering. De demografische groei sinds 2009 is ongezien. Als u nu werkelijk telkens gaat verwijzen naar die ene periode met een liberale minister in de voorbije 30 jaar met socialistische ministers, dan nemen wij dat niet. U zult dat boeltje niet in onze schoenen schuiven! Uw partij zit nu in de Vlaamse Regering. Met de minister bevoegd voor de financiën zit nu op de gepaste plaats om iets dat uitdrukkelijk gestipuleerd wordt in de beleidsnota samen met de minister van Onderwijs uit te voeren!

U moet niet flauw komen doen en spreken over dertig jaar geleden. Dat siert u niet, mijnheer Van Dijck.

Mevrouw De Knop, u luistert niet naar wat ik zeg. Ik heb niet gezegd dat dit de schuld van een liberale minister is. Ik heb het gehad over een gedeelde verantwoordelijkheid. Ook toen zat ik in een positie dat ik de regering en het beleid steunde. Het gaat over een verantwoordelijkheid van ons allen.

U stelde nog een tweede vraag. Hebben kindjes geen recht op een plaats? Ja. Hoeveel kindjes hebben tot nu toe geen plaats gehad, mevrouw De Knop? Hoeveel kindjes hebben geen stoeltje gekregen op 1 september en op andere instapdata? Hoeveel? Maar doet u nu niet alsof deze regering niet wil. Wij onderkennen het probleem, maar ook voor ons groeien de bomen niet tot in de hemel. Wij moeten stap voor stap maatregelen nemen. Nu zegt u dat er meer geld met komen voor scholen. Maar straks voeren we het welzijnsdebat, en dan zal er vanop uw banken meer geld worden gevraagd voor welzijn. En hetzelfde zal gebeuren tijdens het debat over mobiliteit.

Wat hier voorligt en wat ik hier verdedig, is een evenwichtige begroting waarin wij de keuzes maken zoals we die op een evenwichtige basis en met de beschikbare middelen kunnen maken.

In de loop van 2013 is duidelijk geworden – en de oppositie wijst daar graag naar – dat een aantal thema’s nog niet op de agenda stonden of nog niet konden worden gerealiseerd. Dat ligt aan tal van factoren zoals een gebrek aan draagvlak bij de stakeholders, de koudwatervrees van sommigen, de consequenties van onze onderwijsvrijheid. Ik denk dan aan schaalvergroting en het loopbaanpact. Daarover worden zeer intense gesprekken gevoerd, op het terrein en in de commissie. Wij blijven echter hopen dat we toch nog een aantal gerichte maatregelen kunnen nemen, minister, om op die manier werk te maken van een aantrekkelijk loopbaanbeleid voor onderwijzend personeel en directies. 

Gisteren stuitte ik nog op een artikel in Knack waarin duidelijk verwoord staat dat heel veel ligt in de manier waarop men binnen de school aan de begeleiding van leerkrachten doet zoals met functioneringsgesprekken enzovoort. Dat zijn zaken die niet altijd veel geld kosten maar het is wel een gerichte manier van aanpakken.

Ik wil het ook nog even hebben over met McKinsey-studie. Daaruit blijkt dat men in de beste onderwijssystemen focust op de verbetering van pedagogische praktijken, de kwaliteit van de directieteams en het aantrekken en behouden van competente leerkrachten.

De N-VA wil werk maken van een betere ondersteuning van die leerkrachten. Er kunnen incentives worden gegeven via de scholen en via de directies.

Er wachten ons nog grote uitdagingen, zoals de personeelslast en de ook door de oppositie duidelijk onderkende capaciteitsproblematiek. Daarvoor zullen we ons blijvend engageren om zo te streven naar excellent onderwijs.

Mevrouw Irina De Knop

Ik wil het nog even hebben over het capaciteitsprobleem.

De voorzitter

Mevrouw De Knop, u hebt het al tweemaal over de capaciteit gehad. We gaan er geen derde keer over beginnen. (Opmerkingen van mevrouw Irina De Knop)

Als u al tweemaal hebt gereageerd in verband met de capaciteit, dan moet u dat geen derde keer doen via een omweg. (Opmerkingen van mevrouw Irina De Knop)

Ik blijf hier niet zitten tot 2 uur morgenochtend. Ik fnuik niets. U kunt daarover discussiëren in de commissie.

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, ik wil het debat van deze ochtend niet overdoen. Ik wil ook niet met u in een welles-nietesspelletje vervallen. U zegt dat u allerlei zaken hebt gedaan en dat u ervoor hebt gezorgd dat er veel middelen zijn vrijgemaakt voor capaciteit. Dat is ook zo. Tegelijk zeg ik dat er vandaag in Vlaanderen geen vrije schoolkeuze meer bestaat. Mensen moeten soms naar de andere kant van de stad reizen om een plek te vinden in een school. U zegt dat u middelen hebt uitgetrokken voor omkadering. Dat is ook juist. Anderzijds zijn er vandaag toch wel een pak te weinig werkingsmiddelen. Ook daar had er misschien een gelijkschakeling moeten zijn in het kleuter- en lager onderwijs. U zegt dat u het een en ander hebt gedaan voor het hoger onderwijs, dat u werk hebt gemaakt van de inkanteling. Maar het Financieringsdecreet ligt er nog. En ook het Aanmoedigingsfonds en de extra middelen voor onderzoek liggen nog op de plank. Voor elk dossier dat u hebt aangepakt, ligt er nog wel een dossier op de plank waar u geen werk van hebt gemaakt.

Minister, u bent bijzonder ambitieus begonnen aan de legislatuur met – ik heb het deze ochtend al aangehaald – uw grote werven: de scholen, schaalvergroting, masterplan hervorming secundair onderwijs, lerarenloopbaanpact en leerzorg.  Ik begrijp wel een beetje dat de Vlor stelt dat al die werven aan elkaar gekoppeld, gelinkt zijn. De drang die u aan het begin van deze legislatuur had om die allemaal tegelijk groots aan te pakken, heeft ervoor gezorgd dat u door de bomen het bos niet meer zag. De Vlor pleit in het laatste jaar van de legislatuur voor een gezonde dosis realisme. Zij zeggen dat, als er nog dingen worden aangepakt, dat vooral moet gebeuren met voldoende middelen, voldoende tijd en voldoende draagvlak op het veld. Ze halen daarbij het M-decreet aan, het decreet dat het vroegere Leerzorgdecreet moest vervangen, betreffende dringende maatregelen. Ze vrezen – en ik kan hen daar voor een heel stuk in volgen – dat het bijzonder moeilijk wordt om dat decreet nu nog in te voeren. Er moet worden gezorgd voor competentieontwikkeling bij de leerkrachten. De schoolorganisatie is daar nog helemaal niet klaar voor. Toch bent u van plan dat door te voeren.

Ik heb daar mijn vragen bij. Ik denk dat u inderdaad het best zeer realistisch nog een aantal concrete dingen aanpakt op het einde van de legislatuur en in het komende jaar. Ik denk daarbij aan het ondersteunen van de leerkrachten. Ik heb dat daarnet ook al gezegd: de beginnende leerkrachten, de mentoruren. Ik heb ook gezegd dat u voor een betere ondersteuning voor de scholengroepen moet zorgen. Daar zijn de directeurs bij gebaat. Zorg ervoor dat er effectief minder planlast komt voor directeurs en leerkrachten. Want het zijn die mensen die aan het stuur staan en die al uw andere hervormingsplannen zullen moeten waarmaken. Zij zullen de hervorming, die er hopelijk komt en er volgens mij moet komen, in gang moeten trekken. U hebt hen de voorbije legislatuur toch wel echt verwaarloosd.

Ten slotte, minister, hoop ik dat de werkwijze die u de voorbije legislatuur hebt toegepast ons niet duur komt te staan. U zegt dat iedereen die hier om decreten vraagt, een decretenfetisjist is. U zegt dat er absoluut geen verschil is tussen een masterplan en een mental shift. Ondertussen beweegt er van alles op het veld. Ik hoop dat dat ons niet duur komt te staan. Doordat er geen kaders en decreten zijn, maar er inderdaad wel zaken gebeuren op het veld, aan heel verschillende snelheden, zouden we weleens in een onderwijslandschap kunnen terechtkomen dat bijzonder concurrentieel wordt, waarbij de zuilen in plaats van samen te werken tegen elkaar worden opgezet. Als dat het resultaat zou zijn van de voorbije legislatuur en van uw bewind, zou ik dat een zeer jammere zaak vinden.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

De heer Jos De Meyer

Voorzitter, om geen tijd te verliezen te verliezen, zal ik vanop de banken spreken. Ik heb immers maar drie minuten de tijd om kort iets te zeggen over drie punten. 

Minister, collega’s, vorig jaar bij de bespreking van de begroting vroeg ik mij af hoe lang de scholen uit het leerplichtonderwijs het nog zouden kunnen bolwerken met de slechts gedeeltelijke indexering van hun werkingsmiddelen.

Minister, nu spreek ik mijn appreciatie uit voor de regering, omdat zowel de loongebonden als de werkingsgebonden componenten van de werkingstoelagen terecht opnieuw worden geïndexeerd. Dat is nog geen compensatie voor de niet-indexering of gedeeltelijke indexering van de voorbije jaren, maar de stijging van de werkingsmiddelen voor het basis- en secundair onderwijs met 18,3 miljoen euro, waarvan 13,8 miljoen euro indexering, ten opzichte van de begrotingsaanpassing 2013, geeft de scholen toch wat ademruimte.

Wat betreft de schoolinfrastructuur, wil ik het eerst hebben over de capaciteit. Om de capaciteitsnoden te lenigen, zal er in 2014 57,5 miljoen euro worden geïnvesteerd. Ik heb begrepen dat de Vlaamse Regering op 6 december 2013 ook de niet-verdeelde schijf van 20 miljoen euro heeft toegewezen aan vier steden. Ik wil de regering eraan herinneren dat capaciteitsproblemen zich ook op het platteland voordoen en niet alleen in stedelijke gebieden. Ik heb begrepen dat de Vlaamse Regering na overleg met de koepels en het GO! ook een procedure heeft bekrachtigd voor de toekenning van de toekomstige capaciteitsmiddelen, die onder meer de toekomstige werking en samenstelling van de lokale taskforces die de capaciteitsnoden in kaart brengen, zou stroomlijnen. Minister, u begrijpt dat het me ten zeerste benieuwt hoe deze procedure eruit ziet.

Wat betreft de extra reguliere middelen scholenbouw: er is inderdaad ten aanzien van de begrotingsaanpassing 2013 nog in 7,6 miljoen euro extra voorzien voor reguliere scholenbouw. Dat is 30 miljoen euro extra ten opzichte van de begrotingsopmaak 2013. Minister, we weten dat de vraag naar extra reguliere middelen zeer groot is. We zijn er ons ook van bewust dat de extra reguliere middelen scholenbouw ook zorgen voor het mee vermijden dat er zich op termijn capaciteitsproblemen voordoen. 

Mag ik de regering nog even herinneren aan onze motie van een paar maanden geleden waarin we vragen om het bestaande normatieve kader dat door AGIOn werd uitgewerkt, te bespreken met de commissie Onderwijs voor het reces, en dit alvorens deze legislatuur nog de nodige beslissingen te nemen. Een tweede punt dat we vroegen, was om lokale pps-sites mogelijk te maken. We blijven pleiten voor een tweede inhaaloperatie wat betreft infrastructuur.

Voorzitter, ik rond af. We hebben vorige week de minister bevraagd over het niet terugvorderen van de zogenaamd te laat uitbetaalde regularisaties. Wij hebben begrepen dat de regering vorige vrijdag terecht op onze vraag is ingegaan, maar we hadden graag geweten op welke manier dit zijn weerslag vindt in de begroting 2014.

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Mevrouw Vera Celis

Voorzitter, minister, collega’s, collega Kris Van Dijck had het daarnet al over het belang van maatregelen op het niveau van het personeelsbeleid voor het onderwijzend personeel. Ik zou daaraan willen toevoegen dat wij het positief vinden dat de Vlaamse Regering beleidsprioriteiten heeft vastgelegd voor nascholingsinitiatieven voor de personeelsleden van het onderwijs, conform de afspraken uit het masterplan hervorming secundair onderwijs. Wij vinden het goed dat deze middelen in het schooljaar 2014-2015 vooral zullen worden aangewend voor de implementatie van de afspraken in de talennota, zoals taalontwikkeling Nederlands, want kennis van het Nederlands is een essentiële voorwaarde voor een succesvol onderwijstraject. De N-VA vindt het immers belangrijk om vanaf de kleuterklas en tijdens de hele verdere schoolcarrière in te zetten op het Nederlands. Uit cijfers die ik opvroeg, bleek immers dat steeds meer kinderen thuis geen Nederlands spreken, waardoor onvermijdelijk een taalachterstand wordt opgebouwd. Namens onze fractie kan ik dan ook stellen dat wij de taalmaatregelen zoals opgenomen in Onderwijs XXIII volledig steunen. Het gaat hier meer precies om de verplichte taalscreening, taalbadjaar en bijkomende lessen Nederlands. Een goede beheersing van het Nederlands is immers noodzakelijk om in het lager onderwijs te kunnen starten en om alle leerlingen ook gelijke groeikansen te garanderen.

De heer Wim Wienen

Mevrouw Celis, ik zou even een verduidelijking willen. Ik heb absoluut geen groot probleem met uw betoog. U had het echter over de taalmaatregelen uit OD XXIII. Heb ik het goed begrepen dat de N-VA die volledig steunt? Dan vermoed ik ook dat Content and Language Integrated Learning (CLIL) iets is waar de N-VA volledig achter staat. Klopt dat?

Mevrouw Vera Celis

Mijnheer Wienen, zoals CLIL is opgenomen in OD XXIII, kunnen we daarachter staan. (Opmerkingen van de heer Wim Wienen en van minister Pascal Smet)

Uit de PISA-resultaten blijkt eveneens dat de kloof tussen leerlingen met een migratieachtergrond of een andere thuistaal en Nederlandstalige leerlingen nog steeds groot is.

Kortom, de N-VA fractie is tevreden met het feit dat er in het komende jaar verder zal worden gewerkt aan de kwaliteitsvolle implementatie van de maatregelen uit de talennota, onder meer door het aanbieden van ondersteunende instrumenten.

Daarnaast zou ik het graag nog even hebben over het hoger onderwijs. Het hoger onderwijs speelt immers een centrale rol in de strategie om Vlaanderen op de kaart te zetten als een topregio qua kenniseconomie. Dat betekent dat we de kwaliteit van ons hoger onderwijs moeten blijven bewaken en versterken. Onze fractie vindt het dan ook positief dat er in 2014 een kleine 19 miljoen euro wordt vrijgemaakt, onder meer ter ondersteuning van de professionele bacheloropleidingen, de academische opleidingen en het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Teneinde in te zetten op de versterking van het hoger beroepsonderwijs, wordt er naast de groeinorm voor het volwassenenonderwijs ook in een groeipad voorzien, wat neerkomt op een stijging met meer dan 182.000 euro voor 2014.

In Vlaanderen worden we echter geconfronteerd met teleurstellende slaagcijfers in het eerste jaar van het hoger onderwijs. Ongeveer 40 procent van onze studenten slaagt niet in het eerste jaar. De verplichte, maar niet-bindende oriëntatieproef voor het einde van het secundair onderwijs is voor ons dan ook een zinvol antwoord op dat probleem. Het is niet-bindend, omdat we dit als extra element willen opnemen in het oriëntatieproces op het einde van het secundair onderwijs, maar het is wel een oriëntatieproef, om te bepalen wat de capaciteiten en de interesses zijn.

Zoals de heer Van Dijck daarnet ook al stelde, de leerkracht is en blijft voor ons een bepalende factor voor een kwaliteitsvol onderwijs. Lerarenopleidingen signaleren echter dat de algemene kennis van hun instroom afneemt. Daarbij komt dat we de komende jaren heel wat leerkrachten nodig zullen hebben. Het is en blijft dan ook zeer belangrijk dat de Vlaamse Regering in de volgende periode effectief werk maakt van die lerarenopleiding en, daarbij aansluitend, van een aantrekkelijk loopbaanbeleid voor elke leerkracht. Wij zullen dit alvast met heel veel plezier blijven opvolgen in 2014. (Applaus bij de N-VA)

De heer Wim Wienen

Mevrouw Celis, ik wou het eigenlijk nog even hebben over het onderdeel van uw betoog over het hoger onderwijs. U bent behoorlijk lovend wat dat betreft. Bent u het dan ook eens met de evolutie die we nu doormaken, namelijk dat het hoger onderwijs een enorme toename van anderstalige cursussen kent? Meestal gaat het dan meer bepaald over het Engels. We hebben dus eigenlijk te maken met een verengelsing in het hoger onderwijs. Kan de N-VA-fractie – want ik vermoed dat u de woordvoerder bent van die fractie – zich daar volledig in vinden?

Mevrouw Vera Celis

Mijnheer Wienen, u weet dat de student van 2013 in het hoger onderwijs de student van 2014 is, dat hij met andere woorden een student is van deze maatschappij, waarin de verengelsing en het Engels op zich een plaats hebben gekregen. U zou echter ook zeer goed de voorwaarden moeten kennen waaraan zowel de studenten als de docenten en inrichters van dat onderwijs moeten beantwoorden om dat mogelijk te maken.

De heer Wim Wienen

Ik vermoed dus dat het antwoord ‘ja’ was, weliswaar met iets meer woorden. Een gewoon ‘ja’ had kunnen volstaan.

De voorzitter

Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet

Wat de inspraak betreft, hebben wij inderdaad een ronde van Vlaanderen gedaan. Wij ontmoetten 2750 directeurs. In het kader van de hervorming van het secundair onderwijs zagen wij ook honderden leerkrachten. Sommigen beweren dat het draagvlak niet groot is. Mensen hebben vragen. Ze zijn bezorgd. Het is dus een verkeerde voorstelling van zaken als men zegt dat de mensen niet bij de zaken werden betrokken.

De afgelopen jaren hebben wij met veel mensen op het terrein gepraat: in scholen, met koepels en met vakbonden. Maar mij is duidelijk geworden dat de wijze waarop wij het onderwijsbeleid maken en de manier waarop leerkrachten daarbij worden betrokken een issue is. Noch de vakbonden, noch de koepels kunnen namens de leerkrachten spreken als het over hun beroep gaat. Ik spreek mij daar niet over uit, dat zeggen de leerkrachten zelf. Ik stel dat vast. Maar de afgelopen dertig jaar is het altijd zo geweest dat de minister niet met elke leerkracht afzonderlijk kan gaan praten. Dat gaat gewoon niet. Zelfs als men maar één school per week zou bezoeken, kan men in een hele legislatuur maar de helft van de scholen bezoeken. Ik heb wel veel geluisterd, en dat heeft mij veel geleerd. In de toekomst moeten wij nadenken of er geen beroepsvereniging van leerkrachten moet komen.

In tegenstelling met wat sommigen tot vervelens toe proberen te doen uitschijnen, is er de afgelopen vier jaar wel degelijk veel gebeurd. Friedl Lesage heeft helemaal gelijk: voor sommigen is de perceptie belangrijker dan de werkelijkheid. Ik herhaal het nog even, zodat het voor iedereen duidelijk is. Het eerste punt is het geld. Er is 1,8 miljard euro extra vrijgemaakt, veel meer dan nodig is voor een indexaanpassing. 187 miljoen euro gaat naar capaciteit; 112 miljoen euro naar het hoger onderwijs; 53 miljoen euro naar het basisonderwijs; in uitvoering van de cao gaat 40 miljoen euro naar de eindejaarstoelage voor de leerkrachten; 30 miljoen euro gaat naar de scholenbouw; 20 miljoen euro naar het Brussels conservatorium; 11 miljoen euro naar het leerlingenvervoer en 10 miljoen euro naar de Brusselnorm in het hoger onderwijs. Samen is dat goed voor 1,8 miljard euro. In economische moeilijke tijden is dat allesbehalve evident.

Voorzitter, wij hebben in deze legislatuur zaken gedeblokkeerd en uitgevoerd. De naadloze integratie van de studenten van de hogeschool in de universiteit is gebeurd, en dat was niet gemakkelijk. Het gaat over 20.000 mensen. Veel mensen hadden daar schrik van – op financieel, organisatorisch en personeelsvlak. Dat is zonder sociale onrust en met bijkomende middelen gerealiseerd. Over de hervorming van het secundair onderwijs heeft men twintig jaar gepraat. Wij hebben een masterplan goedgekeurd, met een draaiboek, en de volgende dagen zal dat worden publiekgemaakt. Er is vijftien jaar gedebatteerd over leerzorg. De Vlaamse Regering heeft op dat punt een beslissing genomen, en die ligt in het Vlaams Parlement ter goedkeuring voor: het gaat over het fameuze M-decreet. Wat de termijnen van de uitvoering betreft, is wat op 1 september 2014 al dan niet in werking moet treden voorwerp van gesprek. Sommige maatregelen moeten dan in werking treden, maar andere niet noodzakelijk. Dat laatste is evenwel niet essentieel. Wat essentieel is, is de beslissing om een nieuw kader goed te keuren dat toestaat om leerzorg aan te bieden, zodat een belangrijke stap naar inclusief onderwijs kan worden gezet.

Ik kom straks op het loopbaanpact en het Schaalvergrotingsdecreet nog terug, maar daar nu toch al dit over. Als men twintig jaar nodig had om het secundair onderwijs te hervormen en vijftien jaar om leerzorg aan te pakken, hoe zou het dan kunnen dat ik op twee jaar tijd een totaal nieuw loopbaanpact voor leerkrachten zou kunnen uittekenen? Op een bepaald moment koesterde ik de hoop dat het zou lukken, maar de geesten waren er niet rijp voor. Ik weet dat sommigen geheugentraining kunnen gebruiken, maar er is nooit sprake geweest om een decreet te maken over de loopbanen van leerkrachten, mijnheer Wienen. Wel is er sprake geweest van een loopbaanpact, maar ik heb er steeds aan toegevoegd dat het ten minste tien jaar zal duren om dat op het terrein uit te voeren.

Dat neemt niet weg dat we belangrijke inspanningen hebben gedaan. Ik wil met u afspreken, mijnheer Wienen, om in de komende tien jaar na te gaan wat er zal zijn uitgevoerd. Bijna alles wat in het loopbaanpact staat, zal in de volgende jaren effectief worden uitgevoerd. Idem dito voor het schaalvergrotingsdecreet. Daar wordt het belangrijkste gedaan door het vrij onderwijs, waar de nood ook het hoogst was. De tweede fase, het daaraan koppelen van gevolgen, kan zomaar in werking treden in 2018. Dan heeft het totaal geen zin om dat nu koste wat het kost door te trekken.

Ik ben het er absoluut mee eens dat leerkrachten in het onderwijs heel belangrijk zijn. Mijnheer Wienen of mijnheer Van Dijck, een van jullie heeft een contradictie naar boven gehaald. Enerzijds zegt men dat de autonomie van de scholen heel belangrijk is – en daar geloof ik ook in – en dat je een terughoudende overheid nodig hebt. Dan wordt er gevraagd naar ondersteuning van leerkrachten, maar volgens de manier waarop ons onderwijs is georganiseerd, is dat op dit moment voor omzeggens honderd procent de bevoegdheid van de scholen en van de koepels.

Mevrouw Meuleman, dat moet u ook eens zeggen tegen de heer Van Besien, want het abc van onderwijs heeft hij duidelijk niet onder de knie. Dat is duidelijk een bevoegdheid van de scholen. Hoe men omgaat met functioneringsgesprekken en evaluatiegesprekken, is de volledige bevoegdheid van de scholen. De regelgeving is aangepast. Die ondersteuning kan inderdaad beter, maar dan krijg je voortdurend de botsing met het beleid van de minister. Lees het Vlor-advies, dat zegt dat de minister van Onderwijs wel eens over die lijn durft te gaan.

Er is dus een ongelooflijke contradictie. Enerzijds zegt men dat de minister het moet oplossen, en als de minister het oplost, zegt men: minister, waar bemoei je je mee, het is onze zaak. Daar komt het op neer. Het is wellicht goed dat die contradicties in debatten naar boven komen in plaats van te papegaaien en de waan van de dag na te praten. Dat zou waarderend werk zijn. Omdat we vaststellen dat er een ondersteuningsprobleem is, zijn we nu – in februari zal het rapport klaar zijn – de pedagogische begeleidingsdiensten die moeten instaan voor de ondersteuning, aan het evalueren en zijn we aan het uitzoeken hoe ze nog beter kunnen worden.

Lerarenopleiding: u zegt dat ik te lang wacht. Met alle respect, die nieuwe lerarenopleiding is pas in 2008 in werking getreden. Je moet die enkele jaren de kans geven om te laten doorlopen door studenten. We hebben onmiddellijk geëvalueerd wanneer we dat konden. De evaluatie is klaar, nu zijn we volop aan de slag om nieuwe, doortastende maatregelen uit te voeren.

Planlastvermindering, zegt u. Ik ben het met u eens, mijnheer Wienen. Hebt u het rapport gelezen dat we hebben gevraagd aan die universiteitsprofessoren? Wat staat daar heel duidelijk in? Dat het nauwelijks aan de overheid ligt. De verantwoordelijkheid ligt opnieuw in de eerste plaats bij de scholen en de koepels, een stukje ook bij de overheid, maar niet de hoofdverantwoordelijkheid. Vooral het bestuurlijk, beleidsvoerend vermogen van de scholen zal al of niet doorslaggevend zijn voor hoe we met planlast omgaan.

Dan de mentoruren. Mevrouw Meuleman, ik weet niet hoe vaak ik dat nog moet zeggen. U moet bij de les blijven en even luisteren. Anders heeft het geen zin dat u daar vragen over stelt. De mentoruren zijn niet afgeschaft. We hebben minder extra middelen gegeven. Vandaag zijn er in Vlaanderen heel wat scholen die wel aanvangsbegeleiding doen voor beginnende leerkrachten. Dat is zo. Ze zijn niet afgeschaft, alleen het extra geld. Trouwens, onderwijs is de enige sector die extra geld nodig heeft om dat te moeten doen. In andere sectoren is dat niet zo. Bovendien zijn er heel wat scholen en scholengemeenschappen die het wel kunnen organiseren. Het is dus ook opnieuw foutief om na te apen. Alsof het hele systeem met 10,8 miljard euro in elkaar zou stuiken als je plots 15 miljoen euro wegneemt. Dat klopt langs geen kanten.

Voor leerkrachten hebben we twee cao’s afgesloten. De eerste zonder geld, de tweede met geld: 40 miljoen euro en daar kan nog 80 miljoen euro bij komen over twee jaar voor de koopkrachtverhoging van leerkrachten. Dat gaat tegen de tendens van vandaag in. Alsof dat allemaal zo vanzelfsprekend is. Dat hebben we dus ook gedaan.

Dan kom ik bij de scholenbouw. De heer Kris Van Dijck heeft gelijk, dat is een erfenis van het verleden. Trouwens, mevrouw De Knop, de architectuur van die hele pps-operatie is wel uitgewerkt door een regering met liberalen erin, en dat is nog maar vier en een half jaar geleden beslist. Af en toe lijdt u aan selectief geheugenverlies.

Ten gevolge van de financieel-economische crisis is er, voor alle duidelijkheid, een doorstart gekomen. Mensen uit het buitenland komen bekijken hoe wij tijdens een financieel-economische crisis tweehonderd nieuwe scholen bouwen.

Het heeft lang geduurd. Ik vind ook dat het te lang heeft geduurd. In 2006 is beslist dat de bulk van de scholen pas in 2016 zou worden opgeleverd. Dat is een conclusie die we uit heel de operatie moeten trekken. De scholen worden nu gebouwd. Bijna alle bouwvergunningen zijn afgeleverd. We zijn effectief met die scholen bezig. De minister die mij zal opvolgen, zal veel scholen kunnen openen. Op dat ogenblik zal de perceptie ontstaan dat hij veel voor de scholenbouw heeft gedaan. Eigenlijk is alles nu al beslist en in gang gezet.

Wat de tweede inhaalbeweging betreft, is iedereen het er volgens mij over eens dat we momenteel geen beslissing over een dergelijk grote operatie kunnen nemen. We weten immers nog niet wat het oordeel van Eurostat zal zijn. We voeren nog onderhandelingen over de gevolgen op basis van het ESR.

We moeten veeleer voor een kleinschalige manier kiezen. We zullen dit in Antwerpen proberen. We zullen ook andere experimenten uitvoeren. Ondertussen zijn we met een financieel-economische crisis geconfronteerd. Het geld valt niet zomaar van de bomen. We kunnen niet alle investeringen in een keer uitvoeren.

Desondanks hebben we 187 miljoen euro in de capaciteit en 30 miljoen euro in de reguliere scholenbouw geïnvesteerd. Dit betekent dat we, naast het anderhalf miljard euro voor die tweehonderd scholen, 180 miljoen euro voor de reguliere scholenbouw hebben uitgetrokken. Dat is heel wat geld.

Mevrouw Meuleman, wat de vrije schoolkeuze betreft, kan uw pathetische overdrijving tellen. Volgens u is er in Vlaanderen geen vrije schoolkeuze meer. Dat hebt u letterlijk gezegd. (Opmerkingen)

Er is in Vlaanderen nog steeds vrije schoolkeuze. Die keuze staat onder druk in een beperkt aantal steden. We moeten niet ontkennen dat dit in Antwerpen het geval is. In Gent is dit in mindere mate het geval. Ook in Brussel is er een issue. De vrije schoolkeuze komt onder druk te staan en mensen moeten zich verder verplaatsen om naar school te kunnen gaan. Niemand hoeft mij echter te verwijten dat de afgelopen twintig jaar een woonpolitiek is gevoerd en dat niet of onvoldoende in scholenbouw is geïnvesteerd. (Opmerkingen van de heer Bart Tommelein)

Mijnheer Tommelein, uw partij was in Antwerpen bevoegd voor de ruimtelijke ordening. U kunt beter opletten wat u zegt. (Opmerkingen)

Zelfs in de stad Oostende is het onmogelijk scholen zomaar neer te planten of zomaar gebouwen te zetten. Daar is ruimte voor nodig. Het is niet evident in een stedelijke omgeving massaal scholen bij te bouwen.

Tot slot hebben we veel geld aangewend en veel zaken gedeblokkeerd. Ik denk onder meer aan de positie van het Chinees en het Engels in ons onderwijs. Dat was jarenlang niet mogelijk. Nu is dat mogelijk geworden.

We hebben nog werk voor de komende jaren. Het Vlaams Parlement zal het ontwerp van M-decreet moeten goedkeuren. Wat de rechtspositie van leerlingen betreft, wordt het voorontwerp van decreet komende vrijdag naar de Raad van State gestuurd. In januari zal het in het Vlaams Parlement worden ingediend. Ook over de beroepsprocedures en de rechten en plichten van leerlingen zal hier moeten worden gestemd. Er is ook nog Onderwijsdecreet XXIV, waar de evaluatie van het decreet betreffende de inschrijvingen onder meer in kan worden opgenomen. De zijinstroom moeten we door middel van een besluit regelen. Er ligt nog heel wat werk op onze plank.

Wat een eventueel alternatief voor de taalproef betreft, heeft niemand me al een suggestie overgemaakt. Ik wacht op een suggestie. Tot nu toe heeft niemand een alternatief gevonden. Wie er eentje heeft, moet het maar laten weten. Indien het om een goed idee gaat, zullen we hier zeker rekening mee houden.

Ik vat even samen. We zullen de komende maanden nog hard werken. We hebben dat de afgelopen vier jaar ook al gedaan. Ik kan enkel vaststellen dat de mensen die de afgelopen vier jaar vaak hebben geroepen dat de kinderen geen plaats zouden hebben en dat er geen geld zou zijn, allemaal ongelijk hebben gekregen. Ook toen ik voor het eerst heb gesteld dat jongeren die geen Nederlands kennen, zouden worden verplicht op woensdagnamiddag extra lessen Nederlands te volgen, is vanop het spreekgestoelte verklaard dit een ballonnetje was en dat dit nooit zou worden uitgevoerd. De Vlaamse Regering heeft beslissingen genomen. Nu komt het er nog op aan intellectuele eerlijkheid te tonen en het vermogen te hebben dit al dan niet te erkennen.

De heer Wim Van Dijck

Ik wil toch even repliceren op wat de minister net heeft verteld. Hij was weer heel erg op dreef. Zo kennen we hem. Hij heeft onder meer iets over de vakbonden en de koepels verklaard. Hij heeft ook ervaren dat de leerkrachten vinden dat de koepels en de vakbonden hen niet goed vertegenwoordigen.

Eigenlijk is dat een verbijsterende vaststelling. We wisten dit eigenlijk al, maar nu zeggen de leerkrachten letterlijk dat de koepels en vakbonden hun mening niet behoorlijk vertolken naar het beleid. Wat de koepels en vakbonden dan verkondigen over bijvoorbeeld de hervorming van het secundair onderwijs is dus niet de stem van de leerkracht. Dat leid ik daaruit af. Verbijsterend, maar het is een waarheid als een koe.

U spreekt zogezegd met honderden leerkrachten – slechts enkele honderden op tienduizenden. Ondertussen wuift u de enquête van Knack die duizenden leerkrachten ondervraagd heeft, weg als een spielerei van de media. Een eerdere VUB-studie wuift u eveneens weg wegens tendentieus. Als u met honderden leerkrachten spreekt, bespeurt u toch wel enig ongenoegen, er zijn wel vragen, bezorgdheid, maar uiteindelijk au fond is iedereen het eens met die hervorming van het secundair onderwijs. Minister, dat is niet ernstig.

De koepels en vakbonden vertolken de mening van de leerkrachten niet. U hebt dan gevraagd hun e-mailadressen te kunnen gebruiken, zodat u hen rechtstreeks zou kunnen informeren. Dat werd u niet toegestaan. Als u zich rechtstreeks tot de leerkrachten wilt wenden, dan is dat toch alleen maar om uit te leggen wat hier al beslist is, en is er absoluut geen sprake van enige consultatie of rekening houden met hun mening.

U merkt contradicties in de betogen over de rol van de overheid ten aanzien van leerkrachten. Dat zal dan toch niet bij ons zijn. Wij hebben de laatste weken en maanden gemerkt dat steeds meer mensen bij andere fracties, willen dat de overheid meer ingrijpt in het onderwijs. Bij ons is dat alleszins niet het geval. De leerkrachten worden wel getroffen door beslissingen die hier worden genomen en die hun beroep in aanzienlijke mate verzwaren. Dan heb ik het over planlast, de differentiatie, het ontwerp van M-decreet. Dat heeft allemaal rechtstreeks invloed op het lesgeven. Daar vraag ik aandacht voor, dat we eindelijk eens rekening houden met de taken en de draagkracht van de leerkracht. We mogen hen niet overladen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Mevrouw Irina De Knop

Minister, volgens u is de vrije schoolkeuze compleet gewaarborgd. Ik ontken dat, ik zal Brussel aanhalen als voorbeeld, maar hetzelfde speelt zich af in Antwerpen, Gent en andere steden. Daar zijn ouders die acht, negen, tien en elf scholen hebben aangeklikt. Dan nog konden ze in geen enkele school terecht. Dat is toch geen vrije schoolkeuze, minister?

U hebt het goed genuanceerd: ze hebben allemaal een plaats gevonden, sommige misschien iets verder weg, in een andere stad of gemeente, op 10 of 20 of meer kilometer. Dat kunt u bezwaarlijk een vrije schoolkeuze noemen. U vindt dat de voorbije regeringen daar onvoldoende in geïnvesteerd hebben. Ik denk dat die demografische evolutie er één is van de laatste vijf, zes jaren. Ik kan u zeggen dat Brussel daarop vanuit de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) op heeft geanticipeerd. In de vorige legislatuur was u daar minister. U weet zeer goed dat er toen al alarmkreten klonken en nu ook, naar de Vlaamse Regering.

Dan zou je minstens toch verwachten dat u daar een daadkrachtig beleid tegenover stelt, en dat hebt u dus niet gedaan. U hebt elk jaar druppeltjes gesprenkeld op een hete plaat. Dat zal voor de komende jaren ontoereikend zijn.

Dan hebben we het nog niet eens gehad over de plaatsen die nodig zijn op de secundaire scholen. Daar tekent u, minister, samen met de Vlaamse Regering, verantwoordelijk voor. Punt andere lijn.

Minister, misschien moet u die nieuwe communicatielijn over de mentoruren toch eens herzien. Dat is van het gekste dat ik al gehoord heb. “Ik heb de mentoruren niet afgeschaft, het zijn alleen de middelen die verdwenen zijn.” Ja, dan kunt u die lijn doortrekken. “Ik heb het GOK-beleid niet afgeschaft, het zijn alleen de GOK-middelen die verdwenen zijn. De scholen zijn vrij om een GOK-beleid verder te zetten.” Of: “Ik heb de ICT- of de turnuren niet afgeschaft, alleen de middelen, maar de scholen zijn vrij om turnen en ICT te blijven organiseren.” Dan zijn natuurlijk nog zeer grote besparingen op onderwijs mogelijk, en is er voor u nog een toekomst weggelegd. Dat is waar.

De heer Jos De Meyer

Minister, ik heb geen antwoord gekregen op mijn laatste vraag. Moeten er in het voorliggende of in een later decreet maatregelen worden opgenomen om de niet-terugvordering van de te laat uitbetaalde salarissen juridisch in orde te brengen?

Het is toch met verbazing, minister, dat ik uw pleidooi aanhoor. U moet in uw gedrevenheid om te antwoorden toch wel enige terughoudendheid aan de dag leggen. U zegt: “Het is niet mijn schuld dit en niet mijn schuld dat…” Maar u moet beseffen dat u minister bent van een partij die sinds het ontstaan van deze Vlaamse regeringen onafgebroken aan het beleid is geweest, dat u verschillende ministers van Onderwijs hebt geleverd, en dat u in de steden die u hebt vernoemd, Antwerpen en Gent, de laatste decennia onafgebroken aan de macht bent geweest en ook daar de schepen van Onderwijs hebt geleverd. Enige terughoudendheid zou toch wel passen. (Applaus bij de oppositie)

De heer Wim Wienen

Minister, uw antwoord is natuurlijk indrukwekkend omdat u het geeft met de bevlogenheid die u kenmerkt. Maar u somt een hele hoop bedragen op die extra worden vrijgemaakt. Laten we het over scholenbouw hebben, goede minister. Als we bekijken hoeveel middelen daarvoor worden vrijgemaakt, wat is daarvan concreet het resultaat? Al twee legislaturen lang, met een socialistische minister op Onderwijs, is men bezig over de inhaalbeweging inzake schoolinfrastructuur en schoolgebouwen. Wat is het resultaat? U bent twee eerste stenen gaan leggen, niet meer dan dat, en er was er dan nog een van slecht geplaatst.

Voorzitter, we zijn op het eind van de legislatuur en dan mag je, denk ik, een evaluatie maken van wat de minister heeft betekend de afgelopen jaren. Iedereen kent de Sprookjes van 1001 nacht. Wel, deze minister was de minister van 1001 ideetjes. En wat kwam er van die 1001 ideetjes? Niets, nul komma nul. Het rapport van minister Smet is qua bevlogenheid en voluntarisme een grootste onderscheiding, qua beleid een dikke buis. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Minister Pascal Smet

Als je gebuisd wordt voor een buis, weet je hoeveel punten je hebt, voor alle duidelijkheid. Maar goed.

De steden. Inderdaad zijn we daar aan de macht geweest. We hebben ook ministers van Onderwijs gehad. Maar het ontgaat u dat we niet de absolute meerderheid hebben gehad in die Vlaamse regeringen, noch in de Vlaamse steden. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

In dit debat is er maar één eerlijk en correct en duidelijk argument, en de heer Kris Van Dijck heeft het gegeven: in het dossier van de scholenbouw, mijnheer Tommelein, is er een gedeelde verantwoordelijkheid. Van elke partij, of het nu sp.a, Open Vld, CD&V of de N-VA is… (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

Jullie niet, maar jullie hebben ook veel ellende veroorzaakt – maar dat is nog iets anders. (Opmerkingen bij het Vlaams Belang)

Het zou intellectueel wat eerlijker zijn indien iedereen zou erkennen dat dat een gedeelde verantwoordelijkheid is. Als je de geschiedenis ervan bekijkt, zal iedereen dat heel duidelijk zien. De scholenbouw duurt inderdaad een tijdje. Het ontgaat sommigen blijkbaar dat er in deze wereld vier jaar geleden een ernstige financiële crisis is geweest. Mag ik er nog even aan herinneren dat er bij dat Design, Build, Finance and Maintain-contract (DBFM) geen ‘financial clause’ was. We moesten dat nog financieel regelen op een moment dat de financiële markten in elkaar aan het stuiken waren. Dat we het nog hebben kunnen doen, is op zich al een prestatie. Natuurlijk heeft het dan wat langer geduurd. Dat klopt. Scholen bouwen doe je niet op één dag. Maar dat neemt niet weg dat we nu tweehonderd scholen aan het bouwen zijn voor 1,5 miljard euro.

Mevrouw Meuleman, de afschaffing van de mentoruren is voorgesteld door het veld, al neem ik daar voor alle duidelijkheid wel de verantwoordelijkheid voor. Ik ben niet iemand die zijn verantwoordelijkheid ontloopt. Tijdens de gesprekken is gezegd dat de manier waarop we het invullen, niet de juiste is, en dat het bovendien de minst erge manier is om het daar te doen.

Ik stel alleen vast dat er vandaag in Vlaanderen heel veel mentoruren worden ingevuld via de bpt-punten (bijzondere pedagogische taken), op het niveau van de scholengemeenschappen, en dat heel wat scholen wel in staat zijn om de aanvangsbegeleiding te organiseren, zonder die extra financiële middelen die daarvoor gegeven worden.

Mevrouw De Knop, u hebt echt een probleem met luisteren. Ik heb zelf gezegd dat er in heel Vlaanderen nog een vrije schoolkeuze is en dat alleen in Antwerpen en Brussel en een beetje in Gent die inderdaad onder druk staat door de capaciteitsproblemen. Dat heeft heel veel te maken met de ruimtelijke ordening in de steden: je kunt niet zomaar scholen bijbouwen.

Als mensen echt een school van hun net willen hebben, moeten ze inderdaad verder gaan dan ze gewoon zijn. Maar dat heeft ook heel veel te maken met de manier waarop wij ons onderwijs organiseren. In veel landen duidt de overheid je school aan. Ik pleit daar niet voor. In veel landen is dat wel zo, maar wij laten absolute vrijheid. Daarom hebben we het Inschrijvingsdecreet nodig en daardoor is het soms wat ingewikkeld, maar in de steden staat het inderdaad onder druk.

Wij weten dat er in Brussel een probleem is, maar u vergeet er altijd bij te vermelden dat het niet enkel de Vlaamse Gemeenschap is die het capaciteitsprobleem in Brussel moet oplossen, maar ook de Franse Gemeenschap. Ik hoor nu dat men bij de Franse Gemeenschap erkent dat men voor 2014, 2015 en 2016 te weinig doet en heeft gedaan. Het was trouwens een groene minister in de Franse Gemeenschapsregering, mevrouw Meuleman. Pas vanaf 2017 zal men nieuwe scholen hebben.

Voorzitter, sommigen zijn niet te overtuigen van het vele werk dat we gedaan hebben. Op het moment dat het bilan wordt gemaakt en alles op een rijtje wordt gezet – en ik weet dat sommigen iets tien keer moeten lezen, vooraleer ze het begrijpen – zult u zien dat er tijdens deze legislatuur veel dingen zijn beslist en uitgevoerd, dat er stenen zijn verlegd en dat het beleid dat we de afgelopen jaren hebben bepaald, de komende jaren nog veel zal veranderen in onderwijs. Ik ben daar heel zen in.

Wat uw laatste vraag betreft, mijnheer De Meyer: dat heeft geen financiële gevolgen op de begroting, om de doodeenvoudige reden dat niet in de terugvordering was voorzien. Er was dus geen opbrengst ingeschreven. Door het feit dat we geen opbrengst hebben door de terugvordering, verliezen we ze ook niet. Er wordt een amendement ter zake ingediend.

De voorzitter

Het beleidsdomein Onderwijs en Vorming is afgehandeld.

De voorzitter

Mobiliteit en Openbare Werken

We bespreken nu het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken.

De heer Reekmans krijgt als eerste spreker het woord, omdat hij over enkele uren de eed moet afleggen als burgemeester van een Vlaams-Brabantse gemeente. (Applaus. Opmerkingen)

De heer Peter Reekmans

Voorzitter, dames en heren ministers, collega’s, roepen dat Vlaanderen stilstaat, dat laat ik aan een andere oppositie over. Onze partij heeft een meer genuanceerde visie omtrent mobiliteit en openbare werken in Vlaanderen. De voorbije jaren werden wel degelijk een aantal stappen gezet, en een aantal concrete intenties om die lijn door te trekken, zijn positief. En wat positief is, moet je ook durven te zeggen, ook als oppositie. Weefstroken, spitsstroken, zelfs een aantal vierkante meters extra beton of asfalt voor een missing link: stuk voor stuk was het veel te lang taboe. Het waren ideeën die kamerbreed weggelachen werden toen mijn partijvoorzitter Jean-Marie Dedecker ze tien jaar geleden voorstelde.

Vandaag worden ze gerealiseerd, en met resultaat. Uiteraard zou het onzes inziens nog veel meer van dat mogen zijn, maar de ban is ten minste gebroken. En dat verdient een pluim, want de trend wordt straks op een aantal aspecten doorgezet.

Natuurlijk mag dit de processie van Echternach in het Oosterweeldossier niet doen vergeten. Dat blijft de smet op deze regering en een dagelijkse aanslag op het hart van onze Vlaamse economie. Met alleen al de studiekosten die voor Oosterweel gemaakt zijn, hadden veel mobiliteitsproblemen in en om Antwerpen metterdaad opgelost kunnen zijn. Laat ons hopen dat het dossier van de Brusselse ring straks niet in hetzelfde bedje doodziek wordt.

Maar er zijn ook lichtpuntjes. Het rapport ‘Toestand van het wegennet’, dat zopas uitkwam, is geen zegebulletin, maar het is ook geen inktzwart blunderboek meer zoals enkele jaren geleden. Er werd doelgericht geïnvesteerd, en LDD steunt u om die inhaalbeweging straks ook door te zetten op het onderliggende wegennet. Het gaat allemaal traag, maar dat toont vooral aan hoe slecht het gesteld was met onze wegen. Minister, we stellen vast dat uw inhaalbeweging stilaan tot resultaten leidt.

Aangetoond is dat de inhaaloperatie inzake ons wegennet kapitaalsintensiever is dan eerder ingeschat. LDD had dan ook graag gezien dat er nog meer middelen voor werden vrijgemaakt. Belbussen, busstroken, boerentrammen, nee, dat is absoluut niet waarop wij zitten te wachten. Terecht schelden op de federale NMBS, maar met betrekking tot De Lijn alles met de mantel der liefde toedekken: wij doen er niet aan mee.

Op het vlak van luchthavenbeheer hebben we ook een heel andere visie dan deze regering. Privatiseren, maar er zelf toch nog fel de broek aan scheuren, het is niet onze definitie van goed bestuur. We zullen Deurne en Oostende dan ook met argusogen volgen. Donderdag in de commissie gaan we daarop concreet in. Dat zullen we trouwens straks ook doen met het richtinggevende Masterplan Vlaamse Baaien en uw verdere stappen in dat dossier.

Te land, te water en in de lucht: Vlaanderen mag kosten noch moeite sparen om mobiliteit te vrijwaren. Maar ik verklap u geen geheim als ik benadruk dat mijn partij maximale aandacht vraagt voor de wegen. Dynamisch verkeersmanagement, slimme verkeerslichten, incident management, realistische en niet ideële handhavingssystemen op basis van objectieve verkeersonveiligheidsgegevens: het zijn slechts enkele thema’s die we de komende maanden hoog op de agenda willen zien en zo nodig zullen zetten. Want het zijn mogelijkheden die onze huidige wegen, binnen haalbare budgetten, kunnen optimaliseren.

En dat komt iedereen ten goede, niet alleen de motorvoertuigen, maar zeker ook de zwakke weggebruikers. Al te vaak wordt het voorgesteld alsof inzake mobiliteit en openbare werken auto’s en fietsers of voetgangers water en vuur zijn, dat er budgettair gekozen moet worden voor de ene of de andere groep, maar wij geloven dat niet. Meer wegen soms, betere wegen vooral, met moderne, eigentijdse infrastructuur: dat komt elke weggebruiker ten goede. Wie daaraan werkt, vindt in ons een medestander.

De voorzitter

De heer Penris heeft het woord.

De heer Jan Penris

Ik wens de heer Reekmans een goede inzwering. Ik hoop dat hij het als burgemeester niet slecht gaat doen, maar daar twijfel ik niet aan.

Minister, tijdens de eerste herfststorm in de herfstvakantie was ik Nederland, en heel Nederland was in paniek, want er geraakte geen enkel schip meer binnen in de Nederlandse havens. De storm was in Nederland zwaarder dan in Vlaanderen, maar in Vlaanderen geraakten de schepen wel binnen, omdat onze loodsen werkzaam bleven, minister. Ik begin met bloemetjes te gooien. Ik heb bij de jezuïeten geleerd om te beginnen met een captatio benevolentiae, maar ‘in cauda venenum’ of op het einde komt het vergif. Onze loodsen konden blijven beloodsen omdat ze beschikten over nieuwe loodsboten. Als u investeert in materiaal, openbare werken en in de ontsluiting van onze havens, heeft dat ook resultaten. De havengemeenschappen in Vlaanderen zijn u daarvoor dankbaar en moeten dat zijn, minister.

We hebben in Antwerpen twee records gebroken. Een aantal maanden geleden voer de Edith Maersk binnen met 15.000 TEU (twenty feet equivalent units). Dat is niet niks. Dat zijn vier traditionele containerschepen. Wellicht was die niet volledig beladen, maar hij is toch in een goed beladen toestand zonder problemen binnengekomen, omdat we de Schelde hebben verdiept. Investeren in openbare werken loont, minister. We dachten dat we het hadden gehad, maar een paar maanden later kwam er nog een groter schip binnen, het recordschip de Mary Maersk van 18.000 TEU. En ik denk dat we nog meer kunnen.

Naar aanleiding van die recordgegevens heeft de rederij aangegeven dat ze blij zijn dat de Schelde is verdiept omdat ze nu, in geval van congestie in Rotterdam, minstens Vlaanderen kunnen aandoen. Als Vlaamse havengemeenschappen zijn wij blij met de investeringen die u hebt gedaan. Het bewijst dat investeren in openbare werken, minister, loont.

Ook het sluizenbeleid is verworven beleid. De sluis in het Deurganckdok is verworven, quid dat de haven in Antwerpen daarvoor de grootste kost zal dragen, wat ze voor een deel met het grootste plezier doet. Ook in Terneuzen is de tweede sluis verworven beleid en dat is goed voor de haven van Gent. Minister, investeren in openbare werken loont.

Dat wil niet zeggen dat u van ons grote of grootste onderscheiding krijgt, want er zijn nog een aantal problemen op het gebied van openbare werken en u zult ze kennen. In een aantal projecten gaan we achteruit, in een aantal projecten halen we niet wat we zouden hebben moeten halen. U kent ze. Aan de hinterlandontsluitingen van die succesvolle Vlaamse havens mangelt wat. Uw eigen haven Zeebrugge heeft problemen met de hinterlandontsluiting. U weet dat voor een deel problemen in uw eigen partij daar aan ten grondslag liggen. Waarom heeft Zeebrugge niet de waterwegontsluiting die deze haven verdient? Leg dat eens uit op het einde van de rit. Leg dat eens uit op het einde van uw legislatuur. Waarom heeft Antwerpen niet de wegontsluiting die deze stad en deze haven verdient? U hebt natuurlijk een moeilijk dossier geërfd, maar er is weinig of geen vooruitgang geboekt. De opeenvolgende opvolgingscommissies van BAM en de Oosterweelverbinding hebben dat duidelijk gemaakt. De tweede spoorontsluiting blijft een probleem waar heel de havengemeenschap, de maritieme gemeenschap wakker van blijft liggen. Ook de IJzeren Rijn – en dat is niet volledig uw verantwoordelijkheid, minister – is nog altijd niet ontsloten.

Minister, ook in het luchtvaartdebat hebben we niet gedaan wat we zouden kunnen doen. Voorzitter, ik neem aan dat we daar donderdag dieper op zullen kunnen ingaan. Het rapport van het Rekenhof is niet echt heel gunstig voor u – en dan druk ik me voorzichtig uit. Ik denk dat we andere constructies hadden kunnen en moeten bedenken om de Vlaamse luchthavens te ontsluiten.

Minister, dan heb ik het nog niet gehad over De Lijn. U hebt De Lijn hervormd maar niet tot tevredenheid van de passagiers, zeker niet in mijn eigen regio. De Lijn is in mijn regio – en ik neem aan in sommige andere regio’s ook – onbetrouwbaarder geworden, onveiliger geworden, oncomfortabeler geworden. Er zijn meer overstappen nodig enzovoort. Zowel passagiers als bestuurders komen bij ons klagen. Dat betekent dat uw beleid ten aanzien van deze belangrijke openbare vervoermaatschappij niet helemaal succesvol mag worden genoemd.

In het openbarewerkendossier hebt u een gelegenheid laten liggen. Uw collega’s van de CSU in Beieren zeggen dat men nu eindelijk eens buitenlandse gebruikers van het wegennet moet durven te belasten. Het is nu zelfs ingeschreven in het Duitse regeerakkoord. U hebt heel veel kansen laten liggen. U niet alleen, ook de vorige regeringen hebben dat gedaan. U hebt vijf jaar de tijd gehad om minstens iets te vragen van die weggebruikers die wij zouden kunnen belasten om onze infrastructuur mee te onderhouden. Minister, dat was een gemiste kans.

Het spijt me dat de heer Sauwens hier niet is, want u bent niet voor alles verantwoordelijk. Onze procedures zijn dikwijls te lang en te ingewikkeld. Als minister van Openbare Werken kunt u ambities hebben en kunt u misschien centen hebben of niet, maar u wordt vaak tegengewerkt door de procedures. Het zijn vaak hogere rechtsinstanties die ons hebben moeten terugfluiten. Minister, we moeten ons eens bezinnen over de manier waarop we omgaan met grote openbare werken, niet alleen in woorden, maar ook in daden. Niet alleen met goede voornemens zoals dit parlement heeft gedaan naar aanleiding van de initiatieven van de heer Sauwens, maar met concrete, decretale inspanningen. Vereenvoudig de wetgeving en u zult sneller uw ambities kunnen realiseren.

Mijnheer Penris, u slaat natuurlijk de nagel op de kop. Ik ben het daar helemaal mee eens, de hele Vlaamse Regering trouwens. Het is daarom dat we decreten hebben voorbereid, onder meer het decreet over de versnelling van complexe projecten. Vanmorgen is gezegd dat het misschien een olifantsdracht is, maar ik weet één ding zeker: deze olifant zal geen muis baren. U moet nog even geduld hebben, in de loop van januari zal het allicht klaar zijn. Ik heb deze morgen verteld dat het bij de Raad van State ligt. Als het terugkomt, zullen ministers Crevits, Schauvliege en ikzelf ervoor zorgen dat de laatste beslissing in de Vlaamse Regering kan worden genomen. Ik ben blij om te horen dat ook u dit project zult steunen om naar een andere vergunningsprocedure te gaan.

De heer Jan Penris

Goede collega, u kent niet altijd alles van cijfers – ik druk me voorzichtig uit – en ik ben geen zoöloog, maar ik denk niet dat een olifantsdracht vijf jaar duurt. Als u na vijf jaar nog niet dat hebt kunnen realiseren wat gerealiseerd had moeten worden, dan bent u niet goed bezig.

En ik weet, uw collega mag dan de beste bedoelingen hebben, maar ze wordt in een aantal heel concrete dossiers tegengewerkt door het geklungel en het geknoei van ons, de decreetgevende initiators, van ons en van u. Maar dan is het aan u om initiatieven te nemen.

En ik zal u iets bekennen, collega’s: dit is mijn voorlaatste optreden in het begrotingsdebat. Als mijn partij het me toestaat, ga ik de volgende keer – ik zal niet zeggen: naar het oostfront – naar de overkant en dan zal ik andere dossiers mogen en moeten beheren. Maar ik wil dit parlement toch blijven oproepen om datgene goed te doen wat het goed kan doen, want soms denkt u dat u er goed in bent, maar u bent het niet. Ik schaam me als jurist dat we regelmatig werden en worden teruggefloten in een aantal heel technische dossiers. Doe uw best wat dat betreft. De volgende keer komen er nieuwe uitdagingen naar dit huis en nieuwe decretale opdrachten. Beheert u die alstublieft een beetje als goede huisvaders, dan zult u niet meemaken wat we deze legislatuur hebben meegemaakt en dan hebt u geen olifantsdracht meer, maar een gewone dracht: na negen maanden moet dit parlement klaar zijn met een wetgeving die Vlaanderen ten bate kan zijn. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter

De heer Keulen heeft het woord.

Voorzitter, leden van de regering, collega’s, het is een klassieke opener vandaag en morgen bij elk betoog: dit is het einde van de legislatuur en dus het tijdstip om een bilan op te maken. We moeten de positieve punten vermelden – ‘fair enough’ – en we moeten het durven toe te geven als er vooruitgang wordt geboekt. We moeten ook een aantal werkpunten aangeven en ook een aantal zwakke prestaties vermelden.

Minister, ik zal ook beginnen – ik heb nooit bij de jezuïeten gezeten – met de goede punten. Er werden er hier al een aantal opgesomd. Het is inderdaad onloochenbaar dat u bezig bent met een serieuze inhaalbeweging wat betreft de onderhoudsbeurten van onze wegen, het wegwerken van de onderhoudsachterstand. Ik denk wel dat u nog flink wat werk voor de boeg hebt, letterlijk en figuurlijk, in de eerste plaats om alle automobilisten, alle weggebruikers ervan te overtuigen dat er vooruitgang wordt geboekt. U zit daar met een serieus probleem, niet alleen een perceptieprobleem, maar voor de gewestwegen is de vervaldatum 2020 en er is nog heel wat werk te verzetten. Vlaanderen is een klein en internationaal gebied. Mensen komen ook in het buitenland, en iemand die regelmatig op Nederlandse wegen rijdt, ziet nog altijd een opmerkelijk verschil in het nadeel van Vlaanderen.

Ook goed is alles wat u hebt gedaan voor deze periode van het jaar. Ik heb het over de winterbeurten en over hoe u de natuurelementen moet trotseren bij sneeuwval en vriesweer. De winters van 2010 en 2011 zullen u nog lang heugen, maar ik meen dat u de juiste signalen hebt gegeven aan de administraties en dat u daarvoor ook de nodige middelen hebt vrijgemaakt.

Ten slotte scoort u ook communicatief heel goed. De camera houdt van u en de journalisten zien u ook graag. Wie in uw positie zit, kan daar alleen maar blij om zijn.

Er zijn echter ook een aantal werkpunten en negatieve punten. Hoe men het draait of keert, en dat zal ook blijken tijdens de evaluatie van deze legislatuur, mobiliteit blijft de achilleshiel van deze regering. Wat de zware dossiers betreft, is er veel te weinig resultaat geboekt. Het is godgeklaagd dat in alle rangschikkingen en tabellen wereldwijd, wanneer het gaat over steden die onbereikbaar zijn door het fileleed, de Vlaamse steden in de spits prijken. Ik denk aan Antwerpen en Brussel, steden die langs Vlaamse steden ontsloten worden en waar men niet naar de PS of naar Elio Di Rupo als de schuldige kan wijzen maar naar het slechte DNA van deze Vlaamse Regering – ik heb dat vandaag gelezen in De Morgen.

Minister Muyters, de heer Penris heeft het gehad over de commissie Speed. Ik zit hier nu bijna negentien jaar en er is nooit een commissie geweest die onder een gunstiger, een positiever en een constructiever gesternte heeft gewerkt dan de zogenaamde commissie-Sauwens, om ervoor te zorgen dat grote infrastructuurprojecten in Vlaanderen nog een kans krijgen en dat de realisatietermijn zou worden gehalveerd. We hebben de conclusies van die commissie unaniem goedgekeurd in 2010. Het was toen voor de oppositie veel gemakkelijker geweest om aan de kant te gaan staan. Er waren voldoende dingen die ons niet aanstonden. Maar we hebben toen beslist om over de grenzen van meerderheid en oppositie heen onze schouders daaronder te zetten. Het is nu eind 2013. Er is al heel lang aangekondigd dat er een decreet zou komen, maar dan moeten er ook nog uitvoeringsbesluiten volgen. Wat dat betreft, is er veel gebabbeld en veel te weinig gebeurd.

Hetzelfde geldt voor de missing links. Die maken het verschil tussen stilstaan en vooruitgaan. De Europese Commissie, op dat vlak een neutrale instantie, heeft becijferd dat België elke jaar 8 miljard euro verliest door fileleed. Iedereen die de situatie in dit koninkrijk kent, weet dat het vooral om Vlaams fileleed gaat. Dat is niet om te benijden. In Wallonië heeft men veel autosnelwegen maar weinig economische activiteit. Daar zitten de files dus niet. Wij hebben dit zelf in handen maar we laten volgens Europa jaarlijks 8 miljard euro door de vingers glippen. Men zou van minder het schaamrood op de wangen krijgen.

Mijnheer Keulen, u zegt zelf dat er een grote verandering nodig is in het vergunningenbeleid. Als u dat wilt en het fundamenteel over een andere boeg wilt gooien, dan moet u ervoor zorgen dat het geboden alternatief de nodige rechtszekerheid heeft. Het moet administratief gedragen worden en via adviesraden passeren. Ook de Raad van State moet zich daarover uitspreken. Dat vraagt tijd, dat schudt men niet van het ene op het andere moment uit de mouw, ook al is er een groot draagvlak binnen het parlement.

Mijnheer Keulen, ik begrijp dat u heel positief zult meewerken aan het voorstel dat wij in januari zullen voorleggen.

Minister Muyters, u bent een babbelaar, geen doener. In Nederland heeft men dat in twee jaar tijd gerealiseerd. U vertelt op dat vlak telkens opnieuw hetzelfde. Eenmaal het decreet hier passeert – en dat zal wellicht unaniem worden goedgekeurd – moeten er nog heel wat uitvoeringsbesluiten volgen. U bent daar eigenlijk te laat mee. Maar beter laat dan nooit.

Ik zal het niet hebben over De Lijn. Dat blijf ik een drama van formaat vinden. We trekken daar, investeringen meegerekend, elk jaar meer dan 1 miljard euro voor uit op een begroting van 28 miljard euro. Daarmee bereiken we nog geen 3 procent van het reizigersverkeer.

En wat de modal shift betreft om ervoor te zorgen dat er auto’s van de weg verdwijnen ten voordele van het openbaar vervoer: ammehoela, om het op zijn Limburgs te zeggen. Dat is dus absoluut niet het geval.

Als men al ergens in slaagt, collega’s, dan is het inderdaad om mensen die zich vandaag per fiets verplaatsen in de bus te krijgen.

Minister, eerlijk is eerlijk: een aantal dingen hebt u goed gedaan. Dat is onloochenbaar. Maar wat betreft – ik zeg het in onderwijstermen – de hoofdvakken, zoals de zware mobiliteitsdossiers, de missing links, De Lijn, bent u serieus tekortgeschoten. Mobiliteit blijft de achilleshiel van deze Vlaamse Regering. Dat is vooral spijtig voor de Vlaamse belastingbetaler die op korte termijn niet meteen beterschap in zicht heeft. (Applaus bij de oppositie)

De voorzitter

De heer D’Hulster heeft het woord.

De heer Steve D'Hulster

Voorzitter, minister, kameraden, beste vrienden en alle anderen, het is al door een aantal collega’s gezegd: we zijn aan het einde van onze legislatuur. Het is het moment om eens een ‘selfie’ te nemen van waar we op het vlak van mobiliteit staan. Als we die ‘selfie’ bekijken, moeten we tot de vaststelling komen dat we in Vlaanderen voor een enorme uitdaging staan. Op het vlak van verkeersveiligheid zitten we nog steeds in de buik van het Europese peloton, terwijl al onze buurlanden in de kopgroep zitten. We zijn het als ambitieuze regio aan onszelf verplicht om een demarrage te plaatsen om ook in die kopgroep terecht te komen. De filezwaarte op onze Vlaamse wegen is nog toegenomen sinds 2007. Antwerpen en Brussel hebben de weinig benijdenswaardige eer om op dat vlak wel tot de top te behoren. We slagen er nog steeds te weinig in om het autogebruik terug te dringen, zelfs op korte afstanden.

Zoals elk jaar, minister, bent u er ook nu in geslaagd een heel overzichtelijke en omvangrijke beleidsbrief in elkaar te boksen, samen met uw kabinet en uw administratie. Die staat ons toe om als parlementsleden de voortgang in een aantal belangrijke dossiers op te meten. In heel wat dossiers is die vooruitgang heel duidelijk. Wat de putten in de weg en de algemene toestand van de wegen betreft, werd een inhaaloperatie ingezet. We hebben daar vorige week nog een uitgebreide commissievergadering aan besteed. Er werd een structurele aanpak uitgewerkt om ons wegennet in een betere conditie te houden. Ook wat betreft de aanleg van de fietspaden werd heel veel gerealiseerd. Het systeem van trajectcontrole werd dan uiteindelijk toch nog uitgerold. Het is nu helemaal klaar om ook in de rest van Vlaanderen te worden gebruikt. Verder werden er spitsstroken aangelegd.

Ook op vlak van dynamisch verkeersmanagement zijn er heel wat positieve zaken gebeurd. Dat geldt ook voor het openbaar vervoer. De tramlijnen naar Boechout en Wijnegem werden doorgetrokken. De laatste horde rond Brabo 2 werd genomen. En in het kader van het Brabantnet werd recent een belangrijke beslissing genomen. Op vlak van verkeersveiligheid en verkeerseducatie werden heel wat goede projecten behouden en bijgevijld. Er werden ook een aantal nieuwe projecten opgezet. Ik kan zo nog wel eventjes blijven doorgaan, maar ik wil het gras nog niet helemaal voor de voeten van de heer de Kort wegmaaien. Tot enkele weken geleden was hij de voorzitter van de fanclub Hilde Crevits. Naar ik heb vernomen in de commissie is zijn rol overgenomen door mevrouw Smaers.

Minister, het is de laatste keer dat we hier in deze hoedanigheid staan. Het is volgens mij belangrijk dat ik, als lid van de meerderheid, u op een aantal dingen wijs die we de komende jaren nog beter kunnen doen. Als er één zaak blijkt, zowel uit de inleiding van uw beleidsbrief als uit de omgevingsanalyse van het mobiliteitsplan Vlaanderen, dan is het wel dat het mobiliteitssysteem zoals we dat nu kennen op zijn eigen grenzen begint te botsen. Er is dringend nood aan vernieuwing. Op het vlak van die vernieuwing verlopen de dingen soms wat trager dan we – ik denk u ook – zouden willen.

Ik denk hierbij aan het ReTiBo-project, het Shuttledecreet waarin wordt voorzien in de begroting, de slimme lichten waar er vooruitgang is, de supercomputer die in het vizier is. We gaan toch een stukje trager dan onze noorderburen bijvoorbeeld. Het mobiliteitsbudget is iets waar al heel lang sprake van is, maar waar slechts stapsgewijs stappen in de goede richting worden gezet. Ik denk ook aan de intelligente snelheidssystemen. Dat zijn allemaal dingen die in de pijplijn zitten, maar waar we uiteindelijk heel lang op moeten wachten. Ons mobiliteitssysteem zal dergelijke vernieuwingen nodig hebben om leefbaar en beheersbaar te blijven.

Ik ben dan ook heel blij dat er in het kader van het nieuwe Mobiliteitsplan Vlaanderen een ideeënconferentie wordt georganiseerd waarbij er een aantal nieuwe dingen worden voorgesteld volgens de Pecha Kuchamethode. Het is een zeer goed idee om gewoon eens ‘out of the box’ een aantal dingen op Vlaanderen en de Vlaamse mobiliteit los te laten. Het is alleen jammer dat het helemaal op het einde van de legislatuur gebeurt. Het was leuk geweest om het iets vroeger te hebben.

Minister, ik denk dat we met de zesde staatshervorming een opportuniteit hebben om op het vlak van mobiliteit en verkeersveiligheid een aantal nieuwe stappen in de goede richting te zetten. We zullen de komende maanden en jaren nog werk hebben. (Applaus bij sp.a)

De voorzitter

Mevrouw Van den Eynde heeft het woord.

Mevrouw Marleen Van den Eynde

Collega D’Hulster stelt dat er nog wel wat werk aan de winkel is. Voorzitter, soms krijgt een parlementslid een stempel op zijn kop omdat hij altijd op eenzelfde nagel blijft kloppen. Dat komt natuurlijk omdat in grote mate de betrokken minister onvoldoende aandacht schenkt aan een bepaald dossier. Ik heb zo wel nagels waar ik altijd op blijf kloppen in de commissie Mobiliteit, minister. Een van die nagels is het beleid ten aanzien van de woonboten. Ik heb het verslag er nog eens op na gelezen. Er wordt op geen enkele manier geantwoord op mijn vraag over uw beleid ten aanzien van woonboten. Er is al jaren een tekort aan ligplaatsen en toch blijven deze mensen nog altijd in de kou staan. Het is de laatste keer dat we een beleidsbrief bespreken tijdens deze legislatuur. Ik had nu toch eens graag een antwoord hieromtrent gekregen.

De voorzitter

Mevrouw Lies Jans heeft het woord.

Mevrouw Lies Jans

Voorzitter, minister, collega’s, het einde van deze bestuursperiode is in zicht en zoals vele andere collega’s heb ik ook de gelegenheid te baat genomen om een stand van zaken op te maken. In eerste instantie kan niemand ontkennen dat er inzake de kwaliteit en het onderhoud van de snelwegen een serieuze inspanning werd gedaan. Vier jaar geleden was de staat van de snelwegen ondermaats. Nu is de verandering op de snelwegen toch wel merkbaar. Het rapport zegt dat 82 procent van de snelwegen zich nu in goede staat bevindt. Dit is enkel maar mogelijk geweest dankzij die serieuze extra financiële inspanning in budgettair moeilijke tijden.

Een structurele aanpak is één zaak, een degelijke monitoring en onderhoud een andere. Ook daar hebt u, minister, samen met de Vlaamse Regering grote stappen vooruit gezet. Een volgende uitdaging zijn de gewestwegen. Dit is al aangevat. Dit is een veel complexere aanpak, want er moet rekening worden gehouden met verschillende soorten weggebruikers. Het is dan ook zeer belangrijk dat ook de volgende Vlaamse Regering de veilige inrichting van gewestwegen als prioriteit zal nemen.

Ook in het slimmer maken van de wegen is er een enorme vooruitgang geweest. We hebben de belangrijkste wegen en ringwegen uitgerust met verkeersmanagementsystemen, de spitsstroken zijn ingevoerd en bewijzen hun nut en er is vordering gemaakt in het project rond de slimme verkeerslichten. Dat is zeer positief allemaal.

Waar het wel moeilijker gaat, is op het vlak van de vlotheid op onze wegen. De regering heeft al een aantal belangrijke missing links aangepakt. Maar wat betreft de grootste knelpunten moeten we in deze bestuursperiode nog een definitieve richting inslaan zodat we via de laatste procedures effectief naar uitvoering kunnen gaan. We steunen dan ook de beslissing van de Vlaamse Regering om de ring rond Brussel te optimaliseren en we dringen verder aan op een beslissing met betrekking tot de derde Scheldekruising.

Minister, met betrekking tot incident management wordt vooruitgang geboekt, maar het kan veel beter. Veel van de vertraging heeft te maken met de versnippering van de bevoegdheden. Ook na de zesde staatshervorming blijft die bestaan inzake de wegcode en de verkeersreglementering. Concreet is onze Vlaamse vraag voor het toelaten van takelwagens op de pechstrook een pijnlijk voorbeeld van die versnippering. Wij hopen dan ook dat de nodige aanpassingen aan de wegcode er snel zullen komen, zodat prioritaire voertuigen en takelwagens snel op de plaats van het ongeluk kunnen zijn.

Een ander belangrijk element is het openbaar vervoer. Als men de diverse beleidsbrieven van de afgelopen jaren leest, dan is het steeds opnieuw duidelijk dat het zeer moeilijk is om een geïntegreerd beleid te voeren zonder alle instrumenten in handen te hebben. De samenwerking met de spoorwegen verloopt op zijn zachtst gezegd zeer moeizaam. De afgelopen bestuursperiode zijn er zeer veel, te veel voorbeelden geweest van een samenwerking die eigenlijk ondermaats blijft. Er is amper vooruitgang in het dossier van de IJzeren Rijn, en als die er is, dan is dat eigenlijk onder druk van de Vlaamse Regering. Ingrepen in de dienstverlening van de treinen gebeuren zonder overleg met De Lijn. De weg naar een afgestemde meerjarenplanning qua openbaar vervoer is lang, en het einde is ook nu nog niet in zicht, laat staan dat de federaal gemaakte keuzes ook stroken met onze Vlaamse prioriteiten. De lijst is dus lang.

De heer Jan Penris

Goede collega, ik durf dit te vragen omdat u uit de regio komt: welke vooruitgang is er geboekt met betrekking tot het dossier van de IJzeren Rijn? Dat is in Antwerpen niet altijd even duidelijk, maar misschien hebt u in uw provincie meer duidelijkheid.

Mevrouw Jans, ik hoor u heel graag opnieuw het proces maken van de federale overheid. Dat is het DNA van uw politieke achtergrond. Daar zal zeker en vast een en ander over kunnen worden gezegd, maar nog eens opnieuw, wat heeft u verhinderd om in deze legislatuur keuzes te maken met betrekking tot het Oosterweeldossier en de mobiliteitsknoop in Antwerpen? Wat heeft u verhinderd om keuzes te maken wat De Lijn en de lage score van De Lijn betreft, zowel qua kostendekkingsgraad als qua reizigersbereik? Wat heeft u verhinderd om met betrekking tot de missing links keuzes te maken? Daar heeft de PS, daar heeft de Federale Regering, daar heeft Di Rupo niets mee te maken. Dat had u zelf in handen, en u hebt daar niets mee gedaan.

Mevrouw Lies Jans

Mijnheer Penris, ik denk dat het de verdienste is van deze Vlaamse Regering dat ze de IJzeren Rijn toch steeds op de agenda heeft geplaatst. Ik kan me herinneren dat zowel de minister-president als minister Crevits daar zowel in Nederland als in Duitsland steeds op heeft gehamerd, terwijl we vaststellen dat het memorandum of understanding federaal zelfs niet is besproken. Ik steun de Vlaamse Regering dus in die zin, en hoop dat ze daar verder op blijft hameren.

Mijnheer Keulen, wat de belangrijke missing links betreft: ik denk dat onze fractieleider in de vorige debatten ook al heeft gezegd dat we absoluut willen dat er ook met betrekking tot Oosterweel nog voor het einde van deze legislatuur knopen worden doorgehakt. Daar blijven wij ook op hameren.

U hebt echter wel al vijf jaar de kans gehad. Nogmaals, ter zake waren het niet de Federale Regering, Di Rupo of de PS die u hebben gehinderd.

De voorzitter

De heer Diependaele heeft het woord.

De heer Matthias Diependaele

Mijnheer Keulen, mevrouw Jans heeft het al gezegd. Ik wil u er alleen maar op wijzen dat de legislatuur nog niet voorbij is. Er liggen inderdaad nog een paar zaken op de plank. Oosterweel is daar een van. De minister-president en minister Crevits hebben al diverse keren gesteld dat het wel degelijk de bedoeling is om nog voor het einde van deze legislatuur een keuze te maken. (Opmerkingen van de heer Jan Penris)

Mevrouw Lies Jans

Het heeft ons er echter niet van weerhouden om te investeren in nieuw rollend materieel en de verlenging van tramlijnen in stedelijk gebied, en er werd ook een beslissing genomen met betrekking tot tramlijnen in Vlaams-Brabant. Dat is zeer belangrijk, want dat is nog altijd de meest congestiegevoelige regio in Vlaanderen.

Wat De Lijn betreft, is het heel moeilijk gebleken om de beoogde kostendekkingsgraad te verhogen. Een aantal heilige huisjes mochten niet sneuvelen, wat wij betreuren. Dat heb ik ook altijd verkondigd, zowel in de commissie als in de plenaire vergadering. Deze regering zal ter zake geen grote knopen meer doorhakken. We hopen dat een volgende regering dat wel zal doen. Het is immers absoluut noodzakelijk dat we de kwaliteit en het woon-werkaanbod in het openbaar vervoer optimaliseren, en daarvoor zijn er middelen nodig.

Absoluut van belang voor ons is ook het vergroten van de verkeersveiligheid. We zien dat het aantal ongevallen daalt, maar de weg is nog altijd lang. We hebben de aanpak van het zwartepuntenprogramma. De eerste evaluaties zijn positief, maar dat moet worden voortgezet, en niet alleen op de gewestwegen. Ook de gemeenten moeten daarin een belangrijke rol spelen.

Tot slot wil ik er toch nog op wijzen dat het heel belangrijk is dat we ook de gemeenten verder ondersteunen om hun lokale wegen op een veilige manier aan te pakken. Het instrument van de gemeentelijke begeleidingscommissies (GBC’s) en de middelen waarin de Vlaamse Regering ter zake voorziet, zijn zeer belangrijk, maar het is absoluut noodzakelijk dat dit ook wordt geëvalueerd.

De voorzitter

De heer de Kort heeft het woord.

De heer Dirk de Kort

Voorzitter, minister-president, ministers, collega’s, vooreerst wens ik u, minister, opnieuw te bedanken voor de zeer uitgebreide informatie die u elk jaar via de beleidsbrief aan het parlement bezorgt. Hoe meer informatie u ons bezorgt, hoe meer mogelijkheden wij hebben om vragen te stellen. Ik bedank u ook voor de manier waarop de commissie met u kan samenwerken, mede dankzij de deskundige leiding van de voorzitter.

De beleidsbrief 2013-2014 is de laatste van deze legislatuur. Het is een goed moment om nu niet alleen vooruit te kijken, maar ook eens te reflecteren over wat is gepresteerd. Er werd de afgelopen legislatuur sterk geïnvesteerd in onze infrastructuur. Ik overloop een zevental punten.

Een: gemiddeld werd 100 miljoen euro per jaar voor fietspaden vrijgemaakt. Tegen het einde van de legislatuur zijn ongeveer 1750 kilometer nieuwe en vernieuwde fietspaden gerealiseerd.

Twee: in Antwerpen werd 7 kilometer nieuwe tramlijn aangelegd en wordt ook nog de aanleg van 17 kilometer nieuwe tramlijn gepland. Ook in Limburg, Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen liggen er tramprojecten op tafel. Met investeringen in doorstroming en nieuwe trams en bussen bouwt De Lijn verder aan een uitgebreid en betrouwbaar openbaar vervoer.

Drie: de onderhoudsachterstand op de wegen wordt weggewerkt. Deze legislatuur werd al meer dan 700 kilometer autosnelweg structureel aangepakt.

Vier: er wordt geïnvesteerd in een veiligere infrastructuur. Alle gevaarlijke punten zijn afgewerkt of worden in 2014 aanbesteed.

Vijf: De eerste missing links via publiek-private samenwerking (pps) zijn in uitvoering. Ik denk aan de afgewerkte noordelijke ontsluiting van Zaventem, de R4 Zuid in Gent en de noord-zuidverbinding in de Kempen. De A11 Knokke-Zeebrugge is in volle voorbereiding.

Zes: in de haven van Antwerpen wordt nu de grootste sluis ter wereld gebouwd.

De heer Peter Reekmans

Mijnheer de Kort, hoor ik u nu zeggen dat alle zwarte punten in 2014 worden weggewerkt of de aanpak ervan toch wordt aanbesteed? Hebt u het laatste verslag over de zwarte punten die nog niet zijn aanbesteed, al ingekeken? Het gaat om 15 procent van het totaal. Ik weet niet waar u uw informatie haalt, maar de stukken die ik heb opgevraagd, via een parlementaire vraag aan de minister, leren mij dat. Ik denk zelfs dat het cijfer nog hoger is. Er is voor die niet aanbestede zwarte punten zelfs geen geld beschikbaar. U mag hier een goednieuwsshow brengen, want we naderen Kerstmis, maar dit dossier sleept al lang aan en de kostprijs is inmiddels als verdrievoudigd. In elk geval hebt u of uw minister het bij het verkeerde eind.

De heer Jan Penris

Mijnheer de Kort, ik zal het antwoord van de voormalige burgemeester van Brasschaat aandachtig beluisteren. Maar ik heb u ook horen spreken over vertramming. Is dat de voormalige burgemeester van Brasschaat die spreekt? Of is het de inwoner van Brasschaat die nu voor vertramming pleit? Of is het de CD&V’er die een voorgekauwd antwoord komt voorlezen?

De heer Dirk de Kort

Mijnheer Penris, u weet dat wij steeds hebben gepleit voor een vertramming in de stad. Voor de randgemeenten pleiten wij voor trambussen. U woont geregeld de commissievergaderingen bij; u weet dat ook. Ik ben ervan overtuigd dat de bussen die Van Hool bouwt, ook in de randgemeenten zullen worden ingezet. Zij hebben dezelfde capaciteit als trams, maar zij zijn wel tien keer goedkoper. (Opmerkingen van mevrouw Marleen Van den Eynde)

De voorzitter

Ik herinner u even aan wat de heer Reekmans over de zwarte punten heeft gezegd.

De heer Dirk de Kort

Mijnheer Reekmans, ik neem aan dat ik van u de cijfers kan krijgen waarover u beschikt. Nadien is een vergelijking en een antwoord mogelijk.

De heer Peter Reekmans

Mijnheer de Kort, u bent niet ernstig. Ik heb drie of vier weken geleden een duidelijk antwoord van de minister gekregen. Niet alles is aanbesteed. Toch vertelt u hier doodleuk dat in 2014 alles zal zijn aanbesteed. Het geld is er gewoon niet! U kunt dus niet aanbesteden! Minister, u zegt zelf dat u nog wacht op informatie van bepaalde gemeenten, want zij hebben extra werken gevraagd. Uw partijgenoot zegt hier daarentegen dat alles wél is aanbesteed.

Minister, ik wil wat ernst in het debat. U geeft zelf aan dat u nog op bepaalde informatie van gemeenten wacht omdat ze bijwerken hebben gevraagd, en de heer de Kort komt hier vertellen dat alles is aanbesteed. Krijg ik correcte informatie van u of van uw partijgenoot?

Minister Hilde Crevits

Ik heb de keuze gemaakt om te antwoorden op alle sprekers samen. Mijnheer Reekmans, ik weet dat u weg moet, maar uit respect voor alle voorgaande sprekers ga ik niet op een one-shot antwoorden en de totaliteit uit het oog verliezen.

De voorzitter

De heer Van Mechelen heeft het woord.

De heer Dirk Van Mechelen

Minister, kunt u straks ook antwoorden op de vraag van deze ochtend wat aan vastleggingskredieten op het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU) in 2013 wordt gepland in betaalkredieten?

De heer Dirk de Kort

We waren bij punt zes gekomen: de haven van Antwerpen en de Deurganckdoksluis. We mogen allemaal gerust wat meer fierheid aan de dag leggen over welke knowhow in Vlaanderen aanwezig is op het vlak van de bouw van sluizen. Van over heel de wereld komt men ernaar kijken en voor de dynamiek van de Linkeroever zal dat toch wel heel belangrijk zijn.

Zeven: de belangrijkste assen van de waterwegen worden aangepakt. Denken we maar aan de aanpassing van het Albertkanaal, zowel de breedte als de bruggen erover. Verder wordt ook de ring rond Brussel heringericht met een scheiding van doorgaand en plaatselijk verkeer om de verkeersveiligheid en de doorstroming te vergroten.

Het Masterplan 2020 werd in 2010 goedgekeurd. Er wordt volop geïnvesteerd in fietspaden, openbaar vervoer, waterwegen en wegen om de mobiliteit in en om Antwerpen te verbeteren. De Oosterweelverbinding moet als koninginnenstuk na de goedkeuring van het plan-MER nog voor de verkiezingen zijn definitief tracé kennen.

Onze infrastructuur werd niet alleen beter, maar ook slimmer en veiliger gemaakt. Zo wordt verder ingezet op innovatie. In dynamisch verkeersmanagement wordt nu 25 miljoen euro geïnvesteerd. Twee spitsstroken zijn in gebruik, twee nieuwe worden gepland, vier stroken met trajectcontrole zijn in gebruik en zorgen voor meer verkeersveiligheid op de Vlaamse autosnelwegen.

Het cameranetwerk op de Vlaamse hoofdwegen wordt uitgebouwd. Ook op onze waterwegen zorgen slimme maatregelen voor vlotter en veiliger verkeer. Ook de slimme kilometerheffing zal in de toekomst mogelijkheden bieden om het verkeer te sturen. Er wordt verder in verkeersveiligheid geïnvesteerd met bijzondere aandacht voor levenslang leren en verkeers- en mobiliteitseducatie die doelgroepgericht wordt aangepakt.

De voorbije legislatuur werd voor een groot stuk gekenmerkt door een economische crisis die de nodige besparingen noodzaakte. Minister, het verheugt onze fractie dat u ook in deze moeilijke tijden de nodige budgetten blijft investeren in basisinfrastructuur, een kerntaak van de overheid. Maar er werd niet alleen geïnvesteerd in infrastructuur, u hebt ook gewerkt aan een visie over mobiliteit. Met de Spoorstrategie heeft Vlaanderen een spoorvisie voor de onderhandelingen met de NMBS. Met het ontwerp van het nieuwe Mobiliteitsplan Vlaanderen worden de bakens uitgezet voor het toekomstige mobiliteitsbeleid op middellange – 2030 – en lange termijn – 2050.

Minister, een duurzaam beleid met ambitieuze doelstellingen. Na het openbaar onderzoek waarin elke Vlaming mee kan participeren, kunnen we over een duurzaam en kwaliteitsvol mobiliteitsplan in Vlaanderen beschikken. Het is goed dat u verder blijft investeren in zowel verbetering en duurzaamheid van onze mobiliteitsinfrastructuur als in een gedegen visie over hoe de mobiliteit in Vlaanderen er op korte en lange termijn dient uit te zien. (Applaus bij CD&V en sp.a)

De voorzitter

De heer Lachaert heeft het woord.

De heer Egbert Lachaert

Onze fractie buist de minister niet volledig. Er zijn wel degelijk stappen vooruit gezet op bepaalde vlakken. Dat zullen we niet ontkennen. Zo werd en wordt er werk gemaakt van een dynamisch verkeersmanagement en zien we een beter incident management. Ook in fietsinfrastructuur werd de laatste jaren geïnvesteerd met talrijke fietsnetwerken die zijn aangelegd. U verkondigt verder in te zetten op het STOP-principe: stappen, trappen, openbaar vervoer en daarna pas het privévervoer.

Dat is goed om vast te stellen. De minister heeft geprobeerd hard te werken. Helaas kunnen we er niet omheen dat de resultaten ontbreken.

Dat ligt aan het feit dat de Vlaamse Regering het op het vlak van de openbare werken en de mobiliteit gewoonweg onderling vaak niet eens was. Het was vaak ‘too little, too late’. Een hier aanwezig lid van de meerderheid en partijgenoot van de minister heeft deze ochtend in de kranten het volgende verklaard: “Aan de grote werven is deze regering nooit toegekomen.”

De Federale Regering en de Vlaamse Regering hebben de afgelopen maanden lang over relanceplannen gediscussieerd. Uit verschillende studies blijkt echter dat een betere aanpak van het fileprobleem een economische groei van 1 tot 2 procent van het bnp had kunnen creëren. We hebben dit de voorbije jaren niet gedaan. Geen enkele belastingkorting of maatregel op korte termijn had ertegenin kunnen gaan. De harde realiteit is dat de filelast met maar liefst 34 procent is gestegen.

De Vlaamse Regering is wereldkampioen, niet enkel wat de loopprestaties van haar leden betreft, maar ook in het doorschuiven van verantwoordelijkheden naar vorige en volgende regeringen. De harde realiteit is dat reeds tien jaar een minister van CD&V voor de openbare werken bevoegd is. Die bevoegdheid wordt nu al vijf jaar met de bevoegdheid voor de mobiliteit gecumuleerd. Na die tien jaar staan we echter stil. Dit stemt tot nadenken.

Vooral het topdossier met betrekking tot de Oosterweelverbinding in Antwerpen blijft vastgeroest. Het uitstel is te wijten aan de onderlinge onenigheid binnen de Vlaamse Regering. Daarnaast worden ook allerlei technische kwesties ingeroepen. Dit heeft tot een slechte soap over tunnels, bruggen, alternatieven en onopgeloste knopen geleid.

Om de in de file rijdende Vlaming te sussen, is tijdens een vergadering buiten dit parlement ternauwernood naar 33 quickwins gegrepen. Die quickwins kwamen aanvankelijk niet in de mobiliteitsplannen voor. Ze zijn inderhaast bij elkaar geharkt om iets aan de fileproblematiek te doen. Op zich zijn die quickwins valabel. Uiteindelijk houdt dit echter weinig meer in dan een hertekening van de lijnen op de rijweg. Als dit de grote oplossing is, vraag ik me af waarom dit niet enkele jaren eerder is bedacht.

Deze deus ex machina neemt in het globaal mobiliteitsbeleid een vreemde plaats in. Dit is immers niet op andere plaatsen in Vlaanderen onderzocht. Ook in andere steden had een nieuwe belijning op de baan dergelijke quickwins kunnen opleveren. Hoewel dit voordelen had kunnen opleveren, is dit niet bekeken. De quickwins waren enkel bedoeld om de aandacht van het grote dossier, de Oosterweelverbinding, af te leiden.

Hierop is een nog groter paniekvoetbal gevolgd. Het was frappant te merken dat een partijgenoot van de minister een website lanceerde met daarop de vraag aan de bevolking ideeën te leveren om de files in te dijken. Na tien jaar bevoegdheid voor de openbare werken en vijf jaar bevoegdheid voor de mobiliteit vond ik dat enigszins frappant.

Mobiliteit is natuurlijk meer dan enkel het autoverkeer. We staan achter het STOP-principe. Dat is tot nu toe echter ijdele hoop gebleken. Zoals de heer Keulen daarnet al heeft opgemerkt, hebben de inspanningen van De Lijn er enkel toe geleid dat de fietsers in de bussen zitten.

De inspanningen van De Lijn blijven heel wat vragen oproepen. Er is 1 miljard euro in De Lijn geïnvesteerd. Tot nu toe heeft dit bitter weinig resultaten opgeleverd. In Knack heeft een verkeersdeskundige van de Universiteit Gent hierover het volgende verklaard: “De Lijn vertrekt eigenlijk nog altijd van het wegennetwerk waarlangs vroeger de paardentrams reden. Dat is volledig voorbijgestreefd en men slaagt er niet in De Lijn in dat actieve mobiliteitsbeleid te kunnen laten participeren op een bredere manier.”

Het Pendelfonds was bedoeld om 20 procent van de woon-werkverplaatsingen met de fiets of met het openbaar vervoer te laten plaatsvinden. Tot nu toe zijn die doelstellingen geenszins gehaald. Tot nu toe ontbreken de begeleidende maatregelen en de omgevingsfactoren hiervoor in te sterke mate.

We hopen natuurlijk dat de Vlaamse Regering er de komende maanden, voor de verkiezingen, in zal slagen nog een aantal knopen door te hakken. In de eerste plaats moet het dan om die grote knoop met betrekking tot de Oosterweelverbinding gaan. Daarnaast rekenen we ook op een aantal met de voor Antwerpen aangekondigde quickwins vergelijkbare beslissingen die op de rest van Vlaanderen betrekking hebben. Bij gebreke aan doorslaggevende beslissingen met betrekking tot de grote dossiers, hopen we dat er mogelijkheden bestaan om het fileleed in de rest van Vlaanderen op korte termijn in te dijken.

Gezien het beperkte tijdsbestek zal ik op De Lijn niet dieper ingaan. Helaas is het volgende jaar alweer een verkiezingsjaar. Eerlijk gezegd, hopen we dan ook niet te veel op bijkomende stappen. We hopen dat de grote knoop in verband met de Oosterweelverbinding nog zal worden doorgehakt en dat het beleid de Vlamingen enig perspectief zal bieden. (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Bedankt voor alle bijdragen en opmerkingen. Ik trap een open deur in als ik meld dat mobiliteit iedere Vlaming op een of andere wijze beroert.

Ik neem u even mee terug naar 2004. Het voordeel van wegenrapporten is dat we kunnen vergelijken met het verleden. Vanaf 2004 zijn de effecten van onze infrastructuurinvesteringen duidelijk. Ik geef maar één cijfer: in dat jaar werd iets minder dan 30 miljoen euro geïnvesteerd in het gewoon onderhoud van onze infrastructuur.

Dat is in 2013 opgelopen tot 170 miljoen euro per jaar. Onze budgetten stijgen dus al een kleine tien jaar. We doen een immense inhaalbeweging om de kwaliteit van onze bestaande infrastructuur beter te maken. Vorige week werd in de commissie Openbare Werken nog een rapport voorgesteld. Daaruit bleek dat onze operatie vruchten afwerpt. Het resultaat van het gevoerde beleid wordt zichtbaar.

Natuurlijk is de weg niet voltooid. We zijn er nog niet. Op de gewestwegen is er zeker nog werk tot 2020 om alles op peil te brengen, op de snelwegen zou dat moeten lukken tegen 2015, ik zeg ‘zou’. De budgetten zijn er, we weten wat er moet gebeuren, maar er kan altijd roet in het eten worden gegooid, bijvoorbeeld door een zware winter.

We hebben in deze legislatuur voor het eerst een inventaris kunnen maken van de toestand van onze bruggen en tunnels, alle aanhorigheden bij ons wegennet. We zijn zeer goed op weg om onze infrastructuur weer sterk te maken. In deze legislatuur hebben we aan de administratie de opdracht gegeven om bijna de helft van hun jaarlijks budget te koppelen aan het gewone onderhoud. Dat gewoon onderhoud valt niet op, maar is noodzakelijk voor een degelijke infrastructuur.

Tegelijk zijn we vanaf 2004 een enorme operatie gestart om ons wegennet, ons infrastructuurnetwerk, ons waterwegennetwerk slimmer te maken. Dynamisch verkeersbeheer was vóór 2004 onbestaande. Er zijn langzaam maar zeker investeringen gebeurd, we zitten nu op kruissnelheid. Er wordt 25 miljoen euro per jaar geïnvesteerd in dynamisch verkeersbeheer. De bedoeling is om onze snel- en ringwegen op termijn volledig uit te rusten met dynamische signalisatie.

We staan voor de grote uitdaging om onze doorstroming op de juiste capaciteit te houden. Dat lukt nog niet overal. We hebben Antwerpen gekozen als stad en regio om te werken aan een betere doorstroming. Er is een supercomputer aangekocht. De stad en Vlaanderen werken samen om niet alleen op de ring- en snelwegen maar ook op de gewone wegen, de stads- en gewestwegen die doorstroming te optimaliseren, zowel voor het openbaar vervoer als voor het gemotoriseerd verkeer.

Naast de operaties ‘slimmer maken, sterker maken, beter doorstromen’ erken ik dat er wat betreft verkeersveiligheid nog veel werk aan de winkel is. We zijn nog niet waar we moeten zijn.

Tussen 2009 en 2013, is het aantal dodelijke verkeersslachtoffers met 20 procent gedaald. Dat cijfer spreekt voor zich. We halen de nuldoelstelling nog niet, de weg is nog lang. We plukken wel de vruchten van het beleid. We werken continu aan de veiligheid van onze hele infrastructuur, ook van de fiets- en openbaarvervoerinfrastructuur.

Ik kom bij de files. Het klopt dat Vlaanderen meer dan sommige andere regio’s geteisterd wordt door fileleed. Wie komt vertellen dat we die met een vingerknip kunnen wegwerken, heeft natuurlijk ongelijk. De oorzaken van die files zijn drieërlei. U kunt dat inkijken in het Filerapport. U kunt daar per wegsegment zien wat de oorzaken zijn van de files.

Op een aantal plaatsen in Vlaanderen hebben we te weinig capaciteit. We proberen daar op onze hoofdinfrastructuur aan te werken. Er werden in deze legislatuur een aantal spitsstroken geopend. Diegenen die daar niet in geloofden, zien dat we daarmee effectief bottlenecks kunnen wegwerken. Er moeten een aantal grote wegeninfrastructuren bij komen. De heer Keulen heeft terecht verwezen naar een van de pijnpunten: de derde Scheldekruising die er moet komen. Maar ik wil toch ook wijzen op het feit dat de stad Antwerpen zich volledig heeft ingeschreven in het parcours en de weg die wij nu volgen. Als ik me niet vergis, behoort Open Vld ook tot de Antwerpse meerderheid. Wij willen ook het dossier van de Brusselse ring ontmijnen. De Vlaamse Regering heeft een keuze gemaakt. Ik hoop oprecht dat net als mijn eigen partij ook Open Vld de Brusselse Regering zal helpen om ervoor te zorgen dat we vooruit kunnen met dat dossier. Er zijn dus soms een aantal factoren waarmee je rekening moet houden, die ervoor zorgen dat het minder snel gaat dan je zelf zou willen. Dat mag ons niet ontmoedigen om toch zo snel mogelijk vooruit te gaan.

De tweede oorzaak van files, en daarover heb ik vandaag niets gehoord, zijn de talrijke incidenten op een aantal van onze cruciale assen. Ook hierover wil ik even de criticasters doen nadenken over ons incident management. Ik hoor hier zeggen dat Vlaanderen daar volledig bevoegd voor is. Dat is ten dele waar. Ik kan ervoor zorgen dat we systemen hebben om takelaars snel ter plaatse te krijgen, maar het is wel de politie die ze oproept. De totale afhandeling, het op de site van het ongeval roepen van de hulpdiensten, brandweer, civiele bescherming, de parketten die ter plaatse komen en die al dan niet gebruik kunnen maken van fotogrammetrie: dat zijn federale bevoegdheden. Ook daar kunnen een aantal – om het plat uit te drukken – ‘quickwins’ worden geboekt. Ik kan daar op dit ogenblik wel vergaderingen voor beleggen maar de impact op het terrein kan enkel als de ter zake bevoegde ministers knopen doorhakken.

Ik erken ten slotte dat er op een aantal plaatsen gewoon te veel auto’s zijn. Deze regering heeft beslist om een kilometerheffing voor vrachtwagens in te voeren vanaf 2016. Wij hebben een akkoord met de andere gewesten. Wij moeten daarvoor ook een samenwerkingsakkoord maken met de federale overheid. Wij hebben de keuze gemaakt om samen met de andere gewesten over te gaan tot een wegenvignet. Tegelijkertijd zijn wij op dit ogenblik een proefproject aan het uitvoeren in verband met de kilometerheffing voor auto’s. Dit wat het autogebruik en het nadenken erover betreft. Iemand merkte op dat we ervoor moeten zorgen dat ook buitenlanders die ons wegennet gebruiken, een deel moeten betalen. De kilometerheffing en het wegenvignet zullen daar sowieso ook voor zorgen.

Sommige collega’s hadden wat kritiek op initiatieven van mensen van mijn eigen partij om mensen op te roepen om na te denken over mobiliteit. Ik vind dat een beetje vreemd. Ik hoop dat u allen toch weet dat het openbaar onderzoek over het Mobiliteitsplan Vlaanderen op dit ogenblik loopt. Dat Mobiliteitsplan biedt een aantal opportuniteiten, kansen, uitdagingen en oplossingen voor de mobiliteit in Vlaanderen, met een venster tot 2050. Dat precies in deze periode mensen van mijn eigen politieke fractie oproepen om na te denken over de mobiliteit en suggesties te geven, vind ik een zeer goede zaak. Ik beschouw dit totaal niet als iets wat tegen mij zou kunnen werken, integendeel. Wat mij betreft, roepen deze mensen op om mee na te denken over het Mobiliteitsplan. Collega’s uit alle partijen en fracties, ik hoop oprecht dat jullie zeer actief insteken op dat Mobiliteitsplan Vlaanderen. Ik heb echter vastgesteld dat bij de bespreking van de begroting en de beleidsbrief niemand daarover een tussenkomst heeft gedaan. Ik hoop dat dit niet recht evenredig is met de interesse die ieder parlementslid voor dit dossier heeft.

Collega’s, er zijn punctuele vragen gesteld over een aantal dossiers. Er is kritiek geleverd op het beleid binnen De Lijn. Het is waar dat De Lijn enkele moeilijke jaren heeft gehad. Toen ik twee jaar geleden als minister vaststelde dat er plots in de boekhouding een tekort was van ettelijke tientallen miljoenen euro, moesten we kiezen. Ofwel zegden we: “Geen probleem, ge krijgt centjes van ons en we dekken dat toe met de mantel der liefde.” Ofwel zeg je aan het bedrijf: “Los het zelf op. Doe dat met eigen efficiëntiewinsten. Kijk waar je kunt snoeien.”

De Lijn heeft die oefening gemaakt. Ze hadden hun begroting vorig jaar volledig in evenwicht. Ook wat dat betreft, zijn zij nu volledig zuiver en goed aan het werken.

Er is deze legislatuur zeer zwaar ingezet op het vernieuwen van het rollend materieel bij De Lijn. Er is zeer zwaar ingezet op de vertramming, zeker in Antwerpen en straks ook in Vlaams-Brabant, Limburg en Oost-Vlaanderen. Geen enkele legislatuur zal meer tramkilometers gerealiseerd hebben dan deze.

Wat de budgetten betreft, collega’s, heb ik de precieze cijfers nu uiteraard niet bij. De vastleggingskredieten worden elk jaar vrijwel volledig benut. Alle vastleggingen gebeuren. Als je een aanbesteding wilt doen in een dossier, kun je dat op basis van de vastleggingskredieten, maar dan volgen natuurlijk de betaalkredieten, en die moeten de facturen die binnenkomen, volgen. Het zou zeer erg zijn, mochten we in te weinig betaalkredieten voorzien. Dan zou het parlement op zijn achterste poten staan, want dan zouden we onze facturen niet kunnen betalen. We zorgen er dus voor dat er zeker voldoende betaalkredieten zijn.

In een aantal dossiers is er inderdaad vertraging. Ik kan er zo een aantal geven, zelfs een aantal snelwegdossiers. Er was aanbesteed, we wilden starten met de werken, maar het begon te vriezen en zijn pas veel later kunnen starten, wat betekent dat je ook later moet betalen.

Het is de bedoeling om de zwarte punten tegen eind 2014 aanbesteed te krijgen. Dat wil uiteraard niet zeggen dat al die zwarte punten tegen eind 2014 afgewerkt zullen zijn. Ik verwijs in dat verband ook naar de voortgangsrapportage in het parlement. Het Rekenhof volgt dat op. Wij zitten daar dan ook een hele namiddag. Iedereen krijgt alle fiches, per zwart punt dat al of niet gerealiseerd is, en krijgt een volledig transparante uitleg over de vertragingen die mogelijkerwijze geboekt worden op een aantal punten. Ik heb die fiches niet allemaal bij, maar dat is het geëigende forum waar al die zaken besproken kunnen worden.

De heer Jan Penris

Minister, collega Diependaele heeft daarstraks de hoop uitgedrukt dat de keuze voor of tegen het Oosterweeltracé nog in de loop van deze legislatuur gemaakt wordt. U verwijst naar de voortgangsrapportage die wij elk halfjaar maken. Maar ik wil aan u vragen of de heer Diependaele gelijk heeft. Gaan we nog voor het einde van deze legislatuur weten hoe het met Oosterweel gaat of niet? Ja of neen?

Minister Hilde Crevits

Ja.

De heer Dirk Van Mechelen

Minister, ik dank u voor het antwoord. Ik kijk uit naar de beslissing in het Oosterweeldossier.

Mijn vraag ging over de betaalkredieten binnen Openbare Werken. Ik heb alle begrip voor het feit dat u het cijfer niet uit het hoofd kent, maar ik zou willen vragen om het correcte cijfer van de stand van zaken van de betaalkredieten binnen Openbare Werken toe te voegen aan het verslag per 30 november.

Minister Hilde Crevits

Ik heb daar geen enkel probleem mee. Men moet betalen als de facturen binnenkomen, dat lijkt mij de logica zelve. Als je vastleggingen hebt in dossiers, dan ben je zeker dat de dossiers ook gerealiseerd kunnen worden en dat er budgetten voor zijn.

De heer Dirk Van Mechelen

Wij stellen vast dat vorig jaar – en dit jaar gaan we dezelfde weg op – die betalingen niet volgen. Dat willen zeggen dat de werken niet uitgevoerd worden, want anders moet je betalen. Daarom vraag ik de stand van zaken. Ik vergeef u dat u die nu niet bijhebt, maar ik zou graag hebben dat dat bij het verslag wordt gevoegd.

Minister Hilde Crevits

Ik heb daar geen enkel probleem mee, maar ik denk wel dat elke Vlaming die rondrijdt in Vlaanderen, klaagt over de overdosis werken die overal uitgevoerd worden. Dat er geen werken uitgevoerd worden, lijkt mij dus niet terecht.

De voorzitter

Het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.